Nadere regelgeving:
- Besluit
bestuurlijke boetes financiële sector
- Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
- Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte
deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000
- Regeling gemoedsbezwaarden Bpf 2000
- Vrijstellings-
en boetebesluit Wet Bpf 2000
WET van 21 december 2000, houdende nieuwe
regeling voor verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (Wet
verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in
verband met modernisering van de pensioenwetgeving, de Wet betreffende
verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds in te trekken en te
vervangen door een nieuwe wet ter zake;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Definities
Artikel 1. Definities
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. de Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;
c. pensioen: het pensioen, bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet;
d. werkgever: de werkgever, bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet;
e. werknemer: de werknemer, bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet;
f. bedrijfstakpensioenfonds: het bedrijfstakpensioenfonds,
bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;
g. deelnemer: de deelnemer, bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet;
h. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen,
samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met
verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld,
ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en
doelvermogens;
i. verplichtstelling: de verplichte deelneming in een
bedrijfstakpensioenfonds op grond van artikel 2, eerste lid.
§ 2. Verplichtstelling
Artikel 2. De verplichtstelling
1.Onze Minister kan op aanvraag van het georganiseerde
bedrijfsleven binnen een bedrijfstak dat naar zijn oordeel een
belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen
vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor een
of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak
werkzaam zijn, verplichtstellen.
2.De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een verklaring waaruit blijkt dat de organisaties die de
aanvraag doen, een belangrijke meerderheid van de in die
bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigen;
b. een authentiek afschrift van de akte van oprichting van het
desbetreffende bedrijfstakpensioenfonds;
c. een door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds
gewaarmerkt exemplaar van de reglementen;
d. een actuariële en bedrijfstechnische nota als bedoeld in
artikel 145 van de Pensioenwet;
e. een authentiek afschrift van de akte houdende wijziging van
de statuten indien er een wijziging van de statuten heeft
plaatsgevonden, en
f. een door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds
gewaarmerkt exemplaar van de wijzigingen van de reglementen indien
er een wijziging van de reglementen heeft plaatsgevonden.
3.Van de verplichtstelling zijn arbitrale bedingen als bedoeld in
artikel 1020, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering uitgesloten.
4.Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de aanvraag
alsmede met betrekking tot het tweede lid nadere regels worden
gesteld.
§ 3. Gevolgen verplichtstelling
Artikel 3. Gevolgen van de verplichtstelling
1. Zolang de verplichtstelling duurt zijn de artikelen 4 tot en met
26 en de daarop berustende bepalingen van toepassing.
2. Na beëindiging van de verplichtstelling blijven de artikelen 4
tot en met 26 en de daarop berustende bepalingen van toepassing
voorzover ze betrekking hebben op de periode waarover de
verplichtstelling duurde.
Artikel 4. Naleven van statuten en reglementen
De deelnemers alsmede, voorzover het werknemers betreft, hun
werkgevers leven de statuten en reglementen en de daarop gebaseerde
besluiten van het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds na.
Artikel 5
Het bedrijfstakpensioenfonds draagt er zorg voor dat in het
economisch verkeer geen ander lichaam gebruik maakt van een naam of het
merk dat door het bedrijfstakpensioenfonds wordt gebruikt dan wel
gebruik maakt van een naam, merk of daarmee overeenstemmend teken indien
door dat gebruik de mogelijkheid bestaat dat bij het publiek een
associatie wordt gewekt tussen de naam of het merk van het
bedrijfstakpensioenfonds en de naam, het merk of het teken dat het
lichaam gebruikt.
Artikel 6. Gegevensverstrekking
1.Het bedrijfstakpensioenfonds verstrekt gegevens betreffende een
deelnemer, een gewezen deelnemer of een andere rechthebbende op
pensioen slechts aan de desbetreffende deelnemer en zijn werkgever, de
desbetreffende gewezen deelnemer of de desbetreffende andere
rechthebbende op pensioen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. er sprake is van een wettelijke verplichting tot
gegevensverstrekking,
b. gegevensverstrekking noodzakelijk is voor de uitvoering van
de pensioenregeling,
c. gegevensverstrekking noodzakelijk is in verband met
waardeoverdracht als bedoeld in artikel 71 van de Pensioenwet,
d. het gegevensverstrekking betreft aan de Nederlandsche Bank
voorzover deze gegevensverstrekking nodig is voor de vervulling
van haar krachtens deze wet en de Pensioenwet opgelegde taken, of
e. er sprake is van het verstrekken van naam-, adres-, en
woonplaatsgegevens aan verenigingen met volledige
rechtsbevoegdheid die als statutair doel of mede als statutair
doel hebben het behartigen van de belangen van haar leden als
belanghebbenden bij een bedrijfstakpensioenfonds.
3.Indien er gegevensverstrekking als bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b of onderdeel e heeft plaatsgevonden, zijn het eerste en
het tweede lid van overeenkomstige toepassing op de persoon of de
rechtspersoon aan wie de gegevens zijn verstrekt.
4.In afwijking van het eerste lid kan een deelnemer, gewezen
deelnemer of een andere rechthebbende, het bedrijfstakpensioenfonds
machtigen zijn gegevens te verstrekken aan een door hem aan te wijzen
derde. Het bedrijfstakpensioenfonds onthoudt zich daarbij van
suggesties met betrekking tot de aan te wijzen derde.
Artikel 7. Informatie aan deelnemers
1.Behoudens het geven van algemene informatie, geeft het
bedrijfstakpensioenfonds deelnemers, gewezen deelnemers en andere
rechthebbenden op pensioen slechts informatie over regelingen die door
het bedrijfstakpensioenfonds zelf worden uitgevoerd.
2.Indien er in verband met de uitvoering van een pensioenregeling
gegevensverstrekking, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel
b, heeft plaatsgevonden, is het eerste lid van overeenkomstige
toepassing op de persoon of de rechtspersoon aan wie de gegevens zijn
verstrekt.
Artikel 8. Bijdrage
1.De door of voor de deelnemers verschuldigde bijdrage is voor alle
deelnemers gelijk of bedraagt voor alle deelnemers een gelijk
percentage van het loon dan wel van het gedeelte van het loon dat voor
de pensioenberekening in aanmerking wordt genomen, met dien verstande
dat er voor verschillende vormen van pensioen en voor verschillende
pensioenregelingen verschillende bijdragen kunnen worden vastgesteld.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op de door of voor
deelnemers verschuldigde bijdragen ten behoeve van vrijwillige
pensioenvoorzieningen.
3.In afwijking van het eerste lid worden voor verschillende
pensioenregelingen die worden uitgevoerd door hetzelfde
bedrijfstakpensioenfonds geen verschillende bijdragen vastgesteld
indien die pensioenregelingen dezelfde of nagenoeg dezelfde inhoud
hebben.
4.Het derde lid is niet van toepassing indien bij een
bedrijfstakpensioenfonds sprake is van een regeling die voor alle
deelnemers geldt en de actuariële waarde van de uit die regeling
voortvloeiende verplichtingen ten minste tweederde van de actuariële
waarde van de uit het totaal van de pensioenregelingen van het fonds
anders dan regelingen voor nabestaanden- of invaliditeitspensioen,
voortvloeiende verplichtingen met uitzondering van de uit de
vrijwillige pensioenvoorzieningen voortvloeiende verplichtingen,
betreft.
Artikel 9. Wijziging van de statuten of reglementen
1.Indien een wijziging van de statuten heeft plaatsgevonden zendt
het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds een authentiek afschrift
van de akte houdende wijziging van de statuten, binnen twee weken
nadat de notariële akte inzake die wijziging is verleden aan de
Nederlandsche Bank.
2.Indien een wijziging van de reglementen heeft plaatsgevonden
zendt het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds een door het
bestuur gewaarmerkt exemplaar houdende wijziging van de reglementen,
binnen twee weken na de totstandkoming daarvan aan de Nederlandsche
Bank.
3.Indien de Nederlandsche Bank van mening is dat de statuten of
reglementen in strijd zijn met enig wettelijk voorschrift doet zij
daarvan mededeling aan Onze Minister.
4.Indien de gewijzigde statuten of reglementen op grond van het
feit dat zij in strijd zijn met enig wettelijk voorschrift wederom
gewijzigd worden, is het bedrijfstakpensioenfonds gehouden om de
kosten te vergoeden die in verband met die wijziging van de statuten
of reglementen zijn gemaakt door een werkgever of een
pensioenuitvoerder om te kunnen blijven voldoen aan de voorschriften
die zijn verbonden aan een vrijstelling op grond van artikel 13.
Artikel 10. Wijziging van de verplichtstelling
1.Onze Minister kan op aanvraag van het georganiseerde
bedrijfsleven binnen een bedrijfstak dat naar zijn oordeel een
belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen
vertegenwoordigt, de verplichtstelling wijzigen. Artikel 2, tweede
lid, onderdelen a, d, e en f, zijn van overeenkomstige toepassing.
2.Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het eerste
lid nadere regels worden gesteld.
Artikel 11. Intrekking van de verplichtstelling
1.Onze Minister kan de verplichtstelling ambtshalve voor alle of
voor een of meer bepaalde groepen van deelnemers intrekken.
2.Onze Minister kan op aanvraag van het georganiseerde
bedrijfsleven binnen een bedrijfstak dat naar zijn oordeel een
belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen
vertegenwoordigt, de verplichtstelling voor alle deelnemers in die
bedrijfstak intrekken.
3.Onze Minister kan op aanvraag van het georganiseerde
bedrijfsleven binnen een bedrijfstak dat naar zijn oordeel een
belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen
vertegenwoordigt, de verplichtstelling voor een deel van de deelnemers
die in de bedrijfstak werkzaam zijn, intrekken.
4.Bij de intrekking kunnen door Onze Minister ter bescherming van
de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften
worden gegeven met betrekking tot de rechten en verplichtingen van de
deelnemers, gewezen deelnemers of hun werkgevers.
5.De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, gaat vergezeld van een
verklaring waaruit blijkt dat de organisaties die de aanvraag doen,
een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame
personen vertegenwoordigen.
6.De aanvraag, bedoeld in het derde lid, gaat vergezeld van een
verklaring waaruit blijkt dat de organisaties die de aanvraag doen,
een belangrijke meerderheid van de in dat deel van die bedrijfstak
werkzame personen vertegenwoordigen.
7.Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de aanvraag
alsmede met betrekking tot het vijfde en zesde lid nadere regels
worden gesteld.
Artikel 12. Representativiteitstoets
1.Op verzoek van Onze Minister toont het georganiseerde
bedrijfsleven in de betrokken bedrijfstak binnen acht weken na dat
verzoek aan dat het georganiseerde bedrijfsleven dat voortzetting van
de verplichtstelling wenst, naar het oordeel van Onze Minister, een
belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen
vertegenwoordigt.
2.Onze Minister doet het verzoek, bedoeld in het eerste lid, ten
minste acht weken voordat er vijf jaren zijn verstreken sinds de datum
waarop voor het laatst is gebleken dat het georganiseerde
bedrijfsleven in de betrokken bedrijfstak dat de verplichtstelling
wenst, naar het oordeel van Onze Minister, een belangrijke meerderheid
van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt.
3.Als de datum waarop voor het laatst is gebleken dat het
georganiseerde bedrijfsleven binnen de betrokken bedrijfstak dat de
verplichtstelling wenst, naar het oordeel van Onze Minister, een
belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen
vertegenwoordigt, wordt aangemerkt:
a. de datum waarop de verplichtstelling is opgelegd;
b. de datum waarop de verplichtstelling is gewijzigd, of
c. de datum waarop na het verzoek van Onze Minister, bedoeld in
het eerste of vijfde lid, is aangetoond dat het georganiseerde
bedrijfsleven binnen de betrokken bedrijfstak dat de
verplichtstelling wenst, naar het oordeel van Onze Minister een
belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame
personen vertegenwoordigt.
4.Indien het georganiseerde bedrijfsleven binnen de betrokken
bedrijfstak niet binnen acht weken na het verzoek, bedoeld in het
eerste lid, heeft aangetoond dat het georganiseerde bedrijfsleven in
de betrokken bedrijfstak dat de verplichtstelling wenst, naar het
oordeel van Onze Minister, een belangrijke meerderheid van de in die
bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, doet Onze Minister
daarvan mededeling in de Staatscourant.
5.Acht weken voordat er twee jaren zijn verstreken sinds de
mededeling, bedoeld in het vierde lid, doet Onze Minister opnieuw een
verzoek als bedoeld in het eerste lid. Indien het georganiseerde
bedrijfsleven in de betrokken bedrijfstak, binnen acht weken na dat
verzoek niet aantoont dat het georganiseerde bedrijfsleven dat de
verplichtstelling wenst, naar het oordeel van Onze Minister, een
belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen
vertegenwoordigt, trekt Onze Minister de verplichtstelling met
betrekking tot die bedrijfstak in.
6.In afwijking van het vijfde lid trekt Onze Minister de
verplichtstelling niet in zolang tegen die intrekking overwegende
bezwaren bestaan in verband met de bescherming van de rechten van de
deelnemers of gewezen deelnemers.
7.Bij de intrekking kunnen door Onze Minister ter bescherming van
de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften
worden gegeven met betrekking tot de rechten en verplichtingen van de
deelnemers, gewezen deelnemers of hun werkgevers.
8.Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel
nadere regels worden gesteld.
Artikel 13. Vrijstelling
1.Het bedrijfstakpensioenfonds heeft tot taak het verlenen en het
intrekken van vrijstellingen van de verplichtstelling.
2.Het bedrijfstakpensioenfonds kan aan de vrijstelling
voorschriften verbinden.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden
waaronder het bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling van de
verplichtstelling verleent, kan verlenen, intrekt en kan intrekken
alsmede met betrekking tot de voorschriften die het
bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling kan verbinden. Tevens
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de procedure.
Artikel 14. Gemoedsbezwaren
1.Van de verplichtstelling, wordt op zijn aanvraag, door het
bedrijfstakpensioenfonds vrijgesteld de persoon die gemoedsbezwaren
heeft tegen iedere vorm van verzekering, alsmede de rechtspersoon
waarbij natuurlijke personen betrokken zijn, die zodanige bezwaren
hebben.
2.Bij ministeriële regeling worden met betrekking tot het eerste
lid nadere regels gesteld. Bij ministeriële regeling worden tevens
regels gesteld betreffende de gevolgen van de vrijstelling, alsmede
betreffende de intrekking van de vrijstelling.
Artikel 15. Ontheffing
1.Onverminderd artikel 97, tweede lid, van de Pensioenwet kan Onze
Minister een persoon die slechts tijdelijk in Nederland werkzaam is,
op aanvraag in een bijzonder, individueel geval voorwaardelijk of
onvoorwaardelijk en al of niet voor een bepaalde tijd ontheffing
verlenen van de verplichtstelling.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels met betrekking
tot de aanvraag worden gesteld.
Artikel 16. Publicatie in de Staatscourant
1.Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van:
a. een aanvraag tot verplichtstelling;
b. een verplichtstelling;
c. een aanvraag betreffende wijziging van de verplichtstelling;
d. een wijziging van de verplichtstelling;
e. een aanvraag tot intrekking van een verplichtstelling;
f. een voornemen tot ambtshalve intrekking van een
verplichtstelling, en
g. een intrekking van een verplichtstelling;
h. het niet verder in behandeling nemen van een aanvraag.
2.Bij de mededelingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c,
e en f, vermeldt Onze Minister de termijn waarbinnen zienswijzen tegen
de inhoud van hetgeen is meegedeeld schriftelijk bij hem naar voren
kunnen worden gebracht.
Artikel 16a. Kaderwet zelfstandige bestuursorganen
De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is niet van toepassing op
bedrijfstakpensioenfondsen.
§ 4. Toezicht en sancties
Artikel 17. Toezicht
1.Het toezicht op de uitvoering van de artikelen 5, 6, 7, 8 en 9,
eerste en tweede lid, berust bij de Nederlandsche Bank.
2.De artikelen 152 tot en met 166 en 188 tot en met 191 van de
Pensioenwet zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 18. Last onder dwangsom
1. De Nederlandsche Bank kan een last onder dwangsom opleggen ter
zake van een overtreding van de voorschriften, gesteld bij of
krachtens deze wet en van artikel 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter
zake van de uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van een
last onder dwangsom.
Artikel 19. Bestuurlijke boete
1. De Nederlandsche Bank kan een bestuurlijke boete opleggen ter
zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij de artikelen 5, 6,
7, 8 en 9, eerste en tweede lid.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het
eerste lid.
3. Artikel 184 van de Pensioenwet is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 20. Hoogte bestuurlijke boete
1. Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald bij algemene
maatregel van bestuur, met dien verstande dat de bestuurlijke boete
voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 4 000 000 bedraagt.
Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn
verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de
overtreder ter zake van eenzelfde overtreding, wordt het bedrag van de
bestuurlijke boete, bedoeld in de eerste volzin, voor een
afzonderlijke overtreding verdubbeld.
2. De algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in het eerste lid, bepaalt bij elke daarin omschreven
overtreding het bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke boete.
De overtredingen worden gerangschikt in categorieën naar zwaarte van de
overtreding met de daarbij behorende basisbedragen, minimumbedragen en
maximumbedragen. Daarbij wordt de volgende indeling gebruikt:
|
Categorie |
Basisbedrag |
Minimumbedrag |
Maximumbedrag |
|
1 |
€ 10 000,– |
€ 0,– |
€ 10 000,– |
|
2 |
€ 500 000,– |
€ 0,– |
€ 1 000 000,– |
|
3 |
€ 2 000 000,– |
€ 0,– |
€ 4 000 000,– |
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid kan de toezichthouder de hoogte van de bestuurlijke
boete vaststellen op ten hoogste twee keer het bedrag van het
voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen
indien diens voordeel groter is dan € 2 000 000.
§ 5. Rechtsvordering
Artikel 21. Dwangbevel
1.Indien een bijdrage na aanmaning per aangetekende brief niet of
niet geheel binnen dertig dagen wordt voldaan kan het
bedrijfstakpensioenfonds, vertegenwoordigd door de personen die op
grond van de statuten van het bedrijfstakpensioenfonds bevoegd zijn
het fonds in rechte te vertegenwoordigen, de premie, wettelijke of
reglementaire renten of reglementaire boete en de aanmaningskosten
invorderen bij dwangbevel.
2.De in het eerste lid bedoelde aanmaning vermeldt de inhoud van
het eerste en vierde tot en met het achtste lid van dit artikel en van
artikel 4.
3.Het dwangbevel houdt in:
a. de naam en de zetel van het bedrijfstakpensioenfonds;
b. de namen van de vertegenwoordigers, bedoeld in het eerste
lid;
c. de naam, het beroep, de woonplaats en het adres van de
schuldenaar;
d. het bedrag van de achterstallige bijdragen, dat van de
wettelijke of reglementaire renten of reglementaire boeten,
voorzover daarop aanspraak wordt gemaakt en de aanmaningskosten
voorzover daarop aanspraak wordt gemaakt, alsmede de gronden
waarop de vordering berust;
e. de datum waarop de in het eerste lid bedoelde aanmaning is
geschied.
4.Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met
toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering kan worden ten uitvoer gelegd.
5.Het dwangbevel kan niet ten uitvoer worden gelegd voordat acht
dagen na de betekening daarvan zijn verstreken. De persoon of
rechtspersoon aan wie het dwangbevel is gericht kan gedurende dertig
dagen na de betekening door middel van dagvaarding tegen de
tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de
kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin hij woont
of is gevestigd. Indien de persoon of de rechtspersoon buiten
Nederland woont of is gevestigd dan wel in Nederland geen vaste
woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan hij in verzet komen bij
de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin het
kantoor is gevestigd van het bedrijfstakpensioenfonds.
6.Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel
voorzover deze door het verzet wordt bestreden.
7.Indien het verzet zich richt of mede richt tegen de hoogte van de
gevorderde reglementaire rente of reglementaire boete, kan de rechter
indien deze hem bovenmatig voorkomt, de bedongen reglementaire rente
of reglementaire boete matigen, met dien verstande dat deze niet
minder kan bedragen dan de wettelijke rente.
8.Het recht tot invorderen bij dwangbevel strekt zich uit tot de
kosten van vervolging.
Artikel 22. Hoofdelijke aansprakelijkheid
1.Hoofdelijk aansprakelijk is voor de bijdragen ter zake van
deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds:
a. verschuldigd door een niet binnen Nederland wonende of
gevestigde werkgever: de leider van zijn vaste inrichting binnen
Nederland, zijn binnen Nederland wonende of gevestigde vaste
vertegenwoordiger, dan wel de persoon, die de leiding heeft van de
hier te lande verrichte werkzaamheden;
b. verschuldigd door twee of meer werkgevers: ieder van die
werkgevers;
c. verschuldigd door een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid
of door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet
volledig rechtsbevoegd is: ieder van de bestuurders.
2.Indien een bestuurder van een lichaam zelf een lichaam is, wordt
onder bestuurder mede verstaan ieder van de bestuurders van
laatstbedoeld lichaam.
3.Artikel 21 is ten aanzien van de persoon, die krachtens dit
artikel hoofdelijk aansprakelijk is, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23. Hoofdelijke aansprakelijkheid
1.Hoofdelijk aansprakelijk is voor de bijdragen ter zake van
deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds verschuldigd door een
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is,
voorzover het aan de heffing van vennootschapsbelasting is
onderworpen: ieder van de bestuurders overeenkomstig het tweede tot en
met het twaalfde lid.
2.Het lichaam, bedoeld in het eerste lid, doet onverwijld nadat
gebleken is, dat het niet tot betaling in staat is, daarvan mededeling
aan het bedrijfstakpensioenfonds en, indien het
bedrijfstakpensioenfonds dit verlangt, verstrekt het nadere
inlichtingen en legt het stukken over. Elke bestuurder is bevoegd om
namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de inhoud van de mededeling, de aard en de inhoud van
de te verstrekken inlichtingen en de over te leggen stukken alsmede de
termijnen waarbinnen het doen van de mededeling, het verstrekken van
de inlichtingen en het overleggen van de stukken dienen te geschieden.
3.Indien het lichaam op juiste wijze aan zijn in het tweede lid
bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder aansprakelijk
indien aannemelijk is dat het niet betalen van de bijdragen het gevolg
is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode
van drie jaar voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling.
4.Indien het lichaam niet of niet op de juiste wijze aan zijn in
het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder
op voet van het derde lid aansprakelijk met dien verstande dat vermoed
wordt dat de niet-betaling aan hem is te wijten en dat de periode van
drie jaar geacht wordt in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam
in gebreke is. Tot de weerlegging van het vermoeden wordt slechts
toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem te
wijten is dat het lichaam niet aan zijn in het tweede lid bedoelde
verplichting heeft voldaan.
5.De bestuurder kan slechts worden aangesproken indien het lichaam
met de betaling van de bijdragen in gebreke is.
6.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bestuurder mede
verstaan:
a. de gewezen bestuurder tijdens wiens bestuur de
bijdragenschuld is ontstaan;
b. de persoon ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het
beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als
ware hij bestuurder, met uitzondering van de door de rechter
benoemde bewindvoerder;
c. ieder van de met de vereffening belaste personen ingeval het
lichaam is ontbonden, met uitzondering van de door de rechter
benoemde vereffenaar;
d. indien een bestuurder van een lichaam een lichaam is: ieder
van de bestuurders van laatstbedoeld lichaam.
7.De tweede zin van het vierde lid is niet van toepassing op de
gewezen bestuurder.
8.Indien het bedrijfstakpensioenfonds een bestuurder hoofdelijk
aansprakelijk stelt, doet het hem daarvan schriftelijk mededeling. De
mededeling bevat de gronden waarop de aansprakelijkheid van de
bestuurder berust.
9.De persoon die hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, kan ter zake
van de hoogte van de door het lichaam aan het bedrijfstakpensioenfonds
verschuldigde bijdragen geen vordering bij de rechter instellen,
indien daaromtrent een onherroepelijk rechterlijk vonnis is gewezen in
een door het lichaam of door een of meer andere aansprakelijk gestelde
bestuurders ingestelde vordering.
10.Na het overlijden van de bestuurder zijn de erfgenamen niet
aansprakelijk als het bedrijfstakpensioenfonds niet vóór het
overlijden de bestuurder bij schriftelijke mededeling aansprakelijk
heeft gesteld.
11.Indien de bestuurder van het lichaam op grond van dit artikel
aansprakelijk is en niet in staat is tot betaling van zijn schuld ter
zake, zijn de door die bestuurder onverplicht verrichte
rechtshandelingen waardoor de mogelijkheid tot verhaal op hem is
verminderd, vernietigbaar en kan het bedrijfstakpensioenfonds deze
vernietigingsgrond inroepen, indien aannemelijk is dat deze geheel of
nagenoeg geheel met dat oogmerk zijn verricht. Artikel 45, vierde en
vijfde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van
overeenkomstige toepassing.
12.Artikel 21 is ten aanzien van de persoon die krachtens dit
artikel hoofdelijk aansprakelijk is, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24. Verhaal
1.Indien verhaal op het lichaam door de persoon die op grond van
artikel 23 bijdragen heeft voldaan geheel of gedeeltelijk onmogelijk
blijkt en twee of meer personen op grond van dat artikel hoofdelijk
aansprakelijk zijn, dragen deze onderling voor gelijke delen in het
onverhaald gebleven deel bij. De persoon die meer heeft voldaan dan
zijn aandeel, heeft voor het meerdere verhaal op de persoon die minder
dan zijn aandeel heeft voldaan. Een tekort veroorzaakt doordat een of
meer van hen geen verhaal biedt onderscheidenlijk bieden, wordt voor
gelijke delen onderscheidenlijk naar evenredigheid van de gedeelten
waarvoor de schuld ieder van hen aanging over de anderen verdeeld.
2.Ieder die heeft bijgedragen, blijft gerechtigd het bijgedragene
alsnog van het lichaam terug te vorderen.
3.Van het eerste en het tweede lid kan bij overeenkomst worden
afgeweken.
Artikel 25. Burgerlijke rechtsvordering
Van burgerlijke rechtsvorderingen ter zake van deelneming in en
uitkering uit een bedrijfstakpensioenfonds neemt de kantonrechter
kennis.
Artikel 26. Algemene wet bestuursrecht
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is
voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te
Rotterdam bevoegd.
§ 6. Wijziging van wetten
Artikel 27. Algemene bijstandswet
[Wijzigt de Algemene bijstandswet]
Artikel 28. Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
[Wijzigt de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997]
Artikel 29. Pensioen- Spaarfondsenwet
[Wijzigt de Pensioen- en Spaarfondsenwet]
Artikel 30. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen]
Artikel 31. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers]
Artikel 32. Wet NV SDU
[Wijzigt de Wet NV SDU]
Artikel 33. Wet op de inkomstenbelasting 1964
[Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964]
Artikel 33a. Wet inkomstenbelasting 2001
[Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001]
Artikel 34. Wet op de vennootschapsbelasting 1969
[Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969]
Artikel 35. Wet privatisering ABP
[Wijzigt de Wet privatisering ABP]
Artikel 36. Wet privatisering FVP
[Wijzigt de Wet privatisering FVP]
Artikel 37. Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
[Wijzigt de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993]
Artikel 38. Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
[Wijzigt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding]
§ 7. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 39. Overgangsrecht
1.Op een aanvraag tot het verplichtstellen van deelneming in een
bepaald bedrijfstakpensioenfonds ontvangen voor de inwerkingtreding
van artikel 2, eerste lid, beslist Onze Minister volgens het ten tijde
van de ontvangst van de aanvraag geldende recht.
2.Op bezwaar- en beroepschriften die zijn ingediend voor de
inwerkingtreding van artikel 2, eerste lid, wordt beslist op grond van
het ten tijde van de indiening geldende recht.
3.Een verplichting tot het deelnemen in een fonds op grond van
artikel 3, eerste lid, van de Wet betreffende verplichte deelneming in
een bedrijfspensioenfonds, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan
de inwerkingtreding van artikel 2, eerste lid, wordt aangemerkt als
een verplichtstelling op grond van artikel 2, eerste lid.
4.Een vrijstelling die is verleend op grond van artikel 16 van de
Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds,
zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van
artikel 15 wordt aangemerkt als een ontheffing op grond van artikel
15.
5.Een vrijstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de
Vrijstellingsregeling Wet Bpf, zoals dat luidde op de dag voorafgaand
aan de inwerkingtreding van artikel 13 wordt aangemerkt als een
vrijstelling als bedoeld in artikel 13.
6.Een vrijstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
regeling van de Minister van Sociale Zaken van 17 december 1949, nr.
2602 tot vaststelling van richtlijnen met betrekking tot het bepaalde
in het tweede lid, onder II, letter k, van artikel 5 der Wet
betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (Stcrt.
249), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van artikel 14, eerste lid, wordt aangemerkt als een vrijstelling als
bedoeld in artikel 14, eerste lid.
7.[Vervallen.]
8.Ten aanzien van bedrijfstakpensioenfondsen die voor de
inwerkingtreding van artikel 12, eerste lid, zijn verplichtgesteld,
doet Onze Minister de eerste keer het verzoek, bedoeld in artikel 12,
eerste lid, ten minste acht weken voordat er vijf jaren zijn
verstreken sinds de datum van inwerkingtreding van artikel 12, eerste
lid, tenzij er na de inwerkingtreding van artikel 12, eerste lid, een
wijziging van de verplichtstelling heeft plaatsgevonden.
Artikel 40. Intrekking van de Wet betreffende verplichte deelneming
in een bedrijfspensioenfonds
De Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds
wordt ingetrokken.
Artikel 41. Inwerkingtreding
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip dat voor verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 42. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: "Wet verplichte deelneming in een
bedrijfstakpensioenfonds", onder toevoeging van het jaartal van het
Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 21 december 2000
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de achtentwintigste december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Bijlage
[Vervallen per 01-08-2009]
|