| |
|
|
|
|
vorige
WET
VERVOER OVER ZEE
(Wvz)
Tekst zoals deze geldt op
19 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Administratiebesluit Wet
vervoer over zee
WET van 27 oktober 1982, houdende regelen
inzake de zeevervoermarkt
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, ter
uitvoering van de Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 15 mei 1979, nummer 954/79 en van het op 6 april 1974 te Genève tot
stand gekomen Verdrag inzake een gedragscode voor lijnvaartconferences
en met het oog op ontwikkelingen, waaronder de toename van de
overheidsbemoeienis elders, op de internationale zeevervoermarkt, over
te gaan tot het scheppen van wettelijke regelen voor de zeevervoermarkt;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Definities
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
College: het College van Beroep voor het bedrijfsleven;
schip: een schip in de zin van artikel 1, eerste lid, van Boek 8 van
het Burgerlijk Wetboek;
lijnvervoer: het vervoer tegen vaste vervoertarieven door
scheepvaartondernemingen, die een geregelde dienst onderhouden tussen
twee of meer havens.
Hoofdstuk II. Bepalingen inzake lijnvervoer
Artikel 2
1. Een ieder die lijnvervoerdiensten per schip over zee van of
naar Nederlandse havens aanbiedt, is verplicht, in Nederland
gevestigde door Onze Minister aan te wijzen representatieve
verladersorganisaties en individuele verladers, de vervoertarieven en
overige vervoercondities, waartegen deze diensten worden aangeboden,
op aanvraag mondeling en, desgewenst, schriftelijk mee te delen.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde vervoertarieven en
vervoercondities schriftelijk zijn neergelegd mag voor de mededeling
daarvan een vergoeding worden gevraagd die de kostprijs niet te boven
gaat.
Artikel 3
1. Een ieder die lijnvervoerdiensten per schip over zee van
Nederlandse havens aanbiedt, is verplicht een beoogde algemene
verhoging van de vervoertarieven of een beoogde wijziging in de
overige vervoercondities, die een algemene verhoging van de vrachten
ten doel of tengevolge heeft, binnen een door Onze Minister te bepalen
termijn voor de datum van het ingaan van de verhoging of de wijziging,
aan de in Nederland gevestigde door Onze Minister aan te wijzen
representatieve verladersorganisaties schriftelijk mee te delen en,
binnen dezelfde termijn, in door Onze Minister aan te wijzen dagbladen
bekend te maken.
2. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde termijn per
geografische markt verschillend vaststellen.
3. Onze Minister kan bepalen dat de verplichting als bedoeld in
het eerste lid ook geldt voor een ieder die lijnvervoerdiensten per
schip over zee naar Nederlandse havens aanbiedt.
4. De toepassing van het derde lid kan worden beperkt tot een
bepaalde geografische markt.
Artikel 4
1. Een ieder die lijnvervoerdiensten per schip over zee van
Nederlandse havens aanbiedt kan tijdelijke toeslagen op de in artikel
2, eerste lid, bedoelde vervoertarieven berekenen ingeval van
onvoorziene of buitengewone kostenstijgingen of een daling van de
opbrengsten. Zulke toeslagen of wijzigingen daarvan mogen alleen
worden berekend indien zij ten minste vijftien dagen voor de datum van
ingang aan de in Nederland gevestigde door Onze Minister aan te wijzen
representatieve verladersorganisaties, schriftelijk zijn meegedeeld en
indien zij binnen dezelfde termijn in door Onze Minister aan te wijzen
dagbladen zijn bekendgemaakt. De hiervoor genoemde termijn van 15
dagen behoeft niet in acht te worden genomen, indien uitzonderlijke
omstandigheden een onmiddellijke invoering van de toeslag noodzakelijk
maken, mits hiervan onverwijld melding wordt gemaakt aan Onze
Minister.
2. Onze Minister kan bepalen, dat de verplichting als bedoeld in
het eerste lid ook geldt voor een ieder die lijnvervoerdiensten per
schip over zee naar Nederlandse havens aanbiedt.
3. De toepassing van het tweede lid kan worden beperkt tot een
bepaalde geografische markt.
4. Het is verboden de in het eerste lid bedoelde toeslagen of
wijzigingen daarvan langer dan negentig dagen na hun inwerkingtreding te
berekenen, tenzij de aanbieders van de dienst de op grond van het eerste
lid aangewezen verladersorganisaties schriftelijk en gemotiveerd hebben
meegedeeld waarom een voortzetting ervan noodzakelijk is.
Artikel 5
Onze Minister kan bepalingen van een lijnvervoerovereenkomst, die in
strijd met de in artikel 3 en artikel 4 omschreven verplichtingen tot
stand zijn gekomen, onverbindend verklaren.
Artikel 6
Ingeval krachtens artikel 5, bepalingen van een overeenkomst
onverbindend zijn verklaard gelden voor die overeenkomst de
vervoertarieven en overige vervoercondities, zoals die van kracht waren
voordat een verhoging in strijd met artikel 3, of een toeslag of
wijziging in strijd met artikel 4, werd toegepast.
Artikel 7
Gedragingen van personen, die partij zijn bij een overeenkomst,
waarvan bepalingen krachtens artikel 5, onverbindend zijn verklaard en
die strekken tot het naleven of doen naleven van die bepalingen, zijn
verboden.
Artikel 8
1. Onze Minister kan ten aanzien van het op 6 april 1974 te
Genève tot stand gekomen Verdrag inzake een gedragscode voor
lijnvaartconferences, met bijlage, (Trb. 1980, 165) regelen
geven met betrekking tot:
a. de erkenning van een nationale scheepvaartlijn, als bedoeld in
Deel één, Hoofdstuk I;
b. de erkenning van een verladersorganisatie, als bedoeld in Deel
één, Hoofdstuk I;
c. de aanwijzing van verladersorganisaties,
verladersvertegenwoordigers of verladers, als bedoeld in artikel 11,
eerste lid;
d. het als bevoegde autoriteit deelnemen aan het overleg, als
bedoeld in artikel 11, eerste lid;
e. het als bevoegde autoriteit deelnemen aan en waarnemen bij een
bemiddelingsprocedure, als bedoeld in artikel 28.
2. Onze Minister kan ten aanzien van de Verordening van de Raad
van de EG van 15 mei 1979, nr. 954/79 (Pb. 1979 nr. L 121 blz. 1)
regelen geven met betrekking tot:
a. de beslechting van geschillen, als bedoeld in artikel 2, tweede
lid;
b. de vaststelling van de wederkerigheid, als bedoeld in artikel 4.
Hoofdstuk III. Prijsmaatregelen
Artikel 9
In overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, kan Onze
Minister verbieden hogere of lagere dan door hem te bepalen
vervoertarieven te berekenen voor door hem aangewezen vervoerdiensten
per schip over zee van of naar Nederlandse havens indien naar zijn
oordeel voor die vervoerdiensten zodanige vervoertarieven in rekening
worden gebracht, of er aanwijsbare omstandigheden zijn op grond waarvan
hij kan vermoeden dat voor die vervoerdiensten zodanige vervoertarieven
in rekening zullen worden gebracht, dat de betreffende zeevervoermarkt
in ernstige mate wordt verstoord of kan worden verstoord.
Hoofdstuk IV. Ladingverdeling
Artikel 10
1. In overeenstemming met Onze Ministers van Buitenlandse Zaken
en van Economische Zaken kan Onze Minister, indien naar zijn oordeel:
1°. er een ernstige verstoring van de zeevervoermarkt bestaat of
dreigt of
2°. zulks ten behoeve van de uitvoering van een internationale
afspraak of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie
betrekking hebbende op het vervoer ter zee wenselijk is,
a. regels stellen omtrent de ladingverdeling van het zeevervoer
van Nederlandse havens naar havens van een bepaald land of van een
bepaalde groep landen en van het zeevervoer van havens van een
bepaald land of een bepaalde groep van landen naar Nederlandse
havens;
b. bepalen dat iedere scheepvaartonderneming die aan het onder a.
omschreven vervoer deelneemt alleen vervoerdiensten van of naar
Nederlandse havens mag aanbieden met inachtneming van een maximum of
minimum aantal afvaarten per jaar;
c. voor ieder schip van een scheepvaartonderneming die aan het
onder a. omschreven vervoer deelneemt een maximum of minimum
vervoercapaciteit vaststellen;
d. voor iedere scheepvaartonderneming, die aan het onder a.
omschreven vervoer deelneemt, het in te zetten scheepstype
voorschrijven.
