Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsregeling wederzijdse bijstand bij de invordering van
belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen
(vervallen)
WET van 24 oktober 1979, houdende
vaststelling van de Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van
enkele EEG-heffingen
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
voorzieningen te treffen tot uitvoering van de op 15 maart 1976 door de
Raad van de Europese Gemeenschappen vastgestelde Richtlijn 76/308/EEG
betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van
schuldvorderingen die voortvloeien uit verrichtingen die deel uitmaken
van het financieringsstelsel van het Europese Oriëntatie- en
Garantiefonds voor de Landbouw, alsmede van landbouwheffingen en
douanerechten (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen
1976, nr. L 73);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
1.
Deze wet is van toepassing op verzoeken om
bijstand bij de invordering van schuldvorderingen, ontstaan in een
lidstaat, die verband houden met:
a. restituties, interventies en andere maatregelen die deel
uitmaken van het stelsel van algehele of gedeeltelijke financiering
door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL),
met inbegrip van de in het kader van deze acties te innen bedragen;
b. heffingen en andere rechten uit hoofde van de gemeenschappelijke
marktordening voor suiker;
c. rechten bij invoer;
d. rechten bij uitvoer;
e. omzetbelasting;
f. accijnzen op tabaksfabrikaten, alcohol en alcoholhoudende
dranken en minerale oliën;
g. belastingen op inkomen en vermogen;
h. belastingen op verzekeringspremies, en
i. interesten, bestuursrechtelijke sancties en boetes, en kosten in
verband met de schuldvorderingen, bedoeld in de onderdelen a tot en
met h, met uitsluiting van de strafrechtelijke maatregelen als
gedefinieerd in de geldende wetgeving van de lidstaat waar de
aangezochte autoriteit gevestigd is.
2. Als verzoeken om bijstand bij de invordering als bedoeld in
het eerste lid, worden aangemerkt verzoeken om inlichtingen die van nut
zijn voor de invordering van een schuldvordering, tot betekening of
uitreiking van akten of beslissingen met betrekking tot een
schuldvordering of de invordering daarvan, tot invordering van een
schuldvordering dan wel tot het nemen van conservatoire maatregelen ter
waarborging van de invordering.
Artikel 2
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie;
b. verzoekende autoriteit: de bevoegde autoriteit van een
lidstaat die een verzoek om bijstand als bedoeld in artikel 1,
tweede lid, indient;
c. aangezochte autoriteit: de bevoegde autoriteit van een
lidstaat aan wie een verzoek om bijstand als bedoeld in artikel 1,
tweede lid, is gedaan;
d. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
e. executoriale titel: elke administratieve of rechterlijke
beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, die in een
lidstaat is gegeven met betrekking tot een schuldvordering als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, en die aldaar voor gedwongen
tenuitvoerlegging in aanmerking komt;
f. rechten bij invoer: douanerechten en heffingen van gelijke
werking bij invoer, alsmede invoerheffingen in het kader van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van specifieke
regelingen voor bepaalde goederen die door de verwerking van
landbouwproducten worden verkregen;
g. rechten bij uitvoer: douanerechten en heffingen van gelijke
werking bij uitvoer, alsmede uitvoerheffingen in het kader van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van specifieke
regelingen voor bepaalde goederen die door de verwerking van
landbouwproducten worden verkregen;
h. belastingen op inkomen en vermogen: belastingen, bedoeld in
artikel 1, derde lid, in verbinding met artikel 1, vierde lid, van
richtlijn nr. 77/799/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de
bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe
en de indirecte belastingen (PbEG L 336);
i. heffingen op verzekeringspremies: heffingen op
verzekeringspremies, bedoeld in artikel 3 van richtlijn nr.
2008/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 26 mei 2008
betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van
schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde bijdragen, rechten
en belastingen, alsmede uit andere maatregelen (PbEU L 150).
Hoofdstuk II. Bijstand door Nederland te verlenen
A. Verstrekking van inlichtingen
Artikel 3
Op verzoek van de verzoekende autoriteit worden haar, volgens de
bepalingen van de artikelen 4 tot en met 7 van dit hoofdstuk, de
inlichtingen verstrekt waar zij om vraagt en die haar van nut zijn voor
de invordering van een schuldvordering als bedoeld in artikel 1, eerste
lid.
Artikel 4
Het verzoek om inlichtingen vermeldt zowel de naam en het adres van
de persoon waarop de te verstrekken gegevens betrekking hebben, als
enige andere relevante informatie waartoe de verzoekende autoriteit met
betrekking tot diens identiteit normaliter toegang heeft, alsmede de
aard en het bedrag van de schuldvordering uit hoofde waarvan het verzoek
wordt ingediend.
Artikel 5
Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk omtrent het aan het verzoek
te verlenen gevolg.
Artikel 6
1. Aan een verzoek om inlichtingen wordt geen gevolg gegeven
wanneer het verzoek niet voldoet aan de vereisten, gesteld in artikel
4.
2. Inlichtingen behoeven niet te worden verstrekt wanneer:
a. zij niet zouden kunnen worden verkregen voor de invordering van
in Nederland ontstane soortgelijke schuldvorderingen;
b. daarmede een commercieel, een industrieel of een beroepsgeheim
zou worden onthuld;
c. mededeling daarvan een aantasting van de veiligheid of de
openbare orde van Nederland zou kunnen vormen.
3. De verzoekende autoriteit wordt op de hoogte gebracht van de
beweegredenen die zich verzetten tegen het voldoen aan een verzoek om
inlichtingen.
Artikel 7
1. Aan een verzoek om inlichtingen wordt uitvoering gegeven
door Onze Minister.
2. Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Onze
Minister van Economische Zaken verlenen desgevraagd hun medewerking aan
de uitvoering van een verzoek om inlichtingen.
3. De uitvoering van een verzoek om inlichtingen geschiedt met
toepassing van dezelfde procedures als gebruikelijk zijn bij het
verzamelen van gegevens ten behoeve van de invordering van een in
Nederland ontstane schuldvordering van soortgelijke aard als die waarop
het verzoek om inlichtingen betrekking heeft.
B. Betekening en uitreiking van stukken
Artikel 8
Op verzoek van de verzoekende autoriteit worden gerechtelijke en
buitengerechtelijke akten en beslissingen met betrekking tot
schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, of de
invordering daarvan, die uitgaan van de lidstaat waar de verzoekende
autoriteit is gevestigd, in Nederland betekend of uitgereikt aan de
geadresseerde volgens de bepalingen van de artikelen 9 tot en met 11 van
dit hoofdstuk.
Artikel 9
Het verzoek tot betekening of uitreiking vermeldt:
a. ten aanzien van de geadresseerde: zowel diens naam en adres
als enige andere relevante informatie waartoe de verzoekende
autoriteit met betrekking tot diens identiteit normaliter toegang
heeft, alsmede de aard en het onderwerp van de te betekenen of uit
te reiken akte of beslissing;
b. in voorkomend geval ten aanzien van de debiteur: zowel diens
naam en adres als enige andere relevante informatie waartoe de
verzoekende autoriteit met betrekking tot diens identiteit
normaliter toegang heeft, alsmede de in de akte of beslissing
bedoelde schuldvordering;
c. alle andere nuttige inlichtingen.
Artikel 10
Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk omtrent het aan het verzoek
tot betekening te verlenen gevolg.
Artikel 10a
1. Aan het verzoek tot betekening of uitreiking wordt geen
gevolg gegeven wanneer het verzoek niet voldoet aan de vereisten,
gesteld in artikel 9.
2. De verzoekende autoriteit wordt op de hoogte gebracht van de
beweegredenen die zich verzetten tegen het voldoen aan het verzoek tot
betekening of uitreiking.
Artikel 11
1. Indien een verzoek tot betekening of uitreiking voor
inwilliging vatbaar is, draagt Onze Minister zorg voor de betekening
of de uitreiking van de akte of beslissing waarop het verzoek
betrekking heeft met toepassing van de wettelijke voorschriften
betreffende het betekenen en uitreiken van een overeenkomstige
Nederlandse akte of beslissing.
