Nadere regelgeving:
- Besluit voorraadvorming aardolieproducten 2001
- Uitvoeringsregeling voorraadvorming aardolieproducten 2001
WET van 28 maart 2001, houdende regels
inzake het aanhouden van voorraden aardolieproducten (Wet
voorraadvorming aardolieproducten 2001)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om regels
te stellen met het oog op het zo doelmatig mogelijk voldoen aan
internationale verplichtingen tot het aanhouden van minimumvoorraden
aardolieproducten, voortvloeiend uit de Overeenkomst inzake een
Internationaal Energieprogramma (Trb. 1975, 47) en uit Richtlijn nr.
68/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december
1968 houdende verplichting voor de Lid-Staten van de Europese
Economische Gemeenschap om minimumvoorraden aardolie en/of
aardolieprodukten in opslag te houden (PbEG L 208), en daartoe de Wet
voorraadvorming aardolieprodukten integraal te herzien;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. bilateraal akkoord: tussen Nederland en een andere lidstaat
van de Europese Unie geldend verdrag als bedoeld in artikel 3 van de
bijlage bij de Overeenkomst inzake een Internationaal
Energieprogramma (Trb. 1975, 47) en artikel 7, eerste tot en met
derde lid, van richtlijn 2006/67/EG;
b. COVA: Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming
Aardolieprodukten;
c. internationale verplichtingen: verplichtingen tot het
aanhouden van een voorraad aardolieproducten, voortvloeiend uit de
Overeenkomst inzake een Internationaal Energieprogramma (Trb. 1975,
47) en uit richtlijn 2006/67/EG;
d. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw
en Innovatie;
e. referentiejaar: kalenderjaar dat voorafgaat aan het
voorraadjaar;
f. richtlijn 2006/67/EG: richtlijn 2006/67/EG van de Raad van 24
juli 2006 houdende verplichting voor de lidstaten om
minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te
houden (PbEU L 217).
g. uitslag: uitslag als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de
accijns, met uitzondering van afleveringen met bestemming
internationale zeevaart;
h. voorraadjaar: tijdvak van 12 maanden dat begint op 1 april van
enig jaar;
i. voorraadplichtige: degene die op grond van deze wet een
wettelijke voorraad moet aanhouden of zich daartoe heeft verbonden
bij een overeenkomst als bedoeld in artikel 5, eerste lid;
j. wettelijke voorraad: voorraad aardolieproducten waarmee wordt
beoogd aan de voor Nederland geldende internationale verplichtingen
te voldoen, alsmede de extra voorraad die COVA aanhoudt op grond van
artikel 7, tweede lid.
Artikel 2
1.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
worden aardolieproducten verdeeld in de volgende categorieën:
a. lichte olie,
b. halfzware olie en gasolie,
c. zware stookolie,
d. vloeibaar gemaakt petroleumgas.
2.Onder de in het eerste lid genoemde producten wordt verstaan
hetgeen ingevolge de artikelen 26 en 28 van de Wet op de accijns onder
deze producten wordt verstaan.
Hoofdstuk 2. Het aanhouden van voorraden ter naleving van
internationale verplichtingen van Nederland
Titel 1. Bepalingen die zich richten tot alle voorraadplichtigen
Paragraaf 1. Diverse voorraadplichtigen en de omvang van hun
wettelijke voorraad
Artikel 3
1.De hoeveelheid aardolieproducten die Nederland ter naleving van
zijn internationale verplichtingen moet aanhouden, wordt als volgt
verdeeld:
a. elke vergunninghouder voor een of meer
accijnsgoederenplaatsen voor minerale oliën als bedoeld in
artikel 39 van de Wet op de accijns, die in het referentiejaar een
hoeveelheid aardolieproducten heeft uitgeslagen die in totaal ligt
boven de in het tweede lid bedoelde drempel, houdt gedurende het
voorraadjaar van elke categorie aardolieproducten die hij heeft
uitgeslagen, de hoeveelheid aan, bedoeld in artikel 4, eerste lid,
b. COVA houdt de hoeveelheid aan, bedoeld in artikel 7.
2.De hoogte van de drempel wordt bepaald bij algemene maatregel van
bestuur.
3.Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de
Nederlandse krijgsmacht.
