Nadere regelgeving:
- Besluit draagkracht
burger-oorlogsslachtoffers
- Besluit inkomen voor de grondslagvaststelling Wuv en Wubo
- Besluit toeslag premie ziektekostenverzekering Wubo en Wuv
- Besluit
vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor
oorlogsgetroffenen
- Regeling wijziging bepalingen Wet uitkeringen
burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
WET van 10 maart 1984, houdende regelen inzake de verlening van
uitkeringen en bijzondere voorzieningen aan burger-oorlogsslachtoffers
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen
te stellen betreffende de verlening van uitkeringen en bijzondere
voorzieningen aan burger-oorlogsslachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog
en hun nagelaten betrekkingen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
b. de Raad: de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in artikel 3
van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en
oorlogsgetroffenen;
c. de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank,
genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen.
Artikel 2
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:
a. degene, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger
lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen bij met de
krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of
omstandigheden, ten gevolge van welk letsel hij blijvend invalide
is geworden of is overleden;
b. degene, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger
lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen door of in verband
met handelingen of maatregelen welke door of namens de
vijandelijke bezettende machten tegen hem werden gericht, ten
gevolge van welk letsel hij blijvend invalide is geworden of is
overleden;
c. degene, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger
lichamelijk letsel heeft opgelopen bij handelingen, welke door of
namens de vijandelijke bezettende machten werden gericht tegen
derden, ten gevolge van welk letsel hij blijvend invalide is
geworden of is overleden;
d. degene, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger op
jeugdige leeftijd psychisch letsel heeft opgelopen door de
confrontatie met doodslag, executie of zware mishandeling van
derden, door of namens de vijandelijke bezettende macht, ten
gevolge van welk letsel hij blijvend invalide is geworden;
e. degene, die in de na-oorlogse jaren als burger lichamelijk
letsel heeft opgelopen bij het ontploffen van munitie of ander
oorlogstuig afkomstig uit de oorlogsjaren 1940-1945, ten gevolge
van welk letsel hij blijvend invalide is geworden of is overleden,
tenzij het letsel is te wijten aan onvoorzichtigheid van de
betrokkene;
f. degene, die in de na-oorlogse jaren in het voormalige
Nederlands-Indië als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft
opgelopen bij ongeregeldheden die zich nauw aansluitend aan de
oorlog tot 27 december 1949 aldaar hebben voorgedaan en die naar
aard en gevolgen vergelijkbaar zijn met de omstandigheden bedoeld
onder a, b, c of d, ten gevolge van welk letsel hij blijvend
invalide is geworden of is overleden.
2. Indien het letsel, bedoeld in het eerste lid, niet duidelijk
door andere oorzaken dan het oorlogsgeweld als bedoeld in het eerste
lid is ontstaan, wordt dit geacht zijn oorzaak te hebben in het
oorlogsgeweld, dan wel in omstandigheden daarmee verband houdende.
Daarbij wordt rekening gehouden met de inzichten en ervaringen van de
medische wetenschap met betrekking tot de relatie tussen het
oorlogsgeweld en de geestelijke en lichamelijke gezondheidstoestand.
Artikel 2a
1. Voor de toepassing van deze wet wordt gelijkgesteld met:
a. huwelijk: het geregistreerd partnerschap;
b. gehuwd: als partner geregistreerd;
c. echtgenoot of echtpaar: de geregistreerde partner of het
geregistreerde paar;
d. weduwe of weduwnaar: de achtergebleven partij bij het
geregistreerd partnerschap;
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als minderjarig kind of als minderjarige volle wees
aangemerkt onderscheidenlijk het kind dat of de volle wees die de
leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt en niet gehuwd is of
gehuwd geweest is;
b. worden als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt,
ongehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die
duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft
personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
bestaat;
c. wordt als ongehuwd aangemerkt degene die duurzaam gescheiden
leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
3. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het eerste lid
kan slechts sprake zijn indien twee personen gezamenlijk voorzien in
huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van
de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
Onze Minister kan nadere regels stellen voor de toepassing van de
eerste volzin.
Artikel 2b
Waar in deze wet in een artikel of artikellid sprake is van «de Raad
of de Sociale verzekeringsbank» is de taakverdeling in overeenstemming
met de artikelen 4 en 6 van de Wet uitvoering wetten voor
verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen.
Artikel 3
1. Deze wet is van toepassing op:
a. degene, die tijdens de oorlogsjaren 1940–1945 of in de
na-oorlogse jaren, als burger getroffen is door oorlogsgeweld als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, en op dat moment Nederlander was
dan wel Nederlands onderdaan in de zin van de toenmalige Wet van
de Ministers van Koloniën, Buitenlandse Zaken en Justitie van 10
februari 1910, houdende regeling van het Nederlandse
onderdaanschap van de bevolking van Nederlands-Indië (Stb. 55),
mits hij de Nederlandse nationaliteit bezit;
b. degene, die tijdens de oorlogsjaren 1940–1945 of in de
na-oorlogse jaren, als burger getroffen is door oorlogsgeweld als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, en op dat moment als vreemdeling
in Nederland of het voormalige Nederlands-Indië gevestigd was,
anders dan in opdracht van enige vijandige mogendheid, mits hij de
Nederlandse nationaliteit bezit;
c. de weduwe, weduwnaar en de minderjarige volle wees van het
burger-oorlogsslachtoffer dat aan de eisen gesteld onder a of b
voldeed, mits zij de Nederlandse nationaliteit bezitten;
d. de weduwe, weduwnaar en de minderjarige volle wees van het
burger-oorlogsslachtoffer dat aan de eisen gesteld onder a of b
voldeed en voor de datum van aanvraag, bedoeld in artikel 35, is
overleden, mits zij de Nederlandse nationaliteit bezitten.
2. De Raad kan deze wet tevens van toepassing verklaren op degene
die tijdens de oorlogsjaren 1940–1945 of in de na-oorlogse jaren,
als burger is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, of diens nabestaande die niet voldoet aan de in het eerste
lid gestelde eisen en ten aanzien van wie het niet toepassen van deze
wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
Artikel 4
Behoudens in nader bij algemene maatregel van bestuur te regelen
gevallen kunnen aan deze wet geen aanspraken worden ontleend door:
a. degene, die op grond van oorlogsgeweld als bedoeld in artikel
2, eerste lid, aanspraken ontleent aan de voor militairen geldende
voorzieningen;
b. degene, die op grond van zijn invaliditeit aanspraken ontleent
aan de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, de Wet buitengewoon
pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, de Wet buitengewoon pensioen
Indisch verzet of de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
1940-1945;
c. de weduwe, weduwnaar en minderjarige volle wees van de onder a
en b bedoelde personen, indien en voor zover zij als nabestaanden
aanspraken ontlenen aan de voorzieningen, bedoeld onder a en de
wetten, genoemd onder b.
Artikel 5
Aan deze wet kunnen geen rechten worden ontleend door:
a. degene, die blijkens opgave van Onze Minister van Justitie:
1e. bij onherroepelijke uitspraak van een bijzondere
strafrechter is veroordeeld;
2e. bij een uitspraak van een Tribunaal, waarop fiat executie
is verleend, de al dan niet voorwaardelijke oplegging van een
bijzondere maatregel onderging;
3e. bij een onherroepelijke beslissing van een orgaan van de
bijzondere rechtspleging voorwaardelijk buiten vervolging is
gesteld;
4e. zich door de vlucht aan vervolging door een orgaan van de
bijzondere rechtspleging heeft onttrokken;
b. degene, die bij een onherroepelijke uitspraak van een met
zuivering belast orgaan of college is ontzet van het recht ambten of
bepaalde ambten te bekleden dan wel bepaalde beroepen of functies
uit te oefenen of oneervol is ontslagen. Zo nodig worden
inlichtingen ingewonnen bij Onze Minister, hoofd van het betrokken
departement van algemeen bestuur;
c. degene, die zich tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 uit
Nederlands nationaal oogpunt beschouwd, onwaardig heeft gedragen. Zo
nodig worden inlichtingen ingewonnen bij Onze Minister van Justitie;
d. de weduwe, weduwnaar en minderjarige volle wees van onder b of
c bedoelde personen, indien en voor zover zij als nabestaanden
rechten aan deze wet zouden hebben kunnen ontlenen en indien een der
omstandigheden zoals omschreven onder a, b of c, zich niet zou
hebben voorgedaan.
Artikel 6 [Vervallen per 01-07-1990]
Hoofdstuk II. Uitkering en bijzondere voorzieningen
§ 1. Het recht op een uitkering
Artikel 7
Behoudens het bepaalde in artikel 9 heeft recht op een periodieke
uitkering:
a. het burger-oorlogsslachtoffer, dat vóór het bereiken van de
leeftijd, waarop gelijksoortige valide personen in de regel hun
werkzaamheden beëindigen, door zijn invaliditeit, welke het gevolg
is van het letsel, bedoeld in artikel 2, gedwongen werd of wordt
zijn werkzaamheden in beroep of bedrijf te beëindigen of blijvend
te verminderen, indien en voor zover hij buiten staat is door of in
verband met arbeid een inkomen te verwerven, gelijk aan het inkomen,
dat hij uit vorenbedoeld beroep of bedrijf zou hebben genoten,
indien hij niet invalide zou zijn geweest;
b. het burger-oorlogsslachtoffer, dat vóór het tot uiting komen
van zijn invaliditeit, welke het gevolg is van het letsel, bedoeld
in artikel 2, door of in verband met het volgen van onderwijs nog
geen arbeid in beroep of bedrijf uitoefende, indien hij ten gevolge
van die invaliditeit nimmer in staat is geweest door arbeid in
beroep of bedrijf een inkomen te verwerven, dat in overeenstemming
was met het niveau van het gevolgde onderwijs;
c. het burger-oorlogsslachtoffer, dat door of in verband met zijn
invaliditeit, welke het gevolg is van het letsel, bedoeld in artikel
2, zijn werkzaamheden in beroep of bedrijf tijdelijk moet
onderbreken of verminderen, indien en voor zolang in de ten gevolge
daarvan ontstane derving van inkomsten niet op andere wijze wordt
voorzien;
d. de weduwe of weduwnaar, alsmede de minderjarige volle wees van
het burger-oorlogsslachtoffer, bedoeld onder a, b en c, indien dit
ten tijde van het overlijden in het genot was van een periodieke
uitkering op grond van deze wet;
e. de weduwe of weduwnaar, alsmede de minderjarige volle wees van
het burger-oorlogsslachtoffer van wie het overlijden het gevolg was
van het letsel, bedoeld in artikel 2, mits het
burger-oorlogsslachtoffer, ware het niet overleden, in aanmerking
zou zijn gekomen voor een periodieke uitkering;
f. de weduwe of weduwnaar, alsmede de minderjarige volle wees van
het burger-oorlogsslachtoffer, dat ten tijde van zijn overlijden in
het genot was van een periodieke uitkering, anders dan op grond van
deze wet, mits deze uitkering hem was toegekend in verband met het
letsel, bedoeld in artikel 2.
Artikel 8
Recht op een garantie-uitkering heeft het burger-oorlogsslachtoffer,
dat ten tijde van het tot uiting komen van zijn invaliditeit, welke het
gevolg is van het letsel, bedoeld in artikel 2, de leeftijd heeft
bereikt waarop gelijksoortige valide personen in de regel hun
werkzaamheden beëindigen, mits hij, indien hij die leeftijd nog niet
zou hebben bereikt, door of in verband met die invaliditeit gedwongen
zou zijn geweest zijn werkzaamheden in beroep of bedrijf te beëindigen
of blijvend te verminderen.
Artikel 9
1. De periodieke uitkering aan de weduwe of weduwnaar van het
burger-oorlogsslachtoffer wordt ten hoogste gedurende een tijdvak van
twee jaren na de datum van het overlijden verleend, indien de weduwe
of weduwnaar op dat tijdstip nog niet de leeftijd van 40 jaren heeft
bereikt, tenzij deze arbeidsongeschikt is of een of meer minderjarige
kinderen te haren of zijnen laste heeft.
2. Een periodieke uitkering aan de weduwe of weduwnaar van het
burger-oorlogsslachtoffer wordt niet toegekend, indien het huwelijk is
gesloten, nadat het burger-oorlogsslachtoffer, aan wie voordien een
periodieke uitkering in de zin van deze wet was toegekend, de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van
de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, tenzij de echtgenoten of
geregistreerde partners reeds gedurende een periode van ten minste
tien jaren met elkaar zijn gehuwd geweest of hebben samengeleefd.
§ 2. De grondslag
Artikel 10
1. Indien aanspraak bestaat op een periodieke uitkering, wordt de
grondslag vastgesteld, waarnaar de uitkering wordt berekend.
2.
a. Indien het burger-oorlogsslachtoffer voldoet aan het
bepaalde in artikel 7, onder a, wordt de grondslag vastgesteld
naar het inkomen uit arbeid, dat het burger-oorlogsslachtoffer ten
tijde van de aanvraag, bedoeld in artikel 35, in Nederland, ware
hij niet invalide geweest, zou hebben genoten uit het door hem
uitgeoefende beroep of bedrijf, waarin hij voor het eerst ten
gevolge van zijn invaliditeit zijn werkzaamheden moest beëindigen
of blijvend verminderen;
b. indien het burger-oorlogsslachtoffer, bedoeld onder a, na
het tot uiting komen van de invaliditeit ten gevolge waarvan hij
zijn werkzaamheden in beroep of bedrijf heeft moeten beëindigen
of blijvend verminderen, arbeid heeft aanvaard in een ander beroep
of bedrijf, kan, indien dat voor hem gunstiger is, de grondslag
worden vastgesteld naar het inkomen, dat het
burger-oorlogsslachtoffer ten tijde van de aanvraag, bedoeld in
artikel 35, in Nederland uit arbeid in laatstbedoeld beroep of
bedrijf zou hebben genoten, indien hij zijn werkzaamheden door of
in verband met zijn invaliditeit niet had moeten beëindigen of
blijvend verminderen;
c. onder arbeid in een ander beroep of bedrijf, bedoeld onder
b, wordt verstaan: arbeid, welke gedurende een aaneengesloten
periode van ten minste drie jaren in de voor dat beroep of bedrijf
gebruikelijke arbeidstijd is verricht;
d. de Raad kan, bij beschikking, van het bepaalde onder c
afwijken indien naar zijn oordeel de onverkorte toepassing
daarvan, gelet op alle omstandigheden, in een individueel geval
onredelijk zou zijn.
3. Indien het in het tweede lid bedoelde beroep of bedrijf buiten
Nederland werd uitgeoefend, wordt bij de vaststelling van de
grondslag, waarnaar de uitkering wordt berekend, rekening gehouden met
het meest vergelijkbare beroep of bedrijf in Nederland, alsmede met
(vak)opleiding, bekwaamheid en andere factoren, welke ter zake van
belang kunnen zijn.
4. Bij de vaststelling van de grondslag, bedoeld in het tweede en
derde lid, wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid van
inkomstenvermeerdering ten gevolge van bevordering of verhoging van de
vakbekwaamheid, uitbreiding van het bedrijf of andere dergelijke
factoren.
5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder
inkomen uit arbeid in beroep of bedrijf, als bedoeld in het tweede
lid, moet worden verstaan.
6. Indien het burger-oorlogsslachtoffer voldoet aan het bepaalde in
artikel 7, onder b, wordt de grondslag vastgesteld met inachtneming
van door Onze Minister te stellen regelen.
7. Indien het burger-oorlogsslachtoffer voldoet aan het bepaalde in
artikel 7, onder c, wordt de grondslag vastgesteld op het bedrag,
bedoeld in het achtste lid, onder a, tenzij de Raad, rekening houdende
met alle omstandigheden, in een individueel geval van oordeel is, dat
een hogere grondslag gerechtvaardigd is. Deze grondslag kan niet op
een hoger bedrag worden vastgesteld dan de grondslag die zou zijn
vastgesteld, indien het burger-oorlogsslachtoffer zou voldoen aan het
bepaalde in het tweede lid, onder a of b.
8. De grondslag wordt bepaald op:
a. ten minste een bedrag van € 1.867,87 per maand per 1
januari 1983[Red: per 1 januari 2013: € 2 022,98] ;
b. ten hoogste een bedrag van € 3.877,64 per maand per 1
januari 1983 [Red: per 1 januari 2013: € 4 199,68] .
9. De grondslag, waarnaar de uitkering aan de weduwe of weduwnaar
bedoeld in artikel 7, onder d tot en met f, wordt berekend, wordt
vastgesteld op hetzelfde bedrag als waarop de grondslag voor het
burger-oorlogsslachtoffer zou zijn vastgesteld, indien hij op de datum
van de aanvraag, bedoeld in artikel 35, nog in leven zou zijn geweest
en op die datum voldaan zou hebben aan het bepaalde in artikel 7,
onder a of b.
Artikel 11
Indien aanspraak bestaat op een garantie-uitkering wordt deze
berekend naar het bedrag, bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder a.
Artikel 12
Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing indien de
aanspraak betrekking heeft op een uitkering aan een minderjarige volle
wees.
§ 3. De periodieke uitkering
Artikel 13
De periodieke uitkering bedraagt een percentage van de overeenkomstig
het bepaalde in artikel 10 vastgestelde grondslag.
Artikel 14
1. Het in artikel 13 bedoelde percentage bedraagt voor het
burger-oorlogsslachtoffer dat de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld
in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet
heeft bereikt:
a. 80, indien het burger-oorlogsslachtoffer is gehuwd, tenzij
het bepaalde onder b van toepassing is;
b. 70, indien het burger-oorlogsslachtoffer is gehuwd en het
inkomen van de echtgenoot, inkomsten uit vermogen daaronder niet
begrepen, meer bedraagt dan 30% van het bedrag, bedoeld in artikel
10, achtste lid, onder b;
c. 75, indien het burger-oorlogsslachtoffer niet is gehuwd en
minderjarige kinderen te zijnen laste heeft;
d. 70, indien het burger-oorlogsslachtoffer als alleenstaande
moet worden aangemerkt.
2. Het in artikel 13 bedoelde percentage bedraagt voor het
burger-oorlogsslachtoffer met ingang van de dag waarop hij de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van
de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt:
a. 65, indien het burger-oorlogsslachtoffer is gehuwd, tenzij
het bepaalde onder b van toepassing is;
b. 55, indien het burger-oorlogsslachtoffer is gehuwd en het
inkomen van de echtgenoot, inkomsten uit vermogen daaronder niet
begrepen, meer bedraagt dan 30% van het bedrag, bedoeld in artikel
10, achtste lid, onder b;
c. 60, indien het burger-oorlogsslachtoffer niet is gehuwd en
minderjarige kinderen te zijnen laste heeft;
d. 55, indien het burger-oorlogsslachtoffer als alleenstaande
moet worden aangemerkt.
3. Bij overlijden van de echtgenoot van het
burger-oorlogsslachtoffer blijft het uitkeringspercentage ongewijzigd
tot en met de laatste dag van de maand, volgende op die, waarin het
overlijden heeft plaatsgevonden.
Artikel 15
1. Behoudens het bepaalde in het derde lid bedraagt het in artikel
13 bedoelde percentage voor de nagelaten betrekking van het
burger-oorlogsslachtoffer die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld
in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet
heeft bereikt:
a. 75, indien de weduwe of weduwnaar van het
burger-oorlogsslachtoffer minderjarige kinderen te haren of zijnen
laste heeft;
b. 70, indien de weduwe of weduwnaar van het
burger-oorlogsslachtoffer geen minderjarige kinderen te haren of
zijnen laste heeft.
2. Het in artikel 13 bedoelde percentage bedraagt voor de nagelaten
betrekking van het burger-oorlogsslachtoffer die de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van
de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt:
a. 55, indien de weduwe of weduwnaar van het
burger-oorlogsslachtoffer minderjarige kinderen te haren of zijnen
laste heeft;
b. 50, indien de weduwe of weduwnaar van het
burger-oorlogsslachtoffer geen minderjarige kinderen te haren of
zijnen laste heeft.
3.
a. De uitkering aan de minderjarige volle wees van het
burger-oorlogsslachtoffer wordt naar behoefte individueel bepaald.
Bij vaststelling van de uitkering wordt rekening gehouden met
geëigende voorzieningen ter zake van kosten van onderwijs en
opleiding.
b. De onder a bedoelde uitkering kan zo nodig worden voortgezet
tot uiterlijk het bereiken van de 27-jarige leeftijd door de
betrokkene, indien hij, hetzij in verband met een dagstudie,
hetzij in verband met arbeidsongeschiktheid, door het ontbreken
van andere geëigende voorzieningen op die uitkering is
aangewezen.
4. De uitkering, berekend met toepassing van het bepaalde in het
eerste lid, onder a, bedraagt niet meer dan een bedrag ter grootte van
80% van het bedrag, bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder b,
vermenigvuldigd met 3/4 en vermeerderd met een bedrag ter grootte van
20% van de som van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 17, eerste
lid, en 25 van de Algemene nabestaandenwet.
5. De uitkering, berekend met toepassing van het bepaalde in het
eerste lid, onder b, bedraagt niet meer dan een bedrag ter grootte van
80% van het bedrag, bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder b,
vermenigvuldigd met 5/7 en vermeerderd met een bedrag ter grootte van
20% van de uitkering bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de
Algemene nabestaandenwet.
Artikel 16
Indien een burger-oorlogsslachtoffer voldoet zowel aan het bepaalde
in artikel 7, onder a, b of c, als aan het bepaalde in artikel 7, onder
d, e of f, wordt de hoogste ingevolge deze paragraaf van toepassing
zijnde uitkering verleend.
Artikel 17
1. Indien en voor zolang het burger-oorlogsslachtoffer in staat is
zich door arbeid een inkomen te verwerven, doch deze arbeid naar het
oordeel van de Sociale verzekeringsbank om niet gegronde redenen niet
of slechts ten dele verricht, wordt de grondslag waarnaar de uitkering
wordt berekend, nader vastgesteld, rekening houdende met de mate van
invaliditeit van het burger-oorlogsslachtoffer, waardoor diens
vermogen om een inkomen te verwerven door of in verband met arbeid in
beroep of bedrijf nadelig is beïnvloed. In een zodanig geval is het
bepaalde in artikel 10, achtste lid, onder a, niet van toepassing.
2. De Sociale verzekeringsbank gaat niet over tot een nadere
vaststelling van de grondslag, als bedoeld in het eerste lid, dan na
advies te hebben ingewonnen van ter zake deskundige personen of
organen.
3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing, indien
het burger-oorlogsslachtoffer buiten staat is 50% te verwerven van het
inkomen dat hij verwierf uit de laatstelijk door hem verrichte arbeid
in beroep of bedrijf.
Artikel 18
1. Bij verblijf van een alleenstaande of een echtpaar ter
verpleging of verzorging in een daartoe bestemde inrichting, waarvan
de kosten met toepassing van één der sociale verzekeringswetten
worden betaald, wordt de periodieke uitkering, met ingang van het
tijdstip waarop redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze
verpleging of verzorging een langdurig karakter zal gaan dragen, doch
in ieder geval na verloop van een jaar, nader bepaald op:
a. 12% van de overeenkomstig artikel 10 vastgestelde grondslag,
voor een alleenstaande;
b. 20% van de overeenkomstig artikel 10 vastgestelde grondslag,
voor een gehuwde, tenzij onderdeel c van toepassing is;
c. 12% van de overeenkomstig artikel 10 vastgestelde grondslag
voor een gehuwde, indien het inkomen van de echtgenoot, inkomsten
uit vermogen daaronder niet begrepen, meer bedraagt dan 30% van
het bedrag, bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder b.
De garantie-uitkering wordt in een zodanig geval berekend naar:
d. 12% van het bedrag, bedoeld in artikel 10, achtste lid,
onder a, voor een alleenstaande;
e. 20% van het bedrag, bedoeld in artikel 10, achtste lid,
onder a, voor een echtpaar.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de
uitkeringsgerechtigde op 31 december 2000 verbleef in een
verzorgingshuis als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
Overgangswet verzorgingshuizen zoals dat luidde voor het vervallen van
deze bepaling.
§ 4. Toeslagen
Artikel 19
1. Behoudens het bepaalde in het vierde lid, wordt aan het
burger-oorlogsslachtoffer, wiens invaliditeit, welke het gevolg is van
het letsel, bedoeld in artikel 2, zijn vermogen om door arbeid een
inkomen te verwerven nadelig beïnvloedt of zou hebben beïnvloed
indien hij nog op inkomsten uit arbeid zou zijn aangewezen, een
toeslag toegekend voor voorzieningen welke strekken tot verbetering
van diens levensomstandigheden.
2. De hoogte van de toeslag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt
10% van het bedrag bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder a, tenzij
het bepaalde in het derde lid van toepassing is.
3. Indien aan het burger-oorlogsslachtoffer een periodieke
uitkering is toegekend, wordt op de in het tweede lid bedoelde toeslag
een bedrag in mindering gebracht, berekend volgens de formule:

in welke formule
A voorstelt: het bedrag bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder
a;
B voorstelt: het bedrag bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder
b;
C voorstelt: het bedrag bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder
a;
G voorstelt: de grondslag, waarnaar de uitkering wordt berekend.
4. De toeslag, bedoeld in het eerste lid, wordt niet toegekend,
indien toepassing is gegeven aan het bepaalde in de artikelen 18,
eerste lid, 32, vierde lid, of 42.
Artikel 20
1. Voor de in Nederland gevestigde uitkeringsgerechtigde en de
uitkeringsgerechtigde op wie artikel 69, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet van toepassing is, wordt op de overeenkomstig
artikel 18, eerste lid, vastgestelde uitkering ten behoeve van de te
zijnen laste komende premie van verzekering tegen ziektekosten een bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde toeslag verleend die per
categorie van uitkeringsgerechtigden verschilt.
2. Voor de niet in Nederland gevestigde uitkeringsgerechtigde, met
uitzondering van de uitkeringsgerechtigde op wie artikel 69, eerste
lid, van de Zorgverzekeringswet van toepassing is, wordt op de
overeenkomstigartikel 18, eerste lid, vastgestelde uitkering een
toeslag verleend gelijk aan het, op het tijdstip met ingang waarvan
toepassing wordt gegeven aan artikel 18, eerste lid, eenmalig vast te
stellen bedrag van de te zijnen laste blijvende premie van verzekering
tegen ziektekosten, doch ten hoogste tot een bij algemene maatregel
van bestuur vast te stellen bedrag.
3. Het ingevolge het tweede lid vastgestelde bedrag van de ten
laste van de uitkeringsgerechtigde blijvende premie van verzekering
tegen ziektekosten wordt door de Sociale verzekeringsbank herzien:
a. jaarlijks, naar evenredigheid van de ontwikkeling van de
standaardpremie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g,
van de Wet op de zorgtoeslag,
b. bij het door de gerechtigde bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet,
c. bij veranderingen in de gezinssituatie van de gerechtigde,
of
d. indien de Sociale verzekeringsbank van oordeel is dat het
niet herzien van het vastgestelde bedrag gelet op het belang dat
dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid
van overwegende aard.
4. Indien de in artikel 18, eerste lid, bedoelde kosten van
verpleging of verzorging met toepassing van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten worden betaald en de uitkeringsgerechtigde in die kosten
een eigen bijdrage verschuldigd is, wordt op de overeenkomstig het
bepaalde in dat artikel vastgestelde uitkering een toeslag verleend
gelijk aan het bedrag van de eigen bijdrage.
Artikel 21
1. Voor de in Nederland gevestigde uitkeringsgerechtigde en de
uitkeringsgerechtigde op wie artikel 69, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet van toepassing is, wordt op zijn periodieke
uitkering of garantie-uitkering ten behoeve van de te zijnen laste
komende premie van verzekering tegen ziektekosten een bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde toeslag verleend voor zover deze
premie meer bedraagt dan het overeenkomstig de artikelen 14 en 15
vastgestelde percentage van het verschil tussen de grondslag en het
bedrag, bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder a. De toeslag
verschilt per categorie van uitkeringsgerechtigden.
2. Voor de niet in Nederland gevestigde uitkeringsgerechtigde, met
uitzondering van de uitkeringsgerechtigde op wie artikel 69, eerste
lid, van de Zorgverzekeringswet van toepassing is, wordt op zijn
periodieke uitkering of garantie-uitkering een toeslag verleend gelijk
aan het bij de toekenning van de periodieke uitkering of de
garantie-uitkering eenmalig vast te stellen bedrag van de te zijnen
lasten blijvende premie van verzekering tegen ziektekosten, doch ten
hoogste tot een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen
bedrag, voor zover deze premie meer bedraagt dan het overeenkomstig de
artikelen 14 en 15vastgestelde percentage van het verschil tussen de
grondslag en het bedrag, bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder a.
3. Het ingevolge het tweede lid vastgestelde bedrag van de ten
laste van de uitkeringsgerechtigde blijvende premie van verzekering
tegen ziektekosten wordt door de Sociale verzekeringsbank herzien:
a. jaarlijks, naar evenredigheid van de ontwikkeling van de
standaardpremie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g,
van de Wet op de zorgtoeslag,
b. bij het door de gerechtigde bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet,
c. bij veranderingen in de gezinssituatie van de gerechtigde,
of
d. indien de Sociale verzekeringsbank van oordeel is dat het
niet herzien van het vastgestelde bedrag gelet op het belang dat
dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid
van overwegende aard.
Artikel 22
1. Indien geen kinderbijslag uit welken hoofde of onder welke
benaming ook wordt genoten, wordt op de periodieke uitkering en de
garantie-uitkering een toeslag verleend voor de minderjarige kinderen
waarvoor kinderbijslag zou worden ontvangen, indien de Algemene
Kinderbijslagwet van toepassing zou zijn.
2. Deze toeslag beloopt een bedrag gelijk aan de kinderbijslag
ingevolge de in het eerste lid genoemde wet.
Artikel 23
1. Op de periodieke uitkering wordt, indien de
uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt,
een toeslag verleend. Deze toeslag bedraagt:
a. voor de gehuwde uitkeringsgerechtigde 60% van het bedrag van
het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld
in artikel 9, eerste lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet,
vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van
die wet;
b. voor de ongehuwde uitkeringsgerechtigde, die tevens een
pensioengerechtigde is als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder
c, van de Algemene Ouderdomswet, 20% van het bedrag van het
bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onder c, van die wet, vermeerderd met de
vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van die wet;
c. voor de ongehuwde uitkeringsgerechtigde, anders dan die,
bedoeld onder b, 20% van het bedrag van het
bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet,
vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van
die wet.
2. De toeslag, bedoeld in het eerste lid, wordt niet toegekend:
a. indien artikel 8 van toepassing is;
b. indien artikel 18, eerste lid, van toepassing is;
c. aan de gehuwde uitkeringsgerechtigde, van wie de echtgenoot
recht heeft op enig pensioen en ten aanzien van wie artikel 28,
zesde lid, wordt toegepast.
3. Onder enig pensioen als bedoeld in het tweede lid, onder c,
wordt verstaan, een pensioen ten laste van de Nederlandse Schatkist of
die van de Nederlandse Antillen of Aruba, van een publiekrechtelijk
lichaam of een privaatrechtelijke rechtspersoon in Nederland, de
Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel ten laste van een door het
openbaar gezag in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba
ingesteld fonds, alsmede een uitkering ingevolge deze wet of de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945.
Artikel 23a
1. Indien de uitkeringsgerechtigde over zijn periodieke uitkering
of garantie-uitkering de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in
artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, verschuldigd is, heeft hij
recht op een toeslag. Deze toeslag bedraagt het percentage van de
periodieke uitkering of garantie-uitkering dat overeenkomt met het
bijdragepercentage, bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de
Zorgverzekeringswet, vermenigvuldigd met anderhalf, voorzover de
uitkering of garantie-uitkering is te rekenen tot het deel van het
bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 43, tweede lid, onderdeel a, van
de Zorgverzekeringswet.
2. Indien de uitkeringsgerechtigde over zijn periodieke uitkering
of garantie-uitkering de bijdrage, bedoeld in artikel 69, tweede lid,
van de Zorgverzekeringswet, verschuldigd is, heeft hij recht op een
toeslag. Voor de berekening van deze toeslag is het eerste lid, tweede
volzin, van overeenkomstige toepassing.
3. Het in aanmerking te nemen bijdrage-inkomen bedraagt op
jaarbasis ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 43, derde lid,
van de Zorgverzekeringswet.
§ 5. De garantie-uitkering
Artikel 24
1. De garantie-uitkering bedraagt een percentage van het bedrag,
bedoeld in artikel 11.
2. Het percentage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt:
a. voor het burger-oorlogsslachtoffer, dat de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt:
1e. 80, indien hij is gehuwd, tenzij hij duurzaam
gescheiden leeft van zijn echtgenoot;
2e. 75, indien hij niet is gehuwd of duurzaam gescheiden
leeft van zijn echtgenoot en minderjarige kinderen te zijnen
laste heeft;
3e. 70, indien hij als alleenstaande moet worden
aangemerkt;
b. voor het burger-oorlogsslachtoffer, dat de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt:
1e. 65, indien hij is gehuwd, tenzij hij duurzaam
gescheiden leeft van zijn echtgenoot;
2e. 55, indien hij niet is gehuwd of duurzaam gescheiden
leeft van zijn echtgenoot en minderjarige kinderen te zijnen
laste heeft;
3e. 45, indien hij als alleenstaande moet worden
aangemerkt.
§ 6. Aanpassing van grondslagen en bedragen
Artikel 25
1. De periodieke uitkering of de garantie-uitkering wordt door de
Sociale verzekeringsbank aangepast overeenkomstig de normen en
voorwaarden waarmee het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid,
onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag ingevolge
artikel 14 van die wet wordt herzien.
2. De grondslagen, bedoeld in artikel 10, eerste, tweede, zesde,
zevende en negende lid, en de bedragen genoemd in artikel 10, achtste
lid, onder a en b, worden door Onze Minister aangepast overeenkomstig
de normen en voorwaarden waarmee het bedrag, genoemd in artikel 8,
eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
ingevolge artikel 14 van die wet wordt herzien.
3. Bij de aanpassing, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan
van de laatst vastgestelde dan wel overeenkomstig het eerste lid
aangepaste periodieke uitkering of garantie-uitkering, waarbij de
toeslagen, bedoeld in de artikelen 20, eerste en tweede lid, en 21,
eerste en tweede lid, buiten beschouwing worden gelaten.
4. De aanpassing van een periodieke uitkering of een
garantie-uitkering, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats zonder dat
dit bij beschikking is vastgesteld.
5. De aangepaste periodieke uitkering of garantie-uitkering,
bedoeld in het vierde lid, wordt betaald bij de eerste betaling nadat
de aanpassing heeft plaatsgevonden.
Artikel 26 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 27
Het bedrag, bedoeld in artikel 28, vierde lid, onder a, wordt door
Onze Minister herzien, indien en voor zover de ontwikkeling van de
consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.
Artikel 27a
De op grond van de artikelen 20, eerste en tweede lid, en 21, eerste
en tweede lid bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde bedragen
worden door Onze Minister herzien naar evenredigheid van de ontwikkeling
van de standaardpremie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g,
van de Wet op de zorgtoeslag.
§ 7. Verrekening van inkomsten
Artikel 28
1. Op de periodieke uitkering vermeerderd met de toeslagen, bedoeld
in de artikelen 21 en 23, worden, voor zover deze over de
overeenkomstige periode werden genoten, in mindering gebracht:
a. indien de uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde
leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, de bruto-inkomsten uit
tegenwoordige arbeid in beroep of bedrijf, na aftrek van de daarop
drukkende verwervingskosten, voor zover deze inkomsten 20% van de
grondslag waarnaar de uitkering is berekend te boven gaan;
b. Indien de uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde
leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene
ouderdomswet, heeft bereikt, en pensioengerechtigd is ingevolge de
Algemene Ouderdomswet, het bruto-ouderdomspensioen krachtens die
wet van de uitkeringsgerechtigde en de echtgenoot met inbegrip van
de toeslag, bedoeld in artikel 10 van die wet, en de
vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van die wet, voor zover
dit niet meer bedraagt dan tweemaal het bedrag van het
bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onder b, van die wet, vermeerderd met de
vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van die wet;
c. de inkomsten uit vermogen van de uitkeringsgerechtigde en
van diens echtgenoot;
d. de overige inkomsten van de uitkeringsgerechtigde.
2. Bij de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onder a, b
en d, worden de jaarlijkse vakantie-uitkeringen van de
uitkeringsgerechtigde voor 1/12 deel per maand op de uitkering in
mindering gebracht.
3. Met inkomsten uit tegenwoordige arbeid worden gelijkgesteld
uitkeringen op grond van de Ziektewet en de Werkloosheidswet, alsmede
de daarmede vergelijkbare uitkeringen welke worden verleend aan het
overheidspersoneel.
4. De inkomsten uit vermogen, bedoeld in het eerste lid, onder c,
worden berekend naar het vermogen dat de uitkeringsgerechtigde en zijn
echtgenoot op het tijdstip van de aanvraag, bedoeld in artikel 35,
bezitten. Deze inkomsten worden op jaarbasis bepaald op een percentage
van dat vermogen dat gelijk is aan het forfaitaire
rendementspercentage, genoemd in artikel 5.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001. Van het aldus berekende bedrag wordt een
bedrag vrijgelaten, waarvan de hoogte door Onze Minister wordt
bepaald.
5. Bij bedrijfsbeëindiging vindt het bepaalde in het eerste lid,
onder c, en het vierde lid, van dat tijdstip af overeenkomstige
toepassing.
6. Indien de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde eveneens recht
heeft op enig pensioen als bedoeld in artikel 23, derde lid, en op dat
pensioen een vermindering is toegepast uit hoofde van recht op
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet van tenminste 40%
van het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de
pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de
Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met 40% van de vakantie-uitkering,
bedoeld in artikel 29 van die wet, zijn het eerste tot en met vierde
lid van toepassing, met dien verstande dat, in afwijking van het
eerste lid, onder b, op schriftelijk verzoek van de
uitkeringsgerechtigde 50% van het aan de uitkeringsgerechtigde en de
echtgenoot toegekende bruto-ouderdomspensioen krachtens de Algemene
Ouderdomswet, met inbegrip van de vakantie-uitkering, bedoeld in
artikel 29 van die wet, op de uitkering in mindering wordt gebracht.
7. Indien de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde eveneens recht
heeft op een uitkering ingevolge deze wet, zijn het eerste tot en met
vijfde lid van toepassing, met dien verstande dat:
a. in afwijking van het eerste lid, onder c, de inkomsten uit
vermogen van de uitkeringsgerechtigde en de echtgenoot bij ieder
voor de helft in mindering worden gebracht;
b. in afwijking van het in het vierde lid, onder a, laatste
volzin, bedoelde bedrag, de helft daarvan wordt vrijgelaten.
Artikel 29
1. Op de garantie-uitkering worden in mindering gebracht alle over
de overeenkomstige periode genoten bruto-inkomsten, uit welken hoofde
dan ook, van het burger-oorlogsslachtoffer en van diens echtgenoot of
van degene met wie hij duurzaam samenleeft.
2. De inkomsten uit vermogen worden vastgesteld overeenkomstig het
bepaalde in artikel 28, vierde en vijfde lid.
Artikel 30
1. Op de uitkering, bedoeld in artikel 18, eerste lid, vermeerderd
met de toeslag bedoeld in artikel 20, worden alle inkomsten van het
burger-oorlogsslachtoffer en van diens echtgenoot in mindering
gebracht.
2. De inkomsten uit vermogen worden vastgesteld overeenkomstig het
bepaalde in artikel 28, vierde en vijfde lid.
Artikel 31
1. Tot de inkomsten, bedoeld in deze paragraaf, worden niet
gerekend:
a. kinderbijslag uit welken hoofde of onder welke benaming ook;
b. doelgerichte subsidies of tegemoetkomingen, waaronder
begrepen de vermeerdering, bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de
Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, de artikelen 9 en 10 van de
Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers en de
artikelen 12, 13 en 14 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch
verzet, voorzover deze de toeslag, bedoeld in artikel 19, indien
deze is toegekend, overschrijdt.
2. Onze Minister kan nadere regelen stellen met betrekking tot de
vaststelling van de inkomsten uit of in verband met arbeid in beroep
of bedrijf en de daarop drukkende verwervingskosten, de overige
inkomsten alsmede met betrekking tot de vaststelling en de taxatie van
het vermogen.
§ 8. Bijzondere voorzieningen
Artikel 32
1. Indien het burger-oorlogsslachtoffer wegens zijn invaliditeit,
welke het gevolg is van het letsel, bedoeld in artikel 2,
geneeskundige behandeling of verpleging behoeft, worden de daaraan
verbonden ten laste van het burger-oorlogsslachtoffer blijvende
noodzakelijke kosten volledig vergoed, tenzij het vierde lid van
toepassing is.
2. De extra, ten laste van het burger-oorlogsslachtoffer blijvende,
kosten voor noodzakelijke voorzieningen, die direct verband houden met
de in het eerste lid bedoelde geneeskundige behandeling of verpleging
worden eveneens volledig vergoed.
3. Een volledige vergoeding wordt tevens verleend in het geval dat
een geneeskundige behandeling of verpleging kan bijdragen tot
voorkoming van het verergeren van de invaliditeit, bedoeld in het
eerste lid.
4. Indien de in het eerste lid bedoelde kosten betrekking hebben op
verpleging of verzorging van een alleenstaande of een echtpaar in een
daartoe bestemde inrichting en niet worden betaald met toepassing van
een der sociale verzekeringswetten, worden deze kosten vergoed voor
zover de inkomsten daartoe ontoereikend zijn. Van de inkomsten blijft
buiten beschouwing een bedrag ter grootte van de met toepassing van
het bepaalde in de artikelen 18, eerste lid, en 20, eerste en tweede
lid, vastgestelde uitkering.
5. Een vergoeding ter zake van de kosten, bedoeld in het eerste tot
en met vierde lid, wordt slechts verleend voor zover deze niet ten
laste kunnen worden gebracht van een zorgverzekering ingevolge de
Zorgverzekeringswet of een andere ziektekostenverzekering of ten laste
daarvan zouden kunnen worden gebracht indien een zodanige verzekering
is of zou zijn gesloten. De Raad of de Sociale verzekeringsbank kan
van de eerste volzin afwijken, indien, gezien de individuele
omstandigheden van de aanvrager, naar het oordeel van de Raad of de
Sociale verzekeringsbank daartoe gegronde redenen aanwezig zijn.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden
gesteld met betrekking tot de aard, de duur en de wijze van
verstrekking van de voorzieningen bedoeld in de voorgaande leden.
Artikel 33
1. In de ten laste van het burger-oorlogsslachtoffer blijvende
kosten van voorzieningen verband houdende met zijn invaliditeit, welke
het gevolg is van het letsel, bedoeld in artikel 2, welke
voorzieningen strekken tot verbetering van diens levensomstandigheden,
kan een tegemoetkoming worden verleend.
2. De tegemoetkoming heeft ten hoogste betrekking op de in het
eerste lid bedoelde kosten in zover deze, met inachtneming van de
totale financiële omstandigheden van het burger-oorlogsslachtoffer,
als bijzondere kosten moeten worden aangemerkt.
3. De tegemoetkoming in de bijzondere kosten, bedoeld in het tweede
lid, wordt bepaald met inachtneming van de financiële draagkracht van
het burger-oorlogsslachtoffer.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen gesteld
met betrekking tot de bepaling van de financiële draagkracht van het
burger-oorlogsslachtoffer alsmede zo nodig met betrekking tot de aard,
de duur en de wijze van verstrekking van de voorzieningen, bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 33a
1. In afwijking van het eerste lid van de artikelen 32 en 33 kan
aan categorieën burger-oorlogsslachtoffers in de kosten van bepaalde
voorzieningen een vergoeding of tegemoetkoming worden verleend zonder
dat het in die artikelleden bedoelde verband is vereist. Bij algemene
maatregel van bestuur worden ter zake regels gesteld.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
betreffende de mogelijkheid om een vergoeding of tegemoetkoming in de
kosten van bepaalde voorzieningen als bedoeld in de artikelen 32 en 33
na het overlijden van het burger-oorlogsslachtoffer gedurende een
bepaalde tijd ten gunste van de weduwe of weduwnaar voort te zetten.
§ 9. Aanvraag om erkenning
Artikel 34
1. Degene, die verwacht te eniger tijd aanspraken te kunnen
ontlenen aan deze wet, kan bij de Raad een aanvraag indienen om
erkenning dat de aanvrager is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld
in artikel 2, eerste lid.
2. Het bepaalde in de artikelen 35 tot en met 39a is, voor zover
ter zake van belang, van overeenkomstige toepassing.
§ 10. Aanvraag en toekenning van uitkering en bijzondere
voorzieningen
Artikel 35
1. De beoordeling van de aanspraken op een uitkering, toeslag,
vergoeding of tegemoetkoming geschiedt naar aanleiding van een daartoe
bij de Raad of de Sociale verzekeringsbank ingediende aanvraag.
2. De Raad of de Sociale verzekeringsbank kent geen uitkering,
toeslag, vergoeding of tegemoetkoming toe dan nadat is vastgesteld dat
het door de aanvrager opgegeven adres overeenstemt met het hem
betreffende adresgegeven in de gemeentelijke basisadministratie.
3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing indien de
aanvrager in het buitenland gevestigd is.
4. De Raad of de Sociale verzekeringsbank kan het tweede lid buiten
toepassing laten of daarvan afwijken voorzover toepassing gelet op het
belang dat deze wet beoogt te beschermen zal leiden tot een
onbillijkheid van overwegende aard.
5. Op de aanvraag wordt de datum van ontvangst aangetekend.
6. De ontvangst van de aanvraag wordt de aanvrager schriftelijk
bevestigd. Daarbij wordt hem voorlichting gegeven over de verdere
procedure en de geldende behandeltermijnen.
7. Onze Minister kan nadere regelen stellen met betrekking tot de
bij de aanvraag over te leggen bescheiden.
Artikel 36
1. Alvorens op een aanvraag wordt beslist, wordt een rapport
opgesteld omtrent de aard en de gevolgen van de oorlogscalamiteit en
de levensomstandigheden van de betrokkene vóór, tijdens en na de
oorlogsjaren 1940-1945.
2. Voor zover nodig wordt, alvorens op een aanvraag wordt beslist,
een rapport opgesteld omtrent de financiële omstandigheden van de
betrokkene. Dit rapport bevat in ieder geval gegevens, welke
noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de grondslag bedoeld in
artikel 10.
3. Naar keuze van de belanghebbende worden de in het eerste en
tweede lid bedoelde rapporten opgesteld door de Stichting Pelita of de
Raad of de Sociale verzekeringsbank dan wel, in overeenstemming met de
belanghebbende, door een andere door de Raad of de Sociale
verzekeringsbank aan te wijzen instelling of instantie.
4. Het rapport wordt opgesteld binnen zes weken nadat de opdracht
daartoe bij een instantie als bedoeld in het derde lid is ingekomen,
met dien verstande dat het rapport binnen vier weken wordt opgesteld,
indien de aanvraag betrekking heeft op een vergoeding of een
tegemoetkoming. Indien die instantie niet tijdig in het opstellen van
de rapporten voorziet kan de Raad of de Sociale verzekeringsbank, met
instemming van de betrokkene, besluiten op andere wijze informatie
omtrent de aard en de gevolgen van de oorlogscalamiteit, de
levensomstandigheden van de betrokkene vóór, tijdens en na de
oorlogsjaren 1940-1945, en de financiële omstandigheden van de
betrokkene in te winnen.
5. De Raad of de Sociale verzekeringsbank geeft aanwijzingen
omtrent de inhoud en samenstelling van de in het eerste en tweede lid
bedoelde rapporten.
6. Indien een aanvraag betrekking heeft op een vergoeding of
tegemoetkoming behoeft het in het eerste lid bedoelde rapport slechts
te worden opgesteld indien de Raad of de Sociale verzekeringsbank dat
nodig acht.
Artikel 37
1. Voor zover de aanvraag, bedoeld in artikel 35, is ingediend door
of namens een burger-oorlogsslachtoffer, wordt door de geneeskundig
adviseur een medisch rapport opgesteld. Hij vermeldt daarin voor zover
nodig zijn bevindingen over:
a. de invaliditeit van het burger-oorlogsslachtoffer en het in
artikel 2 bedoelde causaal verband;
b. de relatie tussen de invaliditeit en het vermogen om een
inkomen te verwerven;
c. de in artikel 17 bedoelde graad van onvermogen om een
inkomen te verwerven en
d. de noodzaak van bijzondere voorzieningen bedoeld in
paragraaf 8.
2. Het medisch rapport wordt niet opgesteld dan nadat de
geneeskundig adviseur heeft kunnen kennisnemen van het rapport,
bedoeld in artikel 36, eerste lid.
3. Voor zover de aanvraag, bedoeld in artikel 35, is ingediend door
de weduwe, weduwnaar of minderjarige volle wees van het
burger-oorlogsslachtoffer, wordt door de in het eerste lid bedoelde
geneeskundig adviseur onderzocht of het overlijden van het
burger-oorlogsslachtoffer het gevolg was van het letsel, bedoeld in
artikel 2, dan wel of de uit dit letsel ontstane invaliditeit hem
nadelig beïnvloedde in zijn vermogen een inkomen te verwerven door
arbeid in beroep of bedrijf.
4. Indien een aanvraag betrekking heeft op een vergoeding of
tegemoetkoming behoeft het in het eerste lid bedoelde rapport slechts
te worden opgesteld indien de Raad of de Sociale verzekeringsbank dat
nodig acht.
5. De aanvrager is gehouden medewerking te verlenen aan een medisch
onderzoek indien de Raad of de Sociale verzekeringsbank zulks
noodzakelijk oordeelt.
6. Indien de aanvrager niet voldoet aan het bepaalde in het vijfde
lid, wijst de Raad of de Sociale verzekeringsbank de aanvraag af of
herziet de Raad of de Sociale verzekeringsbank de eerder gegeven
beschikking in het nadeel van de betrokkene.
Artikel 37a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 38
1. Bij de bekendmaking van de beschikking wordt voorlichting
gegeven over de procedure en de voor het bezwaarschrift geldende
termijn van behandeling.
2. De beschikking op een aanvraag krachtens artikel 7, onder a, b
of c, artikel 8 of artikel 19, voorzover de aanvrager niet reeds op
grond van artikel 34 is erkend, artikel 7, onder d, e of f, voor zover
de overledene geen aanspraken op deze wet heeft doen gelden, de
artikelen 32 en 33, voorzover de aanvrager niet reeds eerder
aanspraken op deze wet heeft doen gelden, wordt gegeven binnen zeven
maanden na de datum waarop de aanvraag bij de Raad is ingekomen.
Indien de Raad ten gevolge van bijzondere omstandigheden niet binnen
deze termijn kan beslissen, kan hij eenmaal met ten hoogste acht weken
worden verlengd. Van de verlenging doet de Raad schriftelijk
mededeling aan de belanghebbende.
3. De beschikking op een aanvraag krachtens artikel 34 wordt
gegeven binnen vier maanden na de datum waarop de aanvraag bij de Raad
is ingekomen. Indien de Raad ten gevolge van bijzondere omstandigheden
niet binnen deze termijn kan beslissen, kan hij eenmaal met ten
hoogste vier weken worden verlengd. Van de verlenging doet de Raad
schriftelijk mededeling aan de belanghebbende.
4. De beschikking op een aanvraag krachtens artikel 7, onder a, b
of c, artikel 8 of artikel 19, voorzover de aanvrager reeds op grond
van artikel 34 is erkend, artikel 7, onder d, e of f, voor zover de
overledene aanspraken op deze wet heeft doen gelden, of de artikelen
32 of 33, voorzover de aanvrager reeds eerder aanspraken op deze wet
heeft doen gelden, wordt gegeven binnen dertien weken na de datum
waarop de aanvraag bij de Raad of de Sociale verzekeringsbank is
ingekomen. Indien de Raad of de Sociale verzekeringsbank ten gevolge
van bijzondere omstandigheden niet binnen deze termijn kan beslissen,
kan hij eenmaal met ten hoogste vier weken worden verlengd. Van de
verlenging doet de Raad schriftelijk mededeling aan de belanghebbende.
5. Met betrekking tot een aanvraag, bedoeld in het vierde lid, die
wordt ingediend terwijl een aanvraag, bedoeld in het tweede lid, nog
in behandeling is geldt, in afwijking van het vierde lid, de termijn
die resteert voor de beschikking op de aanvraag, bedoeld in het tweede
lid, tenzij de resterende termijn korter is dan de termijn, bedoeld in
het het vierde lid.
Artikel 39
1. Indien de Raad vier weken voor het verstrijken van de verlengde
termijn, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onvoldoende gegevens
aanwezig acht om tot een beoordeling van de aanvraag te komen en
dientengevolge niet in staat is een beschikking te geven, stelt hij de
aanvrager gedurende die vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze
naar voren te brengen.
2. Artikel 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht is op het horen
van toepassing.
3. Indien de aanvrager zijn zienswijze mondeling naar voren brengt,
wordt een verslag gemaakt.
Artikel 39a
1. Indien de aanvrager kennis wenst te nemen van gegevens welke
mede tot een beschikking van de Raad of de Sociale verzekeringsbank
kunnen leiden dan wel hebben geleid, worden deze hem op zijn verzoek
door de Raad of de Sociale verzekeringsbank verstrekt.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
omtrent de vergoeding welke verschuldigd is, indien afschrift wordt
verstrekt van de op de beschikking betrekking hebbende bescheiden.
§ 11. Ingang en einde van de uitkering, toeslagen en bijzondere
voorzieningen
Artikel 40
1. De uitkering, de toeslag, de vergoeding en tegemoetkoming gaan
in:
a. op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daartoe is
ingediend, tenzij het bepaalde onder b van toepassing is;
b. voor de weduwe, weduwnaar of minderjarige volle wees, die
aansluitend aan het overlijden van het burger-oorlogsslachtoffer,
dat een uitkering ingevolge deze wet genoot, aanspraak op een
uitkering maakt, op de eerste dag van de derde maand volgend op
die, waarin het overlijden heeft plaatsgevonden.