2. Krachtens het eerste lid vastgestelde besluiten kunnen beperkt
zijn tot een bepaalde categorie van het zeevervoer of tot het vervoer
van bepaalde goederen.
3. Gedragingen die strekken tot het niet naleven of niet doen
naleven van het krachtens het eerste lid bepaalde zijn verboden.
Artikel 11 [Vervallen per 26-07-1995]
Hoofdstuk V. Vergunningen
Artikel 12
1. Bij algemene maatregel van bestuur, op
voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Ministers van
Buitenlandse Zaken en van Economische Zaken, kunnen Wij, indien er naar
Ons oordeel een zeer ernstige verstoring van de zeevervoermarkt bestaat
of dreigt, verbieden, zonder vergunning van Onze Minister goederen of
personen per schip over zee van of naar Nederlandse havens te vervoeren.
2. De maatregel als bedoeld in het vorige lid kan omstandigheden
vermelden, die afwezig dienen te zijn voor het verlenen van een
vergunning.
3. Een op grond van het eerste lid gesteld verbod kan beperkt
worden tot een bepaalde geografische markt, tot een bepaalde categorie
van het zeevervoer of tot het vervoer van bepaalde goederen.
Artikel 13 [Vervallen per 26-07-1995]
Artikel 14
1. Een maatregel als bedoeld in artikel
12, eerste lid, treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst.
2. Hij vervalt, behoudens eerdere intrekking, drie jaren na zijn
inwerkingtreding, tenzij bij wet anders wordt bepaald.
Artikel 15
De vergunning als bedoeld in artikel 12, eerste lid, kan onder
beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften
worden verbonden. Voorschriften en beperkingen kunnen met name
betrekking hebben op een minimum of maximum aantal afvaarten per jaar,
een minimum of een maximum vervoercapaciteit per schip, het in te zetten
scheepstype of de minimaal of maximaal te berekenen vervoertarieven.
Artikel 16
1. Onze Minister verleent een vergunning als bedoeld in artikel
12, eerste lid, indien naar zijn oordeel:
a. het vervoer waarvoor de vergunning wordt aangevraagd niet zal
leiden tot overcapaciteit op de betreffende zeevervoermarkt en
b. het vervoer waarvoor de vergunning wordt aangevraagd niet zal
geschieden tegen zodanig lage vervoertarieven of overige
vervoercondities, dat deelneming aan het vervoer op de betreffende
zeevervoermarkt voor andere betrokken scheepvaartondernemingen ernstig
in gevaar kan worden gebracht en
c. het vervoer waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, niet zal
worden uitgevoerd tegen zodanig hoge vervoertarieven of overige
vervoercondities, dat daardoor de belangen van de verladers ernstig in
gevaar kunnen worden gebracht en
d. andere, bij een maatregel als bedoeld in artikel 12, eerste lid,
bepaalde omstandigheden afwezig zijn.
2. Bij of krachtens een maatregel als bedoeld in artikel 12,
eerste lid, kan worden bepaald, welke gegevens bij het aanvragen van een
vergunning dienen te worden verstrekt. Onder gegevens, waarvan de
verstrekking wordt voorgeschreven, kunnen over te leggen bewijsstukken
zijn begrepen.
3. Vergunningen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, worden
verleend voor een bepaalde, daarin genoemde, termijn van ten hoogste
drie jaren. Zij kunnen worden verlengd.
4. Onze Minister kan een vergunning intrekken of wijzigen:
a. indien de vergunninghouder daarom verzoekt;
b. wegens niet uitoefenen van het vervoer;
c. wegens uitoefening van het vervoer in strijd met bij of
krachtens deze wet gegeven voorschriften;
d. wegens niet-inachtneming van aan de vergunning verbonden
voorschriften en beperkingen;
e. indien de voor de verkrijging daarvan verstrekte gegevens zo
onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere
beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste
omstandigheden bekend waren geweest;
f. indien een in deze wet geregeld belang dit naar zijn oordeel
noodzakelijk maakt.
5. Een beschikking houdende intrekking of wijziging krachtens het
vierde lid onder letter f. wordt niet genomen dan nadat de
vergunninghouder van het voornemen tot intrekking of wijziging en van de
gronden daarvoor in kennis is gesteld en in de gelegenheid is gesteld
daarover zijn zienswijze naar voren te brengen.
Artikel 17
Het is verboden terzake van een aanvraag voor een vergunning onjuiste
of onvolledige gegevens te verstrekken of te doen verstrekken.
Artikel 18
1. Onze Minister kan, wanneer hij overweegt een voordracht tot
vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in artikel 12, eerste lid, te doen en naar zijn
oordeel een gewichtige reden een onmiddellijke voorziening eist, in
overeenstemming met Onze Ministers van Buitenlandse Zaken en van
Economische Zaken, bij besluit regels overeenkomstig de in overweging
zijnde maatregel vaststellen alsmede in een bestaande maatregel
vervatte regels buiten werking stellen of wijzigen.
2. De artikelen 12, tweede en derde lid, 15 en 16 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 19
Een besluit als bedoeld in artikel 18, eerste lid, blijft, behoudens
eerdere intrekking, van kracht totdat een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in artikel 12, eerste lid, die hetzelfde onderwerp betreft,
in werking treedt, doch uiterlijk tot tien maanden na het in werking
treden van het besluit.
Hoofdstuk Va. Compenserende rechten
Artikel 19a
Indien ter zake van het vervoer van goederen bij een verordening van
de Raad van de Europese Gemeenschappen op grond van de Verordening (EEG)
nr. 4057/86 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 december
1986, betreffende oneerlijke tariefpraktijken in het vervoer over zee (PbEG
L 378) een compenserend recht is ingesteld, wordt dit recht namens Onze
Minister opgelegd door de inspecteur, bedoeld in artikel 1:3, eerste
lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet.
Artikel 19b
1. De inning en terugbetaling van compenserende rechten
geschiedt door de ontvanger, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid,
onderdeel c, van de Algemene douanewet, ware het een recht bij invoer.
2. Met betrekking tot de heffing en de invordering van
compenserende rechten als bedoeld in artikel 19a zijn de artikelen 189
tot en met 200 van de verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het
Communautair doaunewetboek (PbEG L 302) en de Invorderingswet 1990 van
overeenkomstige toepassing.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden
gesteld met betrekking tot de aangifte van een voorgenomen vervoer als
bedoeld in artikel 19a en met betrekking tot daarmee samenhangende
onderwerpen.
Artikel 19c
Onze Minister kan van de verschuldigheid van een compenserend recht
vrijstelling en op aanvraag ontheffing verlenen, voor zover daartoe
ingevolge de betrokken verordening de mogelijkheid bestaat.
Hoofdstuk VI. Regels inzake maatregelen van buitenlandse overheden
Artikel 20
1. Het is verboden maatregelen of beslissingen van een andere
staat, die betrekking hebben op het zeevervoer van en naar Nederlandse
havens, ten aanzien van:
a. prijsvorming;
b. condities waartegen het vervoer plaatsvindt;
c. aantal afvaarten;
d. capaciteit per schip;
e. ladingverdeling;
na te leven.
2. Onder het in het eerste lid genoemde verbod valt niet:
a. het geven van inlichtingen uit in de betreffende staat aanwezige
boeken, bescheiden of andere bronnen;
b. het naleven van maatregelen of beslissingen van een staat ten
aanzien van een zeeschip dat de vlag van die staat voert;
c. het naleven van maatregelen of beslissingen van een staat die,
hetzij uitvoering geven aan het op 6 april 1974 te Genève tot stand
gekomen Verdrag inzake een gedragscode voor lijnvaartconferences, met
bijlage, (Trb. 1980, 165) waarbij de betreffende staat partij
is, hetzij uitvoering geven aan een andere volkenrechtelijke
overeenkomst of een volkenrechtelijk besluit waarbij Nederland en de
betreffende staat partij zijn, betrekking hebbende op het vervoer over
zee.
3. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Ministers van
Buitenlandse Zaken en van Economische Zaken, op een daartoe strekkend
verzoek vrijstelling of ontheffing verlenen van het in het eerste lid
omschreven verbod.
Hoofdstuk VII. Vrijstellingen en ontheffingen
Artikel 21
Onze Minister kan vrijstelling verlenen van:
a. een verbod krachtens artikel 9
b. de regels als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a)
c. een verbod krachtens artikel 12, eerste lid
d. een verbod krachtens artikel 18, eerste lid.
Artikel 22
Onze Minister kan, op aanvraag, ontheffing verlenen van:
a. een verbod krachtens artikel 9
b. de regels als bedoeld in artikel 10, eerste lid.
Artikel 23
Vrijstellingen en ontheffingen kunnen onder beperkingen worden
verleend. Aan vrijstellingen en ontheffingen kunnen voorschriften worden
verbonden.
Artikel 24
1. Onze Minister kan een krachtens deze wet verleende
ontheffing intrekken, indien de voor de verkrijging daarvan verstrekte
gegevens zo onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een
andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de
juiste omstandigheden bekend waren geweest.
2. Onze Minister kan ontheffingen intrekken indien een in deze
wet geregeld belang dit naar zijn oordeel noodzakelijk maakt. Een
dergelijke intrekking vindt niet plaats dan nadat de houder van de
ontheffing van het voornemen tot intrekking en van de gronden daarvoor
in kennis is gesteld en in de gelegenheid is gesteld daarover zijn
zienswijze naar voren te brengen.
Artikel 25
Het is verboden terzake van een aanvraag voor een ontheffing onjuiste
of onvolledige gegevens te verstrekken.
Artikel 26
1. Bij of krachtens besluiten als bedoeld in artikel 9, of
artikel 10, eerste lid, kan worden bepaald welke gegevens voor het
aanvragen van een ontheffing als bedoeld in artikel 22, dienen te
worden verstrekt.
2. Onze Minister kan bepalen welke gegevens voor het aanvragen
van een ontheffing als bedoeld in artikel 20, vierde lid, dienen te
worden verstrekt.
3. Onder gegevens, waarvan de verstrekking wordt voorgeschreven,
kunnen over te leggen bewijsstukken zijn begrepen.
Hoofdstuk VIII. Commissie vervoer over zee
Artikel 27 [Vervallen per 01-10-1992]
Hoofdstuk IX. Het verstrekken van inlichtingen
Artikel 28
1. Onze Minister kan van een ieder die
bij het vervoer op een door hem te omschrijven zeevervoermarkt is
betrokken de inlichtingen verlangen, die hij nodig acht om te kunnen
beoordelen, of aanleiding bestaat tot toepassing van artikel 5, artikel
9, artikel 10, eerste lid, artikel 12, eerste lid, artikel 18, eerste
lid, artikel 20, vierde lid, of artikel 21.
2. Onze Minister kan, indien een internationale afspraak of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie, betrekking hebbend op
enig in deze wet geregeld onderwerp, dit vereist, van een ieder, die bij
het vervoer op een door hem te omschrijven zeevervoermarkt is betrokken,
de inlichtingen verlangen die hij nodig acht om te kunnen voldoen aan de
in die afspraak of dat besluit neergelegde verplichtingen.
Artikel 29
1. Onze Minister kan, indien er aanwijsbare omstandigheden zijn
op grond waarvan hij kan vermoeden, dat er aanleiding bestaat tot
toepassing van artikel 5, artikel 9, artikel 10, eerste lid, artikel
12, eerste lid, artikel 18, eerste lid, artikel 20, vierde lid, of
artikel 21, van de naar zijn oordeel bij het vervoer op een door hem
te omschrijven zeevervoermarkt betrokkenen inzage van alle boeken en
bescheiden verlangen, waarvan hij raadpleging nodig acht om zich van
het al of niet gegrond zijn van zijn vermoeden te overtuigen.
2. Onze Minister kan, indien een internationale afspraak of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie, betrekking hebbend op
enig in deze wet geregeld onderwerp, dit vereist, van de naar zijn
oordeel bij het vervoer op een door hem te omschrijven zeevervoermarkt
betrokkenen, inzage van alle boeken en bescheiden verlangen, waarvan hij
de raadpleging nodig acht om te kunnen voldoen aan in die afspraak of
dat besluit neergelegde verplichtingen.
3. Het inzien van de boeken en bescheiden kan hij opdragen aan
voor ieder afzonderlijk geval schriftelijk aan te wijzen personen.
4. Deze personen hebben te allen tijde toegang tot elke plaats,
met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner,
waarvan betreding naar hun redelijk oordeel voor de vervulling van hun
taak nodig is. Zonodig verschaffen zij zich toegang, alsmede inzage van
boeken en bescheiden, met behulp van de sterke arm.
Artikel 30
1. Een ieder van wie op grond van artikel 28 inlichtingen zijn
verlangd, is verplicht deze inlichtingen volledig en naar waarheid te
verstrekken op de wijze en binnen de termijn, door Onze Minister te
bepalen.
2. Een ieder van wie op grond van artikel 29, eerste en tweede
lid, inzage in boeken en bescheiden is verlangd, is verplicht deze te
verlenen met inachtneming van de door Onze Minister gegeven
aanwijzingen.
3. Zij, die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot
geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen van het geven van
inlichtingen, doch uitsluitend voor zover betreft hetgeen hun in hun
hoedanigheid is toevertrouwd. Zij kunnen voorts inzage van de in artikel
29, eerste en tweede lid, bedoelde boeken en bescheiden weigeren, voor
zover hun plicht tot geheimhouding hen daartoe noopt.
Artikel 31
1. Onze Minister kan bepalen, dat een ieder die bij het vervoer
op een door hem te omschrijven zeevervoermarkt is betrokken, verplicht
is een bij besluit nader te omschrijven administratie te voeren.
2. Een ieder die ingevolge een besluit op grond van het eerste
lid een administratie voert of heeft gevoerd, is verplicht de
bescheiden, waaruit die administratie bestaat, gedurende twee jaar na
het kalenderjaar, waarop zij betrekking hebben, in Nederland te bewaren.
Hoofdstuk X. Bemiddeling
Artikel 32
1. Op de tenuitvoerlegging van een aanbeveling, voor zover die
bindend is overeenkomstig de artikelen 37 en 39 van het op 6 april
1974 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake een gedragscode voor
lijnvaartconferences, met bijlage, (Trb. 1980, 165) en die is
gegeven in een bemiddelingsprocedure in Nederland, zijn de artikelen
1062, 1063 en 1071 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing.
2. Op de tenuitvoerlegging van een aanbeveling als bedoeld in het
eerste lid, die buiten Nederland is gegeven, is artikel 1075 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk XI. Beroep
Artikel 33
Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een
belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
Artikel 34 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 35 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk XII. Strafbepalingen
Artikel 36
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen
Artikel 37
1. Onze Minister brengt jaarlijks aan de Staten-Generaal
verslag uit over de toepassing van deze wet. Dit verslag wordt
overgelegd bij de indiening van de begroting.
2. Gegevens betreffende bepaalde ondernemingen worden niet
vermeld op zodanige wijze dat daaruit blijkt of gemakkelijk is af te
leiden op welke onderneming zij betrekking hebben. Gegevens, waarvan
bekendmaking naar het oordeel van Onze Minister redelijke zakenbelangen
nodeloos zou kunnen schaden, worden niet vermeld.
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 39
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling behoeven kan deze geschieden bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur.
Artikel 40 [Vervallen per 14-10-1992]
Artikel 41
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet vervoer over zee.
Artikel 42
De artikelen van deze wet treden in werking op een door Ons te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 27 oktober 1982
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
H.J. Zeevalking
De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,
H. van den Broek
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
W. Dik
Uitgegeven de vijfentwintigste november 1982
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|