WIJ WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van
Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om,
met afwijking van de bepaling van art. 1236 van het Burgerlijk Wetboek,
de bestaande hypothecaire inschrijvingen te onderwerpen aan vernieuwing
en bepalingen te maken omtrent de vernieuwing der overschrijving van
processen-verbaal van inbeslagneming;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Met afwijking van de bepaling van art. 1236 Burgerlijk Wetboek zijn
alle bij het in werking treden dezer wet bestaande hypothecaire
inschrijvingen binnen twee jaren na dat in werking treden onderworpen
aan vernieuwing.
Artikel 2
[1.] De aanvraag tot vernieuwing geschiedt door den
schuldeischer of door een derde namens hem.
[2.] Te dien einde worden ten kantore van bewaring overgelegd
twee door hem, die de aanvraag doet, onderteekende borderellen,
bevattende:
1°. den woordelijken inhoud van het ingeschreven borderel, met
vermelding van de dagteekening waarop en het deel en nommer waarin de
inschrijving daarvan heeft plaats gehad, zoomede van de nevens die
inschrijving gestelde kantteekeningen;
2°. het verlangen des schuldeischers tot geheele of gedeeltelijke
vernieuwing der inschrijving, met aanduiding van den aard en de
ligging der goederen waarop de hypotheek is gevestigd, naar aanleiding
van de kadastrale indeeling dier goederen op het tijdstip der
vernieuwing, onverminderd het bepaalde bij het tweede lid van art.
1219 Burgerlijk Wetboek, ten aanzien van tiend- en grondrenten;
3°. opgaven van de wijze waarop of van de titels uit welke de
opvolgende schuldeischer regt op inschrijving heeft verkregen.
[3.] Bij de borderellen wordt overgelegd een uittreksel van den
kadastralen legger, waarin bij veranderde kadastrale aanwijzing, nevens
de nieuwe indeeling, de vervallen sectie en nommers, in de inschrijving
vermeld, worden aangewezen.
[4.] Indien de borderellen andere kadastrale perceelen bevatten
dan volgens het uittreksel van den legger uit de vervallen kadastrale
perceelen zijn voortgekomen, wordt dit door den bewaarder nevens de
inschrijving en tevens op de borderellen aangeteekend.
[5.] Voorts wordt gehandeld gelijk in art. 1232 Burgerlijk
Wetboek is bepaald, en het uittreksel uit den kadastralen legger met een
der borderellen aan hem, die de vernieuwing verzocht, teruggegeven.
[6.] Op de vernieuwde inschrijvingen zijn alle bepalingen van het
Burgerlijk Wetboek omtrent de inschrijvingen van toepassing, voor
zooveel daarvan bij deze wet niet uitdrukkelijk wordt afgeweken.
Artikel 3
[1.] Wegens de vernieuwing der inschrijving worden geene andere
kosten in rekening gebragt dan het salaris van den hypotheekbewaarder,
dat, tenzij het tegendeel bedongen is, voor rekening van den
schuldeischer is en bepaald wordt op de helft van het gewone salaris
voor de vernieuwingen aangevraagd in het jaar 1879, op drie vierden
van dat salaris voor de vernieuwingen aangevraagd in de zes eerste
maanden van het jaar 1880, en op het volle salaris voor die
aangevraagd in de laatste zes maanden van dat jaar.
[2.] De tot de vernieuwing vereischte borderellen worden gesteld
op ongezegeld papier.
Artikel 4
[1.] De vernieuwing, binnen den bij art. 1 gestelden termijn
aangevraagd, verzekert aan de belanghebbenden denzelfden rang en
dezelfde regten, die zij door de inschrijving verkregen hadden.
[2.] Is de vroegere inschrijving binnen dien termijn niet
vernieuwd, zoo houdt zij op van kracht te zijn, kan zij niet meer worden
vernieuwd en wordt zij door den bewaarder der hypotheken op het door hem
af te geven afschrift of getuigschrift, bedoeld in art. 1265 Burgerlijk
Wetboek, niet vermeld.
[3.] De schuldeischer kan de binnen genoemden termijn niet
vernieuwde inschrijving op nieuw doen bewerkstelligen overeenkomstig de
bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, doch in dat geval worden de
kracht en de rang bepaald naar de dagteekening der nieuwe inschrijving
en is art. 3 niet van toepassing.
Artikel 5
[1.] De toeziende voogd en de toeziende curator zijn op straffe
van vergoeding van kosten, schaden en interessen verpligt toe te zien,
dat de hypothecaire inschrijvingen, tot zekerheid van het beheer van
den voogd of den curator genomen, binnen den bij art. 1 gestelden
termijn worden vernieuwd.
[2.] De getrouwde vrouw, die bij huwelijksche voorwaarden
hypotheek heeft bedongen, kan, zonder bijstand van haren man of
magtiging van den regter, de hypothecaire inschrijving doen vernieuwen.
Artikel 6
[1.] De overschrijvingen van processen-verbaal van beslag op
onroerende goederen, die krachtens art. 505 van het Wetboek van
Burgerlijke Regtsvordering vóór het in werking treden dezer wet
hebben plaats gehad, kunnen binnen den bij art. 1 gestelden termijn
worden vernieuwd op het oorspronkelijk proces-verbaal van in
beslagneming, dat te dien einde door den executant of zijnen procureur
aan den hypotheekbewaarder zal worden aangeboden.
[2.] Alle overschrijvingen, waarvan op het tijdstip van het
verstrijken van dien termijn de vernieuwing niet is geschied of
aangevraagd, vervallen van regtswege en worden ambtshalve kosteloos
doorgehaald.
Artikel 7
Deze wet treedt in werking den eersten Januarij 1879.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Collegien en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven op het Loo, den 5den Junij 1878
WILLEM
De Minister van Justitie,
H.J. Smidt
De Minister van Financien,
Gleichman
Uitgegeven den veertienden Junij 1878
De Minister van Justitie,
H.J. Smidt