| |
|
|
|
|
vorige
WONINGWET
Tekst zoals deze geldt op
22 juli 2010
|
|
Nadere regelgeving:
- Asbestverwijderingsbesluit
2005
- Besluit
aanvullende regels veiligheid wegtunnels
- Besluit
archeologische monumentenzorg
- Besluit beheer sociale-huursector
- Besluit
bevordering eigenwoningbezit
- Besluit
bodemkwaliteit
- Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige
bouwwerken
- Besluit
brandveilig gebruik bouwwerken
- Besluit energieprestatie gebouwen
- Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning
- Bouwbesluit 2003
- Regeling
aanvullende regels veiligheid wegtunnels
- Regeling Bouwbesluit
2003'
- Regeling energieprestatie
gebouwen'
WET van 29 augustus 1991 tot herziening
van de Woningwet
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is mede uit
het oogpunt van vereenvoudiging en vermindering van regelgeving, alsmede
uit het oogpunt van decentralisatie nieuwe voorschriften te geven
omtrent het bouwen en de volkshuisvesting;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt verstaan onder:
a. bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten,
vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk,
alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of
veranderen en het vergroten van een standplaats;
b. slopen: het afbreken van een bouwwerk of een gedeelte
daarvan;
c. gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke
overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
d. woonkeet: een loods, keet of ander soortgelijk bouwwerk,
bestemd om te voorzien in een tijdelijke behoefte aan
woongelegenheid;
e. woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op
een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden
verplaatst;
f. bestemmingsplan: een bestemmingsplan als bedoeld in artikel
3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, alsmede een inpassingsplan
als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van die wet of een
beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet;
g. rooilijn: de lijn die, behoudens toegelaten afwijkingen, bij
het bouwen aan de wegzijde of aan de van de weg afgekeerde zijde
niet mag worden overschreden;
h. standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een
woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het
leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of
van gemeenten kunnen worden aangesloten;
i. norm: een document, uitgegeven door een deskundig,
onafhankelijk instituut, waarin wordt omschreven aan welke eisen
een bouwmateriaal, bouwdeel of bouwconstructie moet voldoen dan
wel waarin een omschrijving wordt gegeven van een keurings-, meet-
of berekeningsmethode;
j. kwaliteitsverklaring: een schriftelijk bewijs, voorzien van
een merkteken, aangewezen door Onze Minister, afgegeven door een
deskundig, onafhankelijk instituut, aangewezen door Onze Minister,
op grond waarvan een bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van
bouwmaterialen of bouwdelen dan wel een bouwwijze, indien dat
bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van bouwmaterialen of
bouwdelen dan wel die bouwwijze bij het bouwen wordt toegepast,
wordt geacht te voldoen aan krachtens deze wet aan dat
bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van bouwmaterialen of
bouwdelen dan wel die bouwwijze gestelde eisen;
k. Onze Minister: Onze Minister voor Wonen, Wijken en
Integratie;
l. inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister
aangewezen ambtenaar;
m. toegelaten instelling: instelling als bedoeld in artikel 70;
n. fonds: Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, bedoeld in
artikel 71;
o. reguliere bouwvergunning: bouwvergunning als bedoeld in
artikel 44, eerste lid;
p. lichte bouwvergunning: bouwvergunning als bedoeld in artikel
44, derde juncto eerste lid;
q. welstandscommissie: door de gemeenteraad benoemde
onafhankelijke commissie die aan burgemeester en wethouders advies
uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de
plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag
om bouwvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen
van welstand;
r. stadsbouwmeester: door de gemeenteraad benoemde
onafhankelijke deskundige die aan burgemeester en wethouders
advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de
plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag
om bouwvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen
van welstand.
2.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt onder woning mede verstaan een afzonderlijk gedeelte van een
gebouw, welk gedeelte tot bewoning is bestemd.
Artikel 1a
1.De eigenaar van een bouwwerk, standplaats, open erf of terrein of
degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van
voorzieningen draagt er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat
bouwwerk, die standplaats, dat open erf of terrein geen gevaar voor de
gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.
2.Een ieder die een bouwwerk of standplaats bouwt, gebruikt, laat
gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat
gebruiken, draagt er, voor zover dat in diens vermogen ligt, zorg voor
dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de
gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.
Hoofdstuk II. Voorschriften betreffende het bouwen, de staat van
bestaande bouwwerken en standplaatsen, het gebruik, het slopen en de
welstand
Afdeling 1. Voorschriften betreffende het bouwen en de staat van
bestaande bouwwerken en standplaatsen
Artikel 1b
1.Tenzij een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 het
uitdrukkelijk toestaat, is het verboden:
a. een gebouw te bouwen, voor zover daarbij niet wordt voldaan
aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld
in artikel 2, eerste lid;
b. een bouwwerk, niet zijnde een gebouw, te bouwen, voor zover
daarbij niet wordt voldaan aan de op dat bouwen van toepassing
zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, derde lid;
c. een standplaats te bouwen, voor zover daarbij niet wordt
voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften,
bedoeld in artikel 2, vijfde lid.
2.Het is verboden:
a. een bestaand gebouw in een staat te brengen, te laten komen
of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat gebouw
van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, tweede
lid;
b. een bestaand bouwwerk, niet zijnde een gebouw, in een staat
te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op
de staat van dat bouwwerk van toepassing zijnde voorschriften,
bedoeld in artikel 2, vierde lid;
c. een bestaande standplaats in een staat te brengen, te laten
komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van die
standplaats van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in
artikel 2, zesde lid.
3.Tenzij een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 het
uitdrukkelijk toestaat, is het verboden een gebouw, bouwwerk, niet
zijnde een gebouw, of standplaats, dan wel deel daarvan, in stand te
laten voor zover bij het bouwen daarvan niet is voldaan aan de op dat
bouwen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden uit het
oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid
en milieu technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen van
woningen, woonketen, woonwagens en andere gebouwen.
2.Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel
van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid
en bruikbaarheid voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande
woningen, woonketen en woonwagens en van bestaande andere gebouwen.
3.Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel
van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid
en milieu technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen van
bouwwerken, geen gebouw zijnde.
4.Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel
van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid en gezondheid
technische voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande
bouwwerken, geen gebouw zijnde.
5.Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel
van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid,
bruikbaarheid en milieu technische voorschriften gegeven omtrent het
bouwen van standplaatsen.
6.Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel
van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid
en bruikbaarheid technische voorschriften gegeven omtrent de staat van
bestaande standplaatsen.
7.Aan een voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk of
standplaats kunnen voorschriften worden verbonden.
8.Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid,
treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing
wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 3
Bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van
bestuur kan worden verwezen naar:
a. normen of delen van normen en
b. kwaliteitsverklaringen.
Artikel 4
Indien een bouwwerk of standplaats gedeeltelijk wordt vernieuwd,
veranderd of vergroot, zijn de voorschriften, bedoeld in artikel 2, voor
zover zij betrekking hebben op dat bouwen, slechts van toepassing op die
vernieuwing, verandering of vergroting.
Artikel 5
Op de voordracht van Onze Minister wordt de in artikel 2 bedoelde
algemene maatregel van bestuur in overeenstemming gebracht met
technische voorschriften omtrent het bouwen, die zijn of worden gegeven
bij of krachtens een andere algemene maatregel van bestuur.
Artikel 6
1.Bij een voorschrift, gegeven bij of krachtens de in artikel 2
bedoelde algemene maatregel van bestuur, kan worden bepaald dat
burgemeester en wethouders van dat voorschrift ontheffing kunnen
verlenen tot een bij dat voorschrift aangegeven niveau.
2.Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, mogen slechts
voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, waarop
de voorschriften, waarvan ontheffing wordt verleend, het oog hebben.
Artikel 7
1.Onze Minister kan op verzoek van een aanvrager om bouwvergunning,
bedoeld in artikel 40, eerste lid, in bijzondere gevallen ontheffing
verlenen van de bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene
maatregel van bestuur gegeven voorschriften, met dien verstande dat,
indien het verzoek betrekking heeft op voorschriften als bedoeld in
artikel 5, hij de ontheffing slechts kan verlenen in overeenstemming
met het bij of krachtens de desbetreffende wet daartoe bevoegd
verklaarde gezag.
2.Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een
verklaring van burgemeester en wethouders, dat zij de desbetreffende
bouwvergunning zullen verlenen indien ontheffing als bedoeld in dat
lid, is verkregen.
3.Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, mogen slechts
voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, waarop
de voorschriften, waarvan ontheffing wordt verleend, het oog hebben.
4.Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van
de beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, doet Onze
Minister daarvan mededeling aan burgemeester en wethouders.
5.De verlening van de verklaring, bedoeld in het tweede lid, en de
verlening van ontheffing, bedoeld in het eerste lid, worden geacht
voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene
wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop zij
betrekking hebben.
6.In een geval als bedoeld in het eerste lid, dat betrekking heeft
op een tunnel in het trans-Europese wegennet die langer is dan 500
meter kan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde ontheffing
slechts verlenen indien dat noodzakelijk is voor het toepassen van
innovatieve veiligheidsvoorzieningen of innovatieve
veiligheidsprocedures, en de in artikel 14 van richtlijn nr.
2004/54/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie
van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het
trans-Europese wegennet (PbEU L 167, gerectificeerd in PbEU L 201)
voorgeschreven procedure is doorlopen en op grond daarvan van
rechtswege toestemming is verkregen of door de Europese Commissie
toestemming is verleend.
7.In een geval als bedoeld in het zesde lid verzoekt de
tunnelbeheerder, bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid
wegtunnels, aan Onze Minister om de ontheffing als bedoeld in het
eerste lid niet te verlenen dan nadat het voornemen daartoe aan de
Europese Commissie is voorgelegd.
8.Het eerste, derde, vierde, zesde en zevende lid zijn van
overeenkomstige toepassing indien voor het bouwen geen bouwvergunning
is vereist.
Artikel 7a
1.Onze Minister kan met het oog op duurzaam bouwen in een bijzonder
geval burgemeester en wethouders toestaan door hun voorgestelde nadere
voorschriften op te leggen ter voldoening aan de technische
voorschriften, gegeven bij of krachtens de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel 2. Dit toestaan kan ook betrekking hebben
op door burgemeester en wethouders voorgestelde, uit het oogpunt van
milieu op te leggen technische voorschriften, waarin de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2, niet voorziet. Een
verzoek van burgemeester en wethouders geschiedt mede aan de hand van
een door Onze Minister ter beschikking gesteld formulier. Het verzoek,
alsmede de daarbij voorgestelde op te leggen voorschriften zijn
gemotiveerd en van een toelichting voorzien.
2.Onze Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van een
verzoek om toestemming. Hij kan die beslissing eenmaal voor ten
hoogste vier weken verdagen. Indien toestemming wordt verleend, geldt
die toestemming alleen voor het geval waarop het verzoek betrekking
heeft. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.
3.De toestemming op een verzoek van burgemeester en wethouders is
van rechtswege verleend indien Onze Minister:
a. niet binnen acht weken na ontvangst van het verzoek een
beslissing op dat verzoek heeft genomen,
b. niet binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van
burgemeester en wethouders heeft besloten de beslissing op dat
verzoek te verdagen, of
c. niet binnen de termijn waarmee de beslissing op het verzoek
van burgemeester en wethouders is verdaagd, een beslissing op dat
verzoek heeft genomen.
Deze verlening van toestemming wordt aangemerkt als een besluit in
de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling 2. De bouwverordening
Artikel 7b
1.Tenzij een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 het
uitdrukkelijk toestaat, is het verboden te bouwen, voor zover daarbij
niet wordt voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde
voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdelen c en g, en
vijfde lid, met dien verstande dat voorschriften van stedenbouwkundige
aard als bedoeld in dat vijfde lid niet van toepassing zijn op het
bouwen waarvoor op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is
vereist.
2.Het is verboden:
a. een bouwwerk of standplaats te gebruiken of te laten
gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van
toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid,
onderdeel a;
b. een open erf of terrein te gebruiken of te laten gebruiken,
anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing
zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel
b;
c. een open erf of terrein in een staat te brengen, te laten
komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat
open erf of terrein van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld
in artikel 8, tweede lid, onderdeel b;
d. te slopen, tenzij daarbij wordt voldaan aan de op dat slopen
van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede
lid, onderdeel d en g.
3.Een verbod als bedoeld in het eerste of tweede lid heeft mede
betrekking op het niet voldoen aan de voorschriften met betrekking tot
het bouwen, het gebruik, de staat of het slopen van een bouwwerk,
bedoeld in:
a. artikel 8, zevende lid, voor zover deze voorschriften in de
bouwverordening zijn opgenomen;
b. artikel 8, achtste lid, indien en voor zover deze
voorschriften op grond van het negende lid van dat artikel
rechtstreeks gelden.
4.Tenzij een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 het
uitdrukkelijk toestaat, is het verboden een bouwwerk, standplaats dan
wel deel daarvan in stand te laten voor zover bij het bouwen daarvan
niet is voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde
voorschriften, bedoeld in het eerste of derde lid.
Artikel 8
1.De gemeenteraad stelt een bouwverordening vast, die uitsluitend
de voorschriften, bedoeld in het tweede tot en met zesde lid, bevat.
2.De bouwverordening bevat voorschriften omtrent:
a. het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens, andere
gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en standplaatsen,
waaronder in elk geval zijn begrepen voorschriften met betrekking
tot:
1°. de beschikbaarheid van drinkwater en energie;
2°. de reinheid;
3°. het bestrijden van schadelijk of hinderlijk gedierte;
4°. de brandveiligheid en
5°. voor zover het woningen, woonketen of woonwagens
betreft, het aantal personen dat in een dergelijk gebouw mag
wonen;
b. het gebruik van open erven en terreinen en de staat, waarin
deze zich moeten bevinden;
c. het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem;
d. het slopen, waaronder begrepen voorschriften omtrent
selectief slopen;
e. de wijze van inrichting en indiening van een aanvraag om
woonvergunning als bedoeld in artikel 60;
f. de overdraagbaarheid van een bouwvergunning als bedoeld in
artikel 40, eerste lid, en van een woonvergunning als bedoeld in
artikel 60;
g. het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden, waaronder in
elk geval zijn begrepen voorschriften met betrekking tot:
1°. de veiligheid op de bouw- of sloopplaats;
2°. de tijdstippen waarop met het bouwen of het slopen mag
worden en wordt begonnen;
3°. de tijdstippen waarop met het bouwen of het slopen
moet zijn begonnen en het bouwen of het slopen moet zijn
beëindigd, alsmede de wijze van gereedmelding van het bouwen
of het slopen;
4°. de termijn gedurende welke het bouwen of het slopen
ten hoogste mag stilliggen;
5°. bescheiden die op de bouw- of sloopplaats aanwezig
moeten zijn;
6°. opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
onderzoekingen, die met betrekking tot het bouwen of het
slopen noodzakelijk zijn en
7°. het tijdstip en de wijze van overleggen van
kwaliteitsverklaringen en van nadere gegevens met betrekking
tot de installaties voor drinkwater en energie.
3.De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, hebben
uitsluitend betrekking op bouwwerken:
a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
verblijven,
b. voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is
vereist, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang
gelijk zijn aan een bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van
artikel 43 geen bouwvergunning is vereist of een geval als bedoeld
in artikel 44, tweede lid, en
c.
1°. die de grond raken, of
2°. ten aanzien waarvan het bestaande,
niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.
4.De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, hebben
in elk geval betrekking op:
a. het verrichten van onderzoek naar aard en mate van
verontreiniging van de bodem;
b. aard en omvang van het onderzoek, en
c. inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport.
5.De bouwverordening kan voorschriften bevatten van
stedenbouwkundige aard. Tot die voorschriften kunnen behoren
voorschriften met betrekking tot:
a. de wegen waaraan mag worden gebouwd;
b. de rooilijnen, en
c. de plaatsing van bouwwerken ten opzichte van elkaar, mede
uit het oogpunt van bereikbaarheid van die bouwwerken.
6.De bouwverordening bevat tevens voorschriften omtrent de
samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie. Zij
kan bepalen dat er in plaats van een welstandscommissie een
stadsbouwmeester wordt aangesteld, in welk geval de bouwverordening
voorschriften bevat over de rol en de functie van de stadsbouwmeester.
Voorts kan de bouwverordening nadere voorschriften bevatten omtrent de
verslagen, bedoeld in de artikelen 12b, derde lid, en 46, negende lid.
7.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in de
bouwverordening voorschriften worden gegeven omtrent andere
onderwerpen dan die, genoemd in het tweede, vijfde en zesde lid.
8.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter bevordering van
eenheid in de bouwverordeningen regelen worden gegeven omtrent de
inhoud van de voorschriften, bedoeld in het tweede tot en met vierde,
zesde en zevende lid.
9.De gemeenteraad brengt binnen een jaar na het in werking treden
van de krachtens het achtste lid en de krachtens artikel 120 gegeven
voorschriften de bouwverordening met die voorschriften in
overeenstemming. Zolang de bouwverordening niet met die voorschriften
in overeenstemming is gebracht, gelden die voorschriften rechtstreeks.
Artikel 9
1.Voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet
overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende
bestemmingsplan blijven eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing.
2.De voorschriften van de bouwverordening blijven van toepassing
indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat,
die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende
bestemmingsplan anders bepaalt.
Artikel 10
De in de bouwverordening vervatte voorschriften omtrent de rooilijnen
en de plaatsing van bouwwerken ten opzichte van elkaar zijn niet van
toepassing op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van een
bouwwerk, voor zover het te vernieuwen of veranderen gedeelte van dat
bouwwerk overeenkomstig het destijds geldende recht in afwijking van die
voorschriften tot stand is gekomen.
Artikel 11
1.Bij een in de bouwverordening gegeven voorschrift kan worden
bepaald, dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn van dat
voorschrift ontheffing te verlenen, tenzij het een voorschrift betreft
waarmee de bouwverordening krachtens artikel 8, negende lid, in
overeenstemming is gebracht.
2.Bij een in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
8, achtste lid, gegeven voorschrift kan worden bepaald, dat
burgemeester en wethouders bevoegd zijn ontheffing te verlenen van dat
voorschrift.
3.Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid, mogen
slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen,
waarop de voorschriften, waarvan ontheffing wordt verleend, het oog
hebben.
Afdeling 3. De welstand
Artikel 12
1.Het uiterlijk van:
a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk
bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid,
b. een bestaande standplaats,
c. een te bouwen bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van
artikel 43 geen bouwvergunning is vereist,
mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van
welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste
lid, onderdeel b.
2.De gemeenteraad kan besluiten dat, in afwijking van het eerste
lid en artikel 44, eerste lid, onderdeel d, voor een daarbij aan te
wijzen gebied of voor een of meer daarbij aan te wijzen categorieën
van bestaande en te bouwen bouwwerken of standplaatsen geen redelijke
eisen van welstand van toepassing zijn.
3.Voor zover de toepassing van de criteria, bedoeld in artikel 12a,
eerste lid, onderdeel a, leidt tot strijd met het bestemmingsplan of
met in de bouwverordening opgenomen voorschriften van
stedenbouwkundige aard, blijven die criteria buiten toepassing.
4.De gemeenteraad betrekt de ingezetenen van de gemeente en
belanghebbenden bij de voorbereiding van besluiten krachtens het
tweede lid op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 van de
Gemeentewet vastgestelde verordening.
Artikel 12a
1.De gemeenteraad stelt een welstandsnota vast, inhoudende
beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die
burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling:
a. of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of
standplaats, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking
heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in
artikel 45, eerste lid, zowel op zichzelf beschouwd als in verband
met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in
strijd zijn met redelijke eisen van welstand;
b. of het uiterlijk van:
1°. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een
tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid,
2°. een bestaande standplaats,
3°. een te bouwen bouwwerk voor het bouwen waarvan op
grond van artikel 43 geen bouwvergunning is vereist,
in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand.
2.Artikel 12, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de
vaststelling of wijziging van de welstandsnota.
3.De criteria, bedoeld in het eerste lid, zijn zoveel mogelijk
toegesneden op de onderscheidene categorieën bouwwerken en
standplaatsen. De criteria kunnen verschillen naargelang de plaats
waar een bouwwerk of standplaats is gelegen.
4.Ter bevordering van de eenheid in welstandsnota's kunnen bij
algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven omtrent
categorieën van bouwwerken en standplaatsen als bedoeld in het derde
lid en de daarop toe te passen criteria.
5.Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid
treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing
wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 12b
1.De welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester baseert haar
onderscheidenlijk zijn advies slechts op de criteria, bedoeld in
artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, doch betrekt daarbij, indien van
toepassing, het bepaalde in artikel 12, derde lid. De adviezen van de
welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester zijn openbaar. Een
advies van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester
inhoudende dat een bouwplan in strijd is met redelijke eisen van
welstand, wordt schriftelijk uitgebracht en deugdelijk gemotiveerd.
