WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is enige regelen
te stellen nopens de uitvoering van de Verordening No. 11 van de Raad
van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de opheffing van
discriminaties inzake vrachtprijzen en vervoervoorwaarden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Definities
Artikel 1
In deze Wet wordt verstaan onder:
a. Verordening: de Verordening No. 11 van de Raad van de Europese
Economische Gemeenschap (Publikatieblad van de Europese
Gemeenschappen van 16 augustus 1960);
b. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Algemene bepalingen
Artikel 2
1. De ondernemers, die vervoer verrichten als bedoeld in
artikel 5 van de Verordening, zijn verplicht volgens bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te stellen voorschriften aan Onze
Minister en de door deze aangewezen instanties en ambtenaren gegevens
te verschaffen betreffende tarieven, overeenkomsten, prijsafspraken en
vervoervoorwaarden.
2. Een gelijke verplichting rust, voor wat betreft gegevens met
betrekking tot de verrichte werkzaamheden en de toegepaste prijzen en
voorwaarden, op
a. de expediteurs en andere tussenpersonen op het gebied van
vervoer, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Verordening;
b. de ondernemers, die rechtstreeks bijkomstige werkzaamheden ten
dienste van het vervoer verrichten, als bedoeld in artikel 13, tweede
lid, van de Verordening.
Artikel 3
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten
aanzien van vervoer, waarop artikel 6 van de Verordening van
toepassing is, regels worden gesteld met betrekking tot het gebruik
van vervoerdocumenten en het bijhouden van een bedrijfsadministratie.
2. Voor zover deze regels betrekking hebben op het medezenden van
vervoerdocumenten, zijn de in Nederland gevestigde ondernemers ook
buiten Nederland hieraan gehouden.
Artikel 4
1. Met het toezicht op de naleving van de voorschriften van de
artikelen 11 en 13 van de Verordening en de artikelen 2 en 3 van deze
wet, alsmede van de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften zijn
belast de door Onze Minister en Onze Minister van Justitie gezamenlijk
aan te wijzen ambtenaren. De toezichthouder beschikt niet over de
bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet
bestuursrecht.
2. Zij staan de lasthebbers van de Commissie, bedoeld in artikel
14, tweede lid, van de Verordening, bij in de uitvoering van hun
opdracht.
3. Zij berichten hun bevindingen aan Onze Minister.
Raadpleging rechterlijke instantie
Artikel 5
In elk geval, waarin de Regering ingevolge het bepaalde in artikel
79, vierde lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap of ingevolge het bepaalde in artikel 18, derde
lid, van de Verordening wordt geraadpleegd in verband met een
voorgenomen sanctie tegen een in Nederland gevestigde ondernemer, wint
Onze Minister van Justitie het advies in van het Gerechtshof te
's-Gravenhage.
Artikel 6
1. Indien Onze Minister van Justitie overeenkomstig het
voorgaande artikel het advies van het Gerechtshof heeft ingewonnen,
wordt de zaak door de raadkamer behandeld. Als raadkamer treedt op de
economische strafkamer.
2. Het Hof stelt, alvorens advies uit te brengen, de ondernemer
tegen wie sancties worden overwogen - hierna aangeduid als verdachte -
in de gelegenheid om te worden gehoord. Het kan zijn verschijning
bevelen en alsdan zijn medebrenging gelasten. Artikel 15, derde en
vierde lid, van de Wet op de economische delicten is van overeenkomstige
toepassing. De verdachte kan zich doen vertegenwoordigen door een
advocaat, bepaaldelijk daartoe door hem gevolmachtigd, tenware het Hof
vertegenwoordiging niet mocht toelaten.
3. De artikelen 22-25 van het Wetboek van Strafvordering zijn bij
de behandeling van de zaak van overeenkomstige toepassing.
4. Het openbaar ministerie en de verdachte zijn bevoegd getuigen
en deskundigen voor verhoor door het Hof te doen dagvaarden of
schriftelijk te doen oproepen. Het Hof kan ook ambtshalve getuigen en
deskundigen horen. Het Hof kan de medebrenging van niet verschenen
getuigen en deskundigen gelasten.
5. Het openbaar ministerie en de verdachte en zijn raadsman
kunnen bij elk verhoor van getuigen en deskundigen aanwezig zijn. Aan de
verdachte en zijn raadsman wordt op hun verzoek toegestaan van de
processtukken kennis te nemen.
Artikel 7
Uiterlijk binnen vijf weken na de datum waarop het verzoek om advies
werd ontvangen, brengt het Hof advies uit aan Onze Minister van
Justitie. Het advies is vergezeld van het proces-verbaal van het
onderzoek. Afschrift van het advies en van het proces-verbaal wordt aan
de verdachte gezonden.
Strafbepalingen
Artikel 8
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Slotbepalingen
Artikel 9
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: Wet tot uitvoering van
de Verordening No. 11 van de Raad van de Europese Economische
Gemeenschap. Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 27 juni 1963
JULIANA
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
E.G. Stijkel
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. Luns
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
De Minister van Economische Zaken,
J.W. de Pous
Uitgegeven de zesde augustus 1963
De Minister van Justitie,
Y. Scholten