| |
|
|
|
WET van 9 maart 1994, houdende vervanging van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf door de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de wetgeving moet worden
aangepast aan de Richtlijn nr. 92/49/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe
verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche,
en houdende wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (PbEG
L 228) alsmede aan de Richtlijn nr. 92/96/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 10 november 1992 tot coördinatie van de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe
levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de Richtlijnen 79/267/EEG
en 90/619/EEG (PbEG L 360), en dat het naar aanleiding daarvan
wenselijk is de Wet toezicht verzekeringsbedrijf opnieuw vast te
stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt - voor
zover niet anders blijkt - verstaan onder:
a. overeenkomsten van schadeverzekering: overeenkomsten van
verzekering die niet zijn overeenkomsten in verband met het leven of
de dood van de mens, met dien verstande dat overeenkomsten van
ongevallenverzekering als overeenkomsten van schadeverzekering worden
beschouwd;
b. overeenkomsten van levensverzekering: overeenkomsten van
verzekering tot het doen van geldelijke uitkeringen in verband met het
leven of de dood van de mens en overeenkomsten van verzekering in
verband met de verzorging van de uitvaart van de mens die uitsluitend
strekken tot het verrichten van andere dan geldelijke prestaties, met
dien verstande dat overeenkomsten van ongevallenverzekering niet als
overeenkomsten van levensverzekering worden beschouwd;
c. schadeverzekeringsbedrijf: het als bedrijf sluiten van
overeenkomsten van schadeverzekering voor eigen rekening, met inbegrip
van het afwikkelen van de in dat bedrijf gesloten overeenkomsten van
schadeverzekering, ook al wordt daarmee niet beoogd het maken van
winst;
d. levensverzekeringsbedrijf: het als bedrijf sluiten van
overeenkomsten van levensverzekering voor eigen rekening, met inbegrip
van het afwikkelen van de in dat bedrijf gesloten overeenkomsten van
levensverzekering, ook al wordt daarmee niet beoogd het maken van
winst;
e. verzekeringsbedrijf: het schadeverzekeringsbedrijf of het
levensverzekeringsbedrijf;
f. schadeverzekeraar: ieder die het schadeverzekeringsbedrijf
uitoefent;
g. levensverzekeraar: ieder die het levensverzekeringsbedrijf
uitoefent;
h. verzekeraar: schadeverzekeraar of levensverzekeraar;
i. de Unie: de Europese Unie;
j. lid-staat: een staat die lid is van de Unie;
k. lid-staat van herkomst: de lid-staat waar een verzekeraar zijn
zetel heeft;
l. grote risico's:
1°. de risico’s die behoren tot de branches Casco rollend
spoorwegmaterieel, Luchtvaartuigcasco, Casco zee- en binnenschepen,
Vervoerde zaken, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen en
Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen;
2°. de risico’s die behoren tot de branches Krediet en
Borgtocht wanneer de verzekeringnemer handelt in de uitoefening van
een beroep of bedrijf en het risico daarop betrekking heeft;
3°. de risico’s die behoren tot de branches Voertuigcasco,
Brand en natuurevenementen, Andere schaden aan zaken,
Aansprakelijkheid motorrijtuigen, Aansprakelijkheid wegvervoer,
Algemene aansprakelijkheid en Diverse geldelijke verliezen, voor
zover de verzekeringnemer voldoet aan ten minste twee van de
volgende vereisten:
- de waarde van de activa volgens de balans bedraagt meer dan
6,2 miljoen Ecu;
- de netto-omzet over het voorafgaande boekjaar bedraagt meer
dan 12,8 miljoen Ecu;
- het gemiddeld aantal werknemers over het voorafgaande
boekjaar bedraagt meer dan 250;
waarbij bovengenoemde vereisten, indien de verzekeringnemer deel
uitmaakt van een groep maatschappijen waarvan de geconsolideerde
jaarrekening overeenkomstig de zevende richtlijn nr. 83/349/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juni 1983 op de grondslag
van artikel 54, lid 3, sub g) van het Verdrag betreffende de
geconsolideerde jaarrekening (PbEG L 193) wordt opgesteld,
worden toegepast op basis van de geconsolideerde jaarrekening en
indien de verzekeringnemer deel uitmaakt van een samenwerkingsverband,
bovengenoemde vereisten gelden voor de deelnemers in het
samenwerkingsverband gezamenlijk;
m. vestiging: zetel of bijkantoor van een verzekeraar op het
grondgebied van een staat;
n. zetel: plaats waar de verzekeraar overeenkomstig zijn statuten
zijn zetel heeft;
o. bijkantoor: elke duurzame aanwezigheid, met uitzondering van de
zetel, van een verzekeraar op het grondgebied van een staat, ook
indien er slechts sprake is van een bureau, beheerd door eigen
personeel van de verzekeraar of door een zelfstandig persoon die
gemachtigd is duurzaam voor de verzekeraar op te treden;
p. staat waar het risico is gelegen:
1°. de staat waar de zaken zich bevinden, wanneer de verzekering
betrekking heeft hetzij op een onroerende zaak, hetzij op een
onroerende zaak en op de inhoud daarvan, voor zover deze door
dezelfde verzekeringsovereenkomst wordt gedekt;
2°. de staat van registratie, wanneer de verzekering betrekking
heeft op voer- of vaartuigen van om het even welke aard;
3°. de staat waar de verzekeringnemer de overeenkomst heeft
gesloten, indien het overeenkomsten betreft met een looptijd van
vier maanden of minder die betrekking hebben op tijdens een reis of
vakantie gelopen risico's, ongeacht de branche;
4°. in alle andere gevallen van schadeverzekering, de staat waar
de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft, of, indien de
verzekeringnemer een rechtspersoon is, de staat waar zich de
vestiging van deze rechtspersoon bevindt waarop de overeenkomst
betrekking heeft;
q. overeenkomsten van communautaire co-assurantie: overeenkomsten
van directe schadeverzekering betreffende grote risico's, in
co-assurantie gesloten, waarbij:
1°. de verzekeraar die als eerste verzekeraar optreedt, zijn
verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst is aangegaan vanuit
een vestiging in een andere lid-staat dan die waarin ten minste een
van de overige co-assuradeuren zulks heeft gedaan; en
2°. het risico in de Unie is gelegen;
r. verrichten van diensten:
1°. het in de uitoefening van het directe
schadeverzekeringsbedrijf vanuit een in een staat gelegen vestiging
verzekeren van een in een andere staat gelegen risico;
2°. het in de uitoefening van het directe
levensverzekeringsbedrijf sluiten van een overeenkomst van
levensverzekering vanuit een vestiging, gelegen in een andere staat
dan die waar de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft,
of waar zich, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de
vestiging van deze rechtspersoon bevindt waarop de verzekering
betrekking heeft;
s. premie: de in geld uitgedrukte prestatie, door de
verzekeringnemer verschuldigd uit hoofde van een overeenkomst van
verzekering, daaronder niet begrepen de assurantiebelasting;
t. vertegenwoordiger: degene die door een verzekeraar als zodanig
is aangesteld om hem te vertegenwoordigen in een andere staat dan die
van zijn zetel bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de
naleving van de voorschriften die in eerstbedoelde staat voor hem
gelden;
u. acquisitie: alle handelingen, strekkende tot het voorbereiden of
tot stand brengen van overeenkomsten van verzekering;
v. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
w. toezichthoudende autoriteit: de instantie die in enige staat bij
of krachtens de wet met het toezicht op het verzekeringsbedrijf is
belast; bij het bepalen van het aantal stemrechten, dat iemand in een
onderneming of instelling heeft, worden tot diens stemrechten mede
gerekend de stemrechten waarover hij beschikt of geacht wordt te
beschikken op grond van artikel 12 van de Wet melding zeggenschap en
kapitaalbelang in ter beurze genoteerde vennootschappen;
x. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk
belang van ten minste 10 procent van het geplaatste aandelenkapitaal
van een onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen
uitoefenen van ten minste 10 procent van de stemrechten in een
onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van
een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming;
ij. groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat indien een
natuurlijk persoon, rechtspersoon of vennootschap:
1°. via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur invloed
kan uitoefenen op een of meer andere natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen; of
2°. in een of meer andere rechtspersonen of vennootschappen een
deelneming heeft als bedoeld in artikel 24c van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek, dan wel, voor zover het natuurlijke personen
betreft, een met een deelneming overeenkomende positie,
die natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap tezamen met
die andere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap dan wel
natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen wordt
aangemerkt als groep;
z. opvanginstelling: een naamloze vennootschap met zetel in
Nederland die uitsluitend tot doel heeft in opdracht van de Pensioen-
& Verzekeringskamer een in problemen verkerende levensverzekeraar
op te vangen door middel van herverzekering van de portefeuille of het
overnemen van de portefeuille van de betrokken verzekeraar;
aa. bevoegde instanties: de administratieve of rechterlijke
instanties die bevoegd zijn ter zake van saneringsmaatregelen;
bb. saneringsmaatregelen: de noodregeling, bedoeld in artikel 156,
of maatregelen, genomen in een andere lid-staat dan Nederland, die
enigerlei optreden van de aldaar bevoegde instanties behelzen en
bestemd zijn om de financiële positie van een verzekeraar in stand te
houden of te herstellen, en van dien aard zijn dat de maatregelen
bestaande rechten van anderen dan de verzekeraar aantasten;
cc. bewindvoerder: de bewindvoerder, bedoeld in artikel 156, tweede
lid, of een ander persoon of orgaan, aangewezen door de bevoegde
instanties in een andere lid-staat dan Nederland om de
saneringsmaatregelen uit te voeren;
dd. vordering uit hoofde van verzekering: de uit een overeenkomst
van verzekering voortvloeiende vordering, rechtstreeks op een
verzekeraar.
2. Het levensverzekeringsbedrijf verliest zijn karakter als
zodanig niet, indien bij de overeenkomsten van levensverzekering naast
de verplichting tot het doen van geldelijke uitkeringen verplichtingen
van andere aard worden aanvaard, of bij die overeenkomsten
verplichtingen worden aanvaard in verband met voorvallen waarvan het
ontstaan onzeker is en die de persoon van de mens treffen.
Artikel 2
1. Er is een Pensioen- & Verzekeringskamer, waarbij het
toezicht op de verzekeraars berust, zoals dit uit deze wet
voortvloeit.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekt Onze Minister
desgevraagd de inlichtingen die nodig zijn voor de beoordeling van de
uitvoerbaarheid van voorgenomen wettelijke voorschriften en algemene
beleidsvoornemens, voor zover deze betrekking hebben op het levens- en
schadeverzekeringsbedrijf.
Artikel 3
De rechtspersoon die de taken en bevoegdheden van de Pensioen- &
Verzekeringskamer uitoefent, voldoet en blijft voldoen aan de volgende
eisen:
a. hij dient in staat te zijn de bij of krachtens de wet aan de
Pensioen- & Verzekeringskamer opgedragen taken naar behoren te
vervullen;
b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige
besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke
vervulling van die taken is gewaarborgd;
c. de statuten van de rechtspersoon dienen te voorzien in een
raad van commissarissen ter zake van het beheer, bestaande uit
deskundigen.
Artikel 4 [Vervallen per 30-10-2004]
Artikel 5 [Vervallen per 30-10-2004]
Artikel 6 [Vervallen per 30-10-2004]
Artikel 7 [Vervallen per 30-10-2004]
Artikel 7a [Vervallen per 30-10-2004]
Artikel 8
1. De Pensioen- &
Verzekeringskamer brengt jaarlijks over haar werkzaamheden en
bevindingen ingevolge deze wet aan Ons verslag uit. In het verslag
worden niet opgenomen de door haar gegeven aanwijzingen, bedoeld in
artikel 54, eerste lid, waarvan geen mededeling is gedaan, noch wordt
ten aanzien van afzonderlijke verzekeraars melding gemaakt van
inlichtingen die niet in de openbaar te maken staten, bedoeld in de
artikelen 72, vierde lid, en 100, vierde lid, zijn opgenomen. Een
oordeel over enige verzekeraar wordt in dit verslag niet kenbaar
gemaakt.
2. Het verslag wordt door de zorg van de Pensioen- &
Verzekeringskamer openbaar gemaakt.
Artikel 9
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer legt te haren kantore
ten behoeve van een ieder een lijst ter inzage van de verzekeraars:
a. die in het bezit zijn van een of meer vergunningen als bedoeld
in artikel 24, eerste lid, onder vermelding van de branches;
b. met zetel in een andere lid-staat dan Nederland die bevoegd zijn
een bijkantoor in Nederland te hebben, onder vermelding van de
branches;
c. met zetel buiten Nederland die bevoegd zijn naar Nederland
diensten te verrichten, onder vermelding van de aard van de risico’s
van schadeverzekering dan wel van de aard van de overeenkomsten van
levensverzekering.
2. Voorts worden in de lijst bij de bijkantoren van de
verzekeraars met zetel buiten Nederland de naam en de woonplaats van de
vertegenwoordiger vermeld. Met betrekking tot een verzekeraar met zetel
in een andere lid-staat dan Nederland wordt tevens het adres van het
bijkantoor vermeld waaraan rechtsgeldig mededelingen aan de
vertegenwoordiger kunnen worden gestuurd.
3. Indien de verzekeraar een schade-afhandelaar als bedoeld in
artikel 109, eerste lid, onderdeel e , heeft aangesteld, worden
tevens diens naam en woonplaats vermeld.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, worden in de
lijst niet vermeld opvanginstellingen die in het bezit zijn van een of
meer vergunningen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, tenzij een
overdracht van de portefeuille van een verzekeraar krachtens artikel
147d, derde lid, heeft plaatsgevonden en van deze overdracht mededeling
in de Staatscourant is gedaan.
Artikel 10
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer werkt bij de
uitoefening van het toezicht op verzekeraars met vestiging in de Unie
samen met de betrokken toezichthoudende autoriteiten van de andere
lid-staten. De Pensioen- & Verzekeringskamer pleegt daartoe in
voorkomende gevallen overleg met deze autoriteiten.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bij de uitoefening
van het toezicht op een bijkantoor in Nederland van een verzekeraar met
zetel buiten de Unie de betrokken toezichthoudende autoriteit
raadplegen.
Artikel 10a
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer werkt samen met de
autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de
Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992
onderscheidenlijk de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf,
belast zijn met het toezicht op beleggingsinstellingen,
effecteninstellingen, kredietinstellingen onderscheidenlijk
natura-uitvaartverzekeraars, met het oog op het tot stand brengen van
gelijkgerichte regelgeving en beleid ter zake van bij ministeriële
regeling aan te wijzen onderwerpen die zowel het toezicht ingevolge
deze wet als het toezicht ingevolge een van de eerdergenoemde wetten
betreffen.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer voert het toezicht
ingevolge deze wet, voor zover het betrekking heeft op de onderwerpen,
bedoeld in het eerste lid, uit met inachtneming van daartoe met de
overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten te sluiten
overeenkomsten. Deze overeenkomsten bevatten afspraken over coördinatie
en afstemming van regelgeving en beleid, en in voorkomende gevallen over
uitvoering van toezicht. De Pensioen- & Verzekeringskamer draagt er
zorg voor dat zij of een van de overige in het eerste lid bedoelde
autoriteiten een afschrift van de gesloten overeenkomsten zendt aan Onze
Minister.
3. Binnen zes maanden na afloop van elk kalenderjaar draagt de
Pensioen- & Verzekeringskamer in samenwerking met de overige in het
eerste lid bedoelde autoriteiten zorg voor een gezamenlijk verslag dat
openbaar wordt gemaakt en waarin melding wordt gemaakt van de wijze
waarop uitvoering is gegeven aan het eerste en tweede lid.
Artikel 10b
Met het oog op een effectieve en efficiënte besluitvorming over de
wijze van behandeling van aangelegenheden van wederzijds belang en het
verzamelen van informatie ten behoeve daarvan, maken de Pensioen- &
Verzekeringskamer, het College toezicht, genoemd in artikel 77, eerste
lid, van de Zorgverzekeringswet, en het College zorgverzekeringen,
genoemd in artikel 58, eerste lid, van die wet, afspraken met elkaar.
Artikel 11
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer werkt, voor zover
noodzakelijk ten behoeve van de uitoefening van het toezicht op
verzekeraars die deel uitmaken van een groep, samen met de
autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet
toezicht beleggingsinstellingen onderscheidenlijk de Wet toezicht
effectenverkeer 1995 belast zijn met het toezicht op
kredietinstellingen, beleggingsinstellingen onderscheidenlijk
effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders die tot diezelfde groep
behoren.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer pleegt, in de gevallen
bedoeld in het eerste lid, waar nodig overleg met een autoriteit als
bedoeld in het eerste lid.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer werkt, in de gevallen
bedoeld in het eerste lid, waar nodig samen op basis van een of meer
daartoe met een autoriteit als bedoeld in het eerste lid overeen te
komen regelingen. Deze regelingen betreffen in elk geval afspraken over
het stellen van gemeenschappelijke eisen, het coördineren van
werkzaamheden uit hoofde van ieders uitoefening van het toezicht en het
uitwisselen van gegevens en inlichtingen.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekt aan een
autoriteit als bedoeld in het eerste lid danwel de autoriteit die belast
is met de uitvoering van de Wet inzake de geldtransactiekantoren of de
Wet toezicht trustkantoren de gegevens of inlichtingen die zij verkregen
heeft bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak
en die betrekking hebben op de deskundigheid van personen als bedoeld in
artikel 29, eerste en derde lid, onderscheidenlijk de voornemens, de
handelingen en de antecedenten van personen als bedoeld in artikel 29,
tweede en vierde lid, voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer
van oordeel is dat deze gegevens of inlichtingen van belang zijn of
zouden kunnen zijn voor het toezicht dat door die andere autoriteit
wordt uitgeoefend.
5. De verplichting als bedoeld in het vierde lid geldt niet in
het geval de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van een
buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 183, eerste lid.
Artikel 11a
Onze Minister kan de Pensioen- & Verzekeringskamer voorschriften
geven ter implementatie van richtlijnen op het gebied van toezicht op
het verzekeringsbedrijf van de Raad van de Europese Unie dan wel van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk.
Artikel 12
Deze wet is, tenzij daaruit anders voortvloeit, van toepassing op:
a. verzekeraars met zetel in Nederland;
b. verzekeraars met zetel buiten Nederland voor wat betreft:
1°. een bijkantoor in Nederland;
2°. het verrichten van diensten naar Nederland.
Artikel 13
1. Als verzekeraars worden niet beschouwd:
a. de Sociale verzekeringsbank;
b. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
c. het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel;
d. onderlinge waarborgmaatschappijen met zetel in Nederland en
ondernemingen of instellingen op onderlinge grondslag met zetel buiten
Nederland die uitsluitend schade verzekeren, veroorzaakt door of
ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse
onlusten, oproer en muiterij;
e. ondernemingen of instellingen die geen andere branche uitoefenen
dan de branche Hulpverlening en daarbij uitsluitend dekking verlenen
in geval van een ongeval met of een defect aan een wegvoertuig, mits
ingevolge de dekking de hulp bij een ongeval of defect in Nederland of
direct over de grens beperkt is tot:
1°. technische hulp ter plaatse, waarvoor de onderneming of
instelling in de regel eigen personeel of uitrusting gebruikt;
2°. het vervoer van het voertuig naar de dichtstbijzijnde of
meest geschikte plaats van reparatie, alsmede het eventuele vervoer
van de bestuurder en passagiers, doorgaans met hetzelfde hulpmiddel,
naar de dichtstbijzijnde plaats vanwaar zij hun reis met andere
middelen kunnen voortzetten;
3°. het vervoer van het voertuig, eventueel met de bestuurder en
passagiers, naar hun woonplaats, hun plaats van vertrek of hun
oorspronkelijke bestemming binnen Nederland;
en, voor zover de dekking zich mede uitstrekt tot een ongeval of
defect in het buitenland, de hulp beperkt is tot de onder 1° en 2°
bedoelde verrichtingen, de belanghebbende lid is van de onderneming of
instelling en de hulp of het vervoer van het voertuig enkel op vertoon
van een bewijs van lidmaatschap, zonder betaling van extra premie,
wordt uitgevoerd door een soortgelijke, in de betrokken staat werkzame
organisatie die zich hiertoe op basis van wederkerigheid heeft
verplicht.
f. verzekeraars als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van
de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.
2. Als uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf wordt niet
beschouwd het sluiten of afwikkelen van overeenkomsten als bedoeld in
artikel 1, tweede lid.
3. Als uitoefening van het verzekeringsbedrijf wordt, met
inachtneming van het vierde lid, niet beschouwd het sluiten of
afwikkelen van overeenkomsten van verzekering voor eigen rekening door:
a. bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen of
ondernemingsspaarfondsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdelen b, c onderscheidenlijk d, van de
Pensioen- en spaarfondsenwet, die krachtens die wet aan het toezicht
van de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn onderworpen;
b. ondernemingen in de zin van artikel 1 van de Pensioen- en
spaarfondsenwet of pensioeninstellingen die voor eigen rekening geen
andere overeenkomsten van verzekering sluiten of afwikkelen dan die
welke dienen ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in artikel 2,
derde lid, van de genoemde wet of toezeggingen ten aanzien waarvan
krachtens artikel 29 van die wet ontheffing is verleend van artikel 2,
eerste lid, van die wet;
c. fondsen waarop de Wet verplichte beroepspensioenregeling van
toepassing is, en wel zolang de verplichte deelneming van kracht is
alsmede gedurende de afwikkeling van hun schulden die ten tijde van de
intrekking van de verplichtstelling bestaan;
d. het pensioenfonds waaraan deelneming verplicht is op grond van
de Wet op het notarisambt.
4. Het bepaalde in het derde lid is slechts van toepassing voor
zover:
a. een bedrijfstakpensioenfonds binnen de bedrijfstak of
bedrijfstakken, omschreven in zijn statuten, dan wel een
ondernemingspensioenfonds handelt ter uitvoering van:
1°. een verplichtstelling op grond van de Wet verplichte
deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;
2°. een toezegging omtrent pensioen, als bedoeld in artikel 2
van de Pensioen- en spaarfondsenwet of een toezegging omtrent
pensioen, gedaan door een bijdragende onderneming met zetel in een
andere lidstaat, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen n en o,
van de Pensioen- en spaarfondsenwet;
3°. een vrijwillige pensioenvoorziening waartoe de mogelijkheid
voortvloeit uit het deelnemerschap en die hetzij past binnen het
raam van de regeling die voor de categorie waartoe de deelnemer
behoort, in het pensioenfonds geldt ter uitvoering van een
verplichtstellingsbeschikking als bedoeld onder 1° of van een
toezegging als bedoeld onder 2°, hetzij kan worden beschouwd als
een fase in de ontwikkelingsgang naar een eventuele uitbreiding van
de werkingssfeer van de ten behoeve van nabestaanden in de regeling
opgenomen voorzieningen; of
4°. een regeling krachtens welke de voor een deelnemer bestaande
pensioenvoorziening bij beëindiging van diens deelnemerschap
vrijwillig wordt voortgezet;
b. een ondernemingsspaarfonds handelt ter uitvoering van een door
een werkgever getroffen regeling tot sparen voor een uitkering bij
wijze van oudedagsverzorging;
c. een onderneming als bedoeld in het derde lid, onderdeel b,
verzekeringen sluit ten bate van personen, verbonden aan die
onderneming, dan wel een pensioeninstelling als bedoeld in dat
onderdeel verzekeringen sluit ten bate van personen, verbonden aan een
bepaalde zodanige onderneming; ingeval de onderneming waaraan de
betrokken personen verbonden zijn, tot een groep behoort, wordt de
groep gelijkgesteld met die onderneming;
d. een beroepspensioenfonds handelt ter uitvoering van:
1°. een verplichtstelling op grond van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling of de Wet op het notarisambt; of
2°. een vrijwillige pensioenvoorziening ten bate van een
deelnemer of gewezen deelnemer die hetzij past binnen het raam van
de regeling die in het pensioenfonds geldt ter uitvoering van een
verplichtstelling als bedoeld onder 1°, hetzij kan worden beschouwd
als een fase in de ontwikkelingsgang naar een eventuele uitbreiding
van de werkingssfeer van de ten behoeve van nabestaanden in de
regeling opgenomen voorzieningen;
e. het pensioenfonds, bedoeld in het derde lid, onderdeel d,
handelt ter uitvoering van:
een vrijwillige pensioenvoorziening ten bate van een deelnemer of
gewezen deelnemer, die hetzij past binnen het raam van de regeling die
in het betrokken pensioenfonds geldt ter uitvoering van de onder 1°
genoemde toepasselijke wet, hetzij kan worden beschouwd als een fase
in de ontwikkelingsgang naar een eventuele uitbreiding van de
werkingssfeer van de ten behoeve van nabestaanden in de regeling
opgenomen voorzieningen.
5. Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid kunnen nadere beperkingen en verdere regels stellen met
betrekking tot het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onderdeel a,
onder 2, 3 en 4, onderdelen b en c, onderdeel d,
onder 2, en onderdeel e, onder 2. Onze voornoemde ministers
kunnen de Pensioen- & Verzekeringskamer en de Sociaal-Economische
Raad om advies vragen. In dat geval zijn deze verplicht dit advies uit
te brengen.
6. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan in bijzondere
gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in het vierde lid. Aan een
ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden
verbonden en zij kan worden ingetrokken.
Artikel 14
1. Deze wet is - behoudens het tweede lid en de artikelen 1, 2,
12, aanhef en onderdeel b, onder 2°, 15 tot en met 18, 55 tot
en met 57, 174 en 188 - niet van toepassing op:
a. verzekeraars met zetel in Nederland die het verzekeringsbedrijf
uitsluitend als herverzekeraar uitoefenen;
b. verzekeraars met zetel buiten Nederland die vanuit de
bijkantoren in Nederland het verzekeringsbedrijf uitsluitend als
herverzekeraar uitoefenen.
2. De in het eerste lid bedoelde verzekeraars zenden jaarlijks
binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening met
jaarverslag in tweevoud toe aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
Artikel 15
Het schadeverzekeringsbedrijf wordt onderscheiden naar branches, die
de volgende benamingen dragen en waartoe de daaronder vermelde risico’s
behoren.
1. Ongevallen:
a. forfaitaire uitkeringen ter zake van ongevallen en
beroepsziekten;
b. overige uitkeringen ter zake van ongevallen en
beroepsziekten.
2. Ziekte:
a. forfaitaire uitkeringen ter zake van andere ziekten dan
beroepsziekten;
b. overige uitkeringen ter zake van andere ziekten dan
beroepsziekten.
3. Voertuigcasco:
schaden aan motorrijtuigen en overige voertuigen, met uitzondering
van schaden aan rollend spoorwegmaterieel.
4. Casco rollend spoorwegmaterieel:
schaden aan rollend spoorwegmaterieel.
5. Luchtvaartuigcasco:
schaden aan luchtvaartuigen.
6. Casco zee- en binnenschepen:
schaden aan zee- en binnenschepen.
7. Vervoerde zaken:
schaden aan vervoerde zaken of bagage, onafhankelijk van de aard van
het transportmiddel.
8. Brand en natuurevenementen:
schaden aan zaken (met uitzondering van schaden, begrepen onder de
branches Voertuigcasco, Casco rollend spoorwegmaterieel,
Luchtvaartuigcasco, Casco zee- en binnenschepen en Vervoerde zaken),
wanneer deze zijn veroorzaakt door brand, ontploffing, storm of
andere natuurevenementen (met uitzondering van hagel en vorst),
kernenergie of aardverzakking.
9. Andere schaden aan zaken:
schaden aan zaken (met uitzondering van schaden, begrepen onder de
branches Voertuigcasco, Casco rollend spoorwegmaterieel,
Luchtvaartuigcasco, Casco zee- en binnenschepen en Vervoerde zaken),
wanneer deze zijn veroorzaakt door hagel of vorst, alsmede door alle
overige evenementen die niet reeds zijn begrepen onder de branche
Brand en natuurevenementen.
10A. Aansprakelijkheid motorrijtuigen:
aansprakelijkheden die voortvloeien uit het gebruik van
motorrijtuigen (met uitzondering van de aansprakelijkheden, begrepen
onder de branche Aansprakelijkheid wegvervoer).
10B. Aansprakelijkheid wegvervoer:
aansprakelijkheden die voor de vervoerder voortvloeien uit
goederenvervoer over de weg (met uitzondering van de
aansprakelijkheden, begrepen onder de branche Aansprakelijkheid
motorrijtuigen).
11. Aansprakelijkheid luchtvaartuigen:
aansprakelijkheden die voortvloeien uit het gebruik van
luchtvaartuigen, aansprakelijkheden van de vervoerder daaronder
begrepen.
12. Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen:
aansprakelijkheden die voortvloeien uit het gebruik van zee- en
binnenschepen, aansprakelijkheden van de vervoerder daaronder
begrepen.
13. Algemene aansprakelijkheid:
overige vormen van aansprakelijkheid die niet reeds zijn begrepen
onder de branches Aansprakelijkheid motorrijtuigen,
Aansprakelijkheid wegvervoer, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen en
Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen.
14. Krediet:
schaden die het gevolg zijn van algemene insolventie, verleend
exportkrediet, hypothecair krediet, landbouwkrediet en verkoop op
afbetaling.
15. Borgtocht:
schaden die het gevolg zijn van verleende directe borgtocht en
indirecte borgtocht.
16. Diverse geldelijke verliezen:
geldelijke verliezen die het gevolg zijn van niet onder een der
andere branches vallende risico's.
17. Rechtsbijstand:
verleende diensten en gemaakte kosten in het bijzonder met het oog
op verhaal van door een verzekerde geleden schade en diens
verdediging of vertegenwoordiging, zowel in als buiten rechte (met
uitzondering van de werkzaamheden ter verdediging of
vertegenwoordiging van een verzekerde die een verzekeraar krachtens
een overeenkomst van aansprakelijkheidsverzekering mede in zijn
eigen belang verricht).
18. Hulpverlening:
onmiddellijke hulpverlening aan in moeilijkheden verkerende personen
die op reis zijn of zich buiten hun woonplaats bevinden (met
uitzondering van onderhoudsdiensten, dienstverlening na verkoop en
de loutere aanwijzing omtrent of terbeschikkingstelling van hulp
door een tussenpersoon).
Artikel 16
Het levensverzekeringsbedrijf wordt onderscheiden naar branches, die
de volgende benamingen dragen.
1. Levensverzekering algemeen:
kapitaal-, pensioen- en lijfrenteverzekeringen, met uitzondering van
de onder de branches 2 en 3 begrepen verzekeringen, verzekeringen in
verband met de verzorging van de uitvaart van de mens die
uitsluitend strekken tot het verrichten van andere dan geldelijke
prestaties alsmede aanvullende verzekeringen als bedoeld in artikel
1, tweede lid, zoals invaliditeitsverzekeringen en verzekeringen bij
overlijden ten gevolge van een ongeval.
2. Levensverzekering in verband met huwelijk of geboorte
3. Levensverzekering verbonden met beleggingsfondsen
4. Permanent health insurance:
niet-opzegbare langlopende ziekteverzekeringen gesloten met
ingezetenen van Ierland of het Verenigd Koninkrijk.
5. Deelneming in spaarkassen
6. Kapitalisatieverrichtingen:
verrichtingen gebaseerd op een actuariële techniek tot sparen met
het oog op kapitaalvorming, bestaande uit verplichtingen die in ruil
voor eenmalige of periodieke stortingen voor wat betreft hun duur en
hun bedrag bepaald zijn.
7. Beheer over collectieve pensioenfondsen:
beheer over de beleggingen van pensioenfondsen waaronder de waarden
die tegenover de voorziening voor pensioenverplichtingen staan.
Artikel 17
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
wordt het beheer over collectieve pensioenfondsen als uitoefening van
het levensverzekeringsbedrijf beschouwd indien het wordt gevoerd door
verzekeraars die ook overigens het levensverzekeringsbedrijf uitoefenen.
Artikel 18
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer beslist voor de
toepassing van deze wet of een handeling of een samenstel van
handelingen al dan niet uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf,
het levensverzekeringsbedrijf of een andersoortig bedrijf vormt en of
een handeling of een samenstel van handelingen al dan niet uitoefening
van het verzekeringsbedrijf vanuit een vestiging in Nederland vormt.
Zij beslist tevens tot welke branche of branches een overeenkomst van
verzekering behoort.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer beslist ambtshalve dan
wel op aanvraag van:
a. hetzij degene die de handeling of het samenstel van handelingen
verricht of voornemens is te verrichten onderscheidenlijk de
verzekeraar die de overeenkomst van verzekering sluit of voornemens is
te sluiten;
b. hetzij een representatieve organisatie van verzekeraars als
bedoeld in artikel 187, tweede lid.
Artikel 19
Ter uitvoering van een tussen de Unie en een staat, die niet een
lid-staat is, gesloten overeenkomst betreffende de toegang tot en de
uitoefening van het verzekeringsbedrijf, kan bij algemene maatregel van
bestuur en zonodig onder het bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur stellen van nadere regels worden bepaald dat en in hoeverre voor
de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde die staat wordt
gelijkgesteld met een lid-staat.
Artikel 20
Deze wet is onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen voorwaarden geheel of gedeeltelijk niet van toepassing op de
volgende categorieën schadeverzekeraars:
a. onderlinge waarborgmaatschappijen van beperkte omvang met
zetel in Nederland en ondernemingen of instellingen op onderlinge
grondslag van beperkte omvang met zetel buiten Nederland;
b. verzekeraars met zetel in Nederland die zich beperken tot het
sluiten en afwikkelen van overeenkomsten van
exportkredietverzekering voor rekening of met garantie van de staat.
Artikel 21 [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 22
De verzekeraars, verenigd onder de naam Lloyd's, te Londen, Verenigd
Koninkrijk, worden voor de toepassing van deze wet te zamen als een
verzekeraar beschouwd.
Hoofdstuk II. De toegang tot het verzekeringsbedrijf
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 23
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op verzekeraars met zetel buiten
Nederland voor wat betreft het verrichten van diensten naar Nederland.
Artikel 24
1. Het is verboden het directe verzekeringsbedrijf uit te
oefenen zonder een vergunning van de Pensioen- & Verzekeringskamer
of dit bedrijf uit te oefenen in een branche waarvoor de
Verzekeringskamer geen vergunning heeft verleend.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een verzekeraar met
zetel in een andere lid-staat die bevoegd is in Nederland een bijkantoor
te hebben.
Afdeling 2. Verzekeraars met zetel in Nederland
Artikel 25
1. Bij de aanvraag van een vergunning legt de aanvrager aan de
Pensioen- & Verzekeringskamer een programma van werkzaamheden
over.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met
betrekking tot het programma van werkzaamheden, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 26
1. Indien voor de eerste maal een vergunning wordt aangevraagd,
legt de aanvrager tevens aan de Pensioen- & Verzekeringskamer
over:
a. een authentiek afschrift van de akte van oprichting, een
exemplaar van zijn statuten alsmede een lijst met namen en adressen
van zijn bestuurders en commissarissen;
b. een lijst met namen en adressen van de personen die het
dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de aanvrager behoort en
tevens uit dien hoofde het dagelijks beleid van de aanvrager mede
bepalen;
c. een lijst met namen en adressen van de personen die het beleid
bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de aanvrager behoort en
tevens uit dien hoofde het beleid van de aanvrager mede bepalen;
d. gegevens over de identiteit van degenen die een gekwalificeerde
deelneming houden in de onderneming van de aanvrager alsmede over de
omvang van die deelneming;
e. gegevens over de formele en de feitelijke zeggenschapsstructuur
van de groep waartoe de aanvrager behoort, en
f. de voorgenomen maatregelen, gericht op het bevorderen en
handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de
maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels,
bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een vergunning voor de
branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen, legt de aanvrager voorts aan
de Pensioen- & Verzekeringskamer over:
a. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de aanvrager is
aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
b. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de aanvrager zich
heeft gemeld bij het Waarborgfonds Motorverkeer teneinde te voldoen
aan zijn verplichtingen jegens dat fonds uit hoofde van de artikelen
24, eerste lid, en 24a, eerste lid, van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen; en
c. een opgave van de naam en het adres van de schaderegelaar,
bedoeld in artikel 52, eerste lid, onderdeel e, die hij in iedere
andere lid-staat dan Nederland heeft aangesteld.
Artikel 27
1. Een vergunning wordt voor een branche verleend.
2. In afwijking van artikel 24, eerste lid, mogen in de
uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf, naast de risico’s die
behoren tot de branche waarvoor de vergunning is verleend, tevens risico’s
worden verzekerd die behoren tot een of meer andere branches, mits deze
risico’s naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer als
bijkomende risico’s kunnen worden beschouwd, omdat zij:
a. samenhangen met het hoofdrisico dat behoort tot de branche
waarvoor de vergunning is verleend;
b. betrekking hebben op het belang of gevaarsobject dat is
verzekerd tegen het hoofdrisico; en
c. worden verzekerd bij dezelfde overeenkomst als het hoofdrisico.
3. De risico’s van de branches Krediet en Borgtocht mogen
evenwel niet als bijkomende risico’s met andere branches worden
gecombineerd.
4. De risico’s van de branche Rechtsbijstand mogen uitsluitend
als bijkomende risico’s worden gecombineerd met de branche
Hulpverlening en met branches waarbij risico’s worden verzekerd die
verband houden met het gebruik van zeeschepen.
Artikel 28
1. Verzekeraars met zetel in Nederland dienen de rechtsvorm van
naamloze vennootschap of onderlinge waarborgmaatschappij te bezitten.
Zij kunnen eveneens de rechtsvorm aannemen van een Europese
vennootschap zodra deze bestaat.
2. Het dagelijks beleid van een verzekeraar wordt bepaald door
ten minste twee personen.
3. Een verzekeraar die de rechtsvorm van naamloze vennootschap of
Europese vennootschap bezit, heeft ten minste drie commissarissen als
bedoeld in artikel 140 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan een verzekeraar
van het bepaalde in het tweede of derde lid ontheffing verlenen en aan
deze ontheffing beperkingen stellen of voorschriften verbinden,
onverminderd het bepaalde in artikel 158 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek. Een ontheffing kan worden ingetrokken.
5. Een verzekeraar behoort niet tot een groep waarbinnen de
formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate
ondoorzichtig is dat deze, naar het oordeel van de Pensioen- &
Verzekeringskamer, een belemmering vormt voor het adequaat uitoefenen
van toezicht op de verzekeraar.
6. Indien een verzekeraar in een groep is verbonden met een
natuurlijke of rechtspersoon op wie, onderscheidenlijk waarop, het recht
van een staat die geen lid is van de Unie van toepassing is, mag het
recht van die staat, naar het oordeel van de Pensioen- &
Verzekeringskamer, niet een belemmering vormen voor het adequaat
uitoefenen van toezicht op de verzekeraar.
Artikel 29
1. De deskundigheid van de personen die het dagelijks beleid
van een verzekeraar bepalen, dient naar het oordeel van de Pensioen-
& Verzekeringskamer voldoende te zijn in verband met de
uitoefening van het verzekeringsbedrijf.
2. De voornemens, de handelingen of de antecedenten van de
personen die het beleid van de verzekeraar bepalen of mede bepalen,
mogen de Pensioen- & Verzekeringskamer geen aanleiding geven tot het
oordeel dat, met het oog op de belangen van degenen die als
verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken
zijn of zullen worden bij overeenkomsten van verzekering, gesloten of te
sluiten met de verzekeraar, de betrouwbaarheid van deze personen niet
buiten twijfel staat.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
personen die het dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de
verzekeraar behoort, voor zover zij tevens uit dien hoofde het dagelijks
beleid van de verzekeraar mede bepalen.
4. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de
personen die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de
verzekeraar behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van de
verzekeraar mede bepalen.
Artikel 29a
De personen die het dagelijks beleid van een verzekeraar bepalen,
verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit Nederland.
Artikel 30
De geschiktheid van de houders van een gekwalificeerde deelneming in
de onderneming van de aanvrager dient naar het oordeel van de Pensioen-
& Verzekeringskamer voldoende te zijn met het oog op een gezonde,
prudente en integere bedrijfsvoering van de verzekeraar. Onder integere
bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan de bedrijfsvoering met
uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische
gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995.
Artikel 31
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de Commissie van de
Europese Gemeenschappen in kennis van de verlening van een vergunning
aan een dochtermaatschappij met zetel in Nederland van een onderneming
met zetel buiten de Unie, onder opgave van de formele
zeggenschapsstructuur van de groep waartoe de dochtermaatschappij
behoort.
Artikel 32
De aanvrager van een vergunning dient te beschikken over:
a. het minimum bedrag van het garantiefonds dat krachtens artikel
68, tweede lid, voor de betrokken branche of branches geldt dan wel
over de solvabiliteitsmarge die krachtens artikel 68, eerste of
derde lid, is vereist op grond van de reeds door hem uitgeoefende
branches, indien deze solvabiliteitsmarge hoger is dan bedoeld
minimum bedrag;
b. financiële middelen tot dekking van de te verwachten kosten
voor de inrichting van de administratie en van het produktienet.
Artikel 33
1. Een vergunning voor de branche Permanent health insurance
wordt slechts verleend aan een verzekeraar die zich beperkt tot deze
branche.
2. Een vergunning voor de branche Kapitalisatieverrichtingen of
voor de branche Beheer over collectieve pensioenfondsen wordt slechts
verleend aan een verzekeraar die in het bezit is van een vergunning voor
de branche Levensverzekering algemeen, die de werkzaamheden in de
branche Kapitalisatieverrichtingen onderscheidenlijk in de branche
Beheer over collectieve pensioenfondsen in zodanige mate uitoefent dat
zij voor zijn gehele bedrijf van ondergeschikte betekenis zijn en die,
indien het betreft de branche Beheer over collectieve pensioenfondsen,
voorts voldoet aan de door de Pensioen- & Verzekeringskamer te
zijnen aanzien gestelde voorwaarden.
Artikel 34
Indien de stukken die bij de aanvraag van een vergunning zijn
overgelegd, de Pensioen- & Verzekeringskamer aanleiding geven tot
het maken van opmerkingen, stelt zij de aanvrager in de gelegenheid op
deze opmerkingen binnen een door haar te stellen termijn te antwoorden.
Artikel 35
De Pensioen- & Verzekeringskamer verleent een vergunning aan
ieder die te haren genoegen heeft aangetoond dat hij aan de bij of
krachtens deze wet gestelde eisen voor het verkrijgen van de vergunning
voldoet, behoudens voor zover artikel 179, vierde lid, aanhef en
onderdeel b , toepassing vindt.
Artikel 36
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer beslist binnen acht
weken. Indien toepassing is gegeven aan artikel 34, begint de in de
eerste volzin genoemde termijn op het tijdstip waarop de inlichtingen
door de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn ontvangen.
2. Met betrekking tot een aanvrager die dochtermaatschappij is
van een onderneming met zetel buiten de Unie is het eerste lid niet van
toepassing indien ingevolge artikel 179, vierde lid, aanhef en onderdeel
b , de beslissing op de aanvraag is opgeschort.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer doet van de verlening van
een vergunning mededeling in de Staatscourant.
4. Ten aanzien van een opvanginstelling wordt de mededeling,
bedoeld in het derde lid, gedaan gelijktijdig met de
portefeuille-overdracht.
Afdeling 3. Verzekeraars met zetel in een andere lid-staat dan
Nederland
Artikel 37
1. Een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan
Nederland, die in het bezit is van een vergunning die overeenkomt met
de in artikel 24, eerste lid, bedoelde vergunning, kan, met
inachtneming van het derde lid, in Nederland een bijkantoor openen
nadat de toezichthoudende autoriteit van die lid-staat de Pensioen-
& Verzekeringskamer schriftelijk in kennis heeft gesteld van het
voornemen van de verzekeraar tot het openen van het bijkantoor, onder
bijvoeging van gegevens die overeenkomen met die van artikel 80,
tweede lid, onderdelen b tot en met d, en van een
verklaring dat de verzekeraar beschikt over de vereiste
solvabiliteitsmarge. Indien de verzekeraar risico’s behorende tot de
branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen wenst te dekken voegt de
betrokken toezichthoudende autoriteit bij de inkennisstelling, bedoeld
in de eerste volzin, tevens:
a. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de verzekeraar is
aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
b. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de verzekeraar zich
heeft gemeld bij het Waarborgfonds Motorverkeer teneinde te voldoen
aan zijn verplichtingen jegens dat fonds uit hoofde van de artikelen
24, eerste lid, en 24a, eerste lid, van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan binnen twee maanden
na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, de
betrokken toezichthoudende autoriteit berichten welke voorwaarden om
redenen van algemeen belang in acht moeten worden genomen bij het
uitoefenen van de werkzaamheden in Nederland.
3. Na de verzending door de Pensioen- & Verzekeringskamer van
dit bericht dan wel van de mededeling dat geen zodanig bericht zal
volgen, maar in elk geval twee maanden nadat de Pensioen- &
Verzekeringskamer de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, heeft
ontvangen, kan de verzekeraar het bijkantoor openen.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer doet van de bevoegdheid
van een verzekeraar een bijkantoor te openen mededeling in de Staatscourant.