2.De door de welstandscommissie of stadsbouwmeester gehouden
vergaderingen zijn openbaar. Een vergadering of gedeelte daarvan is
niet openbaar in gevallen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van
de Wet openbaarheid van bestuur en in gevallen waarin het belang van
openbaarheid niet opweegt tegen de in artikel 10, tweede lid, van die
wet genoemde belangen.
3.De welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester legt de
gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar
onderscheidenlijk hem verrichte werkzaamheden. In het verslag wordt
ten minste uiteengezet op welke wijze zij onderscheidenlijk hij
toepassing heeft gegeven aan de criteria, bedoeld in artikel 12a,
eerste lid, onderdeel a.
4.Een voorzitter of ander lid van een welstandscommissie kan voor
een termijn van ten hoogste drie jaar worden benoemd in een
welstandscommissie die in de betreffende gemeente werkzaam is. Zij
kunnen eenmaal voor een termijn van ten hoogste drie jaar worden
herbenoemd in dezelfde commissie. De eerste en tweede volzin zijn van
overeenkomstige toepassing op de stadsbouwmeester.
Artikel 12c
Burgemeester en wethouders leggen de gemeenteraad eenmaal per jaar
een verslag voor waarin zij ten minste uiteenzetten:
a. op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de
welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester;
b. in welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een
lichte bouwvergunning niet aan de welstandscommissie dan wel de
stadsbouwmeester hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die
gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de criteria, bedoeld in
artikel 12a, eerste lid, onderdeel a;
c. in welke gevallen waarin niet is of wordt voldaan aan artikel
12, eerste lid, zij zijn overgegaan tot oplegging van een last onder
bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.
Hoofdstuk III. Bijzondere verplichtingen
Artikel 13
Burgemeester en wethouders kunnen, indien dit naar hun oordeel
noodzakelijk is, degene die als eigenaar van een gebouw, bouwwerk, niet
zijnde een gebouw, of standplaats, dan wel uit anderen hoofde bevoegd is
tot het daaraan treffen van voorzieningen, verplichten tot het binnen
een door hen te bepalen termijn treffen van zodanige voorzieningen, dat
de staat van dat gebouw, dat bouwwerk of die standplaats nadien komt te
liggen op een niveau dat hoger is dan het niveau dat overeenkomt met de
voorschriften, bedoeld in artikel 1b, tweede lid, onderdeel a, b,
respectievelijk c, zonder dat deze hoger komt te liggen dan het niveau
dat overeenkomt met de voorschriften, bedoeld in artikel 1b, eerste lid,
onderdeel a, b, respectievelijk c.
Artikel 13a
Indien niet wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid, kunnen
burgemeester en wethouders, tenzij toepassing is gegeven aan het tweede
lid van dat artikel, degene die als eigenaar van een bouwwerk of
standplaats dan wel uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van
voorzieningen daaraan, verplichten tot het binnen een door hen te
bepalen termijn treffen van zodanige door hen daarbij aan te geven
voorzieningen, dat nadien wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid.
Artikel 14
1.Indien een gebouw, een open erf of een terrein op grond van
artikel 97, dan wel een gebouw op grond van artikel 174a van de
Gemeentewet, een verordening als bedoeld in artikel 174 van die wet of
artikel 13b van de Opiumwet is gesloten, kan bij besluit van
burgemeester en wethouders degene die als eigenaar of uit anderen
hoofde bevoegd is tot het in gebruik geven van dat gebouw, open erf of
terrein, worden verplicht om naar hun keuze het gebouw, open erf of
terrein binnen een daarbij te bepalen termijn:
a. in gebruik te geven aan een andere persoon dan degene die
als gevolg van de sluiting het gebruik van het gebouw, open erf of
terrein heeft moeten staken, of
b. in beheer te geven aan een persoon, die uit hoofde van
beroep of bedrijf op het terrein van de huisvesting werkzaam is,
of aan een op dat terrein werkzame instelling.
2.Burgemeester en wethouders kunnen in hun besluit:
a. personen of instellingen als bedoeld in het eerste lid,
onderdelen a en b, noemen uit welke degene tot wie het besluit is
gericht een keuze moet maken, of, indien dit naar het oordeel van
burgemeester en wethouders niet mogelijk is, een persoon of
instelling als hier bedoeld noemen aan wie het gebouw, open erf of
terrein binnen een daarbij aangegeven termijn en op een daarbij
aangegeven wijze in gebruik dan wel in beheer moet worden gegeven,
b. indien het gebouw, open erf of terrein noodzakelijke
voorzieningen behoeft om weer op redelijke wijze tot bewoning of
gebruik te kunnen dienen, degene die als eigenaar of uit anderen
hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, ertoe
verplichten om binnen een door hen te bepalen termijn de door hen
aan te geven voorzieningen te treffen, en
c. zo nodig, andere voorwaarden aan de uitvoering van het
besluit stellen.
3.Indien het eerste lid, onderdeel b, van toepassing is stellen
burgemeester en wethouders een beheersvergoeding vast. De in dat
onderdeel bedoelde persoon of instelling stelt na overleg met degene
tot wie het in dat lid bedoelde besluit is gericht, de huurprijs vast
op een bedrag dat redelijk is in het economische verkeer en stelt de
ontvangen huurprijs, na aftrek van de beheersvergoeding, ter
beschikking van degene tot wie dat besluit is gericht.
4.Een in het eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde persoon of
instelling die het gebruik of beheer van het gebouw, open erf of
terrein heeft beëindigd, doet daarvan binnen veertien dagen na de dag
van beëindiging mededeling aan burgemeester en wethouders.
5.Onder beheer wordt in dit artikel verstaan het in gebruik geven
van een gebouw, open erf of terrein en het daarna verrichten van al
die handelingen met betrekking tot dat gebouw, open erf of terrein die
volgens het burgerlijk recht tot de verantwoordelijkheid van een
eigenaar behoren.
Artikel 14a
Degene, tot wie een besluit als bedoeld in artikel 13, 13a of 14,
eerste lid, is gericht, of zijn rechtsopvolger en iedere verdere
rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.
Artikel 15
1. Burgemeester en wethouders kunnen gelijktijdig met een besluit
als bedoeld in artikel 13, 13a of 14, eerste lid, besluiten tot
oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last
onder dwangsom, gericht op naleving van het eerstgenoemde besluit. In
dat geval worden beide besluiten gelijktijdig bekendgemaakt.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid maakt het
besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging
van een last onder dwangsom, wat betreft de mogelijkheid van bezwaar
en beroep, deel uit van het in artikel 13, 13a of 14, eerste lid,
bedoelde besluit.
Artikel 15a [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 16
Degene die als eigenaar van een woning of uit anderen hoofde daartoe
bevoegd is, treft de voorzieningen waarvoor ingevolge de Wet
maatschappelijke ondersteuning geldelijke steun is verleend.
Artikel 16a [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 17 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 17a [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 17b [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 18 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 19 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 20 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 21 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 22 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 23 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 24 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 25 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 26 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 27 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 28 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 29 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 30 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 31 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 32 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 33 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 34 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 35 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 36 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 37 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 38 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 39 [Vervallen per 01-04-2007]
Hoofdstuk IV. Vergunningen
Afdeling 1. Bouwvergunning
Artikel 40
1.Het is verboden:
a. te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester
en wethouders verleende bouwvergunning,
b. een bouwwerk, standplaats of deel daarvan dat is gebouwd
zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders
verleende bouwvergunning, in stand te laten,
tenzij voor dat bouwen op grond van artikel 43 geen bouwvergunning
is of was vereist.
2.Voor het bouwen van een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of
stacaravan ten behoeve van recreatief nachtverblijf is geen
bouwvergunning vereist, indien het bouwen geschiedt in overeenstemming
met een bestemmingsplan en de eisen die krachtens zodanig plan zijn
gesteld.
3.Het in stand houden van een ingevolge het tweede lid zonder
bouwvergunning gebouwde tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of
stacaravan buiten een tijdvak waarbinnen het betreffende bouwwerk
ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan, staat gelijk aan een
overtreding van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en
onderdeel b.
Artikel 40a
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven
omtrent de wijze van inrichting en indiening van een aanvraag om
bouwvergunning, alsmede omtrent de daarbij over te leggen gegevens en
bescheiden.
2.Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij aan te geven
gegevens en bescheiden mogen worden overgelegd binnen een daarbij te
bepalen termijn nadat de bouwvergunning is afgegeven.
3.In afwijking van het eerste lid kunnen voorschriften van
technische of administratieve aard als bedoeld in dat lid bij
ministeriële regeling worden vastgesteld.
Artikel 40b
1.Burgemeester en wethouders tekenen onverwijld de datum van
ontvangst aan op het geschrift waarbij de aanvraag om bouwvergunning
is ingediend.
2.Burgemeester en wethouders zenden de aanvrager onverwijld een
bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.
Artikel 41
Van een aanvraag om bouwvergunning wordt binnen twee weken na
ontvangst daarvan door burgemeester en wethouders kennisgegeven in een
van gemeentewege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
huis-aan-huisblad.
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 43
1. Geen bouwvergunning is vereist voor het bouwen:
a. ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 13, 13a of 14,
eerste lid, dan wel een besluit tot oplegging van een last onder
bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom gericht op
naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I, II, III of
IV;
b. dat tot het gewone onderhoud behoort, of
c. dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van
beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden
gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats.
2. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op het
bouwen:
a. in, op, aan of bij een monument als bedoeld in de
Monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale
of gemeentelijke monumentenverordening, of
b. in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de
Monumentenwet 1988.
3. De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onderdeel c,
vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder
gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der
Staten-Generaal is voorgelegd.
Artikel 44
1.De reguliere bouwvergunning mag slechts en moet worden geweigerd,
indien:
a. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het
oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat
het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de
voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120;
b. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het
oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat
het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de
voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening of, zolang
de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is
gebracht, met de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, dan
wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 120;
c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de
eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld dan wel met een
projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, 3.27 of 3.29 van de
Wet ruimtelijke ordening of met een besluit als bedoeld in artikel
3.40, 3.41 of 3.42 van die wet;
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de
standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering
van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid,
zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de
te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke
eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in
artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en
wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet
worden verleend, of
e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet
1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is
vereist en deze niet is verleend;
f. het bouwen in strijd is met de regels, gesteld bij of
krachtens een verordening als bedoeld in artikel 4.1, derde lid,
van de Wet ruimtelijke ordening of bij of krachtens een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van
die wet;
g. het bouwen een bouwplan betreft, dat bij algemene maatregel
van bestuur, bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Wet
ruimtelijke ordening, is aangewezen, en in strijd is met een
exploitatieplan of met krachtens zodanig plan gestelde eisen.
2.Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald voor welke
categorieën van gevallen geen reguliere bouwvergunning is vereist,
doch kan worden volstaan met een lichte bouwvergunning. De voordracht
voor een krachtens de eerste volzin vast te stellen algemene maatregel
van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp
aan de beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd.
3.Op de lichte bouwvergunning is het eerste lid van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat:
a. onderdeel a van dat lid slechts van toepassing is voor zover
de voorschriften die in dat onderdeel zijn bedoeld, betrekking
hebben op constructieve veiligheid, en
b. onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover
de voorschriften die in dat onderdeel zijn bedoeld, van
stedenbouwkundige aard zijn.
Artikel 44a
1.In afwijking van artikel 44, eerste lid, en artikel 56a, tweede
en derde lid, kan de reguliere bouwvergunning tevens worden geweigerd:
a. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3
van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3
van die wet in deze wet onder betrokkene mede wordt verstaan
degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs
met een aanvrager van de bouwvergunning gelijk kan worden gesteld;
b. indien het advies van de Commissie voor de tunnelveiligheid,
bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel b, van de Wet
aanvullende regels veiligheid wegtunnels, daartoe aanleiding
geeft.
2.Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onderdeel a,
kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als
bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Artikel 45
1. In een bouwvergunning voor:
a. een woonkeet;
b. een bouwwerk, bestemd om in een tijdelijke behoefte, niet
zijnde bewoning, te voorzien, niet zijnde een seizoensgebonden
bouwwerk als bedoeld in het zesde lid;
c. een bouwwerk dat slechts toelaatbaar is ingevolge een
voorlopige bestemming als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet
ruimtelijke ordening of
d. een bouwwerk ten aanzien waarvan artikel 3.22 van de Wet
ruimtelijke ordening wordt toegepast,
wordt een termijn gesteld, na het verstrijken waarvan het bouwwerk
niet langer in stand mag worden gehouden.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, is
de termijn ten hoogste vijf jaren.
3. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de
termijn vastgesteld overeenkomstig hetgeen bij het bestemmingsplan
omtrent de duur van de bestemming is bepaald.
4. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, is de
termijn gelijk aan die, waarvoor de vrijstelling, bedoeld in artikel
3.22 van de Wet ruimtelijke ordening, is verleend.
5. De termijnen kunnen worden verlengd, met dien verstande dat:
a. de termijn ten aanzien van een woonkeet slechts kan worden
verlengd, indien een kortere termijn dan vijf jaren is gesteld, en
wel tot ten hoogste vijf jaren;
b. de termijn ten aanzien van een bouwwerk dat slechts
toelaatbaar is ingevolge een voorlopige bestemming als bedoeld in
artikel 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening slechts kan worden
verlengd, indien de duur van de bestemming inmiddels is verlengd,
en
c. de termijn ten aanzien van een bouwwerk waarop artikel 3.22
van de Wet ruimtelijke ordening is toegepast, slechts kan worden
verlengd, indien de termijn, bedoeld in dat artikel, is verlengd.
6. In de bouwvergunning voor een seizoensgebonden bouwwerk wordt
bepaald binnen welke opeenvolgende tijdvakken van een kalenderjaar dat
bouwwerk wordt opgericht, gebruikt en gesloopt en voor welke periode
de vergunning wordt verleend.
7. In een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b of c,
is de rechthebbende na het verstrijken van de in de bouwvergunning
gestelde termijn gehouden het bouwwerk hetzij terstond te slopen
hetzij terstond in overeenstemming te brengen met de van toepassing
zijnde voorschriften. In een geval als bedoeld in het zesde lid is de
rechthebbende gehouden het bouwwerk te slopen binnen het in de
bouwvergunning daartoe vastgestelde tijdvak.
8. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, is na het
verstrijken van de termijn artikel 3.22, derde lid, van de Wet
ruimtelijke ordening van toepassing.
Artikel 46
1. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag:
a. om een lichte bouwvergunning: binnen zes weken na ontvangst
van de aanvraag;
b. om een reguliere bouwvergunning: binnen twaalf weken na
ontvangst van de aanvraag;
c. om een reguliere bouwvergunning die overeenkomstig artikel
56a, eerste lid, in twee fasen wordt verleend: telkens binnen zes
weken na ontvangst van de aanvraag.
2. Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing omtrent een
aanvraag om een reguliere bouwvergunning, dan wel, indien die
vergunning overeenkomstig artikel 56a, eerste lid, in twee fasen wordt
verleend, hun beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eerste
of tweede fase, eenmaal met ten hoogste zes weken verdagen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de in artikel 44,
eerste lid, onderdeel c of f, bedoelde situatie zich voordoet. In dat
geval wordt de aanvraag om bouwvergunning tevens aangemerkt als een
aanvraag om:
a. een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
onderdeel c, 3.22, 3.23, of 3.38, vierde lid, van de Wet
ruimtelijke ordening;
b. een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, 3.27 of 3.29
van de Wet ruimtelijke ordening of een besluit als bedoeld in
artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van die wet, of
c. een ontheffing van de regels die zijn gesteld krachtens
artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke
ordening, voor zover de betrokken regels een dergelijke ontheffing
mogelijk maken.
4. In de situatie, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, wordt
de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning voorbereid
overeenkomstig de procedure die van toepassing is op de voorbereiding
van de beslissing omtrent de aanvraag om een ontheffing, een
projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of
3.42 van de Wet ruimtelijke ordening. Daarbij beslissen burgemeester
en wethouders omtrent de aanvraag om bouwvergunning, voor zover van
toepassing in afwijking van artikel 3:18 van de Algemene wet
bestuursrecht, binnen vier weken nadat is beslist omtrent de aanvraag
om een ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in
artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wet ruimtelijke ordening.
5. Indien wordt beslist omtrent een aanvraag om bouwvergunning op
een moment dat ten behoeve daarvan een ontheffing, projectbesluit of
een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wet
ruimtelijke ordening is genomen, maar nog niet in werking is getreden,
mag slechts en moet die bouwvergunning worden geweigerd, in afwijking
van artikel 44, eerste lid, aanhef en onderdeel c, indien het bouwen
in strijd is met het bestemmingsplan in samenhang met die ontheffing,
dan wel in strijd is met dat projectbesluit of dat besluit. Indien
burgemeester en wethouders niet omtrent de aanvraag om bouwvergunning
beslissen binnen de daarvoor in het eerste of vierde lid gestelde
termijn en, indien het derde lid van toepassing is, een ontheffing,
een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of
3.42 van de Wet ruimtelijke ordening is genomen, is de vergunning van
rechtswege verleend. Deze verlening wordt aangemerkt als een besluit
in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
6. De beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning en een
beslissing omtrent een aanvraag om een ontheffing, een projectbesluit
of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wet
ruimtelijke ordening, voor zover deze beslissing ziet op het bouwen
waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, worden voor de
mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet
bestuursrecht als één besluit aangemerkt. De beslissing omtrent een
aanvraag om bouwvergunning treedt niet eerder in werking dan een op
dat bouwen betrekking hebbende beslissing krachtens de Wet ruimtelijke
ordening als bedoeld in de eerste volzin.
7. Indien de vergunning een woonkeet betreft, doen burgemeester en
wethouders tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de
bekendmaking mededeling van de in het eerste lid bedoelde beslissing
aan de inspecteur.
8. Indien de vergunning een bouwwerk betreft dat behoort tot een
beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988,
doen burgemeester en wethouders tegelijkertijd of zo spoedig mogelijk
na de bekendmaking mededeling van de in het eerste lid bedoelde
beslissing aan de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en
Monumenten.
9. Burgemeester en wethouders leggen de gemeenteraad eenmaal per
jaar een verslag voor waarin zij uiteenzetten op welke wijze zij
toepassing hebben gegeven aan het tweede lid.
10. Indien een beslissing als bedoeld in het eerste of tweede lid
afwijkt van het advies van de welstandscommissie of de
stadsbouwmeester wordt zulks met de redenen voor de afwijking bij de
bekendmaking vermeld.
Artikel 47 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 48
1.Burgemeester en wethouders leggen een aanvraag voor een reguliere
bouwvergunning voor advies voor aan de welstandscommissie dan wel de
stadsbouwmeester die in de betreffende gemeente werkzaam is. Een
aanvraag voor een lichte bouwvergunning kunnen zij voor advies aan die
welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester voorleggen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing:
a. indien voor het betreffende bouwwerk of de betreffende
standplaats geen redelijke eisen van welstand gelden, of
b. indien bij voorbaat vaststaat dat de bouwvergunning reeds op
een andere grond moet worden geweigerd dan wegens strijd met
redelijke eisen van welstand.
Artikel 49 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 50
1. In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en
wethouders de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan indien
er geen grond is de vergunning te weigeren en voor het gebied, waarin
het bouwwerk zal worden uitgevoerd, vóór de dag van ontvangst van de
aanvraag:
a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de
Wet ruimtelijke ordening in werking is getreden;
b. een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd;
c. een verklaring als bedoeld in artikel 4.1, vijfde lid, of in
artikel 4.3, vierde lid, van die wet is bekendgemaakt;
d. een bestemmingsplan is vastgesteld;
e. een bestemmingsplan na vaststelling is bekendgemaakt.
2. De aanhouding duurt totdat:
a. het voorbereidingsbesluit overeenkomstig artikel 3.7, vijfde
of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is vervallen;
b. de termijn voor vaststelling van het bestemmingsplan
ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke
ordening is overschreden;
c. de termijn voor bekendmaking van het bestemmingsplan
ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet
ruimtelijke ordening is overschreden;
d. het bestemmingsplan in werking is getreden dan wel in beroep
is vernietigd;
e. de termijn, genoemd in artikel 4.1, vijfde lid, of in
artikel 4.3, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is
verstreken;
f. de verordening, bedoeld in artikel 4.1, of de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 4.3, in werking is
getreden.
3. In afwijking van het eerste lid kan de bouwvergunning worden
verleend indien het bouwwerk niet in strijd is met het in
voorbereiding zijnde bestemmingsplan.
4. Na het verstrijken van de aanhoudingsduur, bedoeld in het tweede
lid, beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag
overeenkomstig artikel 46.
Artikel 50a
1.In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en
wethouders de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning eveneens
aan voor een bouwplan, dat krachtens artikel 6.12 van de Wet
ruimtelijke ordening is aangewezen, indien er geen grond is om de
vergunning te weigeren en het exploitatieplan, dat voor de in de
aanvraag begrepen grond is vastgesteld, nog niet onherroepelijk is.
2.De aanhouding duurt totdat een exploitatieplan onherroepelijk is.
3.In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders
de bouwvergunning verlenen indien een ingesteld beroep geen gevolgen
kan hebben voor de toetsing van het bouwplan of de aan de
bouwvergunning te verbinden voorschriften, dan wel indien deze
gevolgen naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet opwegen
tegen het belang dat met verlening van de bouwvergunning is gediend.
Artikel 51
1. In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en
wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning
eveneens aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en
de aanvraag een bouwwerk betreft, behorend tot een beschermd stads- of
dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988, waarvoor nog geen
ter bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan of
beheersverordening geldt. De in de eerste volzin bedoelde plicht tot
aanhouding geldt niet voor zover de aanvraag betrekking heeft op
bouwen als bedoeld in artikel 43, tweede lid.
2. De aanhouding, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, duurt
totdat een ter voldoening aan artikel 36 van de Monumentenwet 1988
vast te stellen bestemmingsplan of beheersverordening in werking is
getreden.
3. Burgemeester en wethouders kunnen, in afwijking van het eerste
lid, eerste volzin, de bouwvergunning verlenen indien het bouwplan
niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde, ter bescherming van
het beschermde stads- of dorpsgezicht strekkende bestemmingsplan.
Alvorens te besluiten horen burgemeester en wethouders de Rijksdienst
voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten. Van het besluit
wordt onverwijld mededeling gedaan aan genoemde dienst.
4. Na het verstrijken van de aanhoudingsduur, bedoeld in het tweede
lid, beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag om
bouwvergunning overeenkomstig artikel 46.
Artikel 51a [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 52
1.In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en
wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning
eveneens aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en
het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van
een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de
Wet milieubeheer of artikel 15, onderdeel b, van de Kernenergiewet is
vereist, tenzij de beschikking op de aanvraag om laatstbedoelde
vergunning reeds is gegeven, en
a. over het ontwerp van de beschikking geen zienswijzen naar
voren zijn gebracht en de beschikking niet afwijkt van dat
ontwerp, of
b. indien het onder a gestelde niet van toepassing is:
1°. zes weken zijn verstreken na de dag waarop een
exemplaar van die beschikking ter inzage is gelegd, of
2°. binnen die termijn een verzoek om voorlopige
voorziening is gedaan en op dat verzoek is beslist.
2.De in het eerste lid bedoelde aanhouding eindigt:
a. indien de beschikking op de aanvraag om de ingevolge de in
het eerste lid genoemde wetten vereiste vergunning is gegeven,
over het ontwerp van de beschikking geen zienswijzen naar voren
zijn gebracht en de beschikking niet afwijkt van dat ontwerp: op
de dag waarop burgemeester en wethouders van het ingevolge de in
het eerste lid genoemde wetten bevoegde gezag een exemplaar van
die beschikking hebben ontvangen, of
b. indien het onder a gestelde niet van toepassing is:
1°. zes weken zijn verstreken na de dag waarop een
exemplaar van de beschikking op de aanvraag om die vergunning
ter inzage is gelegd, of
2°. indien binnen die termijn een verzoek om voorlopige
voorziening is gedaan, met ingang van de dag na die waarop op
dat verzoek is beslist.
3.Na de in het tweede lid bedoelde beëindiging van de aanhouding
verlenen burgemeester en wethouders de bouwvergunning, tenzij het
vierde lid van toepassing is, binnen vier weken na de beëindiging van
de aanhouding. Indien burgemeester en wethouders niet binnen die
termijn beslissen, is de bouwvergunning van rechtswege verleend.
Artikel 46, vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige
toepassing.
4.Indien het bouwplan waarop de aanvraag om bouwvergunning
betrekking heeft, wijziging behoeft als gevolg van de vergunning in
verband waarmee de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning werd
aangehouden, delen burgemeester en wethouders dit binnen twee weken na
de beëindiging van de aanhouding aan de aanvrager van de
bouwvergunning mede. Zij stellen hem daarbij in de gelegenheid binnen
vijf weken een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning in te dienen.
Burgemeester en wethouders beslissen omtrent de gewijzigde aanvraag om
bouwvergunning binnen vier weken. Indien burgemeester en wethouders
niet binnen die termijn beslissen, is de bouwvergunning van rechtswege
verleend. Artikel 46, vijfde lid, tweede volzin, is van
overeenkomstige toepassing.
5.Indien de aanvrager van de bouwvergunning geen gebruik maakt van
de hem overeenkomstig het vierde lid geboden gelegenheid, is de
bouwvergunning van rechtswege verleend met ingang van de dag na de dag
waarop de termijn van de hem geboden gelegenheid is verstreken.
Artikel 46, vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige
toepassing.
6.Indien burgemeester en wethouders niet zelf het bestuursorgaan
zijn dat bevoegd is tot verlening van de vergunning in verband waarmee
de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning werd aangehouden,
zenden zij een afschrift van de aanhouding, bedoeld in het eerste lid,
onderscheidenlijk de beslissingen, bedoeld in het derde en vierde lid,
aan het desbetreffende, krachtens de in het eerste lid genoemde wetten
bevoegde gezag. Tevens stellen zij dat gezag in kennis van de
verlening van de bouwvergunning ingevolge het vijfde lid.
Artikel 52a
1.In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en
wethouders de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning eveneens
aan, indien er geen grond is de bouwvergunning te weigeren en uit het
onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c,
blijkt dat de bodem ter plaatse van het te bouwen bouwwerk in zodanige
mate is verontreinigd dan wel bij hen uit anderen hoofde een redelijk
vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is
van een geval van ernstige verontreiniging. Het besluit tot aanhouding
van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning wordt genomen
binnen twee weken na ontvangst van die aanvraag en het
onderzoeksrapport; indien er geen grond is de bouwvergunning te
weigeren en de beslissing niet binnen deze termijn is genomen en uit
het onderzoeksrapport blijkt dat de bodem ernstig is verontreinigd, is
die beslissing van rechtswege genomen.
2.De aanhouding duurt totdat het krachtens de Wet bodembescherming
bevoegd gezag met het saneringsplan, bedoeld in artikel 39, eerste
lid, van die wet, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, heeft
ingestemd dan wel overeenkomstig artikel 29, eerste lid, juncto 37,
eerste lid, van die wet heeft vastgesteld dat geen sprake is van een
geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige
sanering noodzakelijk is. In geval van een melding als bedoeld in
artikel 28 juncto 39b van de Wet bodembescherming, duurt de aanhouding
totdat is gebleken dat de melding overeenkomstig de bij of krachtens
die wet gestelde eisen is gedaan.
3.Indien het bouwplan, waarop de aanvraag om bouwvergunning
betrekking heeft, wijziging behoeft door het saneringsplan waarmee is
ingestemd, delen burgemeester en wethouders dit binnen twee weken na
de beëindiging van de aanhouding aan de aanvrager van de
bouwvergunning mede. Zij stellen hem daarbij in de gelegenheid binnen
vijf weken een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning in te dienen.
4.Na de beëindiging van de aanhouding of, indien toepassing is
gegeven aan het derde lid, beslissen burgemeester en wethouders op de
aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig artikel 46, met dien
verstande dat de termijn, die in het eerste lid van dat artikel is
genoemd, aanvangt op de dag die volgt op de datum waarop de aanhouding
is beëindigd. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid en de
aanvrager van de bouwvergunning niet binnen vijf weken een gewijzigde
aanvraag om bouwvergunning heeft ingediend, is de bouwvergunning van
rechtswege geweigerd.
Artikel 53
1.In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en
wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning
eveneens aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en
voor het gebouw een aanvraag is ingediend om een toelating als bedoeld
in artikel 5, tweede lid, van de Wet toelating zorginstellingen.
2.De in het eerste lid bedoelde aanhouding eindigt, indien Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het betrokken
bouwproject een toelating heeft verleend als bedoeld in artikel 5,
tweede lid, van de Wet toelating zorginstellingen.
3.Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking doen burgemeester en
wethouders mededeling van de aanhouding, bedoeld in het eerste lid,
alsmede van de beëindiging van de aanhouding, aan het gezag, bedoeld
in het tweede lid.
4.Na de in het tweede lid bedoelde beëindiging van de aanhouding
verlenen burgemeester en wethouders de bouwvergunning, tenzij het
zesde lid van toepassing is, binnen vier weken na de beëindiging van
de aanhouding.
5.Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het vierde
lid, is de bouwvergunning, behoudens in een geval als bedoeld in het
zesde lid, van rechtswege verleend. Artikel 46, vijfde lid, tweede
volzin, is van overeenkomstige toepassing.
6.Indien het bouwplan, waarop de aanvraag om bouwvergunning
betrekking heeft, als gevolg van een vergunning als bedoeld in het
tweede lid, in verband waarmee de beslissing op de aanvraag om
bouwvergunning is aangehouden, naar het oordeel van burgemeester en
wethouders wijziging behoeft, stellen zij de aanvrager van de
bouwvergunning in de gelegenheid binnen vijf weken nadat zij hem
mededeling hebben gedaan van de in het tweede lid bedoelde
beëindiging van de aanhouding, een gewijzigde aanvraag om
bouwvergunning in te dienen. Burgemeester en wethouders beslissen
omtrent de gewijzigde aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig
artikel 46. Artikel 47 is op de gewijzigde aanvraag om bouwvergunning
van overeenkomstige toepassing.
7.Indien de aanvrager van de bouwvergunning geen gebruik maakt van
de hem overeenkomstig het zesde lid geboden gelegenheid, is de
bouwvergunning van rechtswege verleend met ingang van de dag na de dag
waarop de termijn van de hem geboden gelegenheid is verstreken.
Artikel 46, vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 54
1.In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en
wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning
eveneens aan, indien voor het bouwwerk een vergunning als bedoeld in
artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 is vereist.
2.De in het eerste lid bedoelde aanhouding eindigt:
a. indien tegen het besluit, bedoeld in artikel 11, tweede lid,
van de Monumentenwet 1988, geen beroep is ingesteld, met ingang
van de dag waarop zes weken zijn verstreken na de bekendmaking van
dat besluit, of
b. indien tegen het besluit, bedoeld onder a, binnen zes weken
na de bekendmaking ervan beroep is ingesteld, met ingang van de
dag na de dag waarop het verzoek van de vergunninghouder om de
opschorting van dat besluit op te heffen, is toegewezen.
3.Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking doen burgemeester en
wethouders mededeling van de aanhouding, bedoeld in het eerste lid,
aan het gezag, bedoeld in het tweede lid.
4.Burgemeester en wethouders beslissen binnen twee weken na
beëindiging van de in het tweede lid bedoelde aanhouding op de
aanvraag om bouwvergunning. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt
mededeling gedaan van de beëindiging van de aanhouding.
5.Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het vierde lid
en de vergunning, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de
Monumentenwet 1988 is verleend of moet worden geacht te zijn verleend,
is de bouwvergunning van rechtswege verleend. Artikel 46, vijfde lid,
tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 55
1.In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en
wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning
eveneens aan, indien naar hun oordeel voor het bouwen van het bouwwerk
ontheffing als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is vereist.
2.De in het eerste lid bedoelde aanhouding eindigt op de dag,
volgende op de dag waarop burgemeester en wethouders het in artikel 7,
vierde lid, bedoelde afschrift hebben ontvangen.
3.Burgemeester en wethouders doen de bekendmaking van de
aanhouding, bedoeld in het eerste lid, vergezeld gaan van een
verklaring als bedoeld in artikel 7, tweede lid.
4.Na beëindiging van de aanhouding, bedoeld in het tweede lid,
beslissen burgemeester en wethouders binnen twee weken omtrent de
aanvraag om bouwvergunning, met dien verstande dat de bouwvergunning
moet worden verleend, indien de ontheffing, bedoeld in artikel 7,
eerste lid, is verleend.
5.Tegelijkertijd met de bekendmaking van de in het vierde lid
bedoelde beslissing wordt mededeling gedaan van de in het tweede lid
bedoelde beëindiging van de aanhouding.
6.Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het vijfde lid
en de ontheffing, bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend, is de
bouwvergunning van rechtswege verleend. Artikel 46, vijfde lid, tweede
volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 56
Onverminderd artikel 40, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 en
artikel 6.17, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, mogen
burgemeester en wethouders aan de bouwvergunning slechts voorschriften
of beperkingen verbinden ter bescherming van de belangen ten behoeve
waarvan de voorschriften strekken krachtens welke de vergunning wordt
verleend en waaraan het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft
moet voldoen, alsmede voorschriften op grond van een bestemmingsplan,
een verordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke
ordening of een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel
4.3 van die wet.
Artikel 56a
1. Een reguliere bouwvergunning wordt op aanvraag in twee fasen
verleend.
2. De bouwvergunning eerste fase mag slechts en moet worden
geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste
lid, onderdeel b, c, d, e, f of g, van toepassing is, met dien
verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor
zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.
3. De bouwvergunning tweede fase mag slechts en moet worden
geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste
lid, onderdeel a of b, van toepassing is, met dien verstande dat
onderdeel b van dat lid niet van toepassing is voor zover de daar
bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.
4. De aanvraag om bouwvergunning tweede fase kan eerst worden
ingediend:
a. na afloop van de termijn waarbinnen overeenkomstig artikel
46, eerste lid, onderdeel c, of tweede lid, op de aanvraag om
bouwvergunning eerste fase moet worden beslist, dan wel
b. indien op een eerder tijdstip op die aanvraag is beslist:
nadat die beslissing is bekendgemaakt.
5. Indien de bouwvergunning in twee fasen wordt verleend, wordt in:
a. artikel 41 in plaats van «aanvraag om bouwvergunning»
gelezen: aanvraag om bouwvergunning eerste, dan wel tweede fase;
b. artikel 48, eerste lid, in plaats van «aanvraag voor een
reguliere bouwvergunning» gelezen: aanvraag om bouwvergunning
eerste fase;
c. de artikelen 50, eerste lid, 51, eerste lid, en 54, eerste
lid, in plaats van «aanvraag om bouwvergunning» gelezen:
aanvraag om bouwvergunning eerste fase;
d. de artikelen 52, eerste lid, 52a, eerste lid, 53, eerste
lid, en 55, eerste lid, in plaats van «aanvraag om
bouwvergunning» telkens gelezen: aanvraag om bouwvergunning
tweede fase.
6. Burgemeester en wethouders kunnen het besluit waarbij de
bouwvergunning eerste fase is verleend, intrekken indien:
a. blijkt, dat zij dit besluit ten gevolge van een onjuiste of
onvolledige opgave hebben genomen, of dat gegevens of bescheiden
als bedoeld in artikel 40a, tweede lid, niet tijdig zijn
overgelegd, of
b. niet binnen 12 maanden na het onherroepelijk worden van het
besluit een aanvraag om bouwvergunning tweede fase is ingediend.
7. Het besluit waarbij de bouwvergunning eerste fase is verleend,
vervalt indien niet binnen twee jaren na het onherroepelijk worden
ervan een aanvraag om bouwvergunning tweede fase is ingediend.
8. Indien het bouwplan waarvoor de bouwvergunning eerste fase is
verleend als gevolg van hun besluit omtrent de aanvraag om
bouwvergunning tweede fase zodanige wijziging behoeft dat naar het
oordeel van burgemeester en wethouders wederom een toetsing aan de
weigeringsgronden van de eerste fase noodzakelijk is, delen zij dit
onverwijld mede aan de aanvrager van de bouwvergunning tweede fase.
Zij stellen hem daarbij in de gelegenheid binnen vijf weken een
gewijzigde aanvraag om bouwvergunning eerste fase in te dienen.
Burgemeester en wethouders beslissen omtrent die gewijzigde aanvraag
binnen vier weken. Indien burgemeester en wethouders niet binnen die
vier weken beslissen, is de bouwvergunning eerste fase van rechtswege
verleend. De bouwvergunning eerste fase, zoals die in tweede instantie
is verleend, treedt, voor zover die afwijkt van de primaire
bouwvergunning eerste fase, in de plaats van de primaire
bouwvergunning eerste fase. Artikel 46, vijfde lid, tweede volzin, is
van overeenkomstige toepassing. Indien de aanvrager geen gebruik maakt
van de gelegenheid die hem krachtens de tweede volzin is geboden, is
de bouwvergunning van rechtswege geweigerd met ingang van de dag na de
dag waarop de termijn van de hem geboden gelegenheid is verstreken.
Artikel 56b
1.In afwijking van artikel 46, eerste lid, onderdeel c, en tweede
lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent de
aanvraag om bouwvergunning tweede fase aan indien er geen grond is om
de vergunning te weigeren en de termijn voor het indienen van een
bezwaarschrift tegen het besluit, waarbij de bouwvergunning eerste
fase is verleend, nog niet is verstreken. In afwijking van artikel 46,
eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, houden burgemeester en
wethouders de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede
fase eveneens aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren
en indien gedurende de termijn, bedoeld in de eerste volzin, bij de
voorzieningenrechter van de rechtbank een verzoek om schorsing van het
besluit als bedoeld in de eerste volzin is ingediend en op dat verzoek
positief is beslist. De aanhouding eindigt op de dag na de dag dat de
termijn, bedoeld in de eerste volzin, is verstreken zonder dat een
bezwaarschrift is ingediend, of, indien wel een bezwaarschrift is
ingediend en het besluit als bedoeld in de eerste volzin is geschorst,
op de dag dat de schorsing ingevolge artikel 8:85 van de Algemene wet
bestuursrecht vervalt.
2.In afwijking van artikel 46, eerste lid, onderdeel c, en tweede
lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent de
aanvraag om bouwvergunning tweede fase eveneens aan indien er geen
grond is om de vergunning te weigeren en toepassing is gegeven aan
artikel 56a, achtste lid, tweede volzin. De aanhouding eindigt op de
dag na de dag dat een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning eerste
fase is ingediend.
Artikel 57
1.Burgemeester en wethouders stellen een openbaar register in,
waarin aantekening wordt gehouden van:
a. aanvragen om bouwvergunning;
b. verleende bouwvergunningen;
c. bouwvergunningen die van rechtswege zijn verleend.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
burgemeester en wethouders ook andere gegevens aantekenen in het
register, bedoeld in het eerste lid.
3.Bij de maatregel kan worden bepaald binnen welke termijn de
gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, dienen te worden
aangetekend. Die termijn kan voor de verschillende gegevens
verschillend worden gesteld.
Artikel 58
De eigenaar of hoofdgebruiker van een naburig ander gebouw wordt,
overeenkomstig bij de bouwverordening gegeven voorschriften, door
burgemeester en wethouders binnen twee weken na de dag waarop een
bouwvergunning van rechtswege is verleend, schriftelijk van deze
verlening in kennis gesteld.
Artikel 59
1.Burgemeester en wethouders kunnen de bouwvergunning geheel of
gedeeltelijk intrekken:
a. indien blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van een
onjuiste of onvolledige opgave hebben verleend of dat gegevens of
bescheiden als bedoeld in artikel 40a, tweede lid, niet tijdig
zijn overgelegd;
b. indien blijkt dat de houder niet heeft voldaan aan een
voorwaarde of voorschrift als bedoeld in artikel 56;
c. indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen
begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden;
d. indien de werkzaamheden langer dan de in de bouwverordening
bepaalde termijn hebben stilgelegen;
e. op verzoek van de vergunninghouder, of
f. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3
van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3
van die wet in deze wet onder betrokkene mede wordt verstaan
degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs
met een vergunninghouder gelijk kan worden gesteld.
2.Een vergunning met toepassing van artikel 45 verleend, kan
bovendien worden ingetrokken, indien de voorschriften omtrent het
onderhoud en het gebruik niet worden nageleefd.
3.Een intrekking als bedoeld in het tweede lid, heeft hetzelfde
rechtsgevolg als het verstrijken van de in de vergunning gestelde
termijn.
4.Voordat toepassing wordt gegeven aan onderdeel f van het eerste
lid kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als
bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
5.Op de voorbereiding van een intrekking van een bouwvergunning is
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Afdeling 2. Woonvergunning
Artikel 60
1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders
(woonvergunning) een bestaand gebouw dan wel een gedeelte van een
bestaand gebouw, dat, ofschoon niet ongeschikt voor bewoning,
laatstelijk niet of wederrechtelijk als woning of woonwagen werd
gebruikt, als woning of woonwagen in gebruik te geven of te nemen.
2.De woonvergunning mag alleen en moet worden geweigerd indien het
beoogde gebruik van het gebouw dan wel het gedeelte van het gebouw
niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening of in strijd
is met het desbetreffende bestemmingsplan, een verordening als bedoeld
in artikel 4.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, derde lid,
van die wet.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op het als woning of
woonwagen in gebruik geven of nemen van een bestaand gebouw dan wel
een gedeelte van een bestaand gebouw, dat, ofschoon ongeschikt voor
bewoning, overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften voor
bewoning geschikt is gemaakt.
