Nadere regelgeving:
- Beschikking vaststelling grondslagen voor uitkeringen aan vervolgden
- Besluit draagkracht vervolgden
- Besluit
inkomen voor de grondslagvaststelling Wuv en Wubo
- Besluit
toeslag premie ziektekostenverzekering Wubo en Wuv
- Besluit
vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor
oorlogsgetroffenen
WET van 22 november 1972, houdende
regelen betreffende de verlening van uitkeringen aan de slachtoffers van
vervolging
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen
te stellen betreffende de verlening van uitkeringen aan de slachtoffers
van vervolging tijdens de oorlogsjaren 1940-1945;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
b. de Raad: de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in artikel 3
van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en
oorlogsgetroffenen;
c. de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank,
genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen.
Artikel 1a
1. Voor de toepassing van deze wet wordt gelijkgesteld met:
a. huwelijk: het geregistreerd partnerschap;
b. gehuwd: als partner geregistreerd;
c. echtgenoot of echtpaar: de geregistreerde partner of het
geregistreerde paar;
d. weduwe of weduwnaar: de achtergebleven partij bij het
geregistreerd partnerschap;
2. In deze wet en de daarop rustende bepalingen:
a. worden als gehuwd of als echtgenoot aangemerkt, ongehuwde
personen van verschillend of gelijk geslacht, die duurzaam een
gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen
tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat;
b. wordt als ongehuwd mede aangemerkt degenen die duurzaam
gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
3. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het tweede lid
kan slechts sprake zijn indien twee personen gezamenlijk voorzien in
huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van
de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
Onze Minister kan nadere regels stellen voor de toepassing van de
eerste volzin.
Artikel 1b
Waar in deze wet in een artikel of artikellid sprake is van «de Raad
of de Sociale verzekeringsbank» is de taakverdeling in overeenstemming
met de artikelen 4 en 6 van de Wet uitvoering wetten voor
verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen.
Artikel 2
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt onder vervolging verstaan iedere handeling of maatregel, welke
tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door of namens de Nederland of het
voormalige Nederlands-Indië vijandelijke bezettende machten werd
gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras,
geloof, wereldbeschouwing of homosexualiteit en welke heeft geleid
tot:
a. vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen,
gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van
het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd
beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke
verblijfplaatsen;
b. ondergaan van sterilisatie om aan vrijheidsberoving te
ontkomen;
c. onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen.
2. Onder vervolging worden tevens verstaan handelingen of
maatregelen:
a. van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige
Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen
van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees
georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot
omstandigheden als omschreven in het eerste lid, onder a;
b. van de vijandelijke bezettende macht van Nederland, welke
werden gericht tegen personen, die zich aan verplichte
tewerkstelling hebben onttrokken en welke hebben geleid tot
omstandigheden als omschreven in het eerste lid, onder a.
3. Handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht
van Nederland, welke werden gericht tegen personen wegens het zich
onttrekken aan krijgsgevangenschap, worden niet onder vervolging
begrepen.
Artikel 3
1. Onder vervolgde wordt verstaan:
a. de Nederlander, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945
Nederlander zijnde dan wel Nederlands onderdaan in de zin van de
toenmalige Wet van 10 februari 1910 (Stb. 55), vervolging
onderging;
b.
1. de Nederlander, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945
vreemdeling zijnde, vervolging onderging, indien hij sedert 9
mei 1940 tot aan het tijdstip van zijn naturalisatie
onafgebroken in Nederland gevestigd is geweest;
2. de Nederlander, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945
vreemdeling zijnde, vervolging onderging, indien hij sedert 7
december 1941 tot het tijdstip van zijn naturalisatie
onafgebroken in het voormalige Nederlands-Indië, in
Indonesië of in het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea
gevestigd is geweest, dan wel sedert 7 december 1941
onafgebroken in het voormalige Nederlands-Indië, in
Indonesië of in het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea was
gevestigd en aansluitend daaraan vóór 1 april 1964 in
Nederland is gekomen of vóór genoemde datum een verzoek om
toestemming tot vestiging in Nederland heeft ingediend, waarop
gunstig is beslist, en sedert zijn aankomst tot aan het
tijdstip van zijn naturalisatie onafgebroken hier te lande
gevestigd is geweest.
3. de Nederlander, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945
vreemdeling zijnde, vervolging onderging, indien hij zich niet
later dan 15 augustus 1955 in Nederland heeft gevestigd en tot
de datum van de aanvraag, bedoeld in artikel 30, dan wel tot
zijn overlijden onafgebroken in Nederland gevestigd is
geweest;
c. de vreemdeling, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945
vervolging onderging, indien hij sedert 9 mei 1940 onafgebroken in
Nederland is gevestigd, dan wel tot zijn overlijden is geweest;
d.
1. de vreemdeling, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945
vervolging onderging, indien hij sedert 7 december 1941 tot
zijn overlijden, mits dit plaats vond vóór 1 april 1964,
onafgebroken in het voormalig Nederlands-Indië, in Indonesië
of in het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea, was gevestigd;
2. de vreemdeling, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945
vervolging onderging, indien hij sedert 7 december 1941
onafgebroken in het voormalig Nederlands-Indië, in Indonesië
of in het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea, was gevestigd en
aansluitend daaraan vóór 1 april 1964 in Nederland is
gekomen of vóór genoemde datum een verzoek om toestemming
tot vestiging in Nederland heeft ingediend, waarop gunstig is
beslist, en sedert zijn aankomst onafgebroken hier te lande
gevestigd is, dan wel tot zijn overlijden is geweest;
e. de vreemdeling, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945
Nederlander zijnde vervolging onderging;
f. de vreemdeling, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945
Nederlands onderdaan zijnde in de zin van de Wet van 10 februari
1910 (Stb. 55) vervolging onderging en nadien het Nederlanderschap
heeft bezeten.
2. De Raad kan de persoon die vervolging heeft ondergaan, maar niet
voldoet aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid, dan wel de
persoon die voldoet aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid, en
tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke
overeenkomst vertonen met vervolging, met de vervolgde gelijkstellen
indien het niet toepassen van deze wet ten aanzien van deze persoon
een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
Artikel 4
1. Behoudens in nader bij algemene maatregel van bestuur te regelen
gevallen is deze wet niet van toepassing op:
a. de vervolgde en diens nabestaanden, die op grond van de
vervolgingsomstandigheden aanspraken ontlenen aan de voor
militairen geldende voorzieningen, tenzij de vervolgde heeft
behoord tot het personeel van het voormalige Koninklijk
Nederlandsch-Indisch Leger;
b. de vervolgde en diens nabestaanden, die aanspraken ontlenen
aan de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, de Wet buitengewoon
pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers of de Wet buitengewoon
pensioen Indisch verzet;
c. de vervolgde in de zin van artikel 3, eerste lid, onder c en
d, en diens nabestaanden, die een andere dan de Nederlandse
nationaliteit bezitten en zich metterwoon in het buitenland
vestigen dan wel reeds buiten Nederland zijn of waren gevestigd,
ook indien zij zich nadien in Nederland vestigen;
d. de nabestaande van de vervolgde in de zin van artikel 3,
eerste lid, onder b 3, die een andere dan de Nederlandse
nationaliteit bezitten.
2. Bij de toepassing van het eerste lid, onder c, wordt een
verblijf in het buitenland van langere duur dan een jaar in ieder
geval aangemerkt als vestiging aldaar.
3. Tot de nabestaanden genoemd in het eerste lid onder c, dient
niet te worden gerekend de nabestaande, die, als zodanig, vóór 1
april 1964 vanuit het voormalig Nederlands-Indië, Indonesië of het
voormalig Nederlands Nieuw-Guinea in Nederland is gekomen dan wel
vóór genoemde datum een verzoek om toestemming tot vestiging in
Nederland heeft ingediend, waarop gunstig is beslist en sedert zijn
aankomst onafgebroken hier te lande is gevestigd.
Artikel 5
1. Voor een uitkering, een vergoeding en een tegemoetkoming,
alsmede voor een verklaring als bedoeld in artikel 22 komt niet in
aanmerking de vervolgde die blijkens opgave van Onze Minister van
Justitie:
a. bij onherroepelijke uitspraak van een bijzondere
strafrechter is veroordeeld;
b. bij een uitspraak van een Tribunaal, waarop fiat executie is
verleend, de al dan niet voorwaardelijke oplegging van een
bijzondere maatregel onderging;
c. bij een onherroepelijke beslissing van een orgaan van de
bijzondere rechtspleging voorwaardelijk buiten vervolging is
gesteld;
d. bij een onherroepelijke uitspraak van een met zuivering
belast orgaan of college is ontzet van het recht ambten of
bepaalde ambten te bekleden, dan wel bepaalde beroepen of functies
uit te oefenen of oneervol is ontslagen;
e. zich door de vlucht aan vervolging door een orgaan van de
bijzondere rechtspleging heeft onttrokken.
2. Voor een uitkering, een vergoeding en een tegemoetkoming,
alsmede voor een verklaring als bedoeld in artikel 22, komt niet in
aanmerking de vervolgde die zich tijdens de vijandelijke bezetting uit
Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.
3. Voor een uitkering komen evenmin in aanmerking de nabestaanden
van de vervolgde, indien ten aanzien van hem uitspraken zijn gedaan of
beslissingen zijn genomen als in het eerste lid bedoeld, dan wel
indien hij zich heeft gedragen als in het tweede lid omschreven.
4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op
de nabestaanden van de vervolgde, indien ten aanzien van hen
uitspraken zijn gedaan of beslissingen zijn genomen als in het eerste
lid bedoeld, dan wel indien zij zich hebben gedragen als in het tweede
lid omschreven.
Artikel 6 [Vervallen per 01-07-1990]
Hoofdstuk II. De aanspraken
§ 1. De uitkeringsgerechtigden
Artikel 7
1. Recht op een uitkering heeft:
a. de vervolgde, die wegens ziekten of gebreken, welke door of
in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd, buiten
staat is door arbeid een inkomen te verwerven dat gelijk is aan de
ingevolge artikel 8 vastgestelde grondslag;
b. de weduwe of weduwnaar, alsmede de minderjarige volle wees
van de vervolgde van wie het overlijden redelijkerwijs aan de
vervolging kan worden toegeschreven;
c. de weduwe, de weduwnaar, alsmede de minderjarige volle wees
van de vervolgde, indien de vervolgde door andere oorzaken dan de
vervolging is overleden, mits deze ten tijde van het overlijden in
het genot was van een uitkering, uit welken hoofde of onder welke
benaming ook, verband houdende met de onder a of in het tweede lid
bedoelde ziekten of gebreken.
2. Indien de ziekten of gebreken, bedoeld in het eerste lid, niet
duidelijk door andere oorzaken dan de vervolging zijn ontstaan of
verergerd, worden deze geacht hun oorzaken te hebben in de vervolging,
dan wel in omstandigheden verband houdende met de vervolging. Daarbij
wordt rekening gehouden met de inzichten en ervaringen van de medische
wetenschap met betrekking tot de relatie tussen de vervolging en de
geestelijke en lichamelijke gezondheidstoestand.
3. Onder verergering bedoeld in het eerste lid, onder a en het
tweede lid wordt verstaan een verergering die in belangrijke mate
heeft bijgedragen tot de ernst van de ziekten of gebreken op grond
waarvan aanspraken aan deze wet kunnen worden ontleend.
4. De in het eerste lid bedoelde uitkering aan de weduwe of
weduwnaar van de vervolgde die na de inwerkingtreding van deze wet is
overleden, wordt ten hoogste gedurende een tijdvak van twee jaren na
de datum van overlijden verleend, indien de weduwe of weduwnaar op dat
tijdstip nog niet de 40-jarige leeftijd heeft bereikt, tenzij zij of
hij arbeidsongeschikt is, of een of meer minderjarige kinderen te
haren of te zijnen laste heeft.
5. Voor de toepassing van deze wet worden onder minderjarige
kinderen dan wel minderjarige volle wezen verstaan onderscheidenlijk
kinderen of volle wezen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben
bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn.
§ 2. De grondslag voor de uitkering
Artikel 8
1. Indien aanspraak op een uitkering bestaat wordt de grondslag
vastgesteld waarnaar die uitkering wordt berekend.
2. De grondslag wordt vastgesteld naar het inkomen uit arbeid in
beroep of bedrijf dat de vervolgde, al naar voor hem het gunstigst is,
ten tijde van de aanvraag bedoeld in artikel 30 in Nederland zou
hebben genoten:
a. uit het laatstelijk door hem uitgeoefende beroep of bedrijf;
b. uit het laatstelijk voor het tot uiting komen van de ziekten
of gebreken, of de verergering daarvan door hem uitgeoefende
beroep of bedrijf;
c. uit het laatstelijk voor de vervolging door hem uitgeoefende
beroep of bedrijf.
3.
a. Indien het in het tweede lid bedoelde beroep of bedrijf
buiten Nederland werd uitgeoefend, wordt behoudens ten aanzien van
de uitkeringsgerechtigde, bedoeld onder b, bij de vaststelling van
de grondslag waarnaar de uitkering wordt berekend, rekening
gehouden met het meest vergelijkbare beroep of bedrijf in
Nederland, alsmede met (vak)opleiding, bekwaamheid en andere
factoren, welke terzake van belang kunnen zijn.
b. In afwijking van het bepaalde onder a wordt, indien de
vervolging in het voormalige Nederlands-Indië heeft plaats gehad
en de uitkeringsgerechtigde in Indonesië gevestigd is, de
grondslag vastgesteld naar het inkomen in Indonesisch courant dat
uit het aldaar uitgeoefende beroep of bedrijf zou zijn genoten.
4. Bij de vaststelling van de grondslag, bedoeld in het eerste,
tweede en derde lid, wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid
van bevordering of verhoging van de vakbekwaamheid, uitbreiding van
het bedrijf of andere dergelijke factoren.
5. Indien de vervolgde ten tijde van het tot uiting komen van de
ziekten of gebreken, of de verergering daarvan, dan wel ten tijde van
het overlijden, niet aangewezen was op inkomsten uit arbeid in beroep
of bedrijf, wordt de grondslag vastgesteld op het van toepassing
zijnde bedrag, genoemd in het zevende lid, onder a, dan wel het
bedrag, genoemd in het achtste lid, onder a.
6. Bij de vaststelling van de grondslag voor de vervolgde die
vóór het tot uiting komen van de ziekten en gebreken, of de
verergering daarvan, door of in verband met het volgen van onderwijs
nog geen arbeid in beroep of bedrijf uitoefende, wordt rekening
gehouden met de omstandigheden die ten tijde van de aanvraag bedoeld
in artikel 30 terzake van invloed zijn. Onze Minister stelt te dien
aanzien nadere regelen.
7. De in de vorige leden, behoudens in het derde lid, onder b,
bedoelde grondslag wordt bepaald op:
a. tenminste een bedrag van € 1.867,87 per maand per 1 juli
1976 [Red: per 1 januari 2013: € 2 022,98] en
b. ten hoogste een bedrag van € 3.877,64 per maand per 1 juli
1976 [Red: per 1 januari 2013: € 4 199,68] .
8. De in het derde lid, onder b, bedoelde grondslag wordt bepaald
op:
a. tenminste een bedrag van 23 000 rupiah per maand [Red: per 1
januari 2012: 4.523.410 rupiah] en
b. ten hoogste een bedrag van 57 500 rupiah per maand [Red: per
1 januari 2012: 11.330.443 rupiah] .
9. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder
inkomen uit arbeid in beroep of bedrijf, als bedoeld in het tweede
lid, moet worden verstaan.
Artikel 9
Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing, indien de
aanspraken op een uitkering betrekking hebben op die van de minderjarige
volle wees.
§ 3. De uitkering
Artikel 10
1. De uitkering bedraagt een percentage van de ingevolge artikel 8
vastgestelde grondslag, en wel:
a. 85% voor de gehuwde vervolgde, tenzij het bepaalde onder b
van toepassing is;
b. 75% voor de gehuwde vervolgde, indien het inkomen van de
echtgenoot, inkomsten uit vermogen daaronder niet begrepen, meer
bedraagt dan 30% van het bedrag, bedoeld in artikel 8, zevende
lid, onder b, onderscheidenlijk achtste lid, onder b;
c. 80% voor de ongehuwde vervolgde met minderjarige kinderen;
d. 75% voor de alleenstaande vervolgde;
e. 75% voor de weduwe en de weduwnaar van de vervolgde met
minderjarige kinderen, met dien verstande dat de uitkering ten
hoogste wordt bepaald op een bedrag van € 2.533,89 per maand per
1 juli 1976 [Red: per 1 januari 2013: € 2 744,32] ;
f. 70% voor de weduwe en de weduwnaar van de vervolgde zonder
minderjarige kinderen, met dien verstande dat de uitkering ten
hoogste wordt bepaald op een bedrag van € 2.357,75 per maand per
1 juli 1976 [Red: per 1 januari 2013: € 2 553,57] .
2.
a. De percentages, genoemd in het eerste lid, onder a, b, c en
d, worden met 15 verminderd met ingang van de dag waarop de
uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt,
tenzij artikel 8, derde lid, onder b, van toepassing is.
b. De percentages, genoemd in het eerste lid, onder e en f,
worden met 20 verminderd met ingang van de dag waarop de
uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt,
tenzij artikel 8, derde lid, onder b, van toepassing is.
3. In de in het eerste lid onder a, b, c en d genoemde percentages
is een toeslagpercentage van 5 begrepen. Deze toeslag bedraagt niet
minder dan een bedrag overeenkomende met 10% van de grondslag genoemd
in artikel 8, zevende lid, onder a.
4. Bij overlijden van de echtgenoot van de vervolgde blijft het
uitkeringspercentage ongewijzigd tot en met de laatste dag van de
maand, volgende op die, waarin het overlijden heeft plaatsgevonden.
Artikel 11
1. Indien de vervolgde, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a,
in staat is zich door passende arbeid een inkomen te verwerven, doch
deze arbeid om niet gegronde redenen niet of slechts ten dele
verricht, wordt de uitkering bepaald overeenkomstig de graad van zijn
onvermogen het in artikel 8 bedoelde inkomen te verwerven.
2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing, indien de
vervolgde buiten staat is 40% van het in artikel 8 bedoelde inkomen te
verwerven.
Artikel 12
Indien de uitkeringsgerechtigde recht kan doen gelden op twee van de
volgende rechten:
a. een uitkering ingevolge artikel 7, eerste lid, onder a, en
b. een uitkering ingevolge artikel 7, eerste lid, onder b of c,
wordt slechts die uitkering verleend, welke leidt tot de hoogste
uitbetaling aan de uitkeringsgerechtigde.
Artikel 13
a. De uitkering aan de minderjarige volle wees wordt naar behoefte
individueel bepaald. Bij de vaststelling van de uitkering wordt
rekening gehouden met geëigende voorzieningen ter zake van kosten van
onderwijs en opleiding.
b. De onder a bedoelde uitkering kan zo nodig worden voortgezet tot
uiterlijk het bereiken van de 27-jarige leeftijd, indien de
betrokkene, hetzij in verband met een dagstudie, hetzij in verband met
arbeidsongeschiktheid, door het ontbreken van andere geëigende
voorzieningen op die uitkering is aangewezen.
Artikel 14
1. Bij verblijf van een alleenstaande of een echtpaar ter
verpleging of verzorging in een daartoe bestemde inrichting, waarvan
de kosten met toepassing van één der sociale verzekeringswetten
worden betaald, wordt de uitkering, met ingang van het tijdstip waarop
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze verpleging of verzorging
een langdurig karakter draagt, doch in ieder geval na verloop van een
jaar, nader bepaald op:
a. 12% van de overeenkomstig artikel 8 vastgestelde grondslag
voor een alleenstaande;
b. 20% van de overeenkomstig artikel 8 vastgestelde grondslag
voor een gehuwde, tenzij onderdeel c van toepassing is;
c. 12% van de overeenkomstig artikel 8 vastgestelde grondslag
voor een gehuwde, indien het inkomen van de echtgenoot, inkomsten
uit vermogen daaronder niet begrepen, meer bedraagt dan 30% van
het bedrag, bedoeld in artikel 8, zevende lid, onder b,
onderscheidenlijk achtste lid, onder b.
2. Voor de in Nederland gevestigde uitkeringsgerechtigde en de
uitkeringsgerechtigde op wie artikel 69, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet van toepassing is, wordt op de overeenkomstig het
eerste lid vastgestelde uitkering ten behoeve van de te zijnen laste
komende premie van verzekering tegen ziektekosten een bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde toeslag verleend die per categorie
van uitkeringsgerechtigden verschilt.
3. Voor de niet in Nederland gevestigde uitkeringsgerechtigde, met
uitzondering van de uitkeringsgerechtigde op wie artikel 69, eerste
lid, van de Zorgverzekeringswet van toepassing is, wordt op de
overeenkomstig het eerste lid vastgestelde uitkering een toeslag
verleend gelijk aan het, op het tijdstip met ingang waarvan toepassing
wordt gegeven aan het eerste lid, eenmalig vast te stellen bedrag van
de te zijnen laste blijvende premie van verzekering tegen
ziektekosten, doch ten hoogste tot een bij algemene maatregel van
bestuur vast te stellen bedrag.
4. Het ingevolge het derde lid vastgestelde bedrag van de ten laste
van de uitkeringsgerechtigde blijvende premie van verzekering tegen
ziektekosten wordt door de Sociale verzekeringsbank herzien:
a. jaarlijks, naar evenredigheid van de ontwikkeling van de
standaardpremie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g,
van de Wet op de zorgtoeslag,
b. bij het door de gerechtigde bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet,
c. bij veranderingen in de gezinssituatie van de gerechtigde,
of
d. indien de Sociale verzekeringsbank van oordeel is dat het
niet herzien van het vastgestelde bedrag gelet op het belang dat
dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid
van overwegende aard.
5. Indien de in het eerste lid bedoelde kosten van verpleging of
verzorging met toepassing van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
worden betaald en de uitkeringsgerechtigde in die kosten een eigen
bijdrage verschuldigd is, wordt op de overeenkomstig het eerste lid
vastgestelde uitkering een toeslag verleend gelijk aan het bedrag van
de eigen bijdrage.
6. Op de overeenkomstig het eerste tot en met derde en vijfde lid
vastgestelde uitkering worden in mindering gebracht de inkomsten van
de uitkeringsgerechtigde en van zijn echtgenoot. De inkomsten uit
vermogen worden berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 19,
vijfde en negende lid.
7. Het eerste, tweede, vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing
indien de uitkeringsgerechtigde op 31 december 2000 verbleef in een
verzorgingshuis als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
Overgangswet verzorgingshuizen zoals dat luidde voor het vervallen van
deze bepaling.
Artikel 15
1. Voor de in Nederland gevestigde uitkeringsgerechtigde en de
uitkeringsgerechtigde op wie artikel 69, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet van toepassing is, bij wie de overeenkomstig
artikel 8 vastgestelde grondslag niet hoger is dan het bedrag, bedoeld
in het zevende lid, onder a, van dat artikel, wordt op de uitkering
ten behoeve van de te zijnen laste komende premie van verzekering
tegen ziektekosten een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
toeslag verleend die per categorie van uitkeringsgerechtigden
verschilt.
2. Voor de niet in Nederland gevestigde uitkeringsgerechtigde, met
uitzondering van de uitkeringsgerechtigde op wie artikel 69, eerste
lid, van de Zorgverzekeringswet van toepassing is, bij wie de
overeenkomstigartikel 8 vastgestelde grondslag niet hoger is dan het
bedrag, bedoeld in het zevende lid, onder a, van dat artikel, wordt op
de uitkering een toeslag verleend gelijk aan het bij de toekenning van
de periodieke uitkering eenmalig vast te stellen bedrag van de te
zijnen lasten blijvende premie van verzekering tegen ziektekosten,
doch ten hoogste tot een bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen bedrag.
3. Het ingevolge het tweede lid vastgestelde bedrag van de ten
laste van de uitkeringsgerechtigde blijvende premie van verzekering
tegen ziektekosten wordt door de Sociale verzekeringsbank herzien:
a. jaarlijks, naar evenredigheid van de ontwikkeling van de
standaardpremie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g,
van de Wet op de zorgtoeslag,
b. bij het door de gerechtigde bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet,
c. bij veranderingen in de gezinssituatie van de gerechtigde,
of
d. indien de Sociale verzekeringsbank van oordeel is dat het
niet herzien van het vastgestelde bedrag gelet op het belang dat
dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid
van overwegende aard.
4. Indien de overeenkomstig artikel 8 vastgestelde grondslag meer
bedraagt dan het bedrag, bedoeld in het zevende lid, onder a, van dat
artikel, wordt de uitkering van de uitkeringsgerechtigde alleen dan
vermeerderd met een toeslag wegens de premie van verzekering tegen
ziektekosten, indien en voorzover de uitkering minder zou bedragen dan
de uitkering, welke is afgeleid van het bedrag, bedoeld in het zevende
lid, onder a, van dat artikel verhoogd met de in het eerste lid
bedoelde toeslag.
Artikel 16
1. Indien geen kinderbijslag uit welken hoofde of onder welke
benaming ook wordt genoten, wordt op de in artikel 10 bedoelde
uitkering een toeslag verleend voor de minderjarige kinderen waarvoor
kinderbijslag zou worden ontvangen, indien de Algemene
Kinderbijslagwet van toepassing zou zijn.
2. Deze toeslag beloopt een bedrag gelijk aan de kinderbijslag
ingevolge de in het eerste lid genoemde wet.
3. In afwijking van het tweede lid wordt, indien artikel 8, derde
lid, onder b, van toepassing is, de toeslag bepaald op het bedrag aan
kindertoelage dat in Indonesië zou worden genoten, indien het beroep
of bedrijf waarnaar de grondslag is vastgesteld aldaar zou worden
uitgeoefend.
Artikel 17
1. Op de in artikel 10 bedoelde uitkering wordt, indien de
uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt,
een toeslag verleend. Deze toeslag bedraagt:
a. voor de gehuwde uitkeringsgerechtigde 60% van het bedrag van
het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld
in artikel 9, eerste lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet,
vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van
die wet;
b. voor de ongehuwde uitkeringsgerechtigde, die tevens een
pensioengerechtigde is als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder
c, van de Algemene Ouderdomswet, 20% van het bedrag van het
bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onder c, van die wet, vermeerderd met de
vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van die wet;
c. voor de ongehuwde uitkeringsgerechtigde, anders dan die,
bedoeld onder b, 20% van het bedrag van het
bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet,
vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van
die wet.
2. De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt niet verleend:
a. indien artikel 8, derde lid, onder b, van toepassing is;
b. aan de gehuwde uitkeringsgerechtigde, van wie de echtgenoot
recht heeft op enig pensioen en ten aanzien van wie artikel 19,
achtste lid, wordt toegepast.
3. Onder enig pensioen als bedoeld in het tweede lid, onder b,
wordt verstaan, een pensioen ten laste van de Nederlandse Schatkist of
die van de Nederlandse Antillen of Aruba, van een publiekrechtelijk
lichaam of een privaatrechtelijke rechtspersoon in Nederland, de
Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel ten laste van een door het
openbaar gezag in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba
ingesteld fonds, alsmede een uitkering ingevolge deze wet of de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945.
Artikel 17a
1. Indien de uitkeringsgerechtigde over zijn uitkering de
inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 43 van de
Zorgverzekeringswet, verschuldigd is, heeft hij recht op een toeslag.
Deze toeslag bedraagt het percentage van de uitkering dat overeenkomt
met het bijdragepercentage, bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de
Zorgverzekeringswet, vermenigvuldigd met anderhalf, voorzover de
uitkering is te rekenen tot het deel van het bijdrage-inkomen, bedoeld
in artikel 43, tweede lid, onderdeel a, van de Zorgverzekeringswet.
2. Indien de uitkeringsgerechtigde over zijn uitkering de bijdrage,
bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet,
verschuldigd is heeft hij recht op een toeslag. Voor de berekening van
deze toeslag is het eerste lid, tweede volzin, van overeenkomstige
toepassing.
3. Het in aanmerking te nemen bijdrage-inkomen bedraagt op
jaarbasis ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 43, derde lid,
van de Zorgverzekeringswet.
Artikel 18
1. De uitkering wordt door de Sociale verzekeringsbank aangepast
overeenkomstig de normen en voorwaarden waarmee het bedrag, genoemd in
artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag ingevolge artikel 14 van die wet wordt herzien.
2. De grondslagen, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede en zesde
lid, en de bedragen genoemd in artikel 8, zevende lid, onder a en b,
en artikel 10, eerste lid, onder e en f, worden door Onze Minister
aangepast overeenkomstig de normen en voorwaarden waarmee het bedrag,
genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag ingevolge artikel 14 van die wet wordt herzien.
3. In afwijking van het eerste lid wordt, indien de vervolging in
het voormalige Nederlands-Indië heeft plaats gehad en de
uitkeringsgerechtigde in Indonesië gevestigd is, de uitkering door de
Sociale verzekeringsbank aangepast indien de lonen en prijzen in
Indonesië daartoe aanleiding geven.
4. In afwijking van het tweede lid worden, indien de vervolging in
het voormalige Nederlands-Indië heeft plaats gehad en de
uitkeringsgerechtigde in Indonesië gevestigd is, de grondslag,
bedoeld in artikel 8, derde lid, onder b, en de bedragen genoemd
inartikel 8, achtste lid, onder a en b, door Onze Minister aangepast
indien de lonen en prijzen in Indonesië daartoe aanleiding geven.
5. Bij de aanpassing van een uitkering, bedoeld in het eerste en
derde lid, wordt uitgegaan van de laatst vastgestelde dan wel
overeenkomstig die leden aangepaste uitkering, waarbij de toeslagen,
bedoeld in de artikelen 14, tweede en derde lid, en 15, eerste en
tweede lid, buiten beschouwing worden gelaten.
6. De aanpassing van een uitkering, bedoeld in het eerste en derde
lid, vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
7. De aangepaste uitkering, bedoeld in het zesde lid, wordt betaald
bij de eerstvolgende betaling nadat de aanpassing heeft
plaatsgevonden.
8. Het bedrag, genoemd in artikel 19, vijfde lid, wordt door Onze
Minister telkens herzien met ingang van 1 januari, voor zover de
ontwikkeling van de consumentenprijsindex in de periode 1 november tot
en met 31 oktober daaraan voorafgaande, daartoe aanleiding geeft.
9. Een besluit van Onze Minister ingevolge het achtste lid wordt in
de Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 18a
De op grond van de artikelen 14, tweede en derde lid, en 15, eerste
en tweede lid, bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde bedragen
worden door Onze Minister herzien naar evenredigheid van de ontwikkeling
van de standaardpremie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g,
van de Wet op de zorgtoeslag.
Artikel 19
1. Behoudens het bepaalde in artikel 14, zesde lid, worden op de
uitkeringen, vermeerderd met de toeslagen als bedoeld in de artikelen
15 en 17, in mindering gebracht:
a. indien de uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde
leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, de bruto- inkomsten uit
tegenwoordige arbeid in beroep of bedrijf, na aftrek van
verwervingskosten, voorzover deze inkomsten 20% van de grondslag
waarnaar de uitkering is berekend te boven gaan;
b. indien de uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde
leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene
ouderdomswet, heeft bereikt, en pensioengerechtigd is ingevolge de
Algemene Ouderdomswet, het bruto-ouderdomspensioen krachtens die
wet van de uitkeringsgerechtigde en de echtgenoot met inbegrip van
de toeslag, bedoeld in artikel 10 van die wet, en de
vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van die wet, voorzover
dit niet meer bedraagt dan twee maal het bedrag van het
bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onder b, van die wet, vermeerderd met de
vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van die wet;
c. de inkomsten uit vermogen van de uitkeringsgerechtigde en
zijn echtgenoot;
d. de overige inkomsten, met uitzondering van inkomsten van de
echtgenoot van de vervolgde alsmede van kinderbijslag uit welken
hoofde of onder welke benaming ook genoten.
2. Bij de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onder a, b
en d, worden jaarlijkse vakantie-uitkeringen van de
uitkeringsgerechtigde voor 1/12 deel per maand op de uitkering in
mindering gebracht.
3. Met inkomsten uit tegenwoordige arbeid worden gelijkgesteld
uitkeringen op grond van de Ziektewet en de Werkloosheidswet, alsmede
de daarmede vergelijkbare uitkeringen welke worden verleend aan het
overheidspersoneel.
4. Indien toepassing is gegeven aan artikel 11 worden de inkomsten
uit arbeid in beroep of bedrijf in mindering gebracht voorzover de som
van de uitkering en die inkomsten de grondslag, bedoeld in artikel 8,
overtreft.
5. De inkomsten uit vermogen, bedoeld in het eerste lid, onder c,
worden berekend naar het vermogen dat de uitkeringsgerechtigde en zijn
echtgenoot op het tijdstip van de aanvraag, bedoeld in artikel 30,
bezitten. Deze inkomsten worden op jaarbasis bepaald op een percentage
van dat vermogen dat gelijk is aan het forfaitaire
rendementspercentage, genoemd in artikel 5.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, met dien verstande dat van het aldus
berekende bedrag f 1428 [Red: per 1 januari 2013: € 837,55] per jaar
wordt vrijgelaten.
6. Bij bedrijfsbeëindiging vindt het bepaalde in het eerste lid,
onder c en het vijfde lid, van dat tijdstip af overeenkomstige
toepassing.
7. Tot de inkomsten bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend
doelgerichte subsidies of tegemoetkomingen, waaronder begrepen de
vermeerdering, bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945, de artikelen 9 en 10 van de Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers en de artikelen
12, 13 en 14 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet,
voorzover deze de toeslag, bedoeld in artikel 10, derde lid, of het
bedrag, bedoeld in artikel 21b , indien dit is toegekend,
overschrijdt.
8. Indien de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde eveneens recht
heeft op enig pensioen als bedoeld in artikel 17, derde lid, en op dat
pensioen een vermindering is toegepast uit hoofde van recht op
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet van tenminste 40%
van het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de
pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de
Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met 40% van de vakantie-uitkering,
bedoeld in artikel 29 van die wet, zijn het eerste tot en met achtste
lid van toepassing, met dien verstande dat, in afwijking van het
eerste lid, onder b, op schriftelijk verzoek van de
uitkeringsgerechtigde 50% van het aan de uitkeringsgerechtigde en de
echtgenoot toegekende bruto-ouderdomspensioen krachtens de Algemene
Ouderdomswet, met inbegrip van de vakantie-uitkering, bedoeld in
artikel 29 van die wet, op de uitkering in mindering wordt gebracht.
9. Indien de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde eveneens recht
heeft op een uitkering ingevolge deze wet, zijn het eerste tot en met
het negende lid van toepassing, met dien verstande dat:
a. in afwijking van het eerste lid, onder c, de inkomsten uit
vermogen van de uitkeringsgerechtigde en de echtgenoot bij ieder
voor de helft in mindering worden gebracht;
b. in afwijking van het vijfde lid, onder a, het in dat
artikelonderdeel bedoelde bedrag wordt gehalveerd.
10. Onze Minister kan nadere regelen stellen met betrekking tot de
vaststelling van de inkomsten uit of in verband met arbeid in beroep
of bedrijf en de daarop drukkende verwervingskosten, de overige
inkomsten, alsmede met betrekking tot de vaststelling en de taxatie
van het vermogen.
Artikel 19a [Vervallen per 01-01-2013]
§ 4. Vergoeding en tegemoetkoming
Artikel 20
1. Indien de vervolgde wegens ziekten of gebreken, welke door of in
verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd, geneeskundige
behandeling en verpleging behoeft, worden de daaraan verbonden ten
laste van de vervolgde blijvende noodzakelijke kosten, alsmede de
daarmee direct verband houdende extra kosten voor noodzakelijke
voorzieningen, volledig vergoed, tenzij het derde lid van toepassing
is.
2. De vergoeding wordt eveneens verleend in het geval dat een
geneeskundige behandeling of verpleging kan bijdragen tot het
voorkomen van ziekten of gebreken als in het eerste lid bedoeld.
3. Indien de in het eerste en tweede lid bedoelde kosten betrekking
hebben op verpleging of verzorging van een alleenstaande of een
echtpaar in een daartoe bestemde inrichting, en niet met toepassing
van een der sociale verzekeringswetten worden betaald, worden deze
kosten vergoed voor zover de inkomsten daartoe ontoereikend zijn. Van
de inkomsten blijft buiten beschouwing een bedrag ter grootte van de
overeenkomstig artikel 14, eerste tot en met derde lid, vastgestelde
uitkering.
4. Een vergoeding ter zake van de kosten, bedoeld in het eerste tot
en met derde lid, wordt slechts verleend voor zover deze niet ten
laste kunnen worden gebracht van een zorgverzekering ingevolge de
Zorgverzekeringswet of een andere ziektekostenverzekering of ten laste
daarvan zouden kunnen worden gebracht indien een zodanige verzekering
is of zou zijn gesloten. De Raad of de Sociale verzekeringsbank kan
van de eerste volzin afwijken, indien, gezien de individuele
omstandigheden van de aanvrager, naar het oordeel van de Raad of de
Sociale verzekeringsbank daartoe gegronde redenen aanwezig zijn.
Artikel 21
1. In de ten laste van de vervolgde blijvende kosten van
voorzieningen verband houdende met ziekten en gebreken als bedoeld in
artikel 20, welke voorzieningen strekken tot verbetering van diens
levensomstandigheden, kan een tegemoetkoming worden verleend.
2. De tegemoetkoming heeft ten hoogste betrekking op de in het
eerste lid bedoelde kosten in zover deze, met inachtneming van de
totale financiële omstandigheden van de vervolgde en het levenspeil
waarop hij placht te leven vóór het tot uiting komen van de ziekten
of gebreken, bedoeld in artikel 20, als bijzondere kosten moeten
worden aangemerkt.
3. De tegemoetkoming in de bijzondere kosten bedoeld in het tweede
lid wordt bepaald met inachtneming van de financiële draagkracht van
de vervolgde.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden
gesteld met betrekking tot de tegemoetkoming in de bijzondere kosten
en de bepaling van de financiële draagkracht van de vervolgde.
Artikel 21a
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regelen worden gesteld met betrekking tot de aard, de ingangsdatum, de
duur en de wijze van verstrekken van de voorzieningen, bedoeld in de
artikelen 20 en 21.
2. In afwijking van het eerste lid van de artikelen 20 en 21 kan
aan categorieën vervolgden, die ziekten of gebreken hebben welke door
of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd, in de
kosten van bepaalde voorzieningen een vergoeding of tegemoetkoming
worden verleend zonder dat het in die artikelleden bedoelde verband is
vereist. Bij algemene maatregel van bestuur worden ter zake regels
gesteld.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
betreffende de mogelijkheid om de vergoeding of tegemoetkoming in de
kosten van bepaalde voorzieningen als bedoeld in de artikelen 20 en 21
na het overlijden van de vervolgde, die ziekten of gebreken had welke
door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd,
gedurende een bepaalde tijd ten gunste van de weduwe of weduwnaar
voort te zetten.
Artikel 21b [Vervallen per 01-01-1992]
§ 5. De erkenning als vervolgde
Artikel 22
1. Degene die in verband met de vervolgingsomstandigheden verwacht
te eniger tijd aanspraken aan deze wet te kunnen ontlenen, kan bij de
Raad een verzoek indienen om als vervolgde te worden erkend.
2. Op het verzoek wordt door de Raad een beschikking gegeven.
3. Een beschikking ingevolge de Rijksgroepsregeling
Vervolgingsslachtoffers 1940-1945, dan wel ingevolge het ingetrokken
hoofdstuk III van de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers
1940-1945, op grond waarvan de belanghebbende als vervolgde is
aangemerkt, wordt geacht een beschikking te zijn op grond van dit
artikel.
Hoofdstuk III. Advisering
Artikel 23 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 24 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 24a [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 25 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 26 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 26a [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 27 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 28 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 29 [Vervallen per 21-02-1997]
Hoofdstuk IV. Aanvraag en toekenning
Artikel 30
1. De toekenning van een uitkering, vergoeding of tegemoetkoming
geschiedt naar aanleiding van een daartoe bij de Raad of de Sociale
verzekeringsbank ingediende aanvraag.
2. De Raad of de Sociale verzekeringsbank kent geen uitkering,
vergoeding of tegemoetkoming toe dan nadat is vastgesteld dat het door
de aanvrager opgegeven adres overeenstemt met het hem betreffende
adresgegeven in de gemeentelijke basisadministratie.
3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing indien de
aanvrager in het buitenland gevestigd is.
4. De Raad of de Sociale verzekeringsbank kan het tweede lid buiten
toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op
het belang dat deze wet beoogt te beschermen zal leiden tot een
onbillijkheid van overwegende aard.
5. Op de aanvraag wordt de datum van ontvangst aangetekend.
6. De ontvangst van de aanvraag wordt de aanvrager schriftelijk
bevestigd. Daarbij wordt hem voorlichting gegeven over de verdere
procedure en de geldende behandeltermijnen.
7. Indien de belanghebbende in het buitenland is gevestigd wordt de
aanvraag, tenzij de Sociale verzekeringsbank in het desbetreffende
land een eigen vertegenwoordiging heeft, ingediend bij het hoofd der
Nederlandse diplomatieke dan wel consulaire vertegenwoordiging in
wiens ambtsgebied of ressort hij gevestigd is. Deze zendt de op de
aanvraag betrekking hebbende bescheiden door aan de Raad of de Sociale
verzekeringsbank.
8. Onze Minister kan nadere regelen stellen met betrekking tot de
bij de behandeling van de aanvraag over te leggen bescheiden.
Artikel 31
1. Alvorens op een aanvraag wordt beslist, wordt een rapport
opgesteld omtrent de aard en de gevolgen van de vervolging en de
levensomstandigheden van de betrokkene. Het rapport bevat een advies
met betrekking tot de met toepassing van deze wet te treffen
voorzieningen.
2. Naar keuze van de belanghebbende wordt het rapport opgesteld
door:
a. de Stichting Joods Maatschappelijk Werk te Amsterdam;
b. de Stichting Pelita te 's-Gravenhage;
c. de Stichting 1940-1945 te Amsterdam.
3. De Raad of de Sociale verzekeringsbank kan, in overeenstemming
met de belanghebbende, bepalen dat op andere wijze in het opstellen
van het rapport wordt voorzien.
4. Het rapport wordt opgesteld binnen zes weken nadat de opdracht
daartoe bij een instantie als bedoeld in het tweede, onderscheidenlijk
het derde lid, is ingekomen, met dien verstande dat het rapport binnen
vier weken wordt opgesteld, indien de aanvraag betrekking heeft op een
vergoeding of een tegemoetkoming. Indien die instantie niet tijdig in
het opstellen van het rapport voorziet kan de Raad of de Sociale
verzekeringsbank, met instemming van de betrokkene, besluiten op
andere wijze informatie omtrent de aard en de gevolgen van de
vervolging en de levensomstandigheden van de betrokkene in te winnen.
5. Indien de belanghebbende in het buitenland is gevestigd, wordt
het rapport opgesteld onder verantwoordelijkheid van de instantie,
waarbij de aanvraag op grond van artikel 30, zevende lid, moet worden
ingediend.
6. Indien een aanvraag betrekking heeft op een vergoeding of
tegemoetkoming behoeft het in het eerste lid bedoelde rapport slechts
te worden opgesteld indien de Raad of de Sociale verzekeringsbank dat
nodig acht.
Artikel 31a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 32
1. Van de beschikking wordt mededeling gedaan aan het orgaan dat
het in artikel 31 bedoelde rapport heeft opgesteld.
2. Bij de bekendmaking van de beschikking wordt voorlichting
gegeven over de procedure en de voor het bezwaarschrift geldende
termijn van behandeling.
3. De beschikking op een aanvraag krachtens artikel 7, eerste lid,
onder a, voor zover de aanvrager niet reeds op grond van artikel 22
als vervolgde is erkend, artikel 7, eerste lid, onder b en c, voor
zover de overledene geen aanspraken op deze wet heeft doen gelden, de
artikelen 20 en 21, voorzover de aanvrager niet eerder aanspraken op
deze wet heeft doen gelden, of artikel 22 wordt gegeven binnen zeven
maanden na de datum waarop de aanvraag bij de Raad is ingekomen.
Indien de Raad ten gevolge van bijzondere omstandigheden niet binnen
deze termijn kan beslissen, kan hij eenmaal met ten hoogste acht weken
worden verlengd. Van de verlenging doet de Raad schriftelijk
mededeling aan de belanghebbende.
4. De beschikking op een aanvraag krachtens artikel 7, eerste lid,
onder a, voorzover de aanvrager reeds op grond van artikel 22 als
vervolgde is erkend, artikel 7, eerste lid, onder b en c, voor zover
de overledene aanspraken op deze wet heeft doen gelden of de artikelen
20 en 21, voor zover de aanvrager reeds eerder aanspraken op deze wet
heeft doen gelden, wordt gegeven binnen dertien weken na de datum
waarop de aanvraag bij de Raad of de Sociale verzekeringsbank is
ingekomen.
Indien de Raad of de Sociale verzekeringsbank ten gevolge van
bijzondere omstandigheden niet binnen deze termijn kan beslissen, kan
hij eenmaal met ten hoogste vier weken worden verlengd. Van de
verlenging doet de Raad of de Sociale verzekeringsbank schriftelijk
mededeling aan de belanghebbende.
5. Met betrekking tot een aanvraag, bedoeld in het vierde lid, die
wordt ingediend terwijl een aanvraag, bedoeld in het derde lid, nog in
behandeling is geldt, in afwijking van het vierde lid, de termijn die
resteert voor de beschikking op de aanvraag, bedoeld in het derde lid,
tenzij de resterende termijn korter is dan de termijn, bedoeld in het
vierde lid.
Artikel 32a
1. Indien de Raad vier weken voor het verstrijken van de verlengde
termijn, bedoeld in artikel 32, derde lid, onvoldoende gegevens
aanwezig acht om tot een beoordeling van de aanvraag te komen en
dientengevolge niet in staat is een beschikking te geven, stelt hij de
aanvrager gedurende die vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze
naar voren te brengen.
2. Artikel 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht is op het horen
van toepassing.
3. Indien de aanvrager zijn zienswijze mondeling naar voren brengt,
wordt een verslag gemaakt.
Artikel 32b
1. Indien de aanvrager kennis wenst te nemen van gegevens welke
mede tot een beschikking van de Raad of de Sociale verzekeringsbank
kunnen leiden dan wel hebben geleid, worden deze hem op zijn verzoek
door de Raad of de Sociale verzekeringsbank verstrekt.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
omtrent de vergoeding welke verschuldigd is, indien afschrift wordt
verstrekt van de op de beschikking betrekking hebbende bescheiden.
Artikel 33
1. De uitkering, vergoeding of tegemoetkoming wordt zo spoedig
mogelijk, doch uiterlijk binnen dertien weken na de toekenning,
vastgesteld en betaald.
2. Indien de door belanghebbende verstrekte gegevens en bescheiden
onvoldoende zijn voor het vaststellen van het bedrag van de uitkering,
vergoeding of tegemoetkoming, verzoekt de Sociale verzekeringsbank de
belanghebbende deze gegevens en bescheiden alsnog te verstrekken. De
periode van dertien weken, bedoeld in het eerste lid, wordt in zodanig
geval opgeschort met ingang van de dag waarop de Sociale
verzekeringsbank vorenbedoeld verzoek heeft gedaan tot de dag waarop
de gegevens en bescheiden zijn verstrekt.
Hoofdstuk V. Ingang en einde van de uitkering
Artikel 34
1. De uitkering bedoeld in § 3 van hoofdstuk II gaat in:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de aanvraag
om een uitkering is ingediend, behoudens het bepaalde onder b van
dit lid;
b. voor de weduwe, de weduwnaar of de minderjarige volle wees,
die, aansluitend aan het overlijden van de uitkeringsgerechtigde
die een uitkering ingevolge deze wet genoot, aanspraak op een
uitkering maakt, met ingang van de eerste dag van de derde maand
volgend op die, waarin het overlijden heeft plaatsgehad.
2. De uitkering bedoeld in § 3 van hoofdstuk II wordt beëindigd:
a. bij overlijden van de uitkeringsgerechtigde die een
echtgenoot of minderjarige kinderen achterlaat, met ingang van de
eerste dag van de derde maand volgend op die, waarin het
overlijden heeft plaatsgehad;
b. bij overlijden van de uitkeringsgerechtigde die geen
echtgenoot of minderjarige kinderen achterlaat, met ingang van de
eerste dag van de maand volgend op die, waarin het overlijden
heeft plaatsgehad;
c. bij huwelijk, daaronder begrepen de in artikel 1a, tweede
lid, onder a, bedoelde situatie, van de weduwe of de weduwnaar,
die niet als vervolgde recht heeft op een uitkering ingevolge deze
wet, met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die
waarin daarvan sprake is.
