Nadere regelgeving:
- Besluit
bestuurlijke boetes financiële sector
- Besluit
financieel toetsingskader pensioenfondsen
- Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
- Regeling
parameters pensioenfondsen (vervallen)
- Regeling
Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
- Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling
- Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van
terrorisme
WET van 6 oktober 2005, houdende nieuwe
regeling voor verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling (Wet
verplichte beroepspensioenregeling)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in
verband met modernisering van de pensioenwetgeving, de Wet betreffende
verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling in te trekken en te
vervangen door een nieuwe wet ter zake;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1. Definities
1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
– aanspraakgerechtigde: persoon die begunstigde is voor een
nog niet ingegaan pensioen;
– accountant: een accountant als bedoeld in artikel 393,
eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
– afkoop: iedere handeling waardoor pensioenaanspraken of
pensioenrechten hun pensioenbestemming verliezen;
– arbeidsongeschiktheidspensioen: een geldelijke,
vastgestelde uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van de
beroepsgenoot of gewezen beroepsgenoot, waarop recht bestaat nadat
de arbeidsongeschiktheid 104 weken heeft geduurd of, indien er
sprake is van een beroepsgenoot in loondienst, waarop recht
bestaat na afloop van de periode bedoeld in artikel 29, eerste
lid, van de Ziektewet of, indien de beroepsgenoot
Ziektewetuitkering ontvangt, na afloop van de periode bedoeld in
artikel 29, vijfde en negende lid, van de Ziektewet;
– basispensioenregeling: de collectieve
beroepspensioenregeling of het deel van de beroepspensioenregeling
waaraan de beroepsgenoot op basis van de beroepspensioenregeling
gehouden is om deel te nemen;
– beëindiging van de deelneming: het beëindigen van de
pensioenverwerving op basis van de beroepspensioenregeling anders
dan door:
1°. het overlijden van de beroepsgenoot; of
2°. het ingaan van het ouderdomspensioen;
– beroepsgenoot: een natuurlijk persoon die deel uitmaakt van
een bepaalde beroepsgroep;
– beroepspensioenfonds: een voor een bepaalde beroepsgroep
werkend pensioenfonds, als bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet, dat is opgericht ter uitvoering van een
beroepspensioenregeling;
– beroepspensioenregeling:
1°. door beroepsgenoten overeengekomen rechten en plichten
ten aanzien van pensioen ten behoeve van beroepsgenoten en
gewezen beroepsgenoten, dan wel
2°. indien de aan een beroepspensioenregeling deelnemende
zelfstandige of beroepsgenoot in een andere lidstaat dan
Nederland is gevestigd, een overeenkomst, een trustakte of
voorschriften waarin is bepaald welke pensioenuitkeringen
worden toegezegd en onder welke voorwaarden;
– beroepspensioenvereniging: een vereniging waarvan
beroepsgenoten lid zijn en die volledige rechtsbevoegdheid bezit,
waarvan het statutaire doel uitsluitend omvat het verzorgen van
een beroepspensioenregeling en waarbij het lidmaatschap niet
automatisch voortvloeit uit het lidmaatschap van enig andere
organisatie;
– bevoegde autoriteiten: de nationale autoriteiten van andere
lidstaten dan Nederland die op grond van artikel 6, onderdeel g,
van richtlijn 2003/41/EG zijn aangewezen om de in die richtlijn
vastgelegde taken te verrichten;
– bijdrage: iedere geldsom die wordt voldaan aan een
pensioenuitvoerder in het kader van de uitvoering van
beroepspensioenregelingen en uitvoeringsovereenkomsten;
– bijzonder partnerpensioen: de aanspraak op partnerpensioen
die op grond van artikel 68, eerste, tweede of derde lid,
verkregen wordt door de gewezen partner;
– buitenlandse instelling: een instelling met zetel buiten
Nederland, niet zijnde een pensioeninstelling of verzekeraar in
een andere lidstaat, een van de Europese Gemeenschappen of een
instelling als bedoeld in artikel 81, tweede lid;
– deelnemer: de beroepsgenoot die op grond van een
beroepspensioenregeling pensioenaanspraken verwerft jegens de
pensioenuitvoerder;
– elektronisch: door middel van een elektronische
informatiedrager die de ontvanger in staat stelt de verstrekte
informatie duurzaam te bewaren;
– gedetacheerd beroepsgenoot: een beroepsgenoot die in een
andere lidstaat wordt gedetacheerd om daar te werken en die
krachtens titel II van verordening (EEG) nr.1408/71 van de Raad
van de Europese gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de
toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden
en hun gezinnen, die zich binnen de gemeenschap verplaatsten (Pb
EG L 149), onderworpen blijft aan de wetgeving van de lidstaat van
oorsprong;
– gepensioneerde: pensioengerechtigde voor wie het
ouderdomspensioen is ingegaan;
– gewezen deelnemer: de beroepsgenoot of gewezen
beroepsgenoot die geen pensioenaanspraken op grond van de
beroepspensioenregeling meer verwerft jegens de pensioenuitvoerder
en die bij beëindiging van de deelneming pensioenaanspraken heeft
behouden jegens de pensioenuitvoerder;
– kapitaalregeling: een beroepspensioenregeling inzake een
vastgesteld kapitaal dat uiterlijk op de pensioendatum wordt
omgezet in een pensioenuitkering;
– lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie alsmede een
staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
– nabestaandenpensioen: partnerpensioen of wezenpensioen;
– ontvangende pensioenuitvoerder: de pensioenuitvoerder aan
wie in het kader van waardeoverdracht waarde wordt overgedragen;
– Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
– ouderdomspensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering
voor de beroepsgenoot of de gewezen beroepsgenoot bij wijze van
inkomensvoorziening bij ouderdom;
– overdrachtswaarde: de ten behoeve van de waardeoverdracht
vastgestelde waarde van de over te dragen pensioenaanspraken of
pensioenrechten;
– overdragende pensioenuitvoerder: de pensioenuitvoerder die
in het kader van waardeoverdracht waarde overdraagt aan een andere
pensioenuitvoerder;
– partner: echtgenoot, geregistreerde partner of partner in
de zin van de beroepspensioenregeling;
– partnerpensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering
voor de echtgenoot, de geregistreerde partner of de partner, de
gewezen echtgenoot, de gewezen geregistreerde partner of gewezen
partner wegens het overlijden van de beroepsgenoot of gewezen
beroepsgenoot;
– partnerrelatie: huwelijk, geregistreerd partnerschap of
partnerrelatie in de zin van de beroepspensioenregeling;
– pensioen: ouderdomspensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen
of nabestaandenpensioen;
– pensioenaanspraak: het recht op een nog niet ingegaan
pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke
toeslagverlening;
– pensioengerechtigde: persoon voor wie op grond van de
beroepspensioenregeling het pensioen is ingegaan;
– pensioeninstelling uit een andere lidstaat: een op basis
van kapitaaldekking gefinancierde instelling, ongeacht de
rechtsvorm, die zetel heeft in een andere lidstaat dan Nederland
en die onafhankelijk van enige bijdragende onderneming of
bedrijfstak is opgericht met als doel het verstrekken van
arbeidsgerelateerde pensioenuitkeringen op basis van een als volgt
gesloten overeenkomst:
1°. individueel of collectief tussen een of meerdere
werkgevers en een of meerdere werknemers of hun
respectievelijke vertegenwoordigers, of
2°. met zelfstandigen,
en die hiermee rechtstreeks verband houdende werkzaamheden
verricht;
– pensioenrecht: het recht op een ingegaan pensioen,
uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening;
– pensioenreglement: de door de pensioenuitvoerder opgestelde
regeling met betrekking tot de verhouding tussen
pensioenuitvoerder en deelnemer;
– pensioenuitvoerder: een beroepspensioenfonds, of een
premiepensioeninstelling of verzekeraar die zetel heeft in
Nederland;
– pensioenverplichtingen: verplichtingen van de
pensioenuitvoerder uit hoofde van pensioenaanspraken en
pensioenrechten;
– premie: de in geld uitgedrukte periodiek vastgestelde
structurele prestatie die verschuldigd is aan de
pensioenuitvoerder en die bestemd is voor de verzekering van
pensioen en de daaraan verbonden kosten;
– premiepensioeninstelling: een premiepensioeninstelling die
op grond van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het
bedrijf van premiepensioeninstelling mag uitoefenen;
– premieregeling: een beroepspensioenregeling inzake een
vastgestelde premie die uiterlijk op de pensioendatum wordt
omgezet in een pensioenuitkering;
– richtlijn 2003/41/EG: richtlijn nr. 2003/41/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003
betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen
voor bedrijfspensioenvoorziening (PbEG L 235/10);
– scheiding: echtscheiding, ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed, beëindiging van een geregistreerd
partnerschap anders dan door dood, vermissing of omzetting van een
geregistreerd partnerschap in een huwelijk of beëindiging van een
partnerrelatie in de zin van de pensioenovereenkomst;
– schriftelijk: in schrifttekens op papier;
– toeslag: een verhoging van:
1°. een pensioenrecht;
2°. een pensioenaanspraak van een gewezen deelnemer, mits
die verhoging bij een kapitaalregeling niet voortvloeit uit
rente- of winstdeling of bij een premieregeling niet
voorvloeit uit behaald beleggingsrendement;
3°. een pensioenaanspraak van een deelnemer op grond van
een uitkeringsregeling gebaseerd op het middelloonstelsel of
gebaseerd op een vastebedragenregeling, mits de verhoging geen
verband houdt met een verhoging van de pensioengrondslag, de
toename van het in aanmerking te nemen aantal jaren of een
wijziging van de beroepspensioenregeling; of
4°. een pensioenaanspraak van een gepensioneerde ten
behoeve van zijn partner;
– toezichthouder: de Stichting Autoriteit Financiële Markten
of De Nederlandsche Bank N.V., ieder voor zover belast met de
uitoefening van het toezicht bij of krachtensartikel 146;
– uitkeringsregeling: een beroepspensioenregeling inzake een
vastgestelde pensioenuitkering;
– uitvoeringsovereenkomst: de overeenkomst tussen de
beroepspensioenvereniging en de pensioenuitvoerder over de
uitvoering van de beroepspensioenregeling;
– verplichtstelling: de verplichte deelneming in een
beroepspensioenregeling op grond van artikel 5, eerste lid;
– verzekeraar: een verzekeraar die op grond van de Wet op het
financieel toezicht in Nederland het bedrijf van levensverzekeraar
of schadeverzekeraar mag uitoefenen;
– voorwaarden in verband met de partnerrelatie: huwelijkse
voorwaarden, voorwaarden van een geregistreerd partnerschap of
voorwaarden in verband met een partnerrelatie in de zin van de
beroepspensioenregeling;
– vrijwillige pensioenregeling: het deel van de
beroepspensioenregeling waaraan de beroepsgenoot op basis van de
beroepspensioenregeling de mogelijkheid heeft om deel te nemen;
– waardeoverdracht: iedere handeling waarbij de waarde van
opgebouwde pensioenaanspraken of pensioenrechten wordt aangewend
ten behoeve van:
1°. andere pensioenaanspraken of pensioenrechten bij
dezelfde of een andere pensioenuitvoerder; of
2°. dezelfde pensioenaanspraken of pensioenrechten bij een
andere pensioenuitvoerder;
– wezenpensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering voor
een kind tot wie de overleden beroepsgenoot of gewezen
beroepsgenoot als ouder in familierechtelijke betrekking stond of
voor diens stief- of pleegkind, wegens het overlijden van de
beroepsgenoot of gewezen beroepsgenoot;
– zetel: de plaats waar een rechtspersoon volgens zijn
statuten of reglementen is gevestigd of, indien het een
pensioenfonds, beroepspensioenfonds of pensioeninstelling uit een
andere lidstaat betreft, de plaats waar deze volgens zijn statuten
of reglementen is gevestigd en zijn hoofdbestuur heeft of, indien
het een pensioeninstelling uit een andere lidstaat betreft die
geen rechtspersoon is of een natuurlijke persoon betreft, de
plaats waar die pensioeninstelling of persoon zijn hoofdbestuur
heeft.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede
verstaan onder beroepspensioenvereniging: een daarmee door Onze
Minister gelijkgestelde instelling.
Artikel 2. Nadere bepaling definities
1. Een uitkering voor een gemoedsbezwaarde als bedoeld in artikel
64, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering sociale
verzekeringen is geen pensioen in de zin van deze wet.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
op grond waarvan aanvullingen op een loonaanvullingsuitkering of een
vervolguitkering als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen die geen
arbeidsongeschiktheidspensioen zijn als bedoeld in artikel 1worden
aangemerkt als arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in dat
artikel.
3. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot kapitaalregelingen of premieregelingen waarbij het op
de pensioendatum beschikbaar komende kapitaal wordt gesplitst in een
deel dat wordt aangewend voor aankoop van een direct ingaande
tijdelijke uitkering en een deel dat later wordt aangewend voor de
aankoop van een, op de tijdelijke uitkering aansluitende, levenslange
uitkering. In deze regeling:
a. kunnen dergelijke uitkeringen, en daarbij horende
uitkeringen voor nabestaanden, worden gelijkgesteld met een
pensioen als bedoeld inartikel 1;
b. kan worden bepaald dat dit pensioen voldoet aan de artikelen
31 en75;
c. kan worden bepaald dat pensioenuitvoerders verplicht zijn
mee te werken aan splitsing zoals beschreven in de aanhef; en
d. kunnen regels worden gesteld betreffende een goede
uitvoering.
5. De regeling, bedoeld in het vierde lid, is uitsluitend van
toepassing indien de pensioendatum is gelegen na 31 december 2008 en
het op de pensioendatum beschikbaar komende kapitaal nog niet is
aangewend voor aankoop van een levenslange uitkering.
6. Waar in deze wet sprake is van de Nederlandse sociale en
arbeidswetgeving betreft dit in ieder geval de artikelen 1, 2, 19 tot
en met 23, 28 tot en met 39, 44, 45, 48 tot en met 64, 66 tot en met
103 en105.
Artikel 3. Relatie met verzekeringsovereenkomsten
1.De artikelen 929, 935, eerste lid, 936, tweede tot en met zesde
lid, 941, vijfde lid, 969, 972, 977, tweede lid, 978, 979, 980, tweede
lid en 983 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van
toepassing op verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten in
verband met een beroepspensioenregeling.
2.Het verminderen of vervallen van een uitkering op grond van een
verzekeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid op basis van
artikel 930, derde tot en met vijfde lid, van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek is niet mogelijk, tenzij door een deelnemer niet is
voldaan aan de in artikel 928 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
omschreven mededelingsplicht betreffende zijn risico. In dat geval
beperkt de vermindering of het verval van de uitkering zich tot het
risico met betrekking tot de in de eerste zin bedoelde persoon.
Voorzover de eerste zin in de weg staat aan vermindering dan wel
verval van een uitkering, heeft het beroepspensioenfonds of de
verzekeraar een recht van verhaal op de beroepspensioenvereniging.
3.Een beding als bedoeld in artikel 941, vierde lid, van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek is nietig wanneer dit is opgenomen in een
verzekeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid.
4.Voor zover bepalingen van de titels 17 en 18 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek strijden met deze wet blijven die bepalingen van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek buiten toepassing.
Artikel 4. Relatie met Wet op het financieel toezicht
De Wet op het financieel toezicht is niet van toepassing op de
verhouding tussen een verzekeraar of een premiepensioeninstelling en een
aanspraak- of pensioengerechtigde, tenzij in deze wet anders is bepaald.
Hoofdstuk 2. De verplichtstelling
Artikel 5. Het opleggen van een verplichtstelling
1.Onze Minister kan het deelnemen in een beroepspensioenregeling
voor een of meer bepaalde groepen van beroepsgenoten verplicht stellen
indien:
a. daartoe een aanvraag wordt gedaan door een
beroepspensioenvereniging, en
b. die beroepspensioenvereniging een naar het oordeel van de
minister belangrijke meerderheid van de beroepsgenoten die tot de
beroepsgroep behoren, vertegenwoordigt.
2.Van de verplichtstelling zijn arbitrale bedingen als bedoeld in
artikel 1020, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering uitgesloten.
3.Indien zowel zelfstandig werkzame beroepsgenoten als
beroepsgenoten die in loondienst werkzaam zijn deelnemen aan de
beroepspensioenregeling wordt pas voldaan aan het eerste lid,
onderdeel b, wanneer voor beide groepen afzonderlijk is aangetoond dat
de beroepspensioenvereniging een belangrijke meerderheid van die
beroepsgenoten vertegenwoordigt.
Artikel 6. Aanvraag van een verplichtstelling
1. De aanvraag, bedoeld in artikel 5, gaat vergezeld van:
a. een verklaring waaruit blijkt dat aan artikel 5, eerste lid,
onderdeel b, wordt voldaan;
b. een gewaarmerkt exemplaar van de op het moment van de
aanvraag geldende statuten en reglementen van de
beroepspensioenvereniging.
2. Indien de beroepspensioenregeling wordt uitgevoerd door een
beroepspensioenfonds gaat de aanvraag tevens vergezeld van:
a. een authentiek afschrift van de akte van oprichting van het
beroepspensioenfonds;
b. een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar van het reglement
of de reglementen van het beroepspensioenfonds;
c. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de
uitvoeringsovereenkomst;
d. een actuariële en bedrijfstechnische nota als bedoeld in
artikel 140;
e. een eventuele overeenkomst tot overdracht of verzekering.
3. Indien de beroepspensioenregeling wordt uitgevoerd door een
verzekeraar of een premiepensioeninstelling gaat de aanvraag tevens
vergezeld van:
a. een door het bestuur van de beroepspensioenvereniging
gewaarmerkt afschrift van de getekende overeenkomst tussen de
verzekeraar of de premiepensioeninstelling en de
beroepspensioenvereniging;
b. een door de beroepspensioenvereniging gewaarmerkt afschrift
van de getekende wijzigingsovereenkomst indien er een wijziging
van de overeenkomst heeft plaatsgevonden.
4. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de aanvraag
alsmede met betrekking tot de bij te voegen stukken nadere regels
worden gesteld.
Artikel 7. Gevolgen van een verplichtstelling
1.Zolang de verplichtstelling duurt zijn de artikelen 7, derde en
vierde lid, tot en met artikel 214 en de daarop berustende bepalingen
van toepassing.
2.Na beëindiging van de verplichtstelling blijven de artikelen 7,
derde en vierde lid, tot en met artikel 214 en de daarop berustende
bepalingen van toepassing voorzover ze betrekking hebben op de periode
waarover de verplichtstelling duurde.
3.De deelnemers leven de beroepspensioenregeling en de daarop
gebaseerde besluiten na.
4.Indien de beroepspensioenregeling wordt uitgevoerd door een
beroepspensioenfonds leven de deelnemers de statuten van dat
beroepspensioenfonds en de daarop gebaseerde besluiten na.
Artikel 8. Uitvoering van de beroepspensioenregeling
Een beroepspensioenregeling wordt uitgevoerd door:
a. een pensioenuitvoerder;
b. een pensioeninstelling uit een andere lidstaat die beschikt
over een daartoe verleende vergunning als bedoeld in artikel 193 en
de bevoegde autoriteiten in kennis heeft gesteld als bedoeld
inartikel 193; of
c. een verzekeraar met een zetel buiten Nederland, mits die
verzekeraar op grond van de Wet op het financieel toezicht in
Nederland het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar mag
uitoefenen.
Uitvoering door een premiepensioeninstelling kan uitsluitend bij
premieregelingen waarbij de premiepensioeninstelling geen risico draagt.
Artikel 9. Wijziging van de verplichtstelling
1.Onze Minister kan de verplichtstelling wijzigen indien daartoe
een aanvraag wordt gedaan door een beroepspensioenvereniging die
voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdeel b.
2.Artikel 5, derde lid en artikel 6, eerste lid, onderdeel a,
tweede lid, onderdeel d, en derde lid, onderdeel b, zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.Indien de beroepspensioenregeling wordt uitgevoerd door een
beroepspensioenfonds gaat de aanvraag tevens vergezeld van:
a. een authentiek afschrift van de akte houdende wijziging van
de statuten indien er een wijziging van de statuten heeft
plaatsgevonden;
b. een door het beroepspensioenfonds gewaarmerkt exemplaar van
de wijzigingen van de reglementen indien er een wijziging van de
reglementen heeft plaatsgevonden.
4.Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het eerste
en tweede lid nadere regels worden gesteld.
Artikel 10. Wijziging van de beroepspensioenregeling
1.Indien een wijziging van de beroepspensioenregeling heeft
plaatsgevonden zendt de beroepspensioenvereniging een door haar
gewaarmerkt afschrift van wijziging van de beroepspensioenregeling,
binnen twee weken nadat de wijziging tot stand is gekomen aan Onze
Minister en aan de toezichthouder.
2.Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van de
wijziging van de beroepspensioenregeling en vermeldt dat binnen vier
weken bij hem zienswijzen omtrent het al dan niet voldoen aan artikel
5, eerste lid, onderdeel b, naar voren kunnen worden gebracht.
3.Indien de zienswijzen daartoe aanleiding geven verzoekt Onze
Minister binnen acht weken na de mededeling in de Staatscourant de
beroepspensioenvereniging aan te tonen dat nog wordt voldaan aan
artikel 5, eerste lid, onderdeel b.
4.Artikel 5, derde lid, artikel 11, vierde lid,artikel 12 en
artikel 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11. Periodieke representativiteitstoets
1.Op verzoek van Onze Minister toont de beroepspensioenvereniging
die voortzetting van de verplichtstelling wenst binnen acht weken na
dat verzoek aan dat nog wordt voldaan aan artikel 5, eerste lid,
onderdeel b.
2.Onze Minister doet het verzoek, bedoeld in het eerste lid, ten
minste acht weken voordat er vijf jaren zijn verstreken sinds de datum
waarop voor het laatst is gebleken dat wordt voldaan aan artikel 5,
eerste lid, onderdeel b.
3.Als de datum waarop voor het laatst is gebleken dat nog wordt
voldaan aan artikel 5, eerste lid, onderdeel b wordt aangemerkt:
a. de datum waarop de verplichtstelling is opgelegd;
b. de datum waarop de verplichtstelling is gewijzigd, of
c. de datum waarop na het verzoek van Onze Minister, bedoeld in
het eerste lid, artikel 10, derde lid of artikel 12 is aangetoond
dat aan de daar gestelde eisen wordt voldaan.
4.Indien de beroepspensioenvereniging niet binnen acht weken na het
verzoek, bedoeld in het eerste lid, heeft aangetoond dat nog wordt
voldaan aanartikel 5, eerste lid, onderdeel b, doet Onze Minister
daarvan mededeling in de Staatscourant.
5.Artikel 5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12. Intrekking naar aanleiding van de periodieke
representativiteitstoets
1.Acht weken voordat er twee jaren zijn verstreken sinds de
mededeling, bedoeld in artikel 11, vierde lid, doet Onze Minister
opnieuw een verzoek als bedoeld in artikel 11, eerste lid. Indien de
beroepspensioenvereniging, binnen acht weken na dat verzoek niet
aantoont dat nog wordt voldaan aan artikel 5, eerste lid, onderdeel b,
trekt Onze Minister met betrekking tot de betrokken beroepsgroep de
verplichtstelling in.
2.Indien uitsluitend met betrekking tot de beroepsgenoten die in
loondienst werkzaam zijn door de beroepspensioenvereniging niet is
aangetoond dat nog wordt voldaan aanartikel 5, eerste lid, onderdeel
b, trekt Onze Minister de verplichtstelling in afwijking van het
eerste lid, slechts in met betrekking tot die groep.
Artikel 13. Intrekking op aanvraag
1.Onverminderd artikel 14 trekt Onze Minister de verplichtstelling
in indien daartoe een aanvraag wordt gedaan door een
beroepspensioenvereniging die voldoet aan artikel 5, eerste lid,
onderdeel b.
2.Onverminderd artikel 14 kan Onze Minister de verplichtstelling
intrekken voor een of meer bepaalde groepen van beroepsgenoten indien:
a. daartoe een aanvraag wordt gedaan door een
beroepspensioenvereniging,
b. die beroepspensioenvereniging een naar het oordeel van de
minister belangrijke meerderheid van die groep of groepen
beroepsgenoten vertegenwoordigt, en
c. deze intrekking niet tot gevolg heeft dat de
verplichtstelling slechts resteert voor beroepsgenoten die in
loondienst werkzaam zijn.
3.De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een
verklaring waaruit blijkt dat wordt voldaan aan het eerste lid.
4.De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, gaat vergezeld van een
verklaring waaruit blijkt dat wordt voldaan aan het tweede lid,
onderdeel b.
5.Artikel 5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6.Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de
aanvragen, bedoeld in het eerste lid en tweede lid, alsmede met
betrekking tot de bij te voegen stukken nadere regels worden gesteld.
Artikel 14. Ambtshalve intrekking van de verplichtstelling
1.In uitzonderlijke gevallen kan Onze Minister de verplichtstelling
ambtshalve voor alle of voor één of meer bepaalde groepen van
deelnemers intrekken.
2.Van een uitzonderlijk geval is in ieder geval sprake indien er
geen bijdragen meer aan de pensioenuitvoerder worden gedaan.
Artikel 15. Waarborgen bij intrekking van de verplichtstelling
1.Bij een besluit tot intrekking van de verplichtstelling geeft
Onze Minister aan per welke datum de verplichtstelling wordt
ingetrokken.
2.In afwijking van artikel 12 en 13 trekt Onze Minister de
verplichtstelling niet in zolang tegen die intrekking overwegende
bezwaren bestaan in verband met de bescherming van de rechten van de
deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en
pensioengerechtigden.
3.Bij de intrekking kunnen door Onze Minister ter bescherming van
de rechten van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere
aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden voorschriften worden
gegeven met betrekking tot hun rechten en verplichtingen.
4.Bij het besluit van intrekking kan Onze Minister voorschrijven
dat de beroepspensioenvereniging binnen zes maanden na dat besluit bij
de toezichthouder een plan voor afbouw indient.
5.Vanaf de dag van publicatie in de Staatscourant van het besluit
tot intrekking van de verplichtstelling worden geen nieuwe deelnemers
tot de beroepspensioenregeling toegelaten.
Artikel 16. Publicatie in de Staatscourant
1.Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van:
a. een aanvraag tot verplichtstelling;
b. een verplichtstelling;
c. een aanvraag betreffende wijziging van de verplichtstelling;
d. een wijziging van de verplichtstelling;
e. een aanvraag tot intrekking van een verplichtstelling;
f. een voornemen tot ambtshalve intrekking van een
verplichtstelling;
g. een intrekking van een verplichtstelling;
h. het niet verder in behandeling nemen van een aanvraag.
2.Bij de mededelingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c,
e en f, vermeldt Onze Minister de termijn waarbinnen zienswijzen tegen
de inhoud van hetgeen is meegedeeld schriftelijk bij hem naar voren
kunnen worden gebracht.
Artikel 17. Detachering
1.Indien tijdens detachering in Nederland de betaling van premies
in een andere lidstaat wordt voortgezet, is de in Nederland
gedetacheerde beroepsgenoot vrijgesteld van de verplichting tot het
betalen van premies in Nederland.
2.Een gedetacheerd beroepsgenoot kan tijdens de detachering blijven
deelnemen aan de beroepspensioenregeling.
Artikel 18. Ontheffing
1.Onverminderd artikel 17 kan onze Minister een persoon die slechts
tijdelijk in Nederland werkzaam is, op aanvraag in een bijzonder,
individueel geval voorwaardelijk of onvoorwaardelijk voor de periode
dat die persoon in Nederland werkzaam is ontheffing verlenen van de
verplichtstelling.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels met betrekking
tot de aanvraag worden gesteld.
Artikel 19. Gemoedsbezwaren
1.Van de verplichtstelling, wordt op zijn aanvraag, door de
pensioenuitvoerder ontheffing verleend aan de persoon die
gemoedsbezwaren heeft tegen iedere vorm van verzekering.
2.Bij ministeriële regeling worden met betrekking tot het eerste
lid nadere regels gesteld. Bij ministeriële regeling worden tevens
regels gesteld betreffende de gevolgen van de ontheffing, alsmede
betreffende de intrekking van de ontheffing.
Artikel 19a. Kaderwet zelfstandige bestuursorganen
De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is niet van toepassing op de
pensioenuitvoerder die een beroepspensioenregeling uitvoert.
Hoofdstuk 3. Eisen met betrekking tot de inhoud en uitvoering van de
beroepspensioenregeling
§ 1. Algemene eisen aan de beroepspensioenregeling
Artikel 20. Reikwijdte van een beroepspensioenregeling
1.Een beroepspensioenregeling is in overwegende mate bestemd voor
zelfstandig werkende beroepsgenoten.
2.Een beroepspensioenregeling bevat in ieder geval een
basispensioenregeling.
3.Een beroepspensioenregeling kan meer dan één beroepsgroep
omvatten of zijn beperkt tot een deel van een beroepsgroep.
Artikel 21. Opstellen en inhoud pensioenreglement
1.De pensioenuitvoerder stelt een pensioenreglement vast in
overeenstemming met de beroepspensioenregeling en de
uitvoeringsovereenkomst.
2.In het pensioenreglement worden in ieder geval bepalingen
opgenomen betreffende:
a. de beroepsgroep of het deel van de beroepsgroep waarvoor de
beroepspensioenregeling geldt;
b. de wijze waarop de pensioenuitvoerder omgaat met inkomende
waarden in het kader van waardeoverdracht;
c. de hoogte van de ruilvoet en de opbouwkeuzevoet, bedoeld in
artikel 72 en 73, en de afkoopvoet, bedoeld in artikel 78; en
d. de kortingsregel, bedoeld inartikel 129.
Artikel 22. Gelijke behandeling deeltijder en jonge beroepsgenoot
1.Uitsluiting van deelneming aan een beroepspensioenregeling op
grond van het aantal uren dat het beroep wordt uitgeoefend, het
gerealiseerde inkomen, het overeengekomen loon of de gerealiseerde
omzet, is niet toegestaan.
2.Uitsluiting van deelneming aan een beroepspensioenregeling op
grond van de leeftijd van een beroepsgenoot is niet toegestaan indien
de beroepsgenoot eenentwintig jaar of ouder is.
3.Het verwerven van pensioenaanspraken op grond van een
beroepspensioenregeling kan, indien in de beroepspensioenregeling is
voorzien in een wachttijd of drempelperiode, met betrekking tot
ouderdomspensioen worden uitgesteld met ten hoogste twee maanden.
Wachttijden of drempelperioden zijn niet toegestaan voor het
nabestaandenpensioen en het arbeidsongeschiktheidspensioen.
4.Elk beding in strijd met het eerste, tweede en derde lid is
nietig.
Artikel 23. Doorsneepremie
1.De premie is voor alle deelnemers gelijk of bedraagt voor alle
deelnemers een gelijk percentage van de gerealiseerde omzet, het
gerealiseerde inkomen of het gerealiseerde loon dan wel van het
gedeelte van de gerealiseerde omzet, het gerealiseerde inkomen of
gerealiseerde loon dat voor de pensioenberekening in aanmerking wordt
genomen, met dien verstande dat er voor verschillende vormen van
pensioen verschillende premies kunnen worden vastgesteld.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. premieregelingen, en
b. premies ten behoeve van vrijwillige pensioenregelingen.
Artikel 24. Voeren van boekhouding
1.De beroepspensioenregeling kan een verplichting voor iedere
deelnemer inhouden tot het bijhouden van een zodanige boekhouding, dat
daaruit de gegevens blijken welke de pensioenuitvoerder nodig heeft
voor de vaststelling van het deelnemerschap en de pensioenaanspraken,
pensioenrechten en verplichtingen van de deelnemer.
2.Iedere deelnemer verleent de pensioenuitvoerder desgevraagd
inzage in de in het eerste lid bedoelde boekhouding en in de
bescheiden die daaraan ten grondslag liggen, voor zover daaruit de in
dat lid bedoelde gegevens zijn af te leiden.
3.Iedere deelnemer verstrekt desgevraagd de inlichtingen welke de
pensioenuitvoerder nodig heeft voor de vaststelling van het
deelnemerschap en de pensioenaanspraken, pensioenrechten en
verplichtingen van die deelnemer.
4.De persoon, die de inzage van de boekhouding en bescheiden en de
verstrekking van de gegevens weigert, kan zich niet met vrucht
beroepen op enige geheimhoudingsplicht, ook al mocht deze hem bij wet
zijn opgelegd.
Artikel 25. Vergunning en kennisgeving grensoverschrijdende
activiteiten
1.Het is een beroepspensioenfonds verboden bijdragen te ontvangen
van een zelfstandige of beroepsgenoot die is gevestigd in een andere
lidstaat dan Nederland:
a. zonder een daartoe door de toezichthouder verleende
vergunning; en
b. zonder de toezichthouder van het voornemen daartoe in kennis
te hebben gesteld, op de wijze, bedoeld in artikel 26, en met
inachtneming vanartikel 190.
2.Voor de toepassing van het eerste lid, artikel 135, derde lid,
onderdeel b, artikel 136, tweede lid, en de paragrafen 4.2 en 4.3
wordt onder het ontvangen van bijdragen verstaan het ontvangen van
bijdragen voor de uitvoering van een pensioenregeling die afkomstig is
uit een andere lidstaat dan de lidstaat waar het beroepspensioenfonds
gevestigd is.
Artikel 26. Vereisten kennisgeving
1.Een beroepspensioenfonds stelt de toezichthouder in kennis van
een voornemen bijdragen te gaan ontvangen van een in een andere
lidstaat gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot.
2.De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van
een opgave van:
a. de lidstaat waar de zelfstandige of beroepsgenoot is
gevestigd;
b. de naam van de in de andere lidstaat gevestigde zelfstandige
of beroepsgenoot; en
c. de voornaamste kenmerken van de beroepspensioenregeling die
voor die zelfstandige of beroepsgenoot zal worden uitgevoerd.
Artikel 27. Naleving toepasselijke sociale en arbeidswetgeving andere
lidstaat
Het beroepspensioenfonds neemt bij de uitvoering van een
beroepspensioenregeling voor een in een andere lidstaat dan Nederland
gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot de op
bedrijfspensioenvoorziening toepasselijke bepalingen van de sociale en
arbeidswetgeving en de voorschriften die krachtens de artikelen 11 en
18, zevende lid, van richtlijn 2003/41/EG moeten worden nageleefd, in
acht. De Nederlandse sociale en arbeidswetgeving is niet van toepassing
op de uitvoering van de beroepspensioenregeling.
§ 1.2. De beroepspensioenregeling
Artikel 28. Karakter beroepspensioenregeling
De beroepspensioenregeling houdt in:
a. een uitkeringsregeling;
b. een kapitaalregeling; of
c. een premieregeling.
Artikel 29. Vaststelling uitkering, kapitaal of premie
De uitkering, het kapitaal en de premie in het kader van een
beroepspensioenregeling worden vastgesteld in Nederlands wettig
betaalmiddel.
Artikel 30. Verlening van toeslagen
In de beroepspensioenregeling wordt bepaald of er toeslagen worden
verleend en, zo ja, wat het ambitieniveau is en welke voorwaarden gelden
bij de toeslagverlening.
Artikel 31. Nadere eisen ouderdomspensioen
1.Indien een beroepspensioenregeling voorziet in een
ouderdomspensioen, wordt in de regeling bepaald dat dat pensioen
levenslang wordt uitgekeerd aan de gepensioneerde, tenzij het
ouderdomspensioen uitsluitend voorziet in een uitkering tot het
bereiken van de pensioenleeftijd op grond van de Algemene Ouderdomswet
of tot het bereiken van de pensioenleeftijd voor het levenslange
ouderdomspensioen.
2.Elk beding in strijd met het eerste lid is nietig.
Artikel 32. Nadere eisen partnerpensioen
1.Indien een beroepspensioenregeling voorziet in een
partnerpensioen ten behoeve van een partner met wie de deelnemer niet
gehuwd is, noch een geregistreerd partnerschap heeft, gelden voor deze
partner ten aanzien van de wijze van vaststelling van het
partnerpensioen dezelfde rechten en plichten als voor een gehuwde of
geregistreerde partner.
2.Elk beding in strijd met het eerste lid is nietig.
Artikel 33. Evenredige verwerving pensioenaanspraken
De verwerving van pensioenaanspraken in het kader van een
uitkeringsregeling of een kapitaalregeling vindt gedurende de deelneming
ten minste evenredig in de tijd plaats.
Artikel 33a. Evenredig doorberekenen van kosten
Het doorberekenen van kosten in het kader van een premieregeling
vindt evenredig in de tijd plaats.
Artikel 34. Behoud aanspraken bij verlaging pensioengevend inkomen
1.In geval van verlaging van de pensioengrondslag van een
beroepsgenoot worden de op grond van de beroepspensioenregeling tot
het tijdstip van verlaging opgebouwde pensioenaanspraken niet
gewijzigd.
2.In geval van verlaging van de pensioengrondslag blijven de
opgebouwde pensioenaanspraken behouden en worden de pensioenaanspraken
vastgesteld overeenkomstig artikel 66.
3.Elk beding in strijd met het eerste of tweede lid is nietig.
§ 1.3. De uitvoeringsovereenkomst
Artikel 35. Eisen inzake inhoud uitvoeringsovereenkomst
1. In de uitvoeringsovereenkomst wordt in ieder geval een regeling
opgenomen met betrekking tot de volgende onderwerpen:
a. de wijze waarop de verschuldigde premie wordt vastgesteld;
b. de wijze waarop en termijnen waarin de verschuldigde premie
moet worden voldaan met inachtneming van artikel 36;
c. de informatie welke door de beroepsgenoot aan de
pensioenuitvoerder wordt verstrekt;
d. de procedures welke gelden bij het niet nakomen van
premiebetalingsverplichtingen;
e. de procedures welke gelden bij het opstellen en wijzigen van
het pensioenreglement in verband met het sluiten en wijzigen van
een beroepspensioenregeling;
f. de voorwaarden waaronder toeslagverlening plaatsvindt;
g. de uitgangspunten en procedures welke gelden ten aanzien van
de besluitvorming over vermogenstekorten en vermogensoverschotten
dan wel winstdeling;
h. de voorwaarden die gelden bij beëindiging van een met een
verzekeraar of premiepensioeninstelling gesloten
uitvoeringsovereenkomst. In deze regeling worden de belangen van
zowel de verzekeraar of de premiepensioeninstelling als de
beroepspensioenvereniging vanuit actuarieel en bedrijfseconomisch
oogpunt op evenwichtige wijze gewaarborgd door rekening te houden
met:
1°. de overige voorwaarden in de uitvoeringsovereenkomst;
2°. de gehanteerde tarieven; en
3°. de winstdelingsvorm.
De regeling kan geen uitsluiting van collectieve
waardeoverdracht inhouden; en
i. de criteria die de premiepensioeninstelling hanteert bij de
keuze voor een verzekeraar voor de inkoop van een
pensioenuitkering.
2. In de uitvoeringsovereenkomst wordt, voor zover overeengekomen,
een regeling opgenomen met betrekking tot de volgende onderwerpen:
a. in geval van premiekorting of terugstorting: de voorwaarden
waaronder sprake is van premiekorting of terugstorting, de wijze
van vaststelling van de hoogte van de premiekorting of
terugstorting en de bestemming ervan;
b. de mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting van de
beroepspensioenregeling na beëindiging van het beroep; of
c. de rechten en verplichtingen met betrekking tot vrijwillige
pensioenregelingen.
Artikel 36. Eisen inzake premiebetaling
In de uitvoeringsovereenkomst wordt vastgelegd hoe de betaling van de
premies door de beroepsgenoot aan de pensioenuitvoerder geschiedt,
waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. een beroepsgenoot voldoet uiterlijk binnen een maand na afloop
van elk kwartaal de premie welke over dat kwartaal is verschuldigd,
aan de pensioenuitvoerder;
b. wanneer de premie op basis van een langere termijn dan een
kwartaal wordt vastgesteld en in rekening gebracht, is deze termijn
ten hoogste gelijk aan een jaar en voldoet de beroepsgenoot
uiterlijk binnen een maand na afloop van elk kwartaal een vierde
gedeelte van de verschuldigde jaarpremie op basis van een schatting
van de pensioenuitvoerder, aan de pensioenuitvoerder; en
c. de totale jaarpremie wordt uiterlijk binnen zes maanden na
afloop van het kalenderjaar voldaan aan de pensioenuitvoerder.
Artikel 37. Premiebetaling bij beëindiging deelneming
De in artikel 36genoemde termijnen gelden niet indien sprake is van
een beëindiging van de deelneming. In dat geval wordt de ten tijde van
de beëindiging nog verschuldigde premie binnen dertien weken voldaan.
Artikel 38. Melding door beroepspensioenfonds inzake
premieachterstand en tekort minimaal vereist eigen vermogen
Een beroepspensioenfonds informeert elk kwartaal schriftelijk de
deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden wanneer sprake is
van een premieachterstand ter grootte van 5% van de totale door het
beroepspensioenfonds te ontvangen jaarpremie en tevens niet voldaan
wordt aan de bij of krachtens artikel 126 geldende eisen inzake het
minimaal vereist eigen vermogen.
Artikel 39. Melding door verzekeraar bij premieachterstand en
gevolgen van premieachterstand
1. Een verzekeraar informeert de deelnemers wanneer de
premieachterstand het noodzakelijk maakt de opbouw van
pensioenaanspraken te beëindigen door premievrijmaking of
pensioenaanspraken zonder premievrije waarde te laten vervallen.
2. Een verzekeraar kan de in het eerste lid bedoelde mededeling aan
de deelnemers pas doen indien hij zich aantoonbaar heeft ingespannen
om de achterstallige premie te innen.
3. De verzekeraar kan op zijn vroegst drie maanden na de in het
eerste lid bedoelde mededeling de opbouw van pensioenaanspraken
beëindigen door premievrijmaking of pensioenaanspraken zonder
premievrije waarde laten vervallen.
4. De premievrijmaking, bedoeld in het derde lid, vindt op zijn
vroegst plaats per de datum die vijf maanden voor het tijdstip van
informeren van de deelnemers is gelegen.
5. De dekking van het arbeidsongeschiktheidsrisico of het
overlijdensrisico blijft volledig in stand tot drie maanden na de in
het eerste lid bedoelde mededeling.
6. Bij de premievrijmaking wordt de verzekering premievrij
voortgezet zonder verrekening van premie en rente met de
pensioenaanspraken. Kosten, voor zover voortvloeiend uit het
premievrij maken, worden evenmin verrekend met de pensioenaanspraken.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een
premiepensioeninstelling.
Artikel 40. Toepasselijk recht
In een uitvoeringsovereenkomst met een verzekeraar met zetel buiten
Nederland waarin bij de totstandkoming of op een later tijdstip wordt
gekozen voor ander dan Nederlands recht, wordt de volgende clausule
opgenomen:
Ongeacht het gekozen rechtsstelsel is ten aanzien van deze
uitvoeringsovereenkomst in ieder geval de Wet verplichte
beroepspensioenregeling van toepassing.
§ 2.1. Taken pensioenuitvoerder
Artikel 41. Algemene taak
Een pensioenuitvoerder heeft tot taak een beroepspensioenregeling uit
te voeren op basis van een uitvoeringsovereenkomst.
Artikel 42. Waarborging goed bestuur
1.Een pensioenuitvoerder richt zijn organisatie zodanig in dat een
goed bestuur is gewaarborgd waardoor er in ieder geval:
a. verantwoording wordt afgelegd aan de aanspraak- en
pensioengerechtigden; waarvoor bij beroepspensioenfondsen een
verantwoordingsorgaan is ingesteld; en
b. intern toezicht is.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het
eerste lid regels worden gesteld. Die regels kunnen in het bijzonder
betrekking hebben op de naleving van in die algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen principes voor goed pensioenfondsbestuur.
Artikel 43. Uitbesteding
1.Indien een pensioenuitvoerder werkzaamheden uitbesteedt aan een
derde draagt hij er zorg voor dat deze derde de bij of krachtens deze
wet gestelde regels, die van toepassing zijn op de uitbestedende
pensioenuitvoerder, naleeft.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen:
a. werkzaamheden worden aangewezen die niet mogen worden
uitbesteed;
b. regels worden gesteld met betrekking tot de uitbesteding in
verband met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens
deze wet bepaalde; en
c. regels worden gesteld met betrekking tot de beheersing van
risico’s die verband houden met de uitbesteding.
Artikel 44. Registreren deelnemingsjaren
1.De pensioenuitvoerder registreert de deelnemingsjaren van de
deelnemers en verstrekt hierover informatie aan de deelnemers en
gewezen deelnemers.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot het eerste lid waaronder de perioden die in
aanmerking komen als deelnemingsjaren.
Artikel 45. Melding arbeidsongeschiktheid
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen meldt de
arbeidsongeschiktheid van een deelnemer aan de pensioenuitvoerder.
2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld ten aanzien
van het eerste lid.
§ 2.2. Informatie en gegevensverstrekking
Artikel 46. Beperking van gegevensverstrekking
1.De pensioenuitvoerder verstrekt gegevens betreffende een
deelnemer, een gewezen deelnemer, een andere aanspraakgerechtigde of
een pensioengerechtigde slechts aan de desbetreffende persoon.
2.Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. er sprake is van een wettelijke verplichting tot
gegevensverstrekking;
b. gegevensverstrekking noodzakelijk is voor de uitvoering van
de beroepspensioenregeling;
c. gegevensverstrekking noodzakelijk is in verband met de
toepassing van de artikelen 81 tot en met 99;
d. het gegevensverstrekking betreft aan de toezichthouder
voorzover deze gegevensverstrekking nodig is voor de vervulling
van zijn krachtens deze wet opgelegde taken, of
e. er sprake is van het verstrekken van naam-, adres- en
woonplaatsgegevens aan verenigingen met volledige
rechtsbevoegdheid die als statutair doel of mede als statutair
doel hebben het behartigen van de belangen van haar leden als
belanghebbenden bij een beroepspensioenregeling.
3.Indien er gegevensverstrekking als bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b of onderdeel e heeft plaatsgevonden, zijn het eerste en
het tweede lid van overeenkomstige toepassing op de persoon of de
rechtspersoon aan wie de gegevens zijn verstrekt.
4.In afwijking van het eerste lid kan een deelnemer, gewezen
deelnemer, een andere aanspraakgerechtigde of een pensioengerechtigde,
de pensioenuitvoerder machtigen zijn gegevens te verstrekken aan een
door hem aan te wijzen derde. De pensioenuitvoerder onthoudt zich
daarbij van suggesties met betrekking tot de aan te wijzen derde.
Artikel 47. Beperking van informatie aan deelnemers
1.Behoudens het geven van algemene informatie, geeft de
pensioenuitvoerder deelnemers, gewezen deelnemers, andere
aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden slechts informatie over
de beroepspensioenregeling die door de pensioenuitvoerder zelf wordt
uitgevoerd.
2.Indien er in verband met de uitvoering van een
beroepspensioenregeling gegevensverstrekking, als bedoeld in artikel
46, tweede lid, onderdeel b, heeft plaatsgevonden, is het eerste lid
van overeenkomstige toepassing op de persoon of de rechtspersoon aan
wie de gegevens zijn verstrekt.
Artikel 48. Informatie over de beroepspensioenregeling
1.De pensioenuitvoerder informeert de deelnemer bij toetreding tot
de beroepspensioenregeling binnen drie maanden schriftelijk over:
a. de inhoud van de basispensioenregeling;
b. de toeslagverlening;
c. het recht van de deelnemer om bij de pensioenuitvoerder het
voor hem geldende pensioenreglement op te vragen;
d. het bestaan van een vrijwillige pensioenregeling;
e. omstandigheden die betrekking hebben op het functioneren van
de pensioenuitvoerder;
f. het recht van de deelnemer om bij de pensioenuitvoerder een
verzoek in te dienen voor een berekening van de effecten van
uitruil op zijn pensioenaanspraak.
2.De pensioenuitvoerder informeert de deelnemer binnen drie maanden
na een wijziging in de beroepspensioenregeling over die wijziging en
de mogelijkheid om het gewijzigde pensioenreglement op te vragen bij
de pensioenuitvoerder.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de inhoud en de wijze van verstrekking van de in dit
artikel bedoelde informatie.
Artikel 49. Verstrekken informatie aan deelnemers jaarlijks
1.De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer jaarlijks:
a. een opgave van de verworven pensioenaanspraken;
b. een opgave van de reglementair te bereiken
pensioenaanspraken;
c. informatie over toeslagverlening; en
d. een opgave van de aan het voorafgaande kalenderjaar toe te
rekenen waardeaangroei van pensioenaanspraken overeenkomstig
artikel 3.127 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop
berustende bepalingen.
2.De in het eerste lid bedoelde informatie wordt verstrekt in de
vorm van een door de pensioenuitvoerders op te stellen uniform
pensioenoverzicht.
3.De in het eerste lid bedoelde informatie kan in afwijking van het
bepaalde inartikel 60 elektronisch ter beschikking worden gesteld
indien de verworven pensioenopbouw minder bedraagt dan het op basis
van artikel 78 bepaalde bedrag, tenzij de deelnemer hiertegen bezwaar
maakt.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde
opgaven en informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 50. Verstrekken informatie aan deelnemers bij beëindiging
deelneming
1.De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer bij beëindiging van
de deelneming:
a. een opgave van de opgebouwde pensioenaanspraken op grond van
artikel 66;
b. informatie over toeslagverlening;
c. informatie die voor de deelnemer specifiek in het kader van
de beëindiging relevant is; en
d. informatie over omstandigheden die betrekking hebben op het
functioneren van de pensioenuitvoerder.
2.De in het eerste lid bedoelde informatie kan in afwijking van het
bepaalde inartikel 60 elektronisch ter beschikking worden gesteld
indien de verworven pensioenopbouw minder bedraagt dan het op basis
van artikel 78 bepaalde bedrag, tenzij de deelnemer hiertegen bezwaar
maakt.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave en
informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 51. Verstrekken informatie aan gewezen deelnemers periodiek
1. De pensioenuitvoerder verstrekt de gewezen deelnemer ten minste
een keer in vijf jaar:
a. een opgave van zijn opgebouwde pensioenaanspraken; en
b. informatie over toeslagverlening.
2. De pensioenuitvoerder informeert de gewezen deelnemer binnen
drie maanden na een wijziging van het toeslagbeleid over die
wijziging.
3. De in het eerste lid bedoelde informatie kan in afwijking van
het bepaalde inartikel 60 elektronisch ter beschikking worden gesteld
indien de verworven pensioenaanspraak minder bedraagt dan het op basis
vanartikel 78 bepaalde bedrag, tenzij de gewezen deelnemer hiertegen
bezwaar maakt.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave en
informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 52. Verstrekken informatie aan gewezen partner bij scheiding
1.De pensioenuitvoerder verstrekt degene die gewezen partner wordt
en een aanspraak verkrijgt op bijzonder partnerpensioen:
a. een opgave van de opgebouwde pensioenaanspraak op
partnerpensioen;
b. informatie over toeslagverlening; en
c. informatie die voor de gewezen partner specifiek van belang
is.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave en
informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 53. Verstrekken informatie aan gewezen partner periodiek
1.De pensioenuitvoerder verstrekt de gewezen partner ten minste een
keer in de vijf jaar:
a. een opgave van zijn opgebouwde aanspraak op partnerpensioen
op grond van artikel 52; en
b. informatie over toeslagverlening.
2.De pensioenuitvoerder informeert de gewezen partner binnen drie
maanden na een wijziging van het toeslagbeleid over die wijziging.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave en
informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 54. Verstrekken informatie aan pensioengerechtigden bij
pensioeningang
1.De pensioenuitvoerder verstrekt degene die pensioengerechtigde
wordt:
a. een opgave van zijn pensioenrecht;
b. een opgave van de opgebouwde aanspraken op
nabestaandenpensioen wanneer de beroepspensioenregeling daarin
voorziet; en
c. informatie over toeslagverlening.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgaven en
informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 55. Verstrekken informatie aan pensioengerechtigden periodiek
1.De pensioenuitvoerder verstrekt de pensioengerechtigde jaarlijks:
a. een opgave van zijn pensioenrecht;
b. een opgave van de opgebouwde aanspraken op
nabestaandenpensioen wanneer de beroepspensioenregeling daarin
voorziet; en
c. informatie over toeslagverlening.
2.De pensioenuitvoerder informeert de pensioengerechtigde binnen
drie maanden na een wijziging van het toeslagbeleid over die
wijziging.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgaven en
informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 56. Verstrekken informatie aan deelnemers inzake vrijwillige
pensioenregeling
1.De pensioenuitvoerder informeert een deelnemer voorafgaand aan de
deelneming in de vrijwillige pensioenregeling over:
a. de inhoud van de vrijwillige pensioenregeling;
b. een opgave van de reglementair te bereiken
pensioenaanspraken uit hoofde van de vrijwillige pensioenregeling;
en
c. de toeslagverlening.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave en
informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 57. Informatie op verzoek
1.De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer, de gewezen
deelnemer, de gewezen partner en de pensioengerechtigde op verzoek:
a. het voor hem geldende pensioenreglement;
b. het jaarverslag en de jaarrekening van de
pensioenuitvoerder;
c. de uitvoeringsovereenkomst;
d. de voor hem relevante informatie over beleggingen; en
e. informatie over andere bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen onderwerpen.
2.De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer, de gewezen
deelnemer en de gewezen partner op verzoek informatie die specifiek
voor hem relevant is waaronder een indicatie van het mogelijk te
bereiken kapitaal op de pensioendatum bij premieregelingen waarbij de
premie wordt belegd en een indicatie van de hoogte van de in te kopen
periodieke uitkeringen bij aanwending van het mogelijk te bereiken
kapitaal bij kapitaalregelingen en premieregelingen.
3.De pensioenuitvoerder verstrekt de gewezen deelnemer op verzoek
een opgave van de hoogte van zijn opgebouwde pensioenaanspraken.
4.De pensioenuitvoerder verstrekt de in het eerste lid bedoelde
informatie op verzoek ook aan vertegenwoordigers van deelnemers, van
gewezen deelnemers, van gewezen partners of van pensioengerechtigden.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in dit artikel bedoelde informatie en de
wijze waarop deze wordt verstrekt.
Artikel 58. Verstrekken informatie bij vertrek naar een andere
lidstaat
1.De pensioenuitvoerder verstrekt deelnemers, gewezen deelnemers en
gepensioneerden die zich in een andere lidstaat vestigen informatie
over hun pensioenaanspraken en pensioenrechten en over de
mogelijkheden die hun op grond van de pensioenregeling worden geboden.
2.De informatie die op grond van het eerste lid wordt verstrekt is
ten minste overeenkomstig de informatie die wordt verstrekt aan
deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden die in Nederland
blijven.
Artikel 59. Informatie tijdig en duidelijk
1.De pensioenuitvoerder verstrekt de informatie, bedoeld in de
artikelen 48 tot en met 58, tijdig en de informatie, bedoeld in de
artikelen 48 tot en met 56,57, eerste lid, onderdeel d, tweede tot en
met vierde lid, en 58 in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen.
2.De informatie over toeslagverlening, bedoeld in deartikelen 48
tot en met 56, wordt in ieder geval uitgedrukt in een kwalitatieve en
beeldende maatstaf.
3.De in het tweede lid bedoelde maatstaf houdt in ieder geval
rekening met:
a. de verwachtingen ten aanzien van de toekomstige
toeslagverlening, zoals deze uit de continuïteitsanalyse volgen
en welke onderdeel zijn van de voorwaardelijkheidsverklaring,
bedoeld in artikel 103; en
b. de te verwachten toeslagverlening in de pensioenregeling
afgezet tegen het minimale percentage van het gemiddelde
prijsindexcijfer, bedoeld in artikel 139, eerste lid, onderdeel a.
4.Onze Minister kan regels stellen ten aanzien van het tweede en
derde lid.
Artikel 60. Informatie schriftelijk tenzij
De pensioenuitvoerder verstrekt de informatie schriftelijk, tenzij de
deelnemer, gewezen deelnemer, pensioengerechtigde of gewezen partner
instemt met elektronische verstrekking.
Artikel 61. Verstrekken informatie door pensioenuitvoerder
1.De pensioenuitvoerder kan zich voor het schriftelijk verstrekken
van de informatie, bedoeld in de artikelen 49 tot en met 55, houden
aan het laatst hem bekende adres van de deelnemer, gewezen deelnemer,
pensioengerechtigde of gewezen partner.
2.Indien dit adres onjuist blijkt te zijn doet de
pensioenuitvoerder navraag bij de gemeentelijke basisadministratie in
de laatst bekende woonplaats van de deelnemer, gewezen deelnemer,
pensioengerechtigde of gewezen partner.
3.Indien de pensioenuitvoerder kosten maakt in verband met
werkzaamheden die voortvloeien uit het feit dat de deelnemer, gewezen
deelnemer, pensioengerechtigde of gewezen partner verzuimd heeft de
pensioenuitvoerder omtrent een wijziging van adres te informeren, kan
de pensioenuitvoerder deze kosten bij deze in rekening brengen, maar
kunnen deze kosten niet direct in mindering worden gebracht op de
uitkering.
4.Indien het bij de pensioenuitvoerder bekende adres voor de
elektronische verstrekking van informatie onjuist blijkt, verstrekt de
pensioenuitvoerder de informatie schriftelijk.
Artikel 62
1. Er is een pensioenregister, ingericht en in stand gehouden door
de pensioenuitvoerders, dat tot doel heeft op duidelijke en
begrijpelijke wijze de aanspraakgerechtigde in de gelegenheid te
stellen gegevens over zijn pensioenaanspraken te raadplegen. Onder
pensioenaanspraken in de zin van dit artikel wordt tevens verstaan
aanspraken op ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet.
2. De pensioenuitvoerder verstrekt op verzoek van de
aanspraakgerechtigde tijdig zijn gegevens met betrekking tot
pensioenaanspraken door middel van het pensioenregister.
3. De Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, verstrekt op verzoek
van de aanspraakgerechtigde tijdig zijn gegevens over
verzekeringstijdvakken en daarop gebaseerde aanspraak op
ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet door middel
van het pensioenregister.
4. De gegevens die op grond van het tweede en derde lid worden
verstrekt door middel van het pensioenregister worden in dat kader
uitsluitend gebruikt voor het in het eerste lid omschreven doel.
5. Een door Onze Minister aan te wijzen instelling ontwikkelt en
beheert het pensioenregister en draagt zorg voor de tijdige verwerking
van de gegevens, bedoeld in het tweede en derde lid, en het goed
functioneren van het pensioenregister.
6. De instelling, bedoeld in het vijfde lid, is bewerker in de zin
van de Wet bescherming persoonsgegevens voor het verwerken van de
gegevens die door de pensioenuitvoerders en de Sociale
verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, door middel van het
pensioenregister worden verstrekt.
7. De instelling, bedoeld in het vijfde lid, stelt in verband met
haar rol als bewerker als bedoeld in het zesde lid een reglement vast
waarin regels worden gesteld met betrekking tot het ontwikkelen en
beheren van het pensioenregister. Dit reglement bevat in ieder geval
regels over de gegevens die verstrekt worden, de wijze waarop deze
gegevens verstrekt worden en de bekostiging en beveiliging van het
pensioenregister.
8. Het reglement alsmede elke wijziging daarvan behoeft de
goedkeuring van Onze Minister.
9. Hetgeen bij of krachtens hoofdstuk 6 van toepassing is bij het
toezicht op de uitvoering van dit artikel door pensioenuitvoerders is
van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van dit artikel door
de instelling, bedoeld in het vijfde lid.
§ 3. Opbouw, financiering en aanspraken
Artikel 63. Zorgplicht pensioenuitvoerder bij premieregelingen met
beleggingsvrijheid
1.Bij de uitvoering van een premieregeling met beleggingsvrijheid
is de pensioenuitvoerder verantwoordelijk voor de beleggingen en
handelt daarbij overeenkomstigartikel 130.
2.De pensioenuitvoerder biedt de deelnemer en de gewezen deelnemer
de mogelijkheid de verantwoordelijkheid voor de beleggingen over te
nemen.
3.Indien de deelnemer of de gewezen deelnemer de
verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen, adviseert
de pensioenuitvoerder de deelnemer of de gewezen deelnemer over de
spreiding van de beleggingen in relatie tot de duur van de periode tot
pensioendatum, waarbij het beleggingsrisico kleiner wordt naarmate de
pensioendatum nadert.
4.De pensioenuitvoerder onderzoekt ten minste een keer per jaar of
de
beleggingen van de deelnemer of gewezen deelnemer zich binnen de op
basis van het derde lid gestelde grenzen bevinden en informeert de
deelnemer en de gewezen deelnemer hierover.
5.Afdeling 4.2.3 van de Wet op het financieel toezicht is van
overeenkomstige toepassing op de in dit artikel bedoelde
premieovereenkomsten ingeval de deelnemer of gewezen deelnemer de
verantwoordelijkheid over de beleggingen heeft overgenomen.
6.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
gesteld worden met betrekking tot dit artikel.
Artikel 64. Verstrekken uitkeringen (in andere lidstaten)
De pensioenuitvoerder betaalt de uitkering uit hoofde van een
pensioenrecht op verzoek van de pensioengerechtigde in een andere
lidstaat van de Europese Unie dan de lidstaat waar die
pensioenuitvoerder is gevestigd, waarbij transactiekosten op de
uitkering uit hoofde van het pensioenrecht in mindering kunnen worden
gebracht.
Artikel 65. Uitvoeren vrijwillige voortzetting
1. Een pensioenuitvoerder kan voor de deelnemer die gewezen
beroepsgenoot wordt een vrijwillige voortzetting van de
beroepspensioenregeling uitvoeren indien de vrijwillige voortzetting
gedurende ten hoogste drie jaar vanaf de beëindiging van het beroep
voortduurt.
2. In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van tien jaar
voor zover de genoemde gewezen beroepsgenoot, aansluitend aan de
beëindiging van het beroep, gedurende die periode winst uit
onderneming geniet als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
3. Van de in het eerste lid genoemde termijn kan worden afgeweken
indien het beëindigen van het beroep van die deelnemer wordt
veroorzaakt door arbeidsongeschiktheid. De periode waarin sprake kan
zijn van vrijwillige voortzetting is dan ten hoogste drie jaar of de
duur van de arbeidsongeschiktheid indien deze langer is.
4. De vrijwillige voortzetting begint uiterlijk negen maanden na
beëindiging van het beroep. Artikel 22, derde lid, is niet van
toepassing op de periode vanaf de beëindiging van het beroep tot het
begin van de vrijwillige voortzetting.
Artikel 66. Behoud aanspraak op pensioen bij beëindiging deelneming
1. Bij beëindiging van de deelneming behoudt de gewezen deelnemer
de tot dat moment opgebouwde pensioenaanspraken indien er sprake is
van een uitkeringsregeling of een kapitaalregeling. Deze
pensioenaanspraak dient volledig gefinancierd te zijn op het moment
van beëindiging. In geval van premievrijmaking op grond van artikel
39, vierde lid, wordt daarmee bij de vaststelling van de opgebouwde
aanspraken rekening gehouden.
2. Bij een premieregeling wordt bij beëindiging van de deelneming
de vaststelling van de pensioenaanspraken als volgt uitgevoerd: het
tot op dat moment ontstane kapitaal voortvloeiend uit de tot de
beëindiging beschikbaar gestelde premies wordt:
a. belegd tot de pensioendatum;
b. aangewend voor de aankoop van een verzekerd kapitaal dat
beschikbaar komt op de pensioendatum; of
c. aangewend voor een verzekerde levenslange uitkering vanaf de
pensioendatum, al dan niet in combinatie met een aanspraak op
nabestaandenpensioen.
3. Indien de opzet van de premieregeling zodanig is dat de
beschikbaar gestelde premie direct, en niet pas bij de beëindiging
van de deelneming, wordt aangewend voor een uitkering of kapitaal, dan
geldt het eerste lid.
4. Deelnemers en andere aanspraakgerechtigden die na beëindiging
van de deelneming aan een beroepspensioenregeling naar een andere
lidstaat van de Europese Unie verhuizen behouden hun pensioenaanspraak
in dezelfde mate als deelnemers en andere aanspraakgerechtigden die na
beëindiging van de deelneming in Nederland blijven.
5. Indien de pensioenregeling voorziet in een partnerpensioen op
risicobasis behoudt de deelnemer, die na beëindiging van de
deelneming recht heeft op een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet gedurende de periode dat hij de uitkering ontvangt,
aanspraak op partnerpensioen ten behoeve van zijn partner. De hoogte
van het partnerpensioen wordt vastgesteld alsof hetzelfde pensioen op
opbouwbasis zou zijn overeengekomen, waarbij rekening wordt gehouden
met het partnerpensioen verkregen op grond van artikel 73. Dit lid is
van overeenkomstige toepassing op de deelnemer, die na beëindiging
van de deelneming recht heeft op werkloosheidsuitkering van zijn
woonland.
Artikel 67. Behoud aanspraak op partnerpensioen bij verlof
Indien de pensioenregeling voorziet in een partnerpensioen is het
opnemen van onbetaald verlof tot een maximum van 18 maanden door de
deelnemer tijdens de deelneming niet van invloed op de dekking uit
hoofde van het partnerpensioen.
Artikel 68. Behoud aanspraak in geval van scheiding
1.Indien de partnerrelatie van een deelnemer eindigt door scheiding
verkrijgt de gewezen partner van de deelnemer een zodanige aanspraak
op partnerpensioen als de deelnemer ten behoeve van die gewezen
partner zou hebben behouden indien op het tijdstip van scheiding zijn
deelneming zou zijn geëindigd.
2.Indien de partnerrelatie van een gewezen deelnemer eindigt door
scheiding, en de gewezen deelnemer ten behoeve van die partner een
aanspraak op partnerpensioen heeft behouden bij beëindigen van de
deelneming, gaat de aanspraak over op de gewezen partner van de
gewezen deelnemer.
3.Indien de partnerrelatie van een gepensioneerde eindigt door
scheiding, en de gepensioneerde ten behoeve van die partner een
aanspraak op partnerpensioen heeft behouden bij het ingaan van het
ouderdomspensioen, gaat die aanspraak over op de gewezen partner van
de gepensioneerde.
4.Het eerste, tweede en derde lid, vindt geen toepassing indien de
partners bij voorwaarden in verband met de partnerrelatie of een
schriftelijk gesloten overeenkomst met betrekking tot de scheiding
anders overeenkomen. Deze voorwaarden of overeenkomst zijn
respectievelijk is slechts geldig indien de pensioenuitvoerder zich
bereid heeft verklaard hiermee in te stemmen en bereid is een uit de
afwijking voortvloeiend risico te dekken dan wel het niveau van de
uitkering aan te passen.
5.Een gewezen partner met een recht op bijzonder partnerpensioen
als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, heeft het recht dit te
vervreemden aan een eerdere of latere partner van de overleden
deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde, mits:
a. de pensioenuitvoerder bereid is een eventueel uit die
overdracht voortvloeiende wijziging van het risico te dekken;
b. de vervreemding onherroepelijk is; en
c. dit wordt overeengekomen bij notarieel verleden akte.
Artikel 69. Gelijke behandeling bij toeslagen
1.Indien een ouderdomspensioenrecht van een gepensioneerde die geen
gewezen deelnemer is geweest wordt verhoogd door middel van een
toeslag, wordt het ouderdomspensioenrecht van een gepensioneerde die
wel gewezen deelnemer is geweest in dezelfde mate verhoogd indien zij
in dezelfde beroepspensioenregeling hebben deelgenomen.
2.Indien een recht op partnerpensioen van de partner van een
overleden gepensioneerde die geen gewezen deelnemer is geweest wordt
verhoogd door middel van een toeslag, worden de
partnerpensioenrechten:
a. ten behoeve van de partners van overleden gepensioneerden
die gewezen deelnemer zijn geweest;
b. ten behoeve van de partners van overleden gewezen
deelnemers;
c. ten behoeve van de partners van overleden deelnemers; en
d. van de gewezen partners met een bijzonder partnerpensioen;
in dezelfde mate verhoogd, mits deze rechten voortvloeien uit
dezelfde beroepspensioenregeling als die van de overleden
gepensioneerde die geen gewezen deelnemer is geweest.
3.Indien een ouderdomspensioenrecht wordt verhoogd door middel van
een toeslag, wordt de aanspraak op ouderdomspensioen van een gewezen
deelnemer die in dezelfde beroepspensioenregeling heeft deelgenomen in
dezelfde mate verhoogd.
4.Indien een aanspraak op partnerpensioen van een gepensioneerde
die geen gewezen deelnemer is geweest wordt verhoogd door middel van
een toeslag, worden de partnerpensioenaanspraken:
a. ten behoeve van de partner van een gepensioneerde die wel
gewezen deelnemer is geweest;
b. ten behoeve van de partner van een gewezen deelnemer; en
c. van de gewezen partner van de gewezen deelnemer met een
bijzonder partnerpensioen;
in dezelfde mate verhoogd, mits deze aanspraken voortvloeien uit
dezelfde beroepspensioenregeling als die van de gepensioneerde die
geen gewezen deelnemer is geweest.
5.Bij de verlening van toeslagen op partnerpensioen wordt geen
onderscheid gemaakt tussen partners.
6.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gewezen deelnemer
niet verstaan de werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van
de Wet privatisering FVP die recht heeft op een bijdrage van de
Stichting Financiering Voortzetting Pensioenverzekering.
Artikel 70. Geen verjaring ten gunste van pensioenuitvoerder
Een rechtsvordering tegen een pensioenuitvoerder tot het doen van een
uitkering verjaart niet bij leven van de pensioengerechtigde.
Artikel 71. Gedeeltelijke toepasselijkheid bij pensioenverevening
Op een pensioenaanspraak die of een pensioenrecht dat een tot
verevening gerechtigde echtgenoot of geregistreerde partner op grond van
artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding verwerft,
zijn de artikelen 69, 73, 82 tot en met 85, 87, 88 en 93 tot en met 97
niet van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Uitruil, afkoop, waardeoverdracht
Artikel 72. Keuzerecht hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen
1.Indien een beroepspensioenregeling voorziet in de opbouw van een
ouderdomspensioen en een partnerpensioen, biedt de
beroepspensioenregeling aan de deelnemer of gewezen deelnemer met
betrekking tot perioden van opbouw vanaf 1 januari 2006, ongeacht zijn
burgerlijke staat, het recht in elk geval met ingang van de datum
waarop het ouderdomspensioen ingaat of kan ingaan, in plaats van
partnerpensioen te kiezen voor één van de volgende wijzigingen van
het ouderdomspensioen:
a. een hoger ouderdomspensioen;
b. een eerder ingaand ouderdomspensioen; of
c. een hoger en een eerder ingaand ouderdomspensioen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op de aanspraak op
bijzonder partnerpensioen van de gewezen partner.
3.Indien er in de beroepspensioenregeling geen recht op de
keuzemogelijkheid als bedoeld in het eerste lid is opgenomen heeft de
deelnemer of gewezen deelnemer het recht om te kiezen voor één van
deze mogelijkheden.
4.De pensioenuitvoerder waarborgt dat bij gebruikmaking van het
keuzerecht geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen
door vaststelling van een ruilvoet of opbouwkeuzevoet.
5.De pensioenuitvoerder waarborgt bij de vaststelling van een
ruilvoet of opbouwkeuzevoet dat voldaan wordt aan het vereiste van
collectieve actuariële gelijkwaardigheid hetgeen inhoudt dat de
collectieve actuariële waarde van het ouderdomspensioen, bedoeld in
het eerste lid, dat wordt gekozen in plaats van het partnerpensioen,
bedoeld in het eerste lid, ongeacht de datum waarop de keuze wordt
gemaakt, ten minste gelijkwaardig is aan de op dezelfde grondslagen
berekende collectieve actuariële waarde van dat partnerpensioen.
6.Bij de keuze, bedoeld in het eerste of derde lid, is de
toestemming vereist van de partner die begunstigde is voor het in het
eerste lid bedoelde partnerpensioen.
7.Het vierde en vijfde lid zijn van toepassing op
pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2007 zijn opgebouwd.
8.Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid
pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije
voortzetting van die pensioenaanspraken worden opgebouwd, is het
eerste lid van toepassing indien het recht op die premievrije
voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2006.
9.In afwijking van het zevende lid kunnen het vierde en vijfde lid
van toepassing zijn op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1
januari 2007 indien dit is overeengekomen in de pensioenregeling.
10.Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
11.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot het eerste tot en met het vijfde lid.
Artikel 73. Keuzerecht uitruil ouderdomspensioen in partnerpensioen
1. Indien een beroepspensioenregeling voorziet in een
ouderdomspensioen, heeft de deelnemer of gewezen deelnemer het recht,
in plaats van ouderdomspensioen of een deel van het ouderdomspensioen,
te kiezen voor partnerpensioen in elk geval:
a. bij beëindiging van de deelneming; en
b. met ingang van de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat
of kan ingaan;
waarbij de hoogte van het partnerpensioen maximaal 70 percent
bedraagt van het ouderdomspensioen dat na de uitruil resteert.
2. Indien een beroepspensioenregeling voorziet in een
ouderdomspensioen, biedt de pensioenuitvoerder de deelnemer bij
beëindiging van de deelneming en in het laatste jaar voor ingang van
het ouderdomspensioen standaard de mogelijkheid, genoemd in het eerste
lid, aan.
3. De pensioenuitvoerder waarborgt dat bij gebruikmaking van het
keuzerecht geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen
door vaststelling van een ruilvoet of opbouwkeuzevoet.
4. De pensioenuitvoerder waarborgt bij de vaststelling van een
ruilvoet of opbouwkeuzevoet dat voldaan wordt aan het vereiste van
collectieve actuariële gelijkwaardigheid hetgeen inhoudt dat de
collectieve actuariële waarde van het partnerpensioen, bedoeld in het
eerste lid, dat wordt gekozen in plaats van het ouderdomspensioen,
bedoeld in het eerste lid, ongeacht de datum waarop de keuze wordt
gemaakt, ten minste gelijkwaardig is aan de op dezelfde grondslagen
berekende collectieve actuariële waarde van dat ouderdomspensioen.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de inhoud van de keuzemogelijkheid, de
wijze waarop de keuzemogelijkheid wordt geboden en de collectieve
actuariële gelijkwaardigheid, bedoeld in het vierde lid.
6. De in het eerste lid omschreven mogelijkheid heeft geen
betrekking op het deel van een ouderdomspensioen waarop een recht op
uitbetaling rust als bedoeld in artikel 2 van de Wet verevening
pensioenrechten bij scheiding.
7. Indien de deelnemer of gewezen deelnemer niet binnen de door de
pensioenuitvoerder gestelde termijn reageert op de keuzemogelijkheid
die hem ingevolge het tweede lid in het laatste jaar voor de ingang
van het ouderdomspensioen is aangeboden, gaat de pensioenuitvoerder
over tot het uitruilen van het ouderdomspensioen in partnerpensioen
indien:
a. de beroepspensioenregeling niet voorziet in een aanspraak op
partnerpensioen vanaf de datum waarop het ouderdomspensioen
ingaat; en
b. de deelnemer of gewezen deelnemer gehuwd is of een
geregistreerde partnerrelatie heeft.
8. In de beroepspensioenregeling wordt bepaald wat de verhouding is
tussen ouderdomspensioen en partnerpensioen na uitruil als bedoeld in
het zevende lid.
9. Indien de uitruil, bedoeld in het zevende lid, ertoe zou leiden
dat het ouderdomspensioen op jaarbasis lager wordt dan het op grond
van artikel 78 bepaalde bedrag wordt de in het achtste lid bedoelde
verhouding tussen ouderdomspensioen en partnerpensioen zodanig
aangepast dat het ouderdomspensioen op jaarbasis meer bedraagt dan het
op grond van artikel 78 bepaalde bedrag.
10. Indien een beroepspensioenregeling voorziet in een
partnerpensioen op risicobasis kan in de beroepspensioenregeling
worden bepaald dat het zevende lid, aanhef en onderdeel b, van
overeenkomstige toepassing is bij beëindiging van de deelneming. Het
achtste en negende lid is van toepassing.
Artikel 74. Keuzemogelijkheden andere vormen van uitruil
1.Indien de beroepspensioenregeling de deelnemer of gewezen
deelnemer de mogelijkheid biedt:
a. in plaats van een bepaald soort pensioen geheel of
gedeeltelijk te kiezen voor een ander soort pensioen, dan het
pensioen, bedoeld in de artikelen 72 en 73;
b. de ingangsdatum van het ouderdomspensioen te vervroegen of
uit te stellen;
c. de hoogte van het ouderdomspensioen te laten variëren; of
d. tot een keuze anders dan bedoeld in de voorgaande
onderdelen,
waarborgt de pensioenuitvoerder dat bij gebruikmaking van de
keuzemogelijkheid geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en
vrouwen door vaststelling van een ruilvoet of opbouwkeuzevoet per
keuzerecht die voldoet aan het vereiste van collectieve actuariële
gelijkwaardigheid.
2.Bij gebruikmaking van een in het eerste lid bedoelde
keuzemogelijkheid is de toestemming vereist van de partner die
begunstigde is voor partnerpensioen indien de hoogte daarvan door
gebruikmaking van de keuzemogelijkheid wordt verlaagd.
3.Het eerste lid is van toepassing op pensioenaanspraken die vanaf
1 januari 2007 zijn opgebouwd.
4.Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid
pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije
voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd, is het eerste lid
van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is
ontstaan op of na 1 januari 2006.
5.In afwijking van het derde lid kan het eerste lid van toepassing
zijn op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1 januari 2007
indien dit is overeengekomen in de beroepspensioenregeling.
6.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 75. Variatie hoogte pensioenuitkering
1.De hoogte van een pensioen kan na ingang variëren mits:
a. de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75% van de
hoogste uitkering; en
b. de mate van variatie uiterlijk op de ingangsdatum van het
pensioen wordt vastgesteld.
2.Voor de toepassing van het eerste lid blijft in de periode tussen
de ingangsdatum van het pensioen en het bereiken van de 65-jarige
leeftijd, van de uitkering buiten aanmerking het gedeelte dat
overeenkomt met het bedrag bedoeld in artikel 18d, derde lid, van de
Wet op de loonbelasting 1964.
Artikel 76. Verbod van vervreemding en mogelijkheid van volmacht
1.Vervreemding of elke andere handeling, waardoor de
aanspraakgerechtigde of de pensioengerechtigde enig recht op zijn
pensioenaanspraken of pensioenrechten aan een ander toekent is nietig,
tenzij:
a. verpanding plaatsvindt voor het verlenen van zekerheid voor
het verkrijgen van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 25,
vijfde lid, van de Invorderingswet 1990;
b. vervreemding plaatsvindt op grond van artikel 68, vijfde
lid;
c. verevening plaatsvindt op basis van de Wet verevening
pensioenrechten bij scheiding;
d. in het kader van een verrekening van pensioenrechten bij
scheiding in plaats van de aanspraakgerechtigde of de
pensioengerechtigde diens gewezen partner respectievelijk diens
partner wordt aangewezen als begunstigde voor het geheel of een
deel van het ouderdomspensioen, mits de pensioenuitvoerder hiermee
instemt; of
e. in het kader van een verrekening van pensioenrechten bij
scheiding de waarde van het geheel of een deel van het
ouderdomspensioen van de aanspraakgerechtigde of de
pensioengerechtigde bij dezelfde pensioenuitvoerder wordt
aangewend voor een ouderdomspensioen op het leven van diens
gewezen partner respectievelijk diens partner, mits de
pensioenuitvoerder hiermee instemt.
2.Een volmacht tot invordering van uitkeringen uit hoofde van een
pensioenrecht, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is
steeds herroepelijk.
Artikel 77. Afkoop
1. Afkoop is slechts mogelijk in bij of krachtens de artikelen 78
tot en met 80 en 129 bedoelde situaties of in geval van toepassing van
artikel 3:161 van de Wet op het financieel toezicht.
2. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
Artikel 78. Afkoop klein ouderdomspensioen bij beëindiging
deelneming
1. De pensioenuitvoerder heeft het recht om op zijn vroegst twee
jaar na beëindiging van de deelneming pensioenaanspraken van een
gewezen deelnemer af te kopen, indien op basis van de tot het tijdstip
van beëindiging opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen de
uitkering van het ouderdomspensioen op jaarbasis op de reguliere
ingangsdatum minder zal bedragen dan€ 400 [Red: per 1 januari 2012:
€ 438,44] per jaar, tenzij:
a. dit recht op afkoop in de beroepspensioenregeling en
uitvoeringsovereenkomst is beperkt of uitgesloten; of
b. de gewezen deelnemer binnen twee jaar na beëindiging van de
deelneming een procedure tot waardeoverdracht is gestart.
2. Indien de reguliere ingangsdatum van het ouderdomspensioen ligt
voor het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn van
twee jaar, heeft de pensioenuitvoerder het recht om bij de ingang van
het ouderdomspensioen een aanspraak op ouderdomspensioen en eventuele
andere aanspraken ten behoeve van de gepensioneerde of zijn
nabestaanden af te kopen, indien de uitkering van het
ouderdomspensioen op de ingangsdatum minder bedraagt dan € 400 [Red:
per 1 januari 2012: € 438,44] per jaar.
3. De pensioenuitvoerder die gebruik wil maken van het in het
eerste lid bedoelde recht informeert de gewezen deelnemer over zijn
besluit hieromtrent binnen zes maanden na afloop van de periode van
twee jaar na beëindiging van de deelneming en gaat over tot de
uitbetaling van de afkoopwaarde binnen die termijn van zes maanden.
4. De pensioenuitvoerder die gebruik wil maken van het in het
tweede lid bedoelde recht informeert de gepensioneerde over zijn
besluit hieromtrent binnen zes maanden na de ingang van het pensioen
en gaat over tot de uitbetaling van de afkoopwaarde binnen die termijn
van zes maanden.
5. De pensioenuitvoerder stelt de afkoopwaarde van de
pensioenaanspraken ter beschikking aan de gewezen deelnemer dan wel de
gepensioneerde, met uitzondering van de afkoopwaarde van een bijzonder
partnerpensioen, die ter beschikking wordt gesteld aan de gewezen
partner.
6. De pensioenuitvoerder betaalt de uitkering op de dag dat de
aanspraken of rechten vervallen in verband met de afkoop.
7. De pensioenuitvoerder kan na de in het derde lid bedoelde
termijn van 2 jaar en zes maanden afkopen indien:
a. de gewezen deelnemer of gepensioneerde daarmee instemt; en
b. de hoogte van het ouderdomspensioen op jaarbasis per 1
januari van dat jaar lager is dan het in het eerste lid bedoelde
grensbedrag.
8. Het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag wordt bij
regeling van Onze Minister telkens herzien met ingang van 1 januari op
basis van de consumentenprijsindex Alle Huishoudens, zoals berekend
door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De herziening wordt
bepaald door de procentuele wijziging die dat indexcijfer over de
maand oktober, voorafgaand aan de aanpassing heeft ondergaan ten
opzichte van de maand oktober van het daaraan voorafgaande jaar.
9. De pensioenuitvoerder waarborgt met betrekking tot perioden van
opbouw vanaf 1 januari 2007 bij de vaststelling van de afkoopwaarde
door vaststelling van een afkoopvoet dat geen onderscheid gemaakt
wordt tussen mannen en vrouwen waarbij voldaan wordt aan het vereiste
van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.
10. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
11. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen er
nadere regels worden gesteld aan het vaststellen van de afkoopwaarde,
bedoeld in het zesde lid.
Artikel 79. Afkoop klein partnerpensioen of wezenpensioen bij ingang
1.De pensioenuitvoerder heeft jegens de nabestaanden het recht om
een recht op partnerpensioen of wezenpensioen ten behoeve van de
nabestaanden van dezelfde deelnemer, gewezen deelnemer of
gepensioneerde af te kopen, indien de uitkering van het
partnerpensioen of wezenpensioen op jaarbasis op de ingangsdatum
minder bedraagt dan het op basis van artikel 78 bepaalde bedrag,
tenzij dit recht op afkoop in de beroepspensioenregeling en
uitvoeringsovereenkomst is beperkt of uitgesloten.
2.De pensioenuitvoerder die gebruik maakt van het in het eerste lid
bedoelde recht informeert de nabestaande hierover binnen zes maanden
na de ingangsdatum en gaat binnen die termijn over tot uitbetaling van
de afkoopwaarde aan de nabestaande.
3.De pensioenuitvoerder kan na de in het tweede lid bedoelde
termijn het partnerpensioen of wezenpensioen afkopen indien:
a. de nabestaande daarmee instemt; en
b. indien de hoogte van het partnerpensioen of wezenpensioen op
jaarbasis per 1 januari van dat jaar lager is dan het op basis van
artikel 78 bepaalde bedrag.
4.Artikel 78, zesde en negende tot en met elfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 80. Afkoop klein bijzonder partnerpensioen bij scheiding
1.De pensioenuitvoerder heeft jegens de gewezen partner het recht
om een aanspraak op bijzonder partnerpensioen af te kopen indien de
uitkering van het partnerpensioen op jaarbasis op de ingangsdatum
minder zal bedragen dan het op basis van artikel 78bepaalde bedrag,
tenzij dit recht op afkoop in de beroepspensioenregeling en
uitvoeringsovereenkomst is beperkt of uitgesloten.
2.De pensioenuitvoerder die gebruik maakt van het in het eerste lid
bedoelde recht informeert de gewezen partner hierover binnen zes
maanden na de melding van de scheiding en gaat binnen die termijn over
tot uitbetaling van de afkoopwaarde aan de gewezen partner.
3.De pensioenuitvoerder kan na de in het tweede lid bedoelde
termijn afkopen indien:
a. de gewezen partner daarmee instemt; en
b. indien de hoogte van het partnerpensioen op jaarbasis per 1
januari van dat jaar lager is dan het op basis van artikel 78
bepaalde bedrag.
4.Artikel 78, zesde en negende tot en met elfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 81. Begrip en reikwijdte waardeoverdracht
1. Voor de toepassing van de artikelen 82 tot en met 100 wordt
onder ontvangende pensioenuitvoerder mede verstaan:
1°. een pensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet; en
2°. de Stichting Notarieel pensioenfonds, bedoeld in artikel
113a, eerste lid, van de Wet op het notarisambt.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen instellingen worden
aangewezen jegens wie een pensioenuitvoerder een verplichting tot
waardeoverdracht heeft.
3. Waardeoverdracht is slechts mogelijk in de in deartikelen 82 tot
en met 100 bedoelde situaties.
4. Voor de toepassing van de artikelen 82 tot en met 100 wordt
onder een beroepspensioenfonds dat optreedt als ontvangende
pensioenuitvoerder mede verstaan een pensioenfonds als bedoeld in
artikel 1 van de Pensioenwet of de Stichting Notarieel pensioenfonds,
bedoeld in artikel 113a, eerste lid, van de Wet op het notarisambt.
Artikel 82. Plicht tot waardeoverdracht op verzoek gewezen deelnemer
bij wisseling van beroepspensioenregeling of indiensttreding bij een
werkgever
1.De pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek van de
gewezen deelnemer tot waardeoverdracht de overdrachtswaarde van diens
pensioenaanspraken over te dragen indien:
a. er sprake is van een individuele beëindiging van de
deelneming; en
b. die waardeoverdracht ertoe strekt het de gewezen deelnemer
mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij de
ontvangende pensioenuitvoerder van de nieuwe
beroepspensioenregeling of de werkgever;
tenzij sprake is van een van de in de artikelen 83 en 84 omschreven
situaties.
Indien het verzoek van de gewezen deelnemer tot waardeoverdracht
partnerpensioen betreft is voor de waardeoverdracht van dit
partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde is voor
het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
2.De ontvangende pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek
tot waardeoverdracht van een deelnemer de overdrachtswaarde aan te
wenden ter verwerving van pensioenaanspraken voor die deelnemer.
3.De plicht van de overdragende pensioenuitvoerder om de waarde
rechtstreeks over te dragen en de plicht van de ontvangende
pensioenuitvoerder om de waarde aan te wenden ontstaat indien de
deelnemer binnen zes maanden na aanvang van de verwerving van
pensioenaanspraken in de door de ontvangende pensioenuitvoerder
uitgevoerde pensioenregeling een opgave heeft gevraagd van zijn
pensioenaanspraken aan de ontvangende pensioenuitvoerder en daarna het
verzoek tot waardeoverdracht doet aan de ontvangende
pensioenuitvoerder.
4.De ontvangende pensioenuitvoerder waarborgt dat de actuariële
waarde van de door de deelnemer te verwerven pensioenaanspraken ten
minste gelijk is aan de op dezelfde grondslagen berekende waarde van
de over te dragen pensioenaanspraken.
5.De overdragende en de ontvangende pensioenuitvoerder brengen in
het kader van de waardeoverdracht geen kosten in rekening bij de
gewezen deelnemer.
6.Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
7.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld ten aanzien van de berekening van de overdrachtswaarde, de
waarde van met de overdrachtswaarde te verwerven pensioenaanspraken
alsmede de in acht te nemen procedures.
Artikel 82a. Uitzondering op de plicht tot waardeoverdracht in
verband met afkoop
De in artikel 82 genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet
indien na de waardeoverdracht de voor de bedrijfspensioenvoorziening
geldende wetgeving van een andere staat dan Nederland op de overgedragen
pensioenaanspraken van toepassing is en de mogelijkheden tot afkoop van
de waarde van de overgedragen pensioenaanspraken na de waardeoverdracht
ruimer zijn dan op basis van deze wet.
Artikel 83. Uitzondering op de plicht tot waardeoverdracht in verband
met financiële positie pensioenuitvoerder
De in artikel 82 genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet
zolang:
a. de overdragende of ontvangende pensioenuitvoerder een
beroepspensioenfonds is waarbij de technische voorzieningen niet
meer volledig door waarden worden gedekt; of
b. de overdragende of ontvangende pensioenuitvoerder een
verzekeraar is:
1°. waarop de noodregeling als bedoeld in artikel 3:161 van
de Wet op het financieel toezicht, van toepassing is; of
2°. die failliet is.
Artikel 84. Uitzondering op plicht tot waardeoverdracht in verband
met datum
De in artikel 82 en 99 genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt
niet met betrekking tot pensioenaanspraken indien de deelneming is
geëindigd vóór 1 januari 2006.
Artikel 85. Herleving van de plicht tot waardeoverdracht bij
wisseling van beroepspensioenregeling of indiensttreding bij een
werkgever
1.Indien de in artikel 83 genoemde omstandigheden niet meer van
toepassing zijn:
a. herleven de in artikel 82 bedoelde plichten van de
overdragende pensioenuitvoerder en de ontvangende
pensioenuitvoerder;
b. wordt de inartikel 82, derde lid, omschreven verplichting
van de deelnemer om binnen zes maanden een opgave te vragen en
daarna een verzoek tot waardeoverdracht te doen verlengd tot zes
maanden na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het tweede lid.
2.Een overdragende pensioenuitvoerder die in de periode waarin de
in artikel 83 bedoelde omstandigheden op hem van toepassing zijn
verzoeken tot waardeoverdracht heeft gekregen, informeert, wanneer
deze omstandigheden niet meer van toepassing zijn, alle deelnemers die
in die periode gewezen deelnemer zijn geworden en de betrokken
ontvangende pensioenuitvoerders over de mogelijkheid alsnog waarde
over te dragen.
3.Een ontvangende pensioenuitvoerder die in de periode waarin de in
artikel 83 genoemde omstandigheden op hem van toepassing zijn
verzoeken tot waardeoverdracht heeft gekregen, informeert wanneer deze
omstandigheden niet meer van toepassing zijn, alle deelnemers die in
die periode een verzoek tot waardeoverdracht hebben gedaan en de
betrokken overdragende pensioenuitvoerders over de mogelijkheid alsnog
waarde over te dragen.
Artikel 86. Bevoegdheid tot waardeoverdracht op verzoek gewezen
deelnemer bij wisseling beroepspensioenregeling of indiensttreding bij
een werkgever
1.Indien in de in artikel 82 bedoelde situatie geen plicht tot
waardeoverdracht bestaat omdat:
a. de deelnemer niet voldaan heeft aan de in artikel 82, derde
lid, omschreven verplichting om binnen zes maanden een opgave te
vragen; of
b. sprake is van de inartikel 84 bedoelde situatie,
is de pensioenuitvoerder bevoegd tot waardeoverdracht indien
voldaan wordt aan de in artikel 82, eerste lid en vierde lidgenoemde
voorwaarden.
2.Indien in de in artikel 82 bedoelde situatie geen plicht tot
waardeoverdracht bestaat, omdat er geen sprake is van een individuele
beëindiging, is de pensioenuitvoerder bevoegd tot waardeoverdracht
indien:
a. wordt voldaan aan de in artikel 82, eerste lid, onderdeel b
en tweede zin en vierde lid, genoemde voorwaarden;
b. de overdragende en de ontvangende pensioenuitvoerders aan
wie door een groep gewezen deelnemers verzoeken tot
waardeoverdracht worden gedaan, dit schriftelijk hebben gemeld aan
de toezichthouder; en
c. de toezichthouder binnen drie maanden na de melding geen
verbod tot waardeoverdracht heeft opgelegd aan een van beide
pensioenuitvoerders.
3.Indien de financiering van de aanspraken van de gewezen deelnemer
bij de overdragende pensioenuitvoerder nog niet is voltooid
overeenkomstig artikel 66 kan de pensioenuitvoerder ondanks de lagere
waarde en de daaruit bij de ontvangende pensioenuitvoerder
resulterende lagere pensioenaanspraken de waarde overdragen indien de
gewezen deelnemer en zijn partner schriftelijk hiermee instemmen en
mits sprake is van de in artikel 84 bedoelde situatie.
Artikel 87. Plicht tot waardeaanwending bij keuzerecht of
keuzemogelijkheid
1.De pensioenuitvoerder is verplicht om op verzoek van de deelnemer
of gewezen deelnemer de waarde van diens pensioenaanspraken aan te
wenden in het kader van het keuzerecht overeenkomstig de artikelen 72
en 73 of de keuzemogelijkheden overeenkomstig artikel 74.
2.De pensioenuitvoerder brengt in het kader van de waardeoverdracht
geen kosten in rekening bij de deelnemer of gewezen deelnemer.
Artikel 88. Bevoegdheid tot waardeoverdracht voor
beroepspensioenfondsen bij bereiken pensioendatum op grond van de
beroepspensioenregeling
1. Een beroepspensioenfonds is bevoegd om op verzoek van de
deelnemer, gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde de waarde
van zijn pensioenaanspraken welke voortvloeien uit een
kapitaalregeling of een premieregeling die voorziet in de uitkering
van een aan te wenden kapitaal op de pensioendatum, per de
pensioendatum rechtstreeks over te dragen aan een andere
pensioenuitvoerder indien:
a. de beroepspensioenregeling hierin voorziet;
b. de overdrachtswaarde zodanig door het overdragende
beroepspensioenfonds wordt vastgesteld dat de voor mannen en
vrouwen te verwerven pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het
vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis
van dezelfde grondslagen wordt voldaan; en
c. indien de ontvangende pensioenuitvoerder een
beroepspensioenfonds is, de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde reeds pensioenaanspraken heeft jegens dat
beroepspensioenfonds.
Indien het verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer tot
waardeoverdracht partnerpensioen betreft is voor de waardeoverdracht
van dit partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde
is voor het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is van toepassing op
pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2007 zijn opgebouwd.
3. Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid
pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije
voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd, is het eerste lid,
onderdeel b, van toepassing indien het recht op die premievrije
voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2006.
4. In afwijking van het tweede lid kunnen de in het eerste lid,
onderdeel b, opgenomen voorwaarden van toepassing zijn op
pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1 januari 2007 indien dit
is overeengekomen in de beroepspensioenregeling.
5. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
Artikel 89. Verplichting tot waardeoverdracht voor verzekeraars bij
bereiken pensioendatum
1. De verzekeraar is verplicht om op verzoek van de deelnemer,
gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde de waarde van zijn
pensioenaanspraken welke voortvloeien uit een kapitaalregeling of een
premieregeling die voorziet in de uitkering van een aan te wenden
kapitaal op de pensioendatum, per de pensioendatum rechtstreeks over
te dragen aan een andere pensioenuitvoerder indien:
a. de overdrachtswaarde zodanig door de overdragende
verzekeraar wordt vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te
verwerven pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het vereiste van
collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde
grondslagen wordt voldaan; en
b. indien de ontvangende pensioenuitvoerder een
beroepspensioenfonds is, de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde reeds pensioenaanspraken heeft jegens dat
beroepspensioenfonds.
Indien het verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer tot
waardeoverdracht partnerpensioen betreft is voor de waardeoverdracht
van dit partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde
is voor het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
2. Het eerste lid, onderdeel a, is van toepassing op
pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2007 zijn opgebouwd.
3. Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid
pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije
voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd, is het eerste lid,
onderdeel a, van toepassing indien het recht op die premievrije
voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2006.
4. In afwijking van het tweede lid kunnen de in het eerste lid,
onderdeel a, opgenomen voorwaarden van toepassing zijn op
pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1 januari 2007 indien dit
is overeengekomen in de beroepspensioenregeling.
5. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
Artikel 89a. Verplichting tot waardeoverdracht voor
premiepensioeninstellingen op datum van omzetting in pensioenuitkering
dan wel bereiken pensioendatum
1. De premiepensioeninstelling is verplicht de waarde van de
pensioenaanspraken van de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde op de datum van omzetting van de aanspraken in
een pensioenuitkering rechtstreeks over te dragen aan een door de
premiepensioeninstelling aangewezen verzekeraar.
2. In afwijking van het eerste lid is de premiepensioeninstelling
verplicht op verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde de waarde van zijn pensioenaanspraken per de
pensioendatum rechtstreeks over te dragen aan een pensioenuitvoerder
die door de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde is aangewezen. Daarbij gelden de volgende
voorwaarden:
a. indien de door de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde aangewezen pensioenuitvoerder een
beroepspensioenfonds is, de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde al pensioenaanspraken heeft jegens dat
pensioenfonds; en
b. de ontvangende pensioenuitvoerder hanteert dezelfde methode
als de premiepensioeninstelling om aan het vereiste van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen te voldoen.
Indien het verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer tot
waardeoverdracht partnerpensioen betreft, is voor de waardeoverdracht
van dit partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde
is voor het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
3. De overdrachtswaarde wordt door de premiepensioeninstelling
zodanig vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te verwerven
pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het vereiste van collectieve
actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde grondslagen wordt
voldaan.
4. Het derde lid is van toepassing op pensioenaanspraken die vanaf
1 januari 2007 zijn opgebouwd.
5. Voor zover het pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een
premievrije voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd, is het
derde lid van toepassing indien het recht op die premievrije
voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2006.
6. In afwijking van het vierde lid kunnen de in het derde lid
opgenomen voorwaarden van toepassing zijn op pensioenaanspraken die
zijn opgebouwd voor 1 januari 2007 indien dit is overeengekomen in de
beroepspensioenregeling.
7. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
Artikel 90. Overdracht pensioenkapitaal op pensioendatum
1. In geval van overdracht van pensioenkapitaal op de pensioendatum
ten behoeve van aankoop van een periodieke pensioenuitkering, draagt
de overdragende pensioenuitvoerder het pensioenkapitaal over:
a. aan de door de deelnemer of gewezen deelnemer aangewezen
ontvangende pensioenuitvoerder op de pensioendatum of binnen acht
weken na het verzoek hiertoe van de deelnemer of gewezen deelnemer
indien deze dat verzoek minder dan acht weken voor de
pensioendatum heeft gedaan;
b. aan de door de aanspraakgerechtigde, niet zijnde de
deelnemer of gewezen deelnemer, aangewezen ontvangende
pensioenuitvoerder binnen acht weken na het verzoek hiertoe van
die aanspraakgerechtigde.
2. De overdragende pensioenuitvoerder is verplicht tot vergoeding
van de schade die de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde ondervindt ten gevolge van de aan die
pensioenuitvoerder toerekenbare niet tijdige overdracht; de schade is
ten minste gelijk aan de wettelijke rente op het over te dragen
pensioenkapitaal.
Artikel 91. Bevoegdheid tot collectieve waardeoverdracht op verzoek
beroepspensioenvereniging
1.De pensioenuitvoerder is op verzoek van de
beroepspensioenvereniging bevoegd tot collectieve waardeoverdracht
indien:
a. de waardeoverdracht ertoe strekt in verband met de
beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst tussen de
beroepspensioenvereniging en de overdragende pensioenuitvoerder de
waarde onder te brengen bij de ontvangende pensioenuitvoerder met
wie de beroepspensioenvereniging een uitvoeringsovereenkomst heeft
gesloten; of
b. de waardeoverdracht ertoe strekt in verband met een
wijziging van de beroepspensioenregeling de waarde van
pensioenaanspraken of pensioenrechten aan te wenden bij dezelfde
pensioenuitvoerder overeenkomstig die gewijzigde
beroepspensioenregeling.
2.Bij een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in het eerste
lid wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of de
pensioengerechtigden hebben geen bezwaren jegens de
pensioenuitvoerder kenbaar gemaakt tegen de waardeoverdracht nadat
zij over het voornemen schriftelijk zijn geïnformeerd;
b. de overdrachtswaarde wordt door de overdragende
pensioenuitvoerder zodanig vastgesteld dat de voor mannen en
vrouwen te verwerven pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het
vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis
van dezelfde grondslagen wordt voldaan; en
c. het voornemen tot waardeoverdracht aan een
pensioenuitvoerder wordt door de overdragende pensioenuitvoerder
uiterlijk drie maanden voor de beoogde datum van waardeoverdracht
schriftelijk gemeld aan de toezichthouder en de toezichthouder
heeft binnen die periode geen verbod tot waardeoverdracht
opgelegd.
3.Het tweede lid, onderdeel b, is van toepassing op
pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2007 zijn opgebouwd.
4.Op pensioenaanspraken die voor de in het derde lid genoemde datum
zijn opgebouwd is de eis van individuele actuariële
gelijkwaardigheid, bedoeld in artikel 82, vierde lid, van toepassing,
tenzij in de beroepspensioenregeling is overeengekomen dat de
voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van toepassing
zijn.
5.Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid
pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije
voortzetting van die pensioenaanspraken worden opgebouwd is onderdeel
b van het tweede lid van toepassing indien het recht op die
premievrije voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2006.
6.Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
7.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
Artikel 92. Verplichting tot collectieve waardeoverdracht bij
liquidatie van de pensioenuitvoerder
1.De pensioenuitvoerder is verplicht tot waardeoverdracht aan een
andere pensioenuitvoerder bij liquidatie van de eerstgenoemde
pensioenuitvoerder.
2.In geval van een waardeoverdracht als bedoeld in het eerste lid
gelden de volgende voorwaarden:
a. het voornemen tot waardeoverdracht aan een
pensioenuitvoerder wordt door de overdragende pensioenuitvoerder
uiterlijk drie maanden voor de beoogde datum van waardeoverdracht
schriftelijk gemeld aan de toezichthouder en de toezichthouder
heeft binnen die periode geen verbod tot waardeoverdracht
opgelegd;
b. de overdrachtswaarde wordt zodanig door de overdragende
pensioenuitvoerder vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te
verwerven pensioenrechten gelijk zijn, waarbij aan het vereiste
van collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis van
dezelfde grondslagen wordt voldaan.
3.Het tweede lid, onderdeel b, is van toepassing op
pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2007 zijn opgebouwd.
4.Op pensioenaanspraken die voor de in het derde lid genoemde datum
zijn opgebouwd is de eis van individuele actuariële
gelijkwaardigheid, bedoeld in artikel 82, vierde lid, van toepassing
tenzij in de beroepspensioenregeling is overeengekomen dat de
voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van toepassing
zijn.
5.Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid
pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije
voortzetting van die pensioenaanspraken worden opgebouwd is onderdeel
b van het tweede lid van toepassing indien het recht op die
premievrije voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2006.
6.Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
7.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
Artikel 93. Plicht tot waardeoverdracht aan een pensioeninstelling
uit een andere lidstaat of verzekeraar met zetel buiten Nederland op
verzoek gewezen deelnemer
1.De pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek van de
gewezen deelnemer tot waardeoverdracht de overdrachtswaarde van diens
pensioenaanspraken over te dragen aan een pensioeninstelling uit een
andere lidstaat of een verzekeraar met een zetel buiten Nederland als
bedoeld in artikel 8, indien voldaan wordt aan de in artikel 82
genoemde voorwaarden, met dien verstande dat:
a. de in artikel 83 gestelde eis inzake de ontvangende
pensioenuitvoerder niet van toepassing is; en mits
b. de mogelijkheden tot afkoop van de waarde van de
overgedragen pensioenaanspraken na de waardeoverdracht niet ruimer
zijn dan op basis van deze wet.
2.Indien op grond van de in artikel 83 genoemde omstandigheden
tijdelijk geen plicht tot waardeoverdracht bestaat, maar deze plicht
overeenkomstig artikel 85herleeft, is artikel 85, derde lid, niet van
toepassing.
3.De overdragende pensioenuitvoerder brengt in het kader van de
waardeoverdracht geen kosten in rekening bij de gewezen deelnemer.
Artikel 94. Plicht tot waardeoverdracht aan een van de Europese
Gemeenschappen of aangewezen instelling
1.De pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek van de
gewezen deelnemer tot waardeoverdracht de overdrachtswaarde van diens
pensioenaanspraken over te dragen aan een van de Europese
Gemeenschappen of aan een op grond van artikel 81, tweede lid, door
Onze Minister aangewezen instelling, indien:
a. er sprake is van beëindiging van de deelneming;
b. die waardeoverdracht ertoe strekt het de gewezen deelnemer
mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij een van de
Europese Gemeenschappen of de aangewezen genoemde instelling; en
c. de waarde rechtstreeks wordt overgedragen aan de betrokken
Europese Gemeenschap of de aangewezen instelling.
Indien het verzoek van de gewezen deelnemer tot waardeoverdracht
partnerpensioen betreft is voor de waardeoverdracht van dit
partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde is voor
het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
2.De overdragende pensioenuitvoerder brengt in het kader van de
waardeoverdracht geen kosten in rekening bij de gewezen deelnemer.
3.De op grond van artikel 82, zevende lid, bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur gestelde regels ten aanzien van de
berekening van de overdrachtswaarde zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 95. Bevoegdheid tot waardeoverdracht aan een andere
instelling
1.De pensioenuitvoerder die een verzoek tot waardeoverdracht
ontvangt van een gewezen deelnemer waarbij beoogd wordt de waarde over
te dragen aan een buitenlandse instelling, meldt dit aan de
toezichthouder.
2.Waardeoverdracht aan een buitenlandse instelling is alleen
mogelijk wanneer ten genoegen van de toezichthouder wordt aangetoond
dat:
a. voldaan wordt aan de in artikel 82, eerste lid, genoemde
voorwaarden;
b. de in artikel 83 bedoelde omstandigheden op de overdragende
pensioenuitvoerder niet van toepassing zijn;
c. de buitenlandse instelling de pensioenregeling uitvoert
waaraan de beroepsgenoot deelneemt;
d. de buitenlandse instelling in het land van vestiging is
onderworpen aan een vorm van overheidstoezicht;
e. de vermogens van de instelling en de werkgever juridisch
zijn gescheiden door het bestaan van een aparte juridische
entiteit van de instelling, door een speciale preferentieregeling
ten gunste van pensioengerechtigden of anderszins; en
f. de mogelijkheden tot afkoop van de overgedragen
pensioenaanspraken na de waardeoverdracht niet ruimer zijn dan op
basis van deze wet.
Artikel 96. Bevoegdheid tot waardeoverdracht aan een
pensioeninstelling uit een andere lidstaat of verzekeraar met zetel
buiten Nederland op verzoek gewezen deelnemer bij wisseling
beroepspensioenregeling of indiensttreding bij een werkgever
De pensioenuitvoerder is bevoegd om op verzoek van de gewezen
deelnemer de waarde van zijn pensioenaanspraken over te dragen aan een
pensioeninstelling uit een andere lidstaat of een verzekeraar met zetel
buiten Nederland als bedoeld in artikel 8, indien wordt voldaan aan de
in artikel 86 opgenomen voorwaarden.
Artikel 97. Bevoegdheid tot waardeoverdracht aan een
pensioeninstelling uit een andere lidstaat of verzekeraar met zetel
buiten Nederland bij bereiken pensioendatum op grond van de
beroepspensioenregeling
De pensioenuitvoerder is bevoegd om op verzoek van de deelnemer,
gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde de waarde van zijn
pensioenaanspraken welke voortvloeien uit een kapitaalregeling of een
premieregeling per de pensioendatum rechtstreeks over te dragen aan een
pensioeninstelling uit een andere lidstaat of verzekeraar met zetel
buiten Nederland als bedoeld inartikel 8, indien wordt voldaan aan de in
artikel 88 opgenomen voorwaarden.
Artikel 98. Collectieve waardeoverdracht naar pensioeninstelling uit
een andere lidstaat of verzekeraar met zetel buiten Nederland
1.De pensioenuitvoerder is bevoegd om op verzoek van de
beroepspensioenvereniging over te gaan tot collectieve
waardeoverdracht overeenkomstig artikel 91, indien de
beroepspensioenvereniging een uitvoeringsovereenkomst heeft gesloten
met een pensioeninstelling uit een andere lidstaat of een verzekeraar
met zetel buiten Nederland als bedoeld in artikel 8.
2.Aan de inartikel 92 geformuleerde verplichting tot
waardeoverdracht in geval van liquidatie kan ook worden voldaan door
waardeoverdracht aan een pensioeninstelling uit een andere lidstaat of
een verzekeraar met zetel buiten Nederland als bedoeld in artikel 8 in
plaats van aan een pensioenuitvoerder.
Artikel 99. Verplichting tot medewerking aan inbreng van waarde
1.Indien een pensioenuitvoerder het verzoek krijgt om in het kader
van waardeoverdracht een waarde van een pensioeninstelling uit een
andere lidstaat of een verzekeraar met zetel buiten Nederland aan te
nemen die verband houdt met een beroepspensioenregeling waarop deze
wet tot het tijdstip van waardeoverdracht niet van toepassing is, is
de pensioenuitvoerder gehouden daarvoor als ontvangende
pensioenuitvoerder op te treden, mits:
a. die waardeoverdracht ertoe strekt het de verzoekende
deelnemer mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij de
ontvangende pensioenuitvoerder;
b. op de pensioenuitvoerder de in artikel 83 genoemde
omstandigheden niet van toepassing zijn; en
c. aan de pensioenuitvoerder geen voorwaarden in verband met de
waardeoverdracht worden gesteld die in strijd zijn met deze wet.
Indien het verzoek tot waardeoverdracht partnerpensioen betreft is
voor de waardeoverdracht van dit partnerpensioen tevens vereist dat de
partner die begunstigde is voor het partnerpensioen met de
waardeoverdracht instemt.
2.De ontvangende pensioenuitvoerder brengt in het kader van de
waardeoverdracht geen kosten in rekening bij de deelnemer.
Artikel 100. Bevoegdheid tot medewerking aan inbreng van waarde
Indien een pensioenuitvoerder het verzoek krijgt om in het kader van
waardeoverdracht een waarde van een buitenlandse instelling aan te nemen
die verband houdt met een pensioenregeling waarop deze wet tot het
tijdstip van waardeoverdracht niet van toepassing is, is de
pensioenuitvoerder bevoegd daarvoor als ontvangende pensioenuitvoerder
op te treden, mits:
a. die waardeoverdracht ertoe strekt het de verzoekende deelnemer
mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij de ontvangende
pensioenuitvoerder;
b. op de pensioenuitvoerder de in artikel 83 genoemde
omstandigheden niet van toepassing zijn; en
c. aan de pensioenuitvoerder geen voorwaarden in verband met de
waardeoverdracht worden gesteld die in strijd zijn met deze wet.
Indien het verzoek tot waardeoverdracht partnerpensioen betreft is
voor de waardeoverdracht van dit partnerpensioen tevens vereist dat de
partner die begunstigde is voor het partnerpensioen met de
waardeoverdracht instemt.
§ 5. Overige bepalingen
Artikel 101. Informatie uit de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens
Inlichtingen uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
en inlichtingen en uittreksels uit de registers van de burgerlijke
stand, die de pensioenuitvoerder nodig heeft met het oog op de
uitvoering van zijn taak, zijn vrij van leges.
Artikel 102. Burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan,
sociaal-fiscaalnummer
1.Het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer, kan door de pensioenuitvoerder in een door hem
beheerde persoonsregistratie worden opgenomen en bij het verstrekken
van gegevens daaruit worden gebruikt.
2.De pensioenuitvoerder gebruikt dit dit burgerservicenummer of,
bij het ontbreken daarvan, dit sociaal-fiscaalnummer uitsluitend:
a. in het verkeer met de persoon op wie het nummer betrekking
heeft; of
b. in contacten met personen en instanties voor zover deze zelf
gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of,
bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer in een
persoonsregistratie.
Artikel 103. Voorwaardelijke toeslagverlening
1.Bij voorwaardelijke toeslagverlening dient er een consistent
geheel te zijn tussen de gewekte verwachtingen, de financiering en het
realiseren van voorwaardelijke toeslagen.
2.Bij regeling van Onze Minister wordt invulling gegeven aan het
begrip consistentie, bedoeld in het eerste lid. Een regeling als
bedoeld in de eerste volzin kan worden vastgesteld vier weken nadat
het ontwerp is overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal.
3.Een toeslag is alleen voorwaardelijk indien in de
beroepspensioenregeling, de uitvoeringsovereenkomst, het
pensioenreglement, de opgaven op grond van de artikelen 48 tot en met
57 en in de overige informatieverstrekking door de pensioenuitvoerder
een voorwaardelijkheidsverklaring is opgenomen.
4.Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de
inhoud van de voorwaardelijkheidsverklaring.
Artikel 104. Informatie in jaarverslag over dwangsommen en
bestuurlijke boeten
Een pensioenuitvoerder vermeldt in zijn jaarverslag of in het
afgelopen boekjaar:
a. aan de pensioenuitvoerder dwangsommen en bestuurlijke boeten
zijn opgelegd, en zo ja, hoeveel deze in totaal hebben bedragen;
b. een aanwijzing als bedoeld in artikel 166 aan de
pensioenuitvoerder is gegeven;
c. een bewindvoerder als bedoeld in artikel 168 is aangesteld;
d. een kortetermijnherstelplan als bedoeld in artikel 135 van
toepassing is;
e. een langetermijnherstelplan als bedoeld in artikel 133 van
toepassing is;
f. de beëindiging van de situatie, bedoeld inartikel 167, waarin
de bevoegdheidsuitoefening van alle of bepaalde organen van een
beroepspensioenfonds is gebonden aan toestemming van de
toezichthouder.
Artikel 105. Overlijden ten gevolge van een uitgesloten oorzaak
Overlijdt een deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde ten
gevolge van een van het risico uitgesloten oorzaak en betrof het een
partnerpensioen op opbouwbasis, dan keert de pensioenuitvoerder aan de
partner een periodieke uitkering van partnerpensioen uit die gebaseerd
is op de premievrije waarde berekend naar de dag voorafgaande aan het
overlijden.
Artikel 105a. Uitvoering buitenlandse pensioenregeling
De Nederlandse sociale en arbeidswetgeving is niet van toepassing
voor zover een pensioenuitvoerder een pensioenregeling uitvoert waarop
de voor de bedrijfspensioenvoorziening geldende regels van een andere
staat dan Nederland van toepassing zijn.
Hoofdstuk 4. Beroepspensioenfonds
Artikel 106. Beroepspensioenfonds
Een beroepspensioenfonds is een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid.
Artikel 107. Melding oprichting van een beroepspensioenfonds
1. Het beroepspensioenfonds meldt binnen drie maanden na zijn
oprichting deze oprichting aan de toezichthouder door middel van een
door de toezichthouder vastgesteld formulier.
2. Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, worden gevoegd:
a. een authentiek afschrift van de akte van oprichting van het
beroepspensioenfonds;
b. een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar van het reglement
of de reglementen van het beroepspensioenfonds;
c. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de
uitvoeringsovereenkomst;
d. een actuariële en bedrijfstechnische nota als bedoeld in
artikel 140; en
e. een eventuele overeenkomst tot verzekering, overdracht of
onderbrenging.
Artikel 108. Toezending wijziging officiële stukken
Het beroepspensioenfonds zendt:
a. een authentiek afschrift van de akte houdende wijziging van de
statuten;
b. een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar van wijziging van
de reglementen;
c. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen
in de uitvoeringsovereenkomst;
d. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen
in de actuariële en bedrijfstechnische nota als bedoeld in artikel
140; en
e. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen
in de eventuele overeenkomst tot verzekering, overdracht of
onderbrenging,
binnen twee weken na totstandkoming van die wijziging aan de
toezichthouder.
Artikel 109. Bestuur beroepspensioenfonds
Het bestuur van een beroepspensioenfonds bestaat uit
vertegenwoordigers van de beroepspensioenvereniging die de
verplichtstelling heeft aangevraagd.
Artikel 110. Eisen ten aanzien van beleid, deskundigheid en
betrouwbaarheid
1.Ten minste twee natuurlijke personen bepalen het dagelijks beleid
van een beroepspensioenfonds.
2.De personen die het beleid van een beroepspensioenfonds bepalen
of mede bepalen richten zich bij de vervulling van hun taak naar de
belangen van de bij het beroepspensioenfonds betrokken deelnemers,
gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en de
pensioengerechtigden en zorgen ervoor dat dezen zich door hen op
evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.
3.Het beleid van een beroepspensioenfonds wordt bepaald of mede
bepaald door personen die deskundig zijn in verband met de uitoefening
van het bedrijf van het beroepspensioenfonds.
4.Iedere bestuurder van een beroepspensioenfonds is bevoegd een
deskundige te raadplegen, of zich krachtens een bestuursbesluit,
waarbij ten minste één vierde van de bestuurders zich daarvoor heeft
uitgesproken, ter vergadering door een deskundige te laten bijstaan.
5.Het bestuur van een beroepspensioenfonds draagt er zorg voor dat
de betrouwbaarheid van de personen die het beleid van het
beroepspensioenfonds bepalen of mede bepalen buiten twijfel staat.
6.Het bestuur van het beroepspensioenfonds meldt elke wijziging in
de samenstelling van de personen die het beleid van het
beroepspensioenfonds bepalen of mede bepalen vooraf aan de
toezichthouder.
7.Een wijziging als bedoeld in het zesde lid wordt niet doorgevoerd
indien:
a. de toezichthouder binnen zes weken na ontvangst van de
melding van de wijziging aan het beroepspensioenfonds bekend maakt
dat het niet met de voorgenomen wijziging instemt; of
b. de toezichthouder om nadere gegevens of inlichtingen heeft
verzocht en binnen zes weken na ontvangst van die gegevens of
inlichtingen aan het beroepspensioenfonds bekend maakt dat het
niet met de voorgenomen wijziging instemt.
8.Indien zich een wijziging voordoet van de antecedenten die van
invloed is op de betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in het
vijfde lid, stelt het beroepspensioenfonds de toezichthouder daarvan
onverwijld schriftelijk in kennis.
9.De betrouwbaarheid van een persoon staat buiten twijfel wanneer
dat eenmaal door de toezichthouder voor de toepassing van deze wet is
vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of
omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe
beoordeling.
10.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot het derde en het vijfde tot en met het
achtste lid.
Artikel 111. Verbod leeftijdsgrens
Iedere bepaling die het lidmaatschap van het bestuur of een
verantwoordingsorgaan onmogelijk maakt op grond van het bereikt hebben
van een bepaalde leeftijd is nietig.
Artikel 112. Instemmingsrecht
Iedere bepaling die een instemmingsrecht inhoudt van een partij, die
geen orgaan is van het beroepspensioenfonds, inzake een besluit of
voorgenomen besluit van het beroepspensioenfonds is nietig, tenzij in
deze wet anders is bepaald.
Artikel 113. Statuten
1.In de statuten van een beroepspensioenfonds worden bepalingen
opgenomen betreffende:
a. het doel van het beroepspensioenfonds, waaronder een
omschrijving van de werkingssfeer;
b. de bestemming van de middelen van het beroepspensioenfonds;
c. het beheer van het beroepspensioenfonds;
d. de inkomsten van het beroepspensioenfonds;
e. de belegging van de gelden;
f. de wijze waarop de bestuursleden worden benoemd;
g. de wijziging van de statuten;
h. de liquidatie van het beroepspensioenfonds, waaronder
begrepen de verplichtingen van de liquidateuren en de bestemming
van de bezittingen van het beroepspensioenfonds;
i. de wijze waarop het intern toezicht is georganiseerd; en
j. de wijze waarop de leden van het verantwoordingsorgaan
worden benoemd en ontslagen.
2.De omschrijving van de werkingssfeer, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, vindt plaats door het omschrijven van de activiteiten van
de beroepsgroep.
Artikel 113a. Omzetting beroepspensioenfonds
1. Voor omzetting van een beroepspensioenfonds in een andere
rechtsvorm als bedoeld in artikel 18 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek is een verklaring van geen bezwaar van de toezichthouder
vereist. De toezichthouder verleent de verklaring indien hij van
oordeel is dat de belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, andere
aanspraakgerechtigden, en de pensioengerechtigden voldoende
gewaarborgd zijn.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld terzake van het eerste lid.
Artikel 114. Verbod van nevenactiviteiten
1.Een beroepspensioenfonds verricht slechts activiteiten in verband
met pensioen en werkzaamheden die daarmee verband houden.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ter zake van activiteiten die door
beroepspensioenfondsen kunnen worden verricht.
Artikel 115. Uitvoering vrijwillige pensioenregeling
Een beroepspensioenfonds kan uitsluitend een vrijwillige
pensioenregeling uitvoeren, indien dit een aanvulling op een door
datzelfde beroepspensioenfonds uitgevoerde basispensioenregeling
betreft.
Artikel 116. Eisen vrijwillige uitkeringsregeling
Een vrijwillige pensioenregeling in de vorm van een
uitkeringsregeling welke wordt uitgevoerd door een beroepspensioenfonds
voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de premie voor de vrijwillige pensioenregeling bedraagt in
enig jaar niet meer dan een derde van de over dat jaar verschuldigde
premie voor de basispensioenregeling;
b. de premie voor de vrijwillige pensioenregeling is voor alle
deelnemers gelijk of bedraagt voor alle deelnemers een gelijk
percentage van de gerealiseerde omzet, het gerealiseerde inkomen of
het gerealiseerde loon dan wel het gedeelte van de gerealiseerde
omzet, het gerealiseerde inkomen of gerealiseerde loon dat voor de
pensioenberekening in aanmerking wordt genomen, met dien verstande
dat voor verschillende soorten pensioen en voor verschillende
pensioenregelingen verschillende premies kunnen worden vastgesteld;
of
c. de kosten verbonden aan het toeslagbeleid worden niet ten
laste gebracht van de individuele deelnemers, maar ten laste van de
collectiviteit van het beroepspensioenfonds en voor de
toeslagverlening gelden dezelfde voorwaarden die van toepassing zijn
op de basispensioenregeling.
Artikel 117. Eisen vrijwillige kapitaalregeling
Een vrijwillige pensioenregeling in de vorm van een kapitaalregeling
welke wordt uitgevoerd door een beroepspensioenfonds voldoet aan de
volgende voorwaarden:
a. de premie voor de vrijwillige pensioenregeling bedraagt in
enig jaar niet meer dan een derde van de over dat jaar verschuldigde
premie voor de basispensioenregeling; of
b. indien de deelnemer overlijdt dan wel gepensioneerde of
gewezen deelnemer wordt, wordt het opgebouwde kapitaal omgezet in
een pensioenrecht of pensioenaanspraak in de vorm van een periodieke
uitkering indien dat ook met betrekking tot de basispensioenregeling
geschiedt of de basispensioenregeling een uitkeringsregeling betreft
en zijn daarop overeenkomstige voorwaarden van toepassing als welke
gelden bij de basispensioenregeling bij beëindiging van de
deelneming door deze omstandigheden.
Artikel 118. Eisen vrijwillige premieregeling
Een vrijwillige pensioenregeling in de vorm van een premieregeling
welke wordt uitgevoerd door een beroepspensioenfonds voldoet aan de
volgende voorwaarden:
a. de premie voor de vrijwillige pensioenregeling bedraagt in
enig jaar niet meer dan een derde van de over dat jaar verschuldigde
premie voor de basispensioenregeling;
b. indien de deelnemer overlijdt dan wel gepensioneerde of
gewezen deelnemer wordt, wordt het kapitaal dat is ontstaan uit de
som van de beschikbaar gestelde premies en de daarop behaalde
rendementen omgezet in een pensioenrecht of pensioenaanspraak in de
vorm van een periodieke uitkering, indien dat ook met betrekking tot
de basispensioenregeling geschiedt of de basispensioenregeling een
uitkeringsregeling betreft en zijn daarop overeenkomstige
voorwaarden van toepassing als welke gelden bij de
basispensioenregeling bij beëindiging van de deelneming door deze
omstandigheden; of
c. indien de deelnemer overlijdt dan wel gepensioneerde of
gewezen deelnemer wordt, wordt het kapitaal dat is ontstaan uit de
som van de beschikbaar gestelde premies en de daarop behaalde
rendementen omgezet in een verzekerd kapitaal, indien dat ook met
betrekking tot de basispensioenregeling geschiedt of de
basispensioenregeling een kapitaalregeling betreft en zijn daarop
overeenkomstige voorwaarden van toepassing als welke gelden bij de
basispensioenregeling bij beëindiging van de deelneming door deze
omstandigheden.
Artikel 119. Uitvoeren van meerdere beroepspensioenregelingen
Indien een beroepspensioenfonds meerdere beroepspensioenregelingen
uitvoert vormen deze beroepspensioenregelingen financieel één geheel.
Artikel 120. Inkoop van pensioenopbouw
Een beroepspensioenfonds kan de mogelijkheid bieden tot verhoging van
de pensioenaanspraken indien het deel van de pensioenaanspraken dat
voortvloeit uit deze inkoop overeenkomstig de pensioenaanspraken op
grond van de basispensioenregeling wordt behandeld.
Hoofdstuk 5. Financieel toetsingskader inzake beroepspensioenfondsen
Artikel 121. Vaststelling technische voorzieningen
1.Een beroepspensioenfonds stelt toereikende technische
voorzieningen vast met betrekking tot het geheel van
pensioenverplichtingen.
2.De berekening wordt uitgevoerd met inachtneming van de volgende
beginselen:
a. de technische voorzieningen worden berekend op basis van
marktwaardering;
b. de voor de berekening van de technische voorzieningen
gebruikte grondslagen inzake overlijden of arbeidsongeschiktheid
en levensverwachting worden gebaseerd op prudente beginselen; en
c. de methode en de grondslag van de berekening van de
technische voorzieningen blijven van boekjaar tot boekjaar
ongewijzigd, tenzij wijzigingen daarin gerechtvaardigd zijn als
gevolg van een verandering van de juridische, demografische of
economische omstandigheden die aan de hypothesen ten grondslag
liggen.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de wijze van berekening van het minimum bedrag van de
technische voorzieningen, de daarbij in acht te nemen
voorzichtigheidsmarges en kunnen regels worden gesteld over de
frequentie waarmee de technische voorzieningen worden berekend.
Artikel 122. Financiering ouderdomspensioen
Ouderdomspensioen wordt gefinancierd op basis van kapitaaldekking.
Artikel 123. Hoogte kostendekkende premie
1.Een beroepspensioenfonds stelt een kostendekkende premie vast die
bestaat uit:
a. de premie die actuarieel benodigd is in verband met de
aangroei van de pensioenverplichtingen;
b. de opslag die nodig is voor het bij de aangroei van de
pensioenverplichtingen behorende vereist eigen vermogen als
bedoeld in artikel 127;
c. de opslag die nodig is voor de bij de aangroei van de
pensioenverplichtingen behorende uitvoeringskosten van het
beroepspensioenfonds; en
d. de premie die actuarieel benodigd is ten behoeve van
toeslagverlening indien gekozen is voor financiering op de wijze,
bedoeld in artikel 132, onderdeel a, b of d.
2.De kostendekkende premie kan worden gedempt.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld inzake het eerste en het tweede lid.
Artikel 124. Terugstorting of premiekorting
1.Het beroepspensioenfonds kan uitsluitend korting verlenen op de
kostendekkende premie of de gedempte premie indien ten aanzien van de
pensioenverplichtingen wordt voldaan aan de artikelen 121, 127 en 128
en de eventuele voorwaardelijke toeslagen kunnen worden nagekomen
overeenkomstig de artikelen 103 en 132.
2.Het beroepspensioenfonds kan uitsluitend terugstorten indien:
a. ten aanzien van de pensioenverplichtingen wordt voldaan aan
de artikelen 121, 127 en 128;
b. de voorwaardelijke toeslagen met betrekking tot de
voorgaande tien jaar zijn verleend en kunnen worden verleend
overeenkomstig de artikelen 103 en 132;
c. de korting op de pensioenaanspraken en pensioenrechten op
grond van artikel 129 in de voorgaande tien jaar gecompenseerd is.
Artikel 125. Vermelding premie in jaarrekening en jaarverslag
Een beroepspensioenfonds vermeldt in zijn jaarrekening en
jaarverslag:
a. de hoogte van de totale kostendekkende premie, bedoeld in
artikel 123, eerste lid;
b. de hoogte van de totale gedempte premie, bedoeld in artikel
123, tweede lid; en
c. de hoogte van de totale feitelijke premie.
Artikel 126. Minimaal vereist eigen vermogen
1. Een beroepspensioenfonds beschikt over een minimaal vereist
eigen vermogen, tenzij:
a. een beroepspensioenfonds tot volledige overdracht of
onderbrenging is overgegaan; en
b. de toezichthouder heeft ingestemd met het feit dat het
beroepspensioenfonds daarom niet beschikt over een minimaal
vereist eigen vermogen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de omvang
en de samenstelling van het minimaal vereist eigen vermogen bepaald.
Artikel 127. Vereist eigen vermogen
1.Een beroepspensioenfonds beschikt over een vereist eigen
vermogen.
2.Een beroepspensioenfonds stelt het vereist eigen vermogen zodanig
vast dat met een zekerheid van 97½ procent wordt voorkomen dat het
beroepspensioenfonds binnen een periode van één jaar over minder
waarden beschikt dan de hoogte van de technische voorzieningen.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld inzake de berekening en de samenstelling van het
vereist eigen vermogen, bedoeld in het eerste lid, en het bepaalde in
het tweede lid.
Artikel 128. Dekking door waarden
De technische voorzieningen en de aan het beroepspensioenfonds
verstrekte leningen worden volledig door waarden gedekt.
Artikel 129. Korting pensioenaanspraken en pensioenrechten door
beroepspensioenfonds
1.Een beroepspensioenfonds kan verworven pensioenaanspraken en
pensioenrechten uitsluitend verminderen indien:
a. de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen
vermogen niet meer volledig door waarden zijn gedekt;
b. het beroepspensioenfonds niet in staat is binnen een
redelijke termijn de technische voorzieningen en het minimaal
vereist eigen vermogen door waarden te dekken zonder dat de
belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden
of andere aanspraakgerechtigden onevenredig worden geschaad; en
c. alle overige beschikbare sturingsmiddelen, met uitzondering
van het beleggingsbeleid, zijn ingezet zoals uitgewerkt in het
kortetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 135.
2.Een beroepspensioenfonds informeert de deelnemers, gewezen
deelnemers en pensioengerechtigden schriftelijk over het besluit tot
vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten.
3.De vermindering, bedoeld in het eerste lid, kan op zijn vroegst
een maand nadat de deelnemers, gewezen deelnemers,
pensioengerechtigden en toezichthouder hierover geïnformeerd zijn,
worden gerealiseerd.
Artikel 130. Eisen ten aanzien van beleggingen
1.Een beroepspensioenfonds voert een beleggingsbeleid dat in
overeenstemming is met de prudent-person regel en met name gebaseerd
is op de volgende uitgangspunten:
a. de waarden worden belegd in het belang van aanspraak- en
pensioengerechtigden; en
b. de beleggingen worden gewaardeerd op basis van
marktwaardering.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter
waarborging van het prudente beleggingsbeleid nadere regels gesteld.
3.De eisen die zijn opgenomen in het eerste lid, aanhef en
onderdeel b, en de regels die op grond van het tweede lid worden
gesteld ten aanzien van de diversificatie van waarden zijn niet van
toepassing op beleggingen in staatsobligaties.
Artikel 131. Leningen
1.Een beroepspensioenfonds gaat geen leningen aan, tenzij de lening
tijdelijk wordt aangegaan voor liquiditeitsdoelstellingen en treedt
niet namens derde partijen op als garant.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ten aanzien van het eerste lid met betrekking tot de
tijdelijkheid van de lening en de liquiditeitsdoelstellingen.
Artikel 132. Financiering voorwaardelijke toeslagverlening
1.Beroepspensioenfondsen kunnen de voorwaardelijke toeslagverlening
financieren door:
a. het creëren van technische voorzieningen;
b. het creëren van eigen vermogen boven het vereist eigen
vermogen ten behoeve van de toeslagverlening;
c. het putten uit het eigen vermogen boven het vereist eigen
vermogen ten behoeve van de toeslagverlening;
d. het hanteren van een opslag op de premie; of
e. overrendement.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld inzake het eerste lid.
Artikel 133. Langetermijnherstelplan
1.Wanneer een beroepspensioenfonds voorziet of redelijkerwijs kan
voorzien dat het niet meer voldoet of zal voldoen aan de bij of
krachtens artikel 127 gestelde vereisten ten aanzien van het eigen
vermogen, meldt het beroepspensioenfonds dit onverwijld aan de
toezichthouder.
2.In de in het eerste lid bedoelde situatie dient het
beroepspensioenfonds binnen drie maanden of zoveel eerder als de
toezichthouder bepaalt ter instemming bij de toezichthouder een
concreet en haalbaar langetermijnherstelplan in. In dit
langetermijnherstelplan werkt het beroepspensioenfonds uit hoe het
uiterlijk binnen 15 jaar zal voldoen aan artikel 127.
3.Het beroepspensioenfonds handelt onverwijld overeenkomstig het
langetermijnherstelplan.
4.Het beroepspensioenfonds rapporteert gedurende de uitvoering van
het langetermijnherstelplan de toezichthouder jaarlijks of het herstel
verloopt overeenkomstig de doelstellingen van het
langetermijnherstelplan; waarbij wordt aangegeven:
a. welke activiteiten het beroepspensioenfonds in het afgelopen
jaar heeft uitgevoerd;
b. welke resultaten deze activiteiten tot dan toe hebben gehad;
en
c. hoe de actuele positie van het beroepspensioenfonds is.
5.De toezichthouder beoordeelt ten minste eenmaal per drie jaar of
aanvullende maatregelen nodig zijn zodat het langetermijnherstelplan
ook daadwerkelijk kan worden gerealiseerd.
6.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent de inhoud en opstelling van een
langetermijnherstelplan.
Artikel 134. Ingrijpende wijzigingen tijdens uitvoering
langetermijnherstelplan
1.Wanneer gedurende de looptijd van het langetermijnherstelplan,
bedoeld in artikel 133, ingrijpende wijzigingen plaatsvinden in:
a. de samenstelling van de technische voorzieningen; of
b. de samenstelling, de omvang en de waarde van de beleggingen,
meldt het beroepspensioenfonds dit onverwijld aan de
toezichthouder.
2.De toezichthouder geeft aan of:
a. het bestaande langetermijnherstelplan kan worden
gehandhaafd;
b. het bestaande langetermijnherstelplan binnen drie maanden
dan wel eerder moet worden vervangen door een nieuw
langetermijnherstelplan, waarbij rekening gehouden wordt met de
reeds verstreken looptijd van het te vervangen
langetermijnherstelplan. Dit nieuwe langetermijnherstelplan wordt
ter instemming bij de toezichthouder ingediend; dan wel
c. het bestaande langetermijnherstelplan kan worden ingetrokken
en niet vervangen hoeft te worden door een nieuw
langetermijnherstelplan.
Artikel 135. Kortetermijnherstelplan
1.Wanneer een beroepspensioenfonds voorziet of redelijkerwijs kan
voorzien dat het niet meer voldoet of niet zal voldoen aan de bij of
krachtens artikel 126 gestelde vereisten ten aanzien van het minimaal
vereist eigen vermogen, meldt het beroepspensioenfonds dit onverwijld
aan de toezichthouder.
2.In de in het eerste lid bedoelde situatie dient het
beroepspensioenfonds binnen twee maanden of zoveel eerder als de
toezichthouder bepaalt, een concreet en haalbaar
kortetermijnherstelplan ter instemming bij de toezichthouder in. In
dit kortetermijnherstelplan werkt het beroepspensioenfonds uit hoe het
uiterlijk binnen drie jaar zal voldoen aan artikel 126waarbij:
a. de kans op herstel verbetert;
b. de risico’s voor de aanspraak- en pensioengerechtigden
niet toenemen; en
c. de kans op toeslagverlening niet negatief wordt beïnvloed.
3.In afwijking van het tweede lid geldt voor het
kortetermijnherstelplan een termijn van een jaar indien:
a. niet is voldaan aan de voorwaarden in het tweede lid sub a,
b en c; of
b. het beroepspensioenfonds bijdragen ontvangt van een in een
andere lidstaat gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot.
4.Het beroepspensioenfonds handelt onverwijld overeenkomstig het
kortetermijnherstelplan.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent de inhoud en opstelling van een
kortetermijnherstelplan.
Artikel 136. Mogelijkheid tot ontheffing
1.De toezichthouder kan, rekening houdend met de specifieke
situatie van het beroepspensioenfonds en in het belang van de
aanspraak- en pensioengerechtigden, op aanvraag van een
beroepspensioenfonds geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van
het bij of krachtens deartikelen 126, 127, 129, eerste lid, onderdeel
a, 132 en 133 bepaalde, indien het beroepspensioenfonds aantoont dat
daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden
die deze artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
2.De toezichthouder kan in bijzondere gevallen, rekening houdend
met de specifieke situatie van het beroepspensioenfonds en in het
belang van de aanspraak- en pensioengerechtigden, op aanvraag van een
beroepspensioenfonds dat geen bijdragen ontvangt van een in een andere
lidstaat gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot, geheel of
gedeeltelijk, ontheffing verlenen van het bij of krachtens artikel 135
bepaalde.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld waaraan de houder van een ontheffing dient te voldoen
en met betrekking tot het verlenen van de ontheffing.
Artikel 137. Langere termijnen bij uitzonderlijke situatie
Onze Minister kan na overleg met de toezichthouder vrijstelling
verlenen van de in artikel 133 en135 genoemde termijnen van 15 jaar
respectievelijk drie en een jaar, indien er sprake is van een
uitzonderlijke economische situatie waardoor een groot aantal
beroepspensioenfondsen niet kan voldoen aan de bij of krachtens deze wet
gestelde vereisten inzake het vereiste eigen vermogen en het minimaal
vereist eigen vermogen.
Artikel 138. Beheerste en integere bedrijfsvoering
1.Een beroepspensioenfonds richt zijn organisatie zodanig in dat
deze een beheerste en integere bedrijfsvoering waarborgt.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot het eerste lid. De regels hebben in ieder
geval betrekking op:
a. het beheersen van bedrijfsprocessen en bedrijfrisico’s;
b. integriteit;
c. de soliditeit van het beroepspensioenfonds, waaronder wordt
verstaan:
1°. het beheersen van financiële risico’s; en
2°. het beheersen van andere risico’s die de soliditeit
van het beroepspensioenfonds kunnen aantasten;
d. het beheersen van de financiële positie over de lange
termijn door periodiek een continuïteitsanalyse te maken.
Artikel 139. Parameters
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden, ten behoeve van de
berekeningen, bedoeld bij de artikelen 121,123, 133, 135 en 138,
regels gesteld over:
a. het minimale percentage van het gemiddelde loon-of
prijsindexcijfer;
b. het maximaal te hanteren gemiddelde rendement op
vastrentende waarden; en
c. de maximaal te hanteren risicopremies op onder andere
aandelen en onroerend goed.
2.De in het eerste lid bedoelde regels worden iedere drie jaren
getoetst, rekening houdend met financieel-economische ontwikkelingen
in het verleden en realistische inzichten ten aanzien van toekomstige
financieel-economische verwachtingen.
3.Voordat de voordracht van de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur wordt gedaan vraagt Onze Minister het oordeel
van een commissie bestaande uit een vertegenwoordiger van De
Nederlandsche Bank N.V., van het Centraal Planbureau, twee leden op
voordracht van de Stichting van de Arbeid en een door Onze Minister
aan te wijzen lid.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de in het derde lid bedoelde commissie.
5.De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 140. Actuariële en bedrijfstechnische nota
1. Het beroepspensioenfonds stelt een actuariële en
bedrijfstechnische nota vast waarin in elk geval een omschrijving is
opgenomen van de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bij of
krachtens deartikelen 35, 103, 121 tot en met 132 en 138 bepaalde. De
actuariële en bedrijfstechnische nota bevat voorts een verklaring
inzake beleggingsbeginselen en een beschrijving van de
sturingsmiddelen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld ten aanzien van de actuariële en bedrijfstechnische nota.
3. Voorzover risico’s zijn overgedragen, verzekerd of
ondergebracht kan de omschrijving, bedoeld in het eerste lid, beperkt
blijven tot een verwijzing naar hetgeen daarover in de betreffende
overeenkomsten is opgenomen.
4. De verklaring inzake beleggingsbeginselen wordt om de drie jaren
en voorts onverwijld na iedere belangrijke wijziging van het
beleggingsbeleid herzien.
Artikel 141. Jaarrekening en jaarverslag
Een beroepspensioenfonds met zetel in Nederland stelt binnen zes
maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening en het jaarverslag
overeenkomstig titel 9, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vast, met dien
verstande dat artikel 390 van genoemd wetboek niet van toepassing is en
dat de in artikel 360, derde lid, 396 en 397 van genoemd wetboek
geformuleerde uitzonderingen niet van toepassing zijn.
Artikel 142. Staten
1. Een beroepspensioenfonds doet het boekjaar gelijk lopen met het
kalenderjaar.
2. Een beroepspensioenfonds verstrekt periodiek binnen de daartoe
vastgestelde termijnen staten aan de toezichthouder die de
toezichthouder nodig heeft voor de juiste uitoefening van zijn taak,
bedoeld in artikel 146.
3. De staten omvatten uitsluitend:
a. informatie over de organisatie van het beroepspensioenfonds;
b. een bestuursverslag;
c. een balans;
d. informatie over financiële relaties en transacties van het
beroepspensioenfonds;
e. een rekening van baten en lasten;
f. informatie inzake de dekkingsgraad;
g. informatie inzake het vereist eigen vermogen;
h. actuariële staten, gewaarmerkt door een bevoegde actuaris,
waaronder een actuarieel verslag voorzien van een verklaring van
een actuaris;
i. informatie over het deelnemersbestand;
j. informatie inzake de uitgevoerde beroepspensioenregeling en
eventueel andere door het beroepspensioenfonds uitgevoerde
regelingen;
k. premiegegevens;
l. informatie inzake verzekering;
m. informatie inzake verplichtingen van het
beroepspensioenfonds voor risico van de deelnemers.
4. Met zijn verklaring bedoeld in het derde lid, onderdeel h,
bevestigt de actuaris dat hij zich ervan heeft overtuigd dat voldaan
is aan de artikelen 121 tot en met 135. Hij is bevoegd zijn verklaring
nader toe te lichten of op enig punt een voorbehoud te maken.
5. De staten zijn periodiek voorzien van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een accountant. Ten bewijze dat de staten
door hem zijn onderzocht, waarmerkt de accountant de staten.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot:
a. de inhoud en de modellen van de staten; en
b. de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de
verstrekking.
Artikel 143. Onafhankelijkheid actuaris
1.De bevoegde actuaris die het actuarieel verslag waarmerkt, is
onafhankelijk van het beroepspensioenfonds en verricht geen andere
werkzaamheden voor het beroepspensioenfonds.
2.Het is de waarmerkende actuaris niet toegestaan de werkzaamheden,
bedoeld inartikel 142, vierde lid, uit te oefenen voor een
beroepspensioenfonds wanneer een andere actuaris of andere deskundige
die behoort tot dezelfde organisatie als de waarmerkende actuaris,
andere werkzaamheden verricht voor hetzelfde beroepspensioenfonds,
tenzij de organisatie van de waarmerkende actuaris een door de
toezichthouder goedgekeurde gedragscode heeft over de
onafhankelijkheid van de waarmerkende actuaris.
Artikel 143a. Verbod kapitaalcontracten
Een beroepspensioenfonds kan niet overgaan tot verzekering bij een
verzekeraar indien de verzekering gebaseerd is op een kapitaalcontract.
Een kapitaalcontract is een overeenkomst tussen een beroepspensioenfonds
en een verzekeraar waarbij geldt dat:
a. risico’s van het beroepspensioenfonds gedurende de
contractsperiode worden verzekerd;
b. de daarbij behorende pensioenaanspraken en pensioenrechten na
afloop van de contractsperiode niet op verzoek van het
beroepspensioenfonds premievrij bij de verzekeraar achter kunnen
worden gelaten; en
c. de waarden die behoren bij het ouderdomspensioen of
nabestaandenpensioen op kapitaalbasis gedurende de contractsperiode
geheel of gedeeltelijk in juridisch eigendom van de verzekeraar
zijn.
Artikel 144. Verplichting tot overdracht, verzekering of
onderbrenging
De toezichthouder kan een beroepspensioenfonds de verplichting
opleggen om binnen een door de toezichthouder te stellen termijn over te
gaan tot verzekering bij een verzekeraar, overdracht aan een verzekeraar
of onderbrenging bij een beroepspensioenfonds indien dit naar het
oordeel van de toezichthouder noodzakelijk is in verband met:
a. de actuariële en bedrijfstechnische opzet van het
beroepspensioenfonds; of
b. de deskundigheid en betrouwbaarheid van het bestuur.
Artikel 145. Overdracht, verzekering of onderbrenging bij eindigen
beroepspensioenregeling
Wanneer een beroepspensioenregeling eindigt tijdens de periode waarin
een kortetermijnherstelplan van kracht is:
a. stelt het beroepspensioenfonds de toezichthouder hiervan op de
hoogte;
b. gaat het beroepspensioenfonds binnen een door de
toezichthouder te stellen termijn over tot het verzekeren bij een
verzekeraar, overdragen aan een verzekeraar of onderbrengen bij een
beroepspensioenfonds van de pensioenverplichtingen op basis van een
procedure welke ter kennis en instemming van de toezichthouder wordt
gebracht; en
c. stelt het beroepspensioenfonds een algemeen overzicht van de
procedure, bedoeld in onderdeel b, beschikbaar voor de deelnemers,
gewezen deelnemers en pensioengerechtigden of de vertegenwoordigers
van de genoemde personen in overeenstemming met het
vertrouwelijkheidbeginsel.
Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige taken toezichthouder
§ 1. De toezichthouder
Artikel 146. Toezichthouders
1.De Stichting Autoriteit Financiële Markten is belast met het
gedragstoezicht.
2.Gedragstoezicht is toezicht gericht op de naleving van de normen
ten aanzien van voorlichting door pensioenuitvoerders aan deelnemers,
gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden en de
normen ten aanzien van de advisering van de deelnemer of gewezen
deelnemer bij de uitvoering van premieregelingen met
beleggingsvrijheid waarbij de deelnemer of gewezen deelnemer de
verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen.
3.De Nederlandsche Bank N.V. is belast met het prudentieel toezicht
en het materieel toezicht.
4.Prudentieel toezicht is toezicht gericht op de normen ten aanzien
van de financiële soliditeit van beroepspensioenfondsen en het
bijdragen aan de financiële stabiliteit van de sector van
beroepspensioenfondsen.
5.Materieel toezicht is toezicht gericht op alle normen in deze wet
die geen onderdeel uitmaken van gedrags- of prudentieel toezicht.
6.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn de bij besluit van de toezichthouder aangewezen personen
belast. Van een besluit als bedoeld in de eerste volzin wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
7.Bij algemene maatregel van bestuur:
a. worden regels gesteld omtrent de toedeling van de taken en
bevoegdheden met betrekking tot het prudentieel toezicht, het
gedragstoezicht en het materieel toezicht van deze wet aan de
toezichthouders;
b. worden regels gesteld over de wijze waarop de
toezichthouders samenwerken; en
c. worden eisen gesteld aan de toezichthouders, waaronder
voorschriften gericht op een zodanige besluitvorming binnen de
toezichthouder dat een onafhankelijke vervulling van de uit deze
wet voortvloeiende taken en bevoegdheden is gewaarborgd.
Artikel 147. Geen beoordeling individuele gevallen
1.De toezichthouder treedt bij de uitoefening van het toezicht op
de naleving van deze wet niet in de beoordeling van de individuele
rechtsverhouding tussen:
a. een pensioenuitvoerder en een beroepspensioenvereniging;
b. een pensioenuitvoerder en een beroepsgenoot; en
c. een pensioenuitvoerder en een aanspraak- of
pensioengerechtigde.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op de
uitvoeringsovereenkomst en het pensioenreglement.
Artikel 148. Kwaliteitseisen
1.De toezichthouder draagt met betrekking tot de uitoefening van
zijn taken en bevoegdheden uit hoofde van deze wet zorg voor:
a. een tijdige voorbereiding en een voor de onder toezicht
staanden kenbare, transparante en consistente uitvoering;
b. de kwaliteit van de daarbij gebruikte procedures;
c. de zorgvuldige behandeling van een ieder die met hem in
aanraking komt;
d. de zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften en klachten
die worden ontvangen.
2.De toezichthouder treft voorzieningen, waardoor een ieder die met
hem in aanraking komt in de gelegenheid is voorstellen tot verbetering
van werkwijzen en procedures te doen.
3.In het jaarverslag, bedoeld in artikel 151, doet de
toezichthouder verslag van hetgeen tot uitvoering van het eerste en
het tweede lid is verricht.
§ 2. Rekening en verantwoording
Artikel 149. Begroting
1.De toezichthouder stelt jaarlijks een begroting op van de in het
daaropvolgende jaar te verwachten baten en lasten,
investeringsuitgaven alsmede inkomsten en uitgaven met betrekking tot
de uitvoering van de bij en krachtens deze wet opgedragen taken en de
daaruit voortvloeiende werkzaamheden. De begroting wordt op een
zodanige wijze opgesteld dat de lasten en de uitgaven structureel
worden gedekt door de baten en de inkomsten.
2.De begrotingsposten worden van een toelichting voorzien.
3.Tenzij de werkzaamheden waarop de begroting betrekking heeft nog
niet eerder werden verricht, bevat de begroting een vergelijking met
de begroting van het lopende jaar en de laatste jaarrekening of
verantwoording waarmee Onze Minister heeft ingestemd.
4.Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of
dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en
lasten, dan wel inkomsten en uitgaven, of in het in de begroting
vervatte beleid, doet de toezichthouder daarvan onverwijld mededeling
aan Onze Minister onder vermelding van de verschillen en hun oorzaak
en zonodig onder indiening van een gewijzigde of aanvullende
begroting.
Artikel 150. Instemming met begroting
1.De toezichthouder zendt de begroting, bedoeld in artikel 149,
eerste lid, voor 1 december van het aan het begrotingsjaar
voorafgaande jaar, en de begroting, bedoeld in artikel 149, vierde
lid, onverwijld ter instemming aan Onze Minister.
2.De instemming met de begroting kan worden onthouden wegens strijd
met het recht of het algemeen belang. Ingeval van gebleken
strijdigheid wordt instemming niet onthouden dan nadat de
toezichthouder in de gelegenheid is gesteld de begroting aan te
passen, binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn.
3.De toezichthouder doet onverwijld na instemming mededeling van de
begroting in de Staatscourant en houdt deze gedurende ten minste twee
jaren na instemming op elektronische wijze ter inzage.
4.Wanneer Onze Minister niet voor 1 januari van het jaar waarop
deze betrekking heeft met de begroting heeft ingestemd, kan de
toezichthouder, in het belang van een juiste uitvoering van zijn taak,
voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven
beschikken over ten hoogste vier twaalfde gedeelten van de bedragen
die bij de overeenkomstige onderdelen in de begroting van het
voorafgaande jaar waren toegestaan.
Artikel 151. Jaarverslag
1.De toezichthouder stelt jaarlijks een jaarverslag op. Het
jaarverslag beschrijft de taakuitoefening en het daartoe gevoerde
beleid uit hoofde van deze wet in het voorafgaande jaar. Het
jaarverslag beschrijft voorts het gevoerde beleid met betrekking tot
de kwaliteitszorg.
2.De toezichthouder zendt het jaarverslag voor 1 mei van het op het
boekjaar volgende jaar aan Onze Minister.
3.De toezichthouder houdt het jaarverslag gedurende ten minste twee
jaren op elektronische wijze ter inzage.
Artikel 152. Jaarrekening of verantwoording
1.De toezichthouder stelt jaarlijks een jaarrekening of
verantwoording op van de bij of krachtens deze wet opgedragen taken en
de daaruit voortvloeiende werkzaamheden. De jaarrekening van de
Stichting Autoriteit Financiële Markten wordt zoveel mogelijk met
overeenkomstige toepassing van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek ingericht.
2.De jaarrekening of verantwoording gaat vergezeld van een
verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de
toezichthouder aangewezen accountant.
3.De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede lid,
een verslag van zijn bevindingen omtrent de rechtmatige inning en
besteding van de middelen door de toezichthouder uit hoofde van deze
wet.
4.De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede lid,
tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en
de organisatie van de toezichthouder uit hoofde van deze wet voldoen
aan eisen van doelmatigheid.
5.De toezichthouder zendt de jaarrekening of verantwoording voor 1
mei van het op het boekjaar volgende jaar ter instemming aan Onze
Minister.
6.De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht of
het algemeen belang.
7.De toezichthouder houdt, na instemming, de jaarrekening of
verantwoording gedurende ten minste twee jaren op elektronische wijze
ter inzage.
Artikel 153. Nadere regelgeving
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de inhoud
en indiening van de begroting, het jaarverslag en de jaarrekening of
verantwoording.
Artikel 154. Exploitatiesaldo
1.Het verschil tussen de aan het eind van een begrotingsjaar
gerealiseerde baten en inkomsten van de toezichthouder en de
gerealiseerde lasten en uitgaven van de toezichthouder vormt het
exploitatiesaldo.
2.Indien in enig boekjaar een exploitatiesaldo ontstaat en de
toezichthouder dit exploitatiesaldo wil betrekken bij de in het
lopende jaar in rekening te brengen kosten, bedoeld in artikel 155,
doet de toezichthouder daaromtrent een voorstel in de jaarrekening of
verantwoording.
Artikel 155. Kosten toezicht
1. De toezichthouder brengt de kosten van de werkzaamheden die hij
verricht in verband met de uitvoering van de taken op grond van deze
wet in rekening bij de pensioenuitvoerders ten aanzien waarvan die
werkzaamheden worden verricht, voor zover deze kosten niet ten laste
komen van de Rijksbegroting. Tot de kosten behoren onder meer de
kosten die hij ter voorbereiding op de uitvoering van nieuwe
onderdelen van zijn taak heeft gemaakt, voordat deze aan hem werden
opgedragen. De kosten voor verzekeraars, premiepensioeninstellingen en
beroepspensioenfondsen worden gescheiden in rekening gebracht.
2. De kosten worden gebaseerd op de begroting waarmee Onze Minister
heeft ingestemd en op het exploitatiesaldo, indien Onze Minister heeft
ingestemd met de jaarrekening of verantwoording waarin een voorstel
als bedoeld inartikel 154, tweede lid, is opgenomen.
3. Op de begrote kosten worden de opbrengsten uit bestuurlijke
boeten en verbeurde lasten onder dwangsom, voor zover de hieraan ten
grondslag liggende besluiten van de toezichthouder in het voorafgaande
jaar onherroepelijk zijn geworden, in mindering gebracht.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld met betrekking tot dit artikel waarbij onderscheid kan
worden gemaakt tussen incidenteel en jaarlijks in rekening te brengen
kosten. De nadere regels hebben onder meer betrekking op de wijze
waarop de toezichtkosten worden berekend, de toerekening van
toezichthandelingen en -kosten aan pensioenuitvoerders en de
doorberekening van de toezichtkosten aan de pensioenuitvoerders.
Artikel 156. Overleg kosten toezicht
1.De toezichthouder organiseert overleg over:
a. de door de toezichthouder op te stellen begroting;
b. de door de toezichthouder gerealiseerde baten en lasten
alsmede inkomsten en uitgaven, en verrichte werkzaamheden;
c. de kosten voor de pensioenuitvoerders die verband houden met
de uitvoering van de taken op grond van deze wet en de daaruit
voortvloeiende werkzaamheden; en
d. de jaarrekening of verantwoording.
2.Het overleg wordt gevoerd door de toezichthouder en een daarvoor
in aanmerking komende representatieve vertegenwoordiging van de onder
zijn toezicht staande pensioenuitvoerders. Onze Minister kan
ambtenaren aanwijzen die namens hem het overleg bijwonen.
3.Het overleg vindt minimaal twee maal per jaar plaats.
4.De toezichthouder maakt het verslag van het overleg binnen een
redelijke termijn na het overleg openbaar.
Artikel 157. Uitsluiting beroep
Tegen besluiten van Onze Minister inzake instemming met de begroting
of de jaarrekening of verantwoording kan geen beroep worden ingesteld
als bedoeld in artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht.
§ 3. Bevoegdheden Onze Minister
Artikel 158. Uitvoeringstoezicht: Inspectie Werk en Inkomen
1.Onze Minister houdt toezicht op:
a. de rechtmatigheid van de uitvoering van deze wet door de
toezichthouder;
b. de doeltreffendheid van de uitvoering van deze wet door de
toezichthouder.
2.Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt onder gezag van
Onze Minister uitgeoefend door de Inspectie Werk en Inkomen, genoemd
in hoofdstuk 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, onder leiding van het hoofd van die inspectie. De artikelen
37, 38 en 44 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 159. Verstrekking informatie ten behoeve van toezicht door
Onze Minister
1.Onze Minister is bevoegd aan de toezichthouder de gegevens of
inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een
onderzoek naar de wijze waarop de toezichthouder de uit deze wet
voortvloeiende taken en bevoegdheden uitvoert of heeft uitgevoerd.
2.De toezichthouder verstrekt kosteloos aan Onze Minister de in het
eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen. Indien Onze Minister de
toezichthouder vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken
die op grond van deze wet omtrent afzonderlijke pensioenuitvoerders,
werkgevers of natuurlijke personen zijn verstrekt of zijn verkregen,
is de toezichthouder niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te
verstrekken, indien deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot
een afzonderlijke pensioenuitvoerder, werkgever of natuurlijke
persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking
hebben op of herleidbaar zijn tot een pensioenuitvoerder of werkgever
ten aanzien waarvan surséance van betaling is verleend, die in staat
van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke
uitspraak is ontbonden.
3.Onze Minister kan een derde opdragen de gegevens of inlichtingen
die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan
hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in
zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen
in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van
overeenkomstige toepassing zijn.
4.Onze Minister gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij
ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend voor het
vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de
wijze waarop de toezichthouder de bij of krachtens deze wet opgedragen
taken en toegekende bevoegdheden uitoefent of heeft uitgeoefend.
5.Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn
verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede
volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen.
6.Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de
aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit
getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies
in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.
7.De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman
zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde
gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht
werkende derde onder zich heeft.
Artikel 160. Aanwijzing door Onze Minister
1.Onze Minister kan aan de toezichthouder een aanwijzing geven over
de uitoefening van de aan de toezichthouder bij of krachtens deze wet
opgedragen taken en toegekende bevoegdheden wanneer de toezichthouder
hierin naar het oordeel van Onze Minister tekort schiet. Onze Minister
treedt daarbij niet in individuele gevallen.
2.De toezichthouder is gehouden overeenkomstig de aanwijzing te
handelen.
Artikel 161. Taakverwaarlozing
1.Indien naar het oordeel van Onze Minister de toezichthouder een
of meerdere van zijn bij of krachtens deze wet opgedragen taken
ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen
treffen.
2.Ter uitvoering van het eerste lid kan Onze Minister besluiten een
of meer onderdelen van de taken van de toezichthouder zelf uit te
voeren of door een andere organisatie te laten uitvoeren. Alsdan komen
de desbetreffende bevoegdheden van de toezichthouder toe aan Onze
Minister onderscheidenlijk de andere toezichthouder.
3.De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet
eerder getroffen dan nadat de toezichthouder in de gelegenheid is
gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog
zijn taak naar behoren uit te voeren.
4.Onze Minister stelt beide kamers der Staten-Generaal onverwijld
in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in het
eerste lid.
§ 4. Handhaving
§ 4.1. Algemeen– in Nederland zetel hebbende pensioenuitvoerders
Artikel 162. Kosteloze informatieverstrekking
De pensioenuitvoerder, de beroepspensioenvereniging, de accountant en
de actuaris verstrekken aan de toezichthouder kosteloos de door deze
gevorderde inlichtingen, gegevens en bescheiden.
Artikel 163. Inlichtingenbevoegdheid toezichthouder
1.De toezichthouder kan ten behoeve van het toezicht op de naleving
van deze wet van een ieder inlichtingen vorderen.
2.De artikelen 5:13 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn
van overeenkomstige toepassing.
3.Voorzover de toezichthouder voor het uitoefenen van het
gedragstoezicht ten aanzien van beroepspensioenfondsen waaraan de
andere toezichthouder een vergunning heeft verleend of welke in het
register is opgenomen, gegevens nodig heeft over aspecten van de
bedrijfsvoering, bedoeld inartikel 138, tweede lid, onderdeel a en b,
vordert de eerstgenoemde toezichthouder geen inlichtingen, dan nadat
de andere toezichthouder is verzocht deze gegevens te verstrekken en
is gebleken dat de andere toezichthouder niet aan dit verzoek tegemoet
kan komen.
4.Van het derde lid kan, na overleg met de andere toezichthouder,
worden afgeweken indien sprake is van een redelijk vermoeden van een
overtreding van de regels bij of krachtens deze wet gesteld en
onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 164. Bewaarplicht gegevens ten behoeve van toezichthouder
1.De pensioenuitvoerder en de beroepspensioenvereniging zijn
verplicht de zakelijke gegevens en bescheiden die betrekking hebben op
beroepspensioenregelingen en andere bij of krachtens deze wet
geregelde onderwerpen in Nederland beschikbaar te hebben en deze
gedurende ten minste zeven jaren na het boekjaar waarop ze betrekking
hebben beschikbaar te houden.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op een verzekeraar met
zetel in een andere lidstaat van de Europese Unie.
Artikel 165. Informatie- en meldingsverplichting accountant en
actuaris
1.Een accountant die het onderzoek naar de staten, bedoeld in
artikel 142, vijfde lid, uitvoert meldt de toezichthouder zo spoedig
mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van het
onderzoek kennis heeft gekregen en die:
a. in strijd is met deze wet;
b. de nakoming van de door het beroepspensioenfonds aangegane
verplichtingen bedreigt; of
c. leidt tot de weigering van het afgeven van de verklaring
omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
2.Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, is van
overeenkomstige toepassing op de actuaris die het onderzoek naar de
staten, bedoeld inartikel 142, vierde lid, uitvoert.
3.De accountant of actuaris verstrekt zo spoedig mogelijk kosteloos
alle inlichtingen aan de toezichthouder die deze redelijkerwijs nodig
heeft voor het toezicht op de naleving van deze wet. De toezichthouder
stelt het betrokken beroepspensioenfonds in de gelegenheid aanwezig te
zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de accountant of
actuaris.
4.De accountant of actuaris biedt desgevraagd de toezichthouder
inzicht in zijn controlewerkzaamheden.
5.De accountant of actuaris die op grond van dit artikel tot een
melding of het verstrekken van inlichtingen aan de toezichthouder is
overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde als gevolg
daarvan lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle
feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding of het
verstrekken van inlichtingen had mogen worden overgegaan.
Artikel 166. Aanwijzing
1.De toezichthouder kan een pensioenuitvoerder die niet voldoet aan
hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, door middel van het
geven van een aanwijzing verplichten om binnen een door de
toezichthouder gestelde redelijke termijn ten aanzien van in de
aanwijzingsbeschikking aangegeven punten een bepaalde gedragslijn te
volgen.
2.De toezichthouder kan een aanwijzing als bedoeld in het eerste
lid eveneens aan een beroepspensioenfonds geven indien hij tekenen
ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de
solvabiliteit, de liquiditeit of de bedrijfsvoering van het
beroepspensioenfonds in gevaar kunnen brengen.
Artikel 167. Benoeming curator
1.De toezichthouder kan besluiten een of meer personen te benoemen
als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen van het
beroepspensioenfonds indien dat beroepspensioenfonds niet voldoet aan
hetgeen ingevolge deze wet is bepaald.
2.Het besluit ingevolge het eerste lid wordt slechts genomen:
a. nadat door het beroepspensioenfonds niet of niet volledig
binnen de gestelde termijn aan een aanwijzing als bedoeld
inartikel 166 gevolg is gegeven;
b. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding een
adequate functionering van het beroepspensioenfonds ernstig in
gevaar brengt en dat beroepspensioenfonds voorafgaand in de
gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen over
het voorgenomen besluit; of
c. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding de belangen
van de aanspraak- en pensioengerechtigden ernstig in gevaar brengt
en dat beroepspensioenfonds voorafgaand in de gelegenheid is
gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen over het voorgenomen
besluit.
3.Onverminderd het eerste en tweede lid kan de toezichthouder
besluiten een of meer personen te benoemen als curator ten aanzien van
alle of bepaalde organen of vertegenwoordigers van een
beroepspensioenfonds indien hij bij dat beroepspensioenfonds tekenen
ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de
solvabiliteit, of de liquiditeit van dat beroepspensioenfonds in
gevaar kunnen brengen.
4.Het benoemingsbesluit bevat onder meer een beschrijving van de
belangen waardoor de curator zich dient te laten leiden. De
toezichthouder benoemt de curator voor ten hoogste twee jaren, met de
mogelijkheid om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te
verlengen; de verlenging wordt terstond van kracht. Met ingang van het
tijdstip waarop het besluit tot benoeming van de curator aan het
beroepspensioenfonds is bekendgemaakt mogen de desbetreffende organen
of vertegenwoordigers hun bevoegdheden slechts uitoefenen na
goedkeuring door de curator en met inachtneming van de opdrachten van
de curator.
5.Na de benoeming van een curator:
a. verlenen de organen en de vertegenwoordigers van het
beroepspensioenfonds de curator alle medewerking;
b. kan de toezichthouder de betrokken organen of
vertegenwoordigers van het beroepspensioenfonds toestaan bepaalde
rechtshandelingen zonder goedkeuring te verrichten;
c. kan de toezichthouder te allen tijde de door hem aangewezen
curator vervangen;
d. is voor schade ten gevolge van handelingen, die zijn
verricht in strijd met een besluit als bedoeld in het eerste of
derde lid, elke persoon die deel uitmaakt van het orgaan van het
beroepspensioenfonds dat deze handelingen verrichtte, hoofdelijk
aansprakelijk tegenover het beroepspensioenfonds, tenzij het
verrichten van deze handelingen niet aan hem is te verwijten en
hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de
gevolgen daarvan af te wenden;
e. zijn de handelingen, bedoeld in onderdeel d, voorzover deze
rechtshandelingen zijn, vernietigbaar, indien de wederpartij wist
of behoorde te weten dat de vereiste goedkeuring ontbrak.
6.Zodra de omstandigheid, bedoeld in het eerste of derde lid niet
langer aanwezig is, trekt de toezichthouder het besluit tot benoeming
van de curator in. De toezichthouder maakt het besluit tot intrekking
onverwijld bekend aan het beroepspensioenfonds.
7.De toezichthouder kent aan een op grond van het eerste lid
aangewezen persoon een bezoldiging toe. De bezoldiging komt ten laste
van:
a. het beroepspensioenfonds of, wanneer de financiële
omstandigheden van het beroepspensioenfonds dit niet toestaan;
b. de toezichthouder.
Artikel 168. Bewindvoerder over een beroepspensioenfonds
1.Op verzoek van de toezichthouder kan de ondernemingskamer van het
gerechtshof te Amsterdam over een beroepspensioenfonds een
bewindvoerder aanstellen, indien:
a. een beroepspensioenfonds blijk geeft van een zodanig
wanbeleid dat de belangen van de aanspraak- en
pensioengerechtigden een onmiddellijke voorziening vereisen; of
b. het bestuur is komen te ontbreken.
2.De toezichthouder dient zijn verzoekschrift tot aanstelling van
een bewindvoerder in tweevoud in. De griffier doet een exemplaar van
het verzoekschrift onverwijld aan het beroepspensioenfonds toekomen.
3.Indien de ondernemingskamer het verzoek toewijst, bepaalt zij de
duur waarvoor de bewindvoerder wordt aangesteld. Zij kan deze duur op
verzoek van de toezichthouder of van de bewindvoerder verlengen dan
wel verkorten. De ondernemingskamer kent de bewindvoerder een
bezoldiging toe ten laste van:
a. het beroepspensioenfonds of, wanneer de financiële
omstandigheden van het beroepspensioenfonds dit niet toestaan;
b. de toezichthouder.
4.De bewindvoerder treedt in de plaats van het bestuur of een of
meerdere door de ondernemingskamer aangewezen leden van het bestuur
van het beroepspensioenfonds.
5.De voorlopige tenuitvoerlegging van de beschikking tot
aanstelling van een bewindvoerder kan worden bevolen, indien het
verzoek daartoe is gedaan op een van de gronden, genoemd in het eerste
lid, onderdelen a en b.
Artikel 169. Onbevoegd verklaring accountant of actuaris
1.Indien een accountant of actuaris niet of niet meer de nodige
waarborgen biedt dat deze zijn taak met betrekking tot het
beroepspensioenfonds naar behoren zal kunnen vervullen, kan de
toezichthouder ten aanzien van deze accountant of actuaris bepalen dat
hij niet langer bevoegd is de in deze wet bedoelde verklaringen met
betrekking tot dat beroepspensioenfonds af te leggen.
2.De toezichthouder doet mededeling van het besluit, bedoeld in het
eerste lid, aan het beroepspensioenfonds.
Artikel 170. Last onder dwangsom
1. De toezichthouder kan een last onder dwangsom opleggen ter zake
van een overtreding van de voorschriften, gesteld bij of krachtens
deze wet en van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter
zake van de uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van een
last onder dwangsom.
Artikel 171. Bestuurlijke boete
1. De toezichthouder kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake
van een overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de
artikelen 8, 21, 22, 23, 25,26, 35, 36, 38, 39, eerste lid, 39,
zevende lid, voor zover het betreft de overeenkomstige toepassing van
artikel 39, eerste lid, 43, 44, 46 tot en met 59, 60, 61, tweede en
vierde lid, 62, 63, 69, 72, 73, 74, 75, 78, derde tot en met zesde,
negende en elfde lid, 79, tweede lid, 80, tweede lid, 82, eerste tot
en met vijfde en zevende lid, 85, tweede en derde lid, 91, tweede en
zevende lid, 92, tweede en zevende lid, 93, eerste lid, 94, eerste en
tweede lid, 95, 99, 102, tweede lid, 103, 104, 105, 106, 107, 108,110,
eerste, tweede, derde, vijfde tot en met achtste en tiende lid,113,
114, 115, 116, 117, 118, 123, 124, 125, 129, tweede, vierde en vijfde
lid, 130, 131, 132, 133, eerste tot en met vierde en zesde lid, 134,
135, 138, 140, 141, 142, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid,
145, 162, 164, 165, eerste tot en met vierde lid, 166, eerste lid,167,
vijfde lid, 191, 193, 197, derde en vierde lid, 198 en van artikel
5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 172 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 173 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 174. Hoogte bestuurlijke boete
1. Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald bij algemene
maatregel van bestuur, met dien verstande dat de bestuurlijke boete
voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 4 000 000 bedraagt.
Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn
verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de
overtreder ter zake van eenzelfde overtreding, wordt het bedrag van de
bestuurlijke boete, bedoeld in de eerste volzin, voor een
afzonderlijke overtreding verdubbeld.
2. De algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in het eerste lid, bepaalt bij elke daarin omschreven
overtreding het bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke boete.
De overtredingen worden gerangschikt in categorieën naar zwaarte van de
overtreding met de daarbij behorende basisbedragen, minimumbedragen en
maximumbedragen. Daarbij wordt de volgende indeling gebruikt:
|
Categorie |
Basisbedrag |
Minimumbedrag |
Maximumbedrag |
|
1 |
€ 10 000,– |
€ 0,– |
€ 10 000,– |
|
2 |
€ 500 000,– |
€ 0,– |
€ 1 000 000,– |
|
3 |
€ 2 000 000,– |
€ 0,– |
€ 4 000 000,– |
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid kan de toezichthouder de hoogte van de bestuurlijke
boete vaststellen op ten hoogste twee keer het bedrag van het
voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen
indien diens voordeel groter is dan€ 2 000 000.
Artikel 175 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 176 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 177 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 178 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 179. Schorsende werking bij bestuurlijke boete
1. Indien tegen een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke
boete bezwaar of beroep wordt aangetekend, schorst dit de verplichting
tot betaling van de bestuurlijke boete totdat de beroepstermijn is
verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2. De schorsing van de verplichting tot betaling schorst niet de
berekening van de wettelijke rente.
Artikel 180 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 181 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 182 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 183. Mogelijkheid van openbaarmaking
1.De toezichthouder kan met het oog op de bescherming van de
belangen van de pensioen- of aanspraakgerechtigden ter openbare kennis
brengen, indien nodig onder vermelding van de overwegingen die tot die
kennisgeving hebben geleid:
a. overtreding van de verbodsbepalingen uit deze wet en de
overtredingen, bedoeld in artikel 195;
b. het feit ter zake waarvan een aanwijzing is gegeven, het
overtreden voorschrift, het feit dat de aanwijzing is gegeven en
de door de pensioenuitvoerder te volgen gedragslijn, alsmede de
naam, het adres en de vestigingsplaats van de pensioenuitvoerder
aan wie de aanwijzing is gegeven;
c. het feit ter zake waarvan een last onder dwangsom of een
bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, het
feit dat de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is
opgelegd, alsmede de naam, het adres en de vestigingsplaats van de
overtreder aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete
is opgelegd;
d. het feit dat een herstelplan als bedoeld inartikel 133 of
artikel 135 is ingediend, alsmede de naam, het adres en de
vestigingsplaats van het beroepspensioenfonds dat het herstelplan
heeft ingediend.
2.Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter
zake van de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 184. Kennisgeving openbaarmaking en inhoud beschikking
1.De toezichthouder stelt, indien hij besluit een openbare
kennisgeving uit te zullen vaardigen als bedoeld inartikel 183 de
betrokken pensioenuitvoerder in kennis van het besluit.
2.De beschikking vermeldt in ieder geval de geconstateerde
overtreding, de inhoud van de kennisgeving, de gronden waarop het
besluit berust alsmede de wijze waarop en de termijn waarna de
openbare kennisgeving zal worden uitgevaardigd.
Artikel 185. Schorsende werking bij openbaarmaking
1.Het ter openbare kennis brengen geschiedt niet eerder dan nadat
vijf werkdagen zijn verstreken na de bekendmaking van de beschikking,
bedoeld in artikel 184, aan de betrokkene.
2.Indien de betrokkene verzoekt om een voorlopige voorziening,
bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de
werking van de beschikking opgeschort totdat er een uitspraak is van
de voorzieningenrechter van de rechtbank.
Artikel 186. Verplichting tot openbaarmaking
De toezichthouder maakt een besluit tot het aanstellen van een
bewindvoerder ingevolge deze wet na bekendmaking openbaar, tenzij de
openbaarmaking van het besluit in strijd is of zou kunnen komen met het
doel van het door de toezichthouder uit te oefenen toezicht op de
naleving van deze wet.
§ 4.2. Vergunningverlening en toezicht grensoverschrijdende
activiteiten van in Nederland zetel hebbende beroepspensioenfondsen
Artikel 187. Vergunningverlening
De vergunning, bedoeld in artikel 25, onderdeel a, wordt op aanvraag
door de toezichthouder verleend wanneer het beroepspensioenfonds:
a. is ingeschreven in het register, bedoeld inartikel 204; en
b. voldoet aan de artikelen 110, 121, 138 en 142, tweede lid en
artikel 11 van richtlijn 2003/41/EG.
Artikel 188. Nadere voorschriften en intrekking vergunning
De toezichthouder kan de vergunning, bedoeld in artikel 25, onderdeel
a, geheel of gedeeltelijk intrekken of daaraan nadere voorschriften
verbinden wanneer:
a. het pensioenfonds niet langer voldoet aan artikel 187;
b. de bij de aanvraag verstrekte gegevens onjuist of onvolledig
zijn en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een
andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de vergunning
zou hebben geleid;
c. de verlening van de vergunning anderszins onjuist was en het
fonds dit wist of behoorde te weten; of
d. van de vergunning gedurende twee jaren, na de dagtekening van
de beschikking waarbij de vergunning is verleend, geen gebruik is
gemaakt.
Artikel 189. Toetsing en mededeling van kennisgeving
1.De toezichthouder doet binnen drie maanden na ontvangst van de
gegevens, bedoeld in artikel 26, tweede lid, mededeling van deze
gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de
zelfstandige of beroepsgenoot is gevestigd, tenzij het
beroepspensioenfonds niet beschikt over de vergunning, bedoeld in
artikel 25, onderdeel a, of de toezichthouder reden heeft te
betwijfelen dat de administratieve structuur of de financiële positie
van het beroepspensioenfonds, of de deskundigheid en betrouwbaarheid
van de personen die het fonds besturen met de in die lidstaat
voorgenomen activiteiten verenigbaar zijn.
2.De toezichthouder doet gelijktijdig mededeling aan het fonds van
de verstrekking van de gegevens aan de bevoegde autoriteiten, bedoeld
in het eerste lid.
3.De toezichthouder doet mededeling aan het fonds van informatie
over de toepasselijke bepalingen van sociale en arbeidswetgeving,
ontvangen van de bevoegde autoriteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 190. Uitvoering grensoverschrijdende activiteit
Een beroepspensioenfonds kan na ontvangst van de mededeling, bedoeld
inartikel 189, derde lid, dan wel nadat twee maanden zijn verstreken na
ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 189, tweede lid,
beginnen met het uitvoeren van de voorgenomen pensioenregeling.
Artikel 191. Verbod uitvoering grensoverschrijdende activiteit
1.De toezichthouder verbiedt een beroepspensioenfonds bijdragen te
ontvangen van een zelfstandige of beroepsgenoot die is gevestigd in
een andere lidstaat wanneer de toezichthouder reden heeft tot twijfel
als bedoeld in artikel 189, eerste lid, of het fonds niet beschikt
over een vergunning als bedoeld in artikel 25, onderdeel a.
2.De toezichthouder kan een fonds verbieden nog langer bijdragen te
ontvangen van een zelfstandige of beroepsgenoot die is gevestigd in
een andere lidstaat wanneer door de bevoegde autoriteiten van de
lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende sociale
en arbeidswetgeving van toepassing is, melding heeft gemaakt van een
door het fonds gemaakte inbreuk op de toepasselijke sociale en
arbeidswetgeving.
3.De toezichthouder legt een verbod als bedoeld in dit artikel op
in de vorm van een aanwijzing als bedoeld in artikel 166.
Artikel 192. Maatregelen tegen inbreuk sociale en arbeidswetgeving
De toezichthouder neemt, in coördinatie met de bevoegde autoriteiten
van de lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende
sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de
beroepspensioenregeling, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
een beroepspensioenfonds een einde maakt aan een vastgestelde inbreuk op
de toepasselijke regelgeving.
§ 4.3. Toezicht grensoverschrijdende activiteiten
pensioeninstellingen uit andere lidstaat
Artikel 193. Voorwaarden uitvoering Nederlandse
beroepspensioenregeling
Het is een pensioeninstelling uit een andere lidstaat verboden
bijdragen te aanvaarden van een in Nederland gevestigde zelfstandige of
beroepsgenoot zonder:
a. een daartoe verleende vergunning van de bevoegde autoriteiten
van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit een andere lidstaat
haar zetel heeft; en
b. de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de
pensioeninstelling zetel heeft in kennis te hebben gesteld van het
voornemen een beroepspensioenregeling uit te voeren voor een in
Nederland gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot.
Artikel 194. Informatie over toepasselijke sociale en
arbeidswetgeving
1. De toezichthouder informeert, binnen twee maanden na de datum
van ontvangst van gegevens als bedoeld in artikel 26, tweede lid, de
bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit
een andere lidstaat haar zetel heeft en die deze gegevens hebben
verstrekt, over de bepalingen van de Nederlandse sociale en
arbeidswetgeving die van toepassing zijn op de beroepspensioenregeling
waaraan wordt bijgedragen door de in Nederland gevestigde zelfstandige
of beroepsgenoot.
2. De toezichthouder stelt de bevoegde autoriteiten, bedoeld in het
eerste lid, in kennis van elke significante wijziging in de op de
beroepspensioenregeling toepasselijke sociale en arbeidswetgeving die
gevolgen kan hebben voor de kenmerken van de pensioenregeling.
Artikel 195. Niet-naleving toepasselijke regelgeving
Wanneer de toezichthouder blijkt dat een pensioeninstelling uit een
andere lidstaat bij de uitvoering van een pensioenregeling waaraan wordt
bijgedragen door een in Nederland gevestigde zelfstandige of
beroepsgenoot in strijd met de Nederlandse sociale en arbeidswetgeving
handelt, stelt de toezichthouder de bevoegde autoriteiten van de
lidstaat waar de pensioeninstelling haar zetel heeft hiervan onverwijld
in kennis, onder mededeling van deze kennisgeving aan de
pensioeninstelling uit een andere lidstaat.
Artikel 196. Handhavingsbevoegdheden
1.Indien een pensioeninstelling uit een andere lidstaat inbreuk
blijft maken op de op de pensioenregeling toepasselijke Nederlandse
sociale en arbeidswetgeving, in weerwil van de door de bevoegde
autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit een andere
lidstaat haar zetel heeft getroffen maatregelen of omdat die bevoegde
autoriteiten geen passende maatregelen hebben getroffen, kan de
toezichthouder, na die bevoegde autoriteiten daarvan in kennis te
hebben gesteld, passende maatregelen nemen om de inbreuk op de
toepasselijke regelgeving door de pensioeninstelling te beëindigen
en, voorzover zulks volstrekt noodzakelijk is, de pensioeninstelling
te beletten activiteiten te verrichten voor de Nederlandse bijdragende
zelfstandige of beroepsgenoot.
2.De toezichthouder kan, ter uitvoering van het eerste lid, de
bevoegdheden, bedoeld in deartikelen 166, 170 en 171 toepassen.
3.De toezichthouder kan, na toepassing van artikel 195, de
bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 166, 170 en 171 toepassen
wanneer een pensioeninstelling uit een andere lidstaat artikel 193
niet naleeft.
§ 5. Overige taken en bevoegdheden
Artikel 197. Verstrekken, verzamelen en bewerken van beleidsmatige
informatie
1.De toezichthouder verstrekt op verzoek, kosteloos, aan Onze
Minister alle gegevens en inlichtingen die voor het door Onze Minister
te voeren beleid inzake pensioen en het onderzoek naar de
toereikendheid van deze wet noodzakelijk zijn.
2.De toezichthouder beheert ten behoeve van de uitvoering van de in
het eerste lid bedoelde taak een databank, stelt een informatieplan en
een beheersplan op en zendt deze plannen aan Onze Minister. De
toezichthouder zendt wijzigingen in het informatieplan en het
beheersplan aan Onze Minister.
3.Pensioenuitvoerders verstrekken de toezichthouder desgevraagd en
kosteloos alle gegevens en inlichtingen die deze nodig heeft voor het
vervullen van de in het eerste lid beschreven taak.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent de in de databank op te nemen gegevens en
inlichtingen, de wijze waarop de gegevens en inlichtingen worden
verwerkt en beheerd en de instellingen aan wie gegevens uit de
databank worden verstrekt.
Artikel 198. Geheimhoudingsplicht
1.Het is een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of
van ingevolge deze wet genomen besluiten enige taak vervult of heeft
vervuld, verboden van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die
ingevolge deze wet dan wel ingevolge afdeling 5.2 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn verstrekt of verkregen of van een persoon of
instantie als bedoeld in artikel 197, derde lid, onderscheidenlijk
199, eerste lid, zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of
daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitvoering
van zijn taak of door deze wet wordt geëist.
2.In afwijking van het eerste lid kan de toezichthouder met
gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen
bij de uitvoering van zijn taak op grond van deze wet, mededelingen
doen, indien deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke
personen.
Artikel 199. Verstrekking gegevens of inlichtingen aan andere
toezichthouders
1. De toezichthouder kan, in afwijking vanartikel 198, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering
van zijn taak op grond van deze wet, verstrekken aan de andere
toezichthouder of een toezichthoudende instantie, tenzij:
a. het doel waarvoor de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op
pensioenuitvoerders;
c. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de
openbare orde;
d. de geheimhouding van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met
de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan
waarvoor deze worden verstrekt.
2. Voorzover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste
lid, zijn verkregen van een toezichthoudende instantie, verstrekt de
toezichthouder deze niet aan de andere toezichthouder of aan een
andere toezichthoudende instantie, tenzij de toezichthoudende
instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen
uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of
inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik
voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn
verstrekt.
3. Indien een toezichthoudende instantie aan de toezichthouder die
de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond van het eerste of
tweede lid heeft verstrekt, verzoekt om die vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij
zijn verstrekt, willigt de toezichthouder dat verzoek slechts in:
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste
of tweede lid; of
b. voorzover die toezichthoudende instantie op een andere wijze
dan in deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de
daarvoor geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de
beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen
verkrijgen; en
c. na overleg met Onze Minister van Veiligheid en Justitie,
indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een
onderzoek naar strafbare feiten.
4. De Autoriteit Financiële Markten dan wel het
organisatieonderdeel van De Nederlandsche Bank N.V. dat is belast met
de in artikel 146, derde lid, genoemde taak kan vertrouwelijke
informatie of gegevens verstrekken aan het organisatieonderdeel van De
Nederlandsche Bank N.V. dat is belast met het vervullen van haar
monetaire taak, voorzover de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
dienstig zijn voor de uitoefening van die taak.
5. Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige
toepassing op het uitwisselen van vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen tussen de met verschillende taken belaste
organisatieonderdelen van de toezichthouder.
Artikel 200. Verstrekking aan anderen met taak op grond van deze wet
1.De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 198, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering
van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan een
persoon als bedoeld in de onderdelen a, b, c, d of e voorzover de
gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn
taak:
a. een bewindvoerder die ingevolge artikel 168 is benoemd;
b. een rechter-commissaris die ingevolge artikel 223a van de
Faillissementswet is benoemd;
c. een bewindvoerder die ingevolge artikel 215, tweede lid, van
de Faillissementswet is benoemd;
d. een rechter-commissaris die ingevolge artikel 14 van de
Faillissementswet is benoemd;
e. een curator die ingevolge artikel 14 van de
Faillissementswet is aangesteld.
2.De toezichthouder verstrekt geen vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen als bedoeld in het eerste lid:
a. indien de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met
de belangen die deze wet beoogt te beschermen;
b. indien de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zijn
verkregen van de andere toezichthouder of een toezichthoudende
instantie, en deze andere toezichthouder of die toezichthoudende
instantie niet instemt met het verstrekken van de vertrouwelijke
gegevens of inlichtingen.
3.De curator die is aangesteld in het faillissement van een
pensioenuitvoerder kan, in afwijking van artikel 198, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid
verstrekken aan de rechtbank, voorzover die geen betrekking hebben op
een onderneming die betrokken is of betrokken is geweest bij een
poging de pensioenuitvoerder in staat te stellen zijn activiteiten
voort te zetten.
4.Artikel 198, eerste lid, laat onverlet de toepasselijkheid van de
bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering welke
betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie
van partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van
een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de
vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voorzover het
gaat om vertrouwelijke gegevens of inlichtingen omtrent een
pensioenuitvoerder die in staat van faillissement is verklaard of op
grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. De vorige volzin is
niet van toepassing op vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die
betrekking hebben op een onderneming die betrokken is of betrokken is
geweest bij een poging de desbetreffende pensioenuitvoerder in staat
te stellen zijn activiteiten voort te zetten.
Artikel 201. Informatieverstrekking ten behoeve van strafvorderlijk
onderzoek
1.De toezichthouder kan, in afwijking vanartikel 198,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering
van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan een
instantie die is belast met de uitoefening van strafvorderlijke
bevoegdheden of aan een deskundige die door een dergelijke instantie
met een opdracht is belast, voor zover de verlangde gegevens of
inlichtingen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die opdracht.
2.Indien de instantie, bedoeld in het eerste lid, het voornemen
heeft toepassing te geven aan de bevoegdheid tot het bij de
toezichthouder vorderen van de uitlevering van een voor inbeslagneming
vatbaar voorwerp of aan de bevoegdheid tot het vorderen van de inzage
of een afschrift van bescheiden als bedoeld in artikel 96a, 105 of
126a van het Wetboek van Strafvordering, of artikel 18 of 19 van de
Wet op de economische delicten, en de vordering betreft vertrouwelijke
gegevens of inlichtingen als bedoeld in artikel 198, eerste lid, stelt
die instantie voorafgaand aan de uitoefening van haar bevoegdheid de
toezichthouder in de gelegenheid zijn zienswijze hierover kenbaar te
maken.
Artikel 202. Verstrekking aan anderen
1. De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 198, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling
van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan:
a. een accountant die het onderzoek naar de staten uitvoert,
bedoeld in artikel 142, vijfde lid, of die is belast met de
wettelijke controle van de jaarrekening van een
pensioenuitvoerder, voorzover de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen betrekking hebben op die pensioenuitvoerder en
noodzakelijk zijn voor de controle; of
b. een actuaris die het onderzoek naar de staten uitvoert,
bedoeld in artikel 142, vierde lid, of die is belast met de
wettelijke controle van een pensioenuitvoerder, voorzover de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen betrekking hebben op die
pensioenuitvoerder en noodzakelijk zijn voor de controle.
2. De toezichthouder verstrekt geen vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen op grond van het eerste lid indien:
a. het doel waarvoor de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op
pensioenuitvoerders;
c. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de
openbare orde;
d. de geheimhouding van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met
de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan
waarvoor deze worden verstrekt.
3. Voorzover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste
lid, zijn verkregen van een toezichthoudende instantie, verstrekt de
toezichthouder deze niet aan de andere toezichthouder of aan een
andere toezichthoudende instantie, tenzij de toezichthoudende
instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen
uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of
inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik
voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn
verstrekt.
4. Indien een instantie of persoon als bedoeld in het eerste lid
aan de toezichthouder die de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
op grond van dat lid heeft verstrekt, verzoekt om die vertrouwelijke
gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan
waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de toezichthouder dat verzoek
slechts in:
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste,
tweede of derde lid; of
b. voorzover die instantie of persoon op een andere wijze dan
in deze wet voorzien met inachtneming van de daarvoor geldende
wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over die
gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en
c. na overleg met Onze Minister van Veiligheid en Justitie
indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een
onderzoek naar strafbare feiten.
Artikel 203. Periodiek overleg met belanghebbenden
De toezichthouder organiseert ten minste één keer per jaar een
overleg met belanghebbenden aangaande pensioenen.
Artikel 204. Beheren register beroepspensioenfondsen
De toezichthouder beheert een register waarin alle
beroepspensioenfondsen met zetel in Nederland worden ingeschreven. In
het register wordt, indien van toepassing, vermeld in welke lidstaten
een fonds pensioenregelingen uitvoert.
Artikel 205. Samenwerking met toezichthouders andere lidstaten en
Europese Commissie
De toezichthouder is verplicht nauw samen te werken met de Europese
Commissie en de bevoegde autoriteiten uit andere lidstaten dan
Nederland, overeenkomstig richtlijn 2003/41/EG.
Artikel 206. Ontheffing
1.De toezichthouder kan desgevraagd in bijzondere gevallen van het
bepaalde bij of krachtens artikel 142, eerste en tweede lid,
ontheffing verlenen, indien hij van oordeel is, dat de belangen van de
personen die betrokken zijn bij een pensioenregeling voldoende
gewaarborgd zijn.
2.De ontheffing wordt verleend bij beschikking.
Artikel 207. Nadere voorschriften inzake ontheffing
1.De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.
2.Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
3.De ontheffing kan worden ingetrokken wanneer:
a. een of meer van de redenen waarom zij is verleend is of zijn
vervallen;
b. na de verlening zich zodanige feiten of omstandigheden
hebben voorgedaan of zijn gebleken dat, indien deze ook ten tijde
van de verlening bekend waren geweest, de ontheffing niet of niet
in die vorm zou zijn verleend;
c. een of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet
wordt nageleefd.
4.De toezichthouder stelt beleidsregels vast over de verlening van
ontheffing.
§ 6. Overige bepalingen
Artikel 208. Informatievoorziening Staten-Generaal
1.Onze Minister zendt jaarlijks het jaarverslag, de verantwoording
en alle andere van belang zijnde door de toezichthouder aan Onze
Minister uitgebrachte toezichtrapportages, in de vorm waarin zij aan
hem zijn voorgelegd, zonodig voorzien van zijn oordeel, aan de
Staten-Generaal.
2.Onze Minister zendt elke vijf jaar een verslag aan de
Staten-Generaal over de doelmatigheid en doeltreffendheid van het
functioneren van de toezichthouder.
Artikel 209. Strafrechtelijke sanctionering
1.Overtreding van de artikelen 107, 162, 164, 165, eerste tot en
met vierde lid, en 167, vijfde lid, onderdeel a, wordt gestraft met
een geldboete van de tweede categorie. Overtreding van artikel 166,
eerste lid, wordt gestraft met een geldboete van de vierde categorie.
2.Met een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft
overtreding van voorschriften, krachtens deze wet bij algemene
maatregel van bestuur gegeven, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar
feit in de zin dezer wet aangeduid.
3.De in of krachtens dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Hoofdstuk 7. Rechtsvordering
Artikel 210. Dwangbevel
1.Indien een premie na aanmaning per aangetekende brief niet of
niet geheel binnen dertig dagen wordt voldaan kan de
pensioenuitvoerder, vertegenwoordigd door de personen die op grond van
de statuten bevoegd zijn de pensioenuitvoerder in rechte te
vertegenwoordigen, de premie, wettelijke of reglementaire renten of
reglementaire boeten en de aanmaningskosten invorderen bij dwangbevel.
2.De in het eerste lid bedoelde aanmaning vermeldt de inhoud van
het eerste en vierde tot en met het achtste lid van dit artikel en van
artikel 7, derde lid.
3.Het dwangbevel houdt in:
a. de naam en de zetel van de pensioenuitvoerder;
b. de namen van de vertegenwoordigers, bedoeld in het eerste
lid;
c. de naam, het beroep, de woonplaats en het adres van de
schuldenaar;
d. het bedrag van de achterstallige premies, dat van de
wettelijke of reglementaire renten of reglementaire boeten,
voorzover daarop aanspraak wordt gemaakt en de aanmaningskosten
voorzover daarop aanspraak wordt gemaakt, alsmede de gronden
waarop de vordering berust;
e. de datum waarop de in het eerste lid bedoelde aanmaning is
geschied.
4.Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met
toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering ten uitvoer kan worden gelegd.
5.Het dwangbevel kan niet ten uitvoer worden gelegd voordat acht
dagen na de betekening daarvan zijn verstreken. De persoon aan wie het
dwangbevel is gericht kan gedurende dertig dagen na de betekening door
middel van dagvaarding tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel
in verzet komen bij de kantonrechter van de plaats waar hij woont.
Indien de persoon buiten Nederland woont dan wel in Nederland geen
vaste woonplaats heeft, kan hij in verzet komen bij de kantonrechter
van de rechtbank van het arrondissement waarin het kantoor is
gevestigd van de pensioenuitvoerder.
6.Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel
voorzover deze door het verzet wordt bestreden.
7.Indien het verzet zich richt of mede richt tegen de hoogte van de
gevorderde reglementaire rente of reglementaire boete, kan de rechter
indien deze hem bovenmatig voorkomt, de bedongen reglementaire rente
of reglementaire boete matigen, met dien verstande dat deze niet
minder kan bedragen dan de wettelijke rente.
8.Het recht tot invorderen bij dwangbevel strekt zich uit tot de
kosten van vervolging.
Artikel 211. Bevoegde rechter
1.Voor burgerlijke rechtsvorderingen ter zake van deelneming in en
uitkering op grond van een beroepspensioenregeling is de kantonrechter
bevoegd.
2.In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is
voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te
Rotterdam bevoegd.
Artikel 212. Enquêterecht
1.Het verantwoordingsorgaan, bedoeld inartikel 42, eerste lid,
onderdeel a, kan een verzoek in het kader van het recht op enquête,
bedoeld in afdeling 2 van titel 8 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek, indienen bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te
Amsterdam indien voorafgaand aan de indiening van dat verzoek het
intern toezicht, bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel b, zich
daarover heeft uitgesproken.
2.De artikelen 346 tot en met 359 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.
3.De kosten die verband houden met het indienen van het in het
eerste lid bedoelde verzoek komen ten laste van het
beroepspensioenfonds indien zij redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor
de vervulling van de taak van het verantwoordingsorgaan en het
beroepspensioenfonds van de te maken kosten vooraf in kennis is
gesteld.
Hoofdstuk 8. Overgangs-en slotbepalingen
Artikel 213. Evaluatiebepaling
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze
wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk op het terrein van communicatie,
toezicht en administratieve lasten.
Artikel 214. Overgangsrecht
1. Ten aanzien van een beroepspensioenregeling die voor 1 januari
2006 is verplichtgesteld, doet Onze Minister de eerste keer het
verzoek, bedoeld in artikel 11, eerste lid, ten minste acht weken
voordat er vijf jaren zijn verstreken sinds 1 januari 2006, tenzij er
na 1 januari 2006 een wijziging van de verplichtstelling heeft
plaatsgevonden.
2. Artikel 17 is slechts van toepassing op detacheringen die op of
na 25 juli 2001 zijn aangevangen.
3. De laatste volzin van artikel 66, eerste lid, is ten aanzien van
aanspraken die zijn opgebouwd voor 1 januari 2006 en die op 1 januari
2006 niet voldoen aan de laatste volzin van artikel 66, eerste lid,
gedurende tien jaren na 1 januari 2006 niet van toepassing, met dien
verstande dat de financiering van die aanspraken ten minste in gelijke
delen per kalenderjaar plaatsvindt. De toezichthouder kan toestaan
dat, in afwijking van de eerste zin, gedurende een langere periode,
maar niet langer dan gedurende vijftien jaar geen toepassing wordt
gegeven aan de laatste volzin van artikel 66, eerste lid, voor zover
dat noodzakelijk is ter voorkoming van onaanvaardbare financiële
gevolgen voor de betrokken beroepspensioenregeling of de betrokken
beroepsgenoten.
4. Voor de toepassing van artikel 8 wordt onder«een daartoe door
een beroepspensioenvereniging opgericht beroepspensioenfonds» mede
verstaan een beroepspensioenfonds dat een beroepspensioenregeling
uitvoert die voor 1 januari 2006 is verplichtgesteld of ten aanzien
waarvan voor die datum een aanvraag tot verplichtstelling is gedaan,
met betrekking tot de uitvoering van die regeling.
5. Indien een beroepspensioenfonds voor de datum van
inwerkingtreding van artikel II, onderdeel E, van de Verzamelwet
pensioenen 2012 is overgegaan tot verzekering bij een verzekeraar op
basis van een kapitaalcontract als bedoeld in artikel 143a geldt het
verbod tot verzekering op basis van een kapitaalcontract, bedoeld in
artikel 143a, na afloop van het contract of een verlenging daarvan
doch uiterlijk vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel II, onderdeel E, van de Verzamelwet pensioenen 2012.
Artikel 215. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 6 oktober 2005
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de eerste november 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Bijlage als bedoeld in
artikel 90 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
Artikel 1
Voor de overtredingen genoemd in
tabel 1 en tabel 2, begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 90 van deze wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als
volgt:
|
Tariefnummer |
Bedrag (vast
tarief) |
|
1. |
€ 453 |
|
2. |
€ 907 |
|
3. |
€ 5 445 |
|
4. |
€ 21 781 |
Artikel 2
1. Indien een boete wordt opgelegd
voor het overtreden van een bepaling als genoemd in tabel 1, is
bij de vaststelling van de hoogte van deze boete de volgende
categorie-indeling naar balanstotaal van toepassing met de daarbij
behorende factor:
Categorie I:
beroepspensioenfondsen met een balanstotaal minder dan € 9
075 604: factor 1;
Categorie II:
beroepspensioenfondsen met een balanstotaal van ten minste €
9 075 604 maar minder dan € 45 378 022: factor 2;
Categorie III:
beroepspensioenfondsen met een balanstotaal van ten minste €
45 378 022 maar minder dan € 226 890 108: factor 3;
Categorie IV:
beroepspensioenfondsen met een balanstotaal van ten minste €
226 890 108 maar minder dan € 453 780 216: factor 4;
Categorie V:
beroepspensioenfondsen met een balanstotaal van meer dan €
453 780 216: factor 5.
2. De boete wordt vastgesteld door
het bedrag, bedoeld in artikel 1, te vermenigvuldigen met de
factor behorende bij de categorie naar balanstotaal, bedoeld in
het eerste lid.
3. Indien de gegevens omtrent het
balanstotaal niet aan De Nederlandsche Bank N.V. beschikbaar zijn
gesteld, kan De Nederlandsche Bank N.V. aan degene aan wie de
boete wordt opgelegd, verzoeken deze gegevens binnen een door haar
te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet
binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de
vaststelling van de hoogte van de boete categorie V van
toepassing.
Artikel 3
Op grond van artikel 92, tweede lid,
van deze wet behoeft de betrokkene niet in de gelegenheid te worden
gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete is
opgelegd, indien het een overtreding betreft waarvoor tariefnummer 1
is vastgesteld
Tabel
| Overtredingen
van voorschriften gesteld bij artikel: |
Tariefnummer |
|
6 |
5 |
|
19 |
2 |
|
20 |
3 |
|
21 |
5 |
|
22a |
3 |
|
22b |
2 |
|
22c |
3 |
|
23 |
5 |
|
24 |
5 |
|
28 |
3 |
|
32 |
3 |
|
37 |
3 |
|
38 |
5 |
|
39 |
3 |
|
41, eerste lid |
5 |
|
42 |
3 |
|
44 |
4 |
|
45 |
4 |
|
50, eerste lid |
3 |
|
50, tweede lid |
4 |
|
50, derde lid |
4 |
|
51 |
3 |
|
53 |
2 |
|
54, eerste lid |
2 |
|
55 |
1 |
|
57 |
4 |
|
58 |
4 |
|
59 |
5 |
|
59, eerste lid |
5 |
|
59, derde lid |
5 |
|
59a, tweede lid |
5 |
|
59a, derde lid |
3 |
|
60 |
4 |
|
60a |
4 |
|
61, eerste lid |
3 |
|
61, tweede lid |
3 |
|
63, eerste lid |
1 |
|
63, tweede lid |
1 |
|
63, derde lid |
1 |
|
63, vierde lid |
2 |
|
63, vijfde lid |
2 |
|
71, eerste lid |
3 |
|
71i |
3 |
|
71k |
3 |
|
72, derde lid |
3 |
|
72, vierde lid |
3 |
|
73 |
3 |
|
74, eerste lid |
3 |
|
74, tweede lid |
3 |
|
75, eerste lid |
3 |
|
79, tweede lid |
3 |
|
79, derde lid |
3 |
|
81, tweede lid |
4 |
|
82, eerste lid |
4 |
|
82, derde lid |
3 |
|