WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
overeenkomsten voor het gebruik van grond ten behoeve van de verkoop van
motorbrandstoffen aan wegen in beheer bij de Staat door middel van een
veiling toe te wijzen, teneinde aldus de prijsconcurrentie op de markt
van motorbrandstoffen langs wegen in beheer bij het Rijk te vergroten,
de toetredingsmogelijkheden tot die markt te verruimen, en de Staat een
vergoeding te bieden voor zijn bijdrage aan het tot stand brengen van
die markt;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Paragraaf 1. Definities
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. exploitant: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die
een onderneming drijft wier werkzaamheden bestaan of mede bestaan in
de verkoop van motorbrandstoffen;
b. huurovereenkomst: een overeenkomst tussen de Staat en een
wederpartij, de huurder, die de huurder het recht geeft een locatie
te gebruiken voor de vestiging van een verkooppunt van
motorbrandstoffen;
c. locatie: gedeelte van een verzorgingsplaats, bestemd voor de
vestiging van een verkooppunt van motorbrandstoffen;
d. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
e. verzorgingsplaats: een perceel grond dat
1°. is ingericht met een of meer voorzieningen ten behoeve van
de gebruikers van een weg, en
2°. over het net van wegen die openbaar zijn in de zin van de
Wegenwet, met een motorvoertuig slechts is te bereiken via de
afrit van de weg naar het perceel.
Artikel 2
Deze wet is slechts van toepassing op locaties die zijn gelegen op
een verzorgingsplaats
1°. aan een weg in beheer bij het Rijk, en
2°. in eigendom van de Staat.
Paragraaf 2. De huurovereenkomst
Artikel 3
1. De Staat geeft een locatie in gebruik door middel van een
huurovereenkomst. Onverminderd het bepaalde in artikel 217, tweede
lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek heeft aanbod en aanvaarding
van de huurovereenkomst slechts plaats op de door deze wet bepaalde
wijze.
2. De volgende leden zijn uitsluitend van toepassing op
huurovereenkomsten die overeenkomstig artikel 5 tot stand zijn gekomen.
3. De huurder is bevoegd op de locatie gebouwen, werken en
beplantingen aan te brengen, te wijzigen en te verwijderen. Hij draagt
er zorg voor dat gebouwen, werken en beplantingen, voorzover aanwezig,
in goede staat zijn.
4. De huurovereenkomst heeft een duur van ten hoogste vijftien
jaren. Zij kan uitdrukkelijk noch stilzwijgend worden verlengd voorzover
door de verlenging de overeenkomst een duur krijgt van meer dan vijftien
jaren. Indien evenwel na een veiling de huurovereenkomst met degene die
op de veiling het hoogste bod heeft uitgebracht niet tot stand komt
ingevolge artikel 5, vijfde lid, kan de huurovereenkomst die ten tijde
van de veiling van kracht was voor een korte duur worden verlengd,
ongeacht de duur die die overeenkomst door die verlenging krijgt.
5. De artikelen 206, derde lid, 215, zesde lid, 226, vierde lid,
en 230a en afdeling 6 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
zijn op de huurovereenkomst niet van toepassing.
6. De huurder is bevoegd om met betrekking tot de locatie, die
voorwerp is van de door hem gesloten huurovereenkomst, een overeenkomst
te sluiten met een exploitant. Een zodanige overeenkomst eindigt in
ieder geval op het moment waarop de huurovereenkomst eindigt. In
afwijking van artikel 300, tweede en derde lid, van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, is daartoe geen opzegging vereist. Indien de
overeenkomst met de exploitant een huurovereenkomst is in de zin van
artikel 201 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is artikel 230a van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek op die huurovereenkomst niet van
toepassing. Indien het aan de exploitant verhuurde voldoet aan de
omschrijving van bedrijfsruimte in artikel 290, tweede en derde lid van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is, onverminderd de tweede en derde
volzin van dit lid, afdeling 6 van titel 4 van dat boek op de
huurovereenkomst met die exploitant van toepassing.
7. In afwijking van de eerste volzin van het eerste lid kan de
Staat op verzoek van degene, met wie overeenkomstig artikel 5 een
huurovereenkomst is gesloten, de locatie aan hem in gebruik geven door
vestiging van een recht van erfpacht. Het recht van erfpacht vervangt de
huurovereenkomst. Het verzoek wordt uiterlijk gedaan op de derde werkdag
na de veiling, bedoeld in artikel 5. Alle kosten en lasten van de
erfpacht zijn ten laste van de verzoeker. Op de erfpacht
onderscheidenlijk de erfpachter zijn de bepalingen van deze wet inzake
de huurovereenkomst onderscheidenlijk de huurder van overeenkomstige
toepassing, met uitzondering van artikel 3, vijfde lid. Artikel 98 van
Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is op de erfpacht evenmin van
toepassing.
Artikel 4
Na afloop van de huurovereenkomst die overeenkomstig artikel 5 tot
stand is gekomen vergoedt de Staat aan de huurder de waarde van de
gebouwen, werken en beplantingen, die de huurder op de locatie heeft
achtergelaten. Deze waarde is gelijk aan de gecorrigeerde
vervangingswaarde, bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet
waardering onroerende zaken, berekend krachtens artikel 20, tweede lid,
van de Wet waardering onroerende zaken.
Paragraaf 3. De veiling
Artikel 5
1. De Staat sluit een huurovereenkomst met betrekking tot een
locatie met degene, die op een door de Staat uitgeschreven, openbare
veiling het hoogste bod heeft uitgebracht.
2. De opbrengst van de veiling komt ten goede aan de Staat.
3. Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden terzake
van de veiling en de toelating tot de veiling nadere regels gesteld.
Onze Minister kan daarbij bepalen, dat toegang tot de veiling slechts
tegen betaling wordt verleend.
4. Voorafgaande aan een veiling wordt aan belangstellenden tegen
betaling een biedboek ter beschikking gesteld, waarin de betrokken
locatie en de daarbij behorende huurovereenkomst worden beschreven.
5. Indien de Staat niet binnen twee weken na de dag van de
veiling het geboden bedrag heeft ontvangen, komt de huurovereenkomst
niet tot stand, onverminderd de verplichting van degene die het hoogste
bod deed tot vergoeding van de schade die de Staat door diens handelen
lijdt. In het geval er geen huurovereenkomst tot stand komt, wordt zo
spoedig mogelijk een nieuwe veiling uitgeschreven.
6. Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven kan
de Staat, in afwijking van het eerste lid, een huurovereenkomst met
betrekking tot een locatie sluiten zonder een veiling uit te schrijven.
7. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het zesde lid is
uitsluitend sprake, indien:
a. het wegens reconstructie van een locatie of wegens werkzaamheden
aan de weg waaraan een locatie is gelegen naar het oordeel van de
Staat noodzakelijk is die locatie te vervangen door een nieuwe
locatie;
b. de locatie voor een periode korter dan 15 jaar in gebruik wordt
gegeven, waarbij het naar het oordeel van de Staat niet doelmatig is
voor deze kortere periode een veiling uit te schrijven;
c. het beheer van een weg aan het Rijk wordt overgedragen, waarbij
naar het oordeel van de Staat met de gebruiker van een locatie aan die
weg een nieuwe overeenkomst gesloten moet worden;
d. in andere bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
gevallen.
Paragraaf 4. Overgangsbepalingen
Artikel 6
1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. bestaande overeenkomst: een overeenkomst, hoe ook genaamd,
gesloten met de Staat voor het tijdstip waarop deze wet in werking
treedt, die het recht geeft een locatie te gebruiken ten behoeve van
de verkoop van motorbrandstoffen, en die van kracht is op het tijdstip
waarop met betrekking tot de locatie een veiling plaats heeft;
b. bestaande exploitatieovereenkomst: een overeenkomst, gesloten
voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt tussen een
wederpartij van de Staat bij een bestaande overeenkomst en een
exploitant, en die van kracht is op het tijdstip waarop met betrekking
tot de locatie die voorwerp is van de exploitatieovereenkomst een
veiling plaats heeft;
c. bestaande exploitant: de exploitant die partij is bij een
bestaande exploitatieovereenkomst.
2. Overeenkomsten die het recht geven een locatie te gebruiken
ten behoeve van de verkoop van motorbrandstoffen, gesloten met de Staat
als gevolg van een veiling voor het tijdstip waarop deze wet in werking
treedt, zijn geen bestaande overeenkomsten in de zin van deze wet.
3. Aanvaarding van een toezegging als bedoeld in artikel 18,
eerste lid, leidt niet tot een bestaande overeenkomst.
Artikel 7
1. De Staat schrijft met betrekking tot een locatie die
voorwerp is van een bestaande overeenkomst een veiling uit als bedoeld
in artikel 5 volgens een tijdschema, dat door Onze Minister jaarlijks
wordt vastgesteld voor een periode van zeven en een half jaar, volgend
op het moment van vaststelling. Het tijdschema wordt bekend gemaakt in
de Staatscourant voor het eerst bij het inwerkingtreden van deze wet
en vervolgens telkens in de laatste maand van het jaar voorafgaande
aan het jaar waarin volgens het schema de eerstvolgende veiling plaats
heeft.
2. Een bestaande overeenkomst met betrekking tot een locatie, die
na een veiling als bedoeld in het eerste lid in gebruik wordt gegeven,
eindigt op het tijdstip waarop de huurovereenkomst, die ingevolge de
veiling tot stand komt, in werking treedt.
3. De opbrengst van de veiling, bedoeld in het eerste lid, komt
ten goede aan de wederpartij bij de bestaande overeenkomst die ingevolge
het tweede lid eindigt. Heeft die wederpartij op grond van de bestaande
overeenkomst recht op een vergoeding, dan komt de opbrengst van de
veiling slechts aan haar ten goede voor zover die opbrengst de
vergoeding te boven gaat.
4. Indien op de veiling, bedoeld in het eerste lid, het hoogste
bod is uitgebracht door de wederpartij bij de overeenkomst die ingevolge
het tweede lid eindigt, komt, in afwijking van het derde lid, van de
opbrengst een bedrag ten goede aan de Staat ter grootte van het verschil
tussen het hoogste en het naast hoogste bod, maar niet meer dan 30
procent van het hoogste bod. Onze Minister kan de hoogte van het
percentage lager vaststellen.
Artikel 8
De huurder vergoedt aan de wederpartij van de Staat bij een bestaande
overeenkomst de waarde van gebouwen, werken en beplantingen, die de
wederpartij van de Staat bij een bestaande overeenkomst na de eerste
veiling van de locatie overeenkomstig artikel 5 op die locatie heeft
achtergelaten.
Artikel 9
1. Het biedboek, dat ter beschikking wordt gesteld voorafgaand
aan een veiling met betrekking tot een locatie die voorwerp is van een
bestaande exploitatieovereenkomst, vermeldt het gemiddelde netto
winstaandeel van de exploitant indien de veiling plaats heeft voor
1 januari 2018.
2. Het gemiddelde netto winstaandeel van de exploitant wordt in
opdracht van en tegen betaling door de Staat bepaald door een accountant
of een accountant-administratieconsulent als bedoeld in artikel 393,
eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De grondslagen van de
bepaling van het gemiddelde netto winstaandeel worden vastgesteld bij
ministeriële regeling.
3. Het gemiddelde netto winstaandeel van de exploitant is het
gemiddelde van het netto winstaandeel dat de exploitant heeft genoten in
de drie kalenderjaren die voorafgaan aan het jaar, waarin de veiling
plaats heeft met betrekking tot de locatie die voorwerp is van de
bestaande exploitatieovereenkomst.
4. Indien het gemiddelde netto winstaandeel, bepaald
overeenkomstig het tweede en het derde lid, significant afwijkt van het
gemiddelde van het netto winstaandeel dat de exploitant heeft genoten in
de kalenderjaren 1998 tot en met 2000 en die afwijking niet het gevolg
is van wijzigingen in marktomstandigheden of in de inspanningen van de
exploitant, bepaalt de accountant of de
accountant-administratieconsulent in afwijking van het derde lid een
gemiddeld netto winstaandeel dat naar zijn oordeel redelijk is. Daarbij
houdt hij rekening met de opvattingen van partijen bij de bestaande
exploitatieovereenkomst.
5. De partijen bij de bestaande exploitatieovereenkomst verlenen
de accountant of de accountant-administratieconsulent alle medewerking,
die deze voor de vaststelling van het gemiddeld netto winstaandeel
behoeft.
6. Indien de accountant of de accountant-administratieconsulent
wegens het ontbreken van de medewerking of van de gegevens die hij nodig
heeft geen gemiddeld netto winstaandeel kan vaststellen, maakt hij van
het gemiddeld netto winstaandeel een schatting die naar zijn oordeel
redelijk is. Daarbij houdt hij rekening met alle factoren die hij van
belang acht.
Artikel 10
In het biedboek, dat ter beschikking wordt gesteld voorafgaand aan
een veiling met betrekking tot een locatie die voorwerp is van een
bestaande exploitatieovereenkomst, wordt de bestaande
exploitatieovereenkomst opgenomen, indien de exploitant aan de
wederpartij bij de bestaande exploitatieovereenkomst is toegewezen door
Onze Minister van Economische Zaken en de veiling plaats heeft voor
1 januari 2021. Artikel 9 is niet van toepassing.
Artikel 11
1. Degene, die ingevolge een veiling als bedoeld in artikel 7
die plaats heeft gehad voor 1 januari 2018 huurder is geworden
van een locatie die voorwerp is van een bestaande
exploitatieovereenkomst, biedt de bestaande exploitant een nieuwe
overeenkomst aan, die die exploitant redelijkerwijs in staat stelt om
tot en met het kalenderjaar 2017 gemiddeld een netto winstaandeel te
genieten dat gelijk is aan diens gemiddelde netto winstaandeel,
bedoeld in artikel 9, en die overigens in verhouding tot de bestaande
exploitatieovereenkomst geen zodanige bepalingen bevat, dat
aanvaarding door de exploitant van hem redelijkerwijs niet kan worden
verlangd.
2. Over de nieuwe overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, treedt
degene die ingevolge de veiling huurder is geworden uiterlijk één week
na de dag van de veiling in overleg met de bestaande exploitant. Hij
biedt de bestaande exploitant in ieder geval schriftelijk een nieuwe
overeenkomst aan als bedoeld in het eerste lid, wanneer vier weken na de
dag van de veiling nog geen nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen.
Dit schriftelijke aanbod wordt gedaan door middel van een aangetekende
brief en niet later dan acht weken na de dag van de veiling.
3. Het schriftelijke aanbod, bedoeld in de tweede volzin van het
tweede lid, gaat vergezeld van een gemotiveerd, schriftelijk oordeel van
een deskundige, dat de aangeboden nieuwe overeenkomst de bestaande
exploitant redelijkerwijs in staat stelt om tot en met het kalenderjaar
2017 gemiddeld een netto winstaandeel te genieten dat gelijk is aan
diens gemiddeld netto winstaandeel, bedoeld in artikel 9.
4. Alvorens tot zijn oordeel te komen stelt de deskundige degene
die ingevolge de veiling huurder is geworden en de bestaande exploitant
in de gelegenheid hun zienswijze te geven.
5. Bij het bepalen van zijn oordeel houdt de deskundige rekening
met de zienswijze van degene die ingevolge de veiling huurder is
geworden en van de bestaande exploitant, en neemt hij de volgende
uitgangspunten in acht:
a. de marktomstandigheden na de veiling worden geacht gelijk te
zijn aan die voor de veiling;
b. de inspanning van de exploitant na de veiling wordt geacht
gelijk te zijn aan die van de bestaande exploitant voor de veiling;
c. de omzet, die de exploitant naar verwachting jaarlijks kan
behalen op grond van de overeenkomst die wordt gesloten met degene die
ingevolge de veiling huurder is geworden, moet hem in staat stellen
het gemiddelde netto winstaandeel te genieten, bedoeld in artikel 9;
d. indexatieregelingen uit de bestaande exploitatieovereenkomst,
daaronder begrepen indexatieregelingen die krachtens bestendig gebruik
tot die overeenkomst moeten worden gerekend, behoren in de nieuwe
overeenkomst terug te keren.
6. De deskundige, bedoeld in dit artikel, is onafhankelijk. Hij
verricht zijn werkzaamheden in opdracht van en tegen betaling door de
Staat.
7. De bestaande exploitant deelt uiterlijk twee weken na de
ontvangst van de nieuwe overeenkomst en het oordeel van de deskundige,
bedoeld in het derde lid, aan degene die ingevolge de veiling huurder is
geworden per aangetekende brief mee, of hij de nieuwe overeenkomst
aanvaardt. Aanvaarding houdt tevens in, tenzij partijen anders
overeenkomen, dat de nieuwe overeenkomst in werking treedt op het
tijdstip waarop de nieuwe huurovereenkomst die ingevolge de veiling,
bedoeld in artikel 7, tot stand is gekomen, onvoorwaardelijk in werking
treedt. Inwerkingtreden van de nieuwe overeenkomst doet de bestaande
exploitatieovereenkomst eindigen.
8. Indien de bestaande exploitant de nieuwe overeenkomst niet
aanvaardt of indien de mededeling, bedoeld in het zevende lid,
uitblijft, eindigt de bestaande exploitatieovereenkomst op het tijdstip,
waarop de bestaande overeenkomst eindigt, zonder dat de bestaande
exploitant om die reden recht heeft op enige vergoeding.
9. Degene die ingevolge de veiling, bedoeld in artikel 7, huurder
is geworden, vergoedt de bestaande exploitant maandelijks de schade die
deze lijdt, indien hij geheel of gedeeltelijk wordt belemmerd in de
uitoefening van zijn bedrijf. Geen verplichting tot vergoeding bestaat,
indien de oorzaak van de belemmering is gelegen in het bedrijf van de
bestaande exploitant. Kan de oorzaak van de belemmering worden
toegerekend aan de Staat, dan vergoedt de Staat aan degene die huurder
is geworden de schade die deze ingevolge de eerste volzin heeft vergoed,
voorzover deze schade aan de Staat toerekenbaar is.
Artikel 12
1. Indien een overeenkomst tussen een huurder en een exploitant
die op grond van artikel 11 tot stand is gekomen van rechtswege
eindigt als gevolg van de beëindiging van een huurovereenkomst en die
beëindiging is gelegen voor het tijdstip genoemd in artikel 11,
eerste lid, is artikel 11 van overeenkomstige toepassing op degene met
wie de Staat ingevolge een veiling een huurovereenkomst sluit voor het
tijdstip genoemd in artikel 11, eerste lid.
2. Op de overeenkomst tussen de huurder en de exploitant die
ingevolge het eerste lid tot stand komt, is artikel 16, vijfde lid, van
overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van artikel 11, eerste lid, wordt voor de
overeenkomst tussen huurder en exploitant die ingevolge het eerste lid
tot stand komt als gemiddelde netto winstaandeel genomen het gemiddelde
netto winstaandeel dat is vermeld in het biedboek dat ter beschikking is
gesteld voorafgaand aan de eerste veiling van de desbetreffende locatie.
Artikel 13
Indien een veiling als bedoeld in artikel 7 plaats heeft voor
1 januari 2021 en betrekking heeft op een locatie die voorwerp is
van een bestaande exploitatieovereenkomst waarbij de exploitant aan de
wederpartij bij de bestaande overeenkomst is toegewezen door Onze
Minister van Economische Zaken, gaan op het tijdstip, waarop de
bestaande overeenkomst eindigt op grond van artikel 7, de rechten en
verplichtingen die voor de wederpartij van de Staat uit de bestaande
exploitatieovereenkomst voortvloeien over op degene, die ingevolge de
veiling huurder wordt van de locatie. De leden 1 tot en met 8 van
artikel 11 zijn niet van toepassing.
Artikel 14
1. Indien een overeenkomst tussen een huurder en een exploitant
die op grond van artikel 13 tot stand is gekomen van rechtswege
eindigt als gevolg van de beëindiging van een huurovereenkomst en die
beëindiging is gelegen voor het tijdstip genoemd in artikel 13, is
artikel 13 van overeenkomstige toepassing op degene met wie de Staat
ingevolge een veiling een huurovereenkomst sluit voor het tijdstip
genoemd in artikel 13.
2. Op de overeenkomst tussen de huurder en de exploitant die
ingevolge het eerste lid tot stand komt, is artikel 16, zesde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 15
De artikelen 9 tot en met 14 zijn niet van toepassing, indien de
bestaande exploitant een exploitant is over wie de wederpartij van de
Staat bij een bestaande overeenkomst zeggenschap heeft als bedoeld in
artikel 26 van de Mededingingswet of in wie die wederpartij een
deelneming heeft als bedoeld in artikel 24c van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
Artikel 16
1. Een bestaande exploitatieovereenkomst die een locatie tot
voorwerp heeft met betrekking waartoe op dat tijdstip nog geen veiling
heeft plaats gehad, eindigt op 31 december 2017, tenzij partijen,
zo nodig met toepassing van het derde lid, een ander tijdstip zijn
overeengekomen.
2. In afwijking van het eerste lid eindigt een bestaande
exploitatieovereenkomst waarbij de exploitant aan de wederpartij bij de
bestaande overeenkomst is toegewezen door Onze Minister van Economische
Zaken en die een locatie tot voorwerp heeft met betrekking waartoe op
dat tijdstip nog geen veiling heeft plaats gehad op 31 december
2020, tenzij partijen, zo nodig met toepassing van het derde lid, een
ander tijdstip zijn overeengekomen.
3. De partijen bij een bestaande exploitatieovereenkomst kunnen
overeenkomen, dat hun overeenkomst voortduurt tot een tijdstip dat is
gelegen na 31 december 2017 onderscheidenlijk 31 december
2020, mits zij daarbij tevens overeenkomen dat de bestaande
exploitatieovereenkomst niet later eindigt dan op het tijdstip waarop de
bestaande overeenkomst op grond van artikel 7 eindigt.
4. Een bestaande exploitatieovereenkomst, gesloten met een
exploitant over wie de wederpartij van de Staat bij een bestaande
overeenkomst zeggenschap heeft als bedoeld in artikel 26 van de
Mededingingswet of in wie de wederpartij een deelneming heeft als
bedoeld in artikel 24c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, eindigt op
het tijdstip waarop de bestaande overeenkomst op grond van artikel 7
eindigt, tenzij partijen een eerder tijdstip zijn overeengekomen.
5. De overeenkomst die op de voet van artikel 11 tot stand komt
tussen de bestaande exploitant en degene, die ingevolge de veiling
huurder wordt van de locatie, eindigt van rechtswege op 31 december
2017, tenzij partijen een eerder tijdstip zijn overeengekomen.
6. De overeenkomst die op de voet van artikel 13 tot stand komt
tussen de bestaande exploitant en degene, die ingevolge de veiling
huurder wordt van de locatie, eindigt van rechtswege op 31 december
2020, tenzij partijen een eerder tijdstip zijn overeengekomen.
7. De overeenkomst, die wordt gesloten na het tijdstip waarop
deze wet in werking treedt tussen een wederpartij van de Staat bij een
bestaande overeenkomst en een exploitant, eindigt op het tijdstip waarop
de bestaande overeenkomst op grond van artikel 7 eindigt, tenzij
partijen een eerder tijdstip zijn overeengekomen.
8. In afwijking van artikel 300, tweede en derde lid, van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek, eindigt de bestaande exploitatieovereenkomst
bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, alsmede de overeenkomst
bedoeld in het vijfde tot en met zevende lid zonder dat daartoe een
opzegging vereist is en zonder dat daarbij een aanspraak op
schadevergoeding ontstaat.
Artikel 17
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. bestaande weg: een weg, die op het tijdstip waarop deze wet in
werking treedt is opengesteld voor het openbaar verkeer;
b. hoofdrijbaan: het gedeelte van een weg dat bestemd is om door
motorvoertuigen bereden te worden.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 19 en met uitzondering
van de verzorgingsplaatsen die worden genoemd in de bijlage bij deze
wet, wordt tot 1 januari 2024 op een verzorgingsplaats aan een
bestaande weg geen nieuwe locatie aangelegd en in gebruik gegeven.
3. Het tweede lid is niet van toepassing indien:
a. de bestaande weg wordt veranderd van een weg bestaande uit een
hoofdrijbaan voor het verkeer in beide rijrichtingen in een weg
bestaande uit twee hoofdrijbanen voor het verkeer in tegengestelde
rijrichting, mits de nieuwe locatie is gelegen op een afstand van ten
minste twintig kilometer van een andere locatie die vanuit dezelfde
rijrichting als de nieuwe locatie bereikbaar is;
b. het wegens reconstructie van een verzorgingsplaats waarop een
locatie is gelegen naar het oordeel van de Staat noodzakelijk is de
locatie te vervangen door een nieuwe locatie, mits de nieuwe locatie
zo dicht mogelijk bij de te vervangen locatie wordt aangelegd;
c. het wegens reconstructie van een weg waaraan een
verzorgingsplaats met een locatie is gelegen naar het oordeel van de
Staat noodzakelijk is de verzorgingsplaats te vervangen door een
nieuwe verzorgingsplaats, mits de nieuwe verzorgingsplaats zo dicht
mogelijk bij de te vervangen verzorgingsplaats wordt aangelegd.
4. Tot 1 januari 2024 wordt op een verzorgingsplaats aan een
nieuwe weg geen nieuwe locatie aangelegd en in gebruik gegeven die is
gelegen binnen een afstand van twintig kilometer van een andere locatie
en die vanuit dezelfde rijrichting als die andere locatie bereikbaar is.
Artikel 18
1. In afwijking van artikel 5, zevende lid, is van bijzondere
omstandigheden als bedoeld in artikel 5, zesde lid, eveneens sprake,
indien de huurovereenkomst een nieuwe locatie betreft die is gelegen
op een verzorgingsplaats als genoemd in de bijlage bij deze wet en
waarvan de Staat het gebruik voor het tijdstip waarop deze wet in
werking treedt al aan een onderneming heeft toegezegd.
2. Artikel 3, zesde lid, tweede volzin, is niet van toepassing op
de exploitant die ingevolge een toezegging, hem door de Staat gedaan
voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, in de gelegenheid
wordt gesteld met de huurder, bedoeld in het eerste lid, een
overeenkomst te sluiten voor een langere duur dan vijftien jaren.
Artikel 19
1. In dit artikel wordt onder een wegrestaurant verstaan de
onderneming, gelegen op een verzorgingsplaats, wier werkzaamheden
bestaan in de uitoefening van het restaurantbedrijf.
2. Indien een wegrestaurant vanaf het tijdstip waarop deze wet in
werking treedt is gelegen op een verzorgingsplaats waarop zich tevens
een locatie bevindt die voorwerp is van een bestaande overeenkomst,
wordt het wegrestaurant, in afwijking van de artikelen 5 en 17,
onmiddellijk voorafgaand aan de veiling, bedoeld in artikel 7, eerste
lid, met betrekking tot die locatie, in de gelegenheid gesteld met de
Staat een huurovereenkomst te sluiten als bedoeld in artikel 3 met
betrekking tot het perceel van het wegrestaurant of een gedeelte
daarvan. De Staat biedt het wegrestaurant de huurovereenkomst niet later
aan dan in de maand december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar
waarin de veiling plaats heeft met betrekking tot de locatie die
voorwerp is van een bestaande overeenkomst. Heeft die veiling plaats in
de eerste zes maanden van een jaar, dan wordt de huurovereenkomst aan
het wegrestaurant in ieder geval op een zodanig tijdstip aangeboden, dat
tussen de dag van het aanbod en de dag van de veiling tenminste negen
maanden zijn gelegen. Het aanbod van de Staat om een huurovereenkomst te
sluiten kan niet later worden aanvaard dan zes maanden voorafgaand aan
de veiling. Aanvaarding maakt het perceel van het wegrestaurant of het
overeengekomen gedeelte daarvan tot een locatie.
3. Op de veiling, die volgt na het einde van de huurovereenkomst,
bedoeld in het tweede lid, is artikel 7, derde en vierde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 20
[Wijzigt de Drank- en Horecawet.]
Artikel 21
[Vervallen.]
Artikel 22
[Wijzigt deze wet.]
Paragraaf 5. Slotbepalingen
Artikel 23
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 24
Deze wet wordt aangehaald als: Wet tot veiling van bepaalde
verkooppunten van motorbrandstoffen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 16 juni 2005
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
Uitgegeven de dertigste juni 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner