WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is
nadere voorzieningen te treffen ten aanzien van roerende goederen, welke
in handen van den vijand zijn aangetroffen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Voor de toepassing van de bij of krachtens deze wet uitgevaardigde
bepalingen wordt verstaan onder:
1. vijand: elke militaire of para-militaire organisatie van
Duitschland of van zijn bondgenooten, alsmede de leden daarvan;
2. goederen: roerende goederen, welke na 9 Mei 1940 al dan niet
rechtmatig uit Nederlandsch bezit in handen van den vijand zijn
overgegaan;
3. oorspronkelijke rechthebbende: hij, die goederen, waarop hij
eenig recht had, heeft verloren door handelingen als omschreven in
artikel 25 van het Besluit herstel rechtsverkeer.
Artikel 2
1. Voorzoover zulks niet reeds uit hoofde van het bepaalde bij
artikel 3 van het Besluit Vijandelijk Vermogen is geschied, zijn op na
te noemen tijdstippen van rechtswege in eigendom op den Staat
overgegaan:
a. alle goederen, welke door de Nederlandsche strijdkrachten in
handen van den vijand zijn aangetroffen en in bezit genomen, zulks op
het tijdstip van de inbezitneming;
b. alle hier te lande aangetroffen goederen, welke door den vijand
waren afgezonderd om ten behoeve van de oorlogvoering te dienen, zulks
op het tijdstip van de bevrijding van het gebied, waar deze goederen
zich bevonden;
c. alle goederen, welke hier te lande in handen van den vijand zijn
aangetroffen en door de Geallieerden aan Nederlandsche instanties zijn
overgedragen, zulks op het tijdstip van de overdracht.
2. Het bepaalde in Hoofdstuk III van het Besluit herstel
rechtsverkeer, alsmede het bepaalde in artikel 26 van het Besluit
Vijandelijk Vermogen vindt geen toepassing ten aanzien van de in het
vorige lid onder a tot en met c bedoelde goederen.
Artikel 3
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van het vorige
artikel, onderscheidenlijk van artikel 3 van het Besluit Vijandelijk
Vermogen wordt de oorspronkelijke rechthebbende op goederen, als onder a,
b en c van eerstgenoemde bepaling bedoeld, ingeval hij
vóór het inwerkingtreden dezer wet de feitelijke heerschappij over het
goed heeft herkregen, van rechtswege in zijn recht hersteld, mits hij:
a. aan den Staat afdraagt het bedrag, waarmede hij voor het
verlies zijner rechten is schadeloosgesteld of, ingeval het goed
aanmerkelijk in waarde is verminderd, een naar billijkheid
verminderd bedrag, onderscheidenlijk afstand doet tot op het
hiervorenbedoeld bedrag van de rechten, welke hij uit hoofde van het
verlies van het goed kon doen gelden;
b. aan den Staat afdraagt het bedrag van de waardevermeerdering
van het goed tengevolge van verbeteringen of toevoegingen, anders
dan te zijnen laste aangebracht;
c. aan den Staat de kosten vergoedt, welke door of vanwege den
Staat terzake van het goed zijn gemaakt;
een en ander onder verrekening van hetgeen de Staat uit hoofde van de
terbeschikkingstelling van de feitelijke heerschappij aan den
oorspronkelijken rechthebbende van dezen heeft genoten.
Artikel 4
Met betrekking tot goederen, als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onder a, b of c, welke bij het inwerkingtreden van
deze wet direct of indirect onder beheer staan van het Bureau
Oorlogsbuit van het Ministerie van Financiën of na het inwerkingtreden
van deze wet onder beheer van dit Bureau komen, onverschillig of de
eigendomsovergang op den Staat heeft plaats gevonden ingevolge artikel 2
dezer wet dan wel ingevolge artikel 3 van het Besluit Vijandelijk
Vermogen, worden de oorspronkelijke rechthebbenden op hun daartoe
strekkend schriftelijk verzoek bij beslissing van Onzen Minister van
Financiën in hun recht hersteld, voorzoover deze goederen naar het
oordeel van Onzen voornoemden Minister hun oorspronkelijken aard hebben
behouden en mits voldaan is aan de voorwaarden, als bedoeld in artikel
3, onder a, b en c.
Artikel 5
1. Geschillen ter zake van de uitvoering van deze wet worden
uitsluitend beslist door een nader door Ons aan te wijzen orgaan.
2. Dit orgaan beslist in hoogste instantie bij met redenen
omkleed besluit.
3. De beslissing van een geschil kan worden gevraagd bij
verzoekschrift, in te dienen binnen drie jaar na de inwerkingtreding van
deze wet.
Artikel 6
Wij behouden Ons voor, bij algemeenen maatregel van bestuur nadere
voorzieningen te treffen ter uitvoering van deze wet.
Artikel 7
Deze wet, welke kan worden aangehaald als "Wet voorzieningen
onder den vijand aangetroffen goederen", treedt in werking met
ingang van den dag, volgende op dien harer afkondiging.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Het Loo, den 24sten April 1947
WILHELMINA
De Minister van Financiën,
P. Lieftinck
De Minister van Justitie,
J.H. van Maarseveen
De Minister van Buitenlandsche Zaken,
W. van Boetzelaer
De Minister van Oorlog,
A.H.J.L. Fiévez
Uitgegeven de twaalfde Mei 1947
De Minister van Justitie,
J.H. van Maarseveen