WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
rechtspositie te verbeteren van militairen die zich gedurende de
vijandelijke bezetting van Nederland aan krijgsgevangenschap hebben
onttrokken en van die van hun nagelaten betrekkingen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet
bepaalde wordt verstaan en begrepen onder:
a. "militair": degene, die op 10 mei 1940 als militair
onder de wapenen was;
b. "verzetsorganisatie":
1. de op de voet van het Koninklijk besluit van 5 september 1944,
Stb. E 62, erkende verzetsorganisaties;
2. andere bij de Pensioen- en Uitkeringsraad dan wel de Stichting
1940-1945 als zodanig bekende verzetsgroepen;
c. "verzetsmilitair": de onder a bedoelde militair
die tijdens de vijandelijke bezetting van Nederland of door daad en
houding of als behorende tot een verzetsorganisatie heeft deelgenomen
aan het binnenlands verzet en voor 1 januari 1947 wederom onder de
wapenen is gekomen;
d. "ondergedoken militair": de onder a bedoelde
militair die vanwege het zich onttrekken aan feitelijke
krijgsgevangenschap is ondergedoken en voor 1 januari 1947 wederom
onder de wapenen is gekomen.
2. Als verzetsmilitair onderscheidenlijk ondergedoken militair
wordt eveneens aangemerkt de militair die voor 1 januari 1947 is
overleden ten gevolge van de ontberingen gedurende de oorlog
ondervonden, doch die overigens voldoet aan de omschrijving van
verzetsmilitair onderscheidenlijk ondergedoken militair en die, ware hij
niet overleden doch op het tijdstip van zijn overlijden uit militaire
dienst ontslagen, aan dat ontslag een recht of een uitzicht op pensioen
zou hebben ontleend aan een van de vroegere militaire pensioenwetten in
de zin van de Algemene militaire pensioenwet.
Artikel 2
1. De tijd gedurende welke een verzetsmilitair aangesloten is
geweest bij een verzetsorganisatie en de tijd gedurende welke hij zich
tengevolge van het behoren tot een verzetsorganisatie of tengevolge
van zijn deelname aan het binnenlands verzet door daad en houding in
gevangenschap heeft bevonden gedurende de vijandelijke bezetting van
Nederland, krijgsgevangenschap daaronder niet begrepen, tot de dag van
zijn wederom onder de wapenen komen wordt voor de toepassing van de
Algemene militaire pensioenwet en van de vroegere militaire
pensioenwetten in de zin van die wet geacht onder de wapenen te zijn
doorgebracht.
2. De tijd gedurende welke een ondergedoken militair zich in
gevangenschap heeft bevonden ter zake van het zich onttrekken aan
krijgsgevangenschap gedurende de vijandelijke bezetting van Nederland,
krijgsgevangenschap daaronder niet begrepen, tot de dag van zijn
bevrijding uit die gevangenschap dan wel indien zijn terugkeer in
Nederland op een later tijdstip viel, tot dat tijdstip, wordt voor de
toepassing van de Algemene militaire pensioenwet en van de vroegere
militaire pensioenwetten in de zin van die wet geacht onder de wapenen
te zijn doorgebracht.
3. De tijd, gedurende welke een verzetsmilitair aangesloten is
geweest bij een verzetsorganisatie alsmede de gevangenschapstijd, zoals
bedoeld in het eerste en tweede lid, tellen dubbel in de zin van artikel
D4 van de Algemene militaire pensioenwet en overeenkomstige bepalingen
in vroegere militaire pensioenwetten in de zin van die wet doch
uiterlijk tot 5 mei 1945 dan wel indien de bevrijding uit gevangenschap
op een later tijdstip plaatsvond, tot dat tijdstip.
4. De militairen, die hebben behoord tot de Binnenlandse
Strijdkrachten worden voor de duur, dat zij zich als zodanig in bezet
gebied bevonden, geacht te hebben deelgenomen aan krijgsverrichtingen.
De in de vorige volzin bedoelde tijd van deelneming aan
krijgsverrichtingen telt dubbel in de zin van artikel D4 van de Algemene
militaire pensioenwet en overeenkomstige bepalingen in de vroegere
militaire pensioenwetten in de zin van die wet.
5. De dubbeltelling, bedoeld in het derde en het vierde lid is
niet van toepassing op het deel van de tijd, dat bij de berekening zowel
van een pensioen krachtens de Algemene militaire pensioenwet of een
vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet als van een
pensioen of een onderstand bij wijze van pensioen ten laste van:
1°. Nederland;
2°. de Nederlandse Antillen of Aruba;
3°. de Republiek Suriname;
4°. de Republiek Indonesië;
5°. een publiekrechtelijk lichaam in een van genoemde gebieden of
een fonds, ingesteld door het openbaar gezag in een van die gebieden,
in aanmerking is of zal worden genomen.
Artikel 3
1. Ziekten of gebreken in verband met of tengevolge van
deelname aan het verzet of het zich in gevangenschap bevinden, als is
bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, feitelijke
krijgsgevangenschap daaronder niet begrepen, worden ten aanzien van de
verzetsmilitair en de ondergedoken militair voor de toepassing van de
Algemene militaire pensioenwet en de vroegere militaire pensioenwetten
in de zin van die wet aangemerkt als ziekten of gebreken ten aanzien
waarvan verband bestaat met de uitoefening van de militaire dienst.
2. Het verband met of het gevolg van deelname aan het verzet of
het zich in gevangenschap bevinden, bedoeld in het eerste lid, wordt in
elk geval geacht aanwezig te zijn, indien de verzetsmilitair of de
ondergedoken militair:
a. tijdens de bezetting of in aansluiting daarop in verband met het
verzet of het zich onttrekken aan krijgsgevangenschap drie maanden of
langer in gevangenschap heeft doorgebracht dan wel naar het oordeel
van Onze Minister van Defensie, de Pensioen- en Uitkeringsraad op de
voet van artikel 4, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen
1940-1945 (Stb. 1947, H313) gehoord, in verband met de aard van
zijn verzetsactiviteiten aan buitengewoon zware en langdurige
spanningen heeft blootgestaan en
b. voor ten minste zestig procent invalide is en deze invaliditeit
niet duidelijk uit andere oorzaken dan het verzet is ontstaan.
3. Bij toepassing van het tweede lid wordt rekening gehouden met
de inzichten en ervaringen van de medische wetenschap met betrekking tot
de relatie tussen het verzet en de geestelijke en lichamelijke
gezondheidstoestand.
Artikel 4
Deze wet is niet van toepassing ten aanzien van de militair, die zich
tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa uit Nederlands
nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.
Artikel 5
Aan de tijd, welke krachtens deze wet wordt geacht onder de wapenen
te zijn doorgebracht kunnen uit hoofde van deze wet geen andere
aanspraken worden ontleend dan die op eigen, weduwen- en wezenpensioen
krachtens de Algemene militaire pensioenwet of een vroegere militaire
pensioenwet in de zin van die wet dan wel krachtens de Algemene
burgerlijke pensioenwet, de Spoorwegpensioenwet of de wetten voor welke
genoemde wetten in de plaats zijn getreden, danwel die op uitkering
krachtens de Uitkeringswet gewezen militairen of de Regeling uitkering
wegens functioneel leeftijdsontslag.
Artikel 6
1. Beslissingen inzake pensioen, genomen krachtens de Algemene
militaire pensioenwet of een vroegere militaire pensioenwet in de zin
van die wet dan wel krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet of
de Spoorwegpensioenwet of de wetten voor welke genoemde wetten in de
plaats zijn getreden, worden met toepassing van deze wet herzien op
schriftelijk verzoek van belanghebbende, gericht tot Onze Minister van
Defensie, het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds of de
directie van het Spoorwegpensioenfonds al naar gelang de beslissing
tot herziening door Onze genoemde Minister, door het bestuur van het
Algemeen burgerlijk pensioenfonds of door de directie van het
Spoorwegpensioenfonds dient te worden genomen. De herziening gaat in
op het tijdstip van het in werking treden van deze wet, tenzij het
verzoek om herziening is ingekomen meer dan een jaar na bedoeld
tijdstip, in welk geval artikel U 1 van de Algemene militaire
pensioenwet en de daarmede overeenkomende artikelen van de andere in
de eerste volzin genoemde pensioenwetten van overeenkomstige
toepassing zijn.
2. Beslissingen inzake de uitkering krachtens de Uitkeringswet
gewezen militairen dan wel krachtens de regeling Uitkering wegens
functioneel leeftijdsontslag worden met toepassing van deze Wet door
Onze Minister van Defensie, respectievelijk Onze Minister van
Binnenlandse Zaken ambtshalve herzien.
Artikel 7
Op beslissingen krachtens deze wet genomen zijn de bepalingen van
Hoofdstuk W en de artikelen X 1 en X 2 van de Algemene militaire
pensioenwet en de daarmede overeenkomende hoofdstukken en artikelen van
de Algemene burgerlijke pensioenwet en de Spoorwegpensioenwet van
toepassing.
Artikel 8
Beslissingen in verband met de toepassing van deze wet worden genomen
door Onze Minister van Defensie.
Artikel 9
Ter uitvoering van deze wet kunnen bij algemene maatregel van bestuur
nadere regelen worden gesteld.
Artikel 10
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet verbetering rechtspositie
verzetsmilitairen.
Artikel 11
Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 20 januari 1976
JULIANA
De Minister van Defensie,
Vredeling
De Minister van Binnenlandse Zaken,
De Gaay Fortman
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Westerterp
De Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,
H.W. van Doorn
De Minister van Financiën,
W.F. Duisenberg
Uitgegeven de vijfde februari 1976
De Minister van Justitie,
Van Agt