2. De verzoekende autoriteit wordt onverwijld op de hoogte
gesteld van het gevolg dat aan het verzoek tot betekening of uitreiking
is gegeven en meer in het bijzonder van de datum waarop de akte of
beslissing aan de geadresseerde is betekend of uitgereikt.
C. Invordering
Artikel 12
Op verzoek van de verzoekende autoriteit worden schuldvorderingen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, waarvoor in de lidstaat waar de
verzoekende autoriteit is gevestigd een executoriale titel tot stand is
gekomen welke volgens de in die lidstaat geldende rechtsregels aldaar
uitvoerbaar is, in Nederland ingevorderd volgens de bepalingen van de
artikelen 13 tot en met 24 van dit hoofdstuk.
Artikel 13
1. Het verzoek tot invordering vermeldt de volgende gegevens:
a. de naam, het adres en alle andere relevante informatie
betreffende de identiteit van de betrokken persoon of de derde die
houder is van hem toebehorende vermogensbestanddelen;
b. de naam, het adres en alle andere relevante informatie
betreffende de identiteit van de verzoekende autoriteit;
c. de executoriale titel die is afgegeven in de lidstaat waar de
verzoekende autoriteit is gevestigd;
d. de aard en het bedrag van de schuldvordering, met inbegrip van
de hoofdsom, de interest en alle andere verschuldigde bedragen in
verband met sancties, boeten en kosten, uitgedrukt in euro's en voor
zoveel nodig in de valuta van de lidstaat waar de verzoekende
autoriteit is gevestigd;
e. de datum waarop de geadresseerde door de verzoekende autoriteit
van de titel kennis is gegeven;
f. de datum met ingang waarvan en de periode gedurende welke de
executie mogelijk is volgens het geldende recht van de lidstaat waar
de verzoekende autoriteit is gevestigd;
g. alle overige relevante informatie.
2. De verzoekende autoriteit doet Onze Minister, zodra zij
hiervan kennis heeft, alle nuttige inlichtingen toekomen die betrekking
hebben op de zaak welke de aanleiding was voor het verzoek tot
invordering.
Artikel 13a
Aan een verzoek tot invordering kan slechts worden voldaan wanneer:
a. de schuldvordering niet wordt betwist of de executoriale titel
niet wordt aangevochten in de lidstaat waar verzoekende autoriteit
is gevestigd, dan wel artikel 22, tweede lid, toepassing vindt, en
b. de verzoekende autoriteit de daartoe ter beschikking staande
invorderingsprocedures heeft ingesteld die op grond van de
executoriale titel kunnen worden uitgevoerd, en de genomen
maatregelen niet tot volledige betaling van de schuldvordering
zullen leiden.
Artikel 14
Het verzoek tot invordering dient vergezeld te zijn van de volgende
stukken:
a. een officieel exemplaar of een voor eensluidend gewaarmerkt
afschrift van de executoriale titel, tot stand gekomen in de
lidstaat waar de verzoekende autoriteit is gevestigd;
b. in voorkomend geval, het origineel of een voor eensluidend
gewaarmerkt afschrift van andere voor de invordering benodigde
documenten;
c. een verklaring van de verzoekende autoriteit waarin wordt
bevestigd dat aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 13a, wordt
voldaan.
Artikel 15
Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk omtrent het aan het verzoek
tot invordering te verlenen gevolg.
Artikel 16
1. Aan het verzoek tot invordering wordt geen gevolg gegeven
wanneer het verzoek niet voldoet aan de vereisten, gesteld in de
artikelen 13 tot en met 14.
2. Aan het verzoek tot invordering behoeft niet te worden voldaan
in gevallen waarin deze bijstand, wegens de situatie van de debiteur, in
Nederland ernstige moeilijkheden van economische of sociale aard zou
kunnen opleveren.
3. De verzoekende autoriteit alsmede de Commissie van de Europese
Gemeenschappen worden op de hoogte gebracht van de beweegredenen die
zich verzetten tegen het voldoen aan een verzoek tot invordering.
Artikel 17
1. Wanneer Onze Minister besluit gevolg te geven aan een
verzoek tot invordering dat betrekking heeft op een schuldvordering
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, draagt hij een door hem aan te
wijzen inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger schriftelijk op tot
invordering van de schuldvordering over te gaan.
2. De executoriale titel van de schuldvordering, bedoeld in het
eerste lid, wordt hier te lande rechtstreeks erkend en automatisch
behandeld als executoriale titel van een Nederlandse schuldvordering.
Artikel 17a
1. Ter zake van de invordering van schuldvorderingen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen a en b, en de daarmee
verband houdende bedragen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
i, kan Onze Minister in afwijking in zoverre van artikel 17, tweede
lid, de door hem aangewezen ontvanger schriftelijk opdragen
rechterlijk verlof te vragen tot tenuitvoerlegging van de executoriale
titel die hem door de verzoekende autoriteit is verstrekt. De
artikelen 985 tot en met 990 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering zijn in dat geval van toepassing onderscheidenlijk van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. tot de kennisneming van het verzoek om verlening van het verlof
bevoegd is de rechtbank van de woonplaats van de persoon die tot
betaling van de schuldvordering is gehouden, of, zo van een woonplaats
in Nederland niet blijkt, de rechtbank te 's-Gravenhage;
b. in geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de
verschuldigdheid of de juistheid van de gevorderde bedragen of van de
geldigheid van de executoriale titel.
2. Indien verlening van het verlof, bedoeld in het eerste lid,
niet kan geschieden binnen een periode van drie maanden na ontvangst van
het verzoek tot invordering, wordt de verzoekende autoriteit in kennis
gesteld van de redenen waarom deze periode niet kan worden nageleefd.
Artikel 18
1. Ter zake van de invordering van schuldvorderingen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen c tot en met h, en de
daarmee verband houdende bedragen, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel i, zijn de artikelen 6, eerste lid, 11 tot en met 13, 15,
17, 19, 20, 22, eerste en tweede lid, 24 en 58 tot en met 67 van de
Invorderingswet 1990 alsmede de Kostenwet invordering rijksbelastingen
van toepassing onderscheidenlijk van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat verzet op de voet van artikel 17 van de
Invorderingswet 1990 tegen de tenuitvoerlegging van de executoriale
titel welke tot stand is gekomen in de lidstaat waar de verzoekende
autoriteit is gevestigd, nimmer betrekking kan hebben op de geldigheid
van deze titel dan wel op de verschuldigdheid of op de juistheid van
de gevorderde bedragen.
2. Ter zake van de in het eerste lid genoemde schuldvorderingen
kan Onze Minister in afwijking in zoverre van artikel 17, tweede lid, de
door hem aangewezen ontvanger schriftelijk opdragen met toepassing van
artikel 14 van de Invorderingswet 1990 over te gaan tot uitvaardiging
van een dwangbevel als bedoeld in artikel 12 onderscheidenlijk artikel
15 van die wet.
3. artikel 17, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 18a [Vervallen per 01-06-1996]
Artikel 19
1. De ontvanger kan, nadat de verzoekende
autoriteit is geraadpleegd, onder door hem te stellen voorwaarden voor
een bepaalde tijd bij beschikking uitstel van betaling van de
schuldvordering verlenen. Gedurende dit uitstel vangt de
dwanginvordering niet aan, dan wel wordt deze geschorst.
2. Het uitstel kan tussentijds bij beschikking worden beëindigd.
Artikel 19a
1. Ter zake van een verzoek tot invordering is overeenkomstig
de bepalingen van hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990 interest
verschuldigd.
2. Voor de berekening van de verschuldigde interest wordt als
vervaldag aangemerkt de dag waarop de executoriale titel hier te lande
ten uitvoer kan worden gelegd.
3. De betaalde interest komt ten goede aan de lidstaat waar de
verzoekende autoriteit is gevestigd.
Artikel 20
De invordering geschiedt in euro’s.
Artikel 21
De toerekening van de betalingen geschiedt in de eerste plaats op de
schuldvordering waarvoor een verzoek tot invordering is gedaan,
vermeerderd met de interest verschuldigd krachtens artikel 19a ,
en vervolgens op de kosten welke in Nederland ter zake van de
invordering in rekening zijn gebracht.
Artikel 22
1. Onze Minister draagt de door hem aangewezen ontvanger
schriftelijk op de tenuitvoerlegging van een voor uitvoering vatbare
executoriale titel te schorsen, zodra hij een schriftelijke mededeling
heeft ontvangen, hetzij van de verzoekende autoriteit, hetzij van een
belanghebbende, dat, in de lidstaat waar de verzoekende autoriteit is
gevestigd, de schuldvordering wordt betwist of de executoriale titel
wordt aangevochten.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid blijft schorsing
van de tenuitvoerlegging achterwege indien de verzoekende autoriteit
daarom heeft verzocht.
3. Indien de uitkomst van de betwisting, bedoeld in het eerste
lid, voor de schuldenaar gunstig uitvalt, is de verzoekende autoriteit
gehouden tot terugbetaling van elk door de door Onze Minister aangewezen
ontvanger ingevorderd bedrag.
4. Indien de omstandigheden hem daartoe aanleiding geven, kan de
in het eerste lid bedoelde ontvanger, na daartoe verkregen machtiging
van Onze Minister, overgaan tot het nemen van conservatoire maatregelen
met overeenkomstige toepassing van artikel 30.
Artikel 23
De op verzoek van de verzoekende autoriteit in te vorderen
schuldvorderingen genieten geen voorrecht.
Artikel 24
De verzoekende autoriteit wordt onverwijld op de hoogte gesteld van
het gevolg dat aan het verzoek tot invordering is gegeven.
D. Conservatoire maatregelen
Artikel 25
Op verzoek van de verzoekende autoriteit worden ter waarborging van
de invordering van schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, waarvoor in de lidstaat waar de verzoekende autoriteit is gevestigd
een executoriale titel tot stand is gekomen, in Nederland conservatoire
maatregelen genomen volgens de bepalingen van de artikelen 26 tot en met
30 van dit hoofdstuk.
Artikel 26
1. Het verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen is
met redenen omkleed en vermeldt voorts:
a. de naam, het adres en alle andere relevante informatie
betreffende de identiteit van de betrokken persoon of de derde die
houder is van hem toebehorende vermogensbestanddelen;
b. de naam, het adres en alle andere relevante informatie
betreffende de identiteit van de verzoekende autoriteit;
c. de executoriale titel die is afgegeven in de lidstaat waar de
verzoekende autoriteit is gevestigd;
d. de aard en het bedrag van de schuldvordering, met inbegrip van
de hoofdsom, de interest en alle andere verschuldigde bedragen in
verband met sancties, boeten en kosten, uitgedrukt in euro's en voor
zoveel nodig in de valuta van de lidstaat waar de verzoekende
autoriteit is gevestigd;
e. de datum waarop de geadresseerde door de verzoekende autoriteit
van de titel kennis is gegeven;
f. de datum met ingang waarvan en de periode gedurende welke de
executie mogelijk is volgens het geldende recht van de lidstaat waar
de verzoekende autoriteit is gevestigd;
g. alle overige relevante informatie.
2. De verzoekende autoriteit doet Onze Minister, zodra zij
hiervan kennis heeft, alle nuttige inlichtingen toekomen die betrekking
hebben op de zaak welke de aanleiding was voor het verzoek tot
invordering.
Artikel 27
Het verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen gaat
vergezeld van:
a. een officieel exemplaar of van een voor eensluidend
gewaarmerkt afschrift van de executoriale titel, tot stand gekomen
in de lidstaat waar de verzoekende autoriteit is gevestigd;
b. in voorkomend geval, het origineel of van een voor eensluidend
gewaarmerkt afschrift van andere voor de invordering benodigde
documenten.
Artikel 28
Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk omtrent het aan het verzoek
te verlenen gevolg.
Artikel 29
1. Aan een verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen
wordt geen gevolg gegeven wanneer het verzoek niet voldoet aan de
vereisten, gesteld in de artikelen 26 en 27.
2. Artikel 16, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. De verzoekende autoriteit alsmede de Commissie van de Europese
Gemeenschappen worden op de hoogte gebracht van de beweegredenen die
zich verzetten tegen voldoening aan het verzoek tot het nemen van
conservatoire maatregelen.
Artikel 30
Indien Onze Minister besluit gevolg te geven aan een verzoek tot het
nemen van conservatoire maatregelen ter waarborging van de invordering
van schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, draagt hij
een door hem aan te wijzen inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger
schriftelijk op rechterlijk verlof te vragen tot aanwending van die
middelen van bewaring van recht welke voor de waarborging van de
invordering van een soortgelijke in Nederland ontstane schuldvordering
zijn toegelaten.
E. Algemene bepalingen
Artikel 31
Tenzij Onze Minister anders bepaalt, dienen de verzoeken om bijstand,
de executoriale titel en de andere bijgevoegde stukken vergezeld te zijn
van een vertaling in het Nederlands.
Artikel 31a
1. Aan een verzoek tot bijstand bij invordering als bedoeld in
artikel 1, tweede lid, behoeft niet te worden voldaan wanneer het
eerste verzoek dienaangaande betrekking heeft op een schuldvordering
die meer dan vijf jaar bestaat, te rekenen vanaf het tijdstip van
vaststelling van de executoriale titel in overeenstemming met de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of de administratieve
praktijken die gelden in de lidstaat waar de verzoekende autoriteit is
gevestigd, tot de datum van het verzoek.
2. In de gevallen waarin de schuldvordering wordt betwist of de
executoriale titel wordt aangevochten, wordt de termijn, bedoeld in het
eerste lid, berekend vanaf het tijdstip waarop de verzoekende autoriteit
vaststelt dat de schuldvordering of de executoriale titel van de
schuldvordering niet langer kan worden betwist onderscheidenlijk
aangevochten.
3. De verzoekende autoriteit alsmede de Commissie van de Europese
Gemeenschappen worden op de hoogte gebracht van de beweegredenen die
zich verzetten tegen het voldoen aan het verzoek, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 32
Tot het verrichten van werkzaamheden waartoe deurwaarders bevoegd
zijn, zijn in zaken de uitvoering van de artikelen 11, 17, 17a, 18 en 30
betreffende, mede bevoegd de belastingdeurwaarders.
Artikel 33
1. De invordering en de inhouding bij de betrokken persoon van
alle aan de invordering verbonden kosten worden verricht
overeenkomstig de ten aanzien van vergelijkbare schuldvorderingen hier
te lande geldende wettelijke en administratiefrechtelijke bepalingen.
2. Met uitzondering van de kosten welke krachtens wettelijk
voorschrift in rekening kunnen worden gebracht aan degene die in gebreke
is gebleven de schuldvordering te voldoen, komen de kosten, op de
uitvoering van verzoeken om bijstand vallende, ten laste van de Staat.
3. Onze Minister en de verzoekende autoriteit kunnen per geval
specifieke afspraken maken over de modaliteiten van de vergoeding van
kosten indien zich bij de invordering een bijzonder probleem voordoet of
de kosten daarbij zeer hoog zijn, dan wel indien invordering plaatsvindt
in het kader van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.
Hoofdstuk III. Bijstand door Nederland te vragen
Artikel 34
1. In de gevallen waarin zulks ter verzekering van de inning
van schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
noodzakelijk is, wendt Onze Minister zich, hetzij uit eigen beweging,
hetzij op verzoek van Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit of van Onze Minister van Economische Zaken, tot de
bevoegde autoriteit van een andere lidstaat met een verzoek om
bijstand als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
2. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze
Minister van Economische Zaken verstrekken zodanige gegevens als nodig
kunnen zijn voor een juiste toepassing van de artikelen 35 tot en met 39
en voorts alle andere inlichtingen welke voor een verzoek om bijstand
nuttig kunnen zijn.
Artikel 35
Een verzoek tot invordering alsmede een verzoek tot het nemen van
conservatoire maatregelen worden alleen gedaan wanneer voor de betrokken
schuldvordering hier te lande een executoriale titel tot stand is
gekomen.
Artikel 36
Een verzoek tot invordering wordt slechts gedaan wanneer de in te
vorderen schuldvordering niet wordt betwist of de hier te lande tot
stand gekomen executoriale titel niet wordt aangevochten, dan wel
artikel 37, tweede lid, toepassing vindt.
Artikel 37
1. Wanneer een verzoek tot invordering is gedaan en vervolgens
blijkt dat de schuldvordering wordt betwist of de executoriale titel
wordt aangevochten, wordt de bevoegde autoriteit van de lidstaat tot
welke het verzoek was gericht daarvan in kennis gesteld.
2. Niettegenstaande de betwisting, bedoeld in het eerste lid, kan
Onze Minister in bijzondere gevallen besluiten de aangezochte autoriteit
te verzoeken de schuldvordering in te vorderen.
3. Indien de uitkomst van de betwisting, bedoeld in het eerste
lid, voor de schuldenaar gunstig uitvalt, is de door Onze Minister
aangewezen ontvanger gehouden tot terugbetaling van elk bedrag dat is
ingevorderd door de lidstaat waar de aangezochte autoriteit is
gevestigd.
Artikel 38
Wanneer het verzoek om bijstand is gedaan op verzoek van Onze
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij of Onze Minister van
Economische Zaken, wordt de Minister wie het aangaat onverwijld op de
hoogte gesteld van de vragen en mededelingen van de bevoegde autoriteit
van de lidstaat tot welke het verzoek was gericht met betrekking tot de
uitvoering van het verzoek om bijstand, in voorkomend geval onder
afdracht van de door die autoriteit ingevorderde en overgemaakte
bedragen.
Artikel 39
De overeenkomstig een verzoek om bijstand als bedoeld in artikel 1,
tweede lid, door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat genomen
maatregelen, die, indien zij hier te lande zouden zijn genomen, tot
gevolg zouden hebben gehad dat de verjaring zou zijn geschorst of
gestuit, worden, voor wat dit gevolg betreft, beschouwd als hier te
lande te zijn genomen.
Artikel 39a
Onze Minister en de aangezochte autoriteit kunnen per geval
specifieke afspraken maken over de modaliteiten van de vergoeding indien
zich bij de invordering een bijzonder probleem voordoet of de kosten
daarbij zeer hoog zijn dan wel indien invordering plaatsvindt in het
kader van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.
Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Artikel 40
Het bepaalde in deze wet laat onverlet de toepassing van de meer
uitgebreide wederzijdse bijstand welke met bepaalde andere lidstaten is
of zal worden overeengekomen, met inbegrip van de betekening en de
uitreiking van gerechtelijke of buitengerechtelijke akten.
Artikel 41
1. Onze Minister geeft voorschriften ter uitvoering van deze
wet. Indien het schuldvorderingen betreft als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdelen a, b, c en d, worden deze voorschriften gegeven
in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij en Onze Minister van Economische Zaken.
2. Krachtens het eerste lid uitgevaardigde algemene voorschriften
worden door plaatsing in de Staatscourant bekendgemaakt.
Artikel 42
Deze wet wordt aangehaald als: Wet wederzijdse bijstand bij de
invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 24 oktober 1979
JULIANA
De Staatssecretaris van Financiën,
Noteboom
De Minister van Landbouw en Visserij,
Van der Stee
De Minister van Economische Zaken,
G.M.V. van Aardenne
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
Uitgegeven de zesde november 1979
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
|