Artikel 4
1.De hoeveelheid aardolieproducten die wordt aangehouden door een
voorraadplichtige niet zijnde COVA, wordt bepaald door:
a. de drempel, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a,
te verdelen over de diverse categorieën aardolieproducten naar
rato van zijn uitslag van elke categorie in het referentiejaar;
b. per categorie aardolieproducten zijn in het referentiejaar
uitgeslagen hoeveelheid te verminderen met de hoeveelheid die is
berekend met toepassing van onderdeel a, en
c. de met toepassing van onderdeel b berekende hoeveelheid te
vermenigvuldigen met een percentage dat bij algemene maatregel van
bestuur wordt vastgesteld.
2.De omvang van de verplichting wordt berekend naar de aangiften,
bedoeld in artikel 53 van de Wet op de accijns, over het
referentiejaar. De omvang van de verplichting over uitslag waarvoor
geen aangifte is gedaan omdat geen accijns is verschuldigd, wordt
berekend op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze.
3.Het percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is
gebaseerd op de gemiddelde voorraad waarover, bij een normale
bedrijfsvoering, ten minste een substantieel deel van de
voorraadplichtigen beschikt. Dat percentage kan worden gecorrigeerd in
verband met de effecten van de drempel, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, onderdeel a.
Artikel 5
1.Onze Minister kan op aanvraag besluiten dat aan de verplichting,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, door twee of meer
voorraadplichtigen gezamenlijk mag worden voldaan, al dan niet doordat
een derde zich er bij overeenkomst toe verbindt de gezamenlijke
voorraadverplichting te zullen naleven.
2.De aanvraag wordt slechts geweigerd indien in de aanvraag naar
het oordeel van Onze Minister onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat
de betrokken voorraadplichtigen gedurende het voorraadjaar of de
voorraadjaren waarop de aanvraag betrekking heeft, daadwerkelijk
gezamenlijk aan hun voorraadverplichting zullen voldoen.
3.De aanvraag wordt ingediend vóór 1 maart die voorafgaat aan het
voorraadjaar of de voorraadjaren waarop de aanvraag betrekking heeft.
Onze Minister beslist binnen vier weken. Onze Minister kan zijn
besluit onder beperkingen verlenen. Onze Minister kan aan zijn besluit
voorschriften verbinden.
4.De voorraadplichtige meldt het niet naleven van de gezamenlijke
voorraadverplichting onverwijld aan Onze Minister.
5.Onze Minister kan zijn besluit met ingang van een door hem te
bepalen datum wijzigen of intrekken:
a. op aanvraag van een of meer belanghebbenden, of
b. ambtshalve, indien hij het aannemelijk acht dat de betrokken
voorraadplichtigen niet aan hun gezamenlijke voorraadverplichting
voldoen of zullen voldoen.
Artikel 6
1.De gegevens die zijn verstrekt bij een melding als bedoeld in
artikel 5, vierde lid, kunnen ten aanzien van degene die deze gegevens
heeft verstrekt niet dienen:
a. als grondslag voor of ten behoeve van een
opsporingsonderzoek of een vervolging, noch
b. als bewijs terzake van een telastelegging, voor zover dit
opsporingsonderzoek, die vervolging of die telastelegging
betrekking heeft op overtreding van artikel 3, eerste lid,
onderdeel a.
2.Degene die de melding heeft gedaan, is niet aansprakelijk voor
schade die een andere betrokken voorraadplichtige of de derde, bedoeld
in artikel 5, eerste lid, dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk
wordt gemaakt dat gelet op alle feiten en omstandigheden in
redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.
Artikel 7
1.De hoeveelheid aardolieproducten die wordt aangehouden door COVA,
wordt per categorie aardolieproducten bepaald door de voor Nederland
geldende internationale verplichtingen te verminderen met de totale
hoeveelheid die de andere voorraadplichtigen dan COVA moeten
aanhouden.
2.Onze Minister kan bepalen dat de hoeveelheid die COVA op grond
van het eerste lid aanhoudt, met een door hem te bepalen hoeveelheid
wordt verhoogd.
3.Onze Minister maakt de totale door COVA aan te houden hoeveelheid
tijdig voorafgaand aan het voorraadjaar aan COVA bekend.
Artikel 8
1.Onze Minister kan, indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is
in verband met een oliecrisis of dreigende oliecrisis, bij
ministeriële regeling bepalen dat de wettelijke voorraad met een door
hem te bepalen gedeelte mag worden verminderd.