2. De Raad of de Sociale verzekeringsbank kan bij beschikking van
het bepaalde in het eerste lid in het voordeel van de betrokkene
afwijken, indien hij, rekening houdende met alle omstandigheden, een
dergelijke afwijking in een individueel geval noodzakelijk acht. Onze
Minister stelt te dien aanzien nadere regelen.
Artikel 41
1. De periodieke uitkering alsmede de garantie-uitkering, bedoeld
in artikel 8, wordt beëindigd:
a. bij het overlijden van de uitkeringsgerechtigde die een
echtgenoot of minderjarige kinderen achterlaat: met ingang van de
eerste dag van de derde maand volgend op die, waarin het
overlijden heeft plaatsgevonden;
b. bij het overlijden van de uitkeringsgerechtigde die geen
echtgenoot of minderjarige kinderen achterlaat: met ingang van de
eerste dag van de maand volgend op die, waarin het overlijden
heeft plaatsgevonden;
c. bij huwelijk, daaronder mede begrepen de in artikel 2a,
tweede lid, onder b, bedoelde situatie, van de weduwe of de
weduwnaar, die niet als burger-oorlogsslachtoffer recht heeft op
een uitkering ingevolge deze wet, met ingang van de eerste dag van
de maand, volgend op die, waarin daarvan sprake is;
d. bij het bereiken van de leeftijd van 21 jaar, tenzij artikel
15, derde lid, onder b, van toepassing is, of bij het aangaan van
een huwelijk door de volle wees vóór het bereiken van die
leeftijd, daaronder mede begrepen de in artikel 2a, tweede lid,
onder b, bedoelde situatie, met ingang van de eerste dag van de
maand volgend op die, waarin de volle wees de leeftijd van 21 jaar
bereikt heeft, onderscheidenlijk het huwelijk heeft plaatsgehad.
2. De toeslag, de vergoeding en tegemoetkoming worden beëindigd
bij het overlijden van het burger-oorlogsslachtoffer met ingang van de
eerste dag van de maand volgend op die waarin het overlijden heeft
plaatsgevonden.
3. De uitkering die op grond van artikel 41, eerste lid onder c,
werd beëindigd, wordt opnieuw verleend indien het huwelijk is
ontbonden of het aangaan van een andere vorm van duurzaam samenleven
is beëindigd. In dat geval gaat de uitkering in op de eerste dag van
de maand waarin de hernieuwde aanvraag is ingediend.
Artikel 42
1. De uitkeringsgerechtigde, die is veroordeeld tot een
vrijheidsstraf van drie maanden, tot plaatsing in een
Rijkswerkinrichting of tot enige zwaardere straf, of op bevel van de
rechter ter beschikking van de Regering is gesteld, mist over de tijd
gedurende welke hij zijn straf ondergaat of van regeringswege in zijn
verpleging wordt voorzien, of gedurende welke hij zich door de vlucht
aan de tenuitvoerlegging van het vonnis onttrekt, het genot van de
uitkering.
2. De Sociale verzekeringsbank is bevoegd het uitkeringsbedrag over
die tijd geheel of ten dele aan of ten behoeve van de echtgenoot of
minderjarige kinderen van de uitkeringsgerechtigde uit te betalen.
3. De Sociale verzekeringsbank is tevens bevoegd om, voor zover van
de bevoegdheid in het tweede lid bedoeld, geen gebruik is gemaakt, de
uitkeringsgerechtigde die al of niet voorwaardelijk uit de gevangenis
of uit de Rijkswerkinrichting is ontslagen, of wiens verpleging van
regeringswege is beëindigd, in het genot te stellen van een
uitkering, ten bedrage van ten hoogste de helft van het niet
uitgekeerde bedrag, tot een maximum van de helft van het jaarlijkse
bedrag van de uitkering.
Artikel 43
Van alle rechten op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt terstond vervallen verklaard het burger-oorlogsslachtoffer of
diens nabestaande, indien zij de Nederlandse nationaliteit verliezen.
§ 12. Bepalingen aan elke uitkering, toeslag, vergoeding en
tegemoetkoming gemeen
Artikel 44
1. De belanghebbende is gehouden aanspraken op wettelijke
voorzieningen geldend te maken, welke kunnen leiden tot een
vermindering van de aanspraken op grond van deze wet.
2. Indien de belanghebbende niet voldoet aan het bepaalde in het
eerste lid, kan bij de vaststelling van de uitkering, toeslag,
vergoeding en tegemoetkoming rekening worden gehouden met de in het
eerste lid bedoelde aanspraken.
Artikel 44a
1. De uitkeringen, toeslagen, vergoedingen of tegemoetkomingen
worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen dertien weken na de
toekenning, vastgesteld en betaald.
2. Indien de door belanghebbende verstrekte gegevens en bescheiden
onvoldoende zijn voor het vaststellen van het bedrag van de uitkering,
vergoeding of tegemoetkoming, verzoekt de Sociale verzekeringsbank de
belanghebbende deze gegevens en bescheiden alsnog te verstrekken. De
periode van dertien weken, bedoeld in het eerste lid, wordt in zodanig
geval opgeschort met ingang van de dag waarop de Sociale
verzekeringsbank vorenbedoeld verzoek heeft gedaan tot de dag waarop
de gegevens en bescheiden zijn verstrekt.
Artikel 45
1. De uitkering, de toeslagen, bedoeld in de artikelen 19 tot en
met 23, de vergoeding en de tegemoetkoming zijn niet vatbaar voor
vervreemding of verpanding.
2. De toeslagen, bedoeld in de artikelen 19 en 22, de vergoeding en
de tegemoetkoming, alsmede de op grond van onderdeel a van artikel 41,
eerste lid, na overlijden doorlopende uitkering zijn niet vatbaar voor
beslag.
3. Volmacht tot ontvangst van de uitkering, toeslag, vergoeding en
tegemoetkoming, in welke vorm of onder welke benaming ook verleend, is
steeds herroepelijk.
4. Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is
nietig.
Hoofdstuk III. Toepassing en uitvoering
Artikel 46 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 47 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 48 [Vervallen per 01-07-1990]
Hoofdstuk IV. Verstrekken van inlichtingen
Artikel 49
1. De belanghebbende is verplicht desgevraagd aan de Raad of de
Sociale verzekeringsbank alle inlichtingen te verstrekken die hij voor
het vaststellen of het bestendigen van het recht van een
burger-oorlogsslachtoffer of diens nabestaanden op een uitkering,
toeslag, vergoeding of tegemoetkoming noodzakelijk acht.
2. Indien de belanghebbende niet voldoet aan het bepaalde in het
eerste lid, wijst de Raad of de Sociale verzekeringsbank de aanvraag
af, dan wel herziet hij de eerder gegeven beschikking in het nadeel
van de betrokkene.
Artikel 50
1. De belanghebbende is verplicht desgevraagd aan de Sociale
verzekeringsbank die gegevens te verstrekken, welke voor de uitvoering
van de beschikkingen van die Raad noodzakelijk zijn.
2. Zolang de belanghebbende niet voldoet aan het bepaalde in het
eerste lid, wordt de beschikking niet uitgevoerd of wordt de
uitvoering ervan geschorst. De Sociale verzekeringsbank doet hem
hiervan mededeling.
3. Indien de belanghebbende eerst na twee jaar, nadat het recht op
een uitkering, een vergoeding of een tegemoetkoming is vastgesteld de
in het tweede lid bedoelde gegevens verstrekt, beslist de Sociale
verzekeringsbank of, gelet op alle omstandigheden, de in de
beschikking genoemde ingangsdatum kan worden gehandhaafd. Zo nodig
stelt de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van het bepaalde in
artikel 40, eerste lid, een nieuwe ingangsdatum vast.
4. Indien de belanghebbende eerst na twee jaar, nadat de uitvoering
van de beschikking werd geschorst, de in het eerste lid bedoelde
gegevens verstrekt, beslist de Sociale verzekeringsbank, rekening
houdende met alle omstandigheden, of en zo ja in hoeverre, de
uitvoering van deze beschikking, voor zover deze betrekking heeft op
de periode gedurende welke de uitvoering van de beschikking was
geschorst, alsnog kan plaatsvinden.
Artikel 51
1. De belanghebbende, diens wettelijke vertegenwoordiger en de
persoon aan wie de uitkering, toeslag, vergoeding of tegemoetkoming
wordt uitbetaald, zijn gehouden onverwijld aan de Sociale
verzekeringsbank mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden,
die tot intrekking of verlaging van de uitkering, toeslag, vergoeding
of tegemoetkoming aanleiding zouden kunnen geven.
2. Het bepaalde in artikel 50, tweede tot en met vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 52
1. Alle ambtenaren, tot afgifte van uittreksels uit registers van
de burgerlijke stand bevoegd, zijn gehouden aan de Raad of de Sociale
verzekeringsbank de door hem gevraagde uittreksels uit de registers
kosteloos te verstrekken.
2. De gemeentebesturen zijn gehouden aan de Raad of de Sociale
verzekeringsbank de door hem gevraagde inlichtingen uit de
basisadministratie persoonsgegevens kosteloos te verstrekken.
Artikel 53
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 49, 50 en 51, doet de
belanghebbende aan wie een uitkering of tegemoetkoming wordt
uitbetaald, al dan niet door tussenkomst van zijn wettelijke
vertegenwoordiger, op een door de Sociale verzekeringsbank te bepalen
tijdstip en wijze, opgave van alle door hem, anders dan uit vermogen
genoten inkomsten, en indien zulks door de Sociale verzekeringsbank
wordt verlangd, van de hoogte en samenstelling van zijn vermogen.
2. De Raad of de Sociale verzekeringsbank kan, voor zover zulks
naar zijn oordeel nodig is, de financiële gegevens, die bij een
aanvraag om een uitkering of tegemoetkoming zijn overgelegd, alsmede
die welke op grond van het eerste lid zijn verstrekt, ter controle aan
de Belastingdienst voorleggen. De Raad of de Sociale verzekeringsbank
is gehouden de belanghebbende van deze mogelijkheid in kennis te
stellen.
Hoofdstuk V. Voorzieningen tegen de beschikking
§ 1. Bezwaar
Artikel 54
In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
bedraagt de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift dertien
weken, indien de belanghebbende in het buitenland gevestigd is.
Artikel 54a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 55
1. Artikel 39a is van overeenkomstige toepassing.
2. In afwijking van artikel 7:10, eerste, derde en vierde lid, van
de Algemene wet bestuursrecht beslist de Raad of de Sociale
verzekeringsbank binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die
waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is
verstreken. Ingeval van bijzondere omstandigheden kan deze termijn
eenmaal met ten hoogste vier weken worden verlengd. Van de verlenging
doet de Raad of de Sociale verzekeringsbank schriftelijk mededeling
aan de belanghebbende.
3. Indien de belanghebbende in het buitenland gevestigd is, worden
de termijnen, bedoeld in het tweede lid, ieder met acht weken
verlengd.
Artikel 55a [Vervallen per 01-01-1994]
§ 2. Beroep
Artikel 56
In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift dertien
weken, indien de belanghebbende in het buitenland is gevestigd.
Artikel 56a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 58 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk VI. Voorlopige en definitieve vaststelling
Artikel 59
1. De periodieke uitkering of de garantie-uitkering wordt, met
uitzondering van de op grond van artikel 10 vastgestelde grondslag,
opnieuw vastgesteld:
a. wanneer de uitkeringsgerechtigde of zijn echtgenoot de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet, bereikt;
b. wanneer de uitkeringsgerechtigde in het huwelijk treedt of
zijn huwelijk wordt beëindigd door echtscheiding of overlijden
van zijn echtgenoot;
c. wanneer de uitkeringsgerechtigde duurzaam gescheiden van
zijn echtgenoot gaat leven;
d. wanneer een kind of pleegkind van de uitkeringsgerechtigde
meerderjarig wordt;
e. wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 18, eerste lid;
f. wanneer er sprake is van bedrijfsbeëindiging door de
uitkeringsgerechtigde of zijn echtgenoot;
g. wanneer de uitkeringsgerechtigde aanspraak maakt op de
betaling uit een nieuwe bron van inkomsten, of
h. wanneer de uitkeringsgerechtigde geen aanspraak meer kan
maken op de betaling uit een bron van inkomsten, tenzij hij het
vervallen van die aanspraak heeft bewerkstelligd.
2. Het eerste lid, onder g en h, is van overeenkomstige toepassing
op de inkomsten van de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde, voor
zover die inkomsten de hoogte van de periodieke uitkering of de
garantie-uitkering, bedoeld in artikel 8, mede bepalen.
3. De beschikking, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt
genomen binnen 13 weken nadat de noodzakelijke gegevens ter kennis van
de Sociale verzekeringsbank zijn gebracht.
4. Hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in het eerste
of tweede lid te veel dan wel te weinig is uitbetaald, wordt door de
Sociale verzekeringsbank teruggevorderd of verrekend dan wel
nabetaald. De terugvordering kan in door de Sociale verzekeringsbank
te bepalen termijnen plaatsvinden.
Artikel 60
1. Op aanvraag van de uitkeringsgerechtigde wordt de periodieke
uitkering of de garantie-uitkering, met uitzondering van de op grond
van artikel 10vastgestelde grondslag, opnieuw vastgesteld:
a. indien de vast te stellen periodieke uitkering ten minste 1%
van de op de datum van deze aanvraag geldende grondslag of de vast
te stellen garantie-uitkering ten minste 1% van op de datum van
deze aanvraag geldende minimum-grondslag, bedoeld in artikel 10,
achtste lid, onder a, hoger is dan de laatst vastgestelde of
aangepaste periodieke uitkering of garantie-uitkering, mits dit
niet uitsluitend het gevolg is van de koersomrekening van
inkomsten die door de uitkeringsgerechtigde of zijn echtgenoot
worden ontvangen, of;
b. indien het vermogen van de uitkeringsgerechtigde en zijn
echtgenoot door oorzaken gelegen in factoren waarop de
uitkeringsgerechtigde geen invloed heeft kunnen uitoefenen,
zodanig is verminderd, dat het niet herzien van de laatst
vastgestelde inkomsten uit vermogen, bedoeld in artikel 28, eerste
lid, onder c, tot een klaarblijkelijke hardheid zou leiden. Bij de
beoordeling hiervan wordt rekening gehouden met de totale
vermogens- en inkomstenpositie van de uitkeringsgerechtigde en
zijn echtgenoot.
2. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, gaat de opnieuw
vastgestelde periodieke uitkering of de garantie-uitkering in op de
eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend.
3. Op een besluit, voortvloeiende uit de toepassing van het eerste
lid, isartikel 38, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VII. Herziening
Artikel 61
1. De Raad of de Sociale verzekeringsbank is bevoegd een eenmaal
gegeven beschikking in het nadeel van betrokkene te herzien, indien
hem alsnog blijkt of na kennisneming van enig feit, gegeven of
omstandigheid op zich zelf of in samenhang met andere feiten, gegevens
of omstandigheden, duidelijk wordt, dat de gronden waarop die
beschikking was gebaseerd dermate onjuist of onvolledig waren, dat de
beschikking op die gronden niet kan worden gehandhaafd en de bekend
geworden feiten, gegevens of omstandigheden onvoldoende grond bieden
om de oorspronkelijke beschikking te dragen.
2. Indien, naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank, door
de herzieningsbeschikking het recht op elke voorziening van deze wet
zal moeten worden ontzegd, stelt de Sociale verzekeringsbank, alvorens
tot herziening over te gaan, de betrokkene in de gelegenheid zijn
zienswijze naar voren te brengen.
3. De Raad of de Sociale verzekeringsbank is bevoegd, op daartoe
door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, een door de Raad of
de Sociale verzekeringsbank of door de Centrale Raad van Beroep
gegeven beschikking dan wel uitspraak in het voordeel van de bij die
beschikking dan wel uitspraak betrokkene te herzien.
4. Op een beschikking, voortvloeiende uit de toepassing van het
derde lid, is paragraaf 10 van overeenkomstige toepassing, met
uitzondering van artikel 38, tweede, derde en vierde lid, en artikel
39.
Artikel 62
Indien met terugwerkende kracht een voorziening wordt getroffen voor
hetzelfde doel als waarvoor reeds ingevolge deze wet een vergoeding of
tegemoetkoming werd verleend, herziet de Sociale verzekeringsbank de
oorspronkelijke beschikking.
Hoofdstuk VIII. Terugvordering en verrekening
Artikel 63
Indien een ingevolge deze wet gegeven beschikking in het nadeel van
betrokkene wordt herzien, wordt hetgeen te veel was uitbetaald, niet
teruggevorderd of verrekend, tenzij:
a. tenzij toepassing is gegeven aan artikel 59, dan wel
b. toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 62, dan wel
c. in de herzieningsbeschikking gemotiveerd is aangegeven dat van
de feiten, gegevens en omstandigheden, bedoeld in artikel 61, eerste
lid, niet kon worden kennisgenomen als gevolg van opzet of grove
nalatigheid van betrokkene, dan wel
d. betrokkene redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hem te veel
werd uitbetaald.
Artikel 64
Indien aan de uitkeringsgerechtigde, in afwachting van de toekenning
van een uitkering, vergoeding of tegemoetkoming ingevolge deze wet, door
burgemeester en wethouders een uitkering is verleend ingevolge de Wet
werk en bijstand, wordt de uitkering, vergoeding of tegemoetkoming
ingevolge deze wet verminderd met de kosten van bijstand welke voor
overeenkomstige voorzieningen zijn gemaakt over dezelfde periode
waarover de uitkering, vergoeding of tegemoetkoming wordt verleend,
terwijl de som welke in mindering wordt gebracht, wordt uitbetaald aan
de betrokken gemeente.
Hoofdstuk IX. Bekostiging en toezicht
Artikel 65 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 66 [Vervallen per 01-07-1990]
Hoofdstuk X. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 67 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 68 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 69 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 70 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 71 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 72 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 73 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 74 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 75 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 76 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 77 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 78
In het belang van een goede uitvoering van deze wet kan Onze Minister
nadere regelen stellen.
Artikel 79 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 80 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 81
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 82
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 83
Deze wet kan worden aangehaald als Wet uitkeringen
burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
Artikel 84
Deze wet treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt, met uitzondering
van artikel 82, terug tot 1 juli 1981.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 10 maart 1984
BEATRIX
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
J.P. van der Reijden
Uitgegeven de dertigste maart 1984
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|