WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is,
afzonderlijke bepalingen te treffen ten aanzien van de pensionneering
van reserve-officieren der Koninklijke landmacht, die zich - ter
aanvulling van een bestaand tekort aan beroeps-officieren - krachtens
een daartoe gesloten vrijwillige verbintenis in actieven dienst bevinden
met bestemming om naar het korps beroeps-officieren bij het leger hier
te lande over te gaan, alsmede ten aanzien van de pensionneering van
hunne weduwen en weezen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Ten aanzien van de reserve-officieren der Koninklijke landmacht, die
zich - ter aanvulling van een bestaand tekort aan beroeps-officieren -
krachtens een daartoe gesloten vrijwillige verbintenis in actieven
dienst bevinden met bestemming om naar het korps beroeps-officieren bij
het leger hier te lande over te gaan, worden, tenzij uitdrukkelijk
anders wordt bepaald, van toepassing verklaard de bepalingen van de
Pensioenwet voor de landmacht (Staatsblad 1922, No. 66), een en
ander met afwijking in zooverre van het bepaalde in artikel 1 der
evenaangehaalde pensioenwet.
Artikel 2
Ten aanzien van de in artikel 1 dezer wet bedoelde reserve-officieren
worden, tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, eveneens van
toepassing verklaard de bepalingen van de Militaire Weduwenwet 1922, een
en ander met afwijking in zooverre van het bepaalde onder a van
artikel 2 der evenaangehaalde wet.
Artikel 3
1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid zal ten aanzien van
de in artikel 1 dezer wet bedoelde reserve-officieren de Pensioenwet
voor het reserve-personeel der landmacht (Staatsblad 1923, No.
356) geen toepassing vinden.
2. Indien in eenig geval pensionneering van de in artikel 1 dezer
wet bedoelde reserve-officieren met toepassing van deze wet voor hen
minder voordeelig mocht blijken te zijn dan pensionneering krachtens de
bepalingen der Pensioenwet voor het reserve-personeel der landmacht (Staatsblad
1923, No. 356) en die der wetten, waarbij die wet is of nog zal worden
aangevuld of gewijzigd, blijft pensionneering ingevolge deze wet
achterwege en zal het pensioen worden geregeld met inachtneming van
evenbedoelde bepalingen.
Artikel 4
Deze wet treedt in werking met ingang van den dag, volgende op dien
der afkondiging.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize het Loo, den 22sten December 1938
WILHELMINA
De Minister van Defensie,
Van Dijk
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
Van Boeyen
Uitgegeven den tienden Januari 1939
De Minister van Justitie,
C. Goseling