WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de
Staat der Nederlanden overgaat tot oprichting van De Nederlandse Munt N.V.
waarin de vermogensbestanddelen van de Staat die kunnen worden
toegerekend aan 's Rijks Munt worden ingebracht en van de Stichting
Nederlands Muntmuseum die het beheer zal voeren over de niet in de op te
richten vennootschap onder te brengen collectie van het Muntmuseum van
's Rijks Munt en dat ingevolge artikel 29 van de Comptabiliteitswet voor
de oprichting van deze beide rechtspersonen machtiging bij wet vereist
is, en voorts dat het wenselijk is in verband met oprichting van De
Nederlandse Munt N.V. en de beleidswijziging inzake de uitgifte van
zilveren dukaten de Muntwet 1987 te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Definitiebepalingen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
b. De Nederlandse Munt N.V.: de naamloze vennootschap, bedoeld in
artikel 2;
c. 's Rijks Munt: het staatsbedrijf, bedoeld in de Aanwijzingswet
's Rijks Munt (Stb. 1928, 483);
d. Stichting Het Nederlands Muntmuseum: de stichting, bedoeld in
artikel 2;
e. de overgangsdatum: de datum van oprichting van De Nederlandse
Munt N.V.;
f. personeelslid: degene die op de dag voorafgaand aan de
overgangsdatum in dienst is bij het Ministerie van Financiën en
werkzaam is bij 's Rijks Munt te Utrecht, hetzij als ambtenaar,
hetzij op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
Hoofdstuk 2. Machtiging
Artikel 2
1. Onze Minister wordt gemachtigd om namens de Staat der
Nederlanden op te richten de naamloze vennootschap De Nederlandse Munt
N.V., op welke vennootschap de artikelen 158 tot en met 164 van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn en welke vennootschap
ten doel heeft het vervaardigen en verkopen van munten, penningen,
eretekenen en soortgelijke produkten, zomede al hetgeen met het
bovenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.
2. De vennootschap kan ingevolge het eerste lid worden opgericht
zonder dat op de datum van oprichting een ondernemingsraad is ingesteld.
Tot het tijdstip waarop De Nederlandse Munt N.V. een ondernemingsraad
heeft ingesteld, waarop de bepalingen van de Wet op de ondernemingsraden
van toepassing zijn, worden de commissarissen benoemd, geschorst en
ontslagen door de algemene vergadering van aandeelhouders.
3. Onze Minister wordt gemachtigd om namens de Staat der
Nederlanden deel te nemen in het bij oprichting van De Nederlandse Munt
N.V. door hem vast te stellen kapitaal.
4. Onze Minister wordt gemachtigd om namens de Staat der
Nederlanden op te richten de Stichting Het Nederlands Muntmuseum, welke
stichting ten doel heeft het oprichten, het beheren of doen beheren en
het exploiteren van een museum dat betrekking heeft op het muntbedrijf
en het muntwezen in het algemeen en het namens de Staat der Nederlanden
verwerven en doen verwerven van objecten en documenten die betrekking
hebben op de bedrijfsuitoefening van de Nederlandse Munt N.V., op de
door De Nederlandse Munt N.V. voortgebrachte produkten en op het
muntbedrijf in het algemeen, alsmede op de historie van het muntwezen in
Nederland.
Artikel 3
1. Alle vermogensbestanddelen van de Staat die aan 's Rijks
Munt kunnen worden toegerekend, gaan op de overgangsdatum onder
algemene titel over op De Nederlands Munt N.V. tegen de waarde te
bepalen met inachtneming van het bepaalde in artikel 94a, boek
2 van het Burgerlijk Wetboek en zonder dat daarvoor een nadere akte of
betekening wordt gevorderd.
2. Van de in het eerste lid bedoelde overgang zijn uitgezonderd
de voor overdracht vatbare auteursrechten op de beeldenaars van munten,
de stempels en de ontwerpen van stempels voor de munten, de museale
verzamelingen en voorwerpen die deel uitmaken van de collecties van het
in artikel 2, vierde lid, bedoelde muntmuseum. Onze Minister kan andere
vermogensbestanddelen van de in het eerste lid bedoelde overgang
uitzonderen.
3. Artikel 4 van de Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten
is ten aanzien van de in het tweede lid genoemde museale verzamelingen
en voorwerpen niet van toepassing.
Artikel 4
De overgang van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 3, wordt
tot het beloop van het nominale bedrag van de bij oprichting geplaatste
aandelen of tot een door Onze Minister te bepalen hoger bedrag
aangemerkt als storting door de Staat op aandelen. Een dan nog resterend
verschil wordt aangemerkt als storting door de Staat op een of meer
leningen aan De Nederlandse Munt N.V., waarvan de voorwaarden door Onze
Minister worden vastgesteld.
Artikel 5
Met betrekking tot de in artikel 3, eerste lid, bedoelde
vermogensbestanddelen die in openbare registers te boek zijn gesteld,
zal verandering van de tenaamstelling in die registers plaatsvinden door
de bewaarders van die registers. De daartoe nodige opgaven worden door
de zorg van Onze Minister aan de bewaarders van de desbetreffende
registers gedaan.
Hoofdstuk 3. Personeel
Artikel 6
1. Ieder personeelslid heeft het recht bij De Nederlandse Munt
N.V. in dienst te treden op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
recht, ingaande op de overgangsdatum. Dit recht kan, behoudens het
bepaalde in het tweede en het tiende lid, niet na de overgangsdatum
worden uitgeoefend.
2. Het personeelslid dat op de overgangsdatum arbeidsongeschikt
is wegens ziekte, heeft recht op een arbeidsovereenkomst als bedoeld in
het eerste lid vanaf het tijdstip dat het personeelslid volledig
arbeidsgeschikt is verklaard.
3. Ten aanzien van de personeelsleden die waren aangesteld in
vaste dienst, dan wel werkzaam waren op arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd en die gebruik maken van het in het eerste lid bedoelde
recht, geldt de arbeidsovereenkomst zonder proeftijd voor onbepaalde
tijd.
4. Ten aanzien van de personeelsleden die waren aangesteld voor
een bepaalde tijd, dan wel werkzaam waren op arbeidsovereenkomst voor
een bepaalde tijd en die gebruik maken van het in het eerste lid
bedoelde recht, geldt de arbeidsovereenkomst voor de niet verstreken
tijd van de tijdelijke dienst of arbeidsovereenkomst.
5. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk
overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk in dienst
bij 's Rijks Munt vervulde, dan wel die voor hem passend mag worden
geacht, behoudens ten aanzien van enkele nadere door Onze Minister te
bepalen functies.
6. De arbeidsvoorwaarden zullen in hun geheel tenminste
gelijkwaardig zijn aan die, welke voor het personeelslid golden uit
hoofde van zijn arbeidsverhouding met 's Rijks Munt.
7. De Nederlandse Munt N.V. is gehouden de arbeidsovereenkomst
aan te gaan zonder nadere selectie of keuring.
8. Door het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst is het
personeelslid van rechtswege eervol ontslagen uit de dienst van de Staat
der Nederlanden (Ministerie van Financiën).
9. Het personeelslid kan bij Onze Minister bezwaar aantekenen
tegen de hem aangeboden arbeidsovereenkomst. Onze Minister stelt nadere
regels ten aanzien van de indiening en de behandeling van bezwaren.
10. Indien Onze Minister op de in het negende lid bedoelde
bezwaren heeft beslist, kan het personeelslid binnen een maand na de
kennisgeving van die beslissing alsnog zijn recht op arbeidsovereenkomst
uitoefenen. Onze Minister kan De Nederlandse Munt N.V. verplichten het
personeelslid een arbeidsovereenkomst aan te bieden waarvan de inhoud
aan dit artikel voldoet.
11. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het bepaalde
in dit artikel.
Artikel 7
1. Met ingang van de datum waarop het personeel overgaat krijgt
een personeelslid met wie een arbeidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, is gesloten, ter zake van de ouderdoms- en
nabestaandenpensioenvoorziening aanspraken jegens een door De
Nederlandse Munt N.V. aan te wijzen instelling als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onder b , dan wel onder c, van de
Pensioen- en spaarfondsenwet, die in totaliteit gelijkwaardig zijn aan
die welke het personeelslid op de laatste dag van de kalendermaand
voorafgaand aan de overgangsdatum heeft jegens het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet en neemt
de aangewezen instelling daarmee verband houdende verplichtingen op
zich.
2. De in het eerste lid bedoelde instelling wordt door De
Nederlandse Munt N.V. op de overgangsdatum aangewezen.
3. De aanspraken die een personeelslid als bedoeld in het eerste
lid toekomen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet en de daaruit
voortvloeiende verplichtingen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds
jegens dit personeelslid vervallen op de overgangsdatum.
4. Het derde lid is niet van toepassing op aanspraken
a. die door een personeelslid voor de overgangsdatum geldend zijn
gemaakt of geldend hadden kunnen worden gemaakt;
b. die betrekking hebben op het recht op invaliditeitspensioen en
het recht op de aanvulling daarvan, als bedoeld in artikel F9 van de
Algemene burgerlijke pensioenwet, van een personeelslid dat op de dag
voorafgaande aan de overgangsdatum, blijkens een geneeskundig
onderzoek als bedoeld in hoofdstuk P van de Algemene burgerlijke
pensioenwet, wegens ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn
functie te vervullen, doch waarover nog geen beslissing door het
bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds is genomen.
