| |
|
|
|
|
vorige
WET
VERVOER GEVAARLIJKE STOFFEN (Wvgs)
Tekst zoals deze geldt op
19 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit vervoer gevaarlijke stoffen
- Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht
- Regeling
tarieven scheepvaart 2005
- Regeling veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen
- Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen
- Regeling
vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen'
- Regeling
vervoer over land van gevaarlijke stoffen'
- Vuurwerkbesluit
WET van 12 oktober 1995, houdende regels
voor het vervoer van gevaarlijke stoffen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op grond van
maatschappelijke ontwikkelingen noodzakelijk is in het belang van de
openbare veiligheid nieuwe regels te geven voor het vervoer van
gevaarlijke stoffen, welke mede kunnen dienen ter uitvoering van
verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. gevaarlijke stoffen:
1°. ontplofbare stoffen en voorwerpen,
2°. samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk
opgeloste gassen,
3°. brandbare vloeistoffen,
4°. brandbare vaste stoffen,
5°. voor zelfontbranding vatbare stoffen,
6°. stoffen die bij aanraking met water brandbare gassen
ontwikkelen,
7°. stoffen die de verbranding bevorderen,
8°. organische peroxiden,
9°. giftige stoffen,
10°. infectueuze stoffen,
11°. bijtende stoffen,
12°. andere stoffen die voor de mens of het milieu
gevaarlijk kunnen zijn,
indien zij krachtens artikel 3 zijn aangewezen;
c. vervoermiddel: voertuig of vaartuig;
d. binnenwateren: de wateren die in Nederland zijn gelegen
binnen een langs de Nederlandse kust gaande, krachtens artikel 1,
eerste lid, onderdeel a van de Schepenwet aangewezen lijn;
e. internationaal vervoer: vervoer waarbij de Nederlandse grens
wordt gepasseerd.
2.In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder
gevaarlijke stoffen mede verstaan: voorwerpen die zodanige stoffen met
behoud van de gevaarlijke eigenschappen bevatten.
§ 2. Reikwijdte
Artikel 2
1.Deze wet is van toepassing op:
a. het vervoeren van gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel
over land, per spoor en over de binnenwateren;
b. het ten behoeve van vervoer met een vervoermiddel over land,
per spoor en over de binnenwateren aanbieden en aannemen van
gevaarlijke stoffen;
c. het laten staan en het laten liggen van een vervoermiddel,
waarin of waarop zich gevaarlijke stoffen of resten daarvan
bevinden;
d. het ten behoeve van het vervoer beladen van een container of
vervoermiddel met gevaarlijke stoffen en het lossen van die
stoffen daaruit;
e. het nederleggen van gevaarlijke stoffen tijdens het vervoer;
f. het verpakken van gevaarlijke stoffen ten behoeve van het
vervoer daarvan;
g. het ten behoeve van het vervoer vullen van een daarvoor
bestemde container, tank, verpakking of vervoermiddel met
gevaarlijke stoffen en het lossen van die stoffen daaruit;
h. het exploiteren van een container, tank, verpakking of
vervoermiddel ten behoeve van het vervoer van gevaarlijke stoffen;
i. het ontvangen van gevaarlijke stoffen tijdens of aansluitend
op het vervoer;
j. de overige met het vervoer van gevaarlijke stoffen
rechtstreeks samenhangende handelingen, waaronder de beveiliging
van de vervoersketen, voor zover daaromtrent bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 3, regels
zijn gesteld.
2.Deze wet is niet van toepassing op handelingen als bedoeld in het
eerste lid voor zover deze betrekking hebben op het internationale
vervoer van gevaarlijke stoffen met vervoermiddelen die in eigendom
toebehoren aan of zich bevinden onder de verantwoordelijkheid van de
krijgsmacht of van de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke
mogendheid.
3.Deze wet is niet van toepassing op handelingen als bedoeld in het
eerste lid voor zover deze worden verricht met splijtstoffen, ertsen
of radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 1 van de
Kernenergiewet.
4.Deze wet is niet van toepassing op handelingen als bedoeld in het
eerste lid voor zover deze betrekking hebben op het vervoer dat
uitsluitend plaatsvindt binnen een inrichting als bedoeld in artikel
1.1 van de Wet milieubeheer, tenzij dit vervoer plaatsvindt over de
openbare weg.
Hoofdstuk II. Algemene bepalingen
Artikel 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden gevaarlijke
stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen aangewezen, ten aanzien
waarvan het verrichten van de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste
lid, en het verrichten van deze handelingen met bij of krachtens die
maatregel aangewezen vervoermiddelen:
a. niet is toegestaan; of
b. is toegestaan mits de bij of krachtens die maatregel terzake
gestelde regels in acht zijn genomen.
Artikel 3a
1. Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van de openbare
veiligheid regels worden gesteld met betrekking tot de handelingen,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor zover die worden verricht op of
in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba met bij of
krachtens die maatregel aangewezen gevaarlijke stoffen. De regels
kunnen voor elk van de openbare lichamen verschillend zijn.
2. De in het eerste lid bedoelde regels hebben in elk geval
betrekking op de vervoermiddelen waarmee de handelingen, bedoeld in
het eerste lid, worden verricht.
3. Het is verboden de handelingen, bedoeld in het eerste lid, te
verrichten anders dan met inachtneming van de krachtens het eerste lid
gestelde regels.
4. De artikelen 9, eerste tot en met vierde lid, 10, 10a, 34 en 49
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
Het is verboden de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, te
verrichten ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen
die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel a .
Artikel 5
Het is verboden de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, te
verrichten ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen
die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b , anders dan met
inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels.
Artikel 6
De regels, bedoeld in artikel 3, onderdeel b , kunnen onder meer
betrekking hebben op:
a. eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting
van vervoermiddelen, waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd;
b. keuring van vervoermiddelen als bedoeld in onderdeel a;
c. aanduidingen die de vervoermiddelen bij het vervoeren van
daartoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen
gevaarlijke stoffen, zowel in beladen als in lege, ongereinigde
toestand, dienen te voeren;
d. het verwijderen of bedekken van aanduidingen als bedoeld in
onderdeel c, na het lossen en reinigen of ontgassen van het
vervoermiddel;
e. reinigen van vervoermiddelen waarmee gevaarlijke stoffen zijn
vervoerd;
f. onderzoek van gevaarlijke stoffen naar hun eigenschappen;
g. eisen ten aanzien van de verpakking van gevaarlijke stoffen,
met inbegrip van de daarbij behorende inrichting of uitrusting, en
het testen of keuren daarvan;
h. aanduidingen of aanwijzingen op de verpakking, bedoeld in
onderdeel g;
i. deskundigheid van personen die handelingen met gevaarlijke
stoffen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, verrichten, afgifte
van vakbekwaamheidscertificaten en erkenning van
vakbekwaamheidscertificaten afgegeven in andere landen;
j. vervoeren van gevaarlijke stoffen onder bepaalde
meteorologische omstandigheden;
k. vervoeren van gevaarlijke stoffen door tunnels;
l. eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting
van inrichtingen of werktuigen met behulp waarvan gevaarlijke
stoffen worden geladen of gelost;
m. keuring van de inrichtingen of werktuigen, bedoeld in
onderdeel l;
n. melding voorafgaande aan het verrichten van een handeling als
bedoeld in artikel 2, eerste lid.
Artikel 7
Tunnels als bedoeld in artikel 6, onderdeel k , die zijn bestemd voor
het wegverkeer, worden aangeduid door borden overeenkomstig het daartoe
krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangewezen model.
Artikel 8
1.De regels, bedoeld in artikel 3, onderdeel b , kunnen worden
gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht
van Onze Minister van Defensie, voor zover het betreft de onderwerpen,
bedoeld in artikel 6, onderdelen a, b, g, h, l en m en voor zover het
tevens betreft de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, met
ontplofbare stoffen en voorwerpen, verricht met of ten aanzien van
vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan of zich bevinden onder
de verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van
een andere mogendheid.
2.Onze Minister van Defensie kan in bijzondere gevallen ontheffing
of vrijstelling verlenen van het bepaalde krachtens het eerste lid.
Artikel 9 tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 9
1.Onze Minister kan in bijzondere gevallen ontheffing of
vrijstelling verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen
3, 4 of 5.
2.Onze Minister kan een ontheffing weigeren op gronden aan de
openbare veiligheid ontleend.
3.Onze Minister kan een ontheffing of vrijstelling onder
beperkingen verlenen of daaraan voorschriften verbinden.
4.Onze Minister kan een ontheffing wijzigen of intrekken:
a. op verzoek van de aanvrager,
b. indien blijkt dat de in verband met de aanvraag daarvan
verstrekte gegevens in strijd met de waarheid zijn,
c. indien de daarin opgenomen beperkingen of voorschriften niet
of niet volledig in acht worden genomen,
d. op gronden aan de openbare veiligheid ontleend.
5.Het eerste lid is niet van toepassing op regels gesteld krachtens
artikel 8, eerste lid.
Artikel 10
Het is verboden te handelen in strijd met een beperking waaronder een
ontheffing of een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 8, tweede
lid, en 9 is verleend of met een voorschrift dat aan een zodanige
ontheffing of vrijstelling is verbonden.
Artikel 10a
1.Onze Minister kan instanties erkennen die belast zijn met de door
hem aan te geven, in het kader van de krachtens artikel 3, onderdeel
b, vastgestelde regels te verrichten taken. De taken kunnen mede
betrekking hebben op het afgeven van certificaten of het erkennen van
andere documenten dan wel voorschriften alsmede op het verlenen van de
op grond van de regels bij of krachtens artikel 3 benodigde
goedkeuring.
2.Onze Minister stelt regels met betrekking tot de voorwaarden om
voor erkenning in aanmerking te komen, de werkwijze van de erkende
instanties, de periodieke verslaglegging over de verrichte
werkzaamheden, alsmede de uitoefening van het toezicht op de erkende
instanties.
3.Onze Minister kan aan de erkenning voorschriften verbinden
betreffende de uit te voeren taken, welke voorschriften mede
betrekking kunnen hebben op de door de erkende instantie in rekening
te brengen tarieven.
4.Onze Minister kan de erkenning schorsen dan wel intrekken indien
de betrokken instantie niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze
wet gestelde regels. De betrokken instantie verstrekt desgevraagd de
inlichtingen en verleent inzage in de zakelijke gegevens en bescheiden
aan onze Minister die deze ten behoeve van zijn taakuitoefening nodig
oordeelt.
Hoofdstuk III. Routering
§ 1. Algemeen
Artikel 11
1.Degene die met een voertuig langs de weg gevaarlijke stoffen
vervoert is verplicht de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als
zodanig aangeduide bebouwde kommen van gemeenten te vermijden.
2.Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het vervoer
binnen de bebouwde kom noodzakelijk is:
a. ten behoeve van het laden of lossen, of
b. omdat er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom
beschikbaar is.
§ 2. Aanwijzing van stoffen
Artikel 12
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden in het
belang van de openbare veiligheid gevaarlijke stoffen aangewezen die
uitsluitend over de op grond van artikel 18 aangewezen wegen mogen
worden vervoerd.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het
belang van de openbare veiligheid gevaarlijke stoffen worden
aangewezen die over de op grond van de artikelen 26 of 30 aangewezen
vaarwegen onderscheidenlijk spoorwegen niet mogen worden vervoerd.
3.Bij een aanwijzing als bedoeld in het eerste of tweede lid kan
worden bepaald in welke gevallen de aangewezen wegen moeten worden
gevolgd of de aangewezen vaarwegen of spoorwegen niet mogen worden
gevolgd.
§ 3. Aanwijzing van wegen
Artikel 13
Voor de toepassing van deze paragraaf worden onder wegen verstaan de
voor het openbaar verkeer openstaande wegen in de zin van de
Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 14
1.Onze Minister wijst ten behoeve van het vervoer van krachtens
artikel 12, eerste lid, aangewezen gevaarlijke stoffen een landelijk
net van wegen aan dat bestaat uit bij het Rijk in beheer zijnde wegen
of weggedeelten.
2.Van het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 15
1.Onze Minister pleegt bij de voorbereiding van een besluit als
bedoeld in artikel 14 overleg met de besturen van de betrokken
openbare lichamen.
2.Op de voorbereiding van het besluit is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 16
1. Provinciale staten wijzen ten behoeve van het vervoer van
krachtens artikel 12 aangewezen gevaarlijke stoffen een provinciaal
net van wegen aan, dat bestaat uit bij de provincie of bij de
waterschappen in beheer zijnde wegen of weggedeelten. Voorzover de
aanwijzing van het landelijk net van wegen, bedoeld in artikel 14,
eerste lid, gevolgen heeft voor het provinciale net van wegen, gebeurt
de aanwijzing van het provinciale net van wegen binnen een jaar na een
aanwijzing van het landelijk net van wegen.
2. Provinciale staten dragen er zorg voor dat het wegennet, bedoeld
in het eerste lid, aansluit op het landelijke wegennet, bedoeld in
artikel 14, eerste lid, en op de krachtens het eerste lid aangewezen
wegennetten van de aangrenzende provincies.
3. Met het oog op de afstemming met het crisisplan als bedoeld in
artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s, zenden provinciale staten
een ontwerp van hun besluit aan de besturen van veiligheidsregio’s.
4. De artikelen 14, tweede lid, en 15, tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 17
1.Indien provinciale staten bij toepassing van artikel 16, eerste
lid, niet voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 16, eerste
lid, laatste volzin en artikel 16, tweede lid, voorziet Onze Minister
na overleg met gedeputeerde staten daarin. Provinciale staten wordt
daarbij een redelijke termijn gegund om alsnog de nodige maatregelen
te nemen.
2.Een besluit van Onze Minister als bedoeld in het eerste lid wordt
aangemerkt als onderdeel van een besluit van provinciale staten als
bedoeld in artikel 16, eerste lid.
Artikel 18
1. De gemeenteraad kan op het grondgebied van zijn gemeente wegen
of weggedeelten aanwijzen, waarover de krachtens artikel 12 aangewezen
gevaarlijke stoffen bij uitsluiting mogen worden vervoerd.
2. Wegen of weggedeelten die bij het Rijk, de provincie of het
waterschap in beheer zijn, kunnen slechts worden aangewezen, voor
zover deze deel uitmaken van de wegennetten, bedoeld in artikel 14,
eerste lid, of artikel 16, eerste lid.
3. De gemeenteraad draagt er zorg voor dat de aan te wijzen wegen
of weggedeelten aansluiten op:
a. het landelijke wegennet, bedoeld in artikel 14, eerste lid,
b. het provinciale wegennet, bedoeld in artikel 16, eerste lid,
c. de wegen of weggedeelten in de aangrenzende gemeente voor
zover ten aanzien daarvan toepassing is gegeven aan het eerste
lid.
4. Met het oog op de afstemming met het crisisplan, bedoeld in
artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s, zendt de gemeenteraad een
ontwerp van zijn besluit aan het bestuur van de veiligheidsregio.
5. De artikelen 14, tweede lid, en 15, tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
6. Binnen een jaar nadat het provinciale wegennet, bedoeld in
artikel 16, eerste lid, is aangewezen wordt een reeds van kracht
zijnde gemeentelijke aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, zo
nodig in overeenstemming gebracht met het derde lid, aanhef en
onderdelen a en b.
Artikel 19
1.Indien de gemeenteraad bij toepassing van artikel 18, eerste lid,
niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 18, derde lid,
voorziet Onze Minister na overleg met het college van burgemeester en
wethouders daarin. De gemeenteraad wordt daarbij een redelijke termijn
gegund om alsnog de nodige maatregelen te nemen.
2.Een besluit van Onze Minister als bedoeld in het eerste lid wordt
aangemerkt als onderdeel van een besluit van de gemeenteraad als
bedoeld in artikel 18, eerste lid.
Artikel 20
De wegen of weggedeelten, bedoeld in artikel 18, eerste lid, worden
aangeduid door borden overeenkomstig het daartoe krachtens de
Wegenverkeerswet 1994 aangewezen model.
Artikel 21
Het is verboden in gemeenten, waar krachtens de artikelen 18, eerste
lid, en 20 wegen of weggedeelten zijn aangewezen en aangeduid, de
krachtens artikel 12 aangewezen gevaarlijke stoffen te vervoeren over
andere dan de aangewezen en aangeduide wegen of weggedeelten.
Artikel 22
1.Burgemeester en wethouders kunnen indien dat noodzakelijk is voor
het laden en lossen, ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel
21.
2.Het in artikel 9, tweede tot en met vierde lid, ten aanzien van
ontheffingen bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23
1.Op verzoek van Onze Minister van Defensie verlenen burgemeester
en wethouders ontheffing van het bepaalde in artikel 21 voor het
vervoer met vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan of zich
bevinden onder de verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de
krijgsmacht van een andere mogendheid:
a. ten behoeve van het laden en lossen op militaire locaties;
b. ten behoeve van het ruimen van ontploffingsgevaarlijke
stoffen door onder Onze Minister van Defensie ressorterende
opruimingsdiensten van explosieven.
2.De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en daaraan
kunnen voorschriften worden verbonden.
3.Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van Onze Minister
van Defensie ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 21,
indien dat noodzakelijk is ten behoeve van militaire oefeningen.
Artikel 9, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 24
Het is verboden te handelen in strijd met een beperking, waaronder
een ontheffing als bedoeld in artikel 22, eerste lid, en 23, eerste lid,
is verleend of met een voorschrift dat aan een zodanige ontheffing is
verbonden.
§ 4. Aanwijzing van vaarwegen
Artikel 25
Voor de toepassing van deze paragraaf worden onder vaarwegen verstaan
de voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande binnenwateren.
Artikel 26
1.Onze Minister kan vaarwegen of gedeelten daarvan aanwijzen,
waarover de krachtens artikel 12, tweede lid, daartoe aangewezen
gevaarlijke stoffen niet mogen worden vervoerd.
2.De artikelen 14, tweede lid, en 15 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 27
Het is verboden de krachtens artikel 12, tweede lid, aangewezen
gevaarlijke stoffen te vervoeren over de krachtens artikel 26 aangewezen
vaarwegen of gedeelten daarvan.
Artikel 28
1.Van het bepaalde in artikel 27 kan indien dat noodzakelijk is
voor het laden en lossen, ontheffing worden verleend door:
a. Onze Minister indien de ontheffing betrekking heeft op het
vervoeren over bij het Rijk of bij anderen dan publiekrechtelijke
rechtspersonen in beheer zijnde vaarwegen of gedeelten daarvan;
b. gedeputeerde staten indien de ontheffing betrekking heeft op
het vervoeren over bij de provincie of de waterschappen in beheer
zijnde vaarwegen of gedeelten daarvan;
c. burgemeester en wethouders indien de ontheffing betrekking
heeft op het vervoeren over bij de gemeente in beheer zijnde
vaarwegen of gedeelten daarvan.
2.Het in artikel 9, tweede tot en met vierde lid, ten aanzien van
ontheffingen bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 29
Het is verboden te handelen in strijd met een beperking, waaronder
een ontheffing als bedoeld in artikel 28, eerste lid, is verleend of met
een voorschrift dat aan een zodanige ontheffing is verbonden.
§ 5. Aanwijzing van spoorwegen
Artikel 30
1.Onze Minister kan spoorwegen of gedeelten daarvan aanwijzen,
waarover de krachtens artikel 12, tweede lid, aangewezen gevaarlijke
stoffen niet mogen worden vervoerd.
2.De artikelen 14, tweede lid, en 15 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 31
Het is verboden de krachtens artikel 12, tweede lid, aangewezen
gevaarlijke stoffen te vervoeren over de krachtens artikel 30 aangewezen
spoorwegen of gedeelten daarvan.
Artikel 32
1.Onze Minister kan indien dat noodzakelijk is voor het laden en
lossen, ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 31.
2.Het in artikel 9, tweede tot en met vierde lid, ten aanzien van
ontheffingen bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 33
Het is verboden te handelen in strijd met een beperking, waaronder
een ontheffing als bedoeld in artikel 32, eerste lid, is verleend of met
een voorschrift dat aan een zodanige ontheffing is verbonden.
Hoofdstuk IV. Handhaving
§ 1. Toezicht
Artikel 34
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
2.Met het toezicht op de naleving van de handelingen bedoeld in
artikel 2, eerste lid, verricht met of ten aanzien van vervoermiddelen
die in eigendom toebehoren aan, of zich bevinden onder de
verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een
andere mogendheid zijn belast de bij besluit van Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie, aangewezen ambtenaren.
3.Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Ministers wie het
mede aangaat, bij besluit andere dan de in het eerste en tweede lid
bedoelde ambtenaren aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de
naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
4.De toezichthouders, bedoeld in het tweede en derde lid,
beschikken niet over de bevoegdheid, genoemd in artikel 5:18 van de
Algemene wet bestuursrecht.
5.Onze Minister kan met het oog op de coördinatie van het beleid
ten aanzien van het toezicht op de naleving beleidsregels stellen.
6.Van een besluit als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 35 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 36 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 37 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 39 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 41 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 43 [Vervallen per 01-01-1998]
§ 2. Opsporing
Artikel 44
1.Met de opsporing van overtredingen van bij of krachtens deze wet
gestelde voorschriften zijn, onverminderd het bepaalde bij of
krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast:
a. de ambtenaren, bedoeld in artikel 34, eerste lid, voor zover
daartoe bij besluit van Onze Minister en Onze Minister van
Justitie aangewezen;
b. voor zover het betreft de handelingen bedoeld in artikel 34,
tweede lid: de bij besluit van Onze Minister en Onze Ministers van
Defensie en van Justitie aangewezen ambtenaren;
c. de bij besluit van Onze Minister en Onze Minister van
Justitie, en waar nodig Onze Ministers wie het mede aangaat,
aangewezen ambtenaren.
2.Onze Minister kan de bevoegdheid tot opsporing van de ambtenaren,
bedoeld in het eerste lid, onder c bij de aldaar bedoelde aanwijzing
beperken.
3.De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn tevens belast met
de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot
en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze
feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan
of ondernomen door henzelf.
4.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 44a
1. Handelingen in strijd met artikel 3a, tweede en derde lid, voor
zover opzettelijk begaan, zijn misdrijven en worden gestraft met een
gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van ten hoogste
de vijfde categorie.
2. Handelingen, als bedoeld in het eerste lid, die geen misdrijven
zijn, zijn overtredingen en worden gestraft met hechtenis van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
3. Als bijkomende straf kan worden opgelegd:
a. gehele of gedeeltelijke stillegging van de onderneming van
de veroordeelde, waarin de overtreding is begaan voor een tijd van
ten hoogste een jaar; of,
b. verbeurdverklaring van de voorwerpen, genoemd in artikel 35
van het Wetboek van Strafvordering BES.
4. Met het opsporen van de in het eerste en tweede lid strafbaar
gestelde feiten zijn, onverminderd de bij of krachtens artikel 184 van
het Wetboek van Strafvordering BES aangewezen ambtenaren, de door Onze
Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister,
aangewezen ambtenaren belast.
Artikel 44b
1. Indien tegen de verdachte ernstige bezwaren zijn gerezen en
tevens de belangen, welke door het vermoedelijk overtreden voorschrift
worden beschermd, een onmiddellijk ingrijpen vereisen, is de officier
van justitie in alle zaken als bedoeld in artikel 44a, eerste en
tweede lid, bevoegd zolang de behandeling ter terechtzitting nog niet
is aangevangen, de verdachte bij te betekenen kennisgeving als
voorlopige maatregel te bevelen:
a. zich te onthouden van bepaalde handelingen;
b. zorg te dragen, dat in het bevel aangeduide voorwerpen,
welke vatbaar zijn voor inbeslagneming, opgeslagen en bewaard
worden ter plaatse, in het bevel aangegeven.
2. De voorgenoemde bevelen zijn dadelijk uitvoerbaar en worden
onverwijld aan de verdachte betekend.
3. De voorgenoemde bevelen verliezen hun kracht door een
tijdsverloop van zes maanden en blijven uiterlijk van kracht totdat de
rechterlijke einduitspraak in de zaak, waarin zij zijn gegeven,
onherroepelijk is geworden. Zij kunnen tussentijds door de officier
van justitie bij aan de verdachte te betekenen kennisgeving worden
gewijzigd of ingetrokken of door het gerecht, waarvoor de zaak wordt
vervolgd, worden gewijzigd of opgeheven. Het gerecht kan dit doen
ambtshalve, op de voordracht van de rechter-commissaris, met het
gerechtelijk vooronderzoek belast, of op het verzoek van de verdachte;
deze wordt steeds gehoord, althans behoorlijk opgeroepen, tenzij:
a. het gerecht reeds aanstonds tot wijziging overeenkomstig het
verzoek van de verdachte dan wel tot opheffing besluit;
b. nog geen twee maanden zijn verstreken sedert op een vorig
verzoek van de verdachte van gelijke strekking is beslist.
Het gerecht beslist op een verzoek van de verdachte binnen vijf
dagen nadat het ter griffie is ingediend.
4. Tegen voorgenoemde rechterlijke beschikkingen kan het openbaar
ministerie binnen veertien dagen en de verdachte binnen veertien dagen
na de betekening in hoger beroep komen bij het Gemeenschappelijk Hof,
bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk
Hof van Justitie.
5. De artikelen 43, tiende en elfde lid, van het Wetboek van
Strafvordering BES zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 44c
1. Indien de zaak eindigt hetzij zonder oplegging van straf of
maatregel, hetzij met oplegging van een zodanige straf of maatregel
dat de opgelegde voorlopige maatregel als onevenredig hard moet worden
beschouwd, kan het gerecht, op verzoek van de gewezen verdachte hem
een geldelijke tegemoetkoming ten laste van de Staat toekennen voor de
schade, welke hij ten gevolge van de opgelegde voorlopige maatregel
werkelijk heeft geleden.
2. De artikelen 179 tot en met 181 van het Wetboek van
Strafvordering BES zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 45
De uitreiking van gerechtelijke mededelingen in zaken betreffende
overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deze wet, begaan door
een niet in Nederland gevestigde onderneming, kan eveneens geschieden
aan de bestuurder van het betrokken voertuig of aan de schipper van het
betrokken vaartuig die zich bereid verklaart de mededeling onverwijld te
doen toekomen aan degene voor wie zij is bestemd.
Hoofdstuk V. Overige bepalingen
Artikel 46
Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde
verplichtingen.
Artikel 47
Degene die een handeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
verricht, is verplicht indien zich daarbij voorvallen, waardoor gevaar
voor de openbare veiligheid is ontstaan of is te duchten, of ongevallen
voordoen daarvan onverwijld mededeling te doen aan Onze Minister.
Artikel 48
1.Onze Minister kan van degenen die handelingen als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, verrichten, alle inlichtingen vragen die naar
zijn redelijk oordeel nodig zijn ten behoeve van het analyseren van
voorvallen en ongevallen als bedoeld in artikel 47.
2.De betrokkenen zijn verplicht de gevraagde inlichtingen volledig
en naar waarheid te verstrekken binnen een door Onze Minister in
redelijkheid te stellen termijn.
3.Zij die uit hoofde van hun beroep of ambt tot geheimhouding
verplicht zijn, kunnen zich verschonen van het verschaffen van
inlichtingen, doch uitsluitend voor zover het betreft hetgeen hun in
die hoedanigheid is toevertrouwd.
Artikel 49
1.Degene die een verzoek doet aan de rijksoverheid tot:
a. het verlenen of wijzigen van een ontheffing ingevolge deze
wet;
b. het verrichten van een keuring ingevolge deze wet; of
c. het afgeven of wijzigen van ingevolge deze wet vereiste
documenten; is voor de behandeling van dat verzoek een vergoeding
van de kosten verschuldigd.
2.Bij ministeriële regeling:
a. worden de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid,
vastgesteld, met dien verstande, dat per soort van handeling de
geraamde opbrengst van de vergoedingen de geraamde uitgaven
terzake niet te boven gaat;
b. kan worden bepaald dat, indien anderen dan Onze Minister de
in het eerste lid bedoelde werkzaamheden verrichten, zij zelf
daarvoor de vergoedingen alsmede de wijze van betaling van deze
vergoedingen vaststellen met inachtneming van de bij ministeriële
regeling gegeven voorschriften;
c. wordt bepaald aan wie de vergoedingen, bedoeld in het eerste
lid, verschuldigd zijn.
Artikel 50
Tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, 16,
eerste lid, 18, eerste lid, 26, eerste lid, en 30, eerste lid, staat
beroep open als bedoeld in Hoofdstuk 8 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 51
De Wet Gevaarlijke Stoffen wordt ingetrokken.
Artikel 52
Op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet geldende
besluiten die zijn vastgesteld krachtens de Wet Gevaarlijke Stoffen,
worden geacht te zijn vastgesteld krachtens deze wet.
Artikel 53
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 54
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 55
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 56
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 57 [Vervallen per 01-03-2002]
Artikel 58
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 59
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk beluit, op
voordracht van Onze Minister-President, artikel 60 in werking worden
gesteld.
2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal gezonden omtrent het voortduren van de werking van de
bij het in het eerste lid bedoelde besluit in werking gestelde
bepaling.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan
wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, buiten werking gesteld zodra de omstandigheden dit
naar Ons oordeel toelaten.
5.Het in het eerste, derde en vierde lid bedoelde besluit wordt op
de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in
ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 60
Onze Minister van Defensie is bevoegd, voor zover militaire belangen
zulks vorderen, van de krachtens deze wet uitgevaardigde regelen en
voorschriften af te wijken, dan wel deze voor zolang dat nodig is buiten
werking te stellen en zelf ter zake een tijdelijke regeling te geven.
Artikel 61
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende hoofdstukken, paragrafen, artikelen
of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 62
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet vervoer gevaarlijke stoffen.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren,
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 12 oktober 1995
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de negende november 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|