Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 28 april 1994 tot vaststelling van regels met betrekking tot
de verevening van pensioenrechten bij echtscheiding of scheiding van
tafel en bed (Wet verevening pensioenrechten bij scheiding) en daarmede
verband houdende wijzigingen in andere wetten
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
wettelijke regeling te treffen met betrekking tot de verevening van
pensioenrechten bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed en in
verband hiermee enige andere wetten te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Voor de toepassing van het bij
of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
a. scheiding: echtscheiding of
scheiding van tafel en bed dan wel beëindiging van het
geregistreerd partnerschap anders dan door de dood, vermissing
of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een
huwelijk;
b. tijdstip van scheiding:
ingeval van echtscheiding dan wel beëindiging van het
geregistreerd partnerschap anders dan door de dood, vermissing
of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een
huwelijk: de datum van inschrijving van de beschikking in de
registers van de burgerlijke stand;
ingeval van scheiding van tafel
en bed: de datum van inschrijving van de beschikking in het
huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek;
c. uitvoeringsorgaan: de
natuurlijke of rechtspersoon, die tot uitbetaling van pensioen
gehouden is;
d. pensioen: ouderdomspensioen;
e. werkgever: de werkgever van
de tot verevening verplichte echtgenoot;
f. partnerpensioen: weduwen- en
weduwnaarspensioen dan wel pensioen ten behoeve van de
achtergebleven geregistreerde partner, waaronder begrepen
bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen onderscheidenlijk
bijzonder pensioen ten behoeve van de achtergebleven
geregistreerde partner.
2. Voor de toepassing van het bij
of krachtens deze wet bepaalde wordt mede verstaan onder
a. echtgenoot: eerdere
echtgenoot dan wel geregistreerde partner of eerdere
geregistreerde partner;
b. aanspraak op pensioen:
uitzicht op pensioen;
c. pensioen: een herberekend
arbeidsongeschiktheidspensioen of een uit hoofde van ziekte of
gebreken ingevolge de in het vierde lid, onder d, genoemde
wetten toegekend pensioen dat naar diensttijd is berekend, een
en ander met ingang van de eerste dag van de maand waarin de
leeftijd van 65 jaar is bereikt;
d. huwelijkse voorwaarden:
voorwaarden van een geregistreerd partnerschap;
e. huwelijksvermogensregime:
partnerschapsvermogensregime;
f. huwelijkssluiting:
registratie van een partnerschap;
g. hertrouwen: het aangaan van
een huwelijk na een geregistreerd partnerschap, het aangaan
van een geregistreerd partnerschap na een huwelijk dan wel het
opnieuw aangaan van een geregistreerd partnerschap.
3. Voor de toepassing van het bij
of krachtens deze wet bepaalde wordt onder pensioen niet verstaan
een ingegaan tijdelijk pensioen of een aanspraak op tijdelijk
pensioen op grond van regelingen ingevolge welke alleen een recht
op uitkering van pensioen bestaat indien aan betrokkenen
aansluitend aan hun dienstverband dat tijdelijk pensioen wordt dan
wel zal worden uitgekeerd.
4. Deze wet is van toepassing op
pensioen ingevolge:
a. een pensioenregeling op
grond van een pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 1
van de Pensioenwet; alsmede een pensioenovereenkomst die is
gesloten met een directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in
artikel 1 van de Pensioenwet;
b. een pensioenregeling die van
toepassing is op degenen, voor wie met toepassing van:
1. de Wet betreffende
verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, zoals
deze luidde voor de inwerkingtreding van artikel 2, eerste
lid, van de Wet verplichte deelneming in een
bedrijfstakpensioen 2000, de deelneming in dat
bedrijfstakpensioenfonds verplicht was gesteld, voorzover
de regeling niet onder onderdeel a viel, of
2. Wet verplichte
deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de
deelneming in dat bedrijfstakpensioenfonds verplicht is
gesteld, voorzover de regeling niet onder onderdeel a
valt.
c. de Algemene militaire
pensioenwet (Stb. 1988, 284) of een vroegere militaire
pensioenwet in de zin van die wet;
d. de Algemene pensioenwet
politieke ambtsdragers (Stb. 1979, 519);
e. de Wet op het notarisambt;
g. [vervallen;]
h. een beroepspensioenregeling
als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling;
i. een pensioenregeling op
grond van een pensioenovereenkomst tussen een natuurlijk
persoon en degene, die met hem een overeenkomst heeft tot het
verrichten van huiselijke of andere persoonlijke diensten;
j. de pensioenregeling welke
van toepassing is op werknemers in de sociale werkvoorziening.
5. Deze wet is voorts van
toepassing op pensioen als bedoeld in:
a. de Samenloopregeling
Indonesische pensioenen 1960 (Stb. 1963, 212);
b. de Wet aanpassing
pensioenvoorzieningen Bijstandskorps (Stb. 1965, 550).
6. De wet is voorts mede van
toepassing op pensioen dat is opgebouwd uit middelen welke ten
laste komen van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering, bedoeld
in artikel 3 van de Wet tot bevriezing van het kinderbijslagbedrag
voor het eerste kind, alsmede oprichting van het Fonds Voorheffing
Pensioenverzekering (Stb. 1972, 702) zoals deze wet luidde op de
dag voor inwerkingtreding van de Wet privatisering FVP en op
pensioen dat is opgebouwd uit middelen welke ten laste komen van
de stichting die op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet
privatisering FVP is aangewezen.
7. Het vierde, vijfde en zesde lid
gelden ongeacht het recht dat van toepassing is op het
huwelijksvermogensregime van de echtgenoten.
8. Indien op het
huwelijksvermogensregime van de echtgenoten Nederlands recht van
toepassing is, is de wet voorts van toepassing op pensioenen
ingevolge een buitenlandse pensioenregeling die niet is een
pensioenregeling als bedoeld in het vierde, vijfde of zesde lid
met dien verstande dat een recht op uitbetaling als bedoeld in
artikel 2 slechts bestaat jegens de andere echtgenoot.
9. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen uitkeringen ingevolge enigerlei regeling worden
aangemerkt als pensioen in de zin van deze wet.
Artikel 2
1.In geval van scheiding en voor
zover de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de
scheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft de andere
echtgenoot overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet
recht op pensioenverevening, tenzij de echtgenoten de
toepasselijkheid van deze wet hebben uitgesloten bij huwelijkse
voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het
oog op de scheiding.
2.Ingevolge het in het eerste lid
bedoelde recht op verevening ontstaat jegens het uitvoeringsorgaan
een recht op uitbetaling van een deel van elk van de uit te
betalen termijnen van het pensioen, mits binnen twee jaar na het
tijdstip van scheiding van die scheiding en van het tijdstip van
scheiding door een van beide echtgenoten mededeling is gedaan aan
het uitvoeringsorgaan door middel van een formulier waarvan het
model wordt vastgesteld door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en bekend gemaakt in de Staatscourant. Een recht
op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan sluit een recht op
uitbetaling jegens de tot verevening verplichte echtgenoot uit.
Ingeval partijen de toepasselijkheid van deze wet hebben
uitgesloten moeten zij een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van
de in het eerste lid bedoelde overeenkomst aan het
uitvoeringsorgaan overleggen. Indien de echtgenoten zulks nalaten
kan deze overeenkomst niet aan het uitvoeringsorgaan worden
tegengeworpen, zelfs indien de overeenkomst ingeschreven was in
het openbaar huwelijksgoederenregister bedoeld in artikel 116,
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
3.De uitbetaling geschiedt onder de
voorwaarden vermeld in de toepasselijke regeling. Indien het
tijdstip van scheiding voor pensioeningang ligt of daarmee
samenvalt, gaat de uitbetaling in op het tijdstip van
pensioeningang, met dien verstande dat deze uitbetaling niet
eerder ingaat dan een maand na de datum waarop het
uitvoeringsorgaan het in het tweede lid bedoelde formulier heeft
ontvangen. Indien het tijdstip van scheiding na pensioeningang
ligt, gaat de uitbetaling in een maand na de datum waarop het
uitvoeringsorgaan het in het tweede lid bedoelde formulier heeft
ontvangen.
4.Het recht op uitbetaling eindigt
op het tijdstip waarop het recht op pensioen eindigt of met het
einde van de maand waarin de tot verevening gerechtigde echtgenoot
is overleden. Het recht op uitbetaling eindigt eveneens met het
einde van de maand waarin de echtgenoten een schriftelijke
mededeling aan het uitvoeringsorgaan hebben gedaan, dat zij met
elkaar zijn hertrouwd dan wel, ingeval van scheiding van tafel en
bed, in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116
van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, hebben doen inschrijven dat
de scheiding heeft opgehouden te bestaan.
5.Na ontvangst van het in het
tweede lid bedoelde formulier verstrekt het uitvoeringsorgaan aan
de tot verevening gerechtigde echtgenoot een bewijsstuk waaruit de
tijdens het huwelijk opgebouwde aanspraak waarop de verevening zal
worden gebaseerd blijkt alsmede de in het derde lid bedoelde
ingangsdatum van de uitbetaling. De andere echtgenoot ontvangt
daarvan een afschrift.
6.De tot verevening gerechtigde
echtgenoot heeft een recht op uitbetaling jegens de andere
echtgenoot indien niet ingevolge het tweede lid een recht op
uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan is ontstaan, alsmede
indien de uitbetaling ingevolge het derde lid ingaat na
pensioeningang. In dit laatste geval houdt het recht op
uitbetaling jegens de andere echtgenoot op zodra de uitbetaling
door het uitvoeringsorgaan ingaat. Op het recht op uitbetaling
jegens de andere echtgenoot is het bepaalde bij of krachtens deze
wet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3
1.Het deel bedoeld in artikel 2,
tweede lid, bedraagt de helft van het pensioen dat zou moeten
worden uitbetaald indien:
a. de tot verevening verplichte
echtgenoot uitsluitend gedurende de deelnemingsjaren tussen de
huwelijkssluiting en het tijdstip van scheiding zou hebben
deelgenomen;
b. hij op het tijdstip van
scheiding de deelneming beëindigd zou hebben; en
c. hij tijdens de periode dat
hij recht op pensioen heeft gehuwd of geregistreerd zou zijn.
2.Indien het pensioen na ingang
daarvan wordt verhoogd of verlaagd, word het bedrag dat
voortvloeit uit het eerste lid verhoogd of verlaagd met een
evenredig deel van de verhoging of verlaging van het pensioen.
3.Een pensioen wordt niet verevend,
indien op het tijdstip van scheiding het deel van dat pensioen,
waarop recht op uitbetaling ontstaat, het in artikel 66, eerste
lid, van de Pensioenwet genoemde bedrag niet te boven gaat.
Artikel 3a
1.In afwijking van artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel b, wordt onder
scheiding respectievelijk tijdstip van scheiding in geval van
scheiding van tafel en bed in dit artikel verstaan:
scheiding: ontbinding van het
huwelijk na scheiding van tafel en bed;
tijdstip van scheiding: de datum
waarop het huwelijk is ontbonden na scheiding van tafel en bed.
2.Indien het huwelijk of
geregistreerd partnerschap van een directeur-grootaandeelhouder
als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet eindigt door
scheiding, verkrijgt zijn gewezen echtgenoot een aanspraak op
partnerpensioen als de directeur-grootaandeelhouder ten behoeve
van die gewezen echtgenoot zou hebben verkregen indien op het
tijdstip van de scheiding de pensioenopbouw zou zijn beëindigd,
anders dan door overlijden of het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd.
3.Indien het huwelijk of
geregistreerd partnerschap van een gewezen
directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet eindigt door scheiding, verkrijgt zijn gewezen
echtgenoot een aanspraak op partnerpensioen als de
directeur-grootaandeelhouder ten behoeve van die gewezen
echtgenoot heeft verkregen bij beëindiging van de pensioenopbouw,
anders dan door overlijden of het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd.
4.Het tweede en het derde lid
vinden geen toepassing, indien de directeur-grootaandeelhouder en
zijn echtgenoot bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij
geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding anders
overeenkomen.
5.Het uitvoeringsorgaan verstrekt
aan de gewezen echtgenoot een bewijs van diens aanspraak.
6.De aanspraak op partnerpensioen
ten behoeve van de echtgenoot van een directeur-grootaandeelhouder
kan zonder toestemming van die echtgenoot niet bij overeenkomst
tussen de directeur-grootaandeelhouder en het uitvoeringsorgaan of
de werkgever worden verminderd.
Artikel 4
1.Bij huwelijkse voorwaarden of bij
een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de
scheiding kunnen de echtgenoten in afwijking van artikel 3, aanhef
en onderdeel a van het eerste lid, overeenkomen het deel bedoeld
in artikel 2, tweede lid, te bepalen op een door hen te kiezen
vast percentage dan wel de in artikel 3, eerste lid, onder a,
nader bepaalde periode te wijzigen. Het bij geschrift met het oog
op de scheiding door de echtgenoten overeen te komen deel kan niet
worden bepaald op een percentage dat op het tijdstip van scheiding
resulteert in een pensioenaanspraak gelijk aan of lager dan het in
artikel 3, derde lid, bedoelde bedrag.
2.Mits de echtgenoten binnen twee
jaar na het tijdstip van scheiding een gewaarmerkt afschrift of
uittreksel van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst aan het
uitvoeringsorgaan hebben overgelegd, is het uitvoeringsorgaan
gebonden aan hetgeen door de echtgenoten is overeengekomen doch
slechts voor wat betreft de periode gelegen na ontvangst van het
afschrift of uittreksel van de overeenkomst. Indien de echtgenoten
zulks nalaten kan deze overeenkomst niet aan het uitvoeringsorgaan
worden tegengeworpen, zelfs indien de overeenkomst ingeschreven
was in het openbaar huwelijksgoederenregister bedoeld in artikel
116, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
3.Na ontvangst van het afschrift of
uittreksel van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst
verstrekt het uitvoeringsorgaan aan de tot verevening gerechtigde
echtgenoot een bewijsstuk als bedoeld in het vijfde lid van
artikel 2. De andere echtgenoot ontvangt daarvan een afschrift.
Artikel 5
1.Bij huwelijkse voorwaarden of bij
een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de
scheiding kunnen de echtgenoten in geval van echtscheiding dan wel
beëindiging van het geregistreerd partnerschap anders dan door de
dood of vermissing overeenkomen, dat artikel 2, tweede tot en met
zesde lid, buiten toepassing blijft en dat de echtgenoot die
anders een recht op uitbetaling van pensioen zou hebben verkregen
in de plaats van dat recht en zijn aanspraak op partnerpensioen
jegens het uitvoeringsorgaan een eigen recht op pensioen
verkrijgt. De overeenkomst is slechts geldig indien aan de
overeenkomst een verklaring van het betrokken uitvoeringsorgaan is
gehecht dat het instemt met bedoelde omzetting.
2.Mits de echtgenoten binnen twee
jaar na het tijdstip van scheiding een gewaarmerkt afschrift of
uittreksel van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst aan het
uitvoeringsorgaan hebben overgelegd, is het uitvoeringsorgaan
gebonden aan hetgeen door de echtgenoten is overeengekomen doch
slechts voor wat betreft de periode gelegen na ontvangst van het
afschrift of uittreksel van de overeenkomst. Indien de echtgenoten
zulks nalaten kan deze overeenkomst niet aan het uitvoeringsorgaan
worden tegengeworpen, zelfs indien de overeenkomst ingeschreven
was in het openbaar huwelijksgoederenregister bedoeld in artikel
116, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
3.Na ontvangst van het afschrift of
uittreksel van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst
verstrekt het uitvoeringsorgaan aan de tot verevening gerechtigde
echtgenoot een bewijsstuk van zijn eigen recht op pensioen. De
andere echtgenoot ontvangt daarvan een afschrift; hij ontvangt
voorts een opgave van zijn verminderd pensioen.
Artikel 6
1.Het uitvoeringsorgaan is bevoegd
om de kosten van een verevening voor de helft aan ieder der
echtgenoten in rekening te brengen dan wel in mindering te brengen
op de aan hen uit te betalen bedragen.
2.Met betrekking tot de in het
eerste lid bedoelde kosten kunnen door onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met onze Ministers wie
dat aangaat nadere regels worden gesteld.
Artikel 7
1.Voor de toepassing van wettelijke
en andere bepalingen met betrekking tot beslag, inhouding en
korting wordt het deel van het pensioen dat niet aan de tot
verevening verplichte echtgenoot wordt uitbetaald geacht niet tot
diens pensioen te behoren.
