WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er geen aanleiding meer is
voor een specifiek stimulerend overheidsbeleid ter bevordering van het
sparen door jeugdige personen, en het derhalve gewenst is de
Jeugdspaarwet in te trekken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
De Jeugdspaarwet (Stb. 1971, 362) wordt ingetrokken.
Artikel II
De premiëring van jeugd-spaarovereenkomsten, gesloten met
inachtneming van de Jeugdspaarwet vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, wordt beheerst door de Jeugdspaarwet,
zoals deze luidde vóór dat tijdstip, met dien verstande dat artikel
14, derde lid, derde volzin, buiten toepassing blijft en dat aan het
eerste lid van artikel 6 de volgende zin wordt toegevoegd: Mede als
gehuwde wordt aangemerkt de niet gehuwde deelnemer die met een persoon
van verschillend of gelijk geslacht duurzaam een gezamenlijk huishouding
voert, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de
eerste of tweede graad bestaat.
Artikel III
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 19 december 1991
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
B. de Vries
Uitgegeven de eenendertigste december 1991
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin