Nadere regelgeving:
- Regeling wapens en munitie
WET van 5 juli 1997, houdende regels
inzake het vervaardigen, verhandelen, vervoeren, voorhanden hebben,
dragen enz. van wapens en munitie (Wet wapens en munitie)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Wet
wapens en munitie opnieuw vast te stellen in overeenstemming met Richtlijn nr. 83/189/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van
normen en technische voorschriften (PbEG L 109);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
1°. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
2°. de korpschef: de korpschef, bedoeld in artikel 24 van de Politiewet
1993;
3°. vuurwapen: een voorwerp bestemd of geschikt om projectielen of
stoffen door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het
teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere
scheikundige reactie;
4°. munitie: patronen en andere voorwerpen, bestemd of geschikt om een
projectiel of een giftige, verstikkende, weerloosmakende,
traanverwekkende of soortgelijke stof door middel van een vuurwapen af
te schieten of te verspreiden, alsmede projectielen, bestemd om
afgeschoten te worden door middel van een vuurwapen;
5°. beheerder: degene die onmiddellijk leiding geeft aan de uitoefening
van een bedrijf, waarin wapens en munitie worden vervaardigd,
getransformeerd, uitgewisseld, verhuurd of anderszins ter beschikking
gesteld, hersteld, beproefd of verhandeld;
6°. bestemming: de onmiddellijke bestemming van de in een
consentaanvraag omschreven wapens en munitie, aangevuld met de
eindbestemming daarvan indien ten tijde van de consentaanvraag bekend is
dat de wapens en munitie vanuit de onmiddellijke bestemming zullen
worden doorgevoerd;
7°. binnenkomen en uitgaan: het binnen het grondgebied van Nederland
komen, respectievelijk het verlaten van het grondgebied van Nederland
met als bestemming een andere lidstaat van de Europese Unie;
8°. doorvoer: binnenkomen gevolgd door uitgaan;
9°. vervoer van een wapen: het op de openbare weg of andere voor het
publiek toegankelijke plaatsen bij zich hebben van een wapen dat zodanig
is verpakt, dat het niet voor onmiddellijk gebruik kan worden aangewend;
vervoer van munitie: het op de openbare weg of andere voor het publiek
toegankelijke plaatsen bij zich hebben van munitie;
10°. dragen van een wapen: het op de openbare weg of andere voor het
publiek toegankelijke plaatsen bij zich hebben van een wapen anders dan
voor vervoer in de onder 9° bedoelde zin;
11°. overdragen: het aan een ander doen overgaan van de feitelijke
macht;
12°. Europese vuurwapenpas: het document dat wordt afgegeven door de
autoriteiten van de lid-staten van de Europese Gemeenschappen aan de
wettige houder en gebruiker van een vuurwapen.
Artikel 2
1.Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of
overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de
volgende categorieėn.
Categorie I
1°. stiletto's, valmessen en vlindermessen, een en ander indien het
lemmet:
a. meer dan een snijkant heeft;
b. 7 cm of langer en 14 mm of smaller is;
c. 9 cm of langer is; of
d. van een stootplaat is voorzien;
2°. andere opvouwbare messen, indien:
a. het lemmet meer dan een snijkant heeft; of
b. de lengte in opengevouwen toestand langer dan 28 cm is;
3°. boksbeugels, ploertendoders, wurgstokken, werpsterren, vilmessen,
ballistische messen en geluiddempers voor vuurwapens;
4°. blanke wapens die uiterlijk gelijken op een ander voorwerp dan een
wapen;
5°. pijlen en pijlpunten bestemd om door middel van een boog te worden
afgeschoten, die zijn voorzien van snijdende delen met de kennelijke
bedoeling daarmee ernstig letsel te kunnen veroorzaken;
6°. katapulten;
7°. andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige
bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen
gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.
Categorie II
1°. vuurwapens die niet onder een van de andere categorieėn vallen;
2°. vuurwapens, geschikt om automatisch te vuren;
3°. vuurwapens die zodanig zijn vervaardigd of gewijzigd dat het dragen
niet of minder zichtbaar is dan wel dat de aanvalskracht wordt verhoogd;
4°. vuurwapens die uiterlijk gelijken op een ander voorwerp dan een
wapen;
5°. voorwerpen waarmee door een elektrische stroomstoot personen
weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, met
uitzondering van medische hulpmiddelen;
6°. voorwerpen, bestemd voor het treffen van personen met giftige,
verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen,
met uitzondering van medische hulpmiddelen en van vuurwapens in de vorm
van geweren, revolvers en pistolen, bestemd voor het afschieten van
munitie met weerloosmakende of traanverwekkende stof;
7°. voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur
of door middel van ontploffing, met uitzondering van explosieven voor
civiel gebruik indien met betrekking tot deze explosieven erkenning is
verleend overeenkomstig de Wet explosieven voor civiel gebruik.
Categorie III
1°. vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen voor zover
zij niet vallen onder categorie II sub 2°, 3° of 6°;
2°. toestellen voor beroepsdoeleinden die geschikt zijn om projectielen
af te schieten;
3°. werpmessen;
4°. alarm- en startpistolen en -revolvers, met uitzondering van alarm-
en startpistolen die:
a. geen loop of een kennelijk verkorte, geheel gevulde loop hebben;
b. zodanig zijn ingericht dat zij uitsluitend knalpatronen van een
kaliber niet groter dan 6 mm kunnen bevatten; en
c. waarvan de ligplaats van de patronen en de gasuitlaat loodrecht staan
op de loop of op de lengterichting van het wapen.
Categorie IV
1°. blanke wapens waarvan het lemmet meer dan een snijkant heeft, voor
zover zij niet vallen onder categorie I;
2°. degens, zwaarden, sabels en bajonetten;
3°. wapenstokken;
4°. lucht-, gas- en veerdrukwapens, behoudens zulke door Onze Minister
overeenkomstig categorie I, sub 7°, aangewezen die zodanig gelijken op
een vuurwapen dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn;
5°. kruisbogen en harpoenen;
6°. bij regeling van Onze Minister aangewezen voorwerpen die geschikt
zijn om daarmee personen ernstig lichamelijk letsel toe te brengen;
7°. Voorwerpen waarvan, gelet op hun aard of de omstandigheden
waaronder zij worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen
dat zij voor geen ander doel zijn bestemd dan om letsel aan personen toe
te brengen of te dreigen en die niet onder een van de andere
categorieėn vallen.
2.Munitie in de zin van deze wet is, onderverdeeld in de volgende
categorieėn:
Categorie I
(Vervallen)
Categorie II
1°. munitie die uitsluitend geschikt voor vuurwapens van categorie II
is;
2°. munitie die een giftige, verstikkende, weerloosmakende,
traanverwekkende of soortgelijke stof verspreidt, met uitzondering van
munitie met weerloosmakende of traanverwekkende stof, bestemd voor
vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen;
3°. munitie voorzien van een projectiel waarmee een pantserplaat kan
worden doorboord, munitie voorzien van een projectiel met brandsas of
met een explosieve lading, alsmede de voor deze munitie bestemde
projectielen;
4°. munitie voor geweren, revolvers en pistolen voorzien van
expanderende projectielen, alsmede de voor deze munitie bestemde
projectielen, behalve wanneer het voor de jacht of de schietsport
bestemde munitie of projectielen betreft.
Categorie III
Alle overige munitie.
3.Aanwijzingen door Onze Minister, als bedoeld in het eerste lid,
geschieden bij regeling.
4.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, onder categorie I, sub
7°, zijn geen wapens in de zin van deze wet voorwerpen die
klaarblijkelijk zijn bestemd om als speelgoed te worden gebruikt en die
redelijkerwijze niet geschikt kunnen worden geacht om daarmee personen
ernstig lichamelijk letsel toe te brengen.
Artikel 3
1.De bepalingen betreffende wapens zijn mede van toepassing op
onderdelen en hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en
van wezenlijke aard zijn.
2.De bepalingen betreffende munitie zijn mede van toepassing op
onderdelen van die munitie, voorzover geschikt om munitie van te maken.
Artikel 3a
1.De artikelen 9, eerste lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste
lid, 26, eerste lid, en 27, eerste lid, zijn niet van toepassing op de
krijgsmacht. Zij zijn evenmin van toepassing op personen die daarvan
deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, voor zover Onze Minister van
Defensie dit bij regeling heeft bepaald.
2.De artikelen 9, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste
lid, en 27, eerste lid, zijn niet van toepassing op de politie. Zij zijn
evenmin van toepassing op personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor
werkzaam zijn, voor zover Onze Minister en Onze Minister van
Binnenlandse Zaken dit bij regeling hebben bepaald.
3.De artikelen 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, en 27,
eerste lid, zijn niet van toepassing op de overige openbare dienst en op
personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, daaronder
begrepen opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten,
bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten en
buitengewone opsporingsambtenaren, voor zover Onze Minister dit bij
regeling heeft bepaald.
4.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder krijgsmacht, politie en
overige openbare dienst mede verstaan niet-Nederlandse krijgsmacht,
politie of openbare dienst.
Artikel 4
1. Onze Minister kan van bij of krachtens deze wet vastgestelde
voorschriften of verboden vrijstelling of, op daartoe strekkend verzoek,
ontheffing verlenen voor daarbij te omschrijven wapens of munitie,
behorend tot een van de volgende groepen:
a. wapens die niet voor gebruik als zodanig geschikt te maken zijn;
b. wapens die het karakter dragen van oudheden;
c. andere wapens, voor zover deze bestemd zijn voor dan wel deel
uitmaken van een verzameling of een wandversiering;
d. munitie, voor zover deze bestemd is voor dan wel deel uitmaakt van
een verzameling;
e. toestellen en voorwerpen voor beroepsdoeleinden;
f. monster-, demonstratie- of testmateriaal en rekwisieten;
g. noodsignaalmiddelen en de daarvoor bestemde munitie.
2. Onze Minister beslist binnen dertien weken op het verzoek tot
ontheffing.
3. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de
Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet
van toepassing op een verzoek tot ontheffing.
Artikel 5
Onze Minister kan bij regeling nadere omschrijvingen geven van de in
artikel 2, eerste lid, vermelde en de overeenkomstig dat artikel
aangewezen wapens, alsmede van de in artikel 4 bedoelde wapens.
Artikel 6
De in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven,
vrijstellingen en ontheffingen kunnen onder beperkingen worden verleend.
Voorts kunnen er voorschriften aan worden verbonden.
Artikel 7
1.De in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven
en ontheffingen worden, onverminderd de bijzondere gronden tot weigering
daarvan, geweigerd indien:
a. de aanvrager niet de door Onze Minister bij regeling vastgestelde
gegevens en bescheiden heeft overgelegd;
b. er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben
van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd;
c. er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie
misbruik zal worden gemaakt; of
d. wanneer daartoe dringende, aan het algemeen belang ontleende, redenen
bestaan.
2.De in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven
en ontheffingen kunnen, onverminderd de bijzondere gronden tot wijziging
of intrekking daarvan, door het bestuursorgaan dat deze heeft verleend
of door Onze Minister worden gewijzigd of ingetrokken:
a. indien onjuiste gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot de
verlening daarvan;
b. indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich
hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd;
c. in geval van misbruik daarvan dan wel van wapens of munitie;
d. indien niet meer wordt voldaan aan de vereisten voor de verlening
daarvan;
e. bij niet inachtneming van een daaraan verbonden beperking of
voorschrift; of
f. wanneer daartoe dringende, aan het algemeen belang ontleende, redenen
bestaan.
Artikel 8
1.Hij die een wapen of munitie voorhanden heeft, zonder daartoe
gerechtigd te zijn, is verplicht deze terstond bij de korpschef in
bewaring te geven.
2.Indien dringende, aan het algemeen belang ontleende, gronden daartoe
aanleiding geven is de korpschef bevoegd bij besluit, gericht tot degene
die een wapen of munitie voorhanden heeft, te gelasten deze binnen een
in dat besluit gestelde termijn bij hem in bewaring te geven.
3.Indien dringende, aan het algemeen belang ontleende, gronden daartoe
aanleiding geven, kan Onze Minister gelasten dat personen die een wapen
of munitie voorhanden hebben, deze binnen een bepaalde termijn bij de
korpschef in bewaring geven.
4.Het in bewaring gegeven wapen en de munitie worden, voor zover de
korpschef dat nodig acht, voor onmiddellijk gebruik ongeschikt gemaakt.
5.Over het in bewaring gegeven wapen en de munitie kan de rechthebbende
beschikken met goedvinden van de korpschef.
6.De eigendom van het in bewaring gegeven wapen en de munitie gaat nadat
de bewaring vijf jaren heeft geduurd over op de Staat, tenzij de
rechthebbende binnen drie maanden voor het verstrijken van die termijn
heeft verklaard daartegen bedenkingen te hebben. Door een verklaring als
hiervoor bedoeld vangt een nieuwe termijn van vijf jaren aan.
7.Voor in bewaring gegeven wapens of munitie is een bewaarloon
verschuldigd aan de korpschef, overeenkomstig bij regeling van Onze
Minister gestelde regels.
8.Bij regeling van Onze Minister worden regels gegeven over een door de
korpschef te verstrekken ontvangstbewijs en een door hem bij te houden
register met betrekking tot in bewaring gegeven wapens of munitie.
§ 2. Erkenning
Artikel 9
1. Het is verboden zonder erkenning een wapen of munitie te
vervaardigen, te transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uit
te wisselen, te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen, te
herstellen, te beproeven of te verhandelen.
2. Bevoegd tot het verlenen en intrekken van een erkenning, alsmede het
verlengen van de geldigheidsduur daarvan, is de korpschef in de plaats
waar de aanvrager is gevestigd. Een erkenning heeft een geldigheidsduur
van ten hoogste vijf jaren en kan telkens met ten hoogste vijf jaren
worden verlengd.
3. Een erkenning heeft uitsluitend betrekking op de daarin genoemde
handelingen, soorten wapens en munitie en bedrijfseenheden. Indien de
handelingen worden verricht in de uitoefening van een bedrijf, strekt de
werking van de erkenning zich mede uit tot de beheerder.
4. Indien een redelijk belang dit vordert, kan de korpschef die de
erkenning verleent of heeft verleend bepalen dat de erkenning tevens
inhoudt vergunning tot vervoer van wapens en munitie van de categorieėn
II en III.
5. Onze Minister kan bij regeling vrijstelling van het verbod van het
eerste lid verlenen met betrekking tot:
a. wapens van categorie IV;
b. het vervaardigen of transformeren van munitie door personen die
bevoegd zijn een wapen of munitie voorhanden te hebben.
6. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de
Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet
van toepassing op een verzoek tot erkenning of een verzoek tot het
verlengen van een erkenning.
Artikel 10
1.Een erkenning wordt geweigerd indien:
a. de aanvrager of, indien deze een bedrijf uitoefent, de beheerder,
niet voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen met betrekking
tot leeftijd, zedelijk gedrag en vakbekwaamheid;
b. de ruimte waarin de handelingen worden verricht niet voldoet aan de
door Onze Minister vastgestelde eisen van beveiliging; of
c. er reden is om te vrezen dat aan de beheerder het onder zich hebben
van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd.
2.Voor de bij regeling van Onze Minister te onderscheiden categorieėn
van erkenningen kunnen verschillende eisen worden vastgesteld.
Artikel 11 [Vervallen per 11-07-1997]
Artikel 12
Een erkenning kan worden ingetrokken:
a. bij niet inachtneming van de op grond van artikel 42 vastgestelde
regels;
b. indien er aanwijzingen zijn dat aan de beheerder het onder zich
hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd; of
c. indien de houder van de erkenning gedurende ten minste een jaar de
handelingen waarop de erkenning betrekking heeft, niet heeft verricht.
§ 3. Bepalingen voor wapens van categorie I
Artikel 13
1. Het is verboden een wapen van categorie I te vervaardigen, te
transformeren, voor derden te herstellen, over te dragen, voorhanden te
hebben, te dragen, te vervoeren, te doen binnenkomen of te doen uitgaan.
2. Onze Minister kan, onverminderd artikel 9, ontheffing verlenen van
een of meer verboden genoemd in het eerste lid, met het oog op:
a. gebruik door de krijgsmacht;
b. onderwijs ten behoeve van de politie en de overige openbare dienst;
c. doorvoer van wapens of munitie.
3. Op een ontheffing met het oog op doorvoer is artikel 20, tweede en
derde lid, van overeenkomstige toepassing.
4. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de
Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet
van toepassing op een verzoek tot ontheffing.
§ 4. Binnenkomen en uitgaan van wapens en munitie van de categorieėn
II en III
Artikel 14
1. Het is verboden zonder consent een wapen of munitie van de
categorieėn II en III te doen binnenkomen of te doen uitgaan, alsmede
om de bij binnenkomst aangegeven bestemming van zulke wapens of munitie
zonder consent te wijzigen.
2. Een consent tot wijziging van de bij binnenkomst aangegeven
bestemming staat gelijk aan een consent tot binnenkomen voor de
gewijzigde bestemming.
3. Een consent is uitsluitend geldig voor wapens en munitie die zodanig
zijn verpakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik kunnen worden
aangewend.
4. Onze Minister kan bij regeling vrijstelling van het verbod van het
eerste lid verlenen met betrekking tot:
a. sportschutters en jagers;
b. doorvoer van wapens of munitie;
c. de uitrusting van vaartuigen en luchtvaartuigen, alsmede van de
bemanning daarvan.
Geen vrijstelling kan worden verleend ten aanzien van het, anders dan
tijdelijk, doen uitgaan van wapens en munitie naar een lid-staat van de
Europese Gemeenschappen.
5. De houder van een in Nederland afgegeven consent of van een in een
andere lid-staat van de Europese Gemeenschappen afgegeven vergunning
voor het doen binnenkomen, doorvoeren of doen uitgaan van wapens of
munitie, is verplicht de wapens en munitie tot aan de bestemming,
respectievelijk het verlaten van het grondgebied van Nederland, te doen
vergezellen van het consent of de vergunning.
6. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de
Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet
van toepassing op een verzoek om een consent.
Artikel 15
Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister van Economische Zaken,
bepalen dat op grond van de Algemene douanewet afgegeven vergunningen
tevens gelden als consent in de zin van artikel 14.
Artikel 16
1.Voor zover het krachtens artikel 15 bepaalde niet van toepassing is,
verleent Onze Minister van Defensie het consent tot binnenkomen ten
behoeve van de krijgsmacht en Onze Minister dat ten behoeve van de
overige openbare dienst.
2.In alle overige gevallen wordt een consent verleend door de
Belastingdienst/Douane centrale dienst voor in- en uitvoer.
Artikel 17 [Vervallen per 11-07-1997]
Artikel 18 [Vervallen per 11-07-1997]
Artikel 19 [Vervallen per 11-07-1997]
Artikel 20
1.Een consent tot binnenkomen wordt geweigerd indien de aanvrager niet
gerechtigd is de wapens of de munitie in Nederland voorhanden te hebben,
tenzij deze zijn bestemd voor overbrenging en opslag onder
douaneverband.
2.Een consent tot uitgaan wordt geweigerd indien niet uit een door de
aanvrager over te leggen bewijsstuk blijkt of niet uit anderen hoofde
bekend is dat de bevoegde autoriteiten van het land van bestemming geen
bedenkingen hebben tegen de aanwezigheid van de wapens of munitie op hun
grondgebied.
3.Van een consent tot uitgaan wordt door de Belastingdienst/Douane
centrale dienst voor in- en uitvoer mededeling gedaan aan de lidstaat
van de Europese Unie die het land van bestemming of van doorvoer is.
Artikel 21 [Vervallen per 11-07-1997]
§ 5. Vervoer van wapens en munitie van de categorieėn II en III
Artikel 22
1.Het is verboden een wapen of munitie van de categorieėn II en III te
vervoeren zonder vergunning tot vervoer, als bedoeld in artikel 9,
vierde lid, dan wel verlof tot vervoer, als bedoeld in artikel 24.
2.Onze Minister kan bij regeling vrijstelling van het verbod van het
eerste lid verlenen met betrekking tot sportschutters en jagers, die
gerechtigd zijn tot het voorhanden hebben van wapens of munitie.
Artikel 23 [Vervallen per 11-07-1997]
Artikel 24
Een verlof tot vervoer wordt, uitsluitend voor wapens en munitie van
categorie III, verleend door de korpschef in de plaats waar het vervoer
een aanvang neemt of waar de aanvrager is gevestigd indien:
a. de aanvrager gerechtigd is het wapen of de munitie voorhanden te
hebben;
b. een redelijk belang de verlening van het verlof vordert.
Artikel 25 [Vervallen per 11-07-1997]
§ 6. Voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie van de
categorieėn II, III en IV
Artikel 26
1.Het is verboden een wapen of munitie van de categorieėn II en III
voorhanden te hebben.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op personen die houder zijn van:
a. een verlof als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, voor
zover dit verlof reikt; of
b. een jachtakte als bedoeld in de Flora- en faunawet, voor wat betreft
voor de jacht en beheer en schadebestrijding bestemde wapens en munitie
van categorie III, die in de jachtakte zijn omschreven.
3.Onze Minister kan bij regeling vrijstelling van het verbod van het
eerste lid voor wapens of munitie van categorie III verlenen met
betrekking tot jagers en sportschutters, die hun vaste woon- of
verblijfplaats buiten Nederland hebben.
4.Onze Minister kan ten aanzien van de personen bedoeld in het tweede
lid regels vaststellen met betrekking tot:
a. de medische geschiktheid en vaardigheid in het omgaan met wapens;
b. de vereiste kennis op het terrein van wapens; en
c. het aantal wapens dat zij ten hoogste voorhanden mogen hebben.
5.Het is personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben
bereikt verboden een wapen van categorie IV voorhanden te hebben.
6.Onze Minister kan bij regeling vrijstelling van het verbod van het
vijfde lid verlenen in het kader van in verenigingsverband beoefende
sporten.
Artikel 27
1.Het is verboden een wapen van de categorieėn II, III en IV te dragen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op personen die:
a. houder zijn van een verlof als bedoeld in artikel 29, voor zover dit
verlof reikt; of
b. op grond van artikel 26, tweede lid, voor de jacht en beheer en
schadebestrijding bestemde wapens voorhanden mogen hebben, voor wat
betreft het terrein waar zij tot de jacht en beheer en schadebestrijding
gerechtigd zijn.
3.Onze Minister kan bij regeling vrijstelling van het verbod van het
eerste lid voor wapens van de categorieėn III en IV verlenen met
betrekking tot:
a. optochten; en
b. studenten-weerbaarheidsverenigingen.
4.Onze Minister kan bij regeling vrijstelling van het verbod van het
eerste lid voor wapens van categorie IV verlenen met betrekking tot:
a. ceremoniėle wapens;
b. kermissen; en
c. sportbeoefening.
Artikel 28
1.Verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie wordt,
uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend
door de korpschef in de woon- of verblijfplaats van de aanvrager.
2.Een verlof wordt verleend indien:
a. een redelijk belang de verlening van het verlof vordert;
b. de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of
veiligheid kan vormen;
c. de aanvrager tenminste de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt,
behoudens afwijking voor leden van een schietvereniging.
3.Het belang met het oog waarop het verlof is verleend, wordt in het
verlof omschreven.
4.Een verlof heeft een geldigheid van ten hoogste een jaar en kan worden
verlengd, indien aan de vereisten voor de verlening daarvan nog wordt
voldaan.
5.Indien de aanvrager die geen vaste woon- of verblijfplaats in
Nederland heeft, ingezetene is van een van de andere lid-staten van de
Europese Gemeenschappen, doet Onze Minister mededeling aan die lid-staat
van de verlening van een verlof als bedoeld in het eerste lid, wanneer
het verlof betrekking heeft op wapens of munitie ten aanzien waarvan het
voorhanden hebben in die lid-staat aan een vergunning is onderworpen.
Artikel 28a
1.Aan personen die gerechtigd zijn tot het voorhanden hebben van een
vuurwapen wordt desverzocht een Europese vuurwapenpas uitgereikt.
2.Op de Europese vuurwapenpas worden aangetekend de vuurwapens die de
houder gerechtigd is voorhanden te hebben, alsmede andere bij regeling
van Onze Minister vast te stellen gegevens.
3.De Europese vuurwapenpas wordt afgegeven door de korpschef in de woon-
of verblijfplaats van de aanvrager en heeft een geldigheidsduur van ten
hoogste een jaar.
Artikel 29
1.Indien een redelijk belang dit vordert, kan de instantie die een
verlof tot het voorhanden hebben van een wapen van categorie III
verleent of heeft verleend, bepalen dat dit verlof ook betrekking heeft
op het dragen van dit wapen.
2.Wanneer aan het eerste lid toepassing is gegeven, wordt dit in het
verlof vermeld.
3.Indien een redelijk belang dit vordert, kan de in artikel 28, eerste
lid, bedoelde instantie verlof verlenen tot het dragen van een wapen van
categorie IV.
Artikel 30 [Vervallen per 11-07-1997]
§ 7. Overdracht en verkrijging van wapens en munitie van de
categorieėn II, III en IV
Artikel 31
1.Het is verboden een wapen of munitie van de categorieėn II en III
over te dragen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op het overdragen aan personen
die gerechtigd zijn het wapen of de munitie voorhanden te hebben.
3.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden een wapen
van categorie III over te dragen zonder inontvangstneming van het in
artikel 32 bedoelde verlof tot verkrijging.
4.Het is verboden een wapen van categorie IV over te dragen aan een
persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.
5.Bij regeling van Onze Minister kan vrijstelling van het verbod van het
vierde lid worden verleend in het kader van in verenigingsverband
beoefende sporten.
Artikel 32
1.Verlof tot verkrijging van wapens van categorie III wordt verleend aan
personen die een verlof tot voorhanden hebben als bedoeld in artikel 28
bezitten, dan wel op grond van artikel 26, tweede lid, voor de jacht en
beheer en schadebestrijding bestemde wapens voorhanden mogen hebben,
door de korpschef van hun woon- of verblijfplaats.
2.indien de aanvrager die geen vaste woon- of verblijfplaats in
Nederland heeft, ingezetene is van een van de andere lid-staten van de
Europese Gemeenschappen, wordt:
a. geen verlof als bedoeld in het eerste lid verleend zonder
voorafgaande toestemming van die lid-staat, wanneer het verlof
betrekking heeft op wapens ten aanzien waarvan het voorhanden hebben in
die lid-staat aan een vergunning is onderworpen;
b. door Onze Minister mededeling gedaan aan die lid-staat van een verlof
als bedoeld in het eerste lid, wanneer het verlof betrekking heeft op
wapens ten aanzien waarvan het voorhanden hebben in die lid-staat aan
een aangifte is onderworpen.
§ 8. Veiligheidseisen
Artikel 33
1.Onverminderd artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, kan Onze
Minister, ten behoeve van de beveiliging, eisen vaststellen, waaraan
ruimten en vervoermiddelen, waarin wapens of munitie van de categorieėn
II en III worden bewaard of vervoerd, moeten voldoen. Worden zulke eisen
vastgesteld voor ruimten en vervoermiddelen, in gebruik bij de
krijgsmacht, dan geschiedt dit door Onze Minister van Defensie.
2.Onze Minister kan, ten behoeve van de veiligheid, technische eisen
vaststellen, waaraan wapens en munitie van categorie III bij overdracht
aan personen die een verlof tot verkrijging als bedoeld in artikel 32
hebben, moeten voldoen.
§ 9. Beroep
Artikel 34
1.Tegen beschikkingen van de korpschef en de Belastingdienst/Douane
centrale dienst voor in- en uitvoer genomen krachtens deze wet staat
administratief beroep open bij Onze Minister.
2.Het beroep kan worden ingesteld:
a. tegen beschikkingen op grond van artikel 8: door de bewaargever en
door de rechthebbende;
b. in de overige gevallen door de aanvrager, dan wel de houder van de
erkenning, het consent, de vergunning of het verlof.
Artikel 35 [Vervallen per 11-07-1997]
Artikel 36 [Vervallen per 11-07-1997]
Artikel 37 [Vervallen per 11-07-1997]
§ 10. Bepalingen over de uitvoering van de wet
Artikel 38
1. Onze Minister kan regels vaststellen over de door de korpschefs bij
de uitvoering van deze wet te voeren administratie.
2. Bij de uitvoering van deze wet volgen de korpschefs en de
Belastingdienst/Douane centrale dienst voor in- en uitvoer de
aanwijzingen van Onze Minister.
3. Beleidsregels gericht tot de korpschef worden verstrekt door
tussenkomst van de korpsbeheerder.
4. Artikel 10:22, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 39
Onze Minister kan modellen vaststellen van het bewijs van erkenning, de
consenten, de vergunningen, de verloven, alsmede van andere ter
uitvoering van de wet te gebruiken bescheiden. Deze modellen worden
bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant.
Artikel 40
Onze Minister kan regels geven over combinatie van verschillende
krachtens deze wet vereiste consenten, vergunningen en verloven, alsmede
van andere ter uitvoering van de wet te gebruiken bescheiden.
Artikel 41
Onze Minister geeft regels met betrekking tot het bedrag dat is
verschuldigd bij de aanvraag op grond van deze wet van een erkenning,
een ontheffing, een consent, een vergunning, een verlof en een Europese
vuurwapenpas. Het bedrag is verschuldigd aan het Rijk indien de aanvraag
wordt ingediend bij Onze Minister of Onze Minister van Defensie, of aan
de betrokken politieregio indien de aanvraag bij de korpschef wordt
ingediend.
Artikel 42
1.Onze Minister geeft regels betreffende een door de erkende te houden
register waarin alle door deze onder enige titel verkregen of
overgedragen wapens en munitie worden aangetekend.
2.Onze Minister geeft regels betreffende een door de erkende te
verstrekken ontvangstbewijs bij verkrijging van wapens van categorie III
van personen die een verlof tot het voorhanden hebben als bedoeld in
artikel 28 bezitten, dan wel op grond van artikel 26, tweede lid, voor
de jacht en beheer en schadebestrijding bestemde wapens voorhanden mogen
hebben.
Artikel 43 [Vervallen per 11-07-1997]
Artikel 44 [Vervallen per 11-07-1997]
§ 11. Toezicht op de naleving
Artikel 45
1.Met het toezicht op de naleving van het bij en krachtens deze wet
bepaalde zijn belast:
1e. de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
aangewezen ambtenaren;
2e. de bij of krachtens artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren;
3e. de bij besluit van Onze Minister, in overeenstemming met Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat, aangewezen ambtenaren van het
Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel 2, wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
3.De toezichthouder beschikt slechts over de in artikel 5:18, tweede
lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde bevoegdheid voorzover
het betreft het openen van verpakkingen in het kader van het onderzoek
van ladingen.
4.De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheid, genoemd in
artikel 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 46 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 47 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 48 [Vervallen per 01-01-1998]
§ 11a. Opsporing
Artikel 49
De bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
aangewezen ambtenaren kunnen te allen tijde op plaatsen waar zij
redelijkerwijs kunnen vermoeden dat wapens of munitie aanwezig zijn, ter
inbeslagneming doorzoeking doen.
Artikel 50
1. De bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
aangewezen ambtenaren zijn bevoegd te vorderen dat de verpakking van
goederen, met inbegrip van reisbagage, wordt geopend, indien daartoe
redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van:
a. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt;
b. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27;
c. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal
worden gepleegd.
2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan slechts worden
uitgeoefend tegen bepaalde personen, indien daartoe jegens hen
aanleiding bestaat. De officier van justitie kan gelasten dat deze
bevoegdheid tegenover een ieder kan worden uitgeoefend.
3. In gebieden die overeenkomstig artikel 151b, eerste lid, van de
Gemeentewet, door de burgemeester als veiligheidsrisicogebied zijn
aangewezen kan de officier van justitie gelasten dat tegenover een ieder
de bevoegdheid kan worden uitgeoefend om verpakkingen van goederen, met
inbegrip van reisbagage, te onderzoeken op wapens of munitie. Het bevel
bevat een omschrijving van het aangewezen gebied en de geldigheidsduur
die niet langer dan twaalf uur mag bedragen. Het bevel bevat voorts de
feiten en omstandigheden, op grond waarvan de toepassing van de
bevoegdheid om de verpakking van goederen, met inbegrip van reisbagage,
te onderzoeken op wapens of munitie noodzakelijk wordt geacht.
4. Indien geen medewerking wordt verleend, kunnen de in het eerste lid
bedoelde ambtenaren, op kosten en risico van de houder van de goederen,
in het nodige voorzien.
Artikel 51
1.De bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
aangewezen ambtenaren zijn bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken indien
daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van:
een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt;
een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27;
aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden
gepleegd.
2.De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan slechts worden
uitgeoefend ten aanzien van bepaalde vervoermiddelen, indien daartoe
jegens deze aanleiding bestaat. De officier van justitie kan gelasten
dat deze bevoegdheid tegenover elk vervoermiddel kan worden uitgeoefend.
3.In gebieden die overeenkomstig artikel 151b, eerste lid, van de
Gemeentewet, door de burgemeester als veiligheidsrisicogebied zijn
aangewezen kan de officier van justitie gelasten dat tegenover een ieder
de bevoegdheid kan worden uitgeoefend om vervoermiddelen te onderzoeken
op wapens of munitie. Het bevel bevat een omschrijving van het
aangewezen gebied en de geldigheidsduur die niet langer dan twaalf uur
mag bedragen. Het bevel bevat voorts de feiten en omstandigheden, op
grond waarvan de toepassing van de bevoegdheid vervoermiddelen te
onderzoeken op wapens of munitie noodzakelijk wordt geacht.
4.De in het eerste lid bedoelde ambtenaren kunnen van de bestuurders van
voertuigen en van de schippers van vaartuigen daartoe vorderen dat deze
de vervoermiddelen tot stilstand brengen, deze vervoermiddelen naar een
door hen aangewezen plaats overbrengen en overeenkomstig hun
aanwijzingen terzake medewerking verlenen.
Artikel 52
1. De bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
aangewezen ambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van
daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering
vorderen.
2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd personen aan
hun kleding te onderzoeken indien daartoe redelijkerwijs aanleiding
bestaat op grond van:
een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt;
een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27;
aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden
gepleegd.
3. In gebieden die overeenkomstig artikel 151b, eerste lid, van de
Gemeentewet, door de burgemeester als veiligheidsrisicogebied zijn
aangewezen kan de officier van justitie gelasten dat tegenover een ieder
de bevoegdheid kan worden uitgeoefend om hem aan zijn kleding te
onderzoeken op de aanwezigheid van wapens of munitie. Het bevel bevat
een omschrijving van het aangewezen gebied en de geldigheidsduur die
niet langer dan twaalf uur mag bedragen. Het bevel bevat voorts de
feiten en omstandigheden, op grond waarvan de toepassing van de
bevoegdheid om een ieder aan zijn kleding te onderzoeken op wapens of
munitie noodzakelijk wordt geacht.
4. De bedoelde ambtenaren alsmede andere daartoe door Onze Minister
aangewezen personen zijn bevoegd een persoon die zich bevindt op een bij
regeling van Onze Minister aangewezen luchthaven, te allen tijde aan
zijn kleding en de verpakking van goederen, met inbegrip van reisbagage,
alsmede diens vervoermiddel, te onderzoeken.
5. Onze Minister wijst een luchthaven met toepassing van het vierde lid
slechts aan indien dat naar zijn oordeel met het oog op de veiligheid
nodig is.
Artikel 53 [Vervallen per 11-07-1997]
§ 12. Strafbepalingen
Artikel 54
Met geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die handelt in
strijd met een krachtens de artikelen 6, 8, tweede of derde lid, 33 of
42 vastgesteld voorschrift, dan wel in strijd met de artikelen 8, eerste
lid, 14, vijfde lid, 26, vijfde lid, 27, eerste lid, of 31, derde of
vierde lid.
Artikel 55
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft hij die handelt in strijd met de
artikelen 9, eerste lid, 13, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid,
of 31, eerste lid.
2. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft hij die handelt in strijd met artikel
14, eerste lid.
3. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van de
vijfde categorie wordt gestraft:
a. hij die handelt in strijd met de artikelen 9, eerste lid, 14, eerste
lid, 26, eerste lid, of 31, eerste lid, en het feit begaat met
betrekking tot een wapen van categorie II, of een vuurwapen van
categorie III;
b. hij die handelt in strijd met de artikelen 13, eerste lid, of 26,
eerste lid, aan boord van een luchtvaartuig of op een luchthaven,
aangewezen krachtens artikel 52, vierde lid.
4. Met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaar of geldboete van de
vijfde categorie wordt gestraft: hij die handelt in strijd met de
artikelen 9, eerste lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, 26, eerste lid,
of 31, eerste lid, en van het in strijd met de wet vervaardigen,
transformeren, uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking
stellen, herstellen, beproeven of verhandelen van wapens of munitie een
beroep of een gewoonte maakt.
5. Met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaar of geldboete van de
vijfde categorie wordt eveneens gestraft hij die handelt in strijd met
artikel 9, eerste lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, 26, eerste lid,
of 31, eerste lid, indien het feit begaan is met een terroristisch
oogmerk als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht dan
wel met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel
83 van dat wetboek voor te bereiden of gemakkelijk te maken.
Artikel 56
De in artikel 54 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. De in
artikel 55 strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
§ 13. Slotbepalingen
Artikel 57
Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de krachtens de Wet
wapens en munitie (Stb. 1995, 580) vastgestelde regels en andere
besluiten op deze wet.
Artikel 58
De Wet wapens en munitie (Stb. 1995, 580) wordt ingetrokken.
Artikel 59
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 60
Deze wet wordt aangehaald als: Wet wapens en munitie.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 5 juli 1997
BEATRIX
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de tiende juli 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|