WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ter voldoening aan het
bepaalde in de artikelen 32 en 33 der Grondwet, voor het geval van
erfopvolging door de troonopvolger die minderjarig is, nog bij Ons leven
bij een wet de voogdij van de minderjarige Koning moet worden geregeld
en de voogd of voogden moeten worden benoemd;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Gedurende de tijd, dat Onze uit het huwelijk van Ons, Beatrix, met
Zijne Koninklijke Hoogheid Claus George Willem Otto Frederik Geert,
Prins der Nederlanden, Jonkheer van Amsberg, geboren opvolger, krachtens
erfopvolging Koning geworden, minderjarig is, is Onze echtgenoot
voornoemd zijn voogd.
Artikel 2
1. De bepalingen van het gemene burgerlijk recht zijn op deze
voogdij van toepassing, voor zover niet uit deze wet het tegendeel
volgt.
2. Niet van toepassing zijn de bepalingen van de artikelen
326-335, 336a, 344-352, 353, tweede lid, 354-362, 365-368, 370,
371 en 374 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 3
De voogd is vrijgesteld van het stellen van zekerheid.
Artikel 4
1. De voogd wordt ter zijde gestaan door een Raad van Voogdij,
die aanstonds na het in werking treden van deze wet wordt
samengesteld.
2. Leden van deze Raad zijn vier door Ons, de Raad van State
gehoord, aan te wijzen Nederlanders benevens de vice-president en het
oudste lid van de Raad van State naar rang van benoeming, de president
van de Algemene Rekenkamer, de president van en de procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden.
3. Zo spoedig mogelijk nadat de minderjarige troonopvolger Koning
is geworden en de leden de bij artikel 7 voorgeschreven eed of belofte
hebben afgelegd, roept de vice-president van de Raad van State de Raad
van Voogdij bijeen teneinde de Raad uit zijn midden een voorzitter en
een secretaris te doen benoemen en de orde der werkzaamheden en
bijeenkomsten te doen regelen.
Artikel 5
1. De door Ons aangewezen leden van de Raad van Voogdij kunnen,
zolang geen voogdij bestaat, door Ons, de Raad van State gehoord,
worden ontslagen en vervangen.
2. Tijdens de voogdij kunnen zij worden ontslagen en vervangen
bij de wet.
3. Indien tijdens de voogdij hun aantal niet minder dan twee
bedraagt, kan vervanging achterwege blijven.
4. De in dit artikel bedoelde leden, die ontslag hebben verzocht,
vervullen de plichten, die uit hoofde van deze betrekking op hen rusten,
totdat het ontslag is verleend.
Artikel 6
Besluiten van de Raad van Voogdij kunnen slechts genomen worden bij
meerderheid van stemmen van het werkelijk aantal leden.
Artikel 7
Alvorens de betrekking te aanvaarden, legt elk lid van de Raad van
Voogdij in de bij artikel 34 der Grondwet bedoelde verenigde vergadering
van de Staten-Generaal in handen van de voorzitter de volgende eed of
belofte af:
"Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning; ik zweer (beloof) al de
plichten, welke op mij als lid van de Raad van Voogdij rusten, met de
meeste toewijding te zullen vervullen. Zo waarlijk helpe mij God
almachtig! ("Dat beloof ik!")."
Artikel 8
Totdat de in artikel 34 van de Grondwet bedoelde eed of belofte is
afgelegd, kan de benoemde voogd in de voogdij de voorzieningen treffen,
die geen uitstel kunnen lijden.
Artikel 9
1. Bij verhindering of ontstentenis van de voogd vervult de
Raad van Voogdij diens taak totdat de verhindering of de ontstentenis
is geëindigd, dan wel totdat in de voogdij opnieuw is voorzien.
2. De Raad wordt gehoord bij de keuze van de opvoeders en leraren
van de minderjarige Koning.
3. Buitenlands verblijf van de minderjarige Koning met een te
verwachten duur van langer dan twee maanden is onderworpen aan de
voorafgaande goedkeuring van de Raad.
Artikel 10
1. In deze voogdij wordt geen toeziende voogd benoemd.
2. De werkzaamheden, die het gemene burgerlijk recht aan de
toeziende voogd opdraagt, worden verricht door de Raad van Voogdij.
3. Telkenmale wanneer de bepalingen van het gemene burgerlijk
recht de tegenwoordigheid of het verhoor, hetzij van de toeziende voogd,
hetzij van de bloed- of aanverwanten van de minderjarige, hetzij van
beiden vorderen, treedt in deze voogdij de tegenwoordigheid of het
verhoor van de Raad van Voogdij, vertegenwoordigd door zijn voorzitter
of door een zijner daartoe door de Raad gemachtigde leden, hiervoor in
de plaats.
Artikel 11
1. Zo spoedig mogelijk na aanvaarding der voogdij doet de voogd
in tegenwoordigheid van drie leden van de Raad van Voogdij, daartoe
door de Raad aangewezen, overgaan tot inventarisering van het vermogen
van de minderjarige Koning.
2. Deze boedelbeschrijving wordt bij notariële akte opgemaakt.
3. De deugdelijkheid daarvan wordt niet onder ede bevestigd.
Artikel 12
De begroting van de uitgaven ten behoeve van de minderjarige Koning
en van de kosten, welke op het beheer van het vermogen mogen vallen,
wordt door de Raad van Voogdij, op voordracht van de voogd, vóór de
aanvang van ieder kalenderjaar vastgesteld.
Artikel 13
1. Binnen de eerste zes maanden van ieder kalenderjaar wordt
een staat van de ontvangsten en de uitgaven ten behoeve van de
minderjarige Koning gedurende het afgelopen jaar door de voogd aan de
Raad van Voogdij overgelegd en door deze vastgesteld.
2. In die staat worden mede opgenomen als ontvangsten de
inkomsten welke tot het vruchtgenot van de voogd behoren, en als
uitgaven de kosten, die daaraan zijn verbonden, en het verschil tussen
deze inkomsten en deze kosten, dat aan de voogd toekomt. Het vruchtgenot
strekt zich niet uit tot de grondwettelijke uitkering aan de
minderjarige Koning.
3. Het batig overschot van de ontvangsten boven de uitgaven,
voorkomende op de in het eerste lid bedoelde staat, zomede de in de loop
van het jaar ontvangen kooppenningen van verkochte goederen,
aflossingssommen van effecten en andere afgeloste kapitalen worden zo
spoedig mogelijk, en zulks met goedkeuring van de Raad van Voogdij
belegd.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 10 juni 1981
BEATRIX
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
Van Agt
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. Wiegel
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
Uitgegeven de zevende juli 1981
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter