Nadere regelgeving:
- Besluit
Patentreglement Rijn (vervallen)
- Besluit
Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 (vervallen)
- Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart
(vervallen)
- Patentreglement
Rijn (vervallen)
- Regeling vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart
(vervallen)
- Reglement
onderzoek schepen op de Rijn 1995
WET van 24 juni 1993, houdende bepalingen
inzake de rusttijden van bemanningsleden, de samenstelling van de
bemanning en de vaartijden van schepen op binnenwateren
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het belang van de
arbeidsbescherming en van de veiligheid van de vaart, gewenst is,
wettelijke regelen vast te stellen inzake de rusttijden van
bemanningsleden, de samenstelling van de bemanning en de vaartijden van
schepen op binnenwateren;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
verstaan onder:
a. Onze Ministers: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. bemanningslid: een ieder, die zich als schipper, stuurman,
machinist, volmatroos, matroos-motordrijver, matroos, of
lichtmatroos aan boord van een schip bevindt;
c. werkgever:
1°. degene jegens wie de gezagvoerend schipper krachtens
arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is
tot het verrichten van arbeid, behalve indien die gezagvoerend
schipper aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het
verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;
2°. degene aan wie de gezagvoerend schipper ter beschikking is
gesteld voor het verrichten van arbeid, bedoeld onder 1°;
3°. degene die zonder werkgever in de zin van 1° of 2° te
zijn, de gezagvoerend schipper onder zijn gezag arbeid doet
verrichten;
d. binnenwateren: de wateren die in Nederland zijn gelegen binnen
een langs de Nederlandse kust gaande, bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen lijn;
e. schip: een binnenschip of een ander vaartuig dat de onder d
bedoelde wateren bevaart, alsmede een drijvend werktuig;
f. zeeschip: een schip dat voor de vaart op zee is toegelaten en
daartoe over de geldige certificaten beschikt;
g. drijvend werktuig: een drijvend bouwsel met mechanische
installaties, dat is bestemd om op de onder d bedoelde
wateren te worden gebruikt, zoals een baggermolen, een elevator, een
bok of een kraan, met uitzondering van baggerwerkzaamheden als
bedoeld in het Arbeidstijdenbesluit.
h. Herziene Rijnvaartakte: de op 17 oktober 1868 te Mannheim tot
stand gekomen Herziene Rijnvaartakte, met Bijlagen en slotprotocol,
(Trb. 1955, 161), zoals deze sedertdien is gewijzigd;
i. havensleepboot: vaartuig met eigen mechanische aandrijving dat
voor het slepen, het duwen of het assisteren van zeeschepen is
gebouwd of uitgerust;
j. verwerken van persoonsgegevens, onderscheidenlijk
verantwoordelijke: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet
bescherming persoonsgegevens.
Artikel 2
Het bij of krachtens deze wet bepaalde is van toepassing op schepen
op binnenwateren.
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 4
Deze wet is niet van toepassing met betrekking tot:
a. vlotten;
b. schepen, bestemd tot het redden van drenkelingen;
c. schepen van de krijgsmacht;
d. schepen, bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer
van goederen, met een laadvermogen van minder dan 15 ton;
e. schepen, niet bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig
vervoer van goederen, met een waterverplaatsing van minder dan 15 m3,
niet zijnde veren en niet zijnde schepen, bestemd of gebezigd voor
het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen, buiten de
bemanning;
f. schepen, bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer
van 12 of minder personen, buiten de bemanning, niet zijnde veren;
g. schepen, waarmede uitsluitend niet-beroepsmatig wordt gevaren;
h. zeevissersschepen;
i. zeeschepen, niet zijnde havensleepboten,
1°. die gebruik dienen te maken van de diensten van een loods
en zich bevinden op de scheepvaartwegen, bedoeld in de artikelen
10, eerste lid, en 11, van de Scheepvaartverkeerswet, op de
Westerschelde, haar mondingen of op het Kanaal van Gent naar
Terneuzen, met uitzondering van zeeschepen die zich bevinden op de
scheepvaartweg van Rotterdam tot aan Gorinchem;
2°. die van de loodsplicht zijn vrijgesteld op grond van
artikel 10, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet of artikel
9, tweede lid van het Scheldereglement, of waarvoor ontheffing is
verleend op grond van artikel 10, derde lid, van die wet, of
artikel 9, vierde lid, van dat reglement en zich bevinden op de
scheepvaartwegen, bedoeld onder 1°;
3°. die zich bevinden in de haven van Scheveningen.
Artikel 5
1. In het belang van de arbeidsbescherming en de veiligheid
van de vaart kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
regels worden gesteld inzake:
a. de toestand waarin bemanningsleden geen arbeid mogen
verrichten;
b. de naleving van de rusttijden van bemanningsleden.
c. de vaartijden van schepen;
d. de samenstelling van de minimumbemanning op de onderscheiden
scheepstypen en bij de onderscheiden exploitatiewijzen, alsmede de
aan bemanningsleden te stellen eisen;
e. de bevoegdheid van ambtenaren tot het stellen van eisen met
betrekking tot het bepaalde in onderdeel c;
f. verplichtingen omtrent het registreren of doen registreren van
gegevens ten behoeve van het toezicht dan wel de douanecontrole op
de naleving van krachtens deze wet gegeven voorschriften.
2. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in het eerste lid, wordt niet gedaan dan nadat de beide kamers
der Staten-Generaal hiervan kennis hebben genomen.
3. Ter uitvoering van bij of krachtens de maatregel, bedoeld in
het eerste lid, gestelde regels worden persoonsgegevens betreffende de
gezondheid verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt plaats
teneinde te kunnen beoordelen of een bemanningslid voldoet of niet
meer voldoet aan de bij of krachtens de maatregel gestelde vereisten
betreffende de lichamelijke geschiktheid. Onze Minister is
verantwoordelijke voor deze verwerking.
Artikel 5a
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter
uitvoering van de Herziene Rijnvaartakte regels gesteld betreffende:
a. de vaartijden en bemanningssterkte en de hiermee verband
houdende eisen voor schepen en voor uitrustingsstukken van schepen
die de Rijn in Nederland, met inbegrip van de Waal en de Lek,
bevaren;
b. de afgifte van de met de in onderdeel a bedoelde regels
samenhangende documenten;
c. de procedure van typegoedkeuring van uitrustingsstukken van
schepen die de in onderdeel a genoemde scheepvaartwegen bevaren;
d. de instellingen en bedrijven en de erkenning daarvan, die de
installatie of reparatie verrichten van uitrustingsstukken van
schepen die de in onderdeel a genoemde scheepvaartwegen bevaren;
e. de instellingen en de autoriteiten in Nederland die belast
zijn met de uitvoering van deze regels.
Artikel 6
1. Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen van
bemanningsleden dan wel van bepaalde categorieλn schepen,
vrijstelling verlenen van het krachtens artikel 5, eerste lid,
bepaalde.
2. Een vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend. Aan
een vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden. Een
vrijstelling wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.
3. Een vrijstelling kan worden ingetrokken wanneer:
a. een of meer der redenen waarom zij is verleend is of zijn
vervallen en
b. zich na de verlening zodanige feiten of omstandigheden
voordoen dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren
geweest, de vrijstelling niet of niet in die vorm zou zijn verleend.
4. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geldt niet met
betrekking tot schepen en de zich aan boord daarvan bevindende
bemanningsleden waarop de bij of krachtens de Herziene Rijnvaartakte
gegeven regelen van toepassing zijn.
Artikel 7
1. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het krachtens
artikel 5, eerste lid, bepaalde.
2. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan
een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
3. Artikel 6, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing. Een ontheffing kan voorts worden ingetrokken indien een of
meer van de daaraan verbonden voorschriften niet wordt of worden
nageleefd.
Artikel 8
Tegen een eis als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d,
kan een belanghebbende administratief beroep instellen bij Onze
Minister.
Artikel 9
Onze Minister stelt de vergoeding vast die verschuldigd is voor de
kosten van de stukken, bij of krachtens deze wet opgemaakt alsmede de
vergoeding, verschuldigd voor de kosten van de behandeling van een
ontheffingsaanvraag.
Artikel 10
Onze Minister pleegt overleg over de hoofdlijnen van het beleid
inzake de onderwerpen de uitvoering van deze wet betreffende met de
naar zijn oordeel representatieve organisaties van ondernemers en
werknemers in de binnenvaart.
Artikel 11
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens
deze wet en de Herziene Rijnvaartakte bepaalde zijn belast de bij
besluit van Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende
ambtenaren.
2. Indien andere dan de in het eerste lid bedoelde ambtenaren
worden aangewezen, die ressorteren onder een andere minister, wordt
het besluit tot aanwijzing van die ambtenaren genomen door Onze
Minister, in overeenstemming met die andere minister.
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 16
1. De gezagvoerend schipper en diens
werkgever zijn verplicht tot naleving van de krachtens artikel 5, eerste
lid, onderdelen a tot en met d, gestelde regels en onderdeel e, gestelde
eisen alsmede van de tot de gezagvoerend schipper en diens werkgever
gerichte, krachtens artikel 5, eerste lid, onderdeel f, gestelde regels
en de krachtens de artikelen 6, tweede lid, en 7, tweede lid, aan een
vrijstelling onderscheidenlijk ontheffing verbonden voorschriften.
2. Een bemanningslid is verplicht tot naleving van de tot hem
gerichte krachtens artikel 5, eerste lid, onderdelen a en f, gestelde
regels en de tot hem gerichte krachtens de artikelen 6, tweede lid, en
7, tweede lid, aan een vrijstelling onderscheidenlijk ontheffing
verbonden voorschriften.
Artikel 17
1. Handelen of nalaten in strijd met een verplichting
voortvloeiend uit artikel 16 wordt gestraft met een geldboete van de
tweede categorie.
2. De feiten, strafbaar gesteld in het eerste lid, zijn
overtredingen.
Artikel 18
1. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet en de bij
de Herziene Rijnvaartakte strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd
artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de in artikel
11 bedoelde ambtenaren, voor zover zij in door Onze Minister
aangewezen gevallen, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, zijn aangewezen. Met de opsporing van de bij de Herziene
Rijnvaartakte strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141
van het Wetboek van Strafvordering, voorts belast de ambtenaren van de
rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane. Deze ambtenaren zijn
tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de
artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht,
voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of
handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 19
1. De artikelen 5:13 en 5:15 tot en met 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
de in artikel 18 bedoelde ambtenaren.
2. De in artikel 18 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met
medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden
zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 20
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 21
Deze wet kan worden aangehaald als Wet vaartijden en
bemanningssterkte binnenvaart.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 24 juni 1993
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
B. de Vries
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
Uitgegeven de vijftiende juli 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|