2.Voor de toepassing van wettelijke
en andere bepalingen met betrekking tot de mogelijkheid om te
beschikken over pensioen of een aanspraak op pensioen wordt het
deel van het pensioen of de aanspraak op een deel van het
pensioen, welk deel niet aan de tot verevening verplichte
echtgenoot wordt uitbetaald, geacht niet tot diens pensioen
onderscheidenlijk aanspraak op pensioen te behoren.
3.Afkoop in de zin van de
toepasselijke regeling is slechts toegestaan indien met de
pensioenbelangen van de tot verevening gerechtigde echtgenoot op
redelijke wijze rekening is gehouden.
4.Met betrekking tot de berekening
en het recht op uitbetaling van het pensioen van de tot verevening
gerechtigde echtgenoot in geval van waardeoverdracht als bedoeld
in artikel 1 van de Pensioenwet, alsmede hetgeen daarmee
overeenkomt in de overheidspensioenwetten kunnen door onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming
met onze Ministers wie dat aangaat nadere regels worden gesteld.
5.Voor de toepassing van wettelijke
bepalingen met betrekking tot een volmacht tot invordering van
pensioen wordt het deel van het pensioen dat niet aan de tot
verevening verplichte echtgenoot wordt uitbetaald geacht niet tot
diens pensioen te behoren.
Artikel 8
1.Indien een pensioen wordt
verlaagd of verhoogd, uitsluitend wegens ingang op een vroeger of
later tijdstip dan het op grond van de desbetreffende regeling
normale tijdstip, wordt het deel, bedoeld in artikel 2, tweede
lid, op overeenkomstige wijze verlaagd of verhoogd.
2.Indien een pensioen wordt
verminderd wegens samenloop met één of meer andere te verevenen
pensioenen wordt het deel, bedoeld in artikel 2, tweede lid, op
overeenkomstige wijze verminderd.
Artikel 9
De echtgenoten, het uitvoeringsorgaan
en de werkgever zijn gehouden desgevraagd elkaar over en weer die
gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de vaststelling
van de rechten en verplichtingen die uit deze wet voortvloeien.
Artikel 10
Bij ministeriële regeling worden
door onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in
overeenstemming met onze Ministers wie dat aangaat nadere regels
gesteld voor de berekening van pensioen dat betrekking heeft op de
deelnemingsjaren gelegen voor de datum van inwerkingtreding van deze
wet.
Artikel 11
Indien de echtgenoten bij huwelijkse
voorwaarden gemaakt voor de inwerkingtreding van deze wet algehele
gemeenschap van goederen tussen hen hebben uitgesloten of beperkt,
vindt verevening van pensioenrechten als bedoeld in deze wet plaats,
tenzij de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij
geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding
uitdrukkelijk anders hebben bepaald.
Artikel 12
1.Deze wet is niet van toepassing
op een scheiding die heeft plaatsgevonden voor de datum van
inwerkingtreding van deze wet.
2.Niettemin is deze wet van
overeenkomstige toepassing op een scheiding die heeft
plaatsgevonden vóór 27 november 1981, mits het huwelijk ten
minste 18 jaren heeft geduurd en er tijdens het huwelijk
minderjarige kinderen waren van de echtgenoten te zamen of van
één van hen, en met dien verstande dat het deel bedoeld in
artikel 2, tweede lid, slechts één vierde bedraagt van het
pensioen dat ingevolge artikel 3, eerste en tweede lid, zou moeten
worden uitbetaald, en dat er geen recht op pensioenverevening is
voor zover reeds aantoonbaar rekening is gehouden met de
omstandigheid dat de tot verevening gerechtigde echtgenoot geen of
onvoldoende pensioen had opgebouwd. Ook in geval van een geschil
hieromtrent tussen de echtgenoten is het uitvoeringsorgaan
gehouden tot uitbetaling ingevolge artikel 2, derde lid, zolang de
rechter niet op verzoek van een der echtgenoten anders beslist.
3.Een recht op verevening ingevolge
het tweede lid ontstaat slechts indien de mededeling, bedoeld in
artikel 2, tweede lid, plaatsvindt binnen twee jaar na de
inwerkingtreding van deze wet. Artikel 2, zesde lid, is niet van
toepassing.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren,
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 28 april 1994
BEATRIX
De Staatssecretaris van Justitie,
A. Kosto
De Minister van Binnenlandse Zaken a.i.,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Defensie,
A.L. ter Beek
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Wallage
Uitgegeven de negentiende mei 1994
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|