| |
|
|
|
|
vorige
WET
VEILIGHEIDSONDERZOEKEN
Tekst zoals deze geldt op
19 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de
burgerluchthavens
WET van 10 oktober 1996, houdende regelen
inzake het verrichten van veiligheidsonderzoeken (Wet
veiligheidsonderzoeken)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
regelen te stellen ter zake van het verrichten van
veiligheidsonderzoeken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1.In deze wet wordt verstaan onder:
a. vertrouwensfunctie: een functie die krachtens artikel 3,
eerste lid, als zodanig is aangewezen;
b. verklaring: een verklaring dat uit het oogpunt van de
nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een
bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon;
c. Onze Minister: Onze Minister die verantwoordelijk is voor
het beleidsterrein waartoe een vertrouwensfunctie, gezien de aard
daarvan, behoort;
d. bevoegd gezag van een Hoog College van Staat: de voorzitter
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de voorzitter van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal, de vice-president van de Raad
van State, de Algemene Rekenkamer of de Nationale ombudsman, voor
zover het betreft een functie bij de Tweede Kamer, de Eerste
Kamer, de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, respectievelijk
het bureau van de Nationale Ombudsman.
2.In deze wet wordt onder werkgever verstaan:
a. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of
publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van
arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking
wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde
gewoonlijk doet verrichten;
b. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor
het verrichten van arbeid als bedoeld onder a.
3.In deze wet wordt mede onder werkgever verstaan degene die,
zonder werkgever te zijn in de zin van het tweede lid, een ander een
vertrouwensfunctie laat vervullen en die bij de aanwijzing, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, als zodanig wordt aangewezen.
Artikel 2
Indien een vertrouwensfunctie wordt uitgeoefend bij het Ministerie
van Defensie, dan wel indien het een functie betreft die als
vertrouwensfunctie moet worden aangemerkt in verband met de daarmee
samenhangende noodzaak om toegang te hebben tot militaire installaties,
treden, voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 3 tot en met
10 en 16, tweede lid, Onze Minister van Defensie en de Militaire
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst in de plaats van respectievelijk Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Algemene
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
Artikel 3
1.Onze Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van
Staat wijst, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties, functies die de mogelijkheid bieden de
nationale veiligheid te schaden aan als vertrouwensfuncties. Onze
Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van Staat doet
van de aanwijzing terstond mededeling aan de werkgever die het
aangaat. Indien geen sprake is van een werkgever in de zin van artikel
1, tweede lid, wordt in de aanwijzing tevens aangegeven wie als
werkgever in de zin van deze wet wordt aangemerkt.
2.De werkgever, of degene ten aanzien van wie het voornemen bestaat
hem als zodanig aan te merken overeenkomstig het eerste lid, derde
volzin, geeft desgevraagd aan Onze Minister dan wel het bevoegd gezag
van een Hoog College van Staat en aan het hoofd van de Algemene
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst de inlichtingen over de inrichting
van zijn dienst, bedrijf of instelling, die nodig zijn voor de
beoordeling van de mate waarin een functie de mogelijkheid biedt de
nationale veiligheid te schaden.
3.Nadat een functie als vertrouwensfunctie is aangewezen geeft de
betrokken werkgever uit eigen beweging aan Onze Minister dan wel het
bevoegd gezag van een Hoog College van Staat en aan het hoofd van de
Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst de inlichtingen over
wijzigingen in de inrichting van zijn dienst, bedrijf of instelling,
die nodig zijn voor de beoordeling van de mate waarin die functie of
andere functies de mogelijkheid bieden de nationale veiligheid te
schaden.
4.Onze Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van
Staat draagt er zorg voor dat binnen vijf jaren na de aanwijzing van
een functie als vertrouwensfunctie en vervolgens telkens na vijf jaren
wordt nagegaan of de aanwijzing gehandhaafd moet blijven.
Artikel 4
1.De werkgever meldt een persoon die hij wil belasten met de
vervulling van een vertrouwensfunctie aan bij het hoofd van de
Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
2.De in het eerste lid bedoelde aanmelding geschiedt slechts met
schriftelijke instemming van de betrokkene. De werkgever licht de
betrokkene in over de betekenis en de rechtsgevolgen van deze
aanmelding.
3.De werkgever belast een persoon eerst met de vervulling van een
vertrouwensfunctie, nadat Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties ten aanzien van die persoon een verklaring heeft
afgegeven.
Artikel 5
1.De werkgever meldt een persoon die belast is met de vervulling
van een functie die nadien als vertrouwensfunctie is aangewezen, zo
spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na de dagtekening
van het aanwijzingsbesluit aan bij het hoofd van de Algemene
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
2.De in het eerste lid bedoelde aanmelding geschiedt slechts met
schriftelijke instemming van de betrokkene. De werkgever licht de
betrokkene in over de betekenis en de rechtsgevolgen van deze
aanmelding.
3.Indien de in het tweede lid bedoelde instemming is geweigerd of
indien ten aanzien van de betrokkene een verklaring is geweigerd,
ontheft de werkgever de betrokkene zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk
binnen acht weken, uit de functie.
Artikel 6
In de gevallen als bedoeld in artikel 4 en 5 beslist Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zo spoedig mogelijk, doch
uiterlijk binnen acht weken, omtrent het afgeven van een verklaring.
Artikel 7
1. Alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, wordt ten
aanzien van de betrokken persoon door de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst een veiligheidsonderzoek ingesteld.
2. Het veiligheidsonderzoek omvat het instellen van een onderzoek
naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van
belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende
vertrouwensfunctie. Hierbij wordt uitsluitend gelet op:
a. justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en gegevens als
bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de
verklaringen omtrent het gedrag BES alsmede van gegevens als
bedoeld in de Wet politiegegevens en van gegevens verwerkt in het
kader van de uitvoering van de politietaak op Bonaire, Sint
Eustatius en Saba;
b. gegevens betreffende deelneming of steunverlening aan
activiteiten die de nationale veiligheid kunnen schaden;
c. gegevens betreffende lidmaatschap van of steunverlening aan
organisaties die doeleinden nastreven, dan wel ter verwezenlijking
van hun doeleinden middelen hanteren, die aanleiding geven tot het
ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan
van de democratische rechtsorde;
d. gegevens betreffende overige persoonlijke gedragingen en
omstandigheden, naar aanleiding waarvan betwijfeld mag worden of
de betrokkene de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten
onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen.
Artikel 8
1.Weigering van een verklaring geschiedt door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze
Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van Staat.
2.Een verklaring kan slechts worden geweigerd, indien onvoldoende
waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden
de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal
volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens
heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven.
Artikel 9
1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is
bevoegd, na het verstrijken van een termijn van vijf jaren of een
veelvoud daarvan sinds het afgeven van de verklaring of indien hem
blijkt van feiten of omstandigheden die een hernieuwd
veiligheidsonderzoek rechtvaardigen, een veiligheidsonderzoek te doen
instellen naar een persoon die een vertrouwensfunctie vervult. Voor
het instellen van een hernieuwd veiligheidsonderzoek is de instemming
van de betrokkene niet vereist.
2. Onder feiten en omstandigheden als bedoeld in het eerste lid
kunnen worden gerekend gegevens die de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst heeft verkregen door het verzamelen van justitiële
en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens en van gegevens als bedoeld in de Wet op de
justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES
alsmede van gegevens als bedoeld in de Wet politiegegevens en van
gegevens verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak op
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 10
1.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is,
in overeenstemming met Onze Minister dan wel het bevoegd gezag van een
Hoog College van Staat, bevoegd tot het intrekken van de verklaring,
indien hem blijkt dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de
betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie
voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen.
2.Indien een verklaring is ingetrokken, ontheft de werkgever de
betrokken persoon zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht
weken na de intrekking van de verklaring, uit de vertrouwensfunctie.
Artikel 11
Deze wet is niet van toepassing op de leden van de rechterlijke macht
met rechtspraak belast, de procureur-generaal bij de Hoge Raad, de leden
van de Raad van State, de leden van de Algemene Rekenkamer, de Nationale
ombudsman en de substituut-ombudsman, de leden van de Centrale Raad van
Beroep en de leden van het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Artikel 12
1. Artikel 4, tweede lid, is niet van toepassing in gevallen waarin
een persoon met een vertrouwensfunctie wordt belast in het kader van
de vervulling van werkelijke dienst in de zin van paragraaf 5 van
hoofdstuk 1 van de Kaderwet dienstplicht of van hoofdstuk VII van de
Dienstplichtwet BES.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, wordt het
veiligheidsonderzoek niet eerder ingesteld dan twaalf weken voordat de
betrokkene dient op te komen voor het vervullen van werkelijke dienst
in de zin van paragraaf 5 van hoofdstuk 1 van de Kaderwet dienstplicht
of van hoofdstuk VII van de Dienstplichtwet BES. Van het instellen van
een veiligheidsonderzoek wordt vooraf mededeling gedaan aan de
betrokkene.
Artikel 13
1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan,
naar aanleiding van een verzoek van een andere mogendheid of van een
volkenrechtelijke organisatie dat wordt gedaan in verband met de door
die mogendheid of volkenrechtelijke organisatie gehanteerde
beveiligingsmaatregelen, over een in dat verzoek aangeduide persoon
mededelingen doen.
2. De mededelingen, bedoeld in het eerste lid, worden slechts
gedaan over personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten dan
wel, indien zij een andere nationaliteit bezitten, die in Nederland
verblijven of daar recentelijk verblijf gehouden hebben. De
desbetreffende personen worden schriftelijk in kennis gesteld van de
zakelijke inhoud van deze mededelingen. Deze kennisgeving geldt als
een beschikking.
3. Indien Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties voornemens is mededelingen als bedoeld in het
eerste lid te doen, wordt ten aanzien van de betrokken persoon door de
Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst een veiligheidsonderzoek
ingesteld, mits de betrokkene daarmee schriftelijk heeft ingestemd.
4. Het veiligheidsonderzoek omvat het instellen van een onderzoek
naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid of de
veiligheid of andere gewichtige belangen van de verzoekende mogendheid
of volkenrechtelijke organisatie van belang zijn. Hierbij wordt
uitsluitend gelet op:
a. justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en gegevens als
bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de
verklaringen omtrent het gedrag BES alsmede van gegevens als
bedoeld in de Wet politiegegevens en van gegevens verwerkt in het
kader van de uitvoering van de politietaak op Bonaire, Sint
Eustatius en Saba;
b. gegevens betreffende deelneming of steunverlening aan
activiteiten die de nationale veiligheid en van de verzoekende
mogendheid of volkenrechtelijke organisatie kunnen schaden;
c. gegevens betreffende lidmaatschap van of steunverlening aan
organisaties die doeleinden nastreven, dan wel ter verwezenlijking
van hun doeleinden middelen hanteren, die aanleiding geven tot het
ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan
van de democratische rechtsorde;
d. gegevens betreffende overige persoonlijke gedragingen en
omstandigheden die in verband met het doel van het verzoek van
belang kunnen zijn.
5. De mededelingen, bedoeld in het eerste lid, bevatten de
conclusies die uit het ingestelde veiligheidsonderzoek kunnen worden
getrokken, dan wel de vaststelling dat het onderzoek onvoldoende
gegevens heeft opgeleverd om op basis daarvan conclusies te kunnen
trekken of dat de betrokken persoon niet heeft ingestemd met het
instellen van een veiligheidsonderzoek.
6. Indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid betrekking
heeft op een persoon ten aanzien van wie een verklaring is afgegeven,
wordt op het verzoek beslist door Onze Minister die de verklaring
heeft afgegeven. In zulke gevallen kan een veiligheidsonderzoek
achterwege worden gelaten. De mededelingen, bedoeld in het eerste lid,
bevatten in zulke gevallen de vaststelling dat ten aanzien van de
betrokken persoon een verklaring is afgegeven.
Artikel 14
1.Hij die niet of niet tijdig voldoet aan een verplichting als
bedoeld in een van de artikelen 3, tweede en derde lid, 4, eerste en
derde lid, 5, eerste en derde lid, en 10, tweede lid, wordt gestraft
met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de derde
categorie.
2.De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Artikel 15
Functies die vóór de inwerkingtreding van deze wet als
vertrouwensfunctie zijn aangewezen, worden gelijkgesteld met op grond
van artikel 3 aangewezen vertrouwensfuncties.
Artikel 16
1.Een persoon die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
belast is met een vertrouwensfunctie, wordt gelijkgesteld met een
persoon ten aanzien van wie op dat tijdstip een verklaring als bedoeld
in artikel 4, derde lid, en 6 is afgegeven.
2.In afwijking van artikel 9 is Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties gedurende vijf jaren na het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet ten aanzien van een persoon als bedoeld
in het eerste lid tevens bevoegd een hernieuwd veiligheidsonderzoek te
doen instellen, indien sinds het laatste ten aanzien van die persoon
ingestelde veiligheidsonderzoek een termijn van vijf jaren is
verstreken.
Artikel 16a
1. Deze wet is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba.
2. Indien een besluit op grond van deze wet is gericht op een
natuurlijke of een rechtspersoon, die woonplaats heeft
onderscheidenlijk is gevestigd in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius of Saba, kan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon,
die door het besluit rechtstreeks in zijn belang is getroffen, beroep
instellen bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius
en Saba. De Wet administratieve rechtspraak BES is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 17
[Wijzigt de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten]
Artikel 18
[Wijzigt de Ambtenarenwet]
Artikel 19
[Wijzigt de Militaire Ambtenarenwet 1931]
Artikel 20
[Wijzigt de Politiewet 1993]
Artikel 21
[Wijzigt de LSOP-wet]
Artikel 22
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 23
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet veiligheidsonderzoeken.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 10 oktober 1996
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
De Minister van Defensie,
J.J.C. Voorhoeve
Uitgegeven de negenentwintigste oktober 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|