WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is
gebleken, maatregelen te treffen inzake de vernieuwing van hypothecaire
inschrijvingen, genomen ten kantore van bewaring van de hypotheken, het
kadaster en de scheepsbewijzen te Nijmegen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Met afwijking van de bepaling van artikel 1236 van het Burgerlijk
Wetboek zijn alle vóór of op 20 September 1944 ten kantore van
bewaring van de hypotheken, het kadaster en de scheepsbewijzen te
Nijmegen genomen hypothecaire inschrijvingen op onroerende zaken
onderworpen aan vernieuwing binnen een tijdvak van één jaar,
aanvangende op een door Onzen Minister van Financiën vast te stellen
tijdstip.
Artikel 2
1. De aanvraag tot vernieuwing geschiedt door of namens den
schuldeischer of door of namens dengene die ten genoegen van den
hypotheekbewaarder aantoont, dat hij belanghebbende is. Zij geschiedt
door tusschenkomst van een notaris.
2. Te dien einde worden ten kantore van bewaring te Nijmegen
overgelegd twee door hem die de aanvraag doet, onderteekende borderellen
bevattende:
1°. vermelding van den schuldeischer en den schuldenaar op het
tijdstip van opmaking van de borderellen; indien de schuldeischer een
andere is dan die ten tijde van de oorspronkelijke inschrijving,
behoort tevens, ten genoegen van den hypotheekbewaarder, opgave te
worden gedaan van de wijze waarop of van de titels uit welke de
tegenwoordige schuldeischer zijn recht heeft verkregen;
2°. opgave der woonplaats, door den schuldeischer gekozen binnen
den kring van voormeld kantoor; wijkt deze woonplaats af van de in het
borderel der oorspronkelijke inschrijving gekozene, dan behoort ook
van die woonplaats melding te worden gemaakt;
3°. de dagteekening en den aard van den rechtstitel met opgave van
den ambtenaar door of ten overstaan van wien de akte is verleden of
van den rechter in het geval van artikel 1217 van het Burgerlijk
Wetboek;
4°. het beloop der inschuld of de begrooting der voorwaardelijke
of onbepaalde rechten, welke verzekerd moeten worden en den tijd
waarop de schuld opeischbaar is; een en ander zoowel naar de gegevens
van het borderel der oorspronkelijke inschrijving als naar den
toestand op het tijdstip van overlegging der onderwerpelijke
borderellen;
5°. een verwijzing naar het borderel der oorspronkelijke
inschrijving, zulks door vermelding van de dagteekening waarop en het
deel en nummer waarin de inschrijving heeft plaats gehad; indien en
voorzoover in dat borderel vermeld zijn de bedingen, bedoeld in de
artikelen 1223, tweede lid, 1230, eerste lid, en 1254, tweede lid, van
het Burgerlijk Wetboek, moet daarvan in de onderwerpelijke borderellen
door verwijzing naar die wetsbepalingen melding worden gemaakt;
6°. het verlangen van den schuldeischer tot geheele of
gedeeltelijke vernieuwing van de inschrijving, met aanduiding van den
aard en de ligging der goederen waarop de hypotheek is gevestigd
overeenkomstig de kadastrale indeeling dier goederen op het tijdstip
waarop de borderellen worden overgelegd, onverminderd het bepaalde bij
het tweede lid van artikel 1219 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Nevens de twee hiervoor bedoelde borderellen moet een
afschrift daarvan worden overgelegd, gesteld op een door Onzen Minister
van Financiën vast te stellen formulier en ook overigens voldoende aan
de door dezen te stellen vormvereischten. Indien daarbij wordt bepaald
dat het afschrift moet worden voorzien van een verklaring van
eensluidendheid, is de hypotheekbewaarder niet gehouden de juistheid van
die verklaring te onderzoeken en is de Staat niet aansprakelijk voor uit
een eventueele onjuistheid voortvloeiende schade.
4. Indien de borderellen andere kadastrale perceelen of
perceelsgedeelten bevatten dan volgens de registers van den
hypotheekbewaarder met de inschrijving waarvan de vernieuwing wordt
verzocht, bezwaard zouden zijn, teekent hij dit naast de vernieuwde
inschrijving en op de borderellen aan.
5. Voorts wordt gehandeld gelijk in artikel 1232 van het
Burgerlijk Wetboek is bepaald.
6. Op de vernieuwde inschrijvingen zijn alle bepalingen van het
Burgerlijk Wetboek omtrent de inschrijvingen van toepassing, voor
zooveel daarvan bij dit besluit niet uitdrukkelijk wordt afgeweken.
