Nadere regelgeving:
- Eisenbesluit
lichaamsmateriaal 2006
WET van 6 februari 2003, houdende regels
inzake de veiligheid en kwaliteit van lichaamsmateriaal dat kan worden
gebruikt bij een geneeskundige behandeling (Wet veiligheid en kwaliteit
lichaamsmateriaal)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging hebben genomen dat het wenselijk is, eisen te
stellen aan de behandeling van menselijk lichaamsmateriaal dat bestemd
is voor gebruik bij een geneeskundige behandeling;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
b. lichaamsmateriaal: weefsel, cellen, bestanddelen van een
embryo, foetaal weefsel in de zin van de Wet foetaal weefsel,
alsmede uit weefsel of cellen of uit bestanddelen van een embryo
dan wel uit foetaal weefsel in kweek gebrachte cellen, bestemd
voor toepassing op de mens;
c. weefsel: alle delen van het menselijk lichaam die uit cellen
bestaan;
d. cellen: afzonderlijke cellen van menselijke oorsprong of een
verzameling cellen van menselijke oorsprong die niet door
bindweefsel met elkaar verbonden zijn;
e. verkrijgen: een proces waardoor lichaamsmateriaal
beschikbaar komt;
f. bewerken: alle handelingen die worden verricht bij het
prepareren, manipuleren, preserveren en verpakken van
lichaamsmateriaal;
g. preserveren: het gebruik van chemische stoffen, wijzigingen
in de omgevingscondities of andere middelen tijdens de bewerking,
bedoeld om biologische of fysieke achteruitgang van het
lichaamsmateriaal te voorkomen of te vertragen;
h. bewaren: het onder gepaste gecontroleerde omstandigheden
handhaven van lichaamsmateriaal tot de distributie ervan;
i. distribueren: het transport en de aflevering van
lichaamsmateriaal;
j. toepassing op de mens: het gebruik van lichaamsmateriaal op
of in een menselijke ontvanger, alsook toepassingen buiten het
lichaam;
k. weefselinstelling: een weefselbank, een ziekenhuisafdeling
of een andere instantie waar werkzaamheden met betrekking tot het
bewerken, preserveren, bewaren of distribueren van
lichaamsmateriaal worden uitgevoerd;
l. orgaanbank: een weefselinstelling die erkend is voor het in
ontvangst nemen van lichaamsmateriaal na het verkrijgen daarvan;
m. orgaancentrum: een instelling als bedoeld in artikel 24 van
de Wet op de orgaandonatie;
n. richtlijn: richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement
en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van kwaliteits- en
veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken,
bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen (PbEU L
102).
2.Een wijziging van de richtlijn gaat voor de toepassing van het
bepaalde bij of krachtens de Wet veiligheid en kwaliteit
lichaamsmateriaal gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven. Bij vervanging of
wijziging van de richtlijn kan het eerste lid, onderdeel n, en kunnen
de artikelen uit de richtlijn waarnaar in de bepalingen van de Wet
veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal wordt verwezen, bij regeling
van Onze Minister worden gewijzigd.
Artikel 2
Deze wet is niet van toepassing op lichaamsmateriaal dat in een en
dezelfde operatie wordt weggenomen en teruggeplaatst bij dezelfde
persoon, bloed, afgenomen in het kader van de Wet inzake
bloedvoorziening, en op lichaamsmateriaal voor zover daarop de Wet op de
Geneesmiddelenvoorziening of de Wet op de medische hulpmiddelen van
toepassing is.
Artikel 3
Het is verboden weefsels, cellen, bestanddelen van een embryo,
foetale weefsels in de zin van de Wet foetaal weefsel, alsmede uit
weefsel of cellen of uit bestanddelen van een embryo dan wel uit foetaal
weefsel in kweek gebrachte cellen, die bij het verkrijgen uitsluitend
bestemd waren voor een ander doel dan toepassing op de mens, alsnog voor
die toepassing te gebruiken.
Hoofdstuk II. Behandeling van lichaamsmateriaal
Artikel 4
1.De instelling waar lichaamsmateriaal ter beschikking komt of de
natuurlijke persoon die in de uitoefening van een geneeskundig beroep
de beschikking krijgt over lichaamsmateriaal, biedt dat
lichaamsmateriaal aan een orgaanbank aan.
2.Het eerste lid geldt niet met betrekking tot:
a. lichaamsmateriaal waarvoor overeenkomstig de Wet op de
orgaandonatie een toewijzing heeft plaatsgevonden en dat naar zijn
aard niet geschikt is om te worden aangeboden aan een orgaanbank;
b. lichaamsmateriaal dat wordt weggenomen en teruggeplaatst bij
dezelfde persoon in het kader van één geneeskundige behandeling;
c. uit weefsel of cellen of uit bestanddelen van een embryo dan
wel uit foetaal weefsel in kweek gebrachte cellen;
d. geslachtscellen ten behoeve van in-vitrofertilisatie of
inseminatie, behoudens in geval van kunstmatige donorbevruchting
als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet donorgegevens
kunstmatige bevruchting.
3.Bij de aanbieding wordt in voorkomende gevallen melding gemaakt
van andere doeleinden waarvoor tevens toestemming tot het gebruiken
van het lichaamsmateriaal is verleend, dan toepassing op de mens.
Artikel 5
Een orgaanbank bewaart lichaamsmateriaal waarvan op grond van artikel
18, tweede lid, van de Wet op de orgaandonatie is bepaald dat het voor
implantatie beschikbaar moet blijven, ten minste totdat het
orgaancentrum met toepassing van die wet heeft aangewezen wie voor
implantatie van dat lichaamsmateriaal in aanmerking komt, of totdat het
orgaancentrum heeft bepaald dat het niet langer beschikbaar moet
blijven.
Artikel 6 [Vervallen per 01-06-2007]
Artikel 7
1.Het vanuit een andere lidstaat van de Europese Unie op Nederlands
grondgebied brengen van lichaamsmateriaal dat geen andere bewerking
heeft ondergaan dan gericht op de bewaring ervan, is slechts
toegestaan aan weefselinstellingen die daarvoor door Onze Minister
zijn aangewezen.
2.Het in- of uitvoeren van lichaamsmateriaal of daaruit bereide
producten uit onderscheidenlijk naar andere staten dan lidstaten van
de Europese Unie is slechts toegestaan aan weefselinstellingen die
daarvoor door Onze Minister zijn aangewezen.
3.Het eerste en tweede lid gelden niet met betrekking tot:
a. bloed;
b. lichaamsmateriaal dat geen andere bewerking heeft ondergaan
dan gericht op de bewaring ervan waarvoor overeenkomstig de Wet op
de orgaandonatie een toewijzing heeft plaatsgevonden.
4.Een ieder die lichaamsmateriaal op Nederlands grondgebied brengt
met het oog op implantatie in de zin van de Wet op de orgaandonatie,
doet daarvan melding aan het orgaancentrum.
Artikel 8
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden eisen
gesteld waaraan orgaancentra en weefselinstellingen met het oog op de
veiligheid en kwaliteit van lichaamsmateriaal moeten voldoen in
verband met het verkrijgen, bewerken, preserveren, bewaren,
distribueren of op Nederlands grondgebied brengen van
lichaamsmateriaal of daaruit bereide producten.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het
oog op de veiligheid en kwaliteit van lichaamsmateriaal voorts eisen
worden gesteld waaraan in verband met het verkrijgen, testen en
gebruiken door anderen dan weefselinstellingen moet worden voldaan.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent het aantekening houden en melden van
bijwerkingen van lichaamsmateriaal dat is toegepast op de mens.
4.De voordracht voor een krachtens dit artikel vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Hoofdstuk III. Erkenning en vergunning
Artikel 9
1.Het is verboden zonder erkenning van Onze Minister
lichaamsmateriaal in ontvangst te nemen na het verkrijgen, of het te
bewerken, te preserveren, te bewaren of te distribueren.
2.Een erkenning kan worden verleend voor een of meer van de in het
eerste lid genoemde handelingen en voor een of meer soorten van
lichaamsmateriaal.
3.Een erkenning kan uitsluitend worden verleend aan een
rechtspersoon die geen orgaancentrum is en, indien het een orgaanbank
betreft, waarvan het doel blijkens de statuten niet is het doen van
uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar
organen noch ook aan anderen. Een erkenning voor het in ontvangst
nemen van lichaamsmateriaal met het oog op implantatie in de zin van
de Wet op de orgaandonatie wordt geweigerd indien een doelmatige
voorziening in de behoefte aan lichaamsmateriaal niet is gebaat bij
verlening van de erkenning dan wel een doelmatige samenwerking met
andere orgaanbanken en met orgaancentra niet is verzekerd.
4.Ter uitvoering van artikel 28, onder a, van de richtlijn worden
bij regeling van Onze Minister voorschriften vastgesteld waaraan een
instelling moet voldoen om voor erkenning in aanmerking te komen.
5.Het eerste lid geldt niet met betrekking tot lichaamsmateriaal
waarvoor overeenkomstig de Wet op de orgaandonatie een toewijzing
heeft plaatsgevonden en dat naar zijn aard niet geschikt is om te
worden aangeboden aan een orgaanbank.
Artikel 10
1.Een erkenning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
erkenning kunnen voorschriften worden verbonden.
2.Tot de voorschriften behoren in ieder geval voorschriften inzake
de preparatietechnieken voor weefsels en cellen ter uitvoering van
artikel 28, onder g, van de richtlijn.
3.Een beperking of voorschrift kan worden gewijzigd of ingetrokken.
Ook na het verlenen van de erkenning kunnen daaraan beperkingen worden
gesteld of voorschriften worden verbonden.
4.Een weefselinstelling mag haar werkzaamheden niet ingrijpend
wijzigen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Onze
Minister.
Artikel 11
Een erkenning kan worden ingetrokken indien niet meer wordt voldaan
aan het bepaalde bij of krachtens deze wet of de aan de erkenning
verbonden voorschriften dan wel indien in strijd is gehandeld met een
beperking waaronder de erkenning is verleend.
Artikel 12
1.Het is verboden voor donoren vereiste tests van lichaamsmateriaal
te verrichten zonder vergunning van Onze Minister.
2.Onze Minister verleent slechts een vergunning aan een
laboratorium dat aannemelijk heeft gemaakt dat het de in artikel 28,
onder e, van de richtlijn bedoelde tests op verantwoorde wijze kan
verrichten.
3.De artikelen 10 en 11 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13 [Vervallen per 01-06-2007]
Artikel 14 [Vervallen per 01-06-2007]
Artikel 15 [Vervallen per 01-06-2007]
Artikel 16 [Vervallen per 01-06-2007]
Artikel 17 [Vervallen per 01-06-2007]
Artikel 18 [Vervallen per 01-06-2007]
Hoofdstuk IV. Handhaving
Artikel 19
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de ambtenaren van het Staatstoezicht op de
volksgezondheid.
Artikel 20
Onverminderd de voorgaande bepalingen is het degene die
lichaamsmateriaal ter aflevering voorhanden heeft, waarvan hij weet of
redelijkerwijs moet vermoeden dat de geschiktheid voor toepassing op de
mens geheel of in ernstige mate ontbreekt, verboden dat
lichaamsmateriaal af te leveren.
Artikel 20a
Onze Minister is bevoegd een bestuurlijke boete van ten hoogste €
900 000,– op te leggen ter zake van een gedraging die in strijd is met
het bepaalde bij of krachtens artikel 3, 4, eerste of derde lid, 5, 7,
eerste, tweede of vierde lid, of 20.
Artikel 21 [Vervallen per 01-06-2007]
Hoofdstuk V. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 22 [Vervallen per 01-06-2007]
Artikel 23
Een vergunning, verleend aan een orgaanbank op grond van artikel 28
van de Wet op de orgaandonatie, wordt gelijkgesteld met een erkenning op
grond van deze wet.
Artikel 24
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 25
Deze wet wordt aangehaald als: Wet veiligheid en kwaliteit
lichaamsmateriaal.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 6 februari 2003
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A.J. de Geus
Uitgegeven de vierde maart 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|