Artikel 38
1. Indien zich een wijziging voordoet van de gegevens die
overeenkomen met die van artikel 80, tweede lid, onderdelen b
tot en met d , kan de verzekeraar die wijziging met
inachtneming van het vierde lid toepassen na haar ten minste een maand
tevoren schriftelijk te hebben gemeld aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer en nadat de betrokken toezichthoudende autoriteit de
Pensioen- & Verzekeringskamer van die wijziging in kennis heeft
gesteld, onder bijvoeging van een verklaring dat de verzekeraar
beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge.
2. Indien een wijziging als bedoeld in het eerste lid het geval
betreft dat de verzekeraar voornemens is voor de eerste maal risico’s
behorende tot de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen te dekken,
voegen de verzekeraar en de betrokken toezichthoudende autoriteit bij de
melding onderscheidenlijk de inkennisstelling, bedoeld in het eerste
lid, tevens schriftelijke bewijzen als bedoeld in artikel 37, eerste
lid, onderdelen a en b .
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan binnen een maand na
ontvangst van de melding, bedoeld in het eerste lid, de betrokken
toezichthoudende autoriteit berichten welke voorwaarden om redenen van
algemeen belang in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van de
werkzaamheden in Nederland.
4. De verzekeraar kan de wijziging in elk geval toepassen na de
verzending door de Pensioen- & Verzekeringskamer aan de betrokken
toezichthoudende autoriteit van het bericht, bedoeld in het derde lid,
dan wel van de mededeling dat geen zodanig bericht zal volgen.
5. Indien het voornemen bestaat om de bedrijfsuitoefening vanuit
het bijkantoor te staken, stelt de verzekeraar de Pensioen- &
Verzekeringskamer daarvan ten minste een maand tevoren schriftelijk in
kennis. Zodra de verzekeraar zijn voornemen uitvoert, meldt hij dit
onverwijld aan de Pensioen- & Verzekeringskamer, die daarvan
mededeling doet in de Staatscourant.
Afdeling 4. Verzekeraars met zetel buiten de Unie
Artikel 39
1. Bij de aanvraag van een vergunning legt een verzekeraar met
zetel buiten de Unie aan de Pensioen- & Verzekeringskamer een
programma van werkzaamheden over.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met
betrekking tot het programma van werkzaamheden, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 40
1. Indien voor de eerste maal een vergunning wordt aangevraagd,
legt de verzekeraar tevens aan de Pensioen- & Verzekeringskamer
over:
a. een authentiek afschrift van de akte van oprichting, een
exemplaar van zijn statuten alsmede een lijst met namen en adressen
van zijn bestuurders en commissarissen;
b. de akte van aanstelling van de vertegenwoordiger alsook, indien
de vertegenwoordiger rechtspersoon is, de statuten van deze
rechtspersoon, een uittreksel uit diens inschrijving in het
handelsregister en de akte van aanstelling van de natuurlijke persoon,
bedoeld in artikel 45, vijfde lid,
c. gegevens waaruit blijkt dat de verzekeraar zowel in zijn
bijkantoor als in de staat van zijn zetel beschikt over een goede
administratieve organisatie en adequate interne controleprocedures; en
d. gegevens waaruit blijkt dat de verzekeraar zowel in zijn
bijkantoor als in de staat van zijn zetel beschikt over adequate
maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere
bedrijfsvoering.
Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan de
bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de
effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet
toezicht effectenverkeer 1995.
2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een vergunning voor de
branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen, legt de verzekeraar voorts aan
de Pensioen- & Verzekeringskamer over:
a. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de verzekeraar is
aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
b. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de verzekeraar zich
heeft gemeld bij het Waarborgfonds Motorverkeer teneinde te voldoen
aan zijn verplichtingen jegens dat fonds uit hoofde van de artikelen
24, eerste lid, en 24a, eerste lid, van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen; en
c. een opgave van de naam en het adres van de schaderegelaar,
bedoeld in artikel 52, eerste lid, onderdeel e, die hij in iedere
andere lid-staat dan Nederland heeft aangesteld.
3. De modellen van de akten van aanstelling, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, worden door de Pensioen- &
Verzekeringskamer vastgesteld.
Artikel 41
1. Een vergunning wordt voor een branche verleend.
2. In afwijking van artikel 24, eerste lid, mogen in de
uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf, naast de risico’s die
behoren tot de branche waarvoor de vergunning is verleend, tevens risico’s
worden verzekerd die behoren tot een of meer andere branches, mits deze
risico’s naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer als
bijkomende risico’s kunnen worden beschouwd, omdat zij:
a. samenhangen met het hoofdrisico dat behoort tot de branche
waarvoor de vergunning is verleend;
b. betrekking hebben op het belang of gevaarsobject dat is
verzekerd tegen het hoofdrisico; en
c. worden verzekerd bij dezelfde overeenkomst als het hoofdrisico.
3. De risico’s van de branches Krediet en Borgtocht mogen
evenwel niet als bijkomende risico’s met andere branches worden
gecombineerd.
4. De risico’s van de branche Rechtsbijstand mogen uitsluitend
als bijkomende risico’s worden gecombineerd met de branche
Hulpverlening en met branches waarbij risico’s worden verzekerd die
verband houden met het gebruik van zeeschepen.
Artikel 42
1. Een verzekeraar die een vergunning aanvraagt dient:
a. naar het recht van de staat van zijn zetel rechtspersoon te
zijn;
b. in de staat van zijn zetel bevoegd te zijn tot uitoefening van
het betrokken directe verzekeringsbedrijf, dit bedrijf vanuit een
vestiging in die staat daadwerkelijk uit te oefenen en bevoegd te zijn
een bijkantoor in Nederland te openen;
c. met betrekking tot zijn gehele in en buiten Nederland
uitgeoefende verzekeringsbedrijf over een solvabiliteitsmarge te
beschikken, die ten minste overeenkomt met de ingevolge artikel 68
vereiste solvabiliteitsmarge;
d. met inachtneming van artikel 96, tweede lid, te beschikken over
het minimum bedrag van het garantiefonds dat krachtens artikel 96,
eerste lid, voor de betrokken branche of branches geldt dan wel over
de solvabiliteitsmarge die krachtens artikel 96, eerste lid, is
vereist op grond van de reeds door hem uitgeoefende branches, indien
deze solvabiliteitsmarge hoger is dan bedoeld minimum bedrag;
e. ten minste de helft van het in onderdeel d bedoelde
minimum bedrag van het garantiefonds aan te houden in bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen waarden volgens de daarbij
te stellen regels;
f. te beschikken over financiële middelen tot dekking van de te
verwachten kosten voor de inrichting van de administratie en van het
produktienet in Nederland.
2. In de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, kan
worden voorgeschreven dat de verzekeraar voor bepaalde handelingen
toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer behoeft.
Artikel 43
1. Een vergunning voor het levensverzekeringsbedrijf wordt niet
verleend aan een verzekeraar die in of buiten Nederland het
schadeverzekeringsbedrijf uitoefent.
2. Het eerste lid geldt niet voor de verzekeraar die sedert 15
maart 1979 vanuit de bijkantoren in Nederland uitsluitend het
levensverzekeringsbedrijf uitoefent.
Artikel 44
1. Een vergunning voor de branche Permanent health insurance
wordt slechts verleend aan een verzekeraar die zich in en buiten
Nederland beperkt tot deze branche.
2. Een vergunning voor de branche Kapitalisatieverrichtingen of
voor de branche Beheer over collectieve pensioenfondsen wordt slechts
verleend aan een verzekeraar die in het bezit is van een vergunning voor
de branche Levensverzekering algemeen, die de werkzaamheden in de
branche Kapitalisatieverrichtingen onderscheidenlijk in de branche
Beheer over collectieve pensioenfondsen in zodanige mate uitoefent dat
zij voor zijn gehele bedrijf van ondergeschikte betekenis zijn en die,
indien het betreft de branche Beheer over collectieve pensioenfondsen,
voorts voldoet aan de door de Pensioen- & Verzekeringskamer te
zijnen aanzien gestelde voorwaarden.
Artikel 45
1. De verzekeraar stelt als zijn vertegenwoordiger een
natuurlijk persoon of een rechtspersoon aan, die zijn woonplaats in
Nederland heeft.
2. De vertegenwoordiger heeft ten aanzien van de uitoefening van
het verzekeringsbedrijf vanuit de bijkantoren in Nederland van
rechtswege alle bevoegdheden die de verzekeraar bezit. Hij maakt daarvan
gebruik voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks verlangt.
3. De vertegenwoordiger is gehouden namens de verzekeraar te
voldoen aan de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften. Het
ontbreken van de vertegenwoordiger of zijn in gebreke zijn ontslaat de
verzekeraar niet van de verplichting te voldoen aan deze voorschriften.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan ambtshalve of op
aanvraag van de verzekeraar ontheffing verlenen van het bepaalde in de
eerste volzin van het derde lid. Aan een ontheffing kunnen beperkingen
worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kan worden
ingetrokken.
5. Is de vertegenwoordiger rechtspersoon, dan wijst hij op zijn
beurt een natuurlijk persoon aan die in Nederland zijn woonplaats heeft
en die hem bij uitsluiting van ieder ander vertegenwoordigt bij de
uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de nakoming van zijn uit deze
wet voortvloeiende verplichtingen.
6. Als woonplaats van de verzekeraar in Nederland geldt de
woonplaats van zijn vertegenwoordiger, met dien verstande dat, indien de
vertegenwoordiger een natuurlijk persoon is die een kantoor houdt, dit
kantoor als woonplaats van de verzekeraar wordt aangemerkt.
7. Artikel 29, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing op de natuurlijke persoon die als vertegenwoordiger is
aangesteld en op de natuurlijke persoon, bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 46
Indien de stukken die bij de aanvraag van een vergunning zijn
overgelegd, de Pensioen- & Verzekeringskamer aanleiding geven tot
het maken van opmerkingen, stelt zij de verzekeraar in de gelegenheid op
deze opmerkingen binnen een door haar te stellen termijn te antwoorden.
Artikel 47
De Pensioen- & Verzekeringskamer verleent een vergunning aan
ieder die te haren genoegen heeft aangetoond dat hij aan de bij of
krachtens deze wet gestelde eisen voor het verkrijgen van de vergunning
voldoet.
Artikel 48
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer beslist binnen acht
weken. Indien toepassing is gegeven aan artikel 46, begint de in de
eerste volzin genoemde termijn op het tijdstip waarop de inlichtingen
door de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn ontvangen.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer doet van de verlening van
een vergunning mededeling in de Staatscourant.
Artikel 49
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, in overeenstemming
met de toezichthoudende autoriteiten van de lid-staten waar een
verzekeraar eveneens een bijkantoor heeft of een bijkantoor wil
openen, aan deze verzekeraar op zijn aanvraag een verklaring afgeven,
inhoudende dat in afwijking van artikel 42, eerste lid, aanhef en
onderdelen d en e , en artikel 96, vanaf het in de
verklaring vermelde tijdstip:
a. de solvabiliteitsmarge wordt berekend op basis van het gehele
schadeverzekeringsbedrijf dan wel levensverzekeringsbedrijf dat de
verzekeraar vanuit de bijkantoren in de Unie uitoefent;
b. de waarden die het garantiefonds vertegenwoordigen, in de
lid-staat van de in het tweede lid bedoelde toezichthoudende
autoriteit aanwezig dienen te zijn; en
c. ten minste de helft van het minimum bedrag van het garantiefonds
dient te worden aangehouden in waarden volgens de regels die terzake
gelden in de lid-staat van de in het tweede lid bedoelde
toezichthoudende autoriteit.
2. De verzekeraar doet in zijn aanvraag een met redenen omklede
keuze van de toezichthoudende autoriteit die zich zal belasten met het
toezicht op de solvabiliteitsmarge, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan een op grond van
dit artikel afgegeven verklaring beperkingen stellen of voorschriften
verbinden.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de verklaring
intrekken. Alvorens daartoe over te gaan verzoekt de Pensioen- &
Verzekeringskamer de toezichthoudende autoriteiten van de andere
lid-staten die een overeenkomstige verklaring hebben afgegeven, deze
verklaring eveneens in te trekken op het door haar aangegeven tijdstip.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer trekt de verklaring
tevens in, indien de toezichthoudende autoriteit van een van de andere
betrokken lid-staten zulks verzoekt. Alsdan gaat de intrekking door de
Pensioen- & Verzekeringskamer niet eerder in dan op het tijdstip dat
is aangegeven door de toezichthoudende autoriteit die om de intrekking
heeft verzocht.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
zake van het bepaalde in de voorgaande leden nadere regels worden
gesteld.
Hoofdstuk III. De uitoefening van het verzekeringsbedrijf
Afdeling 1. Algemene bepalingen
§ 1. Algemeen
Artikel 50
Dit hoofdstuk is, behoudens de artikelen 51, 53 en 55 tot en met 57,
niet van toepassing op verzekeraars met zetel buiten Nederland voor wat
betreft het verrichten van diensten naar Nederland.
Artikel 51
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld met betrekking tot aan het publiek te verstrekken
informatie door verzekeraars.
2. Onze Minister kan, op aanvraag, bepalen dat een verzekeraar
niet behoeft te voldoen aan alle in het eerste lid bedoelde regels,
indien de verzekeraar aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet volledig
kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken
anderszins voldoende zijn bereikt. Onze Minister kan een besluit als
bedoeld in de vorige volzin wijzigen of intrekken, indien naar zijn
oordeel de omstandigheden waaronder het besluit is genomen zodanig zijn
gewijzigd, dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken niet langer
worden bereikt.
3. De artikelen 54, eerste en tweede lid, 55 en 186, eerste,
derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond van dit
artikel heeft, kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden
overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de
verplichtingen op grond van dit artikel jegens Onze Minister als
verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.
5. Een overdracht als bedoeld in het vierde lid vindt slechts
plaats, indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten
voldoet:
a. hij dient in staat te zijn de in het vierde lid bedoelde taken
en bevoegdheden naar behoren te vervullen;
b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige
besluitvorming binnen de rechtspersoon, dat een onafhankelijke
vervulling van de in het vierde lid bedoelde taken en bevoegdheden zo
veel mogelijk is gewaarborgd.
6. Aan de overdracht, bedoeld in het vierde lid, kunnen
beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
Artikel 52
1. Een verzekeraar mag de branche Aansprakelijkheid
motorrijtuigen vanuit een vestiging in Nederland niet uitoefenen:
a. zonder te zijn aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel 2,
zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
b. zonder zijn verplichtingen jegens het Waarborgfonds Motorverkeer
na te komen uit hoofde van de artikelen 24, eerste lid, en 24a,
eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
c. zonder zijn verplichtingen na te komen tot kennisgeving uit
hoofde van artikel 13, eerste lid, van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen jegens het
overheidsorgaan aldaar bedoeld;
d. zonder dat zijn voorwaarden van verzekering voldoen aan de door
de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen gestelde eisen; en
e. zonder dat hij in iedere andere lid-staat dan Nederland een
schaderegelaar heeft aangesteld die belast is met het namens hem
behandelen en afwikkelen van vorderingen van benadeelden die aanspraak
kunnen maken op schadevergoeding ten gevolge van feiten, veroorzaakt
door deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen die gewoonlijk zijn
gestald en verzekerd in een andere lid-staat dan Nederland en die zich
ofwel hebben voorgedaan in een andere lid-staat dan die van de
woonplaats van de benadeelde, ofwel in een staat buiten de Unie waar
een nationaal bureau werkzaam is, dat overeenkomt met het bureau,
bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.
2. De schaderegelaar heeft zijn woonplaats of vestiging in de
lid-staat waar hij is aangesteld. Vorderingen van benadeelden als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, behandelt en wikkelt hij af in
de officiële taal of de officiële talen van die lid-staat.
3. De schaderegelaar houdt zich namens de verzekeraar niet bezig
met de uitoefening van het verzekeringsbedrijf. Evenmin wordt hij
beschouwd als een vestiging van de verzekeraar in de zin van Verordening
(EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de
rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van
beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 12 van 16 januari
2001), onderscheidenlijk het Verdrag van Brussel van 27 september 1968
betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van de
beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEG C 27 van 26 februari
1998).
4. Een verzekeraar aan wie vergunning is verleend voor de branche
Aansprakelijkheid motorrijtuigen meldt binnen twee weken na de aanvang
van de uitoefening van die branche aan het Informatiecentrum, bedoeld in
artikel 27b van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en
aan het informatiecentrum in iedere andere lid-staat, de naam en het
adres van de door hem in iedere lid-staat aangestelde schaderegelaar. De
verzekeraar stelt de in de eerste volzin bedoelde informatiecentra en de
Pensioen- & Verzekeringskamer binnen twee weken in kennis van een
wijziging in de naam of het adres van de desbetreffende schaderegelaar.
5. De verzekeraar van degene die de schade heeft veroorzaakt of
zijn schaderegelaar geeft binnen drie maanden na de datum waarop een
benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend:
a. een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding indien de
aansprakelijkheid niet wordt betwist en de omvang van de schade is
vastgesteld; of
b. een met redenen omkleed antwoord op alle punten van het verzoek
tot schadevergoeding indien de aansprakelijkheid wordt betwist of de
omvang van de schade nog niet volledig is vastgesteld.
Op dit lid is artikel 119 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van
toepassing.
6. Een verzekeraar aan wie vergunning is verleend voor de branche
Aansprakelijkheid motorrijtuigen legt binnen twee weken na de aanvang
van de uitoefening van die branche aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer een door hem ondertekende verklaring over dat zijn
voorwaarden van verzekering voldoen aan de door de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen gestelde eisen.
7. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan van het bepaalde in
het eerste lid ontheffing verlenen aan een verzekeraar die geen
aansprakelijkheden dekt ten aanzien waarvan de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen van toepassing is en die de
risico’s van de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitsluitend
als bijkomende risico’s dekt. Aan een ontheffing kunnen beperkingen
worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kan worden
ingetrokken.
Artikel 53
Een levensverzekeraar draagt er zorg voor dat in individuele
overeenkomsten van levensverzekering die een looptijd van meer dan zes
maanden hebben, uitdrukkelijk wordt bepaald dat de verzekeringnemer
beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen, gerekend vanaf het
tijdstip waarop de verzekeringnemer ervan in kennis wordt gesteld dat de
overeenkomst is gesloten, om de overeenkomst met onmiddellijke ingang
schriftelijk op te zeggen. De kennisgeving van de verzekeraar geschiedt
schriftelijk binnen vier weken na het sluiten van de overeenkomst. De
opzegging door de verzekeringnemer heeft ten gevolge dat hij en de
verzekeraar met ingang van het tijdstip waarop de verzekeraar deze
opzegging heeft ontvangen, worden ontheven van alle uit deze
overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.
§ 2. Aanwijzingsrecht
Artikel 54
1. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks
noodzakelijk acht in het belang van degenen die als verzekeringnemers,
verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken zijn of zullen
worden bij overeenkomsten van verzekering, gesloten of te sluiten door
een verzekeraar, kan zij die verzekeraar een aanwijzing geven.
2. De verzekeraar volgt een aanwijzing binnen de door de
Pensioen- & Verzekeringskamer gestelde termijn op.
3. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer niet binnen twee
weken na de bekendmaking van de aanwijzing een haar bevredigend antwoord
van de verzekeraar heeft ontvangen of naar haar oordeel niet of
onvoldoende aan haar aanwijzing is gevolg gegeven, kan zij:
a. de verzekeraar aanzeggen, dat vanaf een bepaald tijdstip alle of
bepaalde organen van de verzekeraar, daaronder voor de toepassing van
dit artikel de vertegenwoordiger begrepen, hun bevoegdheden slechts
mogen uitoefenen na toestemming door een of meer door de Pensioen-
& Verzekeringskamer aangewezen personen en met inachtneming van de
opdrachten van deze personen, welke aanzegging terstond van kracht
wordt;
b. de verzekeraar aanzeggen, dat de Pensioen- &
Verzekeringskamer van de aanwijzing mededeling zal doen in de Staatscourant
en in een of meer dagbladen te harer keuze, bij welke mededeling,
indien de verzekeraar dit verlangt, tevens de correspondentie wordt
gepubliceerd, die naar aanleiding van de aanwijzing tussen de
Pensioen- & Verzekeringskamer en de verzekeraar is gevoerd.
4. Indien het in het eerste lid bedoelde belang onverwijld
ingrijpen noodzakelijk maakt, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer
zonder toepassing van het eerste lid onmiddellijk uitvoering geven aan
onderdeel a van het derde lid, nadat zij de verzekeraar in de
gelegenheid heeft gesteld zijn mening over de onmiddellijke uitvoering
te geven.
5. De organen van de verzekeraar verlenen de door de Pensioen-
& Verzekeringskamer aangewezen personen alle medewerking. De
Pensioen- & Verzekeringskamer kan de betrokken organen van de
verzekeraar toestaan bepaalde handelingen zonder machtiging te
verrichten.
6. De door de Pensioen- & Verzekeringskamer aangewezen
personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren
na de bekendmaking van de aanzegging, bedoeld in het derde lid,
onderdeel a, behoudens de bevoegdheid van de Pensioen- &
Verzekeringskamer om deze termijn te verlengen telkens voor ten hoogste
een jaar. Een zodanige verlenging maakt de Pensioen- &
Verzekeringskamer aan de verzekeraar bekend. De verlenging wordt
terstond van kracht. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan te allen
tijde de door haar aangewezen personen door anderen vervangen.
7. Voor schade ten gevolge van handelingen, welke zijn verricht
in strijd met een aanzegging als bedoeld in het derde lid, onderdeel a,
zijn degenen, die deze handelingen als orgaan van de verzekeraar
verrichten, persoonlijk aansprakelijk tegenover de verzekeraar. De
verzekeraar kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de
wederpartij wist, dat de vereiste toestemming ontbrak of daarvan niet
onkundig kon zijn.
8. De Pensioen- & Verzekeringskamer trekt in elk geval de
maatregel, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, in zodra zij
van oordeel is, dat het in het eerste lid bedoelde belang deze maatregel
niet langer noodzakelijk maakt.
9. De werking van het besluit tot publikatie van een aanwijzing,
bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt opgeschort totdat de
beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist. Indien de verzekeraar na de publikatie alsnog voldoet
aan de aanwijzing doet de Pensioen- & Verzekeringskamer hiervan op
dezelfde wijze mededeling als bij de voorafgaande publikatie.
Artikel 54a
1. Indien een verzekeraar tot een groep behoort en de
deskundigheid of betrouwbaarheid van de in artikel 29, derde en vierde
lid, bedoelde personen naar het oordeel van de Pensioen- &
Verzekeringskamer niet langer buiten twijfel staat, kan deze aan de
personen of instellingen die via een formele of feitelijke
zeggenschapsstructuur het beleid bepalen van de groep waartoe de
verzekeraar behoort, de aanwijzing geven dat de eerstgenoemde personen
het beleid van die verzekeraar niet meer kunnen bepalen of mede
bepalen.
2. De personen en instellingen tot wie de aanwijzing is gericht,
volgen deze binnen de door de Pensioen- & Verzekeringskamer gestelde
termijn op.
3. De personen en instellingen tot wie de aanwijzing is gericht,
informeren de Pensioen- & Verzekeringskamer binnen de door haar
gestelde termijn over de maatregelen die zijn getroffen om aan de
aanwijzing gevolg te geven.
4. De verzekeraar geeft geen gevolg aan algemene of bijzondere
instructies van personen op wie een aanwijzing van de Pensioen- &
Verzekeringskamer als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft.
§ 3. Informatieverstrekking en getuigenverhoor
Artikel 55
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bij:
a. een verzekeraar;
b. een vertegenwoordiger;
c. ondernemingen of instellingen die met een verzekeraar met zetel
in Nederland in een groep zijn verbonden;
d. ondernemingen of instellingen die een gekwalificeerde deelneming
houden in een verzekeraar met zetel in Nederland;
e. ondernemingen of instellingen waarop onderdeel c niet van
toepassing is en waarin door een verzekeraar met zetel in Nederland of
door een lid of meer leden tezamen van een in onderdeel c bedoelde
groep voor meer dan vijftig procent rechtstreeks of middellijk wordt
deelgenomen;
f. pools waarin verzekeraars ter egalisering van risico's
samenwerken en daarmee vergelijkbare vormen van samenwerking tussen
verzekeraars op verzekeringstechnisch gebied;
g. een ieder die zich naar het oordeel van de Pensioen- &
Verzekeringskamer voordoet als verzekeraar,
alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen, die redelijkerwijs nodig
zijn voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden die zij op grond
van deze wet heeft en teneinde na te gaan of de bij of krachtens deze
wet gestelde bepalingen worden nageleefd.
2. Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid,
worden verlangd, verstrekt deze binnen de door de Pensioen- &
Verzekeringskamer te stellen termijn.
3. Ten aanzien van personen die door de Pensioen- &
Verzekeringskamer zijn belast met het inwinnen van inlichtingen of met
de uitoefening van andere taken en bevoegdheden die de Pensioen- &
Verzekeringskamer heeft op grond van het bij of krachtens deze wet
bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat indien een onderzoek als bedoeld in artikel 184, eerste
lid, wordt ingesteld, de persoon bij wie het onderzoek wordt ingesteld
en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden
tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.
Artikel 55a
Bij of krachtens de in de artikelen 70a en 98a bedoelde algemene
maatregel van bestuur kan worden voorgeschreven dat verzekeraars
bepaalde gegevens ter zake van de integere bedrijfsvoering aan de
Pensioen- & Verzekeringskamer melden. Onder integere bedrijfsvoering
wordt in dit artikel verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van
het deel dat wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels,
bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
Artikel 56
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan getuigen en
deskundigen alsmede bestuurders en commissarissen van een verzekeraar
en van een in artikel 55, eerste lid, bedoelde onderneming, instelling
of pool en de betrokken vertegenwoordiger oproepen. Indien deze
vertegenwoordiger rechtspersoon is, geldt deze bevoegdheid ten aanzien
van de bestuurders en commissarissen van de vertegenwoordiger en ten
aanzien van de door hem aangewezen natuurlijke persoon die hem
vertegenwoordigt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de
nakoming van zijn verplichtingen.
2. Deze personen zijn verplicht op die oproeping te verschijnen.
3. De oproeping geschiedt op de wijze door de Pensioen- &
Verzekeringskamer te bepalen.
4. Bij oproeping door middel van dagvaarding wordt de tussenkomst
van het Openbaar Ministerie ingeroepen en vinden de bepalingen aangaande
het dagvaarden van getuigen en deskundigen in strafzaken overeenkomstige
toepassing.
5. Indien de opgeroepene niet op de dagvaarding verschijnt, kan
de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan proces-verbaal opmaken. Zij
kan hem andermaal doen dagvaarden en daarbij een bevel tot medebrenging
voegen of zodanig bevel laten uitvaardigen. Tot het ten uitvoer leggen
van zodanig bevel verleent het Openbaar Ministerie zijn tussenkomst; de
Pensioen- & Verzekeringskamer richt het verzoek daartoe tot de
officier van justitie, hoofd van het parket bij de rechtbank binnen
welker rechtsgebied de Pensioen- & Verzekeringskamer is gevestigd.
6. De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen, behoudens
verschoning wegens ambts- of beroepsgeheim. De deskundigen zijn
verplicht hun taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten. De
overige in het eerste lid bedoelde personen zijn verplicht alle
gevraagde inlichtingen te verschaffen.
7. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de getuige de eed
afnemen. Artikel 177 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is
van toepassing.
8. De artikelen 17 en 23, eerste lid, van de Wet op de
Parlementaire Enquête, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat deskundigen niet worden gegijzeld.
9. Het afnemen van verhoren van getuigen en deskundigen alsook
van de overige in het eerste lid bedoelde personen geschiedt op een
plaats, door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen. Zij kan
een of meer van de leden van haar bestuur dan wel een of meer van haar
medewerkers machtigen een verhoor als in de eerste volzin bedoeld af te
nemen. Het afnemen van de eed geschiedt echter steeds door een lid van
haar bestuur.
10. De Pensioen- & Verzekeringskamer kent aan getuigen en
deskundigen op hun verlangen een vergoeding toe overeenkomstig het
bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken.
Artikel 57
De toezichthoudende autoriteit van een andere lid-staat stelt de
Pensioen- & Verzekeringskamer van haar voornemen in kennis ten
behoeve van het financiële toezicht op een in Nederland gelegen
bijkantoor van een verzekeraar met zetel in die lid-staat gegevens te
verifiëren. Degene bij wie gegevens worden geverifieerd verleent aan de
toezichthoudende autoriteit en diens functionarissen alle medewerking
die nodig is voor een goede uitvoering van die verificatie. De Pensioen-&
Verzekeringskamer kan aan die verificatie deelnemen of door personen,
door haar bij uitdrukkelijke en bijzondere machtiging aangewezen, doen
deelnemen.
§ 4. De branche Rechtsbijstand
Artikel 58
1. Een verzekeraar die uitsluitend de branche Rechtsbijstand
uitoefent, draagt er zorg voor dat, voor zover de personeelsleden zich
bezighouden met de schaderegeling of met het geven van juridische
adviezen met betrekking tot deze regeling, zij niet terzelfder tijd
dezelfde of soortgelijke werkzaamheden uitoefenen voor een andere
verzekeraar die met eerstbedoelde verzekeraar financiële,
commerciële of administratieve banden heeft en die een of meer andere
branches uitoefent.
2. De verzekeraar, bedoeld in het eerste lid, kan de
schaderegeling geheel of gedeeltelijk toevertrouwen aan een juridisch
zelfstandig schaderegelingskantoor dat:
a. wordt vermeld in de overeenkomst van verzekering; en
b. indien het financiële, commerciële of administratieve banden
heeft met een verzekeraar die een of meer andere branches dan de
branche Rechtsbijstand uitoefent, ervoor zorg draagt dat de
personeelsleden en de leden van het leidinggevend orgaan die zich
bezighouden met de schaderegeling of met het geven van juridische
adviezen met betrekking tot deze regeling, niet terzelfder tijd voor
deze verzekeraar dezelfde of soortgelijke werkzaamheden uitoefenen.
3. De verzekeraar, bedoeld in het eerste lid, neemt, voor zover
hij geen gebruik maakt van de in het eerste en tweede lid bedoelde
methoden, in de overeenkomst van verzekering de bepaling op dat de
verzekerde, zodra hij uit hoofde van deze overeenkomst recht heeft op
rechtsbijstand, de behartiging van zijn belangen mag toevertrouwen aan
een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige van zijn keuze.
4. Een verzekeraar die naast de branche Rechtsbijstand een of
meer andere branches uitoefent, kan de schaderegeling geheel of
gedeeltelijk toevertrouwen aan een juridisch zelfstandig
schaderegelingskantoor dat:
a. wordt vermeld in de overeenkomst van verzekering; en
b. indien het financiële, commerciële of administratieve banden
heeft met een verzekeraar die een of meer andere branches dan de
branche Rechtsbijstand uitoefent, ervoor zorg draagt dat de
personeelsleden en de leden van het leidinggevende orgaan die zich
bezighouden met de schaderegeling of met het geven van juridische
adviezen met betrekking tot deze regeling, niet terzelfder tijd voor
deze verzekeraar dezelfde of soortgelijke werkzaamheden uitoefenen.
5. De verzekeraar, bedoeld in het vierde lid, neemt, voor zover
hij geen gebruik maakt van de in dat lid bedoelde methode, in de
overeenkomst van verzekering de bepaling op dat de verzekerde, zodra hij
uit hoofde van deze overeenkomst recht heeft op rechtsbijstand, de
behartiging van zijn belangen mag toevertrouwen aan een advocaat of een
andere rechtens bevoegde deskundige van zijn keuze.
Artikel 59
Een verzekeraar die de branche Rechtsbijstand uitoefent, draagt er
zorg voor dat de inhoud van de rechtsbijstanddekking wordt opgenomen in
hetzij een afzonderlijke overeenkomst hetzij een afzonderlijk hoofdstuk
van de overeenkomst van verzekering indien deze tevens risico’s van
andere branches dekt.
Artikel 60
Een verzekeraar die overeenkomstig artikel 58, eerste, tweede of
vierde lid, de branche Rechtsbijstand uitoefent, draagt er zorg voor dat
uitdrukkelijk in de overeenkomst van verzekering wordt bepaald dat het
de verzekerde in ieder geval vrij staat een advocaat of een andere
rechtens bevoegde deskundige te kiezen indien:
a. een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige wordt
verzocht de belangen van de verzekerde in een gerechtelijke of
administratieve procedure te verdedigen, te vertegenwoordigen of te
behartigen;
b. zich een belangenconflict voordoet.
Artikel 61
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 60 draagt er zorg voor dat
uitdrukkelijk in de overeenkomst van verzekering wordt voorzien in een
scheidsrechterlijke procedure of een andere procedure die vergelijkbare
garanties inzake objectiviteit biedt, teneinde te bepalen welke
gedragslijn er bij verschil van mening tussen de verzekeraar dan wel het
juridisch zelfstandige schaderegelingskantoor en de verzekerde zal
worden gevolgd voor de regeling van het geschil waarvoor een beroep op
rechtsbijstandverzekering wordt gedaan.
Artikel 62
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 60 dan wel een juridisch
zelfstandig schaderegelingskantoor als bedoeld in artikel 58, tweede of
vierde lid, draagt er zorg voor dat, telkens wanneer zich een
belangenconflict voordoet of er een verschil van mening bestaat over de
regeling van het geschil, de verzekerde op de hoogte wordt gebracht van
het in artikel 60 bedoelde recht onderscheidenlijk van de mogelijkheid
gebruik te maken van de in artikel 61 bedoelde procedure.
Artikel 63
De artikelen 58 tot en met 62 zijn niet van toepassing op:
a. de door een verzekeraar verleende rechtsbijstand voor zover
deze betrekking heeft op risico’s die verband houden met het
gebruik van zeeschepen;
b. de door een verzekeraar als bijkomend risico bij de branche
Hulpverlening verleende rechtsbijstand in een andere staat dan die
waar de verzekerde zijn woonplaats heeft voor zover:
1°. deze rechtsbijstand deel uitmaakt van een overeenkomst van
verzekering die alleen betrekking heeft op hulpverlening; en
2°. in de overeenkomst afzonderlijk is verklaard dat de
rechtsbijstanddekking is beperkt tot de in dit onderdeel bedoelde
omstandigheden en slechts een aanvulling vormt op de
hulpverlening.
Afdeling 2. Verzekeraars met zetel in Nederland
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 64
1. Een verzekeraar met zetel in Nederland mag geen ander
bedrijf dan hetzij het schadeverzekeringsbedrijf hetzij het
levensverzekeringsbedrijf uitoefenen.
2. Een schadeverzekeraar mag geen schaden verzekeren, veroorzaakt
door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand,
binnenlandse onlusten, oproer en muiterij. In overeenkomsten van zee-,
transport-, luchtvaart- en reisverzekering mogen evenwel de algemeen
gebruikelijke molestclausules worden opgenomen zolang de Pensioen- &
Verzekeringskamer daartegen geen bedenkingen naar voren heeft gebracht.
Artikel 65
Een levensverzekeraar doet binnen twee weken na het voor de eerste
maal sluiten van een nieuw type overeenkomst van verzekering aan de
Pensioen- & Verzekeringskamer opgave van de technische grondslagen
voor de berekening van het desbetreffende tarief en van de
desbetreffende technische voorzieningen.
§ 2. Technische voorzieningen
Artikel 66
1. Een verzekeraar met zetel in Nederland houdt toereikende
technische voorzieningen aan.
2. Een levensverzekeraar stelt, rekening houdend met alle
financiële aspecten van zijn onderneming, de premies voor te sluiten
overeenkomsten van verzekering op adequate wijze vast.
3. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
zake van het eerste tot en met het derde lid nadere regels worden
gesteld.
5. De technische voorzieningen worden volledig door waarden
gedekt, ten aanzien waarvan is voldaan aan bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels. De Pensioen- &
Verzekeringskamer kan tegen de aard en de waardering van deze waarden
bedenkingen naar voren brengen, aan welke bedenkingen de verzekeraar
dient tegemoet te komen.
6. De waarden die dienen tot dekking van de technische
voorzieningen moeten in toereikende mate in dezelfde muntsoort kunnen
worden geïnd of te gelde gemaakt als die waarin de verplichtingen
luiden. Deze waarden moeten in de Unie aanwezig zijn voor zover zij
dienen tot dekking van de technische voorzieningen voor aangegane
verplichtingen indien wat schadeverzekeraars betreft het risico in de
Unie is gelegen en wat levensverzekeraars betreft de verzekeringnemer
zijn gewone verblijfplaats in de Unie heeft, of, indien de
verzekeringnemer een rechtspersoon is, de vestiging van deze
rechtspersoon waarop de verzekering betrekking heeft, zich in de Unie
bevindt.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent de toepassing van het bepaalde in het
zesde lid. Daarbij kan tevens worden bepaald dat en in hoeverre de
Pensioen- & Verzekeringskamer vrijstelling of ontheffing kan
verlenen van gegeven voorschriften. Aan een vrijstelling en een
ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden
verbonden en zij kunnen worden ingetrokken.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat en in hoeverre vorderingen op herverzekeraars als de
waarden, bedoeld in het vijfde lid, in aanmerking kunnen worden genomen.
Ten aanzien van deze waarden is het zesde lid, laatste volzin, niet van
toepassing.
Artikel 67
1. Een verzekeraar met zetel in Nederland dekt de
verplichtingen die voortvloeien uit de vorderingen, bedoeld in artikel
171, tweede lid, onderdelen b, c en d, dan wel uit de vorderingen,
bedoeld in artikel 171, derde lid, onderdelen a, b en c, volledig door
waarden, ten aanzien waarvan wordt voldaan aan bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te stellen regels. De Pensioen- &
Verzekeringskamer kan tegen de aard en de waardering van deze waarden
bedenkingen naar voren brengen, aan welke bedenkingen de verzekeraar
dient tegemoet te komen.
2. De waarden die dienen tot dekking van de in het eerste lid
genoemde verplichtingen moeten in toereikende mate in dezelfde muntsoort
kunnen worden geïnd of te gelde gemaakt als die waarin de
verplichtingen luiden. De waarden moeten in de Unie aanwezig zijn.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent de toepassing van het bepaalde in het
tweede lid. Daarbij kan tevens worden bepaald dat en in hoeverre de
Pensioen- & Verzekeringskamer vrijstelling of ontheffing kan
verlenen van de nadere regels. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen
beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij
kunnen worden ingetrokken.
§ 3. Solvabiliteitsmarge
Artikel 68
1. Een verzekeraar met zetel in Nederland beschikt over een
minimum bedrag aan solvabiliteitsmarge dat wordt berekend op de wijze,
voorgeschreven bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. De
berekening van de solvabiliteitsmarge kan voor onderscheiden
categorieën van verzekeraars verschillend zijn.
2. Een derde gedeelte van de overeenkomstig het eerste lid
berekende solvabiliteitsmarge vormt het garantiefonds. Het garantiefonds
beloopt evenwel ten minste een bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur vast te stellen bedrag, waarvan de hoogte afhankelijk is van de
branche of branches waarvoor de verzekeraar een vergunning bezit.
3. In afwijking van het eerste lid beloopt de solvabiliteitsmarge
ten minste het voor de verzekeraar geldende minimum bedrag van het
garantiefonds.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald
welke vermogensbestanddelen de solvabiliteitsmarge en het garantiefonds
kunnen vormen en welke vermogensbestanddelen daarbij een aftrek dienen
te vormen. Voorts wordt vermeld de mate waarin en de voorwaarden
waaronder het in de eerste volzin bepaalde geschiedt. De Pensioen- &
Verzekeringskamer kan tegen de waardering van de vermogensbestanddelen
bedenkingen naar voren brengen, aan welke bedenkingen de verzekeraar
tegemoet dient te komen.
5. Indien een verzekeraar weet of redelijkerwijze kan voorzien
dat zijn solvabiliteitsmarge niet voldoet of zal voldoen aan de eisen
die daaraan krachtens het eerste of derde lid zijn gesteld, of dat zijn
solvabiliteitsmarge niet of niet meer voldoet aan het door de Pensioen-
& Verzekeringskamer op grond van artikel 137a, tweede lid, hoger
voorgeschreven minimum bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge doet hij
hiervan terstond aan de Pensioen- & Verzekeringskamer mededeling.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald
dat en in hoeverre vorderingen op herverzekeraars als de
vermogensbestanddelen, bedoeld in het vierde lid, in aanmerking kunnen
worden genomen.
Artikel 69
1. Bij koninklijk besluit kan, zonodig onder het stellen van
beperkingen of het verbinden van voorschriften, een levensverzekeraar
die sedert 15 maart 1979 uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
uitkeringen bij overlijden verzekert, waarvan het bedrag per
verzekerde niet groter is dan het gemiddelde bedrag van de kosten van
uitvaart, worden ontheven van de verplichting te beschikken over het
minimum bedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 68, tweede
lid.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar aan
wie de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, is verleend, toestaan over
een lagere solvabiliteitsmarge te beschikken dan ingevolge artikel 68,
eerste lid, is vereist.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de
verzekeraar die zijn werkzaamheden uitbreidt met een of meer branches
voor de uitoefening waarvan hij een vergunning behoeft of die in een
andere lid-staat een bijkantoor wil openen dan wel zijn werkzaamheden
aldaar wil uitbreiden.
§ 3a. Aanvullend toezicht op verzekeraars in een verzekeringsgroep
als bedoeld in richtlijn nr. 98/78/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 oktober 1998 betreffende het
aanvullend toezicht op verzekeringsondernemingen in een
verzekeringsgroep (PbEG L 330)
Artikel 69a
In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt – voor
zover niet anders blijkt – verstaan onder:
a. verzekeraar: een schadeverzekeraar of een levensverzekeraar
met zetel in Nederland waaraan ingevolge artikel 24, eerste lid, een
vergunning is verleend of een schadeverzekeraar of een
levensverzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland
die in het bezit is van een vergunning die overeenkomt met de in
artikel 24, eerste lid, bedoelde vergunning;
b. verzekeraar met zetel buiten de Unie: een schadeverzekeraar of
een levensverzekeraar met zetel buiten de Unie die, indien hij zijn
zetel in Nederland of in een andere lid-staat dan Nederland had, een
vergunning ingevolge artikel 24, eerste lid, zou kunnen krijgen
onderscheidenlijk een vergunning die overeenkomt met de in artikel
24, eerste lid, bedoelde vergunning;
c. herverzekeraar: een verzekeraar die geen verzekeraar is als
bedoeld in onderdeel a of b en waarvan de hoofdactiviteit bestaat
uit het accepteren van door een verzekeraar, door een verzekeraar
met zetel buiten de Unie of door een andere herverzekeraar
overgedragen risico's;
d. moederonderneming: een moederonderneming als bedoeld in
artikel 1 van de zevende richtlijn nr. 83/349/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel
54, lid 3, sub g, van het Verdrag betreffende de geconsolideerde
jaarrekening (PbEG L 193), alsmede iedere onderneming die naar de
mening van de Pensioen- & Verzekeringskamer feitelijk een
overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent;
e. dochteronderneming: een dochtermaatschappij als bedoeld in
artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede iedere
onderneming waarop naar de mening van de Pensioen- &
Verzekeringskamer een moederonderneming feitelijk een overheersende
invloed uitoefent;
f. deelneming: een deelneming als bedoeld in artikel 24c, eerste
lid, eerste volzin, en tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek, of een rechtstreeks of middellijk belang van 20 procent of
meer van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming, of het
rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van 20 procent of meer
van de stemrechten in een onderneming;
g. deelnemende onderneming: een onderneming die een
moederonderneming is of iedere andere onderneming die een deelneming
bezit;
h. verbonden onderneming: een dochteronderneming of iedere andere
onderneming waarin een deelneming bestaat;
i. verzekeringsholding: een moederonderneming waarvan de
hoofdactiviteit bestaat uit het verkrijgen en houden van
deelnemingen in dochterondernemingen die uitsluitend of
hoofdzakelijk verzekeraars, verzekeraars met zetel buiten de Unie of
herverzekeraars zijn, en waarvan ten minste één dochteronderneming
verzekeraar is;
j. gemengde verzekeringsholding: een moederonderneming, die geen
verzekeraar, verzekeraar met zetel buiten de Unie, herverzekeraar of
verzekeringsholding is, en waarvan ten minste één
dochteronderneming verzekeraar is.
Artikel 69b
De bevoegdheden die de Pensioen- & Verzekeringskamer op grond van
deze paragraaf heeft jegens de in artikel 69c bedoelde verzekeraars
laten onverlet dat zij haar overige bevoegdheden die zij op grond van
deze wet heeft, kan toepassen.