Artikel 3
1. De in artikel 2, derde lid, bedoelde formulieren worden,
nadat de borderellen op de gewone wijze in het dagregister zijn
geboekt, samengevoegd tot een register, dat zal worden bewerkt en
bijgehouden overeenkomstig de door Onzen Minister van Financiën te
geven voorschriften.
2. De boeking van de borderellen op het dagregister gevolgd door
de in het vorige lid bedoelde samenvoeging geldt als inschrijving in den
zin van de artikelen 1224 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 4
1. De vernieuwing, binnen den bij artikel 1 gestelden termijn
aangevraagd, verzekert aan de belanghebbenden denzelfden rang en
dezelfde rechten, die zij door de oorspronkelijke inschrijving
verkregen hadden.
2. Is de inschrijving binnen dien termijn niet vernieuwd, zoo
houdt zij op van kracht te zijn, kan zij niet meer worden vernieuwd en
wordt zij door den hypotheekbewaarder op het door hem af te geven
afschrift of getuigschrift, bedoeld in artikel 1265 van het Burgerlijk
Wetboek, niet vermeld.
3. Door of namens den schuldeischer of door of namens dengene,
die ten genoegen van den hypotheekbewaarder aantoont, dat hij
belanghebbende is, kan de binnen genoemden termijn niet vernieuwde
inschrijving opnieuw worden bewerkstelligd overeenkomstig de bepalingen
van het Burgerlijk Wetboek, doch in dat geval worden de kracht en de
rang bepaald naar de dagteekening der nieuwe inschrijving en is artikel
7 niet van toepassing.
Artikel 5
1. Toeziende voogden en toeziende curators zijn op straffe van
vergoeding van kosten, schaden en interessen, verplicht toe te zien,
dat de hypothecaire inschrijvingen, tot zekerheid van het beheer van
voogden of curatoren genomen, binnen den bij artikel 1 gestelden
termijn worden vernieuwd.
2. De getrouwde vrouw, die bij huwelijksche voorwaarden hypotheek
heeft bedongen, kan, zonder bijstand van haar man of machtiging van den
rechter, de hypothecaire inschrijving doen vernieuwen.
Artikel 6
1. De overschrijvingen van processen-verbaal van beslag op
onroerende goederen, die vóór of op 20 September 1944 hebben plaats
gehad, kunnen binnen den bij artikel 1 gestelden termijn worden
vernieuwd op het oorspronkelijk proces-verbaal van inbeslagneming, dat
te dien einde door den beslaglegger of zijn procureur aan den
hypotheekbewaarder zal worden aangeboden. De vernieuwde
overschrijving, mits tijdig aangevraagd, treedt geheel in de plaats
van de oorspronkelijke overschrijving en heeft kracht van het tijdstip
af, waarop deze laatste overschrijving heeft plaats gehad.
2. Alle overschrijvingen, in het eerste lid bedoeld, waarvan op
het tijdstip van het verstrijken van den daar bedoelden termijn de
vernieuwing niet is aangevraagd, vervallen van rechtswege en verliezen
alsdan haar kracht.
Artikel 7
1. De verrichtingen van den hypotheekbewaarder, betrekking
hebbende op de voorbereiding of de totstandkoming van een vernieuwing,
geschieden kosteloos.
2. De ingevolge het vorig lid door den hypotheekbewaarder
afgegeven stukken, alsmede de in artikel 2, tweede lid, bedoelde
borderellen, zijn vrij van zegelrecht.
3. De notarissen zijn verplicht op verzoek van belanghebbenden
hun tusschenkomst voor de aanvrage tot vernieuwing te verleenen en
daartoe verder het noodige te verrichten. Zij zijn bevoegd voor hun
diensten een bedrag in rekening te brengen van f 2,50 voor een
hypothecaire vordering van f 2000,- of minder, f 5,- voor een vordering
van meer dan f 2000,-, doch niet meer dan f 5000,-, en f 7,50 voor een
vordering van meer dan f 5000,-, behoudens vergoeding van hetgeen door
hen voor belanghebbenden mocht zijn voorgeschoten.
Artikel 8
Deze wet treedt in werking met ingang van de maand, volgende op die
waarin zij is afgekondigd.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Het Loo, den 25sten Juli 1947
WILHELMINA
De Minister van Financiën,
P. Lieftinck
De Minister van Justitie,
J.H. van Maarseveen
Uitgegeven de zes en twintigste Augustus 1947
De Minister van Justitie,
J.H. van Maarseveen