WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
bestaande rijksmuseale diensten te verzelfstandigen in de vorm van een
stichting en een machtiging tot oprichting daarvan als bedoeld in
artikel 29 van de Comptabiliteitswet te verstrekken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap;
b. stichting: stichting als bedoeld in artikel 2;
c. overgangsdatum: datum van oprichting van een stichting;
d. personeelslid: degene die op de dag vóór de overgangsdatum
tewerkgesteld is bij de dienst die in de op te richten stichting
wordt voortgezet, hetzij als ambtenaar, hetzij op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
Artikel 2
Onze Minister wordt gemachtigd tot de oprichting van stichtingen die
tot doel hebben de uitoefening van museale en museaal ondersteunende
functies als voortzetting van de diensten, vermeld in de bij deze wet
behorende bijlage.
Artikel 3
Onze Minister gaat tot oprichting van een stichting niet eerder over
dan een maand nadat van het voornemen daartoe, onder overlegging van de
ontwerp-statuten, schriftelijk mededeling is gedaan aan beide Kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 4
Onze Minister is belast met het privaatrechtelijk beheer van de
museale verzamelingen of museale voorwerpen die eigendom zijn van de
Staat dan wel aan de zorg van de Staat zijn toevertrouwd.
Artikel 5
1. Ieder personeelslid van de dienst die in een stichting wordt
voortgezet, gaat, indien Onze Minister niet anders heeft beslist, over
in dienst van die stichting op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
recht, ingaande op de overgangsdatum.
Aan ieder personeelslid wordt ten minste één maand voor de
overgangsdatum schriftelijk mededeling gedaan van de rechtspositionele
gevolgen van een overgang in dienst van die stichting.
2. De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd. Indien een
personeelslid was aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd of
werkzaam was op arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, geldt de
arbeidsovereenkomst voor de niet verstreken tijd van de aanstelling voor
bepaalde tijd dan wel van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
3. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk
overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk vervulde
bij de dienst.
4. De arbeidsvoorwaarden zullen in het geheel niet ongunstiger
zijn dan die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn
dienstverband bij de dienst. Onze Minister stelt nadere regels ter zake.
5. Door het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst is het
personeelslid van rechtswege eervol ontslagen uit de dienst van de
Staat.
6. In afwijking van het eerste lid komt op de overgangsdatum geen
arbeidsovereenkomst tot stand met het personeelslid dat binnen een maand
na de schriftelijke mededeling, bedoeld in het eerste lid, laatste
volzin, aan Onze Minister heeft medegedeeld dat hij bezwaren heeft tegen
de overgang in dienst bij de op te richten stichting, tenzij hij voor de
overgangsdatum de bezwaren heeft ingetrokken. Onze Minister stelt nadere
regels met betrekking tot het onderzoek van de bezwaren. Onze Minister
beslist op de bezwaren.
7. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren
ongegrond heeft verklaard, komt, tenzij het personeelslid binnen een
week na de kennisgeving van deze beslissing aan Onze Minister kenbaar
heeft gemaakt dit niet te willen, een arbeidsovereenkomst tot stand op
de overgangsdatum dan wel, indien het einde van die week valt na de
overgangsdatum, op de eerste dag van de volgende maand.
8. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren geheel
of gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, kan hij daarbij beslissen dat
het personeelslid niet overgaat in dienst bij de op te richten
stichting. Indien Onze Minister niet een zodanige beslissing heeft
genomen, komt, tenzij het personeelslid binnen een week na de
kennisgeving van de beslissing aan Onze Minister kenbaar heeft gemaakt
dit niet te willen, een arbeidsovereenkomst tot stand op de
overgangsdatum dan wel, indien het einde van de week valt na de
overgangsdatum, op de eerste dag van de volgende maand. De inhoud van
die arbeidsovereenkomst is in overeenstemming met de beslissing van Onze
Minister.
9. Indien het personeelslid op of na de overgangsdatum de
bezwaren heeft ingetrokken, komt een arbeidsovereenkomst tot stand op de
eerste dag van de daarop volgende maand.
10. Indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren
ongegrond heeft verklaard, komt, tenzij het personeelslid binnen een
week na de kennisgeving van de beslissing aan Onze Minister kenbaar
heeft gemaakt dit niet te willen, een arbeidsovereenkomst tot stand op
de eerste dag van de volgende maand.
11. Indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren
geheel of gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, kan hij beslissen dat
het personeelslid niet overgaat in dienst bij de stichting dan wel de
stichting verplichten het personeelslid een arbeidsovereenkomst aan te
bieden, waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing.
Artikel 6
1. Met ingang van de overgangsdatum verkrijgt een personeelslid
met wie een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 5, eerste lid,
is gesloten, ter zake van de ouderdoms- en
nabestaandenpensioenvoorziening aanspraken jegens een door de
stichting aan te wijzen instelling als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet (Stb. 1952, 275) die
gelijkwaardig zijn aan die welke het personeelslid op de laatste dag
van de kalendermaand voorafgaande aan de overgangsdatum heeft jegens
het Algemeen burgerlijk pensioenfonds krachtens de Algemene
burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540) en neemt de aangewezen
instelling de daarmee verband houdende verplichtingen op zich.
2. De in het eerste lid bedoelde instelling wordt door de
stichting op de overgangsdatum aangewezen. Door alle stichtingen wordt
dezelfde instelling aangewezen. Door de directeuren van de diensten,
vermeld in de bij deze wet behorende bijlage, wordt in een met
meerderheid van stemmen genomen besluit bepaald welke instelling door de
stichtingen wordt aangewezen.
3. De aanspraken die een personeelslid als bedoeld in het eerste
lid toekomen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet en de daaruit
voortvloeiende verplichtingen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds
jegens dit personeelslid vervallen op de overgangsdatum.
4. Het derde lid is niet van toepassing op aanspraken:
a. die door een personeelslid voor de overgangsdatum geldend zijn
gemaakt of geldend hadden kunnen worden gemaakt;
b. die betrekking hebben op het recht op invaliditeitspensioen en
het recht op aanvulling daarvan, bedoeld in artikel F9 van de Algemene
burgerlijke pensioenwet van een personeelslid dat op de dag
voorafgaande aan de overgangsdatum blijkens een geneeskundig onderzoek
als bedoeld in hoofdstuk P van de Algemene burgerlijke pensioenwet
wegens ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te
vervullen, doch waarover nog geen beslissing van het bestuur van het
Algemeen burgerlijk pensioenfonds is genomen.
5. Het eerste, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op het personeelslid dat op grond van artikel 5, zevende tot
en met elfde lid, na de overgangsdatum overgaat in dienst bij een
stichting.
6. Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt
aan de in het eerste lid bedoelde instelling een deel van het vermogen
van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds over. Een deel van de
overdrachtssom wordt bepaald op grond van de aanspraken op
ouderdomspensioen die krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet ten
behoeve van een personeelslid zijn opgebouwd tot en met de dag
voorafgaande aan de datum van indiensttreding bij een stichting. In de
totale overdrachtssom is een aan bedoelde aanspraken evenredig aandeel
in de voorziening voor nabestaandenpensioenen en in de algemene reserve
begrepen, een en ander volgens een door het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds op te stellen opgebouwde-aanspraken-balans. Het over te
dragen vermogen heeft eenzelfde rendementspotentieel als het bij het
Algemeen burgerlijk pensioenfonds achterblijvende vermogen.
7. In afwijking van het zesde lid bedraagt het deel van de
overdrachtssom dat betrekking heeft op een personeelslid dat
voorafgaande aan de datum van indiensttreding wegens ziekte of gebreken
ongeschikt is verklaard voor een eerder door hem vervulde functie, een
percentage van het overeenkomstig het zesde lid ten aanzien van dat
personeelslid berekende bedrag dat gelijk is aan het percentage van zijn
resterende arbeidsgeschiktheid.
8. Ter bepaling van de financiële gevolgen voor het Algemeen
burgerlijk pensioenfonds van het vervallen van de verplichtingen jegens
de uitgetreden personeelsleden krachtens het derde lid en van de
waarde-overdracht krachtens het zesde lid maakt het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds een berekening van de waarde-overdracht indien deze
gebaseerd zou zijn op de lasten-min-baten. Hiertoe wordt voor de datum
van indiensttreding bij de stichting een evenwichtige lasten- en
baten-balans opgesteld voor de betrokken personeelsleden. Als
basisbijdragepercentage wordt op deze balans het percentage aangehouden
dat in de toekomst nodig is om de nog op te bouwen rechten van
gerechtigden op pensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet
juist te dekken zonder rekening te houden met toekomstige inflatie. Als
inhaalbijdragepercentage wordt het percentage gebruikt dat nodig is om
de lasten- en batenbalans van het fonds in evenwicht te brengen.
9. Het verschil tussen de waarde-overdracht krachtens het zesde
lid en de lasten-min-batenuitkomst krachtens het achtste lid wordt
verrekend tussen het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en Onze Minister.
Artikel 7
Ter zake van de vermogensoverdracht van het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds aan de instelling, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.
Artikel 8
1. Onze Minister gaat tot oprichting van een stichting niet
eerder over dan een week nadat deze wet in werking is getreden.
2. Indien de mededeling, bedoeld in artikel 5, eerste lid, heeft
plaatsgevonden drie weken of langer voor de inwerkingtreding van deze
wet wordt de in artikel 5, zesde lid, bedoelde termijn waarbinnen het
personeelslid kan mededelen dat hij bezwaren heeft tegen de overgang,
verlengd tot de overgangsdatum.
3. Indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 5, zevende of
achtste lid, heeft plaatsgevonden voor het in werking treden van deze
wet wordt de in voornoemde artikelleden bedoelde termijn waarbinnen het
personeel kenbaar kan maken de totstandkoming van een
arbeidsovereenkomst niet te willen, verlengd tot de overgangsdatum.
Artikel 9
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 10
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet verzelfstandiging
rijksmuseale diensten.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 24 juni 1993
BEATRIX
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H. d'Ancona
Uitgegeven de negenentwintigste juli 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage behorende bij de Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten
De diensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet verzelfstandiging
rijksmuseale diensten, zijn:
1. Rijksmuseum voor de geschiedenis van de natuurwetenschappen en
van de geneeskunde "Museum Boerhaave" te Leiden;
2. Rijksmuseum Het Catharijneconvent. Museum voor de
christelijke Cultuur in Nederland te Utrecht;
3. Rijksdienst Kastelenbeheer te 's-Gravenhage, waarvan
deel uitmaken:
- Rijksmuseum Gevangenpoort te 's-Gravenhage
- Rijksmuseum Muiderslot te Muiden
- Slot Loevestein te Brakel
- Kasteel Radboud te Medemblik
- Ruïne van Brederode te Santpoort
- Ruïne van de Jacobaburcht te Oostvoorne
- Ruïne van Strijen te Oosterhout
- Ruïne van Teylingen te Voorhout;
4. Rijksmuseum Kröller-Müller te Otterloo;
5. Koninklijk Kabinet van Schilderijen "Mauritshuis"
te 's-Gravenhage;
6. Rijksmuseum Meermanno-Westreenianum (Museum van het
Boek) te 's-Gravenhage;
7. Rijksmuseum Hendrik Willem Mesdag te 's-Gravenhage;
8. Nationaal Natuurhistorisch Museum te Leiden;
9. Rijksmuseum van Oudheden te Leiden;
10. Rijksmuseum Paleis Het Loo te Apeldoorn;
11. Rijksmuseum het Koninklijk Penningkabinet te Leiden;
12. Rijksmuseum te Amsterdam;
13. Rijksmuseum Nederlands Scheepvaartmuseum te Amsterdam;
14. Rijksmuseum Twenthe, museum voor kunst- en
cultuurgeschiedenis te Enschede;
15. Rijksmuseum Vincent van Gogh te Amsterdam;
16. Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden;
17. Rijksmuseum Het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen;
18. Centraal Laboratorium voor onderzoek van voorwerpen
van kunst en wetenschap te Amsterdam;
19. Opleiding Restauratoren te Amsterdam;
20. Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie te
's-Gravenhage;
21. Rijksdienst Beeldende Kunst te 's-Gravenhage.