5. Het eerste, derde en vierde lid is van overeenkomstige
toepassing op het personeelslid dat op grond van artikel 6, negende tot
en met het elfde lid, na de overgangsdatum overgaat in dienst bij De
Nederlandse Munt N.V. met dien verstande dat de bedoelde aanspraken
ontstaan onderscheidenlijk vervallen met ingang van de dag waarop dit
personeelslid in dienst treedt bij De Nederlandse Munt N.V.
6. Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt
aan de in het eerste en tweede lid bedoelde instelling een deel van het
vermogen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds over. Een deel van de
overdrachtssom is gelijk aan de aanspraken op ouderdoms- en
nabestaandenpensioen die krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet
ten behoeve van de uittredende personeelsleden zijn opgebouwd tot en met
de dag voorafgaande aan de datum van een indiensttreding bij De
Nederlandse Munt N.V. In de totale overdrachtssom is een aan bedoelde
aanspraken evenredig aandeel in de algemene reserve begrepen, een en
ander volgens een door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds op te
stellen opgebouwde-aansprakenbalans. Het over te dragen vermogen heeft
eenzelfde rendementspotentieel als het bij het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds achterblijvende vermogen.
7. In afwijking van het zesde lid bedraagt het deel van de
overdrachtssom dat betrekking heeft op een personeelslid dat voorafgaand
aan de datum van indiensttreding wegens ziekte of gebreken ongeschikt is
verklaard voor een eerder door hem vervulde functie, een percentage van
het overeenkomstig het zesde lid ten aanzien van dat personeelslid
berekende bedrag dat gelijk is aan het percentage van zijn resterende
arbeidsgeschiktheid.
8. Ter bepaling van de financiële gevolgen voor het Algemeen
burgerlijk pensioenfonds van het vervallen van de verplichtingen jegens
de uitgetreden personeelsleden krachtens het derde lid en van de
waardeoverdracht krachtens het zesde lid, maakt het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds een berekening van de waardeoverdracht indien deze
gebaseerd zou zijn op de lasten-min-baten. Hiertoe wordt voor de
overgangsdatum een evenwichtige lasten-en-batenbalans opgesteld voor de
uitgetreden personeelsleden. Als basisbijdragepercentage wordt op deze
balans het percentage aangehouden dat in de toekomst nodig is om de nog
op te bouwen rechten van gerechtigden op pensioen ingevolge de Algemene
burgerlijke pensioenwet juist te dekken zonder rekening te houden met
toekomstige inflatie. Als inhaalbijdragepercentage wordt het percentage
gebruikt dat nodig is om de lasten-en-batenbalans van het fonds in
evenwicht te brengen.
9. Het verschil tussen de waardeoverdracht krachtens het zesde en
zevende lid en de lasten-min-batenuitkomst krachtens het achtste lid
wordt verrekend tussen het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en Onze
Minister.
Hoofdstuk 4. Fiscale bepalingen
Artikel 8
1. [Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
2. Voor de heffing van vennootschapsbelasting wordt op de
openingsbalans van De Nederlandse Munt N.V. geen goodwill opgevoerd met
betrekking tot de in artikel 3 bedoelde vermogensbestanddelen.
3. Met betrekking tot de overgang van de in artikel 3 bedoelde
vermogensbestanddelen van de Staat op de Nederlandse Munt N.V. vinden,
in afwijking van artikel 8, eerste lid, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969, artikel 10, derde lid, en artikel 11 van de
Wet op de inkomstenbelasting 1964 geen toepassing.
Artikel 9
Ter zake van de verkrijging ingevolge artikel 3 door De Nederlandse
Munt N.V. van vermogensbestanddelen van de Staat blijft de heffing van
overdrachtsbelasting achterwege.
Hoofdstuk 5. Archiefbescheiden
Artikel 10
1. De onder 's Rijks Munt berustende archiefbescheiden worden
ter beschikking gesteld aan De Nederlandse Munt N.V. Daarvan wordt een
verklaring opgemaakt, die ten minste inhoudt een specificatie van de
archiefbescheiden. Onze Minister, De Nederlandse Munt N.V. en de
algemene rijksarchivaris bewaren ieder een exemplaar van deze
verklaring.
2. De Archiefwet 1995 (Stb. 276) is op de in het eerste
lid bedoelde archiefbescheiden van toepassing, met dien verstande, dat
de archiefbescheiden die ouder zijn dan twintig jaar, binnen een tijdvak
van vijf jaar door De Nederlandse Munt N.V., door tussenkomst van Onze
Minister, worden overgebracht naar de algemene Rijksarchiefbewaarplaats.
Hoofdstuk 6. Wijzigingen andere wetten
Artikel 11
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 12
De Aanwijzingswet 's Rijks Munt (Stb. 1928, 483) wordt
ingetrokken.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 13
Onze Minister van Financiën zendt binnen drie jaar na de
inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 14
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 27 april 1994
BEATRIX
De Minister van Financiën,
W. Kok
De Staatssecretaris van Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort
Uitgegeven de negentiende mei 1994
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin