WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen
te stellen ten einde te kunnen voldoen aan de verplichtingen, welke voor
Nederland voortvloeien uit de op 18 november 1974 te Parijs tot stand
gekomen Overeenkomst inzake een Internationaal Energieprogramma (Trb.
1975, 47), en enige verdere voorzieningen te treffen met name inzake het
verwerven van gegevens betreffende de oliemarkt;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Overeenkomst: de op 18 november 1974 te Parijs tot stand
gekomen Overeenkomst inzake een Internationaal Energieprogramma (Trb.
1975, 47);
aardolieprodukten: de produkten bedoeld in artikel 9, eerste
lid, van de Overeenkomst;
invoeren: het brengen in het vrije verkeer;
uitvoeren: het brengen buiten het vrije verkeer;
Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;
College: het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
§ 2. Distributie
Artikel 2
1. Ingeval overeenkomstig hoofdstuk IV van de Overeenkomst
maatregelen in werking worden gesteld, kan door Ons met toepassing van
het bepaalde in artikel 24, tweede, zesde en zevende lid, van de
Distributiewet worden bepaald, dat de in het tweede lid van dat
artikel bedoelde artikelen van die wet in werking treden ten aanzien
van aardolieprodukten.
2. Artikel 24, derde lid, van de Distributiewet is niet van
toepassing ten aanzien van een besluit, genomen overeenkomstig het
eerste lid.
3. Indien overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid de in
artikel 24, tweede lid, van de Distributiewet bedoelde artikelen in
werking zijn getreden, kunnen met gebruikmaking van de bij die wet
verleende bevoegdheden de maatregelen ter beperking van de vraag naar
aardolieprodukten, bedoeld in hoofdstuk IV van de Overeenkomst, worden
genomen.
4. Het in de voorgaande leden bepaalde is van overeenkomstige
toepassing ingeval een verplichting tot beperking van de vraag naar
aardolieprodukten voor Nederland voortvloeit uit een besluit van een
orgaan van de Europese Gemeenschappen of een besluit van een ingevolge
de Overeenkomst ingesteld orgaan.
§ 3. Toebedeling van aardolieprodukten
Artikel 3
1. Ingeval overeenkomstig hoofdstuk IV van de Overeenkomst
hoofdstuk III van de Overeenkomst in werking is gesteld, kan Onze
Minister met het oog op de nakoming van een op Nederland rustende
verplichting tot toebedeling van aardolieprodukten als bedoeld in
hoofdstuk III van de Overeenkomst, dan wel in het belang van een
evenwichtige verdeling van aardolieprodukten over de in Nederland
werkzame producenten van en handelaren in die produkten aan een
zodanige producent of handelaar opdragen een door hem vastgestelde
hoeveelheid aardolieprodukten van een door hem aangegeven soort aan
een of meer anderen te leveren.
2. Een opdracht als bedoeld in het eerste lid kan inhouden:
a. het land of de plaats waar de levering dient te geschieden;
b. de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, aan wie geleverd
moet worden;
c. de verplichting om Onze Minister binnen een daarbij te stellen
termijn mededeling te doen van de maatregelen die zijn genomen en
zullen worden genomen ter voldoening aan de opdracht;
d. de termijn, waarbinnen de levering dient te geschieden;
e. bepalingen omtrent de leveringsvoorwaarden.
3. Bij de vaststelling op grond van het tweede lid, onder e,
van een prijs, waartegen geleverd moet worden is van toepassing hetgeen
bij of ter uitvoering van de Overeenkomst is bepaald met betrekking tot
de prijs voor toebedeelde aardolieprodukten.
4. Degene, tot wie een opdracht als bedoeld in het eerste lid is
gericht, wordt geacht daaraan te hebben voldaan, indien hij aantoont,
dat hij de nodige aanbiedingen heeft gedaan en ook overigens al het
redelijkerwijs mogelijke heeft verricht ten einde aan de opdracht te
voldoen en dat het niet uitvoeren van de opdracht niet aan hem te wijten
is.
Artikel 4
Onze Minister kan een opdracht als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
al dan niet op verzoek van degene tot wie die opdracht is gericht,
wijzigen of intrekken.
Artikel 5
1. Indien in een opdracht als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is aangewezen, aan wie
geleverd moet worden, is de Staat mede aansprakelijk voor de nakoming
van de financiële verplichtingen, die voor de aangewezen natuurlijke
persoon of rechtspersoon tegenover degene, tot wie de opdracht is
gericht, voortvloeien uit de opgedragen levering.
2. In de overige gevallen kan Onze Minister op met redenen
omkleed verzoek van degene, tot wie een opdracht is gericht, verklaren,
dat de Staat medeaansprakelijk is voor de nakoming van de financiële
verplichtingen, die voor degene, aan wie de verzoeker zal leveren,
tegenover deze voortvloeien uit de opgedragen levering, indien naar zijn
oordeel onvoldoende zekerheid bestaat, dat deze verplichtingen zullen
worden nagekomen.
Artikel 6
1. Onze Minister kan in een geval als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, indien zulks naar zijn oordeel ter verwezenlijking van een
van de in dat artikellid vermelde doeleinden is vereist, het
eigendomsrecht op aardolieprodukten vorderen.
2. De vordering geschiedt ten behoeve van de Staat, dan wel een
andere rechtspersoon of een natuurlijke persoon.
3. In vorderingsbeschikkingen kan aan daarbij aangewezen personen
de verplichting worden opgelegd, om, voor zover hun dat feitelijk en
rechtens mogelijk is, op de daarbij aangegeven plaats en tijd aan
degene, te wiens behoeve de vordering geschiedt, de feitelijke
mogelijkheid tot uitoefening van het gevorderde recht te verschaffen.
4. De artikelen 4, 5, tweede lid, 8, 9, eerste, tweede en derde
lid, 10, 11, 13, 15, eerste en derde lid, 16 en 31, eerste lid, van de
Vorderingswet zijn van overeenkomstige toepassing.
5. De schadeloosstelling wordt vastgesteld met toepassing van
hetgeen bij of ter uitvoering van de Overeenkomst is bepaald met
betrekking tot de prijs voor toebedeelde aardolieprodukten.
6. De vaststelling van het bedrag van de schadeloosstelling, te
betalen aan rechthebbenden met wie daarover geen overeenstemming is
bereikt of die niet aan het overleg hebben deelgenomen, geschiedt door
de rechtbank te Rotterdam.
7. Artikel 18 van de Vorderingswet is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 7
Terstond nadat de Staat het eigendomsrecht op aardolieprodukten,
welke met het oog op de nakoming van een op Nederland rustende
verplichting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, zijn gevorderd, heeft
verkregen, neemt Onze Minister de nodige maatregelen ten einde aan die
verplichting te voldoen.
Artikel 8
Ingeval een op Nederland rustende verplichting als bedoeld in artikel
3, eerste lid, wordt ingetrokken of vervalt, dan wel hoofdstuk III van
de Overeenkomst buiten werking is gesteld, blijven de krachtens artikel
3, eerste lid, gegeven opdrachten, alsmede de daarmede in verband
staande bevoegdheden en verplichtingen ingevolge deze wet van kracht,
behoudens voor zover Onze Minister, al dan niet op verzoek van degene,
tot wie een opdracht is gericht, anders bepaalt.
Artikel 9
Het in de artikelen 3-8 bepaalde is van overeenkomstige toepassing
ingeval een verplichting tot toebedeling van aardolieprodukten aan één
of meer andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen voor Nederland
voortvloeit uit een besluit van een orgaan van de Europese
Gemeenschappen of een besluit van een ingevolge de Overeenkomst
ingesteld orgaan.
§ 4. Informatieplicht
Artikel 10
1. Natuurlijke personen en rechtspersonen, behorende tot de
krachtens het tweede lid aangewezen categorieën, zijn verplicht, met
inachtneming van de door Onze Minister te stellen regels, Onze
Minister schriftelijk gegevens te verstrekken of stukken over te
leggen betreffende de krachtens het derde lid aangewezen onderwerpen.
2. Onze Minister wijst een of meer van de hierna volgende
categorieën natuurlijke personen of rechtspersonen aan, waarvoor de
verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt. Het betreft natuurlijke
personen of rechtspersonen, die in de uitoefening van een bedrijf:
a. aardolieprodukten op de binnenlandse markt verhandelen,
b. aardolieprodukten in Nederland be- of verwerken, dan wel doen be-
of verwerken,
c. aardolieprodukten invoeren,
d. aardolieprodukten uitvoeren,
e. aardolieprodukten binnen Nederland brengen zonder deze
onmiddellijk in te voeren,
f. niet uit het vrije verkeer afkomstige aardolieprodukten buiten
Nederland brengen,
g. aardolieprodukten in Nederland voor zichzelf of voor derden in
opslag hebben, dan wel
h. een in Nederland gelegen buisleiding voor het vervoeren van
aardolieprodukten exploiteren.
3. Onze Minister wijst een of meer van de hierna volgende
gegevens en stukken aan, waarop de verplichting, bedoeld in het eerste
lid, betrekking heeft. Het betreft gegevens en stukken inzake:
a. de in het tweede lid, onder a-g, bedoelde
handelingen, zomede het vervoeren van aardolieprodukten door een
buisleiding;
b. de winning van ruwe aardolie zowel binnen als buiten Nederland;
c. de toebedeling en de voorwaarden van toebedeling van
aardolieprodukten aan afnemers;
d. de voorwaarden van verwerving van aardolieprodukten;
e. de kostprijs en de bestanddelen daarvan van aardolieprodukten;
f. de structuur van de onderneming en van de groep van
ondernemingen waartoe deze behoort;
g. de financiële structuur, met inbegrip van balansen, verlies- en
winstrekeningen en betaalde belastingen van de onderneming;
h. de gedane alsmede de voorgenomen investeringen;
i. onderwerpen vastgesteld krachtens artikel 27, eerste lid, onder j,
of artikel 33, onder f, van de Overeenkomst, alsmede
onderwerpen, de beschikbaarheid en voorwaarden van beschikbaarheid van
aardolieprodukten betreffende, ten aanzien waarvan voor Nederland op
grond van een internationale overeenkomst of een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie een verplichting bestaat gegevens te
verstrekken.
4. De ingevolge het eerste lid te stellen regels hebben in ieder
geval betrekking op:
a. de aard van de te verstrekken gegevens en van de over te leggen
stukken;
b. de tijdvakken of de tijdstippen waarop de gegevens of de stukken
betrekking dienen te hebben;
c. de termijn waarbinnen aan de verplichting moet worden voldaan.
Artikel 11
1. Onze Minister kan van het krachtens artikel 10 bepaalde op
daartoe strekkend verzoek ontheffing verlenen.
2. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 12
1. Onze Minister is bevoegd de gegevens en stukken, die door
hem op grond van artikel 10 of enige andere wettelijke regeling zijn
verkregen, ter beschikking te stellen van het Secretariaat bedoeld in
artikel 59 van de Overeenkomst, voor zover zulks ter voldoening aan
artikel 27, 32 of 33 van de Overeenkomst is vereist.
2. Onze Minister is voorts bevoegd de gegevens of stukken, de
beschikbaarheid of voorwaarden van beschikbaarheid van aardolieprodukten
betreffende, die door hem op grond van artikel 10 of enige andere
wettelijke regeling zijn verkregen, ter beschikking te stellen van enig
ander volkenrechtelijk orgaan, voor zover zulks ter voldoening aan een
op Nederland rustende verplichting ingevolge een andere internationale
overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie is
vereist.
§ 5. Beroep
Artikel 13
Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een
belanghebbende beroep instellen bij het College.
Buiten de gevallen, bedoeld in artikel 12, wordt informatie,
verkregen op grond van deze wet, voor zover deze betrekking heeft op
afzonderlijke natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel daaruit
gevolgtrekkingen ten aanzien van zodanige personen kunnen worden
gemaakt, zonder toestemming van die personen niet verstrekt aan anderen
dan degenen, die belast zijn met de uitvoering van een of meer
bepalingen van deze wet.
Artikel 23
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 24
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet uitvoering Internationaal
Energieprogramma.
Artikel 25
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 4 april 1979
JULIANA
De Minister van Economische Zaken,
G.M.V. van Aardenne
Uitgegeven de negentiende april 1979
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter