WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
vervaltermijn te stellen, waarbinnen rechtsvorderingen ter zake van
beheer, gevoerd door het Nederlandse Beheersinstituut of door personen,
door wie het zich heeft doen bijstaan of vertegenwoordigen of die het
heeft te werk gesteld, moeten worden ingesteld;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Rechtsvorderingen tegen de Staat, de Raad voor het
Rechtsherstel, de samengevoegde Afdeling Beheer, Voorzieningen voor
Afwezigen en Voorzieningen voor Rechtspersonen van de Raad voor het
Rechtsherstel, het Nederlandse Beheersinstituut en personen, door wie
dit instituut zich heeft doen bijstaan of vertegenwoordigen of die het
heeft te werk gesteld, ter zake van door dat instituut of die personen
gevoerd beheer of gegrond op de eigendom van door hen beheerd
vermogen, voor zover niet strekkende tot enkele afgifte van nog onder
de gedaagde berustende bepaalde zaken, kunnen niet meer worden
ingesteld, wanneer een termijn van twee jaren is verlopen, zowel
sedert het tijdstip, waarop het beheer feitelijk is geëindigd, als
sedert het inwerkingtreden van deze wet.
2. Voor zover de rechtsvordering haar grondslag vindt in een
gedraging, ter zake waarvan tijdig beroep is ingesteld bij de voorzitter
of de afdeling rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel, eindigt
de in het eerste lid bedoelde termijn niet voordat twee jaren zijn
verlopen sedert de einduitspraak op dat beroep.
Artikel 2
Ingeval de belanghebbende redelijkerwijs niet in staat is geweest een
rechtsvordering, als bedoeld in artikel 1, binnen de daar gestelde tijd
in te stellen, eindigt de in artikel 1 bedoelde termijn niet, zolang
niet twee jaren zijn verlopen sedert de dag, waarop de verhindering is
geëindigd.
Artikel 3
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad, waarin zij is geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 30 Juni 1954
JULIANA
De Minister van Justitie,
L.A. Donker
Uitgegeven de dertiende Juli 1954
De Minister van Justitie,
L.A. Donker