Artikel 69c
1. Iedere verzekeraar met zetel in Nederland die een
deelnemende onderneming is in minstens één verzekeraar, verzekeraar
met zetel buiten de Unie of herverzekeraar, is onderworpen aan
aanvullend toezicht zoals bepaald in de artikelen 69f, 69g, 69i en
69j.
2. Iedere verzekeraar met zetel in Nederland die een
dochteronderneming is van een verzekeringsholding, een verzekeraar met
zetel buiten de Unie of een herverzekeraar, is onderworpen aan
aanvullend toezicht zoals bepaald in de artikelen 69g, 69i en 69k.
3. Iedere verzekeraar met zetel in Nederland waarvan de
moederonderneming een gemengde verzekeringsholding is, is onderworpen
aan aanvullend toezicht zoals bepaald in de artikelen 69g en 69i.
Artikel 69d
1. In het toezicht, bedoeld in artikel 69c, worden betrokken:
a. verbonden ondernemingen van de verzekeraar;
b. deelnemende ondernemingen in de verzekeraar;
c. verbonden ondernemingen van een deelnemende onderneming in de
verzekeraar.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer behoeft bij het toezicht,
bedoeld in artikel 69c, niet te betrekken ondernemingen met zetel buiten
de Unie waar wettelijke belemmeringen bestaan voor het verstrekken van
de nodige informatie, behoudens bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen regels ten aanzien van het niet beschikbaar zijn van
noodzakelijk informatie.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan per geval besluiten
om in de volgende gevallen een onderneming niet te betrekken in het in
artikel 69c bedoelde toezicht:
a. indien de bij dat toezicht te betrekken onderneming in het licht
van de doelstellingen van dat toezicht slechts van te verwaarlozen
betekenis is;
b. indien het in aanmerking nemen van de financiële positie van
die onderneming in het licht van de doelstellingen van dat toezicht
misplaatst of misleidend zou zijn.
Artikel 69e
Indien een verzekeraar met zetel in Nederland en een of meer
verzekeraars met zetel in een andere lid-staat dan Nederland als
moederonderneming dezelfde verzekeringsholding, verzekeraar met zetel
buiten de Unie, herverzekeraar of gemengde verzekeringsholding hebben,
kan de Pensioen- & Verzekeringskamer met die andere toezichthoudende
autoriteit in overleg treden met het doel overeenstemming te bereiken
over de vraag wie het toezicht, bedoeld in artikel 69c, zal uitoefenen.
Artikel 69f
Een verzekeraar die aan het toezicht, bedoeld in artikel 69c, eerste
lid, is onderworpen, beschikt over adequate interne controleprocedures
om de gegevens en informatie te verschaffen die relevant zijn voor de
uitoefening van dat toezicht.
Artikel 69g
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de op grond van
deze paragraaf vereiste informatie alleen rechtstreeks van de in
artikel 69d, eerste lid, bedoelde betrokken ondernemingen vragen
indien die informatie eerst aan de verzekeraar met zetel in Nederland
is gevraagd, maar niet is verkregen.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de in het eerste lid
bedoelde informatie verifiëren bij:
a. de aan het toezicht, bedoeld in artikel 69c, onderworpen
verzekeraar;
b. de dochterondernemingen van deze verzekeraar;
c. de moederondernemingen van deze verzekeraar;
d. de dochterondernemingen van een moederonderneming van deze
verzekeraar.
3. Indien de toezichthoudende autoriteit van een andere lid-staat
dan Nederland belangrijke informatie wenst te verifiëren betreffende
een in Nederland gevestigde onderneming die een verbonden verzekeraar,
een dochteronderneming, een moederonderneming of een dochteronderneming
van een moederonderneming van de aan het toezicht, bedoeld in artikel
69c, onderworpen verzekeraar is, verricht de Pensioen- &
Verzekeringskamer een door die toezichthoudende autoriteit gevraagde
verificatie binnen het kader van haar bevoegdheden dan wel verleent zij
toestemming aan die toezichthoudende autoriteit om de verificatie zelf
te verrichten dan wel staat zij toe dat de verificatie door een
deskundige wordt verricht.
Artikel 69h
1. Indien verzekeraars die in verschillende lid-staten zijn
gevestigd, verbonden zijn of een gemeenschappelijke deelnemende
onderneming hebben, verstrekt de Pensioen- & Verzekeringskamer de
toezichthoudende autoriteiten van iedere andere betrokken lid-staat op
hun verzoek alle informatie die uitoefening van het toezicht in het
kader van deze paragraaf mogelijk maakt of kan vergemakkelijken en
stelt zij eigener beweging de andere betrokken toezichthoudende
autoriteiten in kennis van alle informatie die essentieel lijkt.
2. Indien een verzekeraar en een kredietinstelling als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet toezicht kredietwezen
1992 of een effecteninstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d,
van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 verbonden zijn of een
gemeenschappelijke deelnemende onderneming hebben, werkt de Pensioen-
& Verzekeringskamer nauw samen met de autoriteiten die van
overheidswege belast zijn met het toezicht op die andere ondernemingen.
Onverminderd hun respectieve bevoegdheden verstrekken deze autoriteiten
elkaar alle informatie die de vervulling van hun taak kan
vergemakkelijken.
Artikel 69i
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer betrekt in haar
toezicht zoals dat voortvloeit uit deze paragraaf onder andere
transacties tussen een verzekeraar die is onderworpen aan het
toezicht, bedoeld in artikel 69c, en:
a. een met de verzekeraar verbonden onderneming;
b. een in de verzekeraar deelnemende onderneming;
c. een met een in de verzekeraar deelnemende onderneming verbonden
onderneming;
d. een natuurlijke persoon die een deelneming bezit in:
1°. de verzekeraar of een met de verzekeraar verbonden
onderneming;
2°. een in de verzekeraar deelnemende onderneming;
3°. een met een in de verzekeraar deelnemende onderneming
verbonden onderneming.
2. De in het eerste lid bedoelde transacties hebben in het
bijzonder betrekking op:
a. leningen;
b. garanties en posten buiten de balans;
c. vermogensbestanddelen die in aanmerking mogen worden genomen
voor de solvabiliteitsmarge;
d. beleggingen;
e. herverzekeringstransacties;
f. overeenkomsten met betrekking tot kostentoedeling.
3. De verzekeraar, bedoeld in het eerste lid, dient eenmaal per
jaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een rapportage in waarin
zijn opgenomen transacties als bedoeld in dat lid voor zover die van
significante betekenis zijn. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan
een verzekeraar of categorieën van verzekeraars voorschrijven dat de
rapportage met een hogere frequentie wordt ingediend. Blijkt uit de
rapportages dat de solvabiliteit van de verzekeraar wordt of dreigt te
worden ondermijnd, dan neemt zij jegens die verzekeraar passende
maatregelen.
Artikel 69j
1. Een verzekeraar als bedoeld in artikel 69c, eerste lid,
berekent een aangepaste solvabiliteit overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur te stellen regels.
2. Alle verbonden ondernemingen, alle deelnemende ondernemingen
en alle met een deelnemende onderneming verbonden ondernemingen worden
in de in het eerste lid bedoelde berekening betrokken.
3. Indien uit de in het eerste lid bedoelde berekening blijkt dat
de aangepaste solvabiliteit negatief is, neemt de Pensioen- &
Verzekeringskamer jegens de verzekeraar passende maatregelen.
Artikel 69k
1. Een verzekeraar als bedoeld in artikel 69c, tweede lid,
berekent de aangepaste solvabiliteit overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur te stellen regels.
2. Alle met de verzekeringsholding, de herverzekeraar of de
verzekeraar met zetel buiten de Unie verbonden ondernemingen worden in
de in het eerste lid bedoelde berekening betrokken.
3. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer op grond van de
berekening, bedoeld in het tweede lid, van mening is dat de
solvabiliteit van een verzekeraar die een dochteronderneming is van de
verzekeringsholding, de herverzekeraar of de verzekeraar met zetel
buiten de Unie, in gevaar is of zou kunnen komen, neemt zij jegens die
verzekeraar passende maatregelen.
§ 4. Administratieve organisatie, bedrijfsvoering en verslaglegging
Artikel 70
1. Een verzekeraar met zetel in Nederland draagt zorg voor een
goede administratieve organisatie en adequate interne
controleprocedures.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan verzekeraars
regels stellen voor hun bedrijfsvoering met betrekking tot de
administratieve organisatie – met inbegrip van de financiële
administratie – en de interne controle.
Artikel 70a
1. Een verzekeraar draagt zorg voor adequate maatregelen,
gericht op het bevorderen en handhaven van een integere
bedrijfsvoering.
2. Met het oog op een integere bedrijfsvoering worden bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur aan verzekeraars regels gesteld
ter zake van:
a. het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen;
b. het voorkomen van betrokkenheid van de verzekeraar en van zijn
werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in de verzekeraar
of in de financiële markten in het algemeen schaden;
c. het voorkomen van betrokkenheid van de verzekeraar en van zijn
werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk
verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het vertrouwen in de
verzekeraar of in de financiële markten in het algemeen schaden;
d. het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond van
de cliënten van de verzekeraar;
e. andere bij algemene maatregel van bestuur te noemen onderwerpen.
3. Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan
de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door
de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet
toezicht effectenverkeer 1995.
Artikel 71
1. Een verzekeraar doet het boekjaar gelijk lopen met het
kalenderjaar.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan van het bepaalde in
het eerste lid ontheffing verlenen. Aan een ontheffing kunnen
beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kan
worden ingetrokken.
Artikel 72
1. Een verzekeraar dient binnen vier maanden na afloop van elk
boekjaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer staten in, die te
zamen een duidelijk beeld geven van het door de verzekeraar gevoerde
beheer en van zijn financiële toestand. De indiening geschiedt in
tweevoud en voor wat betreft de staten die ingevolge het zesde lid
openbaar worden gemaakt, in drievoud, tenzij de Pensioen- &
Verzekeringskamer andere aantallen vaststelt.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar,
categorieën van verzekeraars of alle verzekeraars voorschrijven dat een
of meer van deze staten met een hogere frequentie of binnen een kortere
termijn worden ingediend of dat staten vergezeld worden van een
toelichting.
3. Een van de staten behelst het actuarieel verslag dat wordt
voorzien van een verklaring van de actuaris. Met zijn verklaring
bevestigt de actuaris dat hij zich ervan heeft overtuigd dat de in het
actuarieel verslag genoemde voorzieningen prudent zijn vastgesteld en
voor het levensverzekeringsbedrijf de in een staat opgenomen
sterftevergelijking juist is weergegeven. Ten bewijze van een en ander
waarmerkt de actuaris de betrokken staten. Hij is bevoegd zijn
verklaring nader toe te lichten of op enig punt een voorbehoud te maken.
De verzekeraar machtigt bij de opdracht tot het onderzoek de actuaris
schriftelijk om desgevraagd of ingevolge een daartoe strekkende
overeenkomst tussen de verzekeraar, de actuaris en de Pensioen- &
Verzekeringskamer, aan de Pensioen- & Verzekeringskamer alle
inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze geacht kunnen worden
nodig te zijn voor de vervulling van de haar bij of krachtens deze wet
opgelegde taak. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de
verzekeraar in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van
inlichtingen door de actuaris.
4. Indien de actuaris naar het oordeel van de Pensioen- &
Verzekeringskamer niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze
de toevertrouwde taak met betrekking tot de verzekeraar naar behoren zal
vervullen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer bepalen dat hij niet
bevoegd is een verklaring als bedoeld in het derde lid met betrekking
tot die verzekeraar af te leggen.
5. De modellen van de staten worden bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur vastgesteld. In de algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald welke staten openbaar moeten worden gemaakt.
6. De verzekeraar legt de openbaar te maken staten op al zijn
kantoren in Nederland ter inzage van een ieder tot achttien maanden na
afloop van het boekjaar. Tot zolang verstrekt hij ieder op verzoek een
afschrift tegen ten hoogste de kostprijs.
7. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bepalen dat de
staten, bedoeld in het tweede lid, niet vergezeld gaan van een
verklaring als bedoeld in het derde lid of van een verklaring als
bedoeld in artikel 72a, eerste lid.
Artikel 72a
1. Een verzekeraar doet de staten, bedoeld in artikel 72,
eerste lid, vergezeld gaan van een verklaring omtrent de getrouwheid,
afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Ten bewijze dat de staten door
hem zijn onderzocht of, indien het staten betreft als bedoeld in
artikel 72, tweede lid, in zijn onderzoek zijn betrokken, waarmerkt de
accountant de staten. De verzekeraar machtigt bij de opdracht tot het
onderzoek de accountant schriftelijk desgevraagd of ingevolge een
daartoe strekkende overeenkomst tussen de verzekeraar, de accountant
en de Pensioen- & Verzekeringskamer, aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer alle inlichtingen te verstrekken, die
redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de vervulling
van de haar bij of krachtens deze wet opgelegde taak. De Pensioen-
& Verzekeringskamer stelt de verzekeraar in de gelegenheid
aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de
accountant.
2. De accountant, bedoeld in het eerste lid, meldt de Pensioen-
& Verzekeringskamer zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan
hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bedoeld in het eerste
lid kennis heeft gekregen en die:
a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van de
vergunning zijn gesteld;
b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde
verplichtingen;
c. het voortbestaan van de verzekeraar bedreigt; of
d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent
de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
3. Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de
verzekeraar ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of
instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het tweede lid, van
overeenkomstige toepassing indien de verzekeraar dochtermaatschappij is
van de andere onderneming of instelling, dan wel indien de andere
onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de verzekeraar.
Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder dochtermaatschappij
verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24a van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat een
verzekeraar tevens dochtermaatschappij kan zijn van een natuurlijk
persoon of vennootschap.
4. De accountant die op grond van het tweede of derde lid tot een
melding aan de Pensioen- & Verzekeringskamer is overgegaan, is niet
aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij
aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden,
in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.
5. Indien de accountant naar het oordeel van de Pensioen- &
Verzekeringskamer niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze
de toevertrouwde taak met betrekking tot de verzekeraar naar behoren zal
vervullen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer bepalen dat hij niet
bevoegd is een verklaring als bedoeld in het eerste lid met betrekking
tot die verzekeraar af te leggen.
Artikel 72b
Op een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek, die de jaarrekening van een verzekeraar
controleert, is artikel 72a, tweede tot en met vierde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 72c
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar,
categorieën van verzekeraars of alle verzekeraars voorschrijven dat
bijzondere opgaven met een door de Pensioen- & Verzekeringskamer
bepaalde frequentie en binnen een door haar bepaalde termijn worden
ingediend.
2. De modellen van de bijzondere opgaven worden bij ministeriële
regeling vastgesteld. Deze opgaven worden niet openbaar gemaakt.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bepalen dat de
bijzondere opgaven vergezeld gaan van een verklaring als bedoeld in
artikel 72, derde lid of van een verklaring als bedoeld in artikel 72a,
eerste lid.
Artikel 73
1. Een verzekeraar dient binnen zes maanden na afloop van het
boekjaar zijn jaarverslag in drievoud bij de Pensioen- &
Verzekeringskamer in, tenzij de Pensioen- & Verzekeringskamer een
ander aantal vaststelt. Een verzekeraar die artikel 403 van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek toepast, dient het jaarverslag, bedoeld in
artikel 403, eerste lid, onderdeel e, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek, onverwijld na de neerlegging daarvan ten kantore van het
handelsregister bij de Pensioen- & Verzekeringskamer in.
2. Artikel 72, zesde lid, geldt ook voor het ingediende
jaarverslag.
Artikel 74
1. Een schadeverzekeraar dient binnen zes maanden na afloop van
het boekjaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een opgave in
met betrekking tot de vanuit de vestigingen in de Unie gesloten
overeenkomsten van verzekering, onder aparte vermelding van de in
dienstverrichting gesloten overeenkomsten. In die opgave worden per
lid-staat en per branchegroep de in dat boekjaar geboekte premies,
schaden en provisies vermeld, telkens zonder aftrek van
herverzekering. Deze gegevens, alsmede de frequentie en de gemiddelde
kosten van de schadegevallen, worden voor de branche Aansprakelijkheid
motorrijtuigen evenwel afzonderlijk vermeld.
2. Een levensverzekeraar dient binnen zes maanden na afloop van
het boekjaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een opgave in met
betrekking tot de vanuit de vestigingen in de Unie gesloten
overeenkomsten van verzekering, onder aparte vermelding van de in
dienstverrichting gesloten overeenkomsten. In die opgave worden per
lid-staat en per branche de in dat boekjaar geboekte premies vermeld,
zonder aftrek van herverzekering.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de vanuit
de vestigingen in Nederland gesloten overeenkomsten van verzekering
waarbij geen sprake is van het verrichten van diensten.
4. De in het eerste lid bedoelde branchegroepen en de modellen
van de opgave, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden door de
Pensioen- & Verzekeringskamer vastgesteld.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer legt de in het eerste en
tweede lid bedoelde gegevens met betrekking tot een lid-staat in
geaggregeerde vorm over aan de toezichthoudende autoriteit van die
lid-staat indien deze daarom verzoekt.
§ 5. Wijzigingen in aan de Pensioen- & Verzekeringskamer
overgelegde informatie
Artikel 75
1. Een verzekeraar met zetel in Nederland:
a. legt een authentiek afschrift van elke wijziging in zijn
statuten binnen twee weken na de totstandkoming van de desbetreffende
wijziging aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over;
b. brengt elke wijziging in de samenstelling van zijn bestuur en
raad van commissarissen vooraf ter kennis van de Pensioen- &
Verzekeringskamer;
c. brengt elke wijziging in de samenstelling van de personen die
het dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de verzekeraar
behoort en tevens uit dien hoofde het dagelijks beleid van de
verzekeraar mede bepalen vooraf ter kennis van de Pensioen- &
Verzekeringskamer;
d. brengt elke wijziging in de samenstelling van de personen die
het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de verzekeraar
behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van de verzekeraar mede
bepalen vooraf ter kennis van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
2. Een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c of
d, wordt niet doorgevoerd indien de Pensioen- & Verzekeringskamer
binnen zes weken na ontvangst van de melding of, indien de Pensioen-
& Verzekeringskamer om nadere gegevens of inlichtingen heeft
verzocht, binnen zes weken na de ontvangst van die gegevens of
inlichtingen aan de verzekeraar bekend maakt dat zij niet met de
voorgenomen wijziging instemt.
3. Indien zich een wijziging voordoet van de antecedenten,
bedoeld in artikel 29, tweede of vierde lid, stelt de verzekeraar de
Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan onverwijld schriftelijk in
kennis.
4. Een levensverzekeraar doet binnen twee weken aan de Pensioen-
& Verzekeringskamer opgave van de wijzigingen in de technische
grondslagen voor de berekening van zijn tarieven en van de technische
voorzieningen.
§ 6. Overboeking
Artikel 76
1. Het is een verzekeraar met zetel in Nederland verboden
overeenkomsten van verzekering, gesloten vanuit een vestiging in de
Unie, zonder toestemming van degenen die aan die overeenkomsten
rechten kunnen ontlenen, over te boeken naar een bijkantoor van deze
verzekeraar in een andere staat.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan ontheffing verlenen
van het in het eerste lid gegeven verbod indien de verzekeraar
aannemelijk maakt dat de belangen van degenen die aan de betrokken
overeenkomsten rechten kunnen ontlenen, zich tegen de overboeking niet
verzetten. Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of
voorschriften worden verbonden.
§ 7. Het verrichten van diensten
Artikel 77
1. Een verzekeraar met zetel in Nederland die voornemens is
vanuit een vestiging in de Unie voor de eerste maal diensten te
verrichten naar een andere lid-staat dan Nederland, stelt de Pensioen-
& Verzekeringskamer daarvan schriftelijk in kennis onder opgave
van die lid-staat en van de aard van de risico’s van
schadeverzekering die bij deze dienstverrichting zullen worden gedekt
dan wel van de aard van de overeenkomsten van levensverzekering die
bij deze dienstverrichting zullen worden gesloten.
2. Indien de verzekeraar risico’s behorende tot de branche
Aansprakelijkheid motorrijtuigen wenst te dekken en de betrokken
lid-staat dit eist, voegt de verzekeraar bij de in het eerste lid
bedoelde opgave:
a. de naam en het adres van de schade-afhandelaar in de betrokken
lid-staat die belast wordt met het namens de verzekeraar afwikkelen
van vorderingen van benadeelden die voortvloeien uit risico’s
behorende tot de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen;
b. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de verzekeraar is
toegetreden tot het nationale bureau en het nationale waarborgfonds
van de betrokken lid-staat die overeenkomen met het bureau, bedoeld in
artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen onderscheidenlijk het Waarborgfonds Motorverkeer,
bedoeld in artikel 23, eerste lid, van die wet.
3. De verzekeraar doet de in het eerste en tweede lid bedoelde
gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Pensioen- &
Verzekeringskamer zulks verlangt.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer doet mededeling aan de
betrokken toezichthoudende autoriteit van de in het eerste lid en, in
voorkomend geval, van de in het tweede lid bedoelde gegevens, waarbij
zij een verklaring voegt dat de verzekeraar beschikt over de ingevolge
artikel 68 vereiste solvabiliteitsmarge en een opgave verstrekt van de
branches waarvoor de verzekeraar een vergunning bezit, binnen een maand
na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, indien:
a. de verzekeraar in het bezit is van een vergunning;
b. de verzekeraar beschikt over de ingevolge artikel 68 vereiste
solvabiliteitsmarge;
c. de Pensioen- & Verzekeringskamer geen herstelplan ingevolge
artikel 137a heeft verlangd van de verzekeraar; en
d. de Pensioen- & Verzekeringskamer geen bedenkingen heeft
tegen het verrichten van diensten.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt de mededeling,
bedoeld in het vierde lid, aanhef, gelijktijdig aan de verzekeraar
bekend.
6. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer bedenkingen heeft
tegen het verrichten van diensten, maakt zij zulks binnen een maand na
ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, aan de
verzekeraar bekend.
7. De verzekeraar kan het verrichten van diensten aanvangen vanaf
de datum van de door de Pensioen- & Verzekeringskamer gedane
bekendmaking, bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 78
De verzekeraar legt elke voorgenomen wijziging in de aard van de
risico’s van schadeverzekering of in de aard van de overeenkomsten van
levensverzekering ten opzichte van de opgave, bedoeld in artikel 77,
eerste lid, aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over. Artikel 77,
tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 79
In geval van communautaire co-assurantie zijn de artikelen 77 en 78
slechts van toepassing op de verzekeraar die als eerste verzekeraar
optreedt.
§ 8. Bijkantoren in andere lid-staten
Artikel 80
1. Een verzekeraar met zetel in Nederland die voornemens is een
bijkantoor te openen in een andere lid-staat stelt de Pensioen- &
Verzekeringskamer daarvan schriftelijk in kennis.
2. Deze kennisgeving geschiedt onder opgave van:
a. de lid-staat waarin de verzekeraar voornemens is het bijkantoor
te openen;
b. een programma van werkzaamheden, met betrekking waartoe bij
ministeriële regeling nadere regels worden gesteld en waarin met name
de aard van de risico’s van schadeverzekering dan wel de aard van de
overeenkomsten van levensverzekering die door het bijkantoor zullen
worden gedekt onderscheidenlijk gesloten en de voorziene
organisatiestructuur – met inbegrip van de financiële administratie
en de interne controle – ten behoeve van het bijkantoor zijn
vermeld;
c. het adres van het bijkantoor;
d. de naam en het adres van de vertegenwoordiger en, zo de
vertegenwoordiger rechtspersoon is, de naam en het adres van de
natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 82, tweede lid; en
e. indien de verzekeraar risico’s behorende tot de branche
Aansprakelijkheid motorrijtuigen wenst te dekken een schriftelijk
bewijs waaruit blijkt dat de verzekeraar is toegetreden tot het
nationale bureau en het nationale waarborgfonds van de betrokken
lid-staat die overeenkomen met het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde
lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
onderscheidenlijk het Waarborgfonds Motorverkeer, bedoeld in artikel
23, eerste lid, van die wet.
3. De verzekeraar doet de in het tweede lid bedoelde gegevens
vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Pensioen- &
Verzekeringskamer zulks verlangt.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer doet mededeling aan de
betrokken toezichthoudende autoriteit van de in het tweede lid bedoelde
gegevens binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld
in het eerste lid, indien:
a. de verzekeraar in het bezit is van een vergunning;
b. de verzekeraar beschikt over de ingevolge artikel 68 vereiste
solvabiliteitsmarge;
c. de Pensioen- & Verzekeringskamer geen herstelplan ingevolge
artikel 137a heeft verlangd van de verzekeraar; en
d. de Pensioen- & Verzekeringskamer geen bedenkingen heeft
tegen de opening van het bijkantoor. Zij voegt daarbij een verklaring
dat de verzekeraar beschikt over de ingevolge artikel 68 vereiste
solvabiliteitsmarge. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt die
mededeling aan de verzekeraar bekend.
5. Indien de verzekeraar, gezien de werkzaamheden die hij vanuit
het bijkantoor voornemens is te verrichten, niet voldoet aan de bij of
krachtens deze wet gestelde eisen ten aanzien van:
a. de deskundigheid, de voornemens, de handelingen of de
antecedenten van de personen die het dagelijks beleid van de
verzekeraar bepalen of van de vertegenwoordiger en, zo de
vertegenwoordiger rechtspersoon is, de deskundigheid, de voornemens,
de handelingen of de antecedenten van de natuurlijke persoon, bedoeld
in artikel 82, tweede lid;
b. de technische voorzieningen;
c. de solvabiliteitsmarge;
d. de administratieve organisatie; en
e. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een
integere bedrijfsvoering,
dan wel naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer
aanwijzingen bestaan dat de verzekeraar niet aan deze eisen zal kunnen
voldoen, doet de Pensioen- & Verzekeringskamer geen mededeling als
bedoeld in het vierde lid, eerste volzin. De Pensioen- &
Verzekeringskamer maakt dit binnen drie maanden na ontvangst van de
kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, aan de verzekeraar bekend.
Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit lid verstaan de
bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de
effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet
toezicht effectenverkeer 1995.
6. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt aan de verzekeraar
het tijdstip bekend waarop het bijkantoor kan worden geopend alsmede, in
voorkomend geval, welke voorwaarden de betrokken toezichthoudende
autoriteit heeft aangegeven waaronder de werkzaamheden om redenen van
algemeen belang in de betrokken lid-staat moeten worden uitgeoefend.
Artikel 81
1. Indien zich een wijziging voordoet van de gegevens, bedoeld
in artikel 80, tweede lid, onderdelen b tot en met d ,
kan de verzekeraar die wijziging toepassen na haar ten minste een
maand tevoren schriftelijk te hebben gemeld aan de betrokken
toezichthoudende autoriteit en aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer en nadat de Pensioen- & Verzekeringskamer
overeenkomstig het vierde lid de betrokken toezichthoudende autoriteit
van die wijziging in kennis heeft gesteld.
2. Indien een wijziging als bedoeld in het eerste lid het geval
betreft dat de verzekeraar voornemens is voor de eerste maal risico’s
behorende tot de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen te dekken,
voegen de verzekeraar en de Pensioen- & Verzekeringskamer bij de
melding onderscheidenlijk de inkennisstelling, bedoeld in het eerste
lid, tevens het schriftelijk bewijs, bedoeld in artikel 80, tweede lid,
onderdeel e .
3. De verzekeraar doet de betrokken gewijzigde gegevens vergezeld
gaan van een vertaling voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer
zulks verlangt.
4. Indien de verzekeraar beschikt over de ingevolge artikel 68
vereiste solvabiliteitsmarge en de Pensioen- & Verzekeringskamer
geen bedenkingen heeft tegen de wijziging, doet zij van de in het eerste
lid bedoelde gegevens mededeling aan de betrokken toezichthoudende
autoriteit binnen een maand na ontvangst van de melding, bedoeld in het
eerste lid. Zij voegt daarbij een verklaring dat de verzekeraar beschikt
over de ingevolge artikel 68 vereiste solvabiliteitsmarge. De Pensioen-
& Verzekeringskamer maakt die mededeling aan de verzekeraar bekend.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt in voorkomend geval
aan de verzekeraar bekend welke voorwaarden de betrokken
toezichthoudende autoriteit heeft aangegeven die om redenen van algemeen
belang in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van de
werkzaamheden in de betrokken lid-staat.
6. Indien het voornemen bestaat om de bedrijfsuitoefening vanuit
het bijkantoor te staken, stelt de verzekeraar de Pensioen- &
Verzekeringskamer daarvan ten minste een maand tevoren schriftelijk in
kennis. Zodra de verzekeraar zijn voornemen uitvoert, meldt hij dit
onverwijld aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
Artikel 82
1. De vertegenwoordiger heeft ten aanzien van de uitoefening
van het verzekeringsbedrijf vanuit de bijkantoren in de betrokken
lid-staten van rechtswege alle bevoegdheden die de verzekeraar bezit.
Hij maakt daarvan gebruik voor zover de Pensioen- &
Verzekeringskamer zulks verlangt.
2. Is de vertegenwoordiger rechtspersoon, dan wijst hij op zijn
beurt een natuurlijk persoon aan die hem bij uitsluiting van ieder ander
vertegenwoordigt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de
nakoming van zijn verplichtingen.
3. Artikel 29, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing op de natuurlijke persoon die als vertegenwoordiger is
aangesteld en op de natuurlijke persoon, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 83
Alvorens de Pensioen- & Verzekeringskamer ten behoeve van het
financiële toezicht op een in een andere lid-staat gelegen bijkantoor
ter plaatse inzage als bedoeld in artikel 57, eerste lid, neemt of doet
nemen, stelt zij daaromtrent de toezichthoudende autoriteit van die
lid-staat in kennis.
§ 9. Bijkantoren buiten de Unie
Artikel 83a
1. Een verzekeraar met zetel in Nederland die voornemens is een
bijkantoor te openen in een staat buiten de Unie, stelt de Pensioen-
& Verzekeringskamer daarvan schriftelijk in kennis.
2. Deze kennisgeving geschiedt onder opgave van:
a. de staat waarin de verzekeraar voornemens is het bijkantoor te
openen;
b. een programma van werkzaamheden, met betrekking waartoe bij
ministeriële regeling nadere regels worden gesteld en waarin met name
de aard van de risico's van schadeverzekering dan wel de aard van de
overeenkomsten van levensverzekering die door het bijkantoor zullen
worden gedekt onderscheidenlijk gesloten en de voorziene
organisatiestructuur – met inbegrip van de financiële administratie
en de interne controle – ten behoeve van het bijkantoor zijn
vermeld;
c. het adres van het bijkantoor; en
d. de naam en het adres van de vertegenwoordiger en, zo de
vertegenwoordiger rechtspersoon is, de naam en het adres van de
natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 83c, tweede lid.
3. De verzekeraar doet de in het tweede lid bedoelde gegevens
vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Pensioen- &
Verzekeringskamer zulks verlangt.
4. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer van de verzekeraar
een herstelplan ingevolge artikel 137a heeft verlangd of indien de
verzekeraar, gezien de werkzaamheden die hij vanuit het bijkantoor
voornemens is te verrichten, niet voldoet aan de bij of krachtens deze
wet gestelde eisen ten aanzien van:
a. de deskundigheid, de voornemens, de handelingen of de
antecedenten van de personen die het dagelijks beleid van de
verzekeraar bepalen of van de vertegenwoordiger en, zo de
vertegenwoordiger rechtspersoon is, de deskundigheid, de voornemens,
de handelingen of de antecedenten van de natuurlijke persoon, bedoeld
in artikel 83c, tweede lid;
b. de technische voorzieningen;
c. de solvabiliteitsmarge;
d. de administratieve organisatie;
e. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een
integere bedrijfsvoering,
dan wel indien naar het oordeel van de Pensioen- &
Verzekeringskamer aanwijzingen bestaan dat de verzekeraar niet aan deze
eisen zal kunnen voldoen, geeft de Pensioen- & Verzekeringskamer
geen toestemming voor opening van het bijkantoor. Onder integere
bedrijfsvoering wordt in dit lid verstaan de bedrijfsvoering met
uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische
gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt binnen zes weken na
ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, haar
beslissing over het verlenen van toestemming voor het openen van het
bijkantoor bekend aan de verzekeraar.
Artikel 83b
1. Een verzekeraar meldt een wijziging van de gegevens, bedoeld
in artikel 83a, tweede lid, onderdelen b tot en met d, ten minste een
maand tevoren schriftelijk aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
2. De verzekeraar doet de in het tweede lid bedoelde gegevens
vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Pensioen- &
Verzekeringskamer zulks verlangt.
3. Indien de verzekeraar beschikt over de ingevolge artikel 68
vereiste solvabiliteitsmarge en de Pensioen- & Verzekeringskamer
geen bedenkingen heeft tegen de wijziging maakt zij dit aan de
verzekeraar bekend.
4. Indien het voornemen bestaat om de bedrijfsuitoefening vanuit
het bijkantoor te staken, stelt de verzekeraar de Pensioen- &
Verzekeringskamer daarvan ten minste een maand tevoren schriftelijk in
kennis. Zodra de verzekeraar zijn voornemen uitvoert, meldt hij dit
onverwijld aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
Artikel 83c
1. Met inachtneming van het recht van een derde land heeft de
vertegenwoordiger ten aanzien van de uitoefening van het
verzekeringsbedrijf vanuit de bijkantoren in de betrokken staten van
rechtswege alle bevoegdheden die de verzekeraar bezit. Hij maakt
daarvan gebruik voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks
verlangt.
2. Is de vertegenwoordiger rechtspersoon, dan wijst hij op zijn
beurt een natuurlijk persoon aan die hem bij uitsluiting van ieder ander
vertegenwoordigt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de
nakoming van zijn verplichtingen.
3. Artikel 29, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing op de natuurlijke persoon die als vertegenwoordiger is
aangesteld en op de natuurlijke persoon, bedoeld in het tweede lid.
Afdeling 3. Verzekeraars met zetel in een andere lid-staat dan
Nederland
Artikel 84
1. Een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan
Nederland die voor de eerste maal een bijkantoor in Nederland opent,
legt binnen twee weken daarna aan de Pensioen- & Verzekeringskamer
over een exemplaar van zijn statuten, een akte van aanstelling van
zijn vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 85, eerste lid, alsook,
indien de vertegenwoordiger rechtspersoon is, de statuten van deze
rechtspersoon, een uittreksel uit diens inschrijving in het
handelsregister en een akte van aanstelling van de natuurlijke
persoon, bedoeld in artikel 85, vierde lid.
2. De verzekeraar legt een afschrift van elke wijziging in zijn
statuten aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over en brengt elke
wijziging in de akte van aanstelling van zijn vertegenwoordiger, bedoeld
in artikel 85, eerste lid, ter kennis van de Pensioen- &
Verzekeringskamer, een en ander binnen twee weken na de totstandkoming
van de wijziging. Dezelfde verplichting rust op de vertegenwoordiger die
rechtspersoon is met betrekking tot elke wijziging in zijn statuten en
in de akte van aanstelling van de door hem overeenkomstig artikel 85,
vierde lid, aangewezen natuurlijke persoon.
Artikel 85
1. Een verzekeraar die voor de eerste maal een bijkantoor
opent, stelt als zijn vertegenwoordiger een natuurlijk persoon of een
rechtspersoon aan.
2. De vertegenwoordiger heeft ten aanzien van de uitoefening van
het verzekeringsbedrijf vanuit de bijkantoren in Nederland van
rechtswege alle bevoegdheden die de verzekeraar bezit. Hij maakt daarvan
gebruik voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks verlangt.
3. De vertegenwoordiger is gehouden namens de verzekeraar te
voldoen aan de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften. Het
ontbreken van de vertegenwoordiger of zijn in gebreke zijn ontslaat de
verzekeraar niet van de verplichting te voldoen aan deze voorschriften.
4. Is de vertegenwoordiger rechtspersoon, dan wijst hij op zijn
beurt een natuurlijk persoon aan die hem bij uitsluiting van ieder ander
vertegenwoordigt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de
nakoming van zijn uit deze wet voortvloeiende verplichtingen.
5. Mededelingen aan de vertegenwoordiger kunnen rechtsgeldig
worden gestuurd aan het adres van het bijkantoor dat is opgegeven
ingevolge de procedure, bedoeld in artikel 37, of zoals dat is gewijzigd
ingevolge de procedure, bedoeld in artikel 38. Voor de toepassing van
deze wet wordt als woonplaats van de verzekeraar en van de
vertegenwoordiger in Nederland dat bijkantoor aangemerkt.
6. Zolang de vertegenwoordiger ontbreekt, wordt de verzekeraar
geacht zijn woonplaats te hebben ten parkette van de officier van
justitie bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied de verzekeraar
volgens het vijfde lid, laatste volzin, het laatst zijn woonplaats had,
of anders ten parkette van de officier van justitie bij de rechtbank
binnen welker rechtsgebied de Pensioen- & Verzekeringskamer is
gevestigd.
Artikel 86
1. Ontslag van de vertegenwoordiger is niet geldig tenzij het
gepaard gaat met de aanstelling van een opvolger. Het ontslag gaat
niet in voordat een akte van ontslag en een akte van aanstelling van
de opvolger aan de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn overgelegd.
Is de opvolger rechtspersoon, dan doet de verzekeraar de akte van
aanstelling vergezeld gaan van de statuten van deze rechtspersoon, een
uittreksel uit diens inschrijving in het handelsregister en een akte
van aanstelling van de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 85,
vierde lid.
2. De vertegenwoordiger die heeft bedankt, behoudt zijn
hoedanigheid totdat hij van zijn bedanken kennis heeft gegeven aan de
Pensioen- & Verzekeringskamer.
Artikel 87
1. De vertegenwoordiger houdt van rechtswege op
vertegenwoordiger te zijn vanaf de dag van het van toepassing
verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de
verlening van surséance van betaling, de faillietverklaring, de
ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer van de goederen,
bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de
ondercuratelestelling.
2. De aanwijzing, bedoeld in artikel 85, vierde lid, vervalt van
rechtswege vanaf de dag van het van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de verlening van
surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld
in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de
onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in titel
19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling
van de aangewezen natuurlijke persoon alsmede vanaf de dag van verlening
van surséance van betaling of faillietverklaring van de
vertegenwoordiger.
Artikel 88
1. Van het overlijden, het van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de surséance van
betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van
één of meer van de goederen, bedoeld intitel 19 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling van de
vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 85,
vierde lid, alsmede van het ontslag van deze natuurlijke persoon geeft
de verzekeraar onderscheidenlijk de vertegenwoordiger binnen een week
aan de Pensioen- & Verzekeringskamer kennis.
2. In de gevallen, genoemd in het eerste lid, alsook in het geval
dat de vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel
85, vierde lid, heeft bedankt, legt de verzekeraar aan de Pensioen-
& Verzekeringskamer over een akte van aanstelling van de
vertegenwoordiger alsook, indien de vertegenwoordiger rechtspersoon is,
de statuten van deze rechtspersoon, een uittreksel uit diens
inschrijving in het handelsregister en een akte van aanstelling van de
natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 85, vierde lid. De verzekeraar
verstrekt de in dit lid bedoelde gegevens binnen twee weken na de
betrokken aanstelling.
Afdeling 4. Verzekeraars met zetel buiten de Unie
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 89
1. Een verzekeraar met zetel buiten de Unie mag vanuit de
bijkantoren in Nederland geen ander bedrijf dan hetzij het
schadeverzekeringsbedrijf hetzij het levensverzekeringsbedrijf
uitoefenen.
2. Een schadeverzekeraar mag geen schaden verzekeren, veroorzaakt
door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand,
binnenlandse onlusten, oproer en muiterij. In overeenkomsten van zee-,
transport-, luchtvaart- en reisverzekering mogen evenwel de algemeen
gebruikelijke molestclausules worden opgenomen zolang de Pensioen- &
Verzekeringskamer daartegen geen bedenkingen naar voren heeft gebracht.
Artikel 90
Een levensverzekeraar doet binnen twee weken na het voor de eerste
maal sluiten van een nieuw type overeenkomst van verzekering aan de
Pensioen- & Verzekeringskamer opgave van de technische grondslagen
voor de berekening van het desbetreffende tarief en van de
desbetreffende technische voorzieningen.
§ 2. De vertegenwoordiger
Artikel 91
1. Ontslag van de vertegenwoordiger is niet geldig tenzij het
gepaard gaat met de aanstelling van een opvolger met gebruikmaking van
het model, bedoeld in artikel 40, derde lid. Het ontslag gaat niet in
voordat een akte van ontslag en de akte van aanstelling van de
opvolger aan de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn overgelegd en
zij aan het bestuur van de verzekeraar heeft meegedeeld dat zij tegen
het ontslag geen bedenkingen heeft. Is de opvolger rechtspersoon, dan
doet de verzekeraar de akte van aanstelling vergezeld gaan van de
statuten van deze rechtspersoon, een uittreksel uit diens inschrijving
in het handelsregister en de akte van aanstelling van de natuurlijke
persoon, bedoeld in artikel 45, vijfde lid, opgemaakt overeenkomstig
artikel 40, derde lid.
2. De vertegenwoordiger die heeft bedankt, behoudt zijn
hoedanigheid totdat hij van zijn bedanken kennis heeft gegeven aan de
Pensioen- & Verzekeringskamer en zij aan het bestuur van de
verzekeraar heeft meegedeeld dat zij daartegen geen bedenkingen heeft.
Artikel 92
1. De vertegenwoordiger houdt van rechtswege op
vertegenwoordiger te zijn vanaf de dag van het van toepassing
verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de
verlening van surséance van betaling, de faillietverklaring, de
ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer van de goederen,
bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de
ondercuratelestelling.
2. De aanwijzing, bedoeld in artikel 45, vijfde lid, vervalt van
rechtswege vanaf de dag van het van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de verlening van
surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld
in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de
onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in titel
19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling
van de aangewezen natuurlijke persoon alsmede vanaf de dag van verlening
van surséance van betaling of faillietverklaring van de
vertegenwoordiger.
Artikel 93
1. Van het overlijden, het van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de surséance van
betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van
één of meer van de goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling van de
vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 45,
vijfde lid, alsmede van het ontslag van deze natuurlijke persoon geeft
de verzekeraar onderscheidenlijk de vertegenwoordiger binnen een week
aan de Pensioen- & Verzekeringskamer kennis.
2. In de gevallen, genoemd in het eerste lid, alsook in het geval
dat de vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel
45, vijfde lid, heeft bedankt, stelt de verzekeraar of wijst de
vertegenwoordiger binnen een door de Pensioen- & Verzekeringskamer
te bepalen termijn een nieuwe vertegenwoordiger onderscheidenlijk een
ander natuurlijk persoon aan. Artikel 40, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing.
3. Zolang de vertegenwoordiger ontbreekt, wordt de verzekeraar
geacht zijn woonplaats te hebben ten parkette van de officier van
justitie bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied de verzekeraar
volgens artikel 45, zesde lid, het laatst zijn woonplaats had, of anders
ten parkette van de officier van justitie bij de rechtbank binnen welker
rechtsgebied de Pensioen- & Verzekeringskamer is gevestigd.
§ 3. Technische voorzieningen
Artikel 94
1. Een verzekeraar met zetel buiten de Unie houdt voor zijn
vanuit de bijkantoren in Nederland aangegane verplichtingen uit
overeenkomsten van verzekering toereikende technische voorzieningen
aan.
2. Een levensverzekeraar stelt, rekening houdend met alle
financiële aspecten van zijn onderneming, de premies voor te sluiten
overeenkomsten van verzekering op adequate wijze vast.
3. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
zake van het eerste tot en met het derde lid nadere regels worden
gesteld.
5. De technische voorzieningen worden volledig door waarden
gedekt, ten aanzien waarvan is voldaan aan bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels. De Pensioen- &
Verzekeringskamer kan tegen de aard en de waardering van deze waarden
bedenkingen naar voren brengen, aan welke bedenkingen de verzekeraar
dient tegemoet te komen.
6. De waarden die dienen tot dekking van de technische
voorzieningen moeten in toereikende mate in dezelfde muntsoort kunnen
worden geïnd of te gelde gemaakt als die waarin de verplichtingen
luiden. Deze waarden moeten in Nederland aanwezig zijn.
7. In afwijking van het zesde lid, laatste volzin, mogen met
betrekking tot een overeenkomst van communautaire co-assurantie de
waarden ter keuze van de verzekeraar ook aanwezig zijn in de andere
lid-staten van waaruit de overige co-assuradeuren deelnemen aan de
overeenkomst.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent de toepassing van het bepaalde in het
zesde lid. Daarbij kan tevens worden bepaald dat en in hoeverre de
Pensioen- & Verzekeringskamer vrijstelling of ontheffing kan
verlenen van gegeven voorschriften. Aan een vrijstelling en een
ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden
verbonden en zij kunnen worden ingetrokken.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat en in hoeverre vorderingen op herverzekeraars als de
waarden, bedoeld in het vijfde lid, in aanmerking kunnen worden genomen.
Deze waarden behoeven niet in Nederland aanwezig te zijn.
10. Artikel 67 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 95 [Vervallen per 23-03-2004]
§ 4. Solvabiliteitsmarge
Artikel 96
1. Een verzekeraar met zetel
buiten de Unie dient voor het verzekeringsbedrijf dat hij vanuit de
bijkantoren in Nederland uitoefent, te beschikken over een
solvabiliteitsmarge ten aanzien waarvan artikel 68 van overeenkomstige
toepassing is, met dien verstande dat het minimum bedrag van het
garantiefonds de helft beloopt van het krachtens artikel 68, tweede lid,
vast te stellen bedrag.
2. De waarden die de solvabiliteitsmarge vertegenwoordigen,
dienen ten belope van ten minste het garantiefonds in Nederland aanwezig
te zijn en voor het overige deel in de Unie.
§ 5. Administratieve organisatie, bedrijfsvoering en verslaglegging
Artikel 97
Een verzekeraar met zetel buiten de Unie voert hier te lande de
administratie met betrekking tot de bijkantoren in Nederland en bewaart
hier te lande de desbetreffende zakelijke gegevens en bescheiden.
Artikel 98
1. Een verzekeraar draagt zorg voor een goede administratieve
organisatie en adequate interne controleprocedures.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan verzekeraars
regels stellen voor hun bedrijfsvoering met betrekking tot de
administratieve organisatie – met inbegrip van de financiële
administratie – en de interne controle.
Artikel 98a
1. Een verzekeraar draagt zorg voor adequate maatregelen,
gericht op het bevorderen en handhaven van een integere
bedrijfsvoering.
2. Met het oog op een integere bedrijfsvoering worden bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur aan verzekeraars regels gesteld
ter zake van:
a. het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen;
b. het voorkomen van betrokkenheid van de verzekeraar en van zijn
werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in de verzekeraar
of in de financiële markten in het algemeen schaden;
c. het voorkomen van betrokkenheid van de verzekeraar en van zijn
werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk
verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het vertrouwen in de
verzekeraar of in de financiële markten in het algemeen schaden;
d. het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond van
de cliënten van de verzekeraar;
e. andere bij algemene maatregel van bestuur te noemen onderwerpen.
3. Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan
de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door
de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet
toezicht effectenverkeer 1995.
Artikel 99
1. Een verzekeraar doet het boekjaar gelijk lopen met het
kalenderjaar.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan van het bepaalde in
het eerste lid ontheffing verlenen. Aan een ontheffing kunnen
beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kan
worden ingetrokken.
Artikel 100
1. Een verzekeraar dient binnen vier maanden na afloop van elk
boekjaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer staten in, die te
zamen een duidelijk beeld geven van het door de verzekeraar gevoerde
beheer en van zijn financiële toestand. De indiening geschiedt in
tweevoud en voor wat betreft de staten die ingevolge het zesde lid
openbaar worden gemaakt, in drievoud, tenzij de Pensioen- &
Verzekeringskamer andere aantallen vaststelt.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar,
categorieën van verzekeraars of alle verzekeraars voorschrijven dat een
of meer van deze staten met een hogere frequentie of binnen een kortere
termijn worden ingediend of dat staten vergezeld worden van een
toelichting.
3. Een van de staten behelst het actuarieel verslag dat wordt
voorzien van een verklaring van de actuaris. Met zijn verklaring
bevestigt de actuaris dat hij zich ervan heeft overtuigd dat de in het
actuarieel verslag genoemde voorzieningen prudent zijn vastgesteld en
voor het levensverzekeringsbedrijf de in een staat opgenomen
sterftevergelijking juist is weergegeven. Ten bewijze van een en ander
waarmerkt de actuaris de betrokken staten. Hij is bevoegd zijn
verklaring nader toe te lichten of op enig punt een voorbehoud te maken.
De verzekeraar machtigt bij de opdracht tot het onderzoek de actuaris
schriftelijk om desgevraagd of ingevolge een daartoe strekkende
overeenkomst tussen de verzekeraar, de actuaris en de Pensioen- &
Verzekeringskamer, aan de Pensioen- & Verzekeringskamer alle
inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze geacht kunnen worden
nodig te zijn voor de vervulling van de haar bij of krachtens deze wet
opgelegde taak. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de
verzekeraar in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van
inlichtingen door de actuaris.
4. Indien de actuaris naar het oordeel van de Pensioen- &
Verzekeringskamer niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze
de toevertrouwde taak met betrekking tot de verzekeraar naar behoren zal
vervullen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer bepalen dat hij niet
bevoegd is een verklaring als bedoeld in het derde lid met betrekking
tot die verzekeraar af te leggen.
5. De modellen van de staten worden bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur vastgesteld. In de algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald welke staten openbaar moeten worden gemaakt.
6. De verzekeraar legt de openbaar te maken staten op al zijn
kantoren in Nederland ter inzage van een ieder tot achttien maanden na
afloop van het boekjaar. Tot zolang verstrekt hij ieder op verzoek een
afschrift tegen ten hoogste de kostprijs.
7. De verzekeraar dient zijn jaarrekening in drievoud bij de
Pensioen- & Verzekeringskamer in zodra hij deze openbaar heeft
gemaakt of krachtens het recht van de staat van zijn zetel openbaar moet
hebben gemaakt. Op deze jaarrekening is het vijfde lid van
overeenkomstige toepassing.
8. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bepalen dat de
staten, bedoeld in het tweede lid, niet vergezeld gaan van een
verklaring als bedoeld in het derde lid of van een verklaring als
bedoeld in artikel 100a, eerste lid.
Artikel 100a
1. Een verzekeraar doet de staten, bedoeld in artikel 100,
eerste lid, vergezeld gaan van een verklaring omtrent de getrouwheid,
afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Ten bewijze dat de staten door
hem zijn onderzocht of, indien het staten betreft als bedoeld in
artikel 100, tweede lid, in zijn onderzoek zijn betrokken, waarmerkt
de accountant de staten. De verzekeraar machtigt bij de opdracht tot
het onderzoek de accountant schriftelijk desgevraagd of ingevolge een
daartoe strekkende overeenkomst tussen de verzekeraar, de accountant
en de Pensioen- & Verzekeringskamer, aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer alle inlichtingen te verstrekken, die
redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de vervulling
van de haar bij of krachtens deze wet opgelegde taak. De Pensioen-
& Verzekeringskamer stelt de verzekeraar in de gelegenheid
aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de
accountant.
2. De accountant, bedoeld in het eerste lid, meldt de Pensioen-
& Verzekeringskamer zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan
hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bedoeld in het eerste
lid kennis heeft gekregen en die:
a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van de
vergunning zijn gesteld;
b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde
verplichtingen;
c. het voortbestaan van de verzekeraar bedreigt; of
d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent
de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
3. Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de
verzekeraar ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of
instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het tweede lid, van
overeenkomstige toepassing indien de verzekeraar dochtermaatschappij is
van de andere onderneming of instelling, dan wel indien de andere
onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de verzekeraar.
Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder dochtermaatschappij
verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24a van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat een
verzekeraar tevens dochtermaatschappij kan zijn van een natuurlijk
persoon of vennootschap.
4. De accountant die op grond van het tweede of derde lid tot een
melding aan de Pensioen- & Verzekeringskamer is overgegaan, is niet
aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij
aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden,
in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.
5. Indien de accountant naar het oordeel van de Pensioen- &
Verzekeringskamer niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze
de toevertrouwde taak met betrekking tot de verzekeraar naar behoren zal
vervullen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer bepalen dat hij niet
bevoegd is een verklaring als bedoeld in het eerste lid met betrekking
tot die verzekeraar af te leggen.
Artikel 100b
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar,
categorieën van verzekeraars of alle verzekeraars voorschrijven dat
bijzondere opgaven met een door de Pensioen- & Verzekeringskamer
bepaalde frequentie en binnen een door haar bepaalde termijn worden
ingediend.
2. De modellen van de bijzondere opgaven worden bij ministeriële
regeling vastgesteld. Deze opgaven worden niet openbaar gemaakt.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bepalen dat de
bijzondere opgaven vergezeld gaan van een verklaring als bedoeld in
artikel 100, derde lid of van een verklaring als bedoeld in artikel
100a, eerste lid.
Artikel 101
1. Een verzekeraar dient, tenzij de Pensioen- &
Verzekeringskamer een ander aantal vaststelt, zijn jaarverslag in
drievoud bij haar in zodra hij het openbaar heeft gemaakt of krachtens
het recht van de staat van zijn zetel openbaar moet hebben gemaakt.
2. Artikel 100, vijfde lid, geldt ook voor het ingediende
jaarverslag.
Artikel 102
1. Een schadeverzekeraar dient binnen zes maanden na afloop van
het boekjaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een opgave in
met betrekking tot de vanuit de bijkantoren in Nederland gesloten
overeenkomsten van verzekering met betrekking tot in andere lid-staten
dan Nederland gelegen risico's. In die opgave worden per lid-staat en
per branchegroep de in dat boekjaar geboekte premies, schaden en
provisies vermeld, telkens zonder aftrek van herverzekering. Deze
gegevens, alsmede de frequentie en de gemiddelde kosten van de
schadegevallen, worden voor de branche Aansprakelijkheid
motorrijtuigen evenwel afzonderlijk vermeld.
2. Een levensverzekeraar dient binnen zes maanden na afloop van
het boekjaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een opgave in met
betrekking tot de vanuit de bijkantoren in Nederland in
dienstverrichting naar andere lid-staten gesloten overeenkomsten van
verzekering. In die opgave worden per lid-staat en per branche de in dat
boekjaar geboekte premies vermeld, zonder aftrek van herverzekering.
3. De in het eerste lid bedoelde branchegroepen en de modellen
van de opgave, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden door de
Pensioen- & Verzekeringskamer vastgesteld.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer legt de in het eerste en
tweede lid bedoelde gegevens met betrekking tot een lid-staat in
geaggregeerde vorm over aan de toezichthoudende autoriteit van die
lid-staat indien deze daarom verzoekt.
§ 6. Wijzigingen in aan de Pensioen- & Verzekeringskamer
overgelegde informatie
Artikel 103
1. Een verzekeraar met zetel buiten de Unie:
a. legt een authentiek afschrift van elke wijziging in zijn
statuten aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over en brengt elke
wijziging in de akte van aanstelling van zijn vertegenwoordiger,
bedoeld in artikel 45, eerste lid, ter kennis van de Pensioen- &
Verzekeringskamer, een en ander binnen twee weken na de totstandkoming
van de desbetreffende wijziging. Dezelfde verplichting rust op de
vertegenwoordiger die rechtspersoon is met betrekking tot elke
wijziging in zijn statuten en in de akte van aanstelling van de door
hem overeenkomstig artikel 45, vijfde lid, aangewezen natuurlijke
persoon;
b. brengt elke wijziging in de samenstelling van zijn bestuur en
raad van commissarissen en elke aanstelling van een vertegenwoordiger
als bedoeld in artikel 91, eerste lid, en 93, tweede lid, vooraf ter
kennis van de Pensioen- & Verzekeringskamer;
c. brengt elke wijziging in de samenstelling van de personen die
het dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de verzekeraar
behoort en uit dien hoofde het dagelijks beleid van de verzekeraar
mede bepalen vooraf ter kennis van de Pensioen- &
Verzekeringskamer;
d. brengt elke wijziging in de samenstelling van de personen die
het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de verzekeraar
behoort en uit dien hoofde het beleid van de verzekeraar mede bepalen
vooraf ter kennis van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
2. Een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c of
d, wordt niet doorgevoerd indien de Pensioen- & Verzekeringskamer
binnen zes weken na ontvangst van de melding of, indien de Pensioen-
& Verzekeringskamer om nadere gegevens of inlichtingen heeft
verzocht, binnen zes weken na de ontvangst van die gegevens of
inlichtingen aan de verzekeraar bekend maakt dat zij niet met de
voorgenomen wijziging instemt.
3. Indien zich een wijziging voordoet van de antecedenten,
bedoeld in artikel 29, tweede of vierde lid, stelt de verzekeraar de
Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan onverwijld schriftelijk in
kennis.
4. Een levensverzekeraar doet binnen twee weken aan de Pensioen-
& Verzekeringskamer opgave van de wijzigingen in zijn algemene en
bijzondere polisvoorwaarden en in de technische grondslagen voor de
berekening van zijn tarieven en van de technische voorzieningen.
§ 7. Overboeking
Artikel 104
1. Het is een verzekeraar met zetel buiten de Unie verboden
overeenkomsten van verzekering, gesloten vanuit een bijkantoor in
Nederland, zonder toestemming van degenen die aan die overeenkomsten
rechten kunnen ontlenen, over te boeken naar een vestiging van deze
verzekeraar buiten Nederland.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan ontheffing verlenen
van het in het eerste lid gegeven verbod indien de verzekeraar
aannemelijk maakt dat de belangen van degenen die aan de betrokken
overeenkomsten rechten kunnen ontlenen, zich tegen de overboeking niet
verzetten. Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of
voorschriften worden verbonden.
§ 8. Het verrichten van diensten
Artikel 105
1. Een verzekeraar met zetel buiten de Unie die voornemens is
vanuit Nederland voor de eerste maal diensten te verrichten naar een
andere lid-staat, stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan
schriftelijk in kennis onder opgave van die lid-staat en van de aard
van de risico’s van schadeverzekering die bij deze dienstverrichting
zullen worden gedekt dan wel van de aard van de overeenkomsten van
levensverzekering die bij deze dienstverrichting zullen worden
gesloten.
2. De verzekeraar doet de in het eerste lid bedoelde gegevens
vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Pensioen- &
Verzekeringskamer zulks verlangt.
3. Indien de verzekeraar in het bezit is van een vergunning,
beschikt over de ingevolge artikel 96 vereiste solvabiliteitsmarge en de
Pensioen- & Verzekeringskamer geen bedenkingen heeft tegen het
verrichten van diensten, verstrekt zij hem op zijn aanvraag een
verklaring waarin zulks wordt medegedeeld. Tevens wordt daarin opgave
gedaan van de branches waarvoor de verzekeraar een vergunning bezit.
Artikel 106
De verzekeraar legt elke voorgenomen wijziging in de aard van de
risico’s van schadeverzekering of in de aard van de overeenkomsten van
levensverzekering ten opzichte van de opgave, bedoeld in artikel 105,
eerste lid, aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over. Artikel 105,
tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 107
In geval van communautaire co-assurantie zijn de artikelen 105 en 106
slechts van toepassing op de verzekeraar die als eerste verzekeraar
optreedt.
Hoofdstuk IV. Het verrichten van diensten naar Nederland
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 108
Een verzekeraar met zetel buiten Nederland mag uitsluitend diensten
verrichten naar Nederland in branches tot de uitoefening waarvan hij in
de staat van de betrokken vestiging bevoegd is.
Artikel 109
1. Een schadeverzekeraar mag geen diensten verrichten naar
Nederland in de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen:
a. zonder te zijn aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel 2,
zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
b. zonder zijn verplichtingen jegens het Waarborgfonds Motorverkeer
na te komen uit hoofde van de artikelen 24, eerste lid, en 24a,
eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
c. zonder zijn verplichtingen na te komen tot kennisgeving uit
hoofde van artikel 13, eerste lid, van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen jegens het
overheidsorgaan aldaar bedoeld;
d. zonder dat zijn voorwaarden van verzekering voldoen aan de door
de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen gestelde eisen; en
e. zonder dat hij een natuurlijk persoon of een rechtspersoon als
schade-afhandelaar heeft aangesteld die zijn woonplaats in Nederland
heeft en die belast wordt met het namens hem afwikkelen van
vorderingen van benadeelden als bedoeld in artikel 1 van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.
2. Indien de schade-afhandelaar een natuurlijk persoon is die een
kantoor houdt, wordt dit kantoor als zijn woonplaats aangemerkt.
3. De schade-afhandelaar dient over voldoende bevoegdheden te
beschikken om de verzekeraar, zowel in als buiten rechte, te
vertegenwoordigen. De schade-afhandelaar houdt zich namens de
verzekeraar niet bezig met de uitoefening van het verzekeringsbedrijf.
4. Binnen twee weken na de aanvang van het verrichten van
diensten in de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen legt de
verzekeraar aan de Pensioen- & Verzekeringskamer de akte van
aanstelling van de schade-afhandelaar over, waaruit diens naam, adres en
bevoegdheden blijken.
5. Ontslag van de schade-afhandelaar is niet geldig tenzij het
gepaard gaat met de aanstelling van een opvolger. Het ontslag gaat niet
in voordat de akten van ontslag en van aanstelling van de opvolger aan
de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn overgelegd en zij aan het
bestuur van de verzekeraar heeft meegedeeld dat zij daartegen geen
bedenkingen heeft.
6. De schade-afhandelaar die heeft bedankt, behoudt zijn
hoedanigheid totdat hij van zijn bedanken kennis heeft gegeven aan de
Pensioen- & Verzekeringskamer en zij aan het bestuur van de
verzekeraar heeft meegedeeld dat zij daartegen geen bedenkingen heeft.
7. Van het overlijden, het van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de surséance van
betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één
of meer van de goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling van de
schade-afhandelaar geeft de verzekeraar binnen twee weken aan de
Pensioen- & Verzekeringskamer kennis, onder overlegging van de akte
van aanstelling van de opvolger van de schade-afhandelaar met ingang van
de dag van het overlijden, het van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de surséance van
betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één
of meer van de goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling.
8. De verzekeraar legt iedere wijziging in de akte van
aanstelling binnen twee weken na de totstandkoming van de desbetreffende
wijziging aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over. De verzekeraar
stelt de verzekeringnemer binnen twee weken in kennis van een wijziging
in de naam of het adres van de schade-afhandelaar.
9. Binnen twee weken na de aanvang van het verrichten van
diensten in de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen legt de
verzekeraar aan de Pensioen- & Verzekeringskamer een door hem
ondertekende verklaring over dat zijn voorwaarden van verzekering
voldoen aan de door de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
gestelde eisen.
10. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan van het bepaalde in
het eerste lid ontheffing verlenen aan een verzekeraar die geen
aansprakelijkheden dekt ten aanzien waarvan de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen van toepassing is en die de
risico’s van de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitsluitend
als bijkomende risico’s dekt. Aan een ontheffing kunnen beperkingen
worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kan worden
ingetrokken.
Artikel 110
1. In geval van communautaire co-assurantie zijn de artikelen
109, 111 en 116 slechts van toepassing op de verzekeraar die als
eerste verzekeraar optreedt.
2. Artikel 118 is niet van toepassing op verzekeraars die vanuit
een vestiging buiten de Unie deelnemen aan overeenkomsten van
communautaire co-assurantie.
Afdeling 2. Verzekeraars met zetel in een andere lid-staat dan
Nederland
§ 1. Het verrichten van diensten vanuit een vestiging in de Unie
Artikel 111
1. Een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan
Nederland die voornemens is vanuit een vestiging in de Unie voor de
eerste maal diensten te verrichten naar Nederland, kan daarmee
aanvangen nadat de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat van de
zetel de Pensioen- & Verzekeringskamer schriftelijk van dit
voornemen in kennis heeft gesteld, onder bijvoeging van:
a. een verklaring dat de verzekeraar beschikt over de vereiste
solvabiliteitsmarge;
b. een opgave van de branches waarvoor de verzekeraar een
vergunning bezit;
c. een opgave van de aard van de:
1°. in Nederland gelegen risico’s die de schadeverzekeraar
voornemens is te dekken;
2°. overeenkomsten die de levensverzekeraar voornemens is te
sluiten; en
d. indien de verzekeraar risico’s behorende tot de branche
Aansprakelijkheid motorrijtuigen wenst te dekken:
1°. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de verzekeraar is
aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
2°. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de verzekeraar
zich heeft gemeld bij het Waarborgfonds Motorverkeer teneinde te
voldoen aan zijn verplichtingen jegens dat fonds uit hoofde van de
artikelen 24, eerste lid, en 24a, eerste lid, van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
3°. een opgave van naam en adres van de schade-afhandelaar,
bedoeld in artikel 109, eerste lid, onderdeel e .
2. Indien de verzekeraar voornemens is een wijziging aan te
brengen in de aard van de risico’s of van de overeenkomsten ten
opzichte van de opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 112
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de toezichthoudende
autoriteit van de lid-staat van de zetel van een verzekeraar na afloop
van het boekjaar verzoeken om een opgave, waarin zijn vermeld:
a. met betrekking tot een schadeverzekeraar de in dat boekjaar in
dienstverrichting naar Nederland per lid-staat en per branchegroep
geboekte premies, schaden en provisies, telkens zonder aftrek van
herverzekering;
b. met betrekking tot een levensverzekeraar de in dat boekjaar in
dienstverrichting naar Nederland per lid-staat en per branche geboekte
premies, zonder aftrek van herverzekering.
2. De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde gegevens,
alsmede de frequentie en de gemiddelde kosten van de schadegevallen,
worden voor de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen evenwel
afzonderlijk vermeld.
§ 2. Het verrichten van diensten vanuit een bijkantoor buiten de
Unie
Artikel 113
1. Een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan
Nederland die voornemens is vanuit een bijkantoor buiten de Unie voor
de eerste maal diensten te verrichten naar Nederland, legt aan de
Pensioen- & Verzekeringskamer over:
a. een verklaring, afgegeven door de toezichthoudende autoriteit
van de lid-staat van de zetel:
1°. dat de verzekeraar beschikt over de vereiste
solvabiliteitsmarge;
2°. dat de door haar aan de verzekeraar verleende vergunning hem
in staat stelt vanuit de staat van het bijkantoor diensten te
verrichten; en
3°. waarin de branches zijn vermeld waarvoor de verzekeraar in
de lid-staat van de zetel een vergunning bezit;
b. een opgave van de aard van de:
1°. in Nederland gelegen risico’s die de schadeverzekeraar
voornemens is te dekken;
2°. overeenkomsten die de levensverzekeraar voornemens is te
sluiten; en
c. bescheiden waaruit de bevoegdheid, bedoeld in artikel 108,
blijkt.
2. Indien de verzekeraar risico’s behorende tot de branche
Aansprakelijkheid motorrijtuigen wenst te dekken, legt hij aan de
Pensioen- & Verzekeringskamer tevens over bescheiden als bedoeld in
artikel 111, eerste lid, onderdeel d .
3. De verzekeraar kan het verrichten van diensten aanvangen vanaf
de officieel bevestigde datum van ontvangst door de Pensioen- &
Verzekeringskamer van de in het eerste of tweede lid bedoelde
bescheiden.
4. Indien de verzekeraar voornemens is een wijziging aan te
brengen in de aard van de risico’s of van de overeenkomsten ten
opzichte van de opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
zijn het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 114
1. Een verzekeraar die vanuit een bijkantoor buiten de Unie
diensten verricht naar Nederland, dient binnen zes maanden na afloop
van het boekjaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een opgave
in van de in dat boekjaar uit hoofde van het verrichten van diensten
naar Nederland:
a. met betrekking tot de schadeverzekering per branchegroep
geboekte premies, schaden en provisies, telkens zonder aftrek van
herverzekering, welke gegevens, alsmede de frequentie en de gemiddelde
kosten van de schadegevallen, voor de branche Aansprakelijkheid
motorrijtuigen afzonderlijk worden vermeld;
b. met betrekking tot de levensverzekering per branche geboekte
premies, zonder aftrek van herverzekering.
2. De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde
branchegroepen en de modellen van de opgaven worden door de Pensioen-
& Verzekeringskamer vastgesteld.
§ 3. Voorschriften ter zake van acquisitie
Artikel 115
1. Een verzekeraar die bij het verrichten van diensten naar
Nederland in strijd handelt met de belangen van degenen die als
verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zullen
worden betrokken bij overeenkomsten van verzekering of inbreuk maakt
op hier te lande geldende voorschriften maakt daaraan op verzoek van
de Pensioen- & Verzekeringskamer een einde. Indien de Pensioen-
& Verzekeringskamer op dat verzoek niet binnen de door haar
gestelde termijn een bevredigend antwoord heeft ontvangen of indien
naar haar oordeel niet of onvoldoende gevolg is gegeven aan haar
verzoek, stelt zij, indien het gaat om het verrichten van diensten
vanuit een andere lid-staat, de toezichthoudende autoriteit van de
lid-staat van de zetel van de verzekeraar daarvan in kennis.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan een verzekeraar
voorschriften of een verbod opleggen ter zake van acquisitie met
betrekking tot overeenkomsten van verzekering, door de verzekeraar te
sluiten bij het verrichten van diensten naar Nederland. De voorschriften
en het verbod kunnen slechts worden opgelegd in het belang van degenen
die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen
zullen worden betrokken bij deze overeenkomsten of indien de verzekeraar
inbreuk maakt op hier te lande geldende voorschriften.
3. In geval van het verrichten van diensten vanuit een andere
lid-staat dan Nederland vaardigt de Pensioen- & Verzekeringskamer
voorschriften of een verbod ter zake van acquisitie niet uit dan nadat
zij de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat van de zetel van de
verzekeraar van haar voornemen daartoe in kennis heeft gesteld.
4. Van het besluit van de Pensioen- & Verzekeringskamer,
houdende voorschriften of een verbod ter zake van acquisitie, en de
intrekking daarvan, wordt in de Staatscourant mededeling gedaan
zodra de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld,
zodra op het beroep is beslist.
5. Het is verboden in Nederland te bemiddelen bij of op andere
soortgelijke wijze mee te werken aan de voorbereiding of de
totstandkoming van overeenkomsten van verzekering met betrekking waartoe
aan een verzekeraar een verbod van acquisitie is opgelegd, dan wel te
handelen in strijd met de voorschriften of het verbod, opgelegd
ingevolge het tweede lid.
6. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de toezichthoudende
autoriteit van de lid-staat van de zetel van de verzekeraar in kennis
van de door haar genomen maatregelen.
Afdeling 3. Verzekeraars met zetel buiten de Unie
§ 1. Het verrichten van diensten vanuit een bijkantoor in de Unie
Artikel 116
1. Een verzekeraar met zetel buiten de Unie die voornemens is
vanuit een bijkantoor in een andere lid-staat voor de eerste maal
diensten te verrichten naar Nederland, kan, met inachtneming van het
tweede lid, daarmee aanvangen nadat hij de Pensioen- &
Verzekeringskamer schriftelijk van dit voornemen in kennis heeft
gesteld, onder bijvoeging van:
a. een verklaring, afgegeven door de bevoegde toezichthoudende
autoriteit in de Unie, dat de verzekeraar beschikt over de vereiste
solvabiliteitsmarge;
b. een verklaring, afgegeven door de toezichthoudende autoriteit
van de betrokken lid-staat, waarin de branches zijn vermeld waarvoor
de verzekeraar een vergunning bezit;
c. een opgave van de aard van de:
1°. in Nederland gelegen risico’s die de schadeverzekeraar
voornemens is te dekken;
2°. overeenkomsten die de levensverzekeraar voornemens is te
sluiten; en
d. indien de verzekeraar risico’s behorende tot de branche
Aansprakelijkheid motorrijtuigen wenst te dekken, bescheiden als
bedoeld in artikel 111, eerste lid, onderdeel d .
2. De verzekeraar kan het verrichten van diensten aanvangen vanaf
de officieel bevestigde datum van ontvangst door de Pensioen- &
Verzekeringskamer van de in het eerste lid bedoelde bescheiden.
3. Indien de verzekeraar voornemens is een wijziging aan te
brengen in de aard van de risico’s of van de overeenkomsten ten
opzichte van de opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 117
Artikel 112 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
de Pensioen- & Verzekeringskamer haar verzoek richt aan de
toezichthoudende autoriteit van de lid-staat waar zich het betrokken
bijkantoor van de verzekeraar bevindt.
§ 2. Het verrichten van diensten vanuit een vestiging buiten de Unie
Artikel 118
1. Een verzekeraar met zetel buiten de Unie, die vanuit een
vestiging buiten de Unie diensten verricht naar Nederland, dient:
a. naar het recht van de staat van zijn zetel rechtspersoon te
zijn;
b. in de staat van zijn zetel bevoegd te zijn tot uitoefening van
het directe verzekeringsbedrijf en dit bedrijf vanuit een vestiging in
die staat daadwerkelijk uit te oefenen; en
c. met betrekking tot het gehele door hem uitgeoefende
verzekeringsbedrijf te beschikken over een solvabiliteitsmarge, die
ten minste overeenkomt met de ingevolge artikel 68 vereiste
solvabiliteitsmarge.
2. De verzekeraar die voornemens is vanuit een vestiging buiten
de Unie voor de eerste maal diensten te verrichten naar Nederland, legt,
onder vermelding van de adressen van zijn zetel en van de vestiging van
waaruit hij de diensten wenst te verrichten, aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer over:
a. een authentiek afschrift van de akte van oprichting, een
exemplaar van zijn statuten alsmede een lijst met namen en adressen
van zijn bestuurders en commissarissen;
b. bescheiden waaruit blijkt dat de verzekeraar voldoet aan de in
het eerste lid gestelde eisen;
c. een opgave van de aard van de:
1°. in Nederland gelegen risico’s die de schadeverzekeraar
voornemens is te dekken;
2°. overeenkomsten die de levensverzekeraar voornemens is te
sluiten; en
d. bescheiden waaruit de bevoegdheid, bedoeld in artikel 108,
blijkt.
3. Indien de verzekeraar risico’s behorende tot de branche
Aansprakelijkheid motorrijtuigen wenst te dekken, legt hij aan de
Pensioen- & Verzekeringskamer tevens over bescheiden als bedoeld in
artikel 111, eerste lid, onderdeel d .
4. De verzekeraar kan het verrichten van diensten aanvangen vanaf
de officieel bevestigde datum van ontvangst door de Pensioen- &
Verzekeringskamer van de in het tweede of derde lid bedoelde bescheiden.
5. Indien de verzekeraar voornemens is een wijziging aan te
brengen in de aard van de risico’s of van de overeenkomsten ten
opzichte van de opgave, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c,
zijn het tweede tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 119
Artikel 114 is van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Voorschriften ter zake van acquisitie
Artikel 120
1. Een verzekeraar die bij het verrichten van diensten naar
Nederland in strijd handelt met de belangen van degenen die als
verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zullen
worden betrokken bij overeenkomsten van verzekering of inbreuk maakt
op hier te lande geldende voorschriften maakt daaraan op verzoek van
de Pensioen- & Verzekeringskamer een einde. Indien de Pensioen-
& Verzekeringskamer op dat verzoek niet binnen de door haar
gestelde termijn een bevredigend antwoord heeft ontvangen of indien
naar haar oordeel niet of onvoldoende gevolg is gegeven aan haar
verzoek, stelt zij, indien het gaat om het verrichten van diensten
vanuit een andere lid-staat, de toezichthoudende autoriteit van de
lid-staat van waaruit de diensten worden verricht daarvan in kennis.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan een verzekeraar
voorschriften of een verbod opleggen ter zake van acquisitie met
betrekking tot overeenkomsten van verzekering, door de verzekeraar te
sluiten bij het verrichten van diensten naar Nederland. De voorschriften
en het verbod kunnen slechts worden opgelegd in het belang van degenen
die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen
zullen worden betrokken bij deze overeenkomsten of indien de verzekeraar
inbreuk maakt op hier te lande geldende voorschriften.
3. In geval van het verrichten van diensten vanuit een andere
lid-staat dan Nederland vaardigt de Pensioen- & Verzekeringskamer
voorschriften of een verbod ter zake van acquisitie niet uit dan nadat
zij de toezichthoudende autoriteit van die lid-staat van haar voornemen
daartoe in kennis heeft gesteld.
4. Artikel 115, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de toezichthoudende
autoriteit van de lid-staat van waaruit de diensten worden verricht in
kennis van de door haar genomen maatregelen.
Hoofdstuk V. Overdracht van rechten en verplichtingen uit
overeenkomsten van schadeverzekering en omzetting van de rechtsvorm van
een schadeverzekeraar
Artikel 121
1. Een schadeverzekeraar met zetel in Nederland kan met
schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer
zonder medewerking of toestemming van degenen die aan die
overeenkomsten rechten kunnen ontlenen bij akte zijn rechten en
verplichtingen uit of krachtens een of meer overeenkomsten van
schadeverzekering:
a. gesloten vanuit een vestiging in de Unie overdragen aan een
andere verzekeraar met zetel in de Unie in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in de Unie;
b. gesloten vanuit een vestiging in Nederland overdragen aan een
andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland;
c. gesloten vanuit een bijkantoor in een andere lid-staat
overdragen aan een andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het
kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in de Unie
indien de wetgeving van de betrokken lid-staten voorziet in een
dergelijke overdracht en de betrokken toezichthoudende autoriteiten
daarmee instemmen.
2. Een schadeverzekeraar met zetel buiten de Unie kan met
schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer bij
akte zijn rechten en verplichtingen uit of krachtens een of meer
overeenkomsten van schadeverzekering, gesloten vanuit een bijkantoor in
Nederland, zonder medewerking of toestemming van degenen die aan die
overeenkomsten rechten kunnen ontlenen, overdragen aan:
a. een andere verzekeraar met zetel in de Unie in het kader van
diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in de Unie;
b. een andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van
diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland.
3. Voor zover bij het sluiten van de overeenkomsten van
schadeverzekering, bedoeld in het tweede lid, in een andere lid-staat
gelegen risico’s zijn verzekerd, kan de verzekeraar zijn rechten en
verplichtingen onder de in de aanhef van dat lid gestelde voorwaarden
tevens overdragen aan een andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in
het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in de
lid-staat waar het risico is gelegen.
4. Indien de wetgeving van een andere lid-staat niet voorziet in
een toestemmingsprocedure voor een verzekeraar met zetel aldaar tot
overdracht van zijn rechten en verplichtingen uit of krachtens een of
meer overeenkomsten van schadeverzekering, gesloten vanuit een
bijkantoor in Nederland, aan een andere verzekeraar met zetel buiten de
Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in
Nederland, kan de overdracht bij akte plaatsvinden met schriftelijke
toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer en zonder
medewerking of toestemming van degenen die aan die overeenkomsten
rechten kunnen ontlenen. De Pensioen- & Verzekeringskamer verleent
geen toestemming alvorens de toezichthoudende autoriteit van de
lid-staat van de zetel van de overdragende verzekeraar heeft verklaard
met die overdracht in te stemmen.
5. Met overdracht van de rechten en verplichtingen uit of
krachtens alle overeenkomsten van schadeverzekering wordt gelijkgesteld
de overgang van deze rechten en verplichtingen bij een fusie als bedoeld
in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of bij een
splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, en de artikelen
122, eerste, tweede en zesde tot en met negende lid, en 123, eerste,
vierde en vijfde lid, zijn op deze overgang van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 122
1. Een aanvraag ter verkrijging van toestemming van de
Pensioen- & Verzekeringskamer tot overdracht van rechten en
verplichtingen gaat vergezeld van een ontwerp-overeenkomst met alle
ter toelichting dienende stukken.
2. Voor een overdracht aan een verzekeraar met zetel in Nederland
verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer geen toestemming indien
deze verzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, niet beschikt
over de vereiste solvabiliteitsmarge of indien de Pensioen- &
Verzekeringskamer een herstelplan ingevolge artikel 137a heeft verlangd
van de verzekeraar.
3. Voor een overdracht aan een verzekeraar met zetel in een
andere lid-staat dan Nederland verleent de Pensioen- &
Verzekeringskamer geen toestemming alvorens de toezichthoudende
autoriteit van die lid-staat heeft verklaard dat deze verzekeraar, mede
gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over de vereiste
solvabiliteitsmarge.
4. Voor een overdracht aan een verzekeraar met zetel buiten de
Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in
Nederland verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer geen toestemming
indien het betrokken bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen
overdracht, niet beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge of indien
de Pensioen- & Verzekeringskamer een herstelplan ingevolge artikel
137a heeft verlangd van de verzekeraar. Indien een andere
toezichthoudende autoriteit in de Unie belast is met het toezicht op de
solvabiliteitsmarge van het betrokken bijkantoor verleent de Pensioen-
& Verzekeringskamer geen toestemming alvorens laatstbedoelde
toezichthoudende autoriteit heeft verklaard dat het bijkantoor, mede
gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over de vereiste
solvabiliteitsmarge en dat, indien van toepassing, van het bijkantoor
geen met een herstelplan in de zin van artikel 137a overeenkomend plan
is verlangd.
5. Voor een overdracht aan een verzekeraar met zetel buiten de
Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een andere
lid-staat gelegen bijkantoor kan de Pensioen- & Verzekeringskamer
alleen toestemming verlenen indien:
a. de wetgeving van de lid-staat waar het overnemende bijkantoor is
gelegen, voorziet in de mogelijkheid van een dergelijke overdracht;
b. de toezichthoudende autoriteit van die lid-staat dan wel, indien
een andere toezichthoudende autoriteit in de Unie belast is met het
toezicht op de solvabiliteitsmarge van het betrokken bijkantoor,
laatstbedoelde toezichthoudende autoriteit heeft verklaard dat het
bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over de
vereiste solvabiliteitsmarge;
c. de betrokken toezichthoudende autoriteit van die lid-staat geen
herstelplan heeft verlangd van het bijkantoor; en
d. de betrokken toezichthoudende autoriteit instemt met de
overdracht.
6. Voor zover een overdracht als bedoeld in artikel 121, eerste
lid, onderdeel a , betrekking heeft op overeenkomsten van
schadeverzekering, gesloten vanuit een in een andere lid-staat dan
Nederland gelegen bijkantoor van de verzekeraar, en in geval van een
overdracht als bedoeld in artikel 121, eerste lid, onderdeel c ,
legt de Pensioen- & Verzekeringskamer na ontvangst van de vereiste
gegevens de ontwerp-overeenkomst met alle ter toelichting dienende
stukken voor advies voor aan de toezichthoudende autoriteit van elke
betrokken lid-staat.
7. Indien een in het zesde lid bedoelde toezichthoudende
autoriteit haar advies niet binnen drie maanden na ontvangst van het
daartoe strekkende verzoek aan de Pensioen- & Verzekeringskamer
heeft uitgebracht, wordt zulks gelijkgesteld met een gunstig advies.
8. Voor zover een overdracht betrekking heeft op overeenkomsten
van schadeverzekering bij het sluiten waarvan in een andere lid-staat
dan Nederland gelegen risico’s zijn verzekerd, verleent de Pensioen-
& Verzekeringskamer geen toestemming alvorens de toezichthoudende
autoriteit van die lid-staat heeft verklaard met de overdracht in te
stemmen.
9. Indien de in het achtste lid bedoelde toezichthoudende
autoriteit haar oordeel niet binnen drie maanden na ontvangst van het
daartoe strekkende verzoek aan de Pensioen- & Verzekeringskamer
heeft kenbaar gemaakt, wordt zulks gelijkgesteld met een instemming.
Artikel 123
1. De verzekeraar die zijn rechten en verplichtingen met
toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer heeft
overgedragen, doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant
en op andere door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen
wijze. Voor zover in de overdracht overeenkomsten zijn betrokken,
waarbij risico’s zijn verzekerd, die in een andere lid-staat dan
Nederland zijn gelegen, doet de verzekeraar van de overdracht tevens
mededeling in die lid-staat. De inhoud van deze publikaties behoeft de
voorafgaande toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
2. De overdracht wordt ten aanzien van alle andere
belanghebbenden dan de betrokken verzekeraars van kracht met ingang van
de tweede dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant
waarin de publikatie is geplaatst.
3. Indien een verzekeringnemer die lid is van een onderlinge
waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming dan
wel instelling op onderlinge grondslag met zetel buiten de Unie,
ingevolge de overdracht geen overeenkomst van schadeverzekering meer bij
deze verzekeraar heeft lopen, eindigt zijn lidmaatschap uit dien hoofde
van rechtswege met ingang van de tweede dag, volgende op die van de
dagtekening van de Staatscourant waarin de publikatie is
geplaatst.
4. De bij een overdracht betrokken verzekeringnemers kunnen
gedurende drie maanden na de dagtekening van de Staatscourant
waarin de publikatie is geplaatst de overeenkomst van schadeverzekering
schriftelijk opzeggen met ingang van de dag na afloop van deze termijn.
De verzekeraar geeft alsdan de vooruitbetaalde premie alsmede de voldane
assurantiebelasting terug voor het gedeelte dat evenredig is aan het op
de hiervoor bedoelde dag nog niet verstreken gedeelte van de termijn
waarvoor de premie en de assurantiebelasting werden betaald.
5. Indien bij de overdracht het lidmaatschap van een onderlinge
waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming dan
wel instelling op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland is
verkregen, eindigt in geval van opzegging overeenkomstig het vierde lid
dit lidmaatschap en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid voor een
tekort van rechtswege eveneens met ingang van de dag na afloop van de
termijn, bedoeld in dat lid.
Artikel 124
1. Indien een toezichthoudende autoriteit van een andere
lid-staat dan Nederland de Pensioen- & Verzekeringskamer vraagt om
haar advies of instemming betreffende een overdracht van rechten en
verplichtingen uit of krachtens een of meer overeenkomsten van
schadeverzekering, geeft zij haar oordeel binnen drie maanden na
ontvangst van het daartoe strekkende verzoek.
2. Indien de overdracht geschiedt aan een verzekeraar met zetel
in een andere lid-staat dan Nederland in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een buiten Nederland gelegen vestiging,
verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer geen instemming voor zover
de overdracht betrekking heeft op vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor gesloten overeenkomsten waarvan de risico’s in Nederland
zijn gelegen en de overdracht niet in het belang is van degenen die aan
de betrokken overeenkomsten rechten kunnen ontlenen.
3. Indien de overdracht geschiedt aan een verzekeraar met zetel
buiten de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een
buiten Nederland gelegen vestiging, verleent de Pensioen- &
Verzekeringskamer geen instemming voor zover de overdracht betrekking
heeft op vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor gesloten
overeenkomsten waarvan de risico’s in Nederland zijn gelegen, tenzij
de overdracht in het belang is van degenen die aan de betrokken
overeenkomsten rechten kunnen ontlenen.
Artikel 125
1. De toestemming verleend door de toezichthoudende autoriteit
van een andere lid-staat dan Nederland aan een verzekeraar met zetel
in die lid-staat tot overdracht van rechten en verplichtingen uit of
krachtens een of meer overeenkomsten van schadeverzekering in het
kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland
dan wel in het kader van het verrichten van diensten naar Nederland
vanuit een vestiging in de Unie, treedt in de plaats van de
medewerking of de toestemming van degenen die aan die overeenkomsten
rechten kunnen ontlenen.
2. De verzekeraar die zijn rechten en verplichtingen
overeenkomstig het eerste lid heeft overgedragen, doet van de overdracht
mededeling in de Staatscourant en op andere door de Pensioen-
& Verzekeringskamer te bepalen wijze. De inhoud van deze publikaties
behoeft de voorafgaande toestemming van de Pensioen- &
Verzekeringskamer.
3. De overdracht wordt ten aanzien van alle andere
belanghebbenden dan de betrokken verzekeraars van kracht op het volgens
het recht van de betrokken lid-staat te bepalen tijdstip, dan wel, bij
gebreke van een regeling in die lid-staat, met ingang van de tweede dag,
volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de
publikatie is geplaatst.
4. De bij een overdracht betrokken verzekeringnemers kunnen de
overeenkomst van schadeverzekering volgens de door het recht van de
betrokken lid-staat bepaalde wijze opzeggen. Bij gebreke van een
regeling in die lid-staat is artikel 123, vierde lid, van
overeenkomstige toepassing.
5. Indien bij de overdracht het lidmaatschap van een onderlinge
waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming dan
wel instelling op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland is
verkregen, eindigt in geval van opzegging overeenkomstig het vierde lid
dit lidmaatschap en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid voor een
tekort van rechtswege eveneens volgens de door het recht van de
betrokken lid-staat bepaalde wijze, dan wel, bij gebreke van een
regeling in die lid-staat, met ingang van de dag na afloop van de
termijn, bedoeld in artikel 123, vierde lid.
Artikel 126
Een verzekeraar met zetel buiten de Unie die zijn rechten en
verplichtingen uit of krachtens een of meer overeenkomsten van
schadeverzekering, door hem bij het verrichten van diensten naar
Nederland gesloten, met toestemming van de bevoegde buitenlandse
autoriteit aan een andere verzekeraar heeft overgedragen, doet van de
overdracht in Nederland mededeling op door de Pensioen- &
Verzekeringskamer te bepalen wijze. De inhoud van de publikatie behoeft
de voorafgaande toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
Artikel 127
De artikelen 121 tot en met 126 zijn niet van toepassing ten aanzien
van de overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van
herverzekering.
Artikel 128
1. Een verzekeraar met zetel in Nederland kan zich zonder
schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer
niet omzetten in een andere rechtsvorm.
2. Een aanvraag ter verkrijging van toestemming van de Pensioen-
& Verzekeringskamer tot omzetting gaat vergezeld van een ontwerp van
een notariële akte van omzetting die de nieuwe statuten bevat met alle
ter toelichting dienende stukken.