3. De uitkering, bedoeld in artikel 13, wordt beëindigd bij het
bereiken van de leeftijd van 21 jaar, tenzij artikel 13, onder b, van
toepassing is, of bij het aangaan van een huwelijk door de volle wees
vóór het bereiken van die leeftijd, daaronder mede begrepen de in
artikel 1a, tweede lid, onder a, bedoelde situatie, met ingang van de
eerste dag van de maand, volgend op die, waarin de volle wees de
leeftijd van 21 jaar bereikt heeft, onderscheidenlijk het huwelijk
heeft plaatsgehad.
Artikel 35
De uitkering, die op grond van artikel 34, tweede lid, onder c, werd
beëindigd, wordt opnieuw verleend, indien het huwelijk is ontbonden. In
dat geval gaat de uitkering in op de eerste dag van de maand waarin de
hernieuwde aanvraag wordt ingediend.
Artikel 36 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 37
1. De uitkeringsgerechtigde, die is veroordeeld tot een
vrijheidsstraf van drie maanden, tot plaatsing in een
Rijkswerkinrichting, tot plaatsing in een tuchtschool voor drie
maanden, of tot enige zwaardere straf, of op bevel van de rechter ter
beschikking van de Regering is gesteld, mist over de tijd gedurende
welke hij zijn straf ondergaat of van Regeringswege in zijn opvoeding
wordt voorzien, of gedurende welke hij zich door de vlucht aan de
tenuitvoerlegging van het vonnis onttrekt, het genot van uitkering.
2. De Sociale verzekeringsbank is bevoegd het uitkeringsbedrag over
die tijd geheel of ten dele aan of ten behoeve van de echtgenoot of
minderjarige kinderen van de uitkeringsgerechtigde te doen uitbetalen.
3. De Sociale verzekeringsbank is tevens bevoegd om, voor zover van
de bevoegdheid in het tweede lid bedoeld, geen gebruik is gemaakt, de
uitkeringsgerechtigde, die al of niet voorwaardelijk uit de
gevangenis, uit de Rijkswerkinrichting of uit de tuchtschool is
ontslagen, of wiens opvoeding van Regeringswege is geëindigd, in het
genot te stellen van een uitkering, ten bedrage van ten hoogste de
helft van het niet uitgekeerde bedrag, tot een maximum van de helft
van het jaarlijkse bedrag van de uitkering.
Artikel 38
Van alle rechten op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt terstond vervallen verklaard de vervolgde of diens nabestaande
die:
a. van Nederlandse nationaliteit zijnde, zonder Onze toestemming
zich in vreemde krijgsdienst of vreemde burgerlijke overheidsdienst
begeeft;
b. niet van Nederlandse nationaliteit zijnde, zich in vreemde
krijgsdienst of vreemde burgerlijke overheidsdienst bevindt of
begeeft bij een mogendheid, die met Nederland in oorlog is, ook al
is die mogendheid zijn eigen vaderland.
Hoofdstuk VI. Het verstrekken van inlichtingen
Artikel 39
1. De belanghebbende is verplicht desgevraagd aan de Raad de
inlichtingen te verstrekken die voor het vaststellen of bestendigen
van het recht op een uitkering, vergoeding of tegemoetkoming, alsmede
voor de erkenning noodzakelijk zijn.
2. Indien de aanvrager niet voldoet aan het bepaalde in het eerste
lid, kan de Raad de aanvraag afwijzen dan wel de eerder gegeven
beschikking in het nadeel van betrokkene herzien.
Artikel 39a
1. De belanghebbende is verplicht desgevraagd aan de Sociale
verzekeringsbank die gegevens te verstrekken, welke voor de uitvoering
van de beschikkingen van die Raad noodzakelijk zijn.
2. Zolang de belanghebbende niet voldoet aan het bepaalde in het
eerste lid, wordt de beschikking niet uitgevoerd of wordt de
uitvoering ervan geschorst. Hiervan doet de Sociale verzekeringsbank
mededeling aan de belanghebbende en aan het orgaan dat het in artikel
31 bedoelde rapport heeft opgesteld.
3. Indien de belanghebbende eerst na twee jaar, nadat het recht op
een uitkering, een vergoeding of een tegemoetkoming is vastgesteld, de
in het eerste lid bedoelde gegevens verstrekt, beslist de Sociale
verzekeringsbank of, gelet op alle omstandigheden, de in de
beschikking genoemde ingangsdatum kan worden gehandhaafd. Zo nodig
stelt de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van het bepaalde in
artikel 34, eerste lid, dan wel in afwijking van het bepaalde in de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 21a, eerste lid,
een nieuwe ingangsdatum vast.
4. Indien de belanghebbende eerst na twee jaar, nadat de uitvoering
van de beschikking werd geschorst, de in het eerste lid bedoelde
gegevens verstrekt, beslist de Sociale verzekeringsbank, rekening
houdend met alle omstandigheden, of en in hoeverre de uitvoering van
zijn beschikking, voor zover deze betrekking heeft op de periode van
schorsing, alsnog kan plaatsvinden.
Artikel 40
De uitkeringsgerechtigde, diens wettelijke vertegenwoordiger en de
persoon aan wie de uitkering, de vergoeding of de tegemoetkoming wordt
uitbetaald, zijn verplicht onverwijld aan de Sociale verzekeringsbank
mededeling te doen van elke verandering dan wel te verwachten
verandering, en van feiten en omstandigheden, die tot intrekking of
verlaging van de uitkering, de vergoeding of tegemoetkoming aanleiding
kunnen geven.
Artikel 41
1. Alle ambtenaren, tot afgifte van uittreksels uit registers van
de burgerlijke stand bevoegd, zijn verplicht aan de Raad of de Sociale
verzekeringsbank de door deze gevraagde uittreksels uit de registers
kosteloos toe te zenden.
2. De gemeentebesturen zijn verplicht aan de Raad of de Sociale
verzekeringsbank de door deze gevraagde inlichtingen uit de
basisadministratie persoonsgegevens kosteloos toe te zenden.
Hoofdstuk VII. Voorzieningen tegen de beschikking
§ 1. Het bezwaarschrift
Artikel 42
1. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
bedraagt de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift dertien
weken, indien de belanghebbende in het buitenland gevestigd is.
2. Het in het vorige lid bedoelde bezwaarschrift wordt, in
afwijking van artikel 6:4 van de Algemene wet bestuursrecht, ingediend
bij het hoofd van de Nederlandse diplomatieke dan wel consulaire
vertegenwoordiging in wiens ambtsgebied of ressort de aanvrager
gevestigd is, tenzij de Sociale verzekeringsbank in het desbetreffende
land een eigen vertegenwoordiging heeft. Deze zendt het bezwaarschrift
toe aan de Raad of de Sociale verzekeringsbank en voegt daaraan de
gegevens toe, die van belang zijn voor de beslissing op het
bezwaarschrift.
Artikel 42a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 43
1. Artikel 32b is van overeenkomstige toepassing.
2. In afwijking van artikel 7:10, eerste, derde en vierde lid, van
de Algemene wet bestuursrecht beslist de Raad of de Sociale
verzekeringsbank binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die
waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is
verstreken. Ingeval van bijzondere omstandigheden kan deze termijn
eenmaal met ten hoogste vier weken worden verlengd. Van de verlenging
doet de Raad of de Sociale verzekeringsbank schriftelijk mededeling
aan de belanghebbende.
3. Indien de belanghebbende in het buitenland gevestigd is, worden
de termijnen, bedoeld in het tweede lid, ieder met acht weken
verlengd.
Artikel 43a [Vervallen per 01-01-1994]
§ 2. Het beroep
Artikel 44
In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift dertien
weken, indien de belanghebbende in het buitenland is gevestigd. In
afwijking van artikel 6:4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt
ingeval een belanghebbende in het buitenland is gevestigd, het
beroepschrift ingediend bij het hoofd van de Nederlandse diplomatieke
dan wel consulaire vertegenwoordiging in wiens ambtsgebied of ressort
hij gevestigd is, tenzij de Sociale verzekeringsbank in het
desbetreffende land een eigen vertegenwoordiging heeft, in welk geval
het beroepschrift aldaar wordt ingediend. De instantie, waar het
beroepschrift op grond van de vorige volzin moet worden ingediend, zendt
het toe aan de Centrale Raad van Beroep en voegt daaraan de gegevens toe
die van belang zijn voor de beslissing op het beroepschrift.
Artikel 44a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 45 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 46 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 47 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 48 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 51 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 52 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 53 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 54 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 55
1. In het belang van een goede uitvoering van deze wet kunnen bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regelen worden
gesteld.
2. De krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van
bestuur wordt aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel treedt niet in werking dan nadat 30 dagen na de overlegging
zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een der
Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal
leden van een der Kamers de wens is te kennen gegeven dat het in die
maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt
een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 56
1. De uitkering, de toeslagen, bedoeld in de artikelen 10, derde
lid, 15 en 17, de vergoeding en de tegemoetkoming zijn niet vatbaar
voor vervreemding of verpanding.
2. De toeslag, bedoeld in artikel 10, derde lid, de vergoeding en
de tegemoetkoming, alsmede de op grond van onderdeel a van artikel 34,
tweede lid, na overlijden doorlopende uitkering zijn niet vatbaar voor
beslag.
3. Volmacht tot ontvangst van de uitkering, vergoeding of
tegemoetkoming, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is
steeds herroepelijk.
4. Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is
nietig.
Artikel 57
1. De uitkeringsgerechtigde is gehouden aanspraken op wettelijke
voorzieningen geldend te maken, welke kunnen leiden tot een
vermindering van de aanspraken op grond van deze wet.
2. Indien de uitkeringsgerechtigde niet voldoet aan het bepaalde in
het eerste lid kan bij de vaststelling van de uitkering, vergoeding en
tegemoetkoming rekening worden gehouden met vorenbedoelde aanspraken.
Artikel 58
De vervolgde is gehouden medewerking te verlenen aan een medisch
onderzoek, indien de Raad of de Sociale verzekeringsbank zulks nodig
oordeelt.
Artikel 59
1. De uitkering wordt, met uitzondering van de op grond van artikel
8vastgestelde grondslag, opnieuw vastgesteld:
a. wanneer de uitkeringsgerechtigde of zijn echtgenoot de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet, bereikt;
b. wanneer de uitkeringsgerechtigde in het huwelijk treedt of
zijn huwelijk wordt beëindigd door echtscheiding of overlijden
van zijn echtgenoot;
c. wanneer de uitkeringsgerechtigde duurzaam gescheiden van
zijn echtgenoot gaat leven;
d. wanneer een kind of pleegkind van de uitkeringsgerechtigde
meerderjarig wordt;
e. wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 14, eerste lid;
f. wanneer er sprake is van bedrijfsbeëindiging door de
uitkeringsgerechtigde of zijn echtgenoot;
g. wanneer de uitkeringsgerechtigde aanspraak maakt op de
betaling uit een nieuwe bron van inkomsten, of
h. wanneer de uitkeringsgerechtigde geen aanspraak meer kan
maken op de betaling uit een bron van inkomsten, tenzij hij het
vervallen van die aanspraak heeft bewerkstelligd.
2. Het eerste lid, onder g en h, is van overeenkomstige toepassing
op de inkomsten van de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde, voor
zover die inkomsten de hoogte van de uitkering mede bepalen.
3. De beschikking, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt
genomen binnen 13 weken nadat de noodzakelijke gegevens ter kennis van
de Sociale verzekeringsbank zijn gebracht.
4. Hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in het eerste
of tweede lid te veel dan wel te weinig is uitbetaald, wordt door de
Sociale verzekeringsbank teruggevorderd of verrekend dan wel
nabetaald. De terugvordering kan in door de Sociale verzekeringsbank
te bepalen termijnen plaatsvinden.
Artikel 59a
1. Op aanvraag van de uitkeringsgerechtigde wordt de uitkering, met
uitzondering van de op grond van artikel 8 vastgestelde grondslag,
opnieuw vastgesteld:
a. indien de vast te stellen uitkering ten minste 1% van de op
de datum van deze aanvraag geldende grondslag hoger is dan de
laatst vastgestelde of aangepaste uitkering, mits dit niet
uitsluitend het gevolg is van de koersomrekening van inkomsten die
door de uitkeringsgerechtigde of zijn echtgenoot worden ontvangen,
of;
b. indien het vermogen van de uitkeringsgerechtigde en zijn
echtgenoot door oorzaken gelegen in factoren waarop de
uitkeringsgerechtigde geen invloed heeft kunnen uitoefenen,
zodanig is verminderd, dat het niet herzien van de laatst
vastgestelde inkomsten uit vermogen, bedoeld in artikel 19, eerste
lid, onder c, tot een klaarblijkelijke hardheid zou leiden. Bij de
beoordeling hiervan wordt rekening gehouden met de totale
vermogens-en inkomstenpositie van de uitkeringsgerechtigde en zijn
echtgenoot.
2. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid gaat de opnieuw
vastgestelde uitkering in op de eerste dag van de maand waarin de
aanvraag is ingediend.
3. Op een beschikking, voortvloeiende uit de toepassing van het
eerste lid, isartikel 32, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 60
Eenmalige uitkeringen op grond van wettelijke voorzieningen,
verstrekt voor hetzelfde doel als waarvoor reeds een vergoeding of
tegemoetkoming ingevolge deze wet werd verleend, worden eveneens op de
uitkeringen ingevolge deze wet in mindering gebracht. Het teveel
betaalde wordt teruggevorderd.
Artikel 60a
Indien aan de uitkeringsgerechtigde, in afwachting van de toekenning
van een uitkering, vergoeding of tegemoetkoming ingevolge deze wet, door
burgemeester en wethouders een uitkering is verleend krachtens de Wet
werk en bijstand, wordt de uitkering, vergoeding of tegemoetkoming
ingevolge deze wet verminderd met de kosten van bijstand, welke voor
overeenkomstige voorzieningen zijn gemaakt over dezelfde periode
waarover de uitkering, vergoeding of tegemoetkoming wordt verleend,
terwijl de som welke in mindering wordt gebracht, wordt uitbetaald aan
de betrokken gemeente.
Artikel 61
1. Een beschikking van de Raad of de Sociale verzekeringsbank kan
door hem in het nadeel van de bij die beschikking betrokkene worden
herzien op grond van gebleken onjuistheid van aan die beschikking ten
grondslag gelegde feiten, dan wel op grond van gegevens die niet
bekend waren ten tijde van het nemen van die beschikking, en die, zo
zij wel bekend waren geweest, tot een andersluidende beschikking
zouden hebben geleid. Indien deze herziening zou leiden tot intrekking
van het recht op uitkering, wordt de herzieningsbeschikking eerst
gegeven nadat de betrokkene door de Sociale verzekeringsbank is
gehoord.
2. De Raad of de Sociale verzekeringsbank is bevoegd, op daartoe
door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, een door de Raad of
de Sociale verzekeringsbank of door de Centrale Raad van Beroep
gegeven beschikking dan wel uitspraak in het voordeel van de bij die
beschikking dan wel uitspraak betrokkene te herzien.
3. Op een beschikking, voortvloeiende uit de toepassing van het
tweede lid, is hoofdstuk IV van overeenkomstige toepassing, met
uitzondering van artikel 32, derde en vierde lid, en artikel 32a.
Artikel 61a
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 59 en59a wordt, indien een
ingevolge deze wet gegeven beschikking in het nadeel van de
belanghebbende wordt herzien, hetgeen reeds was uitbetaald niet
teruggevorderd of verrekend, tenzij:
a. in de herzieningsbeschikking is uitgesproken dat de gebleken
onjuistheid van de aan de oorspronkelijke beschikking ten grondslag
gelegde feiten was te wijten aan zijn opzet dan wel grove
nalatigheid;
b. in verband met de voorbereiding van de herzieningsbeschikking
de tenuitvoerlegging daarvan niet kan geschieden in dezelfde maand
waarin de feiten, welke aanleiding hebben gegeven tot het herzien
van de beschikking, zich hebben voorgedaan.
Artikel 62
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940-1945.
Artikel 63
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1973.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 22 november 1972
JULIANA
De Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,
P.J. Engels
Uitgegeven de veertiende december 1972
De Minister van Justitie a.i.,
B. Biesheuvel
|