WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben dat het wenschelijk is,
afzonderlijke bepalingen te treffen ten aanzien van de pensionneering
van de reserve-adjudanten-onderofficier van de landmacht, die op grond
van de door hen bekleede betrekking geacht worden voortdurend in
werkelijken dienst te zijn of geweest te zijn, alsmede ten aanzien van
de pensionneering van hunne weduwen en weezen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Ten aanzien van de reserve-adjudanten-onderofficier, die op grond van
de door hen bekleede betrekking geacht worden voortdurend in werkelijken
dienst te zijn of te zijn geweest, worden van toepassing verklaard de
bepalingen van de Pensioenwet voor de landmacht (Staatsblad 1922
n°. 66).
De tijd, gedurende welken zij in bedoelde betrekking zijn werkzaam
geweest, wordt beschouwd als onder de wapenen te zijn doorgebracht.
Artikel 2
1. De in artikel 1 bedoelde onderofficieren worden beschouwd
als vrijwillig dienende militairen in den zin van artikel 2 der
Militaire Weduwenwet 1922, ook al zouden zij reeds als gepensionneerd
militair voor hunne weduwen en weezen aanspraak op pensioen hebben op
grond van voormelde wet.
2. Onderofficieren, als in artikel 1 bedoeld, die in het tijdvak
van 1 Januari 1918 tot 1 Juli 1922 als zoodanig zijn gepensionneerd,
worden uit dien hoofde van 1 Januari 1920 af beschouwd als
gepensionneerde militairen in den zin van artikel 3 onder a der
Militaire Weduwenwet 1922, ongeacht of zij al dan niet reeds als
gepensionneerd militair voor hunne weduwen en weezen uitzicht hadden op
pensioen ten laste van het weduwen- en weezenfonds voor militairen en
gepensionneerde militairen van de landmacht.
Artikel 3
Het bepaalde bij artikel 1 dezer wet wordt geacht in werking te zijn
getreden op 1 Januari 1920, terwijl de pensioenen, welke in het tijdvak
van 1 Januari 1918 tot 1 Januari 1920 zijn verleend aan
reserve-adjudanten-onderofficier, als waarvan in gemeld artikel sprake
is, te rekenen van laatstgenoemden datum zullen worden herzien aan de
hand van de in artikel 1 genoemde wet, voor zoover zulks voor de
belanghebbenden voordeelig zal blijken te zijn.
Het bepaalde bij artikel 2 wordt geacht in werking te zijn getreden
op 1 Juli 1922.
Aan de weduwen en weezen van reserve-adjudanten-onderofficier, als in
artikel 1 bedoeld, - voor zoover die militairen zijn overleden in het
tijdvak van 1 Januari 1920 tot 1 Juli 1922 - wordt, te rekenen van
laatstgemelden datum, pensioen toegekend naar de bepalingen der
Militaire Weduwenwet 1922 en ten laste van het in artikel 1 dier wet
genoemde fonds, berekend naar den pensioensgrondslag, welke voor de
overledenen zou hebben gegolden, indien zij op den datum van overlijden
waren gepensionneerd op grond van de Pensioenwet voor de Landmacht (Staatsblad
1922, n°. 66), ongeacht of zij al dan niet deelgenoot waren van het
voormalige weduwen- en weezenfonds voor militairen en gepensionneerde
militairen van de landmacht.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te Rydal Hall, Ambleside, den 2den Juli 1923.
WILHELMINA
De Minister van Oorlog,
Van Dijk
De Minister van Financiėn,
De Geer
Uitgegeven den zestienden Juli 1923
De Minister van Justitie,
Heemskerk