2.Een krachtens het eerste lid vastgestelde regeling kan
beperkingen inhouden, waaronder een beperking van de categorieën
aardolieproducten waarvan de wettelijke voorraad mag worden
verminderd.
3.Onze Minister ziet er op toe, dat indien er sprake is van een
oliecrisis of dreigende oliecrisis, geen speculatie in of het
achterhouden van voorraden zal plaatsvinden. Bij algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld.
Paragraaf 2. Eisen aan de wettelijke voorraad
Artikel 9
1.Indien de voorraadplichtige aantoont dat is voldaan aan de
verhouding en het bepaalde in artikel 5, tweede en derde lid, van
richtlijn 2006/67/EG, mag hij de wettelijke voorraad per categorie
aardolieproducten naar die verhouding en dat bepaalde vervangen door
ruwe aardolie, halffabrikaten of componenten waaruit die producten
kunnen worden vervaardigd.
2.De voorraadplichtige kan aantonen dat is voldaan aan de
verhouding en het bepaalde in artikel 5, tweede en derde lid, van
richtlijn 2006/67/EG, door gebruik te maken van jaarlijks door Onze
Minister terzake verstrekte gegevens.
3.Voor zover uit artikel 3 voortvloeit dat de wettelijke voorraad
moet worden aangehouden als vloeibaar gemaakt petroleumgas, kan de
voorraadplichtige in plaats daarvan volstaan met het aanhouden van een
zelfde hoeveelheid lichte olie. Op deze lichte olie zijn het eerste en
tweede lid van toepassing.
Artikel 10
1.Een product wordt slechts tot de wettelijke voorraad gerekend,
indien het zich bevindt in een lidstaat van de Europese Unie.
2.Als het product zich niet in Nederland bevindt, wordt het slechts
tot de wettelijke voorraad gerekend indien is voldaan aan het
betrokken bilaterale akkoord.
3.Onze Minister kan, indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is
in verband met een oliecrisis of dreigende oliecrisis, bepalen dat de
wettelijke voorraad die zich niet in Nederland bevindt binnen een door
Onze Minister te bepalen termijn naar Nederland wordt overgebracht.
Artikel 11
1.Een product wordt slechts tot de wettelijke voorraad gerekend,
indien het op elk moment dat de voorraadplichtige daarom verzoekt,
daadwerkelijk te zijner beschikking staat.
2.Als de voorraadplichtige niet enig rechthebbende is op het
product, wordt het slechts tot de wettelijke voorraad gerekend indien
hij ten aanzien daarvan een beschikkingsrecht heeft:
a. dat is ingegaan per de eerste van een kalendermaand, en
b. een geldingsduur heeft van ten minste een maand.
3.Onze Minister kan bepalen dat de voorraadplichtige enig
rechthebbende dient te zijn op ten minste een door de Minister te
bepalen gedeelte van de wettelijke voorraad:
a. ingeval de voorraadplichtige COVA is: indien Onze Minister dat
noodzakelijk acht uit oogpunt van zekerheid van voorziening van
aardolieproducten;
b. ingeval de voorraadplichtige niet COVA is: indien is gebleken
dat in het verleden door deze voorraadplichtige of ten opzichte van
deze voorraadplichtige, niet werd voldaan aan het eerste lid.
Artikel 12
1.Tot de wettelijke voorraad worden niet gerekend producten:
a. die zich bevinden in leidingen of verwerkingsinstallaties
van een raffinaderij,
b. die zich bevinden in pijpleidingen, tankauto's of
tankwagons,
c. die, al dan niet uitsluitend, voorhanden zijn voor
rechtstreekse aflevering ten behoeve van het wegverkeer,
d. die zich bevinden in bunkerstations ten behoeve van de
zeescheepvaart,
e. die zijn geplaatst onder de douaneregeling douanevervoer,
bedoeld in artikel 4, onderdeel 16, onder b, van verordening (EEG)
nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12
oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG
L 302), of
f. waarvan op grond van een verdrag tussen Nederland en een
andere staat is gewaarborgd, dat Nederland de overbrenging naar
die andere staat niet zal belemmeren.
2.Voorts wordt niet tot de wettelijke voorraad gerekend ruwe
aardolie die zich bevindt in installaties die gebruikt worden voor de
winning van ruwe aardolie.
Paragraaf 3. Informatie- en administratieverplichtingen
Artikel 13
1.De voorraadplichtige verstrekt aan Onze Minister gegevens omtrent
de omvang en samenstelling van zijn wettelijke voorraad en overige
voorraad aardolieproducten, ruwe aardolie, halffabrikaten en
componenten, zijn rechtsbetrekking daartoe, alsmede omtrent de kosten
van het naleven van zijn voorraadverplichting, als bij ministeriële
regeling bepaald.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene die,
zelf niet voorraadplichtig, ten behoeve van een voorraadplichtige een
wettelijke voorraad beheert.
3.De regeling, bedoeld in het eerste lid, kan slechts betrekking
hebben op de inhoud van de gevraagde gegevens, op de wijze waarop zij
worden verstrekt, en op de tijdstippen waarop zij worden verstrekt.
Paragraaf 4. Ontheffingen
Artikel 14
1.Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van de
artikelen 3, eerste lid, onderdeel a, en 13. Een ontheffing kan onder
beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften
worden verbonden.
2.De ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken:
a. op aanvraag van een of meer belanghebbenden, of
b. ambtshalve, indien dit naar het oordeel van Onze Minister om
gewichtige redenen noodzakelijk is.
Titel 2. Institutionele bepalingen omtrent COVA
Artikel 15
1.Onze Minister draagt er zorg voor dat er een Stichting Centraal
Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten is.
2.COVA heeft tot taak om, met inachtneming van de vereiste
zekerheid van voorziening van aardolieproducten, haar wettelijke
voorraad tegen zo laag mogelijke kosten aan te houden, en te doen al
hetgeen daarvoor bevorderlijk kan zijn.
Artikel 16
1.Het bestuur van COVA bestaat uit ten minste drie en ten hoogste
zeven leden.
2.Onze Minister benoemt en ontslaat de voorzitter en de
plaatsvervangende voorzitter van het bestuur, alsmede de overige leden
en plaatsvervangende leden. Eén lid en zijn plaatsvervanger benoemt
en ontslaat hij in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.
Artikel 17
1.Slechts Onze Minister kan de statuten van COVA wijzigen.
2.Onze Minister kan, het bestuur van COVA gehoord, COVA
aanwijzingen geven, die hij voor een goede taakvervulling van COVA
noodzakelijk acht. Deze aanwijzingen kunnen onder meer betrekking
hebben op de soorten producten die COVA dient aan te houden, op de
wijze en plaats van opslag daarvan en op de aanwending van de
voorraden van COVA bij een oliecrisis of dreigende oliecrisis.
3.COVA verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de
uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan
inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat
voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 18
1.De begroting van inkomsten en uitgaven en de jaarrekening van
COVA behoeven, na door het bestuur van COVA te zijn vastgesteld, de
goedkeuring van Onze Minister.
2.Het bestuur van COVA biedt jaarlijks vóór 1 februari aan Onze
Minister ter goedkeuring de begroting voor het komende kalenderjaar
aan, vergezeld van de nodige toelichting en bescheiden. Indien de
begroting niet vóór de aanvang van het kalenderjaar waarvoor zij
moet dienen, is goedgekeurd, kan Onze Minister COVA machtigen bepaalde
uitgaven te doen.
3.Het bestuur van COVA biedt Onze Minister jaarlijks vóór 1 juli
aan de rekening van inkomsten en uitgaven over het afgelopen
kalenderjaar, alsmede een overzicht van de grootte en samenstelling
van het vermogen aan het einde van dat jaar en een bijbehorende
toelichting. De overgelegde stukken behoeven een verklaring van een
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, die door het bestuur van COVA is benoemd. Zij gaan
verder vergezeld van een verslag van de accountant, bevattende
opmerkingen waartoe diens onderzoek aanleiding geeft.
4.De goedkeuring van de jaarrekening strekt, voor zover het de
daarbij goedgekeurde inkomsten en uitgaven betreft, tot décharge van
het bestuur, behoudens in geval van later gebleken valsheid in
bewijsstukken of andere onregelmatigheden.
Artikel 19
1.Indien COVA naar het oordeel van Onze Minister haar taak ernstig
verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen
treffen, zo nodig met afwijking van de statuten van COVA.
2.De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet
eerder getroffen dan nadat COVA in de gelegenheid is gesteld om binnen
een door Onze Minister gestelde termijn alsnog haar taak naar behoren
uit te voeren.
Artikel 20
De staat is aansprakelijk voor schulden van COVA, die mochten
overblijven na haar liquidatie als rechtspersoon.
Titel 3. Voorraadheffing ten behoeve van de financiering van COVA
Artikel 21
1.Onder de naam voorraadheffing wordt een heffing geheven van de in
artikel 2 bedoelde producten. De voorraadheffing strekt tot
financiering van de exploitatiekosten van COVA.
2.De voorraadheffing wordt vanwege Onze Minister van Financiën
door de rijksbelastingdienst geheven en ingevorderd als ware het
accijns.
3.Onze Minister van Financiën keert de opbrengst van de
voorraadheffing uit aan COVA.
Artikel 22
1. De heffing bedraagt voor:
a. lichte olie, per 1000 L bij een temperatuur van 15 graden
Celsius € 5,90
b. halfzware olie, per 1000 L bij een temperatuur van 15 graden
Celsius € 5,90
c. gasolie, per 1000 L bij een temperatuur van 15 graden
Celsius € 5,90
d. vloeibaar gemaakt petroleumgas, per 1000 kilogram € 5,90
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de in het eerste lid
genoemde bedragen worden gewijzigd of op nihil gesteld.
3. De voordracht van een algemene maatregel van bestuur tot
verhoging van een of meer van de in het eerste lid genoemde bedragen,
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide
kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Titel 4 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2013]
Titel 5. Handhaving
Artikel 24
1.Bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren zijn belast
met het toezicht op de naleving van:
a. het bij of krachtens hoofdstuk 2 bepaalde, met uitzondering
van artikel 21, en
b. het bepaalde bij of krachtens een bilateraal akkoord, voor
zover dit betrekking heeft op het niet in Nederland aanhouden van
een wettelijke voorraad.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Hoofdstuk 3. Het in Nederland aanhouden van voorraden ter naleving
van internationale verplichtingen van andere landen
Artikel 25
Dit hoofdstuk heeft uitsluitend betrekking op het, op grond van een
bilateraal akkoord, in Nederland aanhouden van een voorraad
aardolieproducten ten behoeve van een andere staat dan Nederland, dan
wel ten behoeve van een onderdaan van die staat.
Artikel 26
1. Onze Minister kan de aanvraag tot het mogen aanhouden van de
voorraad slechts weigeren indien:
a. toestemming naar zijn oordeel zou kunnen leiden tot een
situatie die in strijd zou zijn met het betrokken bilaterale
akkoord, of
b. weigering naar zijn oordeel anderszins noodzakelijk is met
het oog op de naleving van voor Nederland geldende internationale
verplichtingen.
2. Indien de aanvraag is geweigerd op grond van het eerste lid,
onderdeel b, is degene die de aanvraag had ingediend verplicht om met
COVA te onderhandelen over het door COVA aanhouden van de betrokken
voorraad aardolieproducten als wettelijke voorraad.
Artikel 27
Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing op degene die de
voorraad aanhoudt.
Artikel 28
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens een
bilateraal akkoord bepaalde, zijn belast de bij besluit van Onze
Minister aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 29
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 30
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze
wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren
van COVA, alsmede over de effecten van deze wet op de Nederlandse
economie.
Artikel 31
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 31a
Indien richtlijn 68/414/EEG wordt ingetrokken en wordt vervangen door
een codificatie van die richtlijn, worden voor zover nodig bij besluit
van Onze Minister de verwijzingen in de artikel 1, onderdelen a en c, en
artikel 9, eerste en tweede lid, naar de artikelen van richtlijn 68/414/EEG
alsmede de aanduiding van de richtlijn in artikel 1, onderdeel f, in
overeenstemming gebracht met de corresponderende artikelen en aanduiding
van de gecodificeerde richtlijn. Van dit besluit wordt mededeling gedaan
in de Staatscourant.
Artikel 32
1. De Wet voorraadvorming aardolieprodukten wordt ingetrokken.
2. De bepalingen van de Wet voorraadvorming aardolieprodukten
blijven van toepassing met betrekking tot feiten die leiden tot de
verschuldigdheid van voorraadheffing of tot de voldoening van
voorraadheffing, die hebben plaatsgevonden voor 1 april 2001 en met
betrekking tot strafbare feiten die hebben plaatsgevonden voor die
datum.
Artikel 33
De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Artikel 34
Deze wet wordt aangehaald als: Wet voorraadvorming aardolieproducten
2001.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 28 maart 2001
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de negenentwintigste maart 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|