3. Indien met toestemming van de Pensioen- &
Verzekeringskamer omzetting heeft plaatsgevonden, doet de verzekeraar
van de omzetting mededeling in de Staatscourant en op andere door
de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen wijze. Voor zover door
de verzekeraar in de uitoefening van het directe
schadeverzekeringsbedrijf risico’s zijn verzekerd die in een andere
lid-staat dan Nederland zijn gelegen, doet de verzekeraar van de
omzetting tevens mededeling in die lid-staat. De inhoud van deze
publikaties behoeft de voorafgaande toestemming van de Pensioen- &
Verzekeringskamer.
4. De bij een omzetting betrokken verzekeringnemers kunnen
gedurende drie maanden na dagtekening van de Staatscourant waarin
de publikatie is geplaatst de overeenkomst van schadeverzekering
schriftelijk opzeggen met ingang van de dag na afloop van deze termijn.
De verzekeraar geeft alsdan de vooruitbetaalde premie alsmede de voldane
assurantiebelasting terug voor het gedeelte dat evenredig is aan het op
de hiervoor bedoelde dag nog niet verstreken gedeelte van de termijn
waarvoor de premie en de assurantiebelasting werden betaald.
5. Indien bij de omzetting het lidmaatschap van een onderlinge
waarborgmaatschappij is verkregen, eindigt in geval van opzegging
overeenkomstig het vierde lid dit lidmaatschap van rechtswege eveneens
met ingang van de dag na afloop van de termijn, bedoeld in dat lid.
6. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de toezichthoudende
autoriteiten van de lid-staten op het grondgebied waarvan een bijkantoor
van de verzekeraar is gelegen, alsmede de toezichthoudende autoriteiten
van de lid-staten waarheen de verzekeraar vanuit Nederland diensten
verricht, in kennis van de omzetting.
Hoofdstuk VI. Overdracht van rechten en verplichtingen uit
overeenkomsten van levensverzekering en omzetting van de rechtsvorm van
een levensverzekeraar
Artikel 129
1. Een levensverzekeraar met zetel in Nederland kan slechts met
schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer en
bij akte zijn rechten en verplichtingen uit een of meer overeenkomsten
van levensverzekering:
a. gesloten vanuit een vestiging in de Unie overdragen aan een
andere verzekeraar met zetel in de Unie in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in de Unie;
b. gesloten vanuit een vestiging in Nederland overdragen aan een
andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland;
c. gesloten vanuit een bijkantoor in een andere lid-staat
overdragen aan een andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het
kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in de Unie
indien de wetgeving van de betrokken lid-staten voorziet in een
dergelijke overdracht en de betrokken toezichthoudende autoriteiten
daarmee instemmen.
2. Een levensverzekeraar met zetel buiten de Unie kan slechts met
schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer en
bij akte zijn rechten en verplichtingen uit een of meer overeenkomsten
van levensverzekering, gesloten vanuit een bijkantoor in Nederland,
overdragen aan:
a. een andere verzekeraar met zetel in de Unie in het kader van
diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in de Unie;
b. een andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van
diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland.
3. Voor zover overeenkomsten van levensverzekering als bedoeld in
het tweede lid in dienstverrichting naar een andere lid-staat zijn
gesloten, kan de verzekeraar zijn rechten en verplichtingen onder de in
de aanhef van dat lid gestelde voorwaarden tevens overdragen aan een
andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in die lid-staat.
4. Indien de wetgeving van een andere lid-staat niet voorziet in
een toestemmingsprocedure voor een verzekeraar met zetel aldaar tot
overdracht van zijn rechten en verplichtingen uit een of meer
overeenkomsten van levensverzekering, gesloten vanuit een bijkantoor in
Nederland, aan een andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het
kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland,
kan de overdracht bij akte plaatsvinden met schriftelijke toestemming
van de Pensioen- & Verzekeringskamer. De Pensioen- &
Verzekeringskamer verleent geen toestemming alvorens de toezichthoudende
autoriteit van de lid-staat van de zetel van de overdragende verzekeraar
heeft verklaard met die overdracht in te stemmen.
5. Een levensverzekeraar met vestiging in Nederland kan slechts
met schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer
en bij akte zijn rechten en verplichtingen uit een of meer
overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering als bedoeld in artikel 1,
onderdeel a, van de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, in de gevallen, genoemd in artikel
52, eerste en tweede lid, van die wet, overdragen aan de aldaar bedoelde
verzekeraars.
6. In afwijking van het eerste tot en met derde lid kan een
verzekeraar zijn rechten en verplichtingen uit een individuele
overeenkomst van levensverzekering op schriftelijk verzoek van de
verzekeringnemer overdragen.
7. Met overdracht van de rechten en verplichtingen uit alle
overeenkomsten van levensverzekering wordt gelijkgesteld de overgang van
deze rechten en verplichtingen bij een fusie als bedoeld in artikel 309
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of bij een splitsing als bedoeld
in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het eerste lid,
aanhef en onderdeel a, het vijfde lid, en de artikelen 130,
eerste, tweede en vierde tot en met achtste lid, en 131, eerste tot en
met derde lid, vierde lid, eerste volzin, vijfde, zevende en achtste
lid, zijn op deze overgang van overeenkomstige toepassing.
Artikel 130
1. Een aanvraag ter verkrijging van toestemming van de
Pensioen- & Verzekeringskamer tot overdracht van rechten en
verplichtingen gaat vergezeld van een ontwerp-overeenkomst met alle
ter toelichting dienende stukken.
2. Voor een overdracht aan een verzekeraar met zetel in Nederland
verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer geen toestemming indien de
Pensioen- & Verzekeringskamer een herstelplan ingevolge artikel 137a
heeft verlangd van deze verzekeraar of indien deze verzekeraar, mede
gelet op de voorgenomen overdracht, niet beschikt over de vereiste
solvabiliteitsmarge.
3. Op de aanvraag ter verkrijging van toestemming van de
Pensioen- & Verzekeringskamer tot de overdracht is artikel 122,
derde tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
4. Voor zover een overdracht als bedoeld in artikel 129, eerste
lid, onderdeel a , betrekking heeft op overeenkomsten van
levensverzekering, gesloten vanuit een in een andere lid-staat dan
Nederland gelegen bijkantoor van de verzekeraar, en in geval van een
overdracht als bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdeel c ,
legt de Pensioen- & Verzekeringskamer na ontvangst van de vereiste
gegevens de ontwerp-overeenkomst met alle ter toelichting dienende
stukken voor advies voor aan de toezichthoudende autoriteit van elke
betrokken lid-staat.
5. Indien een in het vierde lid bedoelde toezichthoudende
autoriteit haar advies niet binnen drie maanden na ontvangst van het
daartoe strekkende verzoek aan de Pensioen- & Verzekeringskamer
heeft uitgebracht, wordt zulks gelijkgesteld met een gunstig advies.
6. Voor zover een overdracht betrekking heeft op in
dienstverrichting naar een andere lid-staat dan Nederland gesloten
overeenkomsten van levensverzekering, verleent de Pensioen- &
Verzekeringskamer geen toestemming alvorens de toezichthoudende
autoriteit van die lid-staat heeft verklaard met de overdracht in te
stemmen.
7. Indien de in het zesde lid bedoelde toezichthoudende
autoriteit haar oordeel niet binnen drie maanden na ontvangst van het
daartoe strekkende verzoek aan de Pensioen- & Verzekeringskamer
heeft kenbaar gemaakt, wordt zulks gelijkgesteld met een instemming.
8. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer aanvankelijk geen
bedenkingen heeft tegen het ontwerp van de tot overdracht strekkende
overeenkomst, maakt zij dit aan de verzekeraar bekend. Heeft zij
aanvankelijk wel bedenkingen, dan maakt zij deze bedenkingen eveneens
aan de verzekeraar bekend.
Artikel 131
1. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer tegen het
ontwerp aanvankelijk geen bedenkingen heeft of nadat aan deze
bedenkingen is tegemoetgekomen, doet de verzekeraar van zijn voornemen
tot overdracht van rechten en verplichtingen mededeling in de Staatscourant
en op andere door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen
wijze. Daarbij wordt mededeling gedaan van een door de Pensioen- &
Verzekeringskamer vast te stellen termijn, binnen welke de betrokken
polishouders zich bij de Pensioen- & Verzekeringskamer
schriftelijk tegen de overdracht kunnen verzetten.
2. Indien polishouders, vertegenwoordigende een vierde of meer
van het betrokken verzekerd bedrag, zich binnen de gestelde termijn
tegen de overdracht hebben verzet, kan een overdracht niet volgen, ook
niet ten aanzien van hen die zich tegen de overdracht niet hebben
verzet. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt dit aan de
verzekeraar bekend.
3. Heeft de Pensioen- & Verzekeringskamer alsnog bedenkingen
tegen de overdracht, dan maakt zij deze bedenkingen na afloop van de
gestelde termijn aan de verzekeraar bekend.
4. Indien zich niet binnen de gestelde termijn polishouders,
vertegenwoordigende een vierde of meer van het betrokken verzekerd
bedrag, tegen de overdracht hebben verzet en tegen de overdracht ook bij
de Pensioen- & Verzekeringskamer geen bedenkingen bestaan of aan
deze bedenkingen is tegemoetgekomen, verleent de Pensioen- &
Verzekeringskamer de verzekeraar toestemming tot de overdracht. De
overdracht kan dan volgen en is van kracht ten aanzien van alle
belanghebbenden.
5. De verzekeraar die zijn rechten en verplichtingen met
toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer heeft overgedragen,
doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant met
vermelding van de datum waarop zij is geschied. Voor zover in de
overdracht overeenkomsten zijn betrokken die in dienstverrichting naar
een andere lid-staat zijn gesloten, doet de verzekeraar van de
overdracht tevens mededeling in die lid-staat. De inhoud van deze
publikaties behoeft de voorafgaande toestemming van de Pensioen- &
Verzekeringskamer.
6. Op een verzekeringnemer die lid is van een onderlinge
waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming dan
wel instelling op onderlinge grondslag met zetel buiten de Unie is
artikel 123, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
7. In dit artikel wordt onder verzekerd bedrag verstaan het
verzekerd kapitaal, vermeerderd met tienmaal de verzekerde jaarlijkse
renten.
8. Voor de toepassing van het eerste, tweede of vierde lid wordt
onder polishouder verstaan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger,
doch indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, de tot
uitkering gerechtigde. Indien de verzekeringnemer bij een overeenkomst
als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel B, of artikel 9 van de
Pensioen- en spaarfondsenwet ontbreekt, wordt onder polishouder verstaan
degene die wegens het verbreken van de band met de onderneming van zijn
werkgever een premievrije aanspraak op uitkeringen heeft verkregen.
Artikel 132
1. Indien een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan
Nederland toestemming vraagt aan de toezichthoudende autoriteit van de
lid-staat van zijn zetel om zijn rechten en verplichtingen uit een of
meer overeenkomsten van levensverzekering in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland over te dragen
aan een andere verzekeraar, doet hij van de voorgenomen overdracht
onverwijld mededeling in de Staatscourant en op andere door de
Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen wijze. Daarbij wordt
mededeling gedaan van een door de Pensioen- & Verzekeringskamer
vast te stellen termijn, binnen welke de betrokken polishouders zich
bij de Pensioen- & Verzekeringskamer schriftelijk tegen de
overdracht kunnen verzetten.
2. Indien polishouders, vertegenwoordigende een vierde of meer
van het betrokken verzekerd bedrag, zich binnen de gestelde termijn
tegen de overdracht hebben verzet, luidt het oordeel van de Pensioen-
& Verzekeringskamer, bedoeld in het vijfde lid, afwijzend.
3. Artikel 131, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Voor de toepassing van het eerste of tweede lid wordt onder
polishouder verstaan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger, doch
indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, de tot uitkering
gerechtigde. Artikel 131, achtste lid, laatste volzin, is van
toepassing.
5. Indien een toezichthoudende autoriteit van een andere
lid-staat dan Nederland de Pensioen- & Verzekeringskamer vraagt om
haar advies of instemming betreffende een overdracht van rechten en
verplichtingen uit een of meer overeenkomsten van levensverzekering,
geeft zij haar oordeel binnen drie maanden na ontvangst van het daartoe
strekkende verzoek.
6. Indien de overdracht geschiedt aan een verzekeraar met zetel
in een andere lid-staat dan Nederland in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een buiten Nederland gelegen vestiging,
verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer geen instemming voor zover
de overdracht betrekking heeft op vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor gesloten overeenkomsten waarbij geen sprake is van het
verrichten van diensten en de overdracht niet in het belang is van
degenen die aan de betrokken overeenkomsten rechten kunnen ontlenen.
7. Indien de overdracht geschiedt aan een verzekeraar met zetel
buiten de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een
buiten Nederland gelegen vestiging, verleent de Pensioen- &
Verzekeringskamer geen instemming voor zover de overdracht betrekking
heeft op vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor gesloten
overeenkomsten waarbij geen sprake is van het verrichten van diensten,
tenzij de overdracht in het belang is van degenen die aan de betrokken
overeenkomsten rechten kunnen ontlenen.
Artikel 133
1. De toestemming verleend door de toezichthoudende autoriteit
van een andere lid-staat dan Nederland aan een verzekeraar met zetel
in die lid-staat tot overdracht van rechten en verplichtingen uit een
of meer overeenkomsten van levensverzekering in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland dan wel in het
kader van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een
vestiging in de Unie, treedt in de plaats van de medewerking of de
toestemming van degenen die aan die overeenkomsten rechten kunnen
ontlenen.
2. De verzekeraar die zijn rechten en verplichtingen
overeenkomstig het eerste lid heeft overgedragen, doet van de overdracht
mededeling in de Staatscourant en op andere door de Pensioen-
& Verzekeringskamer te bepalen wijze. De inhoud van deze publikaties
behoeft de voorafgaande toestemming van de Pensioen- &
Verzekeringskamer.
3. De overdracht wordt ten aanzien van alle andere
belanghebbenden dan de betrokken verzekeraars van kracht op het volgens
het recht van de betrokken lid-staat te bepalen tijdstip, dan wel, bij
gebreke van een regeling in die lid-staat, met ingang van de tweede dag,
volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de
publikatie is geplaatst.
4. Indien een verzekeringnemer die lid is van een onderneming dan
wel instelling op onderlinge grondslag ingevolge de overdracht geen
overeenkomst van levensverzekering meer bij deze verzekeraar heeft
lopen, eindigt zijn lidmaatschap van rechtswege volgens de door het
recht van de betrokken lid-staat bepaalde wijze, dan wel, bij gebreke
van een regeling in die lid-staat, met ingang van de tweede dag,
volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de
publikatie is geplaatst.
Artikel 134
Een verzekeraar met zetel buiten de Unie die zijn rechten en
verplichtingen uit een of meer overeenkomsten van levensverzekering,
door hem bij het verrichten van diensten naar Nederland gesloten, met
toestemming van de bevoegde buitenlandse autoriteit aan een andere
verzekeraar heeft overgedragen, doet van de overdracht in Nederland
mededeling op door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen
wijze. De inhoud van de publikatie behoeft de voorafgaande toestemming
van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
Artikel 135
De artikelen 129 tot en met 134 zijn niet van toepassing ten aanzien
van de overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van
herverzekering.
Artikel 136
1. Een verzekeraar met zetel in Nederland kan zich zonder
schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer
niet omzetten in een andere rechtsvorm.
2. Een aanvraag ter verkrijging van toestemming van de Pensioen-
& Verzekeringskamer tot omzetting gaat vergezeld van een ontwerp van
een notariële akte van omzetting die de nieuwe statuten bevat met alle
ter toelichting dienende stukken.
3. Indien met toestemming van de Pensioen- &
Verzekeringskamer omzetting heeft plaatsgevonden, doet de verzekeraar
van de omzetting mededeling in de Staatscourant en op andere door
de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen wijze. Voor zover door
de verzekeraar in dienstverrichting naar een andere lid-staat dan
Nederland overeenkomsten in de uitoefening van het directe
levensverzekeringsbedrijf zijn gesloten, doet de verzekeraar van de
omzetting tevens mededeling in die lid-staat. De inhoud van deze
publikaties behoeft de voorafgaande toestemming van de Pensioen- &
Verzekeringskamer.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de toezichthoudende
autoriteiten van de lid-staten op het grondgebied waarvan een bijkantoor
van de verzekeraar is gelegen, alsmede de toezichthoudende autoriteiten
van de lid-staten waarheen de verzekeraar vanuit Nederland diensten
verricht, in kennis van de omzetting.
Hoofdstuk VII. Bijzondere maatregelen
Afdeling 1. Verzekeraars met zetel in Nederland
Artikel 137
1. Indien een verzekeraar met zetel in Nederland niet voldoet
aan de bij of krachtens artikel 66 gestelde eisen met betrekking tot
de technische voorzieningen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer
de vrije beschikking door de verzekeraar over zijn waarden, waar zij
zich ook bevinden, beperken of hem verbieden om anders dan met
schriftelijke machtiging van de Pensioen- & Verzekeringskamer te
beschikken over deze waarden.
2. Alvorens een beperking of een verbod uit te vaardigen, stelt
de Pensioen- & Verzekeringskamer de toezichthoudende autoriteiten in
de andere lid-staten waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of
waarheen hij vanuit zijn vestigingen in de Unie diensten verricht, op de
hoogte van haar voornemen.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de autoriteiten,
bedoeld in het tweede lid, verzoeken overeenkomstige maatregelen te
treffen ten aanzien van de in de betrokken lid-staten aanwezige waarden,
onder opgave van die waarden.
4. De beperking of het verbod wordt door de Pensioen- &
Verzekeringskamer door middel van een deurwaardersexploot aan de
verzekeraar bekendgemaakt.
5. De verzekeraar kan de ongeldigheid van een rechtshandeling,
verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de
wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
6. De Pensioen- & Verzekeringskamer heft de beperking of het
verbod op zodra de verzekeraar weer voldoet aan de in het eerste lid
bedoelde eisen.
7. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de toezichthoudende
autoriteiten, bedoeld in het tweede lid, in kennis van de uitvaardiging
van de beperking of het verbod en de opheffing daarvan.
Artikel 137a
1. Indien de rechten van degenen die als verzekeringnemers,
verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken zijn bij
overeenkomsten van verzekering, gesloten door een verzekeraar, naar
het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer in het gedrang
komen, kan zij van de verzekeraar een herstelplan verlangen, tenzij de
verzekeraar niet langer beschikt over het minimum bedrag aan vereiste
solvabiliteitsmarge.
2. Indien op grond van de in het eerste lid bedoelde
omstandigheden de Pensioen- & Verzekeringskamer een herstelplan
verlangt van de verzekeraar en de financiële positie van de verzekeraar
verslechtert, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer aan de
verzekeraar voorschrijven dat hij over een hoger minimum bedrag aan
vereiste solvabiliteitsmarge beschikt dan bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur is voorgeschreven, teneinde te waarborgen dat de
verzekeraar in staat is in de nabije toekomst te blijven voldoen aan het
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorgeschreven minimum
bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge. Bij de vaststelling van het
niveau van een hoger minimum bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge
wordt uitgegaan van het in het eerste lid bedoelde herstelplan en kan de
termijn worden bepaald binnen welke termijn het hogere vereiste, als
bedoeld in de eerste volzin, dient te zijn bereikt.
3. Een verzekeraar dient binnen een door de Pensioen- &
Verzekeringskamer te bepalen termijn, bij de Pensioen- &
Verzekeringskamer een herstelplan ter toestemming in, dat aangeeft op
welke wijze en binnen welke termijn een einde wordt gemaakt aan de
omstandigheden die aanleiding gaven tot het verlangen van het
herstelplan.
4. Een herstelplan bevat voor de volgende drie boekjaren ten
minste gegevens betreffende:
a. een raming van de kosten van beheer, met name van de algemene
lopende kosten en de provisies;
b. een gedetailleerde prognose van de vermoedelijke ontvangsten en
uitgaven betreffende directe verzekeringen, de geaccepteerde
herverzekeringen en overdrachten uit hoofde van herverzekering;
c. de te verwachten balanspositie;
d. een raming van de financiële middelen ter dekking van de
verplichtingen en van de vereiste solvabiliteitsmarge; en
e. het algemene herverzekeringsbeleid.
Artikel 138
1. Indien een verzekeraar niet meer beschikt over het minimum
bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge, bedoeld in artikel 68, eerste
lid, dient hij - tenzij het tweede lid van toepassing is - binnen acht
weken of zoveel eerder als de Pensioen- & Verzekeringskamer
bepaalt, bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een saneringsplan
ter toestemming in, dat aangeeft op welke wijze en binnen welke
termijn de solvabiliteitsmarge weer op de vereiste omvang zal worden
gebracht.
2. Indien de solvabiliteitsmarge is gedaald of naar het oordeel
van de Pensioen- & Verzekeringskamer zal dalen beneden het vereiste
garantiefonds, dient de verzekeraar bij de Pensioen- &
Verzekeringskamer binnen een door haar te bepalen termijn een
financieringsplan ter toestemming in, dat aangeeft hoe op korte termijn
de solvabiliteitsmarge weer op de vereiste omvang zal worden gebracht.
3. Ingeval artikel 137a, eerste lid, reeds toepassing vond, geeft
het saneringsplan tevens aan hoe het herstelplan waarvoor reeds
toestemming is verleend daarin wordt verwerkt. Ingeval het eerste lid
reeds toepassing vond, geeft het financieringsplan tevens aan hoe het
saneringsplan waarvoor reeds toestemming is verleend daarin wordt
verwerkt.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan op aanvraag van de
verzekeraar wijzigingen in een plan waarvoor toestemming is verleend
toestaan dan wel, bij gewijzigde omstandigheden, wijzigingen in het plan
eisen of de toestemming intrekken.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt, wanneer het eerste
of tweede lid toepassing zal vinden en zij daartoe aanleiding vindt, de
toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waar de
verzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij vanuit zijn vestigingen
in de Unie diensten verricht, hiervan op de hoogte.
Artikel 139
Een verzekeraar wiens solvabiliteitsmarge niet voldoet aan de bij of
krachtens deze wet gestelde eisen, doet aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer binnen de door haar te bepalen termijn en op de door
haar te bepalen wijze opgave van de in artikel 67 bedoelde waarden en
van de wijzigingen die daarin vervolgens optreden.
Artikel 140
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan in het geval,
bedoeld in artikel 138, eerste lid, in uitzonderlijke omstandigheden,
waarbij zij van oordeel is dat de financiële positie van de
verzekeraar nog verder zal verslechteren, alsook in het geval, bedoeld
in artikel 138, tweede lid, de vrije beschikking door de verzekeraar
over zijn waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of hem
verbieden om anders dan met schriftelijke machtiging van de Pensioen-
& Verzekeringskamer te beschikken over deze waarden.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer deelt haar beslissing -
zo mogelijk voordat deze van kracht wordt - mee aan de toezichthoudende
autoriteiten van de andere lid-staten waar de verzekeraar een bijkantoor
heeft of waarheen hij vanuit zijn vestigingen in de Unie diensten
verricht. Zij kan deze autoriteiten verzoeken overeenkomstige
maatregelen te treffen ten aanzien van de in de betrokken lid-staten
aanwezige waarden, onder opgave van die waarden.
3. De beslissing waarbij de beperking of het verbod wordt
opgelegd, wordt door de Pensioen- & Verzekeringskamer door middel
van een deurwaardersexploot aan de verzekeraar bekendgemaakt.
4. De verzekeraar kan de ongeldigheid van een rechtshandeling,
verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de
wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer heft de beperking of het
verbod op, zodra de verzekeraar weer voldoet aan de bij of krachtens
deze wet gestelde eisen met betrekking tot de solvabiliteitsmarge. De
Pensioen- & Verzekeringskamer doet van de opheffing mededeling aan
de in het tweede lid bedoelde toezichthoudende autoriteiten.
Artikel 140a
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, indien aan een
verzekeraar op grond van artikel 137a, tweede lid, een hoger minimum
bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge is voorgeschreven en die
verzekeraar niet of niet meer beschikt over dit minimum bedrag aan
vereiste solvabiliteitsmarge, in uitzonderlijke omstandigheden,
waarbij zij van oordeel is dat de financiële positie van de
verzekeraar nog verder zal verslechteren, de vrije beschikking door de
verzekeraar over zijn waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of
hem verbieden om anders dan met schriftelijke machtiging van de
Pensioen- & Verzekeringskamer te beschikken over deze waarden.
2. Artikel 140, tweede tot en met vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 141
1. Indien de toezichthoudende autoriteit van een andere
lid-staat de Pensioen- & Verzekeringskamer ervan in kennis heeft
gesteld dat een verzekeraar bij de uitoefening van het
verzekeringsbedrijf vanuit een bijkantoor in die lid-staat of bij het
verrichten van diensten naar die lid-staat vanuit Nederland of een
andere lid-staat inbreuk maakt op aldaar geldende voorschriften, maakt
de verzekeraar op verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer aan
deze inbreuk een einde.
2. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer op dat verzoek
niet binnen de door haar gestelde termijn een bevredigend antwoord heeft
ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende gevolg is
gegeven aan haar verzoek, kan zij aan de verzekeraar voorschriften of
een verbod opleggen ter zake van de uitoefening van het
verzekeringsbedrijf vanuit het betrokken bijkantoor onderscheidenlijk
het verrichten van diensten naar de in het eerste lid bedoelde lid-staat,
onverminderd de overige bevoegdheden van de Pensioen- &
Verzekeringskamer.
3. Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften of
het verbod, opgelegd ingevolge het tweede lid.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de in het eerste
lid bedoelde toezichthoudende autoriteit in kennis van de door haar
genomen maatregelen.
Afdeling 2. Verzekeraars met zetel in een andere lid-staat dan
Nederland
Artikel 142
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer vaardigt een beperking
of een verbod als bedoeld in de artikelen 137, eerste lid, en 140,
eerste lid, uit indien de toezichthoudende autoriteit van een andere
lid-staat waar de verzekeraar zijn zetel heeft dit verzoekt.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan in dringende gevallen
de in het eerste lid bedoelde maatregelen treffen zonder een daartoe
strekkend verzoek van de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat
waar de verzekeraar zijn zetel heeft, indien de verzekeraar inbreuk
maakt op hier te lande geldende voorschriften.
3. De beperking of het verbod heeft betrekking op de in Nederland
aanwezige waarden. Indien de maatregel wordt getroffen op verzoek van de
toezichthoudende autoriteit van de lid-staat waar de verzekeraar zijn
zetel heeft en die autoriteit opgave van deze waarden heeft gedaan,
houdt de Pensioen- & Verzekeringskamer daarmee rekening.
4. De beperking of het verbod wordt door de Pensioen- &
Verzekeringskamer door middel van een deurwaardersexploot aan de
verzekeraar bekendgemaakt.
5. De verzekeraar kan de ongeldigheid van een rechtshandeling,
verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de
wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
6. De Pensioen- & Verzekeringskamer heft de beperking of het
verbod op zodra de betrokken toezichthoudende autoriteit dat verzoekt of
indien naar haar oordeel daartoe aanleiding bestaat. Zij maakt de
opheffing bekend aan de verzekeraar.
7. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de toezichthoudende
autoriteit, bedoeld in het eerste lid, in kennis van de uitvaardiging
van de beperking of het verbod en de opheffing daarvan.
8. Indien een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat een
bijkantoor heeft in Nederland of diensten verricht naar Nederland en de
toezichthoudende autoriteit van die lid-staat de Pensioen- &
Verzekeringskamer in kennis heeft gesteld van de intrekking van een
vergunning die overeenkomt met de in artikel 24, eerste lid, bedoelde
vergunning van die verzekeraar, doet de Pensioen- &
Verzekeringskamer daarvan mededeling in de Staatscourant. Bij
deze publikatie wordt tevens mededeling gedaan van de beperking of het
verbod, opgelegd ingevolge het eerste lid.
Afdeling 3. Verzekeraars met zetel buiten de Unie
Artikel 143
1. Indien een verzekeraar met zetel buiten de Unie niet voldoet
aan de bij of krachtens artikel 94 gestelde eisen met betrekking tot
de technische voorzieningen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer
de vrije beschikking door de verzekeraar over zijn waarden, die
betrekking hebben op zijn vanuit Nederland uitgeoefende
verzekeringsbedrijf, beperken of hem verbieden om anders dan met
schriftelijke machtiging van de Pensioen- & Verzekeringskamer te
beschikken over deze waarden.
2. Alvorens een beperking of een verbod uit te vaardigen, stelt
de Pensioen- & Verzekeringskamer de toezichthoudende autoriteit in
een andere lid-staat die belast is met het toezicht, bedoeld in artikel
49, tweede lid, op de hoogte van haar voornemen.
3. De beperking of het verbod wordt door de Pensioen- &
Verzekeringskamer door middel van een deurwaardersexploot aan de
verzekeraar bekendgemaakt.
4. De verzekeraar kan de ongeldigheid van een rechtshandeling,
verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de
wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer heft de beperking of het
verbod op zodra de verzekeraar weer voldoet aan de in het eerste lid
bedoelde eisen. Zij maakt de opheffing bekend aan de verzekeraar.
6. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de toezichthoudende
autoriteiten, bedoeld in het tweede lid, alsmede de toezichthoudende
autoriteiten van de lid-staten waarheen de verzekeraar vanuit Nederland
diensten verricht in kennis van de uitvaardiging van de beperking of het
verbod en de opheffing daarvan.
Artikel 143a
Artikel 137a is van overeenkomstige toepassing op verzekeraars met
zetel buiten de Unie.
Artikel 144
1. Indien een verzekeraar niet meer beschikt over het minimum
bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge, bedoeld in artikel 68, eerste
lid, dient hij - tenzij het tweede lid van toepassing is - binnen acht
weken of zoveel eerder als de Pensioen- & Verzekeringskamer
bepaalt, bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een saneringsplan
ter toestemming in, dat aangeeft op welke wijze en binnen welke
termijn de solvabiliteitsmarge weer op de vereiste omvang zal worden
gebracht.
2. Indien de solvabiliteitsmarge is gedaald of naar het oordeel
van de Pensioen- & Verzekeringskamer zal dalen beneden het vereiste
garantiefonds, dient de verzekeraar bij de Pensioen- &
Verzekeringskamer binnen een door haar te bepalen termijn een
financieringsplan ter toestemming in, dat aangeeft hoe op korte termijn
de solvabiliteitsmarge weer op de vereiste omvang zal worden gebracht.
3. Ingeval een herstelplan overeenkomstig artikel 137a, eerste
lid, is toegepast, geeft het saneringsplan tevens aan hoe het
herstelplan waarvoor reeds toestemming is verleend daarin wordt
verwerkt. Ingeval het eerste lid reeds toepassing vond, geeft het
financieringsplan tevens aan hoe het saneringsplan waarvoor reeds
toestemming is verleend daarin wordt verwerkt.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan op aanvraag van de
verzekeraar wijzigingen in een plan waarvoor toestemming is verleend
toestaan dan wel, bij gewijzigde omstandigheden, wijzigingen in het plan
eisen of de toestemming intrekken.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt, wanneer het eerste
of tweede lid toepassing zal vinden en zij daartoe aanleiding vindt, de
toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waar de
verzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij vanuit Nederland
diensten verricht, hiervan op de hoogte.
Artikel 145
Een verzekeraar wiens solvabiliteitsmarge niet voldoet aan de bij of
krachtens deze wet gestelde eisen dan wel de in een andere lid-staat dan
Nederland gestelde eisen indien een voordeelregeling overeenkomstig
artikel 49 van toepassing is, doet aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer binnen de door haar te bepalen termijn en op de door
haar te bepalen wijze opgave van de in artikel 95 bedoelde waarden en
van de wijzigingen die daarin vervolgens optreden.
Artikel 146
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan in het geval,
bedoeld in artikel 144, eerste lid, in uitzonderlijke omstandigheden,
waarbij zij van oordeel is dat de financiële positie van de
verzekeraar nog verder zal verslechteren, alsook in het geval, bedoeld
in artikel 144, tweede lid, de vrije beschikking door de verzekeraar
over zijn waarden, die betrekking hebben op zijn vanuit Nederland
uitgeoefende verzekeringsbedrijf, beperken of hem verbieden om anders
dan met schriftelijke machtiging van de Pensioen- &
Verzekeringskamer te beschikken over deze waarden.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer deelt haar beslissing -
zo mogelijk voordat deze van kracht wordt - mee aan de toezichthoudende
autoriteiten van de andere lid-staten waar de verzekeraar een bijkantoor
heeft of waarheen hij vanuit Nederland diensten verricht. Zij kan deze
autoriteiten verzoeken overeenkomstige maatregelen te treffen ten
aanzien van de in de betrokken lid-staten aanwezige waarden.
3. Ten aanzien van een verzekeraar waarvan de solvabiliteitsmarge
onder toezicht staat van de toezichthoudende autoriteit van een andere
lid-staat dan Nederland, vaardigt de Pensioen- & Verzekeringskamer
een beperking of een verbod uit ten aanzien van de hier te lande
aanwezige waarden, indien die toezichthoudende autoriteit dit verzoekt
op grond van het feit dat de verzekeraar naar haar oordeel in
soortgelijke omstandigheden verkeert als bedoeld in artikel 144, eerste
of tweede lid.
4. De beslissing waarbij de beperking of het verbod wordt
opgelegd, wordt door de Pensioen- & Verzekeringskamer door middel
van een deurwaardersexploot aan de verzekeraar bekendgemaakt.
5. De verzekeraar kan de ongeldigheid van een rechtshandeling,
verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de
wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
6. De Pensioen- & Verzekeringskamer heft de beperking of het
verbod op, zodra de verzekeraar weer voldoet aan de bij of krachtens
deze wet gestelde eisen met betrekking tot de solvabiliteitsmarge, dan
wel, indien de beperking of het verbod uitsluitend berust op het derde
lid, zodra de aldaar bedoelde toezichthoudende autoriteit dit verzoekt.
Zij maakt de opheffing bekend aan de verzekeraar. Tevens doet de
Pensioen- & Verzekeringskamer van de opheffing mededeling aan de in
het tweede lid bedoelde toezichthoudende autoriteiten.
Artikel 146a
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, indien aan een
verzekeraar op grond van artikel 137a, tweede lid, een hoger minimum
bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge is voorgeschreven en die
verzekeraar niet of niet meer beschikt over dit minimum bedrag aan
vereiste solvabiliteitsmarge, in uitzonderlijke omstandigheden,
waarbij zij van oordeel is dat de financiële positie van de
verzekeraar nog verder zal verslechteren, de vrije beschikking door de
verzekeraar over zijn waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of
hem verbieden om anders dan met schriftelijke machtiging van de
Pensioen- & Verzekeringskamer te beschikken over deze waarden.
2. Artikel 146, tweede tot en met zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 147
1. Indien de toezichthoudende autoriteit van een andere
lid-staat de Pensioen- & Verzekeringskamer ervan in kennis heeft
gesteld dat een verzekeraar bij het verrichten van diensten naar die
lid-staat vanuit Nederland inbreuk maakt op aldaar geldende
voorschriften, maakt de verzekeraar op verzoek van de Pensioen- &
Verzekeringskamer aan deze inbreuk een einde.
2. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer op dat verzoek
niet binnen de door haar gestelde termijn een bevredigend antwoord heeft
ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende gevolg is
gegeven aan haar verzoek, kan zij aan de verzekeraar voorschriften of
een verbod opleggen ter zake van het verrichten van diensten naar de in
het eerste lid bedoelde lid-staat, onverminderd de overige bevoegdheden
van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
3. Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften of
het verbod, opgelegd ingevolge het tweede lid.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de in het eerste
lid bedoelde toezichthoudende autoriteit in kennis van de door haar
genomen maatregelen.
Hoofdstuk VIIA. Opvanginstrument voor levensverzekeraars
Artikel 147a
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op levensverzekeraars:
a. met zetel in Nederland;
b. met zetel buiten de Unie voor zover het betreft het vanuit de
bijkantoren in Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf, tenzij een
voordeelregeling overeenkomstig artikel 49 van toepassing is, waarbij
de Pensioen- & Verzekeringskamer niet de toezichthoudende
autoriteit is, belast met het toezicht op de in artikel 96 bedoelde
solvabiliteitsmarge van die verzekeraar.
2. In afwijking van artikel 14, eerste lid, zijn dit hoofdstuk en
de artikelen 28, tweede tot en met vierde lid, 29, eerste en tweede lid,
29a, 70, 71, 73, eerste lid, 75, eerste lid, onderdelen a en b, tweede
en derde lid, 175 tot en met 176, en 188b tot en met 188m tevens van
overeenkomstige toepassing op opvanginstellingen die het
verzekeringsbedrijf uitsluitend als herverzekeraar uitoefenen.
Artikel 147b
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt een
vertrouwenscommissie in.
2. De leden van de vertrouwenscommissie worden door Onze Minister
benoemd en ontslagen. Elke benoeming geschiedt op voordracht op te maken
door de Pensioen- & Verzekeringskamer en de representatieve
organisaties van verzekeraars gezamenlijk.
3. De werkwijze en samenstelling van de vertrouwenscommissie
worden in de statuten van de Pensioen- & Verzekeringskamer
vastgelegd.
4. De vertrouwenscommissie heeft tot taak:
a. de Pensioen- & Verzekeringskamer te adviseren in gevallen
waarin dat volgens dit hoofdstuk is voorgeschreven;
b. desgevraagd de Pensioen- & Verzekeringskamer te adviseren
bij de ingevolge dit hoofdstuk door haar te nemen beslissingen;
c. desgevraagd de Pensioen- & Verzekeringskamer behulpzaam te
zijn bij het onderzoeken van de mogelijkheden van een vrijwillige vorm
van samenwerking tussen een verzekeraar waarop het opvanginstrument
kan worden toegepast en een andere verzekeraar, dan wel overname door
laatstbedoelde verzekeraar.
Artikel 147c
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, gehoord de
vertrouwenscommissie, het opvanginstrument in werking stellen indien:
a. artikel 138, tweede lid, of 144, tweede lid, van toepassing
is en met betrekking tot het opgestelde financieringsplan van de
verzekeraar de toestemming is geweigerd; en
b. de portefeuille van de verzekeraar naar het oordeel van de
Pensioen- & Verzekeringskamer nog levensvatbaar is.
2. Met het weigeren van toestemming voor het financieringsplan,
bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk
gelijk gesteld het intrekken van een verleende toestemming voor een
financieringsplan, het niet binnen de door de Pensioen- &
Verzekeringskamer bepaalde termijn indienen van een financieringsplan,
of het niet binnen de door de Pensioen- & Verzekeringskamer bepaalde
termijn aanbrengen van door haar aangegeven wijzigingen in een plan
waarvoor toestemming is verleend.
3. De opvang geschiedt aan de hand van een door de Pensioen-
& Verzekeringskamer, gehoord de vertrouwenscommissie, op te stellen
opvangplan.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt de
inwerkingstelling van het opvanginstrument en het daarbij behorende
opvangplan bekend aan de verzekeraar en de opvanginstelling.
5. De verzekeraar en de opvanginstelling handelen overeenkomstig
het opvangplan.
6. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, gehoord de
vertrouwenscommissie, het opvangplan wijzigen.
Artikel 147c1
De statuten van de opvanginstelling, met inbegrip van wijzigingen
daarin, behoeven de voorafgaande toestemming van de Pensioen- &
Verzekeringskamer.
Artikel 147d
1. De opvang door een opvanginstelling kan bestaan uit
verplichte herverzekering van de portefeuille van de verzekeraar of
verplichte overdracht van de portefeuille van de verzekeraar.
2. In geval van verplichte herverzekering van de portefeuille
worden de verplichtingen van de verzekeraar uit overeenkomsten van
directe verzekering geheel of ten dele herverzekerd bij een door de
Pensioen- & Verzekeringskamer aan te wijzen opvanginstelling. De
voorwaarden waaronder verplichte herverzekering plaatsvindt, worden
opgesteld door de opvanginstelling en behoeven de instemming van de
Pensioen- & Verzekeringskamer.
3. In geval van verplichte overdracht van de portefeuille worden
de rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van directe verzekering
van de verzekeraar overgedragen aan een door de Pensioen- &
Verzekeringskamer aan te wijzen opvanginstelling. De opvanginstelling
brengt daarbij de solvabiliteitsmarge op de ingevolge artikel 68
vereiste omvang.
Artikel 147e
1. Verplichte overdracht van de portefeuille van de verzekeraar
vindt slechts plaats nadat de rechtbank binnen welker rechtsgebied de
verzekeraar zijn woonplaats heeft op verzoek van de Pensioen- &
Verzekeringskamer daartoe aan haar machtiging heeft verleend.
2. De rechtbank verleent de machtiging, tenzij de Pensioen- &
Verzekeringskamer in redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen
komen dat de portefeuille van de verzekeraar nog levensvatbaar is.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer zendt een afschrift van
haar verzoekschrift tot machtiging aan de verzekeraar.
4. De rechtbank behandelt het verzoek van de Pensioen- &
Verzekeringskamer tot machtiging met de meeste spoed op een niet
openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke
zaken, voor zover daarvan bij deze wet niet is afgeweken. De uitspraak
wordt niet in het openbaar gedaan.
5. De rechtbank kan inzage nemen of doen nemen van de zakelijke
gegevens en bescheiden van de verzekeraar. Artikel 57 is daarbij van
overeenkomstige toepassing.
6. De rechtbank geeft geen beschikking dan nadat de verzekeraar
en de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn gehoord althans behoorlijk
zijn opgeroepen.
7. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, terugwerkend tot
aan het begin van de dag waarop zij is uitgesproken, niettegenstaande
enige daartegen gerichte voorziening.
8. De rechtbank kan op verzoek van de Pensioen- &
Verzekeringskamer de machtiging intrekken.
9. De Pensioen- & Verzekeringskamer doet van de verlening van
de machtiging mededeling aan de betrokken verzekeraar en de
opvanginstelling.
10. Tegen de beschikking staat geen hoger beroep open.
11. Beroep in cassatie tegen de beschikking wordt ingesteld
binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak van de rechtbank. De
behandeling heeft in raadkamer plaats en geschiedt met de grootste
spoed. De uitspraak wordt niet in het openbaar gedaan.
Artikel 147f
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzoek tot het verlenen
of tot het intrekken van een machtiging bij de rechtbank indienen zonder
tussenkomst van een procureur.
Artikel 147g
Tot het instellen van beroep in cassatie tegen de beschikkingen van
de rechtbank uit hoofde van dit hoofdstuk is, buiten de Pensioen- &
Verzekeringskamer, de verzekeraar bevoegd, ongeacht of deze bij de
rechtbank is verschenen.
Artikel 147h
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de verzekeraar en de
opvanginstelling instructies geven in het belang van de goede werking
van het opvanginstrument. De verzekeraar en de opvanginstelling volgen
de instructies van de Pensioen- & Verzekeringskamer op. De
instructies van de Pensioen- & Verzekeringskamer kunnen geen
betrekking hebben op de voorwaarden van het herverzekeringscontract,
bedoeld in artikel 147d, tweede lid, laatste volzin.
Artikel 147i
1. Bij de toepassing van het opvanginstrument draagt de
verzekeraar aan de opvanginstelling de waarden over die dienen tot
dekking van de technische voorzieningen, voor zover deze voorzieningen
betrekking hebben op de verplichtingen die worden herverzekerd,
onderscheidenlijk worden overgedragen.
2. Voor zover de opvang betrekking heeft op verplichtingen
waarvoor ingevolge artikel 67 dan wel artikel 95 een afzonderlijke
administratie van waarden is voorgeschreven, draagt de verzekeraar de
aldus geadministreerde waarden aan de opvanginstelling over.
3. De verzekeraar draagt niet meer waarden over dan benodigd voor
de herverzekering, onderscheidenlijk overdracht, van de portefeuille.
4. Indien voor de opvang meer waarden benodigd zijn dan de in het
eerste lid bedoelde, draagt de verzekeraar aan de opvanginstelling
tevens aanvullende waarden over tot het benodigde bedrag.
Artikel 147j
1. De opvanginstelling maakt de overdracht van de portefeuille
van de verzekeraar nadat deze heeft plaatsgevonden onverwijld bekend
in de Staatscourant. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de
opvanginstelling gelasten van de overdracht tevens mededeling te doen
op een andere, door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen,
wijze. De inhoud van deze bekendmaking onderscheidenlijk mededeling
behoeft de voorafgaande instemming van de Pensioen- &
Verzekeringskamer.
2. De overdracht wordt ten aanzien van alle andere
belanghebbenden dan de betrokken verzekeraars van kracht met ingang van
de tweede dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant
waarin de bekendmaking is geplaatst.
3. Op de overdracht zijn de artikelen 129, eerste tot en met
derde en vijfde tot en met zevende lid, 130, 131 en 134 niet van
toepassing.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer geeft van de overdracht
kennis:
a. indien het een verzekeraar met zetel in Nederland betreft, aan
de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waar de
verzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij diensten verricht
vanuit zijn vestigingen in de Unie;
b. indien het een verzekeraar met zetel buiten de Unie betreft, aan
de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waarheen hij
diensten verricht vanuit een bijkantoor in Nederland.
5. Voordat de overdracht plaatsvindt stelt de Pensioen- &
Verzekeringskamer de toezichthoudende autoriteiten, bedoeld in het
vierde lid, in kennis van de voorgenomen overdracht, tenzij het met het
opvanginstrument te bereiken doel daardoor in gevaar komt.
Artikel 147k
1. Voor toepassing van het opvanginstrument wordt op enig
moment ten hoogste € 181 512 086,44 [Red: voor het jaar 2006 € 220.783.206]
ter beschikking gesteld, met dien verstande dat:
a. per opvangsituatie maximaal € 90 756 043,22 [Red: voor het
jaar 2006: € 110.391.603] ter beschikking kan worden gesteld;
en
b. het ter beschikking staande bedrag ten aanzien waarvan naar het
oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer bij het inwerking
stellen van het opvanginstrument, gehoord de vertrouwenscommissie, het
aanmerkelijke risico bestaat dat het niet wordt terugbetaald, nooit
hoger is dan € 90 756 043,22 [Red: voor het jaar 2006: € 110.391.603]
.
2. De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden jaarlijks door
Onze Minister aangepast aan de procentuele ontwikkeling van de totale
vereiste solvabiliteitsmarge van de verzekeraars, bedoeld in artikel
147a, eerste lid, zoals die blijkt uit de meest recente jaarlijkse
financiële verslaglegging van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
3. In de maand januari van elk jaar worden door Onze Minister de
voor dat jaar geldende bedragen, bedoeld in het tweede lid, in de
Staatscourant bekend gemaakt.
4. Indien als gevolg van toepassing van het opvanginstrument voor
een daarop volgende toepassing niet meer de maximale bedragen, bedoeld
in het eerste lid, ter beschikking staan, bepaalt de Pensioen- &
Verzekeringskamer de alsdan maximaal ter beschikking staande bedragen.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt, gehoord de
vertrouwenscommissie, het bedrag vast dat in een voorkomend geval
beschikbaar wordt gesteld voor de toepassing van het opvanginstrument.
De Pensioen- & Verzekeringskamer bepaalt, met inachtneming van de
tweede volzin van het zevende lid, per verzekeraar in hoeverre dit
bedrag in de vorm van aandelen in de opvanginstelling wordt genomen en
in hoeverre dit bedrag in de vorm van een achtergestelde lening aan de
opvanginstelling wordt verstrekt. Verzekeraars nemen de aandelen en
verstrekken de achtergestelde lening. Voor dit nemen van de aandelen,
het houden ervan en het uitoefenen van de daarmee verbonden zeggenschap
is geen verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 175, eerste
lid, vereist. De Pensioen- & Verzekeringskamer bepaalt de
voorwaarden van de achtergestelde lening waaraan verzekeraars zich
houden.
6. De verzekeraars, bedoeld in artikel 147a, eerste lid,
verschaffen het op grond van het vijfde lid vastgestelde bedrag. De
Pensioen- & Verzekeringskamer legt daartoe aan deze verzekeraars een
aanslag op.
7. Het bedrag van de aanslag wordt binnen een door de Pensioen-
& Verzekeringskamer te bepalen termijn aan de opvanginstelling
voldaan. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan evenwel bepalen dat
een of meer verzekeraars het bedrag van de aanslag geheel of
gedeeltelijk aan een ander voldoen, om deze in staat te stellen zijn
aandelen in de opvanginstelling aan deze verzekeraar of verzekeraars
over te dragen.
8. Ingeval een verzekeraar niet aan het zevende lid voldoet, kan
de Pensioen- & Verzekeringskamer een dwangbevel uitvaardigen, dat
wordt executoir verklaard door de voorzieningenrechter van de rechtbank
van het arrondissement waarin de Pensioen- & Verzekeringskamer is
gevestigd en dan een executoriale titel oplevert, die met de toepassing
van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
door de Pensioen- & Verzekeringskamer tenuitvoergelegd kan worden.
9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent het eerste, vierde en zesde lid.
10. Het zesde lid is niet van toepassing op opvanginstellingen en
op verzekeraars ten aanzien waarvan het opvanginstrument wordt toegepast
of is toegepast en die uit dien hoofde nog verplichtingen hebben.
11. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar
ontheffing verlenen van het zesde lid, eerste volzin, indien naar haar
oordeel de bijdrage tot gevolg zal hebben dat de solvabiliteitsmarge van
die verzekeraar niet meer zal voldoen aan artikel 68 of artikel 96 en de
verzekeraar niet in staat is de solvabiliteitsmarge binnen een redelijke
termijn op de vereiste omvang te brengen.
Artikel 147l
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt, gehoord de
vertrouwenscommissie, een vergoedingsplan voor de opvang vast.
2. Onverminderd de bevoegdheden die in Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek worden toegekend aan de organen van de opvanginstelling, vindt
de uitkering van dividend en de teruggave van kapitaal aan de
aandeelhouders van de opvanginstelling, alsmede de rentevergoeding en de
terugbetaling van de achtergestelde lening aan de schuldeisers uit
hoofde van die aan de opvanginstelling verstrekte achtergestelde lening
plaats volgens het vergoedingsplan.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan indien dringende
omstandigheden dit vergen en gehoord de vertrouwenscommissie, het
vergoedingsplan wijzigen.
Artikel 147l1
1. Indien de opvanginstelling de portefeuille overdraagt aan
een andere verzekeraar, zijn de artikelen 130, achtste lid, en 131,
eerste tot en met vierde lid, eerste volzin, niet van toepassing.
2. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer geen bedenkingen
heeft tegen de overdracht, verleent zij de opvanginstelling toestemming
tot de overdracht.
Artikel 147m
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt, gehoord de
vertrouwenscommissie, het einde van de toepassing van het
opvanginstrument vast.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt het einde van de
toepassing van het opvanginstrument bekend aan de verzekeraar en de
opvanginstelling.
3. Indien na beëindiging van de toepassing van het
opvanginstrument waarbij een portefeuille-overdracht heeft
plaatsgevonden bij de opvanginstelling een batig saldo resteert, keert
de opvanginstelling dit uit aan de verzekeraar ten behoeve waarvan het
opvanginstrument is toegepast.
4. De opvanginstelling trekt na beëindiging van de toepassing
van het opvanginstrument in ieder geval de aandelen in die niet het
minimumkapitaal, bedoeld in artikel 67, tweede lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek vertegenwoordigen. De aandeelhouders werken hieraan
mee.
Artikel 147n
De vergunning van een verzekeraar waarvan de portefeuille ingevolge
de bepalingen van dit hoofdstuk is overgedragen, wordt ingetrokken met
inachtneming van de artikelen 149, 150 en 153.
Hoofdstuk VIII. Intrekking van een vergunning
Artikel 148
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een vergunning
intrekken indien de verzekeraar:
a. daarom verzoekt;
b. niet meer voldoet aan de eisen die voor het verkrijgen van de
vergunning zijn gesteld;
c. niet binnen de ingevolge de artikelen 138 onderscheidenlijk 144
door de Pensioen- & Verzekeringskamer goedgekeurde termijn de
solvabiliteitsmarge op de vereiste omvang heeft gebracht;
d. ernstig in gebreke blijft aan verplichtingen, hem bij of
krachtens de wet in of buiten Nederland opgelegd, te voldoen;
e. met zetel in Nederland dan wel, vanuit zijn bijkantoren in
Nederland, indien hij zijn zetel buiten de Unie heeft, de
bedrijfsuitoefening in de betrokken branche gedurende meer dan zes
maanden heeft gestaakt; of
f. binnen twaalf maanden na de verlening van de vergunning daarvan
geen gebruik heeft gemaakt.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer trekt de vergunning in op
het tijdstip waarop een machtiging is verleend als bedoeld in artikel
156, aanhef en derde lid, onderdeel b, of zo spoedig mogelijk daarna,
voor zover de verzekeraar onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip nog
een vergunning heeft.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer trekt de vergunning in op
het tijdstip waarop tijdens de noodregeling voor de eerste keer activa
van de verzekeraar te gelde worden gemaakt met het oogmerk de opbrengst
te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden, of zo
spoedig mogelijk na bedoeld tijdstip, indien een machtiging is verleend
als bedoeld in artikel 156, derde lid, onderdeel c, voor zover de
verzekeraar onmiddellijk voorafgaand aan het voor de eerste keer te
gelde maken nog een vergunning heeft. De bewindvoerder stelt de
Pensioen- & Verzekeringskamer in kennis van het voor de eerste keer
te gelde maken van de activa, zo mogelijk voorafgaand aan het te gelde
maken, of anders onverwijld daarna, tenzij de vergunning reeds is
ingetrokken.
Artikel 149
1. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer is belast met
het toezicht, bedoeld in artikel 49, tweede lid, deelt zij, alvorens
tot intrekking van een aan de betrokken verzekeraar verleende
vergunning over te gaan, haar voornemen mee aan de toezichthoudende
autoriteiten van de andere lid-staten waar de verzekeraar een
bijkantoor heeft.
2. Indien de toezichthoudende autoriteit van een andere lid-staat
dan Nederland is belast met het toezicht, bedoeld in artikel 49, tweede
lid, en deze toezichthoudende autoriteit een aan de betrokken
verzekeraar verleende vergunning wegens ontoereikendheid van de onder
haar toezicht staande solvabiliteitsmarge heeft ingetrokken of zal
intrekken, trekt de Pensioen- & Verzekeringskamer de betrokken
vergunning eveneens in. Deze intrekking gaat niet eerder in dan op het
tijdstip waarop de intrekking in die andere lid-staat ingaat.
Artikel 150
1. De werking van het besluit tot intrekking van een vergunning
wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien de
verzekeraar de voorzitter van het College van Beroep voor het
bedrijfsleven heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen, op
dat verzoek is beslist.
2. Indien een besluit tot intrekking van een vergunning ertoe
leidt dat een zorgverzekeraar in de zin van de Zorgverzekeringswet geen
zorgverzekeringen als bedoeld in die wet meer mag aanbieden of
uitvoeren, wordt de werking van dat besluit, zonodig in afwijking van
het eerste lid, opgeschort met een termijn van drie maanden nadat dit
formele rechtskracht heeft gekregen.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer doet van een besluit als
bedoeld in het eerste of tweede lid in de Staatscourant
mededeling, zodra de intrekking van kracht is geworden. Zij kan, indien
zij dit in het belang van verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden
op uitkeringen acht, het besluit eveneens op andere door haar te bepalen
wijze publiceren. Van de intrekking van een vergunning van een
opvanginstelling wordt geen mededeling gedaan indien geen verplichte
portefeuille-overdracht als bedoeld in artikel 147d, derde lid, heeft
plaatsgevonden.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer brengt de intrekking van
een vergunning, verleend:
a. aan een verzekeraar met zetel in Nederland ter kennis van de
toezichthoudende autoriteiten van de lid-staten waar de verzekeraar
een bijkantoor heeft of waarheen hij diensten verricht;
b. aan een verzekeraar met zetel buiten de Unie ten aanzien van wie
zij is belast met het toezicht, bedoeld in artikel 49, tweede lid, ter
kennis van de toezichthoudende autoriteiten van de lid-staten waar de
verzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij vanuit Nederland
diensten verricht.
Artikel 151
1. Houdt de verzekeraar op te bestaan, dan vervallen de aan hem
verleende vergunningen. Artikel 150, derde en vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Herleeft de rechtspersoon vervolgens, dan is artikel 152 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 152
De intrekking van de vergunning verplicht de verzekeraar het
betrokken gedeelte van het bedrijf af te wikkelen, tenzij de intrekking
gepaard gaat met de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel
11 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf. De
verzekeraar die verplicht is zijn bedrijf af te wikkelen, blijft
onderworpen aan de bepalingen van deze wet.
Artikel 153
1. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer een vergunning
intrekt op grond van artikel 148, onderdelen b, c of d, beperkt zij de
uitoefening van de beschikkingsbevoegdheid door de verzekeraar over
zijn waarden of verbiedt zij hem om anders dan met haar schriftelijke
machtiging over deze waarden te beschikken, voor zover zulks niet
reeds is geschied.
2. Bij de publikatie, bedoeld in artikel 150, derde lid, wordt
tevens mededeling gedaan van de beperking of het verbod, opgelegd
ingevolge het eerste lid of de artikelen 137, eerste lid, 140, eerste
lid, 143, eerste lid, en 146, eerste lid.
3. De verzekeraar kan niet op grond van de beperking of het
verbod, opgelegd ingevolge het eerste lid of artikel 142, eerste of
tweede lid, een beroep doen op de ongeldigheid van een rechtshandeling
die voor de openbaarmaking is verricht, tenzij de wederpartij de
beperking onderscheidenlijk het verbod kende of daarvan niet onkundig
kon zijn.
4. Indien het besluit tot intrekking wordt vernietigd, heft de
Pensioen- & Verzekeringskamer de beperking of het verbod, opgelegd
ingevolge het eerste lid, op.
Artikel 154
De intrekking van een vergunning door de toezichthoudende autoriteit
van een andere lid-staat dan Nederland, verplicht de verzekeraar met
zetel in die lid-staat de uitoefening van zijn bedrijf door middel van
een bijkantoor in Nederland of door middel van het verrichten van
diensten naar Nederland af te wikkelen. Hij blijft daarbij onderworpen
aan de bepalingen van deze wet.
Hoofdstuk IX. Noodregeling en in andere lid-staten dan Nederland
vastgestelde saneringsmaatregelen
Afdeling 1. Verzekeraars met zetel in Nederland, verzekeraars zonder
vergunning met zetel in een andere lidstaat dan Nederland en
verzekeraars met zetel buiten de Unie
Artikel 155 [Vervallen per 23-03-2004]
Artikel 156
1. Wanneer het belang der
gezamenlijke schuldeisers bij de afwikkeling van het bedrijf van een
verzekeraar een bijzondere voorziening vordert, kan de rechtbank binnen
welker rechtsgebied de verzekeraar zijn woonplaats heeft, op verzoek van
de Pensioen- & Verzekeringskamer de noodregeling uitspreken. Voor de
toepassing van de eerste volzin wordt onder verzekeraar verstaan:
a. de verzekeraar die in het bezit is van een vergunning hem door
de Pensioen- & Verzekeringskamer verleend;
b. de verzekeraar waarvan die vergunning is ingetrokken of
vervallen;
c. de verzekeraar met zetel in Nederland of de verzekeraar met
zetel buiten de Unie met een bijkantoor in Nederland die nimmer in het
bezit is geweest van een door de Pensioen- & Verzekeringskamer
verleende vergunning, dan wel de verzekeraar met zetel in een andere
lidstaat dan Nederland met een bijkantoor in Nederland, die nimmer in
het bezit is geweest van een door de toezichthoudende autoriteit van
die lidstaat verleende vergunning die overeenkomt met door de
Pensioen- & Verzekeringskamer verleende vergunningen.
2. Bij het uitspreken van de noodregeling benoemt de rechtbank
een van haar leden of van de leden van een andere rechtbank tot
rechter-commissaris en benoemt zij één of meer bewindvoerders. De
Pensioen- & Verzekeringskamer kan voor de benoeming van de
bewindvoerder of bewindvoerders voordrachten doen.
3. Bij het uitspreken van de noodregeling verleent de rechtbank
op verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer aan de
bewindvoerders een machtiging die strekt tot:
a. overdracht van het geheel of van een gedeelte van de rechten en
verplichtingen van de verzekeraar uit of krachtens overeenkomsten van
verzekering;
b. vereffening van het geheel of van een gedeelte van de
portefeuille van de verzekeraar; of
c. zowel overdracht als bedoeld in onderdeel a als vereffening als
bedoeld in onderdeel b.
Zo lang nog niet blijkt dat de verzekeraar een negatief eigen
vermogen heeft, strekken de machtigingen, bedoeld in onderdelen b en c,
mede tot vereffening van het vermogen van de onderneming van de
verzekeraar.
4. De rechtbank behandelt het verzoek van de Pensioen- &
Verzekeringskamer tot het uitspreken van de noodregeling met de meeste
spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de
rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij deze wet niet
is afgeweken.
5. De rechtbank geeft geen beschikking als bedoeld in het eerste
lid dan nadat de verzekeraar en de Pensioen- & Verzekeringskamer
zijn gehoord, althans behoorlijk zijn opgeroepen.
6. Indien de machtiging strekt tot overdracht als bedoeld in het
derde lid, onderdeel a, kan op voordracht van de rechter-commissaris of
op verzoek van de bewindvoerders de machtiging worden uitgebreid tot een
machtiging die strekt tot zowel overdracht als vereffening.
7. Op een voordracht of verzoek als bedoeld in het zesde lid
wordt niet beslist dan nadat de rechter de Pensioen- &
Verzekeringskamer in de gelegenheid heeft gesteld haar mening
daaromtrent kenbaar te maken. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt
met de meeste spoed haar mening kenbaar.
8. Nadat de Pensioen- & Verzekeringskamer haar mening
ingevolge het zevende lid kenbaar heeft gemaakt, of, indien zij niet van
de in het zevende lid bedoelde gelegenheid gebruikt heeft gemaakt,
behandelt de rechtbank de voordracht of het verzoek, bedoeld in het
zesde lid met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting op de
voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij
deze wet niet is afgeweken.
9. Ten aanzien van een verzekeraar met zetel buiten de Unie
hebben de machtigingen betrekking op het vanuit zijn bijkantoren in
Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald welke activa en passiva tot dat
bedrijf moeten worden gerekend.
10. De Pensioen- & Verzekeringskamer zendt een afschrift van
haar verzoekschriften als bedoeld in het eerste en derde lid en de
voordracht of het verzoek, bedoeld in het zesde lid, aan de verzekeraar
en geeft van de inhoud daarvan kennis aan:
a. indien het een verzekeraar met zetel in Nederland betreft, de
toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waar de
verzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij diensten verricht
vanuit zijn vestigingen in de Unie;
b. indien het een verzekeraar met zetel buiten de Unie betreft, de
toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waarheen hij
diensten verricht vanuit een bijkantoor in Nederland en, indien een
andere toezichthoudende autoriteit in de Unie belast is met het
toezicht op de solvabiliteitsmarge van de betrokken verzekeraar, die
toezichthoudende autoriteit.
Indien het een voordracht of verzoek als bedoeld in het zesde lid
betreft, zendt de griffier een afschrift daarvan aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer.
11. De rechtbank kan inzage nemen of doen nemen van de zakelijke
gegevens en bescheiden van de verzekeraar. Artikel 57 is daarbij van
overeenkomstige toepassing.
12. De beschikkingen, bedoeld in het eerste en zesde lid, worden
met redenen omkleed. De beschikking, houdende dat de noodregeling niet
wordt uitgesproken, wordt niet op een openbare terechtzitting
uitgesproken. De griffier doet van de zakelijke inhoud van de
beschikking mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan te
wijzen dagbladen, de Staatscourant, alsmede in het Publicatieblad van de
Europese Gemeenschappen. In de laatstbedoelde publicatie wordt tevens
vermeld dat op de noodregeling, behoudens uitzonderingen, Nederlands
recht van toepassing is.
13. De griffier stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer
onverwijld in kennis van de beschikkingen, bedoeld in het eerste, derde
en zesde lid.
14. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt, onverwijld nadat
zij in kennis is gesteld van de beschikkingen, bedoeld in het eerste,
derde en zesde lid, de toezichthoudende autoriteiten van alle andere
lid-staten in kennis van de beschikkingen, alsmede van de mogelijke
gevolgen in het desbetreffende geval.
15. De beschikkingen, bedoeld in het eerste, derde en zesde lid,
zijn uitvoerbaar bij voorraad. De beschikking, bedoeld in het eerste
lid, werkt terug tot aan het begin van de dag waarop zij is
uitgesproken. De in dit lid bedoelde uitvoerbaarheid en terugwerkende
kracht gelden niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening.
16. In afwijking van het vijftiende lid werkt de beschikking niet
terug ten aanzien van een door een verzekeraar voor het tijdstip waarop
de rechtbank de beschikking heeft gegeven gesloten
financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek of een overdracht of vestiging van een
pandrecht op grond daarvan, of enige uit een dergelijke overeenkomst
voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling
die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren.
17. Het vijftiende lid kan niet aan derden worden tegengeworpen
ten aanzien van een door een verzekeraar, na het tijdstip waarop de
rechtbank de in het eerste lid genoemde beschikking heeft gegeven,
gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of enige uit een dergelijke
overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere
rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te
voeren, indien de zekerheidsnemer kan aantonen dat deze niet op de
hoogte was of behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven
beschikking.
18. Bij de beschikking, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de
rechtbank de duur van de machtiging op ten hoogste anderhalf jaar.
Indien een machtiging tot overdracht wordt uitgebreid tot een machtiging
tot zowel overdracht en vereffening, bepaalt de rechtbank de duur van de
machtiging tot zowel overdracht als vereffening op de resterende duur
van de machtiging tot overdracht. Voor het verstrijken van de gestelde
termijn kunnen de bewindvoerders eenmaal of meermalen verlenging van de
geldigheidsduur voor ten hoogste anderhalf jaar verzoeken. Het verzoek
wordt behandeld op dezelfde wijze als een verzoek tot het uitspreken van
de noodregeling. Zolang bij de afloop van de geldigheidsduur van de
machtiging op een verzoek tot verlenging niet is beschikt, blijft de
machtiging gehandhaafd.
Artikel 156a
1. De bewindvoerders geven van de machtigingen, bedoeld in
artikel 156, derde lid, aanhef en onderdelen b en c, onmiddellijk aan
alle bekende schuldeisers schriftelijk kennis.
2. De kennisgeving aan schuldeisers met een vordering uit hoofde
van verzekering vermeldt tevens welke de belangrijkste gevolgen van de
machtiging voor de overeenkomsten uit hoofde van verzekering zijn en de
rechten en verplichtingen van de schuldeiser met een vordering uit
hoofde van verzekering.
3. Iedere schuldeiser kan zijn vordering en schriftelijke
opmerkingen betreffende zijn vordering indienen bij de bewindvoerders.
Artikel 156b
1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 156a, eerste lid, aan
een bekende schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in een
lid-staat, die een vordering uit hoofde van verzekering heeft,
geschiedt in een officiële taal van die lid-staat.
2. De kennisgeving, bedoeld in artikel 156a, eerste lid, aan een
bekende schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in een
lid-staat, die een andere vordering heeft dan de vordering, bedoeld in
het eerste lid, geschiedt in het Nederlands met een formulier dat in
alle officiële talen van de Unie het opschrift draagt «Oproep tot
indiening van schuldvorderingen. Termijnen».
3. Elke schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in
een lid-staat kan zijn vordering en schriftelijke opmerkingen
betreffende zijn vordering indienen in een officiële taal van die
lid-staat met een verklaring met als opschrift in de Nederlandse taal
«Indiening van een vordering», onderscheidenlijk «Indiening van
opmerkingen betreffende een vordering».
Artikel 156c
Indien een machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 156, derde
lid, aanhef en onderdelen b of c:
a. stellen de bewindvoerders alle bekende schuldeisers regelmatig
op passende wijze in kennis van in ieder geval het verloop van de
noodregeling, en
b. stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer de toezichthoudende
autoriteiten van de andere lid-staten die zulks verzoeken in kennis
van het verloop van de procedure.
Artikel 156d
De rechter-commissaris houdt toezicht op de overdracht
onderscheidenlijk de vereffening, bedoeld in artikel 156, derde lid.
Artikel 157
1. De rechtbank kan op verzoek van de bewindvoerders of
ambtshalve de noodregeling beëindigen. De griffier doet van de
intrekking mededeling in de Staatscourant alsmede in het
Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer geeft van het beëindigen
van de noodregeling kennis aan de in artikel 156, tiende lid, bedoelde
toezichthoudende autoriteiten.
3. De bewindvoerders kunnen een verzoek tot het beëindigen van
de noodregeling bij de rechtbank indienen zonder tussenkomst van een
procureur.
4. Door de beschikking, bedoeld in het eerste lid, en de
mededeling, bedoeld in artikel 165, vierde lid, vervallen van rechtswege
de bevoegdheden, welke de bewindvoerders ingevolge de machtigingen,
bedoeld in artikel 156 of de bijzondere machtiging, bedoeld in artikel
165, eerste lid, hadden verkregen.
Artikel 158
Op verzoek van de bewindvoerders benoemt de rechtbank een van haar
leden tot rechter-commissaris die toezicht houdt op de vereffening welke
plaats heeft ingevolge artikel 163a. Met betrekking tot de beschikkingen
van de rechter-commissaris, gegeven ter uitvoering van het in de eerste
volzin bepaalde, zijn de artikelen 66 en 67, eerste lid, van de
Faillissementswet van overeenkomstige toepassing. Het tweede lid van
artikel 67 van die wet is van overeenkomstige toepassing voor zover de
daarin opgesomde artikelen in artikel 163a van overeenkomstige
toepassing zijn verklaard. Hetgeen in de genoemde artikelen is bepaald
met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde is van
toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de verzekeraar dan wel
het bijkantoor.
Artikel 159 [Vervallen per 23-03-2004]
Artikel 160 [Vervallen per 23-03-2004]
Artikel 161
1. Indien de rechtbank de
machtiging verleent, oefenen de bewindvoerders bij uitsluiting alle
bevoegdheden van de bestuurders, de commissarissen of de
vertegenwoordiger van de verzekeraar uit.
2. De bewindvoerders waken voor de belangen van de gezamenlijke
schuldeisers.
3. De bestuurders, de commissarissen of de vertegenwoordiger van
de verzekeraar verlenen bij de uitoefening door de bewindvoerders van de
in het eerste lid bedoelde bevoegdheden alle door hen gevraagde
medewerking.
4. Indien meer dan één bewindvoerder is benoemd, is voor de
geldigheid van hun handelingen toestemming van de meerderheid of bij
staking van stemmen een beslissing van de voorzieningenrechter van de
rechtbank vereist. De bewindvoerder aan wie bij de machtigingen, bedoeld
in artikel 156, derde lid, een bepaalde werkkring is aangewezen, is
binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd.
5. De rechtbank kan te allen tijde een bewindvoerder, na deze en
de Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, althans behoorlijk
opgeroepen te hebben, ontslaan en door een ander vervangen, of aan de
bewindvoerder één of meer andere bewindvoerders toevoegen, een en
ander op verzoek van de bewindvoerder, de andere bewindvoerders, de
Pensioen- & Verzekeringskamer of één of meer schuldeisers dan wel
ambtshalve.
6. De bewindvoerders kunnen de bestuurders of de
vertegenwoordiger van de verzekeraar machtigen bepaalde handelingen te
verrichten.
7. Een besluit van aandeelhouders of leden van een verzekeraar
met zetel in Nederland behoeft, om van kracht te zijn, de toestemming
van de bewindvoerders.
8. Wordt een besluit van aandeelhouders of leden dat ingevolge de
statuten of reglementen van een verzekeraar met zetel in Nederland voor
een handeling is vereist, niet genomen of verkrijgt dit besluit niet de
volgens de statuten of reglementen vereiste toestemming, dan kunnen de
bewindvoerders dit besluit nemen.
9. De bewindvoerders kunnen personen machtigen alle of een deel
van de bevoegdheden uit te oefenen die zij ingevolge het eerste lid
hebben. De bewindvoerders kunnen de rechtbank verzoeken een beloning
voor de gemachtigden vast te stellen. De bewindvoerders doen van de naam
en woonplaats van een door hen gemachtigde alsook van de intrekking van
een machtiging mededeling in de Staatscourant.
10. Het loon van de personen, aangewezen ingevolge artikel 156,
elfde lid, het loon en de verschotten van de bewindvoerders, alsmede de
overige kosten van de noodregeling worden bepaald door de rechtbank en
vormen een boedelschuld.
Artikel 162
Ingevolge de hun verleende machtiging kunnen de bewindvoerders,
ongeacht hetgeen daaromtrent bij de statuten van de verzekeraar is
bepaald:
a. alle nog niet gedane stortingen op de aandelen in het
geplaatste kapitaal onderscheidenlijk het waarborgkapitaal van een
verzekeraar uitschrijven en innen;
b. naheffingen opleggen en innen tot het in de statuten van een
onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een
onderneming dan wel instelling op onderlinge grondslag met zetel
buiten de Unie bepaalde maximum.
Artikel 163
1. Het uitspreken van de noodregeling heeft tot gevolg dat de
verzekeraar niet kan worden genoodzaakt tot betaling van zijn schulden
die voor het uitspreken van de noodregeling zijn ontstaan. Alle uit
dien hoofde aangevangen executies worden geschorst en gelegde beslagen
vervallen. Artikel 36 van de Faillissementswet is van overeenkomstige
toepassing op de in de eerste zin bedoelde schulden.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op
vorderingen als bedoeld in artikel 171, vierde lid.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 163a, geldt het in het
eerste lid bepaalde niet voor:
a. vorderingen die door pand of hypotheek op goederen van de
verzekeraar zijn gedekt;
b. termijnen van huurkoop;
c. vorderingen voortvloeiend uit een
financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek.
4. Voor zover vorderingen die door pand of hypotheek zijn gedekt,
niet op de daaraan onderworpen goederen kunnen worden verhaald, werkt de
uitspraak wel ten aanzien van deze vorderingen.
5. Het uitspreken van de noodregeling werkt niet ten voordele van
de borgen en andere medeschuldenaren van de verzekeraar.
Artikel 163a
1. De bewindvoerders kunnen uitkeringen doen op vorderingen die
niet voortvloeien uit handelingen met de verzekeraar na het uitspreken
van de noodregeling verricht, voor zover dit gelet op de
liquiditeitspositie van de verzekeraar verantwoord is te achten en
mits is voldaan aan de volgende leden.
2. De bewindvoerders maken een staat op waaruit blijken de aard
en het bedrag van de baten en schulden van de verzekeraar, de namen en
woonplaatsen van de schuldeisers alsmede het bedrag der vorderingen van
iedere schuldeiser. Een door de bewindvoerders gewaarmerkt afschrift van
deze staat wordt ter kosteloze inzage van een ieder ter griffie van de
rechtbank neergelegd.
3. Op verzoek van de bewindvoerders bepaalt de
rechter-commissaris de dag waarop uiterlijk de vorderingen moeten worden
ingediend, en voorts dag, uur en plaats, waarop de
verificatievergadering zal worden gehouden. De bewindvoerders geven van
deze beschikkingen onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers
schriftelijk kennis en doen daarvan aankondiging in een of meer door de
rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen. De artikelen 110 tot en met
113 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat hetgeen is bepaald met betrekking tot de curator
onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing is op de bewindvoerders
onderscheidenlijk de verzekeraar dan wel het bijkantoor. Artikel 169,
vijfde lid, onderdeel e, is van overeenkomstige toepassing.
4. Een afschrift van de lijst van voorlopig erkende
schuldvorderingen en van de lijst van betwiste vorderingen wordt door de
bewindvoerders ter griffie van de rechtbank neergelegd om aldaar
gedurende veertien dagen voorafgaande aan de verificatievergadering
kosteloos voor een ieder ter inzage te liggen. De bewindvoerders geven
alle bekende schuldeisers voor het begin van deze periode schriftelijk
van de nederlegging bericht waarbij zij een nadere oproeping tot de
verificatievergadering voegen. Voorts doen de bewindvoerders van de
nederlegging mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan
te wijzen dagbladen.
5. Met betrekking tot de verificatie zijn de artikelen 119 tot en
met 122, 123 tot en met 127, 129, 132 tot en met 137, 260, eerste lid,
261 en 262, eerste en derde lid, van de Faillissementswet van
overeenkomstige toepassing. Daarbij zijn de bepalingen met betrekking
tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing op de
bewindvoerders onderscheidenlijk de verzekeraar. Artikel 59 van de
Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing met uitzondering van
het aldaar bepaalde ten aanzien van de vergoeding bedoeld in artikel
63a, derde lid, en de vergoeding voor het gebruik, bedoeld in artikel
63b, vierde lid, van de Faillissementswet. In afwijking van de in
artikel 127, eerste lid, van de Faillissementswet genoemde termijn geldt
de termijn die ingevolge het derde lid van dit artikel voor de indiening
van vorderingen is bepaald. De vorderingen welke opeisbaar worden op of
na de datum van de beschikking, bedoeld in artikel 156, eerste lid,
worden geverifieerd voor de waarde welke zij hebben op het tijdstip
waarop deze vorderingen opeisbaar worden, met dien verstande dat dit ten
aanzien van vorderingen welke vallen onder de werking van artikel 165,
eerste lid, slechts geldt voor zover deze bepaling niet reeds op deze
vorderingen is toegepast.
6. De bestuurders van de verzekeraar dan wel de
vertegenwoordigers van het bijkantoor wonen de verificatievergadering
bij teneinde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van de in artikel
156, eerste lid, bedoelde toestand en de staat van de boedel te geven
die hen door de rechter-commissaris worden gevraagd. De schuldeisers
kunnen de rechter-commissaris verzoeken omtrent bepaalde door hen op te
geven punten inlichtingen aan de bestuurders dan wel de aan
vertegenwoordigers van het bijkantoor te vragen. De vragen aan de
bestuurders dan wel aan de vertegenwoordigers van het bijkantoor gesteld
en de door hen gegeven antwoorden worden in het proces-verbaal
opgetekend. In afwijking van het bepaalde in artikel 121, vierde lid,
van de Faillissementswet levert het proces-verbaal van de
verificatievergadering ten aanzien van de verbintenissen van de
verzekeraar welke ingevolge artikel 165, eerste lid, worden overgedragen
slechts kracht van gewijsde op voor zover de desbetreffende bedingen
niet worden gewijzigd.
7. Na de verificatie van de schuldvorderingen maken de
bewindvoerders een uitdelingslijst op. Zij onderwerpen die aan de
goedkeuring van de rechter-commissaris. De lijst houdt in een staat van
ontvangsten en uitgaven, daaronder begrepen het loon van de
bewindvoerders, de namen van de schuldeisers, en voorts het
geverifieerde bedrag van ieders vordering en de daarop te ontvangen
uitkering. De artikelen 180, tweede lid, 181 en 182, eerste lid, van de
Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing. Onverminderd het
bepaalde in het tiende lid is artikel 233 van die wet eveneens van
overeenkomstige toepassing.
8. Bij het opmaken van de uitdelingslijst wordt met betrekking
tot de vorderingen die zijn betwist of waarvan de voorrang is betwist of
die voorwaardelijk zijn toegelaten een bedrag aan liquide middelen
afgezonderd tot tenminste het beloop van het totaal van de bedragen die
bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen
worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker
gesteld.
9. De door de rechter-commissaris goedgekeurde uitdelingslijst
wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank neergelegd om
aldaar gedurende veertien dagen kosteloos voor de schuldeisers ter
inzage te liggen. De bewindvoerders doen van de nederlegging mededeling
in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen.
Voorts geven de bewindvoerders aan ieder der erkende en voorwaardelijk
toegelaten schuldeisers schriftelijk van de nederlegging kennis, onder
vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag. De artikelen 184 tot en
met 186, 187, eerste, tweede en derde lid, 189 en 191 van de
Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat hetgeen daarin is bepaald met betrekking tot de curator
van toepassing is op de bewindvoerders en dat in afwijking van de in
artikel 184 van de Faillissementswet bedoelde termijn geldt de in de
eerste zin van dit lid genoemde termijn. Indien ten gevolge van het
krachtens artikel 184 dan wel artikel 186 van de Faillissementswet
gedane verzet een verificatiegeschil ontstaat, wordt ten aanzien van de
vorderingen waarop dit verzet betrekking heeft, het achtste lid van dit
artikel overeenkomstig toegepast, en kan vervolgens, nadat voor zoveel
nodig tevens dienovereenkomstig wijziging van de overige in de ter
inzage neergelegde lijst opgenomen uitkeringsbedragen heeft plaats
gehad, met inachtneming van het overigens in dit artikel bepaalde, tot
uitkering worden overgegaan. Indien het gedane verzet niet tot een
verificatiegeschil leidt, kan met inachtneming van het bij de
beschikking op het verzet bepaalde tot uitkering worden overgegaan zodra
die beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
10. In afwijking van de laatste zin van het zevende lid kan op
geverifieerde vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van
de beschikking als bedoeld in artikel 156, eerste lid, voor zover
artikel 165, eerste lid, niet reeds op deze vorderingen werd toegepast,
een uitkering eerst worden gedaan zodra deze vorderingen opeisbaar zijn
geworden. Tot dat tijdstip wordt een bedrag aan liquide middelen
afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die
bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen
worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker
gesteld.
Artikel 163b
1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 163a, derde lid, tweede
volzin, aan een bekende schuldeiser met gewone verblijfplaats of
woonplaats in een lid-staat, die een vordering uit hoofde van
verzekering heeft, geschiedt in een officiële taal van die lid-staat.
2. De kennisgeving, bedoeld in artikel 163a, derde lid, tweede
volzin, aan een bekende schuldeiser met gewone verblijfplaats of
woonplaats in een lid-staat, die een andere vordering heeft dan de
vordering, bedoeld in het eerste lid, geschiedt in het Nederlands met
een formulier dat in alle officiële talen van de Europese Unie het
opschrift draagt: «Oproep tot indiening van schuldvorderingen.
Termijnen».
Artikel 164
1. Met betrekking tot verrekening en schuldoverneming vinden de
artikelen 234 en 235 van de Faillissementswet overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de schuldenaar van de verzekeraar
die zijn schuld wil verrekenen met een vordering aan order of toonder,
gehouden is te bewijzen dat hij het papier reeds op het ogenblik der
uitspraak, waarbij het verzoek werd toegewezen, te goeder trouw had
verkregen.
2. Met betrekking tot wederkerige overeenkomsten in het algemeen
en tot termijnzaken, overeenkomsten van huurkoop, huurovereenkomsten en
arbeidsovereenkomsten in het bijzonder, waarbij de verzekeraar ten
aanzien waarvan de noodregeling is uitgesproken, partij is, vinden de
artikelen 236, 237, 237a , 238 en 239 van de Faillissementswet
overeenkomstige toepassing.
3. De bewindvoerders kunnen bestuurders, commissarissen en de
vertegenwoordiger namens de verzekeraar ontslaan. Bij dit ontslag worden
de overeengekomen of wettelijke termijnen in acht genomen, met dien
verstande echter dat een termijn van zes weken in elk geval voldoende
is.
4. Met betrekking tot de voldoening van een schuld aan de
verzekeraar nadat de noodregeling is uitgesproken, vindt artikel 240 van
de Faillissementswet overeenkomstige toepassing.
Artikel 164a
1. Indien het opvanginstrument, bedoeld in artikel 147d, ten
tijde van het uitspreken van de noodregeling reeds in werking is
gesteld, kan de toepassing ervan door de Pensioen- &
Verzekeringskamer worden voortgezet in de vorm bedoeld in artikel
147d, derde lid.
2. De bewindvoerders verlenen hieraan hun medewerking.
Artikel 164b
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, gehoord de
vertrouwenscommissie, het opvanginstrument, bedoeld in artikel 147d,
in werking stellen tijdens de noodregeling indien de portefeuille van
de verzekeraar naar het oordeel van de Pensioen- &
Verzekeringskamer levensvatbaar is.
2. De bewindvoerders verlenen hieraan hun medewerking.
3. De opvang blijft in een dergelijk geval beperkt tot de
verplichte overdracht van de portefeuille, bedoeld in artikel 147d,
derde lid.
4. Artikel 147c, eerste en tweede lid, is niet van toepassing.
Artikel 164c
1. Indien na de inwerkingstelling van het opvanginstrument
overeenkomstig artikel 147c, eerste lid, of artikel 164b, eerste lid,
de verplichte overdracht van de portefeuille naar het oordeel van de
Pensioen- & Verzekeringskamer niet tot stand kan worden gebracht,
doet zij hiervan mededeling aan de bewindvoerders.
2. Zolang de Pensioen- & Verzekeringskamer deze mededeling
niet heeft gedaan, verleent de rechtbank de bewindvoerders geen
bijzondere machtiging als bedoeld in artikel 165, eerste lid.
3. De rechtbank verleent de bijzondere machtiging evenmin zolang
de Pensioen- & Verzekeringskamer het opvanginstrument niet in
werking heeft gesteld, tenzij de Pensioen- & Verzekeringskamer aan
de bewindvoerders mededeling heeft gedaan van haar oordeel dat er geen
aanleiding is tot het in werking stellen van het opvanginstrument.
Artikel 165
1. De rechtbank kan tegelijk met de in artikel 156, derde lid,
bedoelde machtigingen of daarna de bewindvoerders op hun verzoek een
bijzondere machtiging verlenen die strekt tot een of meer van de
volgende handelingen:
a. wijziging, bij de overdracht van rechten en verplichtingen uit
of krachtens overeenkomsten van verzekering, van die overeenkomsten;
b. verkorting van de duur van overeenkomsten van verzekering.
2. Wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
die op overeenkomsten van levensverzekering betrekking hebben, kunnen
niet tot gevolg hebben dat aan verzekeringnemers meer verplichtingen
worden opgelegd.
3. Ten aanzien van de bijzondere machtiging is artikel 156,
vierde en vijfde lid, negende tot en met elfde lid, twaalfde lid, eerste
volzin, veertiende, vijftiende en achttiende lid, van overeenkomstige
toepassing.
4. Zodra overdracht van rechten en verplichtingen krachtens de in
artikel 156, derde lid, bedoelde machtigingen heeft plaatsgevonden, doen
de bewindvoerders van deze overdracht en, zo handelingen door hen zijn
verricht krachtens de in het eerste lid bedoelde bijzondere machtiging,
van deze handelingen mededeling in de Staatscourant, in ten minste twee
door de rechtbank aan te wijzen dagbladen en in het Publicatieblad van
de Europese Gemeenschappen. De bewindvoerders kunnen, indien zij dit in
het belang van verzekeringnemers, verzekerden of schuldeisers met een
vordering uit hoofde van verzekering achten, de bedoelde overdracht en
handelingen tevens op andere wijze publiceren.
5. De overdracht en de wijziging, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, worden ten aanzien van alle andere belanghebbenden
dan de betrokken verzekeraars van kracht met ingang van de tweede dag,
volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de
publikatie is geplaatst. Op de overdracht zijn de artikelen 121, eerste
tot en met derde en vijfde lid, 122, eerste en tweede lid, 123, 129,
eerste tot en met derde, vijfde tot en met zevende lid, 130, eerste,
tweede en achtste lid, en 131 niet van toepassing.
6. De Pensioen- & Verzekeringskamer geeft van de overdracht
en de handelingen kennis aan de in artikel 156, tiende lid, bedoelde
toezichthoudende autoriteiten.
7. Wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, laten
onverlet de uitkeringen die overeenkomstig artikel 163a zijn gedaan voor
de dag van de indiening van het verzoek om de machtiging als bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 165a
1. Een vereniging waarvan ten minste 35% van de
verzekeringnemers van de verzekeraar ten aanzien waarvan de
noodregeling is uitgesproken lid is, kan zich aanmelden bij de
bewindvoerders.
2. De bewindvoerders horen de vereniging alvorens zij de
bevoegdheden, bedoeld in artikel 165, eerste lid, uitoefenen, indien
deze op een door de bewindvoerders te bepalen moment ten genoegen van de
bewindvoerders heeft aangetoond dat zij aan de in het eerste lid
gestelde vereisten voldoet.
Artikel 165b
In geval van overdracht van rechten en verplichtingen ingevolge de
machtigingen, bedoeld in artikel 156, derde lid, aanhef en onderdelen a
en c, of de bijzondere machtiging, bedoeld in artikel 165, eerste lid,
draagt de verzekeraar de waarden over die dienen tot dekking van de
technische voorzieningen voor zover deze voorzieningen betrekking hebben
op de verplichtingen die worden overgedragen.
Artikel 166
Een overdracht van rechten en verplichtingen ingevolge de
machtigingen, bedoeld in artikel 156, derde lid, aanhef en onderdelen a
en c, mag geen nadeel toebrengen aan de rechten van de overblijvende
schuldeisers.
Artikel 167 [Vervallen per 17-11-1999]
Artikel 168
Voor de toepassing van de artikelen 194, 342 en 343 van het Wetboek
van Strafrecht wordt met faillissement gelijkgesteld de rechtstoestand
waarin een verzekeraar verkeert zolang te zijnen aanzien de noodregeling
als bedoeld in artikel 156 van kracht is.
Artikel 169
1. De bewindvoerders dienen, de Pensioen- &
Verzekeringskamer gehoord, een verzoek tot faillietverklaring in,
indien blijkt dat de verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft en
het met de verleende machtiging te bereiken doel is verwezenlijkt of
niet meer kan worden verwezenlijkt. De Pensioen- &
Verzekeringskamer dient een verzoek tot faillietverklaring in indien
geen machtiging werd verleend en geen redelijk vooruitzicht meer
bestaat dat het met een machtiging te bereiken doel alsnog kan worden
verwezenlijkt.
2. Bij de beoordeling van de omvang van het eigen vermogen van
een verzekeraar met zetel buiten de Unie worden uitsluitend de activa en
passiva in aanmerking genomen die moeten worden gerekend tot het vanuit
zijn bijkantoren in Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf.
3. De noodregeling en de machtiging houden van rechtswege op van
kracht te zijn ingeval de verzekeraar in staat van faillissement wordt
verklaard.
Artikel 169a [Vervallen per 23-03-2004]
Artikel 170
De bewindvoerders brengen tijdens de noodregeling telkens na verloop
van drie maanden, alsmede na beëindiging van de noodregeling zo spoedig
mogelijk verslag omtrent hun werkzaamheden uit aan de rechtbank. Een
afschrift van dit verslag zenden de bewindvoerders aan Onze Minister en
aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
Artikel 171
1. In geval van toepassing van de noodregeling op grond van dit
hoofdstuk worden de boedelschulden, overeenkomstig de bepalingen van
de Faillissementswet, al naar gelang de aard van de betrokken
boedelschuld hetzij omgeslagen over ieder deel van de boedel, hetzij
uitsluitend van een bepaalde bate van de boedel afgetrokken. Onder
boedelschulden vallen in ieder geval de kosten van inschrijving in een
openbaar register in een andere lid-staat dan Nederland.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en behoudens
vorderingen door pand of hypotheek gedekt, worden in geval van een
noodregeling van een schadeverzekeraar volgende vorderingen verhaald op
de boedel in de volgende volgorde:
a. de vorderingen uit hoofde van verzekering betreffende periodieke
uitkeringen ter zake van ziekte, letsel of overlijden van natuurlijke
personen, ontstaan uit of krachtens overeenkomsten van
schadeverzekering, met uitzondering evenwel van uitkeringen, krachtens
overeenkomst van herverzekering aan een andere verzekeraar
verschuldigd, en van uitkeringen ter zake van pensioenen, toegezegd
aan werknemers of gewezen werknemers van de verzekeraar of aan hun
nabestaanden;
b. de vorderingen van werknemers en gewezen werknemers alsmede de
vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen
termijnen van pensioen voor zover de vordering niet ouder is dan een
jaar;
c. de vorderingen van werknemers, niet zijnde bestuurders van de
verzekeraar bij wie zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede
de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de toekomst
tot uitkering komende termijnen van toegezegd pensioen;
d. de vorderingen van werknemers met betrekking tot het loon over
het voorafgaande jaar en hetgeen over het lopende jaar is
verschuldigd, benevens het bedrag van de verhoging van dat loon
ingevolge artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede
het bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar als
werkgever gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan de werknemer
krachtens titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband
met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd;
e. de vorderingen uit hoofde van verzekering betreffende
niet-periodieke uitkeringen ter zake van ziekte, letsel of overlijden
van natuurlijke personen, ontstaan uit of krachtens overeenkomsten van
schadeverzekering, met uitzondering evenwel van uitkeringen, krachtens
overeenkomst van herverzekering aan een andere verzekeraar
verschuldigd;
f. de vorderingen uit hoofde van verzekering betreffende
uitkeringen ter zake van andere dan in de onderdelen a en e bedoelde
schaden, ontstaan uit overeenkomsten van schadeverzekering;
g. de vorderingen tot teruggave van bedragen die zonder rechtsgrond
zijn betaald of aan de betaling waarvan de rechtsgrond is komen te
ontvallen, welke betaling heeft plaatsgevonden in de veronderstelling
dat daarmee premies zijn betaald.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en behoudens
vorderingen door pand of hypotheek gedekt, worden in geval van een
noodregeling van een levensverzekeraar de volgende vorderingen verhaald
op de boedel in de volgende volgorde:
a. de vorderingen van werknemers en gewezen werknemers alsmede de
vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen
termijnen van pensioen, voor zover de vordering niet ouder is dan een
jaar;
b. de vorderingen van werknemers, niet zijnde bestuurders van de
verzekeraar waarbij zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede
de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de toekomst
tot uitkering komende termijnen van toegezegd pensioen;
c. de vorderingen van werknemers met betrekking tot het loon over
het voorafgaande jaar en hetgeen over het lopende jaar verschuldigd
is, benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge
artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het bedrag
van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar gedaan, en de
bedragen, door de verzekeraar aan de werknemer krachtens titel 10 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de beëindiging van
de arbeidsovereenkomst verschuldigd;
d. de vorderingen uit hoofde van verzekering en rechten betreffende
uitkeringen, die zijn ontstaan of nog zullen ontstaan uit
overeenkomsten van levensverzekering;
e. de vorderingen tot teruggave van bedragen die zonder rechtsgrond
zijn betaald of aan de betaling waarvan de rechtsgrond is komen te
ontvallen, welke betaling heeft plaatsgevonden in de veronderstelling
dat daarmee premies zijn betaald.
4. Onder de vorderingen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a,
e en f, en derde lid, onderdeel d, worden mede verstaan de vorderingen
ter zake van uitkeringen krachtens lopende overeenkomsten van
verzekering, ontstaan op of na de dag waarop de noodregeling is
uitgesproken, alsmede de vordering tot teruggave van premies die een
verzekeraar heeft ontvangen in de niet beantwoorde verwachting dat een
verzekeringsovereenkomst zou worden gesloten, dan wel heeft ontvangen op
grond van een verzekeringsovereenkomst die vervolgens is ontbonden of
vernietigd.
5. Vorderingen die niet worden genoemd in het tweede en derde
lid, worden eerst dan voldaan indien de vorderingen, bedoeld in het
tweede en derde lid zijn voldaan en indien vaststaat dat in de toekomst
zodanige vorderingen niet meer zullen ontstaan, naar evenredigheid van
elke vordering, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang.
6. De in het vijfde lid bedoelde redenen van voorrang gelden
zowel voor vorderingen van schuldeisers met gewone verblijfplaats,
woonplaats of statutaire zetel in Nederland als voor soortgelijke
vorderingen van schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of
statutaire zetel in een andere lidstaat dan Nederland.
Afdeling 2. Bepalingen van internationaal privaatrecht
Artikel 171a
1. Een in een andere lid-staat van herkomst dan Nederland
genomen beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel wordt
van rechtswege erkend.
2. De beslissing heeft rechtsgevolgen binnen Nederland vanaf het
tijdstip dat zij rechtsgevolgen heeft in de lid-staat van herkomst.
Artikel 171b
De beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel, de
saneringsmaatregel zelf en de rechtsgevolgen van de saneringsmaatregel
worden beheerst door het recht van de lid-staat van herkomst, tenzij de
wet anders bepaalt.
Artikel 171c
1. De beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel
laat onverlet het goederenrechtelijke recht van een schuldeiser of een
derde op een goed of goederen, zowel bepaalde goederen als gehelen met
een wisselende samenstelling van onbepaalde goederen, die toebehoren
aan de verzekeraar en die zich op het tijdstip waarop de beslissing
tot opening van de liquidatieprocedure rechtsgevolgen heeft, bevinden
op het grondgebied van een andere lid-staat dan de lid-staat van
herkomst.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder
goederenrechtelijk recht in ieder geval verstaan:
a. het recht een goed te gelde te maken of te laten maken en te
worden voldaan uit de opbrengst van of de inkomsten uit het goed, in
het bijzonder op grond van een recht van pand of recht van hypotheek;
b. het uitsluitende recht een vordering te innen, in het bijzonder
op grond van een pandrecht op de vordering of op grond van een cessie
tot zekerheid van de vordering;
c. het recht om een goed van een ieder die het zonder recht houdt
op te eisen, van dat goed afgifte te verlangen of van dat goed een
ongestoord genot te verlangen;
d. het goederenrechtelijke recht om van een goed de vruchten te
trekken.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt met een
goederenrechtelijk recht gelijkgesteld het in een openbaar register
ingeschreven recht tot verkrijging van een goederenrechtelijk recht als
bedoeld in het eerste lid, dat aan derden kan worden tegengeworpen.
4. Voor de toepassing van dit artikel is de lid-staat waar een
goed zich bevindt:
a. met betrekking tot registergoederen en rechten op
registergoederen: de lid-staat onder het gezag waarvan het
desbetreffende register wordt gehouden;
b. met betrekking tot zaken, voor zover niet vallend onder
onderdeel a: de lid-staat op het grondgebied waarvan de zaak zich
bevindt;
c. met betrekking tot schuldvorderingen: de lid-staat op het
grondgebied waarvan de statutaire zetel van de derde-schuldenaar is.
Artikel 171d
1. Ingeval de verzekeraar een zaak heeft gekocht, laat de
beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel onverlet de op
een eigendomsvoorbehoud berustende rechten van de verkoper, indien de
zaak waarop het eigendomsvoorbehoud betrekking heeft zich op het
tijdstip waarop de beslissing tot vaststelling van de
saneringsmaatregel rechtsgevolgen heeft, bevindt op het grondgebied
van een andere lid-staat dan de lid-staat van herkomst.
2. Ingeval de verzekeraar een zaak heeft verkocht, is de
beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel geen grond voor
ontbinding of beëindiging van de overeenkomst tot verkoop, en belet de
saneringsmaatregel de koper niet de eigendom van de gekochte zaak te
verkrijgen, indien de zaak zich op het tijdstip waarop de beslissing tot
vaststelling van de saneringsmaatregel gevolgen heeft, bevindt op het
grondgebied van een andere lid-staat dan de lid-staat van herkomst.
3. Artikel 171c, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 171e
Indien degene die zowel schuldeiser als schuldenaar is van de
verzekeraar bevoegd is zijn schuld te verrekenen met de vordering op de
verzekeraar op grond van het recht dat van toepassing is op de vordering
van de verzekeraar, laat de beslissing tot vaststelling van de
saneringsmaatregel de bedoelde bevoegdheid onverlet.
Artikel 171f
De artikelen 171c tot en met 171e staan er niet aan in de weg dat een
vordering wordt ingesteld tot nietigheid, vernietiging of het niet
kunnen worden tegengeworpen van een rechtshandeling wegens de benadeling
van het geheel van schuldeisers welke van die rechtshandeling het gevolg
is.
Artikel 171g
In afwijking van artikel 171b worden de gevolgen van een
saneringsmaatregel voor arbeidsovereenkomsten en andere
rechtsverhoudingen ter zake van het verrichten van arbeid uitsluitend
beheerst door het recht van de lidstaat dat op die overeenkomst of
rechtsverhouding van toepassing is.
Artikel 171h
In afwijking van artikel 171b worden de gevolgen van een
saneringsmaatregel voor een overeenkomst die het recht geeft op het
genot of de verkrijging van een onroerende zaak uitsluitend beheerst
door het recht van de lid-staat op het grondgebied waarvan de onroerende
zaak is gelegen.
Artikel 171i
In afwijking van artikel 171b worden de gevolgen van een
saneringsmaatregel voor de rechten van de verzekeraar op een
registergoed beheerst door het recht van de lid-staat onder het gezag
waarvan het register wordt gehouden.
Artikel 171j
1. In afwijking van artikel 171b worden, onverminderd artikel
171c, de gevolgen van een saneringsmaatregel voor de rechten en
verplichtingen van deelnemers aan een gereglementeerde markt als
bedoeld in artikel 1, onder 13, van richtlijn nr. 93/22/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het
verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG
L 141) uitsluitend beheerst door het recht dat op die markt van
toepassing is.
2. Het eerste lid staat er niet aan in de weg dat een vordering
wordt ingesteld tot nietigheid, vernietiging of het niet kunnen worden
tegengeworpen van een rechtshandeling wegens de benadeling van het
geheel van schuldeisers die van die rechtshandeling het gevolg is.
Artikel 171k
In afwijking van artikel 171b wordt de rechtsgeldigheid van een
rechtshandeling, onder bezwarende titel aangegaan door de verzekeraar na
het tijdstip tot vaststelling van een saneringsmaatregel, waarmee hij
beschikt over een registergoed of effecten of andere waardepapieren
waarvan het bestaan of de overdracht inschrijving in een wettelijk
voorgeschreven register of op een wettelijk voorgeschreven rekening
veronderstelt, of die zijn geplaatst in een door het recht van een
lid-staat beheerst gecentraliseerd effectendepot, beheerst door het
recht van de lid-staat onder het gezag waarvan het register, de rekening
of het depot wordt gehouden dan wel, indien het een onroerende zaak
betreft, door het recht van de lid-staat waar de onroerende zaak is
gelegen.
Artikel 171l
In afwijking van artikel 171b worden de gevolgen van de
saneringsmaatregel voor een aanhangige rechtsvordering betreffende een
goed waarover de verzekeraar het beheer en de beschikking heeft
verloren, uitsluitend beheerst door het recht van de lid-staat waar het
rechtsgeding aanhangig is.
Artikel 171m
Artikel 171b is niet van toepassing op regels betreffende de
nietigheid, de vernietigbaarheid van voor het geheel van schuldeisers
nadelige rechtshandelingen en evenmin op de regels die bepalen of
dergelijke rechtshandelingen kunnen worden tegengeworpen, indien degene
die voordeel heeft gehad bij die rechtshandeling bewijst dat:
a. die rechtshandeling wordt beheerst door het recht van een
andere lid-staat dan de lid-staat van herkomst; en
b. dat recht in het gegeven geval niet voorziet in de
mogelijkheid dat die rechtshandeling wordt aangetast respectievelijk
niet kan worden tegengeworpen.
Artikel 171n
1. Behoudens de bevoegdheid tot het aanwenden van een
dwangmaatregel en de bevoegdheid tot het doen van een uitspraak in een
geding of een geschil heeft de bewindvoerder uit een andere lid-staat
van herkomst dan Nederland in Nederland de bevoegdheden die hij in de
lid-staat van herkomst heeft. De wijze van uitoefenen van deze
bevoegdheden in Nederland wordt beheerst door het Nederlandse recht.
2. Indien op grond van het recht van de lid-staat van herkomst
personen zijn aangewezen om de bewindvoerder te vertegenwoordigen of
anderszins bij te staan, kunnen zij de bevoegdheden die zij hebben op
grond van het recht van die lid-staat uitoefenen op het grondgebied van
Nederland.
Artikel 171o
1. Voor het bewijs van aanwijzing van de bewindvoerder uit een
andere lid-staat dan Nederland volstaat een voor eensluidend
gewaarmerkt afschrift van het aanwijzingsbesluit of van ieder ander
door de bevoegde instanties van de lid-staat gegeven schriftelijke
verklaring.
2. De bewindvoerder uit een andere lid-staat dan Nederland toont
op verlangen van een ieder tegenover wie hij zijn bevoegdheden wenst uit
te oefenen een vertaling in de Nederlandse taal van het afschrift.
Artikel 171p
Op verzoek van een bewindvoerder uit een andere lid-staat dan
Nederland worden de gegevens met betrekking tot een saneringsmaatregel,
vastgesteld in een andere lid-staat dan Nederland door de griffier van
de rechtbank te 's-Gravenhage ingeschreven in het register, bedoeld in
artikel 19a, eerste lid, van de Faillissementswet.
Artikel 172
1. Indien een verzekeraar met zetel buiten de Unie een
bijkantoor heeft in Nederland en een of meer bijkantoren in andere
lid-staten, trachten zowel de rechtbank als de Pensioen- &
Verzekeringskamer hun optreden te coördineren met de bevoegde
instanties onderscheidenlijk de toezichthoudende autoriteiten van die
andere lid-staten.
2. In het in het eerste lid bedoelde geval tracht de in Nederland
benoemde bewindvoerder zijn optreden te coördineren met de
bewindvoerders in de andere lid-staten waarin aan de verzekeraar een
vergunning is verleend.
Artikel 173 [Vervallen per 23-03-2004]
Hoofdstuk X. Bijzondere bepalingen
Artikel 174 [Vervallen per 15-09-2004]
Artikel 175
1. Het is iedere natuurlijke
persoon of rechtspersoon verboden, anders dan na verkregen verklaring
van geen bezwaar, een gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar met
zetel in Nederland te houden, te verwerven of te vergroten dan wel enige
zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een
verzekeraar met zetel in Nederland uit te oefenen.
2. Een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld
in het eerste lid wordt verleend, tenzij:
a. de Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is dat de
handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de
betrokken verzekeraar die in strijd is met het belang van degenen die
als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen
betrokken zijn of zullen worden bij overeenkomsten van verzekering,
gesloten of te sluiten door een rechtstreeks of middellijk bij de
handeling betrokken verzekeraar;
b. De Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is dat de
handeling ertoe zou leiden of zou kunnen leiden dat de betrokken
verzekeraar behoort of zou gaan behoren tot een groep waarbinnen de
formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate
ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat
uitoefenen van toezicht op de verzekeraar;
c. de Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is dat de
handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste
ontwikkeling van de financiële sector; of
d. de Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is dat een
integere bedrijfsvoering onvoldoende is gewaarborgd, waarbij onder
integere bedrijfsvoering wordt verstaan de bedrijfsvoering met
uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische
gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995; of
e. Onze Minister van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou
kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële
sector.
3. Aan een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als
bedoeld in het eerste lid kunnen op grond van de overwegingen als
bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b, c en d, onderscheidenlijk
het tweede lid, onderdeel e, beperkingen worden gesteld en voorschriften
worden verbonden.
4. Ingeval het houden, het verwerven of het vergroten van een
gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar als bedoeld in het eerste
lid is verricht, zonder dat voor die handeling een verklaring van geen
bezwaar is verkregen of de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde
beperkingen in acht zijn genomen, is de in overtreding zijnde
natuurlijke persoon of rechtspersoon gehouden binnen een door Onze
Minister dan wel vanwege Onze Minister door de Pensioen- &
Verzekeringskamer te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan te
maken dan wel de beperkingen alsnog in acht te nemen. Deze verplichting
vervalt op het tijdstip waarop en voor zover voor de desbetreffende
handeling alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel
de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken.
5. Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een
gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar als bedoeld in het eerste
lid geschiedt, zonder dat voor het houden, het verwerven of het
vergroten van de gekwalificeerde deelneming dan wel voor het uitoefenen
van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in
een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid een verklaring van geen
bezwaar is verkregen of de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde
beperkingen in acht zijn genomen, is een mede door de uitgeoefende
zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan
worden vernietigd op vordering van Onze Minister dan wel vanwege Onze
Minister van de Pensioen- & Verzekeringskamer. Het besluit wordt in
dat geval door de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de verzekeraar
gevestigd is, vernietigd indien het besluit zonder dat de desbetreffende
zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet
zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een
verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht
genomen beperkingen worden ingetrokken. De rechtbank regelt voor zover
nodig de gevolgen van de vernietiging.
6. Ingeval aan de verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het
eerste lid verbonden voorschriften niet worden nagekomen, kan Onze
Minister dan wel vanwege Onze Minister de Pensioen- &
Verzekeringskamer een termijn vaststellen waarbinnen de in overtreding
zijnde natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon de niet nagekomen
voorschriften alsnog moet vervullen.
Artikel 175a
1. Voor het geval van een houder van een verklaring van geen
bezwaar als bedoeld in artikel 175, eerste lid, die aan het hoofd
staat van een groep waartoe een of meer verzekeraars als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel h , en een of meer
kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet toezicht kredietwezen 1992 behoren en waartoe ten minste
één verzekeraar met zetel in Nederland behoort die een vergunning
als bedoeld in artikel 24, eerste lid, heeft verkregen, kan de
Pensioen- & Verzekeringskamer, in overeenstemming met de
autoriteit die ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992 belast is
met het toezicht op kredietinstellingen, op grond van de overwegingen
als bedoeld in artikel 175, tweede lid, onderdelen a en b
, voorschriften formuleren.
2. De voorschriften worden overeenkomstig artikel 175, derde lid,
door Onze Minister aan een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in
artikel 175, eerste lid, verbonden.
3. Indien de voorschriften worden gewijzigd, kan Onze Minister,
de Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, dan wel in door Onze
Minister bepaalde gevallen vanwege Onze Minister de Pensioen- &
Verzekeringskamer, de gewijzigde voorschriften verbinden aan de
verklaring van geen bezwaar die aan een houder als bedoeld in het eerste
lid is verleend.
4. De voorschriften worden bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 176
1. Op een aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring van
geen bezwaar als bedoeld in artikel 175, eerste lid, wordt beslist
door Onze Minister, de Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, dan
wel in door Onze Minister bepaalde gevallen vanwege Onze Minister door
de Pensioen- & Verzekeringskamer.
2. Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend, kan de
aanvrager tevens toestemming worden verleend tot het vergroten van de
gekwalificeerde deelneming, waarbij als bovengrens 20, 33, 50 of 100
procent kan gelden. Indien een verklaring van geen bezwaar wordt
verleend voor een deelneming in een verzekeraar, kan op verzoek van de
aanvrager worden bepaald dat de verleende verklaring van geen bezwaar
geldt voor alle groepsmaatschappijen gezamenlijk, onverminderd artikel
23 van de Wet toezicht kredietwezen 1992.
3. De aanvraag wordt ingediend bij de Pensioen- &
Verzekeringskamer. De Pensioen- & Verzekeringskamer zendt de
aanvraag, vergezeld van haar advies, aan Onze Minister behoudens in de
gevallen waarin zij vanwege Onze Minister beslist.
4. Op de aanvraag wordt binnen dertien weken beslist.
5. De verleende verklaring van geen bezwaar als bedoeld in
artikel 175, eerste lid, wordt door Onze Minister dan wel vanwege Onze
Minister door de Pensioen- & Verzekeringskamer aan de betrokken
verzekeraar bekendgemaakt.
6. Van de afgifte van een verklaring van geen bezwaar wordt door
Onze Minister dan wel vanwege Onze Minister door de Pensioen- &
Verzekeringskamer mededeling gedaan in de Staatscourant,
behoudens voor zover Onze Minister of de Pensioen- &
Verzekeringskamer van oordeel is, dat publikatie zou leiden of zou
kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de
beslissing betrokkenen of derden.
7. Een verklaring van geen bezwaar kan door Onze Minister, de
Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, dan wel in door Onze Minister
bepaalde gevallen vanwege Onze Minister door de Pensioen- &
Verzekeringskamer worden gewijzigd of ingetrokken:
a. op aanvraag van de houder;
b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter
verkrijging van de verklaring van geen bezwaar zodanig onjuist of
onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn
genomen als bij de beoordeling van de aanvraag de juiste
omstandigheden volledig bekend waren geweest;
c. indien niet alsnog binnen de termijn als bedoeld in artikel 175,
zesde lid, aan alle bij de verklaring van geen bezwaar gestelde
voorschriften wordt voldaan.
8. Indien zich met betrekking tot een verleende verklaring van
geen bezwaar omstandigheden voordoen of feiten bekend worden welke:
a. naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer tot
strijd met het belang leiden of zouden kunnen leiden van degenen die
als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen
betrokken zijn of zullen worden bij overeenkomsten van verzekering,
gesloten of te sluiten door een rechtstreeks of middellijk bij de
handeling betrokken verzekeraar onderscheidenlijk tot een invloed op
de betrokken verzekeraar die in strijd is met het belang van degenen
die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen
betrokken zijn of zullen worden bij overeenkomsten van verzekering,
gesloten of te sluiten door een rechtstreeks of middellijk bij de
handeling betrokken verzekeraar
b. naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer ertoe
leiden of zouden kunnen leiden dat de betrokken verzekeraar zou gaan
behoren tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke
zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een
belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de
verzekeraar;
c. naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer ertoe
leiden of zouden kunnen leiden dat een integere bedrijfsvoering
onvoldoende is gewaarborgd, waarbij onder integere bedrijfsvoering
wordt verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat
wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in
artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995; of
d. naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer of
Onze Minister leiden of zouden kunnen leiden tot een ongewenste
ontwikkeling van de financiële sector;
en derhalve zo zij voor het tijdstip waarop de verklaring van geen
bezwaar werd verleend zich hadden voorgedaan, of bekend waren geweest,
een verklaring van geen bezwaar zou zijn geweigerd dan wel de verklaring
van geen bezwaar onder het stellen van beperkingen of het verbinden van
voorschriften zou zijn verleend, kan Onze Minister, de Pensioen- &
Verzekeringskamer gehoord, dan wel in door Onze Minister bepaalde
gevallen vanwege Onze Minister de Pensioen- & Verzekeringskamer, aan
de verklaring van geen bezwaar nadere beperkingen stellen of nadere
voorschriften verbinden of de verklaring van geen bezwaar intrekken.
9. De wijziging of de intrekking van een verklaring van geen
bezwaar als bedoeld in artikel 175, eerste lid, wordt door Onze Minister
dan wel vanwege Onze Minister door de Pensioen- & Verzekeringskamer
aan de betrokken verzekeraar bekendgemaakt.
10. Indien de omvang van een deelneming waarvoor een verklaring
van geen bezwaar is afgegeven onder de 10 procent daalt, vervalt de
afgegeven verklaring van geen bezwaar van rechtswege.
11. Van de wijziging of de intrekking van een verklaring van geen
bezwaar wordt door Onze Minister dan wel vanwege Onze Minister door de
Pensioen- & Verzekeringskamer mededeling gedaan in de Staatscourant,
behoudens voor zover Onze Minister of de Pensioen- &
Verzekeringskamer van oordeel is, dat publikatie zou leiden of zou
kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de
beslissing betrokkenen of derden.
Artikel 177
1. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon stelt de
Pensioen- & Verzekeringskamer vooraf in kennis van een zodanige
wijziging van diens gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar met
zetel in Nederland:
a. waardoor de omvang van deze deelneming boven de 20, 33, 50 of 95
procent stijgt, 100 procent wordt dan wel waardoor de verzekeraar een
dochtermaatschappij wordt;
b. waardoor de omvang van deze deelneming onder de 10, 20, 33, 50,
95 of 100 procent daalt dan wel waardoor de verzekeraar ophoudt een
dochtermaatschappij te zijn.
2. Een verzekeraar met zetel in Nederland stelt, voor zover hem
bekend, de Pensioen- & Verzekeringskamer in de maand juli van elk
jaar in kennis van de identiteit van iedere natuurlijke persoon of
rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming in deze verzekeraar
houdt. Tevens stelt de verzekeraar met zetel in Nederland, zodra zulks
hem bekend wordt, de Pensioen- & Verzekeringskamer in kennis van
iedere verwerving, afstoting of wijziging van een gekwalificeerde
deelneming in deze verzekeraar:
a. waardoor de omvang van deze deelneming boven de 20, 33, 50 of 95
procent stijgt, 100 procent wordt dan wel waardoor de verzekeraar een
dochtermaatschappij wordt; of
b. waardoor de omvang van deze deelneming onder de 10, 20, 33, 50,
95 of 100 procent daalt dan wel waardoor de verzekeraar ophoudt een
dochtermaatschappij te zijn.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt Onze Minister eens
per jaar in kennis van de gegevens waarover zij ingevolge het eerste en
het tweede lid beschikt.
Artikel 178
1. Een onderneming met zetel buiten de Unie die een deelneming
heeft verworven in een onderneming met zetel in Nederland die in het
bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 24, eerste lid,
waardoor deze haar dochtermaatschappij is geworden, doet daarvan
onverwijld schriftelijk mededeling aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de Commissie van de
Europese Gemeenschappen in kennis van elke verwerving van een deelneming
als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 179
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. eerste richtlijn schadeverzekering: eerste richtlijn nr.
73/239/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1973
tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met
uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening
daarvan (PbEG L 228);
b. eerste richtlijn levensverzekering: eerste richtlijn nr.
79/267/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 maart 1979
tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en
de uitoefening daarvan (PbEG L 63).
2. Onze Minister kan, ter uitvoering van artikel 29 ter,
vijfde lid, van de eerste richtlijn schadeverzekering en artikel 32 ter,
vijfde lid, van de eerste richtlijn levensverzekering bepalen dat met
ingang van een door hem te bepalen tijdstip ondernemingen met zetel in
een door hem aan te wijzen staat buiten de Unie, alvorens zij een
deelneming verwerven in een onderneming met zetel in Nederland die in
het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 24, eerste lid,
waardoor deze hun dochtermaatschappij wordt, hem daarvan schriftelijk in
kennis stellen.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt met ingang van het
tijdstip, bedoeld in het tweede lid, Onze Minister desgevraagd in kennis
van elke aanvraag van een eerste vergunning, ingediend door een
dochtermaatschappij met zetel in Nederland van een onderneming met zetel
in de door Onze Minister ingevolge het tweede lid aangewezen staat.
4. Onze Minister kan, ter uitvoering van een besluit als bedoeld
in artikel 29 ter, vierde lid, tweede alinea, van de eerste
richtlijn schadeverzekering en artikel 32 ter, vierde lid, tweede
alinea, van de eerste richtlijn levensverzekering, bepalen dat met
ingang van een door hem te bepalen tijdstip:
a. het aan ondernemingen met zetel in een door Onze Minister aan te
wijzen staat buiten de Unie is verboden een deelneming te verwerven in
een onderneming met zetel in Nederland die in het bezit is van een
vergunning als bedoeld in artikel 24, eerste lid, indien deze daardoor
dochtermaatschappij van de betrokken onderneming wordt; en
b. de Pensioen- & Verzekeringskamer met betrekking tot
ondernemingen met zetel in Nederland die dochtermaatschappij zijn van
een onderneming met zetel in de ingevolge onderdeel a
aangewezen staat en die voor de eerste maal een vergunning aanvragen,
haar beslissingen op deze aanvragen opschort dan wel aan niet meer dan
een door Onze Minister te bepalen aantal van deze ondernemingen een
vergunning verleent.
5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de wijze waarop een beperking van het aantal
ondernemingen waaraan een vergunning mag worden verleend als bedoeld in
het vierde lid, onderdeel b, moet worden toegepast.
6. Onze Minister bepaalt het tijdstip waarop de maatregelen,
genomen ingevolge het tweede of het vierde lid, worden beëindigd.
7. Onze Minister kan van het verbod, bedoeld in het vierde lid,
onderdeel a, ontheffing verlenen.
8. Na beëindiging van de opschorting, bedoeld in het vierde lid,
onderdeel b, neemt de Pensioen- & Verzekeringskamer de
betrokken aanvragen opnieuw in behandeling. Artikel 36, eerste lid, is
op deze behandeling van overeenkomstige toepassing.
9. Bij overtreding van het verbod, bedoeld in het vierde lid,
onderdeel a, is degene die de deelneming heeft verworven,
gehouden binnen een door Onze Minister te bepalen termijn de deelneming
ongedaan te maken.
10. Handelingen, verricht uit hoofde van een deelneming die in
strijd met het verbod, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, is
verworven, zijn nietig.
11. Het vierde lid is niet van toepassing op aanvragen van
vergunningen door dochtermaatschappijen van verzekeraars met zetel in de
Unie en op verwerving van deelnemingen door verzekeraars met zetel in de
Unie.
Artikel 180
Het is verboden in Nederland te bemiddelen bij of op andere
soortgelijke wijze mee te werken aan de voorbereiding of de
totstandkoming van overeenkomsten van verzekering met een verzekeraar
die:
a. het verzekeringsbedrijf uitoefent zonder in het bezit te zijn
van de ingevolge artikel 24, eerste lid, vereiste vergunning;
b. een bijkantoor in Nederland heeft zonder te hebben voldaan aan
de procedure die ingevolge deze wet is vereist voor verzekeraars met
zetel in een andere lid-staat dan Nederland;
c. diensten verricht naar Nederland zonder te hebben voldaan aan
de procedure die ingevolge deze wet is vereist voor verzekeraars met
zetel buiten Nederland.
Artikel 181
1. Degene die als gemachtigde van een verzekeraar voor diens
rekening een overeenkomst van verzekering heeft gesloten, draagt er
zorg voor dat in de polis dan wel in een daaraan toegevoegd aanhangsel
de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, het aandeel
dat hij namens de verzekeraar heeft geaccepteerd, wordt vermeld. In
geval van een overeenkomst van schadeverzekering draagt hij er tevens
zorg voor dat elke wijziging in het door hem namens de verzekeraar
geaccepteerde aandeel in een aanhangsel wordt vermeld.
2. Wordt, nadat de gemachtigde de overeenkomst van verzekering
heeft gesloten of, in geval van een overeenkomst van schadeverzekering,
het door de gemachtigde geaccepteerde aandeel in de overeenkomst is
gewijzigd, niet of niet terstond aan de verzekeringnemer een polis of
een aanhangsel afgegeven, dan stelt de gemachtigde de verzekeringnemer
binnen vier weken na het sluiten van de overeenkomst of na het
aanbrengen van de wijziging schriftelijk in kennis van de in het eerste
lid bedoelde gegevens. Behoort de overeenkomst evenwel tot de
portefeuille van een bemiddelaar in verzekeringen als bedoeld in de Wet
financiële dienstverlening, dan doet de gemachtigde binnen twee weken
de kennisgeving aan deze bemiddelaar.
3. Wordt, nadat een overeenkomst van verzekering is gesloten of,
in geval van een overeenkomst van schadeverzekering, het door de
verzekeraar geaccepteerde aandeel in de overeenkomst is gewijzigd, niet
of niet terstond aan de verzekeringnemer een polis of een aanhangsel
afgegeven, waarin de naam van de verzekeraar en, in geval van
co-assurantie, diens aandeel of de daarin aangebrachte wijziging is
vermeld, dan stelt de bemiddelaar tot wiens portefeuille de overeenkomst
behoort de verzekeringnemer binnen vier weken na het sluiten van de
overeenkomst of na het aanbrengen van de wijziging schriftelijk van deze
gegevens in kennis.
4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien binnen
de betrokken termijn de overeenkomst van verzekering is tenietgegaan en
daaraan door de verzekeringnemer of andere belanghebbenden geen rechten
meer kunnen worden ontleend.
5. Met betrekking tot overeenkomsten van schadeverzekering die
een gemachtigde namens een of meer verzekeraars heeft gesloten met
verzekeringnemers die handelen in de uitoefening van een beroep of
bedrijf dan wel rechtspersonen zijn, kan de Pensioen- &
Verzekeringskamer toestaan dat - in afwijking van het eerste, tweede en
derde lid - in de polis of een aanhangsel, dan wel in een schriftelijke
kennisgeving als bedoeld in het tweede en derde lid, wordt volstaan met
de vermelding van het aandeel dat de gemachtigde namens de gezamenlijke
door hem vertegenwoordigde verzekeraars in de overeenkomst heeft
geaccepteerd of van de wijziging die daarin is aangebracht, mits:
a. de gemachtigde onder door de Pensioen- & Verzekeringskamer
te stellen voorwaarden en op een door deze goed te keuren plaats de in
het eerste lid bedoelde gegevens deponeert;
b. in de polis of het aanhangsel en in de schriftelijke
kennisgeving wordt verwezen naar de in onderdeel a bedoelde
deponering.
6. Het vijfde lid is met betrekking tot overeenkomsten van
schadeverzekering die zijn gesloten met andere dan de in dat lid
bedoelde verzekeringnemers, van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat in de polis die voor de eerste maal wordt afgegeven of in
een daaraan toegevoegd aanhangsel, dan wel in een daaraan voorafgaande
schriftelijke kennisgeving als bedoeld in het tweede of derde lid, de
namen van de verzekeraars en de namens ieder hunner geaccepteerde
aandelen worden vermeld. Indien daarin nadien wijzigingen worden
aangebracht, die volgens richtlijnen van de Pensioen- &
Verzekeringskamer als belangrijk zijn aan te merken, wordt de
verzekeringnemer overeenkomstig het tweede en derde lid opnieuw
schriftelijk in kennis gesteld van de namen van de verzekeraars en de
namens ieder hunner geaccepteerde aandelen.
7. De gemachtigde of de betrokken bemiddelaar stelt de
verzekeringnemer desgevraagd met de meeste spoed schriftelijk in kennis
van de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, van de
aandelen die de verzekeraars hebben geaccepteerd of van de wijzigingen
die daarin zijn aangebracht.
Artikel 182
1. Gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens
deze wet bepaalde omtrent afzonderlijke verzekeraars zijn verstrekt of
zijn verkregen en gegevens en inlichtingen die van een instantie als
bedoeld in de artikelen 183, eerste lid, of 183a, eerste lid,
zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.
2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze
wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult,
verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of
van een instantie als bedoeld in de artikelen 183, eerste lid, of 183a,
eerste lid, ontvangen, of van gegevens of inlichtingen, bij het
onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden verkregen, verder of
anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven
dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.
3. Het eerste en tweede lid laten, ten aanzien van degene op wie
het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de
bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
4. Het eerste en tweede lid laten evenzo, ten aanzien van degene
op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid
van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van
artikel 66 van de Faillissementswet welke betrekking hebben op het als
getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als
deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent
gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge
deze wet opgedragen taak, voor zover het gaat om gegevens of
inlichtingen omtrent een verzekeraar die in staat van faillissement is
verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. Het
in de vorige volzin bepaalde geldt niet voor gegevens of inlichtingen
die betrekking hebben op verzekeraars die betrokken zijn of zijn geweest
bij een poging de desbetreffende verzekeraar in staat te stellen zijn
bedrijf voort te zetten.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer is, in afwijking van het
eerste en tweede lid, bevoegd met gebruikmaking van gegevens of
inlichtingen verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet
opgedragen taak, mededelingen te doen mits deze niet kunnen worden
herleid tot afzonderlijke verzekeraars.
Artikel 183
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, in afwijking van
artikel 182, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verkregen
bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak,
verstrekken aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan
wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen
instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of
op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam
zijn, tenzij:
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden
gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in
het kader van het toezicht op financiële markten of op natuurlijke
personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn;
c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou
verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in
voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs
in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt
te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet
zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden
verstrekt.
2. Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste
lid, zijn verkregen van een buitenlandse overheidsinstantie dan wel van
een buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie, die is belast
met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en
rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, verstrekt de Pensioen-
& Verzekeringskamer deze niet aan een Nederlandse of buitenlandse
instantie als bedoeld in het eerste lid, tenzij de buitenlandse
instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen
uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of
inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor
een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
3. Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste
lid aan degene die de gegevens of inlichtingen op grond van dat lid
heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen
gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, mag dat
verzoek slechts worden ingewilligd:
a. voor zover het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste
of tweede lid; dan wel
b. voor zover die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in
deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor
geldende procedures voor dat andere doel de beschikking over die
gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; alsmede
c. pas na overleg met Onze Minister van Justitie indien het in de
aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar
strafbare feiten.
Artikel 183a
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, in afwijking van
artikel 182, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen die geen
betrekking hebben op derden die betrokken zijn bij pogingen de
verzekeraar in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten verkregen
bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak,
verstrekken aan een rechter-commissaris voor zover die is belast met
het toezicht uit hoofde van artikel 156d in een noodregeling indien
een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 156, derde lid,
aanhef en onderdeel a, of, indien een machtiging is verleend als
bedoeld in artikel 156, derde lid, aanhef en onderdeel c, zo lang de
bewindvoerder nog niet activa te gelde heeft gemaakt met het oogmerk
deze te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekt geen gegevens
of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid:
a. indien de verstrekking van de gegevens of inlichtingen
redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die
deze wet beoogt te beschermen;
b. indien de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van
Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van
Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties
die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op
natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam
zijn, en deze instanties niet instemmen met het verstrekken van de
gegevens of inlichtingen.
3. Artikel 182, eerste tot en met vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de op grond van het eerste
lid verstrekte gegevens.
Artikel 183b
In afwijking van artikel 182 kunnen in een noodregeling gegevens of
inlichtingen die geen betrekking hebben op derden die betrokken zijn bij
pogingen de verzekeraar in staat te stellen zijn bedrijf voort te
zetten, door de bewindvoerder worden opgenomen in de verslagen, bedoeld
in artikel 170, indien een machtiging is verleend als bedoeld in artikel
156, derde lid, aanhef en onderdeel b, of, indien een machtiging is
verleend als bedoeld in artikel 156, aanhef en derde lid, onderdeel c,
activa van de verzekeraar te gelde zijn gemaakt met het oogmerk de
opbrengst te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden.
Artikel 183c
In afwijking van artikel 182 is artikel 183a van overeenkomstige
toepassing op gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op derden
die betrokken zijn bij pogingen de verzekeraar in staat te stellen zijn
bedrijf voort te zetten, ongeacht of de verleende machtiging een
machtiging is als bedoeld in artikel 156, derde lid, aanhef en onderdeel
a, b of c, en ongeacht of activa te gelde zijn gemaakt met het oogmerk
de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden.
Artikel 184
1. Ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens
of inlichtingen dan wel ter uitvoering van bindende besluiten van
volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot het toezicht op
financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die
op die markten werkzaam zijn, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer
ten behoeve van een instantie die werkzaam is in een staat die met
Nederland partij is bij een verdrag of die met Nederland valt onder
eenzelfde bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en
die in die staat belast is met de uitvoering van wettelijke regelingen
inzake het toezicht op het verzekeringsbedrijf, inlichtingen vragen
aan of een onderzoek instellen of doen instellen bij een ieder die
ingevolge deze wet onder haar toezicht valt dan wel bij een ieder
waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of
inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de uitvoering
van de wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld.
2. Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het
eerste lid worden gevraagd, verstrekt deze gegevens of inlichtingen
binnen een door de Pensioen- & Verzekeringskamer te stellen termijn.
Artikel 185
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan toestaan dat een
functionaris van een buitenlandse instantie als bedoeld in artikel
184, eerste lid, deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als
bedoeld in dat lid.
2. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 184,
eerste lid, wordt ingesteld, verleent aan de in het eerste lid bedoelde
functionaris alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van
dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt
ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts
is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en
bescheiden.
3. De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de
aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het verzoek is
belast.
Artikel 186
1. De verzekeraars en de verzekeraars, bedoeld in artikel 1,
onderdeel c, van de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf dragen, volgens bij ministeriële
regeling, de Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, te stellen
regels, de kosten van de Pensioen- & Verzekeringskamer, verbonden
aan de uitvoering van deze wet en van de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf. De Pensioen- &
Verzekeringskamer legt de in de eerste volzin bedoelde verzekeraars
hiertoe jaarlijks een aanslag op.
2. De kosten en beloning van door de Pensioen- &
Verzekeringskamer aangewezen personen als bedoeld in artikel 54, derde
lid, onderdeel a , en de kosten van publikaties, bedoeld in
artikel 54, derde lid, onderdeel b, en negende lid, komen ten
laste van de betrokken verzekeraar, die daartoe van de Pensioen- &
Verzekeringskamer een aanslag ontvangt.
3. De verzekeraar voldoet het bedrag van de aanslag binnen een
door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen termijn.
4. Ingeval de verzekeraar niet aan het derde lid voldoet, kan de
Pensioen- & Verzekeringskamer een dwangbevel uitvaardigen, dat wordt
executoir verklaard door de voorzieningenrechter van de rechtbank van
het arrondissement waarin de Pensioen- & Verzekeringskamer is
gevestigd en dan een executoriale titel oplevert, die met toepassing van
de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan
worden tenuitvoergelegd.
Artikel 187
1. Voor de uitvoering van deze wet kunnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
2. Onze Minister kan representatieve organisaties van
verzekeraars aanwijzen.
Artikel 187a [Vervallen per 30-10-2004]
Hoofdstuk XI. Beroep
Artikel 188
1. In afwijking van artikel
8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten
op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
2. Ten aanzien van besluiten tot intrekking van een vergunning,
tot weigering van toestemming voor een financieringsplan en tot
inwerkingstelling van het opvanginstrument blijft artikel 7:1 van de
Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing. Artikel 147c, tweede lid,
is van overeenkomstige toepassing.
3. Ingeval beroep wordt ingesteld tegen besluiten als bedoeld in
de artikelen 54, 122, 124, 128, 130, 131, 132, 136, 137, 137a, 138, 140,
141, 142, 143, 144, 146, 147, 147c, 147h, 150, 176 en 188a, eerste lid,
zal de terechtzitting worden gehouden met gesloten deuren. De uitspraak
wordt alsdan niet in het openbaar uitgesproken.
Hoofdstuk XIA. Onderzoek door onze minister
Artikel 188a
1. Onze Minister is bevoegd aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn
oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze
wet of de wijze waarop de Pensioen- & Verzekeringskamer deze wet
uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het
bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer is verplicht aan Onze
Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen te
verstrekken. Indien Onze Minister de Pensioen- & Verzekeringskamer
vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder
artikel 182, eerste en tweede lid, vallen, is de Pensioen- &
Verzekeringskamer niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te
verstrekken, indien:
a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een
afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met
uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of
herleidbaar zijn tot een afzonderlijke verzekeraar die in het bezit is
van een vergunning als bedoeld in artikel 24, eerste lid, of waarvan
die vergunning is ingetrokken of vervallen, en ten aanzien waarvan
overeenkomstig artikel 156 de noodregeling is uitgesproken of die in
staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke
uitspraak is ontbonden;
b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die
betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een verzekeraar in staat
te stellen zijn bedrijf voort te zetten; of
c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel
183, eerste lid, of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie
bij een in een andere staat gelegen bijkantoor van een verzekeraar met
zetel in Nederland, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen
van die instantie onderscheidenlijk van de toezichthoudende autoriteit
van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.
3. Onze Minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of
inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te
onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister
de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of
inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van
overeenkomstige toepassing zijn.
4. Onze Minister mag de gegevens of inlichtingen die hij
ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken
voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of
de wijze waarop de Pensioen- & Verzekeringskamer deze wet uitvoert
of heeft uitgevoerd.
5. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn
verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede
volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 182 is van
toepassing.
6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de
aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit
getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies
in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.
7. De Wet openbaarheid van bestuur, de Wet Nationale ombudsman en
titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing met
betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die
Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.
Hoofdstuk XI B. Dwangsom en bestuurlijke boete
Artikel 188b
1. Onze Minister en de Pensioen- & Verzekeringskamer kunnen
een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van
voorschriften gesteld, bij of krachtens de artikelen 13, vijfde lid,
eerste volzin, 13, zesde lid, tweede volzin, 14, tweede lid, 19, 20,
24, eerste lid, 28, eerste tot en met derde lid, 28, vierde lid,
eerste volzin, 28, vijfde lid, 29, eerste tot en met vierde lid, 29a,
42, eerste lid, onderdeel e, 42, tweede lid, 45, tweede lid, laatste
volzin, 45, derde lid, eerste volzin, 45, derde lid, laatste volzin,
45, vierde lid, tweede volzin, 45, vijfde lid, 49, derde en zesde lid,
51, 52, eerste tot en met zesde lid, en zevende lid, tweede volzin,
54, tweede lid, 54, derde lid, onderdeel a, 54, vijfde lid, eerste
volzin, 54a, tweede tot en met vierde lid, 55, tweede en derde lid,
voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in
zakelijke gegevens en bescheiden, 55a, 56, zesde lid, laatste volzin,
57, tweede volzin, 58, eerste tot en met vijfde lid, 59, 60, 61, 64,
eerste en tweede lid, 65, 66, eerste tot en met achtste lid, 67,
eerste en tweede lid, 68, eerste tot en met vierde lid, zesde lid,
69f, 69i, derde lid, eerste en tweede volzin, 69j, eerste lid, 69k,
eerste lid, eerste volzin, 70, eerste en tweede lid, 70a, eerste en
tweede lid, 71, eerste lid, 71, tweede lid, tweede volzin, 72, eerste
tot en met derde lid, vijfde volzin, 72, vijfde en zesde lid, 72a,
eerste lid, eerste en derde volzin, 72c, eerste lid, 73, eerste en
tweede lid, 74, eerste en tweede lid, 75, eerste en tweede lid, 76,
eerste lid, 76, tweede lid, tweede volzin, 82, eerste lid, laatste
volzin, 82, tweede lid, 83c, eerste lid, laatste volzin, 83c, tweede
lid, 85, eerste lid, 85, tweede lid, tweede volzin, 85, derde lid,
eerste volzin, 85, derde lid, laatste volzin, 85, vierde lid, 89,
eerste en tweede lid, 90, 93, tweede lid, 94, eerste tot en met zesde,
achtste en negende lid, 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede
lid, 97, 98, eerste en tweede lid, 98a, eerste en tweede lid, 99,
eerste en tweede lid, 100, eerste tot en met derde lid, vijfde volzin,
100, vijfde en zesde lid, 100, zevende lid, eerste volzin, 100a,
eerste lid, eerste en derde volzin, 100b, eerste lid, 101, eerste lid,
102, eerste en tweede lid, 103, eerste lid, onderdeel a, eerste
volzin, 103, eerste lid, onderdeel a, laatste volzin, 103, vierde lid,
104, eerste lid, 104, tweede lid, tweede volzin, 108, 109, eerste,
derde en vierde lid, 109, tiende lid, tweede volzin, 113, derde lid,
114, eerste lid, 115, eerste lid, eerste volzin, 115, tweede lid,
eerste volzin, 115, vijfde lid, 116, tweede en derde lid, 118, eerste
tot en met vijfde lid, 119, 120, eerste lid, eerste volzin, 120,
tweede lid, eerste volzin, 120, vierde lid, 123, eerste lid, 125,
tweede lid, 126, 128, derde lid, 131, eerste en vijfde lid, 132,
eerste lid, 133, tweede lid, 134, 136, derde lid, 137, eerste lid,
137a, tweede en derde lid, 138, eerste, tweede en vierde lid, 139,
140, eerste lid, 140a, eerste lid, 141, eerste en derde lid, 143,
eerste lid, 143a, 144, eerste, tweede en vierde lid, 145, 146, eerste
lid, 146a, eerste lid147, eerste tot en met derde lid, 147c, vijfde
lid, 147h, tweede volzin, 147i, eerste, tweede en vierde lid, 147j,
eerste lid, 147k, vijfde lid, derde en laatste volzin, zevende en
negende lid, 147m, derde en vierde lid, 152, 153, eerste lid, 154,
165b, 175, eerste, vierde en zesde lid, 176, achtste lid, 179, negende
lid, 180, 184, tweede lid, 185, tweede lid, 186, eerste en derde lid,
en 187, eerste lid, voor zover zij zijn belast met de uitvoering van
het toezicht ter zake van die artikelen.
2. De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot
en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
3. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening
van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
Artikel 188c
1. Onze Minister en de Pensioen- & Verzekeringskamer kunnen
een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van
voorschriften gesteld, bij of krachtens de artikelen 13, vijfde lid,
eerste volzin, 13, zesde lid, tweede volzin, 14, tweede lid, 19, 20,
24, eerste lid28, eerste tot en met derde lid, 28, vierde lid, eerste
volzin, 28, vijfde lid, 29, eerste tot en met vierde lid, 29a, 37,
eerste lid, 38, eerste, tweede en vijfde lid, 42, eerste lid,
onderdeel e, 42, tweede lid, 45, tweede lid, laatste volzin, 45, derde
lid, eerste volzin, 45, derde lid, laatste volzin, 45, vierde lid,
tweede volzin, 45, vijfde lid, 49, derde en zesde lid, 51, 52, eerste
tot en met zesde lid, en zevende lid, tweede volzin, 52, derde lid,
tweede volzin, 53, eerste en tweede volzin, 54, tweede lid, 54, derde
lid, onderdeel a, 54, vijfde lid, eerste volzin, 54a, tweede tot en
met vierde lid, 55, tweede en derde lid, voor zover het betreft het
voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het
voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden,
55a , 56, zesde lid, laatste volzin, 57, tweede volzin, 58, eerste tot
en met vijfde lid, 59, 60, 61, 62, 64, eerste en tweede lid, 65, 66,
eerste tot en met achtste lid, 67, eerste en tweede lid, 68, eerste
tot en met zesde lid, 69f, 69i, derde lid, eerste en tweede volzin,
69j, eerste lid, 69k, eerste lid, eerste volzin, 70, eerste en tweede
lid,70a, eerste en tweede lid, 71, eerste lid, 71, tweede lid, tweede
volzin, 72, eerste tot en met derde lid, vijfde volzin, 72, vijfde en
zesde lid, 72a, eerste lid, eerste en derde volzin, 72a, tweede en
derde lid, 72b, 72c, eerste lid, 73, eerste en tweede lid, 74, eerste
en tweede lid, 75, eerste tot en met vierde lid, 76, eerste lid, 76,
tweede lid, tweede volzin, 77, eerste tot en met derde en zevende lid,
78, eerste volzin, 80, eerste tot en met derde lid, 81, eerste tot en
met derde en zesde lid, 82, eerste lid, laatste volzin, 82, tweede
lid, 83a, eerste tot en met derde lid, 83b, eerste, tweede en vierde
lid, 83c, eerste lid, laatste volzin, 83c, tweede lid, 84, eerste en
tweede lid, 85, eerste lid, 85, tweede lid, tweede volzin, 85, derde
lid, eerste volzin, 85, derde lid, laatste volzin, 85, vierde lid, 88,
eerste en tweede lid, 89, eerste en tweede lid, 90, 93, eerste en
tweede lid, 94, eerste tot en met zesde, achtste en negende lid, 95,
eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, 97, 98, eerste en
tweede lid,98a, eerste en tweede lid, 99, eerste en tweede lid, 100,
eerste tot en met derde lid, vijfde volzin, 100, vijfde en zesde lid,
100, zevende lid, eerste volzin, 100a, eerste lid, eerste en derde
volzin, 100a, tweede en derde lid, 100b, eerste lid, 101, eerste lid,
102, eerste en tweede lid, 103, eerste lid, onderdeel a, eerste
volzin, 103, eerste lid, onderdeel a, laatste volzin, 103, eerste lid,
onderdelen b tot en met d, 103, tweede tot en met vierde lid, 104,
eerste lid, 104, tweede lid, tweede volzin, 105, eerste en tweede lid,
106, 108, 109, eerste, derde, vierde en zevende lid, 109, achtste lid,
eerste volzin, 109, achtste lid, tweede volzin, 109, negende lid, 109,
tiende lid, tweede volzin, 111, eerste en tweede lid, 113, eerste tot
en met vierde lid, 114, eerste lid, 115, eerste lid, eerste volzin,
115, tweede lid, eerste volzin, 115, vijfde lid, 116, eerste tot en
met derde lid, 118, eerste tot en met vijfde lid, 119, 120, eerste
lid, eerste volzin, 120, tweede lid, eerste volzin, 120, vierde lid,
123, eerste lid, 125, tweede lid, 126, 128, derde lid, 131, eerste en
vijfde lid, 132, eerste lid, 133, tweede lid, 134, 136, derde lid,
137, eerste lid, 137a, tweede en derde lid, 138, eerste, tweede en
vierde lid, 139, 140, eerste lid, 140a, eerste lid, 141, eerste en
derde lid, 143, eerste lid, 143a, 144, eerste, tweede en vierde lid,
145, 146, eerste lid, 146a, eerste lid, 147, eerste tot en met derde
lid, 147c, vijfde lid, 147h, tweede volzin, 147i, eerste, tweede en
vierde lid, 147j, eerste lid, 147k, vijfde lid, derde en laatste
volzin, zevende en negende lid, 147m, derde en vierde lid, 152, 153,
eerste lid, 154, 165b, 175, eerste, vierde en zesde lid, 176, achtste
lid, 177, eerste en tweede lid, 178, eerste lid, 179, tweede en
negende lid, 180, 181, eerste tot en met derde lid, 181, zesde lid,
laatste volzin, 181, zevende lid, 184, tweede lid, 185, tweede lid,
186, eerste en derde lid, en 187, eerste lid, voor zover zij zijn
belast met de uitvoering van het toezicht ter zake van die artikelen.
2. De bestuurlijke boete komt toe aan de staat indien deze door
de Minister van Financiën is opgelegd, of aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer indien deze door haar is opgelegd.
3. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de
bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
Artikel 188d
1. Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze als
voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een
afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.
2. De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het
bedrag van de deswege op te leggen boete.
3. De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden
gewijzigd.
4. Onze Minister, dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer
voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, kan het bedrag van de
boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van
de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden
onevenredig hoog is.
5. Voor overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens
een algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 19, 20, 42,
eerste lid, onderdeel e, 51, eerste lid, 55a, 66, vierde en vijfde lid,
eerste volzin, 66, zevende en achtste lid, 68, eerste, tweede, vierde
lid, eerste volzin en zesde lid, 70a, tweede lid, 72, vijfde lid, 98a,
tweede lid, 94, vierde en vijfde lid, eerste volzin, 94, achtste en
negende lid, 100, vijfde lid, en 187, eerste lid, wordt het bedrag van
de boete bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage behorend bij die
algemene maatregel van bestuur, met dien verstande dat de boete voor een
afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt. Ten aanzien
van ministeriële regelingen, bedoeld in de artikelen 25, tweede lid en
147k, negende lid, is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing.
Artikel 188e
Degene jegens wie door Onze Minister, dan wel de Pensioen- &
Verzekeringskamer voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, een
handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan
verbinden dat hem wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd,
is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij
wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie
wordt gevraagd.
Artikel 188f
1. Indien Onze Minister, dan wel de Pensioen- &
Verzekeringskamer voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen,
voornemens is een boete op te leggen, geeft hij, dan wel de Pensioen-
& Verzekeringskamer voor zover zij bevoegd is een boete op te
leggen, de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden
waarop het voornemen berust.
2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet
bestuursrecht, stelt Onze Minister, dan wel de Pensioen- &
Verzekeringskamer voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, de
betrokkene in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling
zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd,
tenzij het een overtreding betreft die in de bijlage of de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 188d, is aangewezen.
Artikel 188g
1. Onze Minister, dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer
voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, legt de boete op bij
beschikking.
2. De beschikking vermeldt in ieder geval:
a. het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het
overtreden voorschrift;
b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit
bedrag is bepaald; en
c. de termijn, bedoeld in artikel 188i, eerste lid, waarbinnen de
boete moet worden betaald.
Artikel 188h
1. De werking van de beschikking tot oplegging van een boete
wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien
beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de
beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op
grond van artikel 188f, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de
bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het
bezwaar is beslist.
Artikel 188i
1. De boete wordt betaald binnen zes weken na de
inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.
2. De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen
vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken
zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van
artikel 188f, tweede lid, is aangewezen.
3. Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister,
dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer indien zij de boete heeft
opgelegd, schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete,
verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning
bevat de aanzegging, dat de boete, voor zover deze niet binnen de
gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het vierde lid zal worden
ingevorderd.
4. Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister, dan wel de
Pensioen- & Verzekeringskamer indien zij de boete heeft opgelegd, de
boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering,
bij dwangbevel invorderen.
5. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij
deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de
zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet
tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de staat, dan wel de
Pensioen- & Verzekeringskamer indien zij de boete heeft opgelegd.
7. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de
voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders
beslist.
8. Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de boete
ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 188j
1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt indien ter
zake van de overtreding een strafvervolging is ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het
recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het
Wetboek van Strafrecht.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een
overtreding als bedoeld in artikel 188c vervalt, indien Onze Minister,
dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer voor zover zij bevoegd is
een boete op te leggen, ter zake van die overtreding reeds een boete
heeft opgelegd.
Artikel 188k
1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt drie jaren na
de dag waarop de overtreding is begaan.
2. De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd.
Artikel 188l
De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van
een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest
bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande
onderzoek.
Artikel 188m
1. Met het oog op de belangen van degenen die als
verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen
betrokken zijn of zullen worden bij overeenkomsten van verzekering,
gesloten of te sluiten met de verzekeraar, kunnen Onze Minister en de
Pensioen- & Verzekeringskamer, onverminderd artikel 182, eerste en
tweede lid, het feit ter zake waarvan de last onder dwangsom of de
bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de
naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder
dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis
brengen.
2. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening
van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk XI C. Openbaarmaking van overtredingen
Artikel 188n
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, in afwijking van artikel
182, teneinde de naleving van deze wet te bevorderen ter openbare kennis
brengen:
a. haar weigering om een aangevraagde vergunning, ontheffing of
verklaring van geen bezwaar te verlenen, wanneer deze weigering niet
meer in beroep kan worden getroffen en de aanvrager handelt als was
hem de vergunning, ontheffing of verklaring van geen bezwaar
verleend;
b. het feit dat een verzekeraar het directe verzekeringsbedrijf
uitoefent zonder in het bezit te zijn van de ingevolge artikel 24,
eerste lid, vereiste vergunning;
c. het feit dat een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat
dan Nederland een bijkantoor in Nederland heeft zonder te hebben
voldaan aan de procedure, bedoeld in artikel 37;
d. het feit dat een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat
dan Nederland diensten verricht naar Nederland zonder te hebben
voldaan aan de procedure, bedoeld in artikel 111 onderscheidenlijk
113;
e. het feit dat een verzekeraar met zetel buiten de Unie diensten
verricht naar Nederland zonder voldaan te hebben aan de procedure,
bedoeld in artikel 116 onderscheidenlijk 118;
f. het feit dat een schadeverzekeraar diensten naar Nederland
verricht in de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen zonder te
hebben voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 109;
g. het feit dat een verzekeraar zich niet houdt aan de
voorschriften of het verbod, bedoeld in artikel 141, tweede lid, of
artikel 147, tweede lid.
Artikel 188o
Degene jegens wie door de Pensioen- & Verzekeringskamer een
handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan
verbinden dat de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn handelen of
nalaten op grond van artikel 188n ter openbare kennis zal brengen, is
niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt
hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt
gevraagd.
Artikel 188p
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer geeft, indien zij
voornemens is op grond van artikel 188n een feit ter openbare kennis
te brengen, de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de
gronden waarop het voornemen berust.
2. In aanvulling op artikel 4:8 van de Algemene wet
bestuursrecht, is de Pensioen- & Verzekeringskamer niet gehouden de
betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te
brengen, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook
niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
Artikel 188q
De beschikking om op grond van artikel 188n een feit ter openbare
kennis te brengen vermeldt in ieder geval:
a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;
b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht;
en
c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.
Artikel 188r
Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel
toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel
188n een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de
beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist.
Artikel 188s
In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht
treedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare
kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de
beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt
opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres
ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
Artikel 188t
1. De bevoegdheid om op grond van artikel 188n een feit ter
openbare kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een
strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is
vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als
bedoeld in artikel 188n vervalt, indien de Pensioen- &
Verzekeringskamer het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht.
Artikel 188u
1. De bevoegdheid om op grond van artikel 188n een feit ter
openbare kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het
feit heeft plaats gehad.
2. De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis
wordt gebracht.
Artikel 188v
De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 188n ter
openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die
niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het
daaraan voorafgaande onderzoek.
Hoofdstuk XII. Overgangsbepalingen
Artikel 189
1. De aanwijzing van een rechtspersoon als Verzekeringskamer,
door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid gedaan op grond van artikel 2a van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf, wordt beschouwd te zijn gedaan op grond
van artikel 3.
2. De benoemingen van de voorzitter en de andere leden van het
bestuur alsmede de benoemingen van de voorzitter en de andere leden van
de raad van toezicht van de Verzekeringskamer ingevolge het bepaalde in
artikel 2d, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf, worden beschouwd te zijn gedaan op grond
van artikel 6, eerste onderscheidenlijk tweede lid.
Artikel 190
1. Een verzekeraar met zetel in Nederland die op het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet een vergunning als bedoeld in
artikel 10 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf bezit, wordt
beschouwd de vergunning te hebben verkregen op grond van artikel 35.
2. Een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan
Nederland die het verzekeringsbedrijf vanuit een bijkantoor in Nederland
uitoefent en die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een
vergunning als bedoeld in artikel 10 van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf bezit, wordt beschouwd te hebben voldaan aan artikel
37.
3. Een verzekeraar met zetel buiten de Unie die het
verzekeringsbedrijf vanuit een bijkantoor in Nederland uitoefent en die
op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een vergunning als
bedoeld in artikel 10 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf bezit,
wordt beschouwd de vergunning te hebben verkregen op grond van artikel
47.
Artikel 191
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een vergunning
verleend aan een schadeverzekeraar die op 1 januari 1986 het
schadeverzekeringsbedrijf uitoefende en waarop artikel 190, derde lid,
van toepassing is, intrekken indien de verzekeraar:
a. in de staat van zijn zetel niet bevoegd is tot uitoefening van
het betrokken directe schadeverzekeringsbedrijf of dit bedrijf niet
vanuit een vestiging in die staat daadwerkelijk uitoefent; of
b. met betrekking tot zijn gehele in en buiten Nederland
uitgeoefende schadeverzekeringsbedrijf niet over een
solvabiliteitsmarge beschikt, die ten minste overeenkomt met de
ingevolge artikel 68 vereiste solvabiliteitsmarge.
2. Een intrekking als bedoeld in het eerste lid wordt
gelijkgesteld met een intrekking op grond van artikel 148, aanhef en
onderdeel b .
Artikel 192
1. Een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan
Nederland die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet heeft
voldaan aan de artikelen 50g dan wel 50 t of 50m
dan wel 50z van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf wordt
beschouwd te hebben voldaan aan de artikelen 111 onderscheidenlijk
113.
2. Een verzekeraar met zetel buiten de Unie die op het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet heeft voldaan aan de artikelen 50g
dan wel 50 t of 50m dan wel 50z van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf wordt beschouwd te hebben voldaan aan de artikelen
116 onderscheidenlijk 118.
Artikel 193
1. Een beschikking van de Verzekeringskamer, genomen op grond
van de artikelen 4, eerste lid, 6, zesde lid, 17, vierde lid, 24 in
samenhang met 22, vierde lid, 25, eerste lid, 26, vijfde lid, 27,
tweede lid, 29g, tweede lid, 34, 35a, tweede lid, 37,
vijfde lid, 42, vijfde lid, 50e, tiende lid, 50k, tweede
lid, 50o, eerste lid, 50x, tweede lid, 50bb,
eerste lid, 53b, vierde lid, 53c, vierde lid, 54, eerste
lid, 54, derde lid, 55, eerste of tweede lid, 57, eerste lid, 63,
eerste lid, of 83, vijfde lid, van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf, wordt, voor zover deze beschikking strekt,
beschouwd te zijn genomen op grond van de artikelen 18, eerste lid,
13, zesde lid, 28, vierde lid, 45, vierde lid, 49, eerste lid, 52,
derde lid, 71, tweede lid, dan wel 99, tweede lid, 147, tweede lid,
54, 76, tweede lid, dan wel 104, tweede lid, 66, vierde lid, 94,
vijfde lid, 109, tiende lid, 115, tweede lid, dan wel 120, tweede lid,
115, tweede lid, dan wel 120, tweede lid, 115, tweede lid, dan wel
120, tweede lid, 115, tweede lid, dan wel 120, tweede lid, 130,
achtste lid, 131, vierde lid, 142, tweede lid, dan wel 143, eerste
lid, 142, eerste lid, 138, eerste of tweede lid, dan wel 144, eerste
of tweede lid, 140, eerste lid, dan wel 146, eerste lid, 153, eerste
lid, onderscheidenlijk 181, vijfde lid.
2. Een beschikking van Onze Minister, genomen op grond van
artikel 81b, vierde lid, aanhef en onderdeel a , van de
Wet toezicht verzekeringsbedrijf, wordt, voor zover deze beschikking
strekt, beschouwd te zijn genomen op grond van artikel 179, vierde lid,
aanhef en onderdeel a .
Artikel 194
1. Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van
artikel 81 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf en die op het
tijdstip waarop deze wet in werking treedt niet is vervallen of
ingetrokken, wordt beschouwd te zijn verleend op grond van artikel 176
voor de in de artikelen 174 en 175 genoemde handelingen die
overeenkomen met de handelingen waarvoor de verklaring van geen
bezwaar was verleend, met dien verstande dat voor zover die verklaring
van geen bezwaar betrekking heeft op het verwerven of vergroten van
een deelneming of het uitoefenen van zeggenschap die tevens wordt
beschouwd te zijn verleend voor het houden van een gekwalificeerde
deelneming als bedoeld in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel w
, en 174, tweede lid.
2. Ten aanzien van handelingen waarop het eerste lid niet van
toepassing is en waarvoor ingevolge de artikelen 174 of 175 een
verklaring van geen bezwaar is vereist en waarop artikel 81 van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf niet van toepassing was, blijven de
verboden als bedoeld in de artikelen 174 en 175 buiten toepassing tot de
eerste dag van de negende kalendermaand na het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet.
3. Ten aanzien van een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in
de artikelen 1, eerste lid, onderdeel w , en 174, tweede lid, die
reeds werd gehouden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
en waarvoor ingevolge de artikelen 174 onderscheidenlijk 175 een
verklaring van geen bezwaar vereist is, wordt de verzekeraar als bedoeld
in artikel 174, eerste lid, onderscheidenlijk de natuurlijke persoon of
rechtspersoon als bedoeld in artikel 175, eerste lid, beschouwd te
beschikken over een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel
174, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 175, eerste lid.
Artikel 195
1. Op een schadeverzekeraar met zetel in Nederland die op 1
januari 1986 het verzekeringsbedrijf uitoefende en aan wie een
vergunning is verleend en die voorts gedurende het laatst verstreken
boekjaar voor 1 augustus 1978 niet een premie-inkomen van zesmaal het
minimum bedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 68, tweede
lid, laatste volzin, heeft geboekt, zijn laatstgenoemde bepaling en
artikel 68, derde lid, niet van toepassing. Voor de toepassing van dit
lid heeft het minimum bedrag van het garantiefonds de waarde zoals
deze gold op 1 juli 1994.
2. De ontheffing is van kracht tot het einde van het boekjaar
waarin een zodanig premie-inkomen zal zijn geboekt.
3. Zolang de ontheffing van kracht is, zal de solvabiliteitsmarge
van de verzekeraar niet mogen dalen beneden een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag, en zijn ten
aanzien van deze solvabiliteitsmarge de artikelen 68, vijfde lid, en 139
van overeenkomstige toepassing.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de verzekeraar die
zijn werkzaamheden uitbreidt met een of meer branches voor de
uitoefening waarvan hij een vergunning behoeft of die in een andere
lid-staat een bijkantoor wil openen dan wel zijn werkzaamheden aldaar
wil uitbreiden.
Artikel 196
Ten aanzien van overeenkomsten van verzekering die met een onderlinge
waarborgmaatschappij zijn gesloten voor 26 juli 1976 en waaruit de
rechten en verplichtingen na het in werking treden van deze wet worden
overgedragen, geldt artikel 62, aanhef en onderdeel a, van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek van de overdracht af, zulks in afwijking van
artikel 47, tweede lid, van de Overgangswet voor het nieuwe Burgerlijk
Wetboek.
Artikel 197
De artikelen 85, 86, 86a, 86b 88 en 89 van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek zijn vanaf 1 januari 1986 van overeenkomstige
toepassing op een vruchtgebruik van en een pandrecht op aandelen in het
waarborgkapitaal van een onderlinge waarborgmaatschappij, gevestigd voor
die datum.
Artikel 198
Ten aanzien van de kosten, verbonden aan de uitvoering van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf, voor zover deze op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn verhaald, blijft het
bepaalde bij of krachtens artikel 85 van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf van toepassing.
Artikel 199
Ingeval voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beroep is
ingesteld tegen een beslissing, genomen ingevolge de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf, wordt de zaak geheel afgedaan met toepassing van de
voorschriften die voor dat tijdstip golden.
Artikel 200
Ingeval voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de
faillietverklaring van een verzekeraar is uitgesproken of een machtiging
als bedoeld in artikel 66 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf is
verleend, blijven op het faillissement en op de vereffening of de
overdracht van verbintenissen de bepalingen van toepassing die voor dat
tijdstip golden.
Artikel 201
Ingeval voor 1 juni 1987 de faillietverklaring is uitgesproken van
een levensverzekeraar die in het bezit was van een verklaring als
bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Wet op het
Levensverzekeringbedrijf, Stb. 1922, 716, blijven op het
faillissement de bepalingen van toepassing die voor die datum golden.
Artikel 202
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald onder welke
beperkingen of voorschriften de bestaande voorzieningen die getroffen
zijn voor 4 december 1985 en die in strijd zijn met artikel 13, vierde
lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, onderdelen b en c,
onderdeel d, onder 2°, en onderdeel e, onder 2°, kunnen
worden voortgezet.
Artikel 203
Indien een andere lid-staat dan Nederland de richtlijn nr. 92/49/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 tot
coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de
levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de Richtlijnen
73/239/EEG en 88/357/EEG (PbEG L 228) of de richtlijn nr.
92/96/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 november
1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot
wijziging van de Richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (PbEG L
360) niet of onvolledig heeft uitgevoerd, kan Onze Minister bepalen dat
en in hoeverre de Pensioen- & Verzekeringskamer op verzekeraars met
zetel in die lid-staat deze wet of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf
toepast, zoals laatstgenoemde wet gold voor de inwerkingtreding van deze
wet.
Artikel 204
Een verzekeraar die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
ingevolge de Wet toezicht verzekeringsbedrijf verplicht is tot
afwikkeling van het betrokken gedeelte van zijn bedrijf is gedurende de
afwikkeling onderworpen aan de bepalingen van deze wet.
Artikel 205
Een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland die
op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet het
verzekeringsbedrijf vanuit een bijkantoor in Nederland uitoefent, geeft
binnen een maand na dit tijdstip aan de Verzekeringskamer het adres van
het bijkantoor op waaraan mededelingen aan de vertegenwoordiger kunnen
worden gestuurd.
Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen
Artikel 206
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 207
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 208
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 209
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 210
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 211
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 212
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 213
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 214
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 215
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 216
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 217
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 218
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 219
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 220
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 221
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 222
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 223
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 224
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 225
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 226
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 227
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 228
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 229
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 230
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 231
De Wet van 18 december 1986, Stb. 637, tot wijziging van de
Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf wordt ingetrokken.
Artikel 232
De Wet van 23 februari 1989, Stb. 52, tot aanvulling van de
Wet toezicht verzekeringsbedrijf met bepalingen omtrent hulpverlening op
reis wordt ingetrokken.
Artikel 233
De Wet van 23 mei 1990, Stb. 285, tot aanvulling van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf met bepalingen omtrent
rechtsbijstandverzekering wordt ingetrokken.
Artikel 234
De Wet van 20 juni 1990, Stb. 337, tot wijziging van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf in verband met de tweede richtlijn
schadeverzekering wordt ingetrokken.
Artikel 235
De Wet van 27 juni 1990, Stb. 341, tot wijziging van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf wordt ingetrokken.
Artikel 236
De Wet van 15 april 1992, Stb. 203, tot wijziging van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf en de Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen in verband met de richtlijn 90/618/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 8 november 1990 wordt ingetrokken.
Artikel 237
De Wet van 1 juli 1992, Stb. 441, tot wijziging van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf in verband met de tweede richtlijn
levensverzekering wordt ingetrokken.
Artikel 238
De Wet van 23 december 1992, Stb. 719, tot wijziging van de
Wet toezicht verzekeringsbedrijf in verband met de richtlijn inzake de
toepassing van de overeenkomst tussen de EEG en Zwitserland betreffende
het directe schadeverzekeringsbedrijf wordt ingetrokken.
Artikel 239
De Wet toezicht verzekeringsbedrijf wordt ingetrokken.
Artikel 240
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli 1994.
Artikel 241
Deze wet wordt aangehaald als: Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 9 maart 1994
BEATRIX
De Minister van Financiën,
W. Kok
Uitgegeven de veertiende april 1994
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage, bedoeld in
artikel 188d, eerste lid, van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993
Artikel 1
Voor de
overtredingen genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het
tijdstip van inwerkingtreding van Hoofdstuk XI B van deze
wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als volgt:
|
Tariefnummer:
|
Bedrag
(vast tarief):
|
|
1.
|
€ 543
|
|
2.
|
€ 907
|
|
3.
|
€ 5 445
|
|
4.
|
€ 21 781
|
|
5.
|
€ 87 125
|
Artikel 2
1. Indien een
boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling
als genoemd in tabel 1 1, is bij de vaststelling van de
hoogte van deze boete de volgende categorie-indeling naar
balanstotaal van toepassing met de daarbij behorende factor:
Categorie-indeling
normgeadresseerden
Categorie
I: schadeverzekeraars met een balanstotaal van minder
dan € 4 538 000 en levensverzekeraars met een balanstotaal
van minder dan € 13 613 000; factor: 1;
Categorie
II: schadeverzekeraars met een balanstotaal van ten
minste € 4 538 000 maar minder dan € 22 689 000 en
levensverzekeraars met een balanstotaal van ten minste €
13 613 000 maar minder dan € 68 067 000; factor: 2;
Categorie
III: schadeverzekeraars met een balanstotaal van ten
minste € 22 689 000 maar minder dan € 113 445 000 en
levensverzekeraars met een balanstotaal van ten minste €
68 067 000 maar minder dan € 340 335 000; factor: 3;
Categorie
IV: schadeverzekeraars met een balanstotaal van ten
minste € 113 445 000 maar minder dan € 453 780 000 en
levensverzekeraars met een balanstotaal van ten minste €
340 335 000 maar minder dan € 1 361 340 000; factor: 4;
Categorie
V: schadeverzekeraars met een balanstotaal van ten
minste € 453 780 000 en levensverzekeraars met een
balanstotaal van ten minste € 1 361 340 000; factor: 6.
2. De boete wordt
vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1, te
vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie
naar balanstotaal, bedoeld in het eerste lid.
3. Indien de
gegevens omtrent het balanstotaal niet aan Onze Minister of
de Pensioen- & Verzekeringskamer beschikbaar zijn
gesteld, kan Onze Minister of de Pensioen- &
Verzekeringskamer aan degene aan wie de boete wordt
opgelegd, verzoeken deze gegevens binnen een door hem
onderscheidenlijk haar te stellen termijn te verstrekken.
Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet
aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de
boete categorie V van toepassing.
Artikel 3
Indien het een
overtreding betreft waarvoor tariefnummer 1 is vastgesteld
en waarop de tabellen 1 of 2 van toepassing zijn of waarvoor
tariefnummer 2 is vastgesteld indien tabel 2 van toepassing
is, behoeft op grond van artikel 188f, tweede lid, de
betrokkene niet in de gelegenheid te worden gesteld om naar
keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren
te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
Tabel
1
|
Overtreding
van voorschriften, gesteld bij artikel:
|
Tariefnummer:
|
|
28, eerste
lid
|
3
|
|
28, tweede
lid
|
3
|
|
28, derde
lid
|
3
|
|
28, vierde
lid, eerste volzin
|
3
|
|
28, vijfde
lid
|
3
|
|
29, eerste
lid
|
4
|
|
29, tweede
lid
|
4
|
|
37, eerste
lid
|
1
|
|
38, eerste
lid
|
1
|
|
38, tweede
lid
|
1
|
|
38, vijfde
lid
|
1
|
|
42, tweede
lid
|
3
|
|
45, derde
lid, laatste volzin
|
3
|
|
45, vierde
lid, tweede volzin
|
3
|
|
49, derde
lid
|
3
|
|
49, zesde
lid
|
3
|
|
52, eerste
lid
|
3
|
|
52, tweede
lid
|
3
|
|
52, derde
lid
|
3
|
|
52, vierde
lid
|
3
|
|
52, vijfde
lid
|
3
|
|
52, zesde
lid
|
3
|
|
52,
zevende lid, tweede volzin
|
3
|
|
53, eerste
en tweede volzin
|
3
|
|
54, tweede
lid
|
4
|
|
54, derde
lid, onderdeel a
|
4
|
|
54a,
vierde lid
|
3
|
|
55, tweede
lid
|
3
|
|
55, derde
lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel
5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het
voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens
en bescheiden
|
3
|
|
57, tweede
volzin
|
3
|
|
58, eerste
lid
|
3
|
|
58, tweede
lid
|
3
|
|
58, derde
lid
|
3
|
|
58, vierde
lid
|
3
|
|
58, vijfde
lid
|
3
|
|
59
|
3
|
|
60
|
3
|
|
61
|
3
|
|
62
|
3
|
|
64, eerste
lid
|
3
|
|
64, tweede
lid
|
3
|
|
65
|
2
|
|
66, eerste
lid
|
4
|
|
66, tweede
lid
|
4
|
|
66, derde
lid
|
4
|
|
66, vijfde
lid
|
4
|
|
66, zesde
lid
|
4
|
|
67, eerste
lid
|
4
|
|
67, tweede
lid
|
4
|
|
68, derde
lid
|
4
|
|
68, vijfde
lid
|
4
|
|
69f
|
3
|
|
69i, derde
lid, eerste volzin
|
3
|
|
69i, derde
lid, tweede volzin
|
4
|
|
69j,
eerste lid
|
4
|
|
69k,
eerste lid, eerste volzin
|
4
|
|
70, eerste
lid
|
3
|
|
70a,
eerste lid
|
3
|
|
71, eerste
lid
|
2
|
|
71, tweede
lid, tweede volzin
|
2
|
|
72, eerste
lid
|
3
|
|
72, tweede
lid
|
4
|
|
72, derde
lid, vijfde volzin
|
1
|
|
72, zesde
lid
|
1
|
|
72a,
eerste lid, eerste en derde volzin
|
1
|
|
72c,
eerste lid
|
4
|
|
73, eerste
lid
|
1
|
|
73, tweede
lid
|
1
|
|
74, eerste
lid
|
2
|
|
74, tweede
lid
|
2
|
|
75, eerste
lid
|
2
|
|
75, tweede
lid
|
3
|
|
75, derde
lid
|
3
|
|
75, vierde
lid
|
2
|
|
76, eerste
lid
|
3
|
|
76, tweede
lid, tweede volzin
|
3
|
|
77, eerste
lid
|
1
|
|
77, tweede
lid
|
1
|
|
77, derde
lid
|
1
|
|
77,
zevende lid
|
1
|
|
78, eerste
volzin
|
1
|
|
80, eerste
lid
|
1
|
|
80, tweede
lid, onderdelen a en c tot en met e
|
1
|
|
80, derde
lid
|
1
|
|
81, eerste
lid
|
1
|
|
81, tweede
lid
|
1
|
|
81, derde
lid
|
1
|
|
81, zesde
lid
|
1
|
|
83a,
eerste lid
|
1
|
|
83a,
tweede lid
|
1
|
|
83a, derde
lid
|
1
|
|
83b,
eerste lid
|
1
|
|
83b,
tweede lid
|
1
|
|
83b,
vierde lid
|
1
|
|
84, eerste
lid
|
2
|
|
84, tweede
lid
|
2
|
|
85, eerste
lid
|
3
|
|
85, derde
lid, laatste volzin
|
3
|
|
88, eerste
lid
|
3
|
|
88, tweede
lid
|
3
|
|
89, eerste
lid
|
3
|
|
89, tweede
lid
|
3
|
|
90
|
2
|
|
93, eerste
lid
|
3
|
|
93, tweede
lid
|
3
|
|
94, eerste
lid
|
4
|
|
94, tweede
lid
|
4
|
|
94, derde
lid
|
4
|
|
94, vijfde
lid
|
4
|
|
94, zesde
lid
|
4
|
|
95, eerste
lid
|
4
|
|
95, tweede
lid
|
4
|
|
96, eerste
lid
|
4
|
|
96, tweede
lid
|
4
|
|
97
|
3
|
|
98, eerste
lid
|
3
|
|
98a,
eerste lid
|
3
|
|
99, eerste
lid
|
2
|
|
99, tweede
lid, tweede volzin
|
2
|
|
100,
eerste lid
|
3
|
|
100,
tweede lid
|
4
|
|
100, derde
lid, vijfde volzin
|
1
|
|
100, zesde
lid
|
1
|
|
100,
zevende lid, eerste volzin
|
1
|
|
100a,
eerste lid, eerste en derde volzin
|
1
|
|
100b,
eerste lid
|
4
|
|
101,
eerste lid
|
1
|
|
102,
eerste lid
|
2
|
|
102,
tweede lid
|
2
|
|
103,
eerste lid, onderdeel a, eerste volzin
|
2
|
|
103,
eerste lid, onderdelen b tot en met d
|
2
|
|
103,
tweede lid
|
3
|
|
103, derde
lid
|
3
|
|
103,
vierde lid
|
2
|
|
104,
eerste lid
|
3
|
|
104,
tweede lid, tweede volzin
|
3
|
|
105,
eerste lid
|
1
|
|
105,
tweede lid
|
1
|
|
106
|
1
|
|
108
|
5
|
|
109,
eerste lid
|
3
|
|
109, derde
lid
|
3
|
|
109,
vierde lid
|
3
|
|
109,
zevende lid
|
3
|
|
109,
achtste lid
|
3
|
|
109,
negende lid
|
3
|
|
109,
tiende lid, tweede volzin
|
3
|
|
111,
eerste lid
|
1
|
|
111,
tweede lid
|
1
|
|
113,
eerste lid
|
1
|
|
113,
tweede lid
|
1
|
|
113, derde
lid
|
1
|
|
113,
vierde lid
|
1
|
|
114,
eerste lid
|
1
|
|
115,
eerste lid, eerste volzin
|
4
|
|
115,
tweede lid, eerste volzin
|
4
|
|
116,
eerste lid
|
1
|
|
116,
tweede lid
|
1
|
|
116, derde
lid
|
1
|
|
118,
eerste lid
|
1
|
|
118,
tweede lid
|
1
|
|
118, derde
lid
|
1
|
|
118,
vierde lid
|
1
|
|
118,
vijfde lid
|
1
|
|
119
|
1
|
|
120,
eerste lid, eerste volzin
|
4
|
|
120,
tweede lid, eerste volzin
|
4
|
|
123,
eerste lid
|
2
|
|
125,
tweede lid
|
2
|
|
126
|
2
|
|
128, derde
lid
|
2
|
|
131,
eerste lid
|
2
|
|
131,
vijfde lid
|
2
|
|
132,
eerste lid
|
2
|
|
133,
tweede lid
|
2
|
|
134
|
2
|
|
136, derde
lid
|
2
|
|
137,
eerste lid
|
4
|
|
138,
eerste lid
|
3
|
|
138,
tweede lid
|
3
|
|
138,
vierde lid
|
3
|
|
139
|
3
|
|
140,
eerste lid
|
4
|
|
141,
eerste lid
|
4
|
|
141, derde
lid
|
4
|
|
143,
eerste lid
|
4
|
|
144,
eerste lid
|
3
|
|
144,
tweede lid
|
3
|
|
144,
vierde lid
|
3
|
|
145
|
3
|
|
146,
eerste lid
|
4
|
|
147,
eerste lid
|
4
|
|
147,
tweede lid
|
4
|
|
147, derde
lid
|
4
|
|
147c,
vijfde lid
|
3
|
|
147h,
tweede volzin
|
4
|
|
147i,
eerste lid
|
3
|
|
147i,
tweede lid
|
3
|
|
147i,
vierde lid
|
3
|
|
147j,
eerste lid
|
2
|
|
147k,
vijfde lid, derde en laatste volzin
|
3
|
|
147k,
zevende lid
|
1
|
|
147m,
derde lid
|
3
|
|
147m,
vierde lid
|
3
|
|
152
|
4
|
|
153,
eerste lid
|
4
|
|
154
|
4
|
|
165b
|
3
|
|
174,
eerste lid
|
3
|
|
174, zesde
lid
|
4
|
|
174,
zevende lid
|
3
|
|
176,
zevende lid
|
3
|
|
177,
tweede lid
|
2
|
|
186, derde
lid
|
1
|
Tabel
2
|
Overtreding
van voorschriften, gesteld bij artikel:
|
Tariefnummer:
|
|
13, vijfde
lid, eerste volzin
|
3
|
|
13, zesde
lid, tweede volzin
|
3
|
|
14, tweede
lid
|
1
|
|
24, eerste
lid
|
5
|
|
29, derde
lid
|
4
|
|
29, vierde
lid
|
4
|
|
29a
|
3
|
|
45, tweede
lid, laatste volzin
|
3
|
|
45, derde
lid, eerste volzin
|
3
|
|
45, vierde
lid, tweede volzin
|
3
|
|
45, vijfde
lid
|
3
|
|
54, vijfde
lid, eerste volzin
|
3
|
|
54a,
tweede lid
|
3
|
|
54a, derde
lid
|
3
|
|
55, tweede
lid
|
3
|
|
55, derde
lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel
5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het
voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens
en bescheiden
|
3
|
|
56, zesde
lid, laatste volzin
|
3
|
|
57, tweede
volzin
|
3
|
|
72a,
tweede lid
|
3
|
|
72a, derde
lid
|
3
|
|
72b
|
3
|
|
82, eerste
lid, laatste volzin
|
3
|
|
82, tweede
lid
|
3
|
|
83c,
eerste lid, laatste volzin
|
3
|
|
83c,
tweede lid
|
3
|
|
85, tweede
lid, tweede volzin
|
3
|
|
85, derde
lid, eerste volzin
|
3
|
|
85, vierde
lid
|
3
|
|
93, eerste
lid
|
3
|
|
93, tweede
lid
|
3
|
|
100a,
tweede lid
|
3
|
|
100a,
derde lid
|
3
|
|
103,
eerste lid, onderdeel a, laatste volzin
|
2
|
|
115,
vijfde lid
|
4
|
|
120,
vierde lid
|
4
|
|
147m,
vierde lid
|
3
|
|
152
|
3
|
|
154
|
3
|
|
175,
eerste lid
|
3
|
|
175,
vierde lid
|
3
|
|
175, zesde
lid
|
3
|
|
176,
zevende lid
|
3
|
|
177,
eerste lid
|
2
|
|
178,
eerste lid
|
2
|
|
179,
tweede lid
|
2
|
|
179,
negende lid
|
3
|
|
180
|
3
|
|
181,
eerste lid
|
3
|
|
181,
tweede lid
|
3
|
|
181, derde
lid
|
3
|
|
181, zesde
lid, laatste volzin
|
3
|
|
181,
zevende lid
|
3
|
|
184,
tweede lid
|
3
|
|
185,
tweede lid
|
3
|
Voetnoten:
|
|
|