WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
vorderingsbevoegdheid aan de overheid te verlenen in verband met
ernstige verontreiniging van gronden in Lekkerkerk;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd in het belang van de
zuivering van de bodem ten behoeve van de Staat, andere lichamen of
personen het eigendomsrecht op of een recht tot gebruik van onroerende
zaken gelegen in de gemeente Lekkerkerk te vorderen in verband met de
aldaar gebleken verontreiniging van de bodem.
Artikel 2
1. De Vorderingswet 1962 is van toepassing met dien verstande
dat:
1°. de artikelen 3, 5, 9, derde lid, en 13, derde lid, tweede zin,
buiten toepassing blijven;
2°. de bevoegdheid bedoeld in artikel 29 toekomt aan Onze Minister
van Binnenlandse Zaken.
2. Bij de bepaling van de schadevergoeding blijft de
verontreiniging van de bodem buiten beschouwing.
3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan een voorschot op de
schadevergoeding toekennen.
Artikel 3
Indien degene van wie de vordering is gedaan ter zake van de ten
gevolge van de verontreiniging geleden schade rechten tegen derden
heeft, gaan die rechten bij wege van subrogatie over op de Staat indien
en voor zover deze die schade vergoedt.
Artikel 4
Deze wet treedt in werking op de dag na die van de uitgifte van het Staatsblad
waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriėle departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te Lage Vuursche, 4 juni 1980
BEATRIX
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
Uitgegeven de vierde juni 1980
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter