WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat onzekerheid bestaat ten
aanzien van den vorm, waarin eeden, beloften en bevestigingen moeten
worden afgelegd en dat mitsdien voorziening te dier zake noodig is;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Hij, die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift mondeling een
eed, belofte of bevestiging moet afleggen, zal:
a. indien hij een eed aflegt, onder het opsteken van de twee
voorste vingers van zijn rechterhand, uitspreken de woorden:
"Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig",
b. indien hij een belofte aflegt, uitspreken de woorden:
"Dat beloof ik", indien hij een bevestiging aflegt,
uitspreken de woorden: "Dat verklaar ik",
tenzij hij aan zijn godsdienstige gezindheid den plicht ontleent den
eed, de belofte of de bevestiging op andere wijze te doen.
Artikel 2
Indien bij het wettelijk voorschrift andere uit te spreken woorden
zijn vastgesteld als de in het vorige artikel voorgeschrevene, treden de
bij het bijzonder wettelijk voorschrift vastgestelde voor deze in de
plaats.
Artikel 3
Hij, die tengevolge van een lichaams- of spraakgebrek den eed, de
belofte of de bevestiging niet kan afleggen op de bij de artikelen 1 en
2 bepaalde wijze, zal den eed, de belofte of de bevestiging afleggen op
een wijze, zooveel mogelijk overeenstemmende met het bij die artikelen
voorgeschrevene, te bepalen door dengene in wiens handen de eed, de
belofte of de bevestiging wordt afgelegd.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize het Loo, den 17den Juli 1911
WILHELMINA
De Minister van Justitie,
E.R.H. Regout
Uitgegeven den vijf en twintigsten Juli 1911
De Minister van Justitie,
E.R.H. Regout