Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet
waardering onroerende zaken
- Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken
- Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering
onroerende zaken'
WET van 15 december 1994, houdende
algemene regels inzake de waardering van onroerende zaken
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te
stellen met betrekking tot een uniforme bepaling van de waarde van
onroerende zaken en de wijze van vaststelling daarvan ten behoeve van de
heffing van belastingen, alsmede om het toezicht op de waardebepaling en
waardevaststelling op te dragen aan een daartoe in te stellen
Waarderingskamer;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.Deze wet geldt bij de bepaling,
de vaststelling en de verstrekking van de waarde van in Nederland
gelegen onroerende zaken ten behoeve van afnemers.
2.Het college van burgemeester en
wethouders is belast met de uitvoering van deze wet, tenzij de
gemeenteambtenaar, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel
b, van de Gemeentewet, hiermee is belast.
Artikel 2
In deze wet wordt verstaan onder:
– afnemer: bestuursorgaan dat
op grond van een wettelijk voorschrift bevoegd is tot gebruik
van een waardegegeven;
– authentiek gegeven: in een
basisregistratie opgenomen gegeven dat bij wettelijk voorschrift
als authentiek is aangemerkt;
– basisregistratie: verzameling
gegevens waarvan bij wet is bepaald dat deze authentieke
gegevens bevat;
– belastingen: belastingen
geheven door het Rijk, de gemeenten en de waterschappen;
– college: college van
burgemeester en wethouders;
– Onze Minister: Onze Minister
van Financiën;
– terugmelding: melding als
bedoeld in artikel 37f, eerste lid;
– waardegegeven: op de voet van
hoofdstuk IVvan deze wet vastgestelde waarde van een onroerende
zaak;
– de wet: de Wet waardering
onroerende zaken.
Artikel 3
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld betreffende de verrekening van de
kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de wet.
Hoofdstuk II. De waarderingskamer
Artikel 4
1. Er is een Waarderingskamer. De
Waarderingskamer bezit rechtspersoonlijkheid.
2. De Waarderingskamer houdt
toezicht op de waardebepaling en de waardevaststelling van
onroerende zaken, op de uitvoering van de basisregistratie waarde
onroerende zaken (basisregistratie WOZ) en op de overige in de wet
geregelde onderwerpen. De colleges verschaffen de Waarderingskamer
desgevraagd tijdig de voor de uitoefening van haar taak
noodzakelijke gegevens.
3. De Waarderingskamer dient
desgevraagd of eigener beweging Onze Minister van advies over
zaken die verband houden met de inhoud en de toepassing van
hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald.
4. De Waarderingskamer geeft voorts
uitvoering aan hetgeen haar overigens bij of krachtens de wet is
opgedragen.
5. De Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen, met uitzondering van artikel 9 van die wet, is
van toepassing op de Waarderingskamer.
Artikel 5
1. De Waarderingskamer bestaat uit
elf leden, waaronder de voorzitter, die worden benoemd door Onze
Minister.
2. Van de andere leden dan de
voorzitter worden vier leden op voordracht van de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten, twee leden uit de rijksbelastingdienst en
twee leden op voordracht van de Unie van Waterschappen benoemd.
3. De Waarderingskamer wijst uit
haar midden een plaatsvervangende voorzitter aan.
4. De leden van de Waarderingskamer
worden benoemd voor ten hoogste vier jaren. Na afloop van deze
termijn kunnen zij worden herbenoemd.
5. Degene die tot lid is benoemd
ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af
op het ogenblik waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, had
moeten aftreden. Hij kan worden herbenoemd.
Artikel 6
1.De Waarderingskamer heeft drie
adviserende leden die worden benoemd door Onze Minister op
voordracht van onderscheidenlijk Onze Minister, Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het InterProvinciaal
Overleg.
2.De adviserende leden kunnen te
allen tijde op eigen verzoek door Onze Minister worden ontslagen.
Onze Minister kan hen op verzoek van degene die de voordracht
heeft gedaan, schorsen of ontslaan.
Artikel 7
1.De Waarderingskamer kan ter
uitvoering van haar taak commissies instellen, waarin ook personen
van buiten de Waarderingskamer zitting kunnen hebben.
2.De Waarderingskamer en haar
commissies kunnen zich doen bijstaan door deskundigen.
Artikel 8
1. De Waarderingskamer heeft een
secretariaat onder leiding van een secretaris, die door Onze
Minister, op voordracht van de Waarderingskamer, wordt benoemd,
geschorst en ontslagen.
2. Het secretariaat staat de
Waarderingskamer in haar werkzaamheden bij.
3. De secretaris en het personeel
van het secretariaat zijn niet tevens lid of adviserend lid van de
Waarderingskamer.
4. De secretaris is voor de
uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan
de Waarderingskamer.
Artikel 9
1. Het personeel van het
secretariaat van de Waarderingskamer, de secretaris daaronder
begrepen, is ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet.
2. In afwijking van artikel 15 van
de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen stelt de Waarderingskamer
bij reglement de regeling van de rechtstoestand van het personeel
vast.
3. Onverminderd hetgeen reeds bij
of krachtens de Ambtenarenwet is geregeld, geeft het reglement,
bedoeld in het tweede lid, in ieder geval voorschriften
betreffende de volgende onderwerpen:
a. aanstelling;
b. schorsing;
c. ontslag;
d. het onderzoek naar de
geschiktheid en de bekwaamheid;
e. bezoldiging;
f. wachtgeld;
g. diensttijden;
h. verlof en vakantie;
i. voorzieningen in verband met
ziekte;
j. bescherming bij arbeid;
k. woon-, verblijfs- en
bereikbaarheidsverplichtingen;
l. medezeggenschap;
m. overige rechten en
verplichtingen van het personeel;
n. disciplinaire straffen;
o. de wijze waarop met de
daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van
overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over aangelegenheden
van algemeen belang voor de rechtstoestand en de bezoldiging
van het personeel van het secretariaat;
p. een geschillenregeling met
betrekking tot de onder l en o genoemde onderwerpen.
4. Artikel 126 van de Ambtenarenwet
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10
De Waarderingskamer stelt een
bestuursreglement vast, waarin in ieder geval regels worden
opgenomen met betrekking tot de werkwijze van haar commissies, met
betrekking tot de wijze waarop overleg wordt gevoerd met de colleges
en de afnemers of met hun vertegenwoordigers omtrent aangelegenheden
ter zake waarvan naar haar oordeel overleg gewenst is, alsmede
omtrent aangelegenheden ter zake waarvan de deelnemers aan het
overleg de Waarderingskamer te kennen hebben gegeven overleg te
willen voeren.
Artikel 11
1.Geschillen met betrekking tot de
uitvoering van de wet tussen afnemers en colleges kunnen door de
betrokken partijen worden voorgelegd aan de Waarderingskamer.
2.Het verzoek tot het in
behandeling nemen van een geschil wordt ingediend door de bij het
geschil betrokken partijen.
3.De Waarderingskamer beslist
binnen dertien weken nadat het geschil is voorgelegd. De
Waarderingskamer kan deze termijn, met redenen omkleed, eenmaal
met dertien weken verlengen. Zij kan voorts de termijn verder
verlengen met instemming van de betrokken partijen.
4.De Waarderingskamer is bevoegd de
kosten die door haar zijn gemaakt in verband met het voorgelegde
geschil in rekening te brengen aan de partijen. Zij kan beslissen
dat de kosten die door partijen zijn gemaakt, worden gedragen door
de in het ongelijk gestelde partij.
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 15
1.Onze Minister kan, de
Waarderingskamer gehoord, aan het college van een gemeente een
aanwijzing geven omtrent de uitvoering van de wet.
2.Onze Minister verbindt aan de
aanwijzing een termijn.
3.De Waarderingskamer is bevoegd
tot het doen uitvoeren van de aanwijzing op kosten van de gemeente
indien het college de aanwijzing niet binnen de in het tweede lid
bedoelde termijn heeft opgevolgd.
Hoofdstuk III. De waardebepaling
Artikel 16
Voor de toepassing van de wet wordt
als één onroerende zaak aangemerkt:
a. een gebouwd eigendom;
b. een ongebouwd eigendom;
c. een gedeelte van een in
onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn
indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden
gebruikt;
d. een samenstel van twee of meer
van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in
onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde
belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de
omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
e. een geheel van twee of meer
van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen, of in
onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan, of in onderdeel d
bedoelde samenstellen, dat naar de omstandigheden beoordeeld
één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als
zodanig wordt geëxploiteerd;
f. het binnen de gemeente gelegen
deel van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom, van
een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan, van een in
onderdeel d bedoeld samenstel of van een in onderdeel e bedoeld
geheel.
Artikel 17
1. Aan een onroerende zaak wordt
een waarde toegekend.
2. De waarde wordt bepaald op de
waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend,
indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden
overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich
bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen
nemen.
3. In afwijking in zoverre van het
tweede lid wordt de waarde van een onroerende zaak, voor zover die
niet tot woning dient, en met uitzondering van onroerende zaken
die zijn ingeschreven in een van de ingevolge de Monumentenwet
1988 vastgestelde registers van beschermde monumenten, bepaald op
de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan
die ingevolge het tweede lid. Bij de berekening van de
vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:
a. de aard en de bestemming van
de zaak;
b. de sedert de stichting van
de zaak opgetreden technische en functionele veroudering,
waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt
genomen.
4. In afwijking in zoverre van het
tweede lid wordt de waarde van een gebouwd eigendom in aanbouw
bepaald op de vervangingswaarde, bedoeld in het derde lid. Onder
een gebouwd eigendom in aanbouw wordt verstaan een onroerende zaak
of gedeelte daarvan waarvoor een omgevingsvergunning voor een
bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a,
van Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend en dat door
bouw nog niet geschikt is voor gebruik overeenkomstig zijn beoogde
bestemming.
5. In afwijking in zoverre van het
tweede lid wordt de waarde van een gebouwd eigendom dat tot woning
dient en deel uitmaakt van een op de voet van de Natuurschoonwet
1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 220d,
eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet bedoelde voorwaarden
bepaald met inachtneming van een vooronderstelde verplichting om
het gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te
houden en geen opgaand hout te vellen anders dan volgens de regels
van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Gebouwde
eigendommen die dienstbaar zijn aan de woning worden geacht deel
uit te maken van die woning.
6. Met betrekking tot een
onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, aanhef en onderdeel f ,
wordt de waarde gesteld op een evenredig deel van de waarde die
dient te worden toegekend aan de gehele onroerende zaak.
Artikel 18
1. De waarde van een onroerende
zaak wordt bepaald naar de waarde die de zaak op de
waardepeildatum heeft naar de staat waarin de zaak op die datum
verkeert.
2. De waardepeildatum ligt één
jaar voor het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt
vastgesteld.
3. Indien een onroerende zaak in
het kalenderjaar voorafgaande aan het begin van het kalenderjaar
waarvoor de waarde wordt vastgesteld:
a. opgaat in een of meer andere
onroerende zaken,
b. wijzigt als gevolg van bouw,
verbouwing, verbetering, afbraak of vernietiging, dan wel van
bestemming verandert, of
c. een verandering in waarde
ondergaat als gevolg van een andere, specifiek voor de
onroerende zaak geldende, bijzondere omstandigheid,
wordt, in afwijking in zoverre van
het eerste lid, de waarde bepaald naar de staat van die zaak bij
het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt
vastgesteld.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld ingevolge welke bij de waardebepaling
buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van onroerende zaken of
onderdelen daarvan, indien die waarde geen onderdeel uitmaakt van
de grondslag van de belastingen.
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 20
1.De in artikel 1, tweede lid,
bedoelde ambtenaar van de gemeente waarin de onroerende zaak is
gelegen, bepaalt de waarde van die onroerende zaak.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de onderbouwing
en de uitvoering van de waardebepaling.
3.De voordracht voor een algemene
maatregel van bestuur krachtens het tweede lid wordt niet gedaan
dan nadat het ontwerp aan de beide Kamers der Staten-Generaal is
overgelegd en aan de Kamers de gelegenheid is geboden om binnen
zes weken na de dag waarop het ontwerp is overgelegd, hun oordeel
aan Onze Minister kenbaar te maken.
Artikel 21
De Waarderingskamer kan het college
een aanbeveling doen omtrent de uitvoering van de wet. Zij gaat
daartoe niet over dan na het college in de gelegenheid te hebben
gesteld te worden gehoord.
Hoofdstuk IV. De waardevaststelling
Artikel 22
1.De in artikel 1, tweede lid,
bedoelde ambtenaar van de gemeente waarin de onroerende zaak is
gelegen, stelt de waarde van de onroerende zaak vast bij een voor
bezwaar vatbare beschikking.
2.De bij de beschikking
vastgestelde waarde geldt voor een kalenderjaar.
Artikel 23
1.De beschikking bevat in ieder
geval:
a. de naam, het adres en de
woon- of vestigingsplaats van degene te wiens aanzien de
beschikking wordt genomen;
b. een aanduiding van de
onroerende zaak;
c. de aan de onroerende zaak
toegekende waarde;
d. de waardepeildatum;
e. het kalenderjaar waarvoor de
beschikking geldt.
2.Het niet naleven van de
voorschriften van het eerste lid brengt geen nietigheid van de
beschikking mee.
Artikel 24
1.De beschikking wordt genomen
binnen acht weken na het begin van het kalenderjaar waarvoor zij
geldt.
2.Het niet naleven van het
voorschrift van het eerste lid brengt geen nietigheid van de
beschikking mee.
3.De bekendmaking van de
beschikking geschiedt terstond door toezending aan:
a. degene die aan het begin van
het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak
krachtens eigendom, bezit of beperkt recht;
b. degene die aan het begin van
het kalenderjaar de onroerende zaak al dan niet krachtens
eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.
Tegelijkertijd met of zo spoedig
mogelijk na de bekendmaking wordt van de beschikking mededeling
gedaan aan de afnemers.
4.Voor de toepassing van het derde
lid, onderdeel a, kan, indien er met betrekking tot een zelfde
onroerende zaak meer dan één genothebbende krachtens eigendom,
bezit of beperkt recht kan worden aangewezen, bekendmaking
plaatsvinden aan één van hen.
5.Voor de toepassing van het derde
lid, onderdeel b, wordt:
a. gebruik door de leden van
een huishouden aangemerkt als gebruik door een door de in
artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar aan te
wijzen lid van dat huishouden;
b. gebruik door degene aan wie
een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven,
aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik
heeft gegeven;
c. het ter beschikking stellen
van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als
gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking
heeft gesteld.
6.Voor de toepassing van het derde
lid, onderdeel b, kan, met inachtneming van het vierde lid, indien
er met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één
gebruiker is, bekendmaking plaatsvinden aan één van hen.
7.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de in het derde
lid, slotzin, bedoelde mededeling nadere regels worden gesteld.
8.Indien aan een belanghebbende
ingevolge het derde lid, aanhef en onderdelen a en b, twee of meer
beschikkingen als bedoeld in artikel 22, eerste lid, moeten worden
gezonden, kunnen deze beschikkingen worden verenigd in één
geschrift.
9.Indien ten aanzien van degene aan
wie ingevolge het derde lid de bekendmaking van de beschikking
dient te geschieden een aanslag onroerende-zaakbelastingen als
bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet wordt vastgesteld
waarbij als heffingsmaatstaf geldt de bij de beschikking
vastgestelde waarde van de onroerende zaak, geschiedt in afwijking
van de vorige leden de bekendmaking van de beschikking in één
geschrift met het aanslagbiljet onroerende-zaakbelastingen. Het
niet naleven van de eerste volzin brengt geen nietigheid van de
beschikking mee.
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 26
1.Indien in de loop van het
kalenderjaar waarvoor de waarde van een onroerende zaak is
vastgesteld een ander dan degene te wiens aanzien een beschikking
houdende de vaststelling van de waarde van die zaak is genomen, de
hoedanigheid verkrijgt van degene, bedoeld in artikel 24, derde
lid, onderdeel a of onderdeel b,:
a. neemt de in artikel 1,
tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar ten aanzien van die
ander binnen acht weken na een daartoe gedaan verzoek een voor
bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 22, eerste
lid, of artikel 27, eerste lid;
b. kan de in artikel 1, tweede
lid, bedoelde gemeenteambtenaar ten aanzien van die ander
eigener beweging een voor bezwaar vatbare beschikking nemen
als bedoeld in artikel 22, eerste lid, of artikel 27, eerste
lid.
2.De beschikking treedt, vanaf het
tijdstip waarop die ander de in het eerste lid bedoelde
hoedanigheid heeft verkregen, in de plaats van de in de artikelen
22, eerste lid, of artikel 27, eerste lid, bedoelde beschikking.
3.De beschikking bevat in ieder
geval de in artikel 23 bedoelde gegevens, alsmede een vermelding
van het in het tweede lid bedoelde tijdstip.
4.Artikel 24, derde tot en met
achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26a
Bij een op de voet van dit hoofdstuk
bij beschikking vastgestelde waarde van een onroerende zaak van
|
meer dan |
maar niet meer
dan |
wordt die waarde
geacht juist te zijn, indien de waarde, bedoeld in hoofdstuk
III, daarvan niet meer dan het in kolom III vermelde
percentage afwijkt of indien dat meer is, niet meer dan het in
kolom IV vermelde bedrag daarvan afwijkt, een en ander mits de
afwijking niet meer bedraagt dan € 100 000 van de bij die
beschikking vastgestelde waarde |
|
|
I |
II |
III |
IV |
|
– |
€ 200 000 |
5% |
– |
|
€ 200 000 |
€ 500 000 |
4% |
€10 000 |
|
€ 500 000 |
€1 000 000 |
3% |
€20 000 |
|
€1 000 000 |
– |
2% |
€30 000 |
Artikel 27
1.Indien enig feit grond oplevert
voor het vermoeden dat de waarde te laag is vastgesteld, kan de in
artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar de in artikel
22, eerste lid, of artikel 26, eerste lid, bedoelde beschikking
herzien bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de
in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar bekend was of
redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor
herziening opleveren.
2.De bevoegdheid tot herziening
vervalt door verloop van vijf jaren na de vaststelling van de in
artikel 22, eerste lid, of artikel 26, eerste lid, bedoelde
beschikking.
3.Artikel 24, derde tot en met
achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 28
1.Ten aanzien van degene die
aannemelijk maakt met betrekking tot de heffing van belasting te
zijnen aanzien belang te hebben bij de vastgestelde waarde van een
onroerende zaak ingevolge de artikelen 22, eerste lid, 26, eerste
lid, dan wel artikel 27, eerste lid, en aan wie niet op de voet
van de artikelen 24, derde tot en met zesde en achtste lid, 26,
vierde lid, dan wel 27, derde lid, de beschikking ter zake is
toegezonden, neemt de in artikel 1, tweede lid, bedoelde
gemeenteambtenaar binnen acht weken na een daartoe gedaan verzoek
een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 22,
eerste lid, artikel 26, eerste lid, dan wel artikel 27, eerste
lid.
2.De ingevolge het eerste lid
genomen beschikking treedt in de plaats van de in de artikelen 22,
eerste lid, 26, eerste lid, dan wel artikel 27, eerste lid,
bedoelde beschikking met ingang van het in het eerste lid bedoelde
verzoek aan te geven tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip
niet eerder kan zijn gelegen dan bij het begin van het
kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin dat verzoek is
gedaan.
3.De beschikking bevat de in
artikel 23 bedoelde gegevens, alsmede een vermelding van het in
het tweede lid bedoelde tijdstip.
4.De bekendmaking van de
beschikking geschiedt door toezending aan degene te wiens aanzien
zij is genomen.
Artikel 29
1.Indien bij de uitspraak op een
bezwaarschrift dan wel bij een ambtshalve door de in artikel 1,
tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar genomen besluit met
betrekking tot een op de voet van dit hoofdstuk genomen
beschikking:
a. die beschikking wordt
vernietigd;
b. de bij die beschikking
vastgestelde waarde wordt verminderd, geschiedt de
bekendmaking daarvan aan de belanghebbenden die het aangaat en
de mededeling daarvan aan de afnemers met overeenkomstige
toepassing van artikel 24, derde tot en met achtste lid, en
met inachtneming van artikel 28; mededeling van de uitspraak
op een bezwaarschrift aan de afnemers geschiedt eerst indien
deze onherroepelijk vaststaat.
2.Indien de in het eerste lid
bedoelde vernietiging of vermindering plaatsvindt krachtens
onherroepelijke rechterlijke uitspraak, doet de in artikel 1,
tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar daarvan mededeling aan de
belanghebbenden die het aangaat met overeenkomstige toepassing van
artikel 24, derde tot en met achtste lid, en met inachtneming van
artikel 28.
3.Tegelijkertijd met of zo spoedig
mogelijk na de mededeling aan de belanghebbenden die het aangaat,
bedoeld in het tweede lid, wordt mededeling gedaan aan de afnemers
met overeenkomstige toepassing van artikel 24, derde tot en met
achtste lid.
Artikel 29a [Vervallen per
01-01-2007]
Hoofdstuk V. Bezwaar en beroep,
bevoegdheden, verplichtingen en strafbepalingen
Artikel 30
1. Met betrekking tot de
waardebepaling en de waardevaststelling ingevolge de hoofdstukken
III en IV zijn de artikelen 1, derde lid, 5, eerste lid, tweede
volzin, 22j tot en met 30, 47, 49 tot en met 51, 52a, 53a, 54 en
56 tot en met 60 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van
overeenkomstige toepassing. Met betrekking tot natuurlijke
personen die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefenen,
alsmede lichamen, is voorts artikel 52, vierde en vijfde lid, en -
voor zoveel het betreft het bewaren van gegevensdragers - zesde
lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van
overeenkomstige toepassing.
2. Een bezwaarschrift tegen een
beschikking die is bekendgemaakt en verenigd in één geschrift
met een aanslag onroerende-zaakbelastingen, zoals bedoeld in
artikel 24, negende lid, wordt geacht mede te zijn gericht tegen
die aanslag, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt.
3. Een bezwaarschrift tegen een
aanslag onroerende-zaakbelastingen die is bekendgemaakt en
verenigd in één geschrift met een inartikel 22, eerste lid,
bedoelde beschikking, zoals bedoeld in artikel 24, negende lid,
wordt geacht mede te zijn gericht tegen die beschikking, tenzij
uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt.
4. Indien de in het tweede of derde
lid bedoelde fictie toepassing vindt, treedt de in artikel 1,
tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar in de plaats van de in
artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde
gemeenteambtenaar wat betreft de aanslag
onroerende-zaakbelastingen. In afwijking in zoverre van het eerste
lid in samenhang met artikel 25, vierde lid, van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen, vervat deze gemeenteambtenaar de
uitspraak op het bezwaar tegen de in het tweede of derde lid
bedoelde beschikking en de uitspraak op het bezwaar tegen de in
het tweede of derde lid bedoelde aanslag
onroerende-zaakbelastingen in één geschrift.
5. De bevoegdheden en
verplichtingen die ingevolge de Algemene wet inzake
rijksbelastingen gelden met betrekking tot de inspecteur, gelden
daarbij voor het college en de in artikel 1, tweede lid, bedoelde
gemeenteambtenaar. De verplichtingen die krachtens artikel 56 van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen gelden jegens iedere door
Onze Minister aangewezen andere ambtenaar van de
rijksbelastingdienst, gelden daarbij jegens door het college
aangewezen personen. Voor zover dit redelijkerwijs van belang kan
worden geacht voor de uitvoering van de wet, gelden vorenbedoelde
bevoegdheden en verplichtingen ook buiten de gemeente.
6. Voor de overeenkomstige
toepassing van artikel 25a van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen treedt de raad in de plaats van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal of de Tweede Kamer. Voor de overeenkomstige
toepassing van artikel 28, eerste lid, van die wet treedt het
college in de plaats van Onze Minister.
7. De colleges van twee of meer
gemeenten kunnen bepalen dat een daartoe aangewezen ambtenaar van
één van die gemeenten voor de uitvoering van een of meer
bepalingen van de wet wordt aangewezen als de in artikel 1, tweede
lid, bedoelde gemeenteambtenaar van die gemeenten.
8. Indien een gemeenschappelijke
regeling is getroffen en bij die regeling een openbaar lichaam is
ingesteld, kan bij of krachtens die regeling worden bepaald dat
een daartoe aangewezen ambtenaar van dat openbare lichaam voor de
uitvoering van een of meer bepalingen van de wet wordt aangewezen
als de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar.
9. Op een bezwaarschrift dat niet
is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, doet de
in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar, in afwijking
van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
uitspraak in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is
ontvangen.
Artikel 31
1.Met betrekking tot de toepassing
van de hoofdstukken III en IV kunnen bij algemene maatregel van
bestuur:
a. regels worden gesteld
waarbij de artikelen 48, 52, eerste, tweede en derde lid, en -
voor zoveel het betreft de inrichting en het voeren van de
administratie - zesde lid, 53, eerste en vierde lid, en 55 van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen geheel of gedeeltelijk
van toepassing worden verklaard, dan wel
b. regels worden gesteld die
overeenkomen met die in de in onderdeel a genoemde artikelen.
2.De in het eerste lid bedoelde
regels bevatten in elk geval een omschrijving van degene op wie de
verplichting rust, alsmede ten behoeve waarvan de verplichting
geldt. Voorts vermelden deze regels naar gelang de aard van de
verplichting een omschrijving van de aard van de te verstrekken
gegevens en inlichtingen, van de aard van de gegevens welke uit de
administratie dienen te blijken of van het doel waarvoor het voor
raadpleging beschikbaar stellen van gegevensdragers kan
geschieden.
Artikel 32
De afnemers kunnen aan het college de
gegevens en inlichtingen verschaffen welke van belang kunnen zijn
voor een juiste uitvoering van de wet.
Artikel 32a
Gemeenten zijn gehouden elkaar
desgevraagd kosteloos gegevens en inlichtingen te verschaffen die
van belang kunnen zijn voor de uitvoering van de wet. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hiervoor nadere
regels worden gesteld.
Artikel 33
1.Degene die:
a. ingevolge het bepaalde bij
of krachtens de wet verplicht zijnde tot het verstrekken van
inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, geen, onjuiste of
onvolledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt;
b. ingevolge het bepaalde bij
of krachtens de wet verplicht zijnde tot het voor raadpleging
beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere
gegevensdragers of de inhoud daarvan, geen, valse of vervalste
gegevensdragers, voor raadpleging beschikbaar stelt, dan wel
de inhoud daarvan niet, in valse of vervalste vorm, voor dit
doel beschikbaar stelt;
c. ingevolge het bepaalde bij
of krachtens de wet verplicht zijnde tot het voeren van een
administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de
wet gestelde eisen, een zodanige administratie niet voert;
d. ingevolge het bepaalde bij
of krachtens de wet verplicht zijnde tot het bewaren van
boeken, bescheiden of andere gegevensdragers, deze
gegevensdragers niet bewaart;
een en ander, indien daarvan het
gevolg zou kunnen zijn dat de waarde van een onroerende zaak te
laag zou kunnen worden vastgesteld, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
2.Degene die een der in het eerste
lid omschreven feiten opzettelijk begaat, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de
vierde categorie.
3.Degene die niet voldoet aan de
hem bij de artikelen 49, tweede lid, en 50, eerste lid, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen opgelegde verplichtingen,
wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
Artikel 34
Overtreding van de krachtens de wet
bij algemene maatregel van bestuur gestelde bepalingen wordt, voor
zover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met
geldboete van de derde categorie.
Artikel 35
Overtreding van de krachtens de wet
bij ministeriële regeling gestelde algemene voorschriften wordt,
voor zover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit,
gestraft met geldboete van de tweede categorie.
Artikel 36
De bij de wet strafbaar gestelde
feiten waarop gevangenisstraf is gesteld, zijn misdrijven. De
overige bij of krachtens de wet strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Artikel 37
De artikelen 73, 77, 78, 80, eerste
lid, 81, 83, 85 en 88 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VI. Gegevensbeheer
Artikel 37a
1.Er is een basisregistratie WOZ
waarin waardegegevens met bijbehorende temporele en meta-kenmerken
zijn opgenomen. Het waardegegeven, bedoeld in de vorige volzin, is
een authentiek gegeven.
2.In de basisregistratie WOZ zijn
ook bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen authentieke
gegevens uit andere basisregistraties opgenomen.
3.De basisregistratie WOZ heeft tot
doel de afnemers te voorzien van waardegegevens.
Artikel 37b
1.Het college verstrekt een
waardegegeven met bijbehorende temporele en meta-kenmerken aan de
afnemer die het waardegegeven gebruikt voor de heffing van
belastingen.
2.Een waardegegeven waarbij op
grond van artikel 37gde aantekening «in onderzoek» is geplaatst,
wordt uitsluitend verstrekt onder mededeling van die aantekening.
3.Het college deelt, na
verwijdering van de aantekening «in onderzoek», aan een afnemer
die het desbetreffende waardegegeven voorafgaand aan de
verwijdering van de aantekening verstrekt heeft gekregen en
gebruikt voor de heffing van belastingen, mee dat de aantekening
is verwijderd en of het gegeven is gewijzigd.
4.Het college verstrekt een
waardegegeven met bijbehorende temporele en meta-kenmerken op
verzoek aan een afnemer die dat gegeven gebruikt voor een andere
toepassing dan voor de heffing van belastingen. Voor zover die
afnemer het college daarom heeft verzocht, is het derde lid van
overeenkomstige toepassing.
5.Met een waardegegeven kunnen
authentieke gegevens uit andere basisregistraties worden
meegeleverd.
6.Het college draagt er zorg voor
dat de weergave van een meegeleverd authentiek gegeven uit een
andere basisregistratie overeenstemt met dat gegeven, als
opgenomen in die andere basisregistratie.
Artikel 37c
1.Een afnemer gebruikt een
waardegegeven uitsluitend bij de uitoefening van een op grond van
een wettelijk voorschrift verleende bevoegdheid tot gebruik van
dit gegeven.
2.Een afnemer is niet bevoegd een
waardegegeven verder bekend te maken dan noodzakelijk voor de
uitoefening van de hem verleende bevoegdheid.
Artikel 37d
1.Voor zover een afnemer een op
grond van een wettelijk voorschrift verleende bevoegdheid tot
gebruik van het waardegegeven uitoefent, gebruikt hij het
waardegegeven zoals dat ten tijde van het gebruik is opgenomen in
de basisregistratie WOZ.
2.Voor een andere toepassing dan
voor de heffing van belastingen geldt het eerste lid niet indien
bij het waardegegeven de aantekening «in onderzoek» is
geplaatst.
Artikel 37e
Voor zoverartikel 37d, eerste lid,
van toepassing is, hoeft degene aan wie door een afnemer om een
waardegegeven wordt gevraagd dat gegeven niet te verstrekken.
Artikel 37f
1.In aanvulling in zoverre op
artikel 32 meldt een afnemer die gerede twijfel heeft over de
juistheid van een authentiek gegeven dat hij verstrekt heeft
gekregen uit de basisregistratie WOZ dit aan het college, onder
opgaaf van redenen.
2.Voor zover een terugmelding
betrekking heeft op een authentiek gegeven dat is overgenomen uit
een andere basisregistratie, zendt het college die melding
onverwijld door aan de beheerder van die andere basisregistratie
en doet daarvan mededeling aan de afnemer die de terugmelding
heeft gedaan.
3.Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent:
a. de gevallen waarin een
terugmelding achterwege kan blijven, omdat de terugmelding
niet van belang is voor het bijhouden van de basisregistratie;
b. de wijze waarop een
terugmelding moet worden gedaan;
c. de termijn waarbinnen de
afhandeling van het onderzoek naar aanleiding van een
terugmelding over een waardegegeven moet plaatsvinden.
Artikel 37g
1. Het college plaatst de
aantekening «in onderzoek» bij een waardegegeven indien ten
aanzien van dat waardegegeven:
a. een terugmelding is gedaan;
b. een bezwaar- of
beroepschrift is ingediend;
c. een verzoek om ambtshalve
vermindering is gedaan, of
d. overigens gerede twijfel is
ontstaan omtrent de juistheid van dat gegeven.
Voor de onderdelen a en d geldt een
bij ministeriële regeling te bepalen termijn waarbinnen het
college bepaalt of de aantekening «in onderzoek» al dan niet
wordt geplaatst.
2. Het college verwijdert de
aantekening «in onderzoek»:
a. na de afhandeling van het
onderzoek naar aanleiding van de terugmelding;
b. nadat de beslissing op
bezwaar of de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is
geworden;
c. na de afhandeling van het
verzoek om ambtshalve vermindering, of
d. na de afhandeling van het
onderzoek naar aanleiding van de situatie, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel d.
Artikel 37h
Bij algemene maatregel van bestuur
worden bestuursorganen aangewezen die bevoegd zijn tot gebruik van
een waardegegeven ten behoeve van de bij die algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen doeleinden.
Artikel 38
Het college draagt zorg voor het
verzamelen, opslaan en verstrekken van de gegevens betreffende de in
de gemeente gelegen onroerende zaken en betreffende de waarde ervan,
een en ander voor zover dit voor de uitvoering van de wet
noodzakelijk is.
Artikel 39
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het te
registreren en te verstrekken gegevenspakket, de periodiciteit en de
wijze van verstrekking.
Hoofdstuk VII. Gegevensverstrekking
Artikel 40
1.Op verzoek kan het waardegegeven
van een bepaalde onroerende zaak door de in artikel 1, tweede lid,
bedoelde gemeenteambtenaar worden verstrekt aan een ieder die kan
aantonen uit hoofde van de belastingheffing te zijnen aanzien een
gerechtvaardigd belang te hebben bij de verkrijging daarvan.
2.De in artikel 1, tweede lid,
bedoelde gemeenteambtenaar verstrekt uitsluitend aan degene te
wiens aanzien een beschikking is genomen, op verzoek een afschrift
van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde
waarde.
3.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de vergoeding die in rekening kan worden gebracht ter zake van
de verstrekking van een waardegegeven aan derden.
Artikel 40a
1. Op verzoek kan het waardegegeven
van een bepaalde onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient
door de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar
worden verstrekt aan bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen derden die bevoegd zijn tot het gebruik van een
waardegegeven ten behoeve van de bij die maatregel aan te wijzen
doeleinden.
2. De bij de in het eerste lid
bedoelde algemene maatregel van bestuur aangewezen derde gebruikt
een waardegegeven uitsluitend bij de uitoefening van de op grond
van de bij die algemene maatregel van bestuur verleende
bevoegdheid tot gebruik van dit gegeven.
3. De bij de in het eerste lid
bedoelde algemene maatregel van bestuur aangewezen derde is niet
bevoegd een waardegegeven verder bekend te maken dan noodzakelijk
voor de uitoefening van de hem verleende bevoegdheid.
Hoofdstuk VIII. Overgangs- en
slotbepalingen
Artikel 41 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 43 [Vervallen per 01-09-1999]
Artikel 44
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen in aanvulling op de in de wet geregelde
onderwerpen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
uitvoering van de wet en de regelingen ingevolge de wet.
Artikel 45 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 46
Deze wet treedt in werking met ingang
van 1 januari 1995.
Artikel 47
Deze wet wordt aangehaald als: Wet
waardering onroerende zaken.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 15 december 1994
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
W.A.F.G. Vermeend
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
A.G.M. van de Vondervoort
Uitgegeven de tweeëntwintigste december 1994
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|