4.De artikelen 46, 47, 50, 51, 56 en 59 zijn van overeenkomstige
toepassing, voor zover het betreft de bepalingen die betrekking hebben
op de reguliere bouwvergunning.
Afdeling 3 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 61 [Vervallen per 01-04-2007]
Afdeling 4. Vergunning voor toegelaten instellingen tot vervreemden
van onroerende zaken en daarop vestigen van zakelijke rechten
Artikel 61a
1.Het is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70,
eerste lid, in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
aangegeven gevallen, verboden zonder vergunning van Onze Minister haar
onroerende zaken te vervreemden aan of daarop een recht van erfpacht,
van opstal of van vruchtgebruik te vestigen ten behoeve van een
wederpartij die geen zodanige toegelaten instelling en geen huurder
van een onroerende zaak van een zodanige toegelaten instelling is.
Onze Minister stelt voor het aanvragen van een zodanige vergunning en
het in verband daarmee door de betrokken toegelaten instelling
verstrekken van gegevens een formulier vast.
2.Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde vergunning
weigeren, indien de toegelaten instelling bij een voorgenomen
vervreemding aan of vestiging van een recht als bedoeld in dat lid
naar zijn oordeel:
a. onvoldoende rekening houdt met de gevolgen daarvan voor de
huurders van de betrokken onroerende zaken;
b. onvoldoende motiveert waarom zij afziet van vervreemding aan
of vestiging van een zodanig recht ten behoeve van een andere
wederpartij, of
c. de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven,
op een handeling als bedoeld in het eerste lid van toepassing
zijnde voorschriften niet naleeft.
3.Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde vergunning
intrekken, indien hem blijkt dat hij de vergunning ten gevolge van een
onjuiste of onvolledige opgave heeft verleend.
4.Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde vergunning tevens
weigeren of intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in
artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur.
5.Voordat toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, kan het
Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als
bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Hoofdstuk V. Voorziening in de woningbehoefte
Afdeling 1. Onderzoek naar de volkshuisvesting
Artikel 62
1.Bij algemene maatregel van bestuur kan, ten einde gegevens te
verkrijgen omtrent omvang en samenstelling van de woningvoorraad en
omtrent gebruik en bezetting van woningen, worden bepaald dat een
algemene woningtelling wordt gehouden. In die maatregel worden
tijdstip, doel en inhoud van de woningtelling omschreven.
2.Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere voorschriften omtrent de woningtelling
worden gegeven.
3.De colleges van burgemeester en wethouders verlenen hun
medewerking aan de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde
algemene maatregel van bestuur.
4.Bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
worden voorschriften gegeven omtrent de aan gemeenten uit ’s Rijks
kas toe te kennen vergoeding van ter zake gemaakte kosten.
Artikel 63
1.Bij koninklijk besluit kunnen burgemeester en wethouders worden
verplicht, overeenkomstig bij dat besluit te geven voorschriften, een
bijzonder onderzoek naar de staat van de volkshuisvesting in te
stellen.
2.Aan gemeenten kunnen financiële middelen uit ’s Rijks kas
worden verstrekt ter bestrijding van de kosten, verbonden aan een
onderzoek als bedoeld in het eerste lid.
Afdeling 2. Planning, programmering en verdeling
Artikel 64
Onze Minister verstrekt eenmaal per jaar aan de Staten-Generaal een
verslag van de aard en het aantal van de woningen die in het jaar,
voorafgaand aan het jaar waarin het verslag wordt aangeboden, zijn
gebouwd.
Artikel 65
1.Burgemeester en wethouders alsmede gedeputeerde staten
verstrekken overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur gegeven voorschriften informatie ten behoeve van de door Onze
Minister ingevolge artikel 64 aan de Staten-Generaal te verstrekken
gegevens.
2.Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het eerste lid, worden in elk geval voorschriften gegeven omtrent de
aard en omvang van de te verstrekken informatie, de instanties die,
alvorens de informatie wordt verstrekt, moeten worden gehoord, alsmede
de wijze waarop, het tijdstip waarop en de instantie waaraan de
informatie moet worden verstrekt.
Artikel 66 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 67 [Vervallen per 01-12-2000]
Artikel 68 [Vervallen per 01-12-2000]
Artikel 69
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 65, treedt
niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld
mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Afdeling 3. Instellingen werkzaam in het belang van de
volkshuisvesting
Artikel 70
1.Verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en stichtingen, die
zich ten doel stellen uitsluitend op het gebied van de
volkshuisvesting werkzaam te zijn en niet beogen uitkeringen te doen
anders dan in het belang van de volkshuisvesting, kunnen bij
koninklijk besluit worden toegelaten als instellingen, uitsluitend in
het belang van de volkshuisvesting werkzaam.
2.De toelating, bedoeld in het eerste lid, kan bij koninklijk
besluit worden geweigerd of ingetrokken. De toelating wordt in elk
geval geweigerd, indien de vereniging of de stichting niet voldoet aan
het eerste lid of de toelating niet in het belang van de
volkshuisvesting is te achten. De toelating wordt ingetrokken, indien
de toegelaten instelling niet langer uitsluitend op het gebied van de
volkshuisvesting werkzaam is of uitkeringen doet anders dan in het
belang van de volkshuisvesting.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere dan de in het
tweede lid bedoelde gevallen worden aangegeven, waarin de toelating
wordt of kan worden geweigerd dan wel wordt of kan worden ingetrokken.
4.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften
gegeven omtrent de toelating, alsmede omtrent weigering en intrekking
van de toelating. Daarbij kan worden bepaald, dat de statuten van de
vereniging of de stichting voorschrijven dat bij ontbinding van de
vereniging of de stichting de vereffening geschiedt door een of meer
door burgemeester en wethouders van de gemeente, waar de vereniging of
de stichting haar woonplaats heeft, aangewezen vereffenaars.
Artikel 70a
1.Bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat de toegelaten
instellingen binnen een bij dat besluit gestelde termijn hun statuten
moeten aanpassen aan de voorschriften omtrent de toelating, zoals deze
luiden op de dag waarop dat besluit is genomen.
2.Indien een toegelaten instelling geen uitvoering geeft aan een
besluit als bedoeld in het eerste lid, kan de toelating worden
ingetrokken.
Artikel 70b
1.Tegen een koninklijk besluit dat strekt tot intrekking van de
toelating staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State. De Afdeling oordeelt in hoogste ressort over het
beroep. Zij geeft daarbij aanvankelijk overeenkomstige toepassing aan
artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht en kan nadien
overeenkomstige toepassing geven aan artikel 8:53 van die wet.
2.Nadat een koninklijk besluit dat strekt tot intrekking van de
toelating onherroepelijk is geworden, wordt de vereniging of de
stichting op vordering van Onze Minister ontbonden door de rechtbank
binnen welker rechtsgebied zij gevestigd is.
Artikel 70c
1.De toegelaten instellingen huisvesten bij voorrang personen die
door hun inkomen of door andere omstandigheden moeilijkheden
ondervinden bij het vinden van hun passende huisvesting. Bij het in
gebruik geven van door hen beheerde woningen met een verhoudingsgewijs
lage huurprijs geven zij zo veel mogelijk voorrang aan woningzoekenden
die, gelet op hun inkomen, in het bijzonder op die woningen zijn
aangewezen.
2.De toegelaten instellingen nemen bij hun werkzaamheden voorts de
daaromtrent bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven
voorschriften in acht. Deze voorschriften betreffen in ieder geval:
a. het verwerven, bouwen, bezwaren en vervreemden van
onroerende zaken;
b. het treffen van voorzieningen aan woningen;
c. het verhuren van woningen;
d. de wijze van beheer van woningen;
e. de exploitatie van woningen;
f. de bestemming van batige saldi;
g. het financiële beleid en beheer;
h. de verslaglegging;
i. de inrichting van de administratie en
j. overleg met en verplichtingen ten opzichte van huurders.
3.Bij de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
kan worden bepaald dat het eerste lid, alsmede voorschriften als
bedoeld in het tweede lid, van toepassing zijn op gemeenten.
4.Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel
van bestuur kunnen de in dat lid genoemde voorschriften voorts worden
gegeven voor standplaatsen en woonwagens, instellingen waarin aan ten
minste vijf personen van 65 jaar of ouder duurzaam verblijf en
verzorging wordt verschaft, onroerende aanhorigheden van woningen,
standplaatsen, woonwagens en zodanige verzorgingshuizen, alsmede de
woonomgeving.
Artikel 70d
1.De toegelaten instellingen staan onder toezicht van Onze
Minister, behoudens artikel 71a, eerste lid, aanhef en onderdeel b.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent
het toezicht nadere voorschriften gegeven. Daarbij kan worden bepaald
dat in de bij die maatregel aangegeven gevallen:
a. Onze Minister een toegelaten instelling een aanwijzing kan
geven om een of meer handelingen te verrichten of na te laten;
b. een toegelaten instelling bepaalde handelingen slechts kan
verrichten na voorafgaande goedkeuring of
c. ten behoeve van door een toegelaten instelling te verrichten
handelingen een plan wordt opgesteld door een door Onze Minister
aan te wijzen persoon of instantie.
Artikel 70e
1.Indien een toegelaten instelling ernstige schade aan het belang
van de volkshuisvesting berokkent, redelijkerwijs in die situatie geen
verbetering te voorzien is en een andere daartegen gerichte maatregel
dan het onder bewind stellen van die toegelaten instelling niet
doeltreffender zou zijn, kan de rechtbank binnen welker rechtsgebied
die toegelaten instelling gevestigd is haar onder bewind stellen op
een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister. Onze Minister kan bij
zijn verzoek personen voor benoeming tot bewindvoerder voordragen en
voorstellen doen omtrent hun beloning.
2.De rechtbank behandelt het verzoek binnen twee weken nadat hij
het heeft ontvangen. Hij kan inzage nemen of, door daartoe door hem
aangewezen deskundigen, doen nemen van zakelijke gegevens en
bescheiden van de betrokken toegelaten instelling.
3.Een toegelaten instelling die surseance van betaling heeft
aangevraagd, aan welke surseance van betaling is verleend, van welke
het faillissement is aangevraagd of die failliet is verklaard kan niet
onder bewind worden gesteld in de zin van dit artikel.
Artikel 70f
1.Bij een beslissing waarbij een toegelaten instelling onder bewind
wordt gesteld, benoemt de rechtbank een of meer bewindvoerders en
regelt hij hun beloning. De beloning komt voor rekening van de
toegelaten instelling.
2.De bewindvoerders maken onverwijld een uittreksel van de
uitspraak bekend in de Staatscourant en in een of meer bij de
uitspraak aangewezen nieuwsbladen. Het uittreksel vermeldt naam en
woonplaats van de toegelaten instelling en de woonplaats of het
kantoor van de bewindvoerders, alsmede de datum van de uitspraak.
3.De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad, onverminderd enige
daartegen gerichte voorziening. Gedurende acht dagen na de uitspraak
kan daartegen hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof binnen
welks rechtsgebied de betrokken toegelaten instelling gevestigd is.
Het gerechtshof behandelt het beroep binnen twee weken nadat het het
beroepschrift heeft ontvangen.
4.Gedurende acht dagen na de uitspraak van het gerechtshof in hoger
beroep kan daartegen beroep in cassatie worden ingesteld. De Hoge Raad
behandelt het beroep binnen twee weken nadat hij het beroepschrift
heeft ontvangen.
Artikel 70g
1.De bewindvoerders oefenen bij uitsluiting alle bevoegdheden uit
van de organen van de toegelaten instelling, tenzij de rechtbank heeft
bepaald dat een orgaan zijn bevoegdheden kan blijven uitoefenen. Zij
doen voorts onverwijld aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken binnen
welker gebied de toegelaten instelling gevestigd is opgaaf van de
uitspraak van de rechtbank en van de gegevens omtrent zichzelf die
omtrent een bestuurder worden verlangd.
2.Een rechtshandeling die door een orgaan van de toegelaten
instelling wordt verricht na de uitspraak van de rechtbank en voor het
tijdstip waarop degenen die bij die rechtshandeling een belang hebben
voor het eerst van die uitspraak kennis kunnen nemen, is geldig. Het
tijdstip, bedoeld in de eerste volzin, is de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin een uittreksel van die
uitspraak is bekendgemaakt.
Artikel 70h
1.De leden van de organen van de toegelaten instelling en de
personen die voor haar werkzaamheden verrichten, verlenen alle door de
bewindvoerders gevraagde medewerking.
2.Indien meer dan een bewindvoerder is benoemd, is voor de
geldigheid van hun handelingen toestemming van de meerderheid of, bij
staking van stemmen, een beslissing van de president van de rechtbank
vereist.
3.De rechtbank kan te allen tijde een bewindvoerder ontslaan en hem
door een andere bewindvoerder vervangen, dan wel aan hem een of meer
bewindvoerders toevoegen, een en ander ambtshalve dan wel op verzoek
van die bewindvoerder zelf, van een of meer andere bewindvoerders of
van Onze Minister.
4.De bewindvoerders brengen tijdens de uitoefening van hun
bevoegdheden telkens na verloop van drie maanden, alsmede na
beëindiging daarvan, zo spoedig mogelijk verslag over hun
werkzaamheden uit aan de rechtbank en Onze Minister.
Artikel 70i
1.Het bewind eindigt twee jaar na de uitspraak van de rechtbank
waarbij de betrokken toegelaten instelling onder bewind is gesteld.
Het bewind eindigt voorts met onmiddellijke ingang na het
onherroepelijk worden van een benoeming van een of meer bewindvoerders
in een aan de betrokken toegelaten instelling verleende surseance van
betaling of van een of meer curatoren in haar faillissement.
2.Indien naar het oordeel van Onze Minister voor het tijdstip,
genoemd in de eerste volzin van het eerste lid, de voorwaarden zijn
geschapen waaronder de toelating niet langer ernstige schade aan het
belang van de volkshuisvesting berokkent en niet op korte termijn
ernstige schade aan dat belang zal berokkenen, verzoekt hij de
rechtbank het bewind op te heffen. Bij zijn besluit waarbij het bewind
wordt opgeheven, ontslaat de rechtbank de bewindvoerders.
Artikel 70j
1.Verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en stichtingen, die
mede in het belang van de volkshuisvesting werkzaam zijn, kunnen bij
koninklijk besluit als toegelaten instelling worden toegelaten.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften
gegeven omtrent de toelating, weigering en intrekking van de
toelating, alsmede omtrent de werkzaamheden van en het toezicht op
instellingen als bedoeld in het eerste lid.
3.De artikelen 70, tweede, derde en vierde lid, 70a, 70b, 70d tot
en met 70i en 105 zijn voorzover mogelijk van toepassing.
Artikel 70k
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 70,
70c, 70d en 70j treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de
plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Afdeling 3A. Het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting
Artikel 71
Er is een Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting. Het Centraal Fonds
voor de Volkshuisvesting bezit rechtspersoonlijkheid. Het is gevestigd
te 's-Gravenhage.
Artikel 71a
1. Het fonds:
a. verstrekt subsidie aan toegelaten instellingen ter
bevordering van de sanering van toegelaten instellingen die niet
beschikken over de noodzakelijk te achten financiële middelen,
of, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
gegeven voorschriften, ter tegemoetkoming in de kosten van
werkzaamheden van toegelaten instellingen, en
b. verricht taken in het kader van het toezicht op toegelaten
instellingen, voorzover die taken bij algemene maatregel van
bestuur zijn aangegeven, welke taken de financiële aspecten van
de werkzaamheden van die instellingen betreffen en tot welke taken
kan behoren het aan Onze Minister verschaffen van inzicht in de
financiële situatie van die instellingen gezamenlijk.
2. Uit het fonds worden geen garanties verleend.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
gegeven omtrent maatregelen die het fonds jegens toegelaten
instellingen kan nemen bij het door hen niet nakomen van een jegens
het fonds bestaande verplichting.
4. Onze Minister informeert beide kamers der Staten-Generaal over
het hem verschafte inzicht in de financiële situatie, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b.
Artikel 71b
1.Het fonds stelt jaarlijks voor 1 december beleidsregels vast,
waarin wordt bepaald op welke wijze het fonds uitvoering geeft aan
artikel 71a en de daarop berustende algemene maatregelen van bestuur.
De beleidsregels zijn van toepassing op het eerstvolgende
kalenderjaar. Het fonds doet een afschrift van de beleidsregels aan
Onze Minister toekomen.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften worden gegeven omtrent de inhoud en de bekendmaking van
de in het eerste lid bedoelde beleidsregels.
Artikel 71c
1.Het bestuur van het fonds bestaat met inbegrip van de voorzitter
uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. Onze Minister benoemt
de voorzitter en de andere bestuursleden.
2.De bestuursleden worden, behoudens tussentijds ontslag, benoemd
voor de tijd van ten hoogste vier jaar.
3.De bestuursleden kunnen te allen tijde ontslag nemen door een
schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister. Degene die in het
bestuur is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen
plaats treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats de
benoeming is geschied had moeten aftreden.
4.Onverenigbaar met het bestuurslidmaatschap van het fonds zijn:
a. het lidmaatschap van een orgaan van, en een functie bij, een
toegelaten instelling of een organisatie die zich ten doel heeft
gesteld de belangen van toegelaten instellingen te behartigen;
b. het lidmaatschap van een college van burgemeester en
wethouders of van een orgaan van een organisatie die zich ten doel
heeft gesteld de belangen van gemeenten te behartigen;
c. een functie als ambtenaar bij een ministerie en
d. een functie als ambtenaar bij een gemeente, een functie bij
een organisatie als bedoeld in onderdeel b, een functie bij een
financiële instelling en enige andere functie, indien de aan de
betrokken functie verbonden werkzaamheden meebrengen dat een
betrokkenheid ontstaat of kan ontstaan bij de werkzaamheden van
het fonds of bij de ontwikkeling of de uitvoering van het
rijksbeleid op het gebied van de volkshuisvesting.
Artikel 71d
1.Het fonds stelt een bestuursreglement vast.
2.Het bestuursreglement en elke wijziging daarvan behoeft de
goedkeuring van Onze Minister. Onze Minister kan het bestuursreglement
gedeeltelijk goedkeuren of aan de goedkeuring voorwaarden verbinden.
3.Indien Onze Minister het voornemen heeft aan het
bestuursreglement geheel of gedeeltelijk goedkeuring te onthouden, dan
wel voorwaarden aan de goedkeuring te verbinden, stelt hij het fonds
daarvan in kennis en stelt hij het in de gelegenheid binnen ten
hoogste vier weken na die kennisgeving wijzigingen in het
bestuursreglement aan te brengen.
Artikel 71e
1.De middelen van het fonds worden gevormd door de bijdragen,
bedoeld in het tweede lid, en andere inkomsten.
2.Elke toegelaten instelling die op 1 januari van een kalenderjaar
als zodanig bestaat, is over dat kalenderjaar een bijdrage aan het
fonds verschuldigd. Het fonds bepaalt de hoogte van de bijdrage
volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te geven
voorschriften. Het besluit tot bepaling van de hoogte van de bijdrage
behoeft de instemming van Onze Minister.
3.Onze Minister kan, indien hij van oordeel is dat het fonds op de
in het tweede lid bedoelde datum over voldoende financiële middelen
zal beschikken om zonder storting van een bijdrage als bedoeld in dat
lid ten minste een jaar uitvoering te geven aan artikel 71a, eerste
lid, voor die datum bepalen dat een zodanige bijdrage niet
verschuldigd is over het jaar waarin die datum valt.
Artikel 71f
1.Het fonds stelt jaarlijks voor 1 november een begroting vast voor
het volgende kalenderjaar.
2.De begroting behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
3.Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften omtrent de
inrichting van de begroting worden gegeven.
Artikel 71g
1.Het fonds brengt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister een
financieel verslag over het afgelopen kalenderjaar uit, dat vergezeld
gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening en
de rechtmatigheid van de gedane uitgaven, afgegeven door een
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
2.Het fonds stelt de in het eerste lid genoemde stukken algemeen
verkrijgbaar.
3.Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven
omtrent het financiële verslag en de accountantscontrole.
Artikel 71h
Het fonds stelt jaarlijks voor 1 juli een verslag op van de
werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid
en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder
in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister
toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
Artikel 71i
Het fonds verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de
uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan
inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor
de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 71j
De rechtspositie van het personeel van het fonds is in
overeenstemming met de regels die gelden voor ambtenaren die zijn
aangesteld bij ministeries, met dien verstande dat waar in deze regels
een bevoegdheid is toegekend aan een andere minister dan Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, deze bevoegdheid wordt
uitgeoefend door het bestuur van het fonds.
Artikel 71k
1.Indien naar het oordeel van Onze Minister het fonds ernstig in
gebreke blijft of op korte termijn ernstig in gebreke zal blijven bij
het verrichten van zijn taken, kan hij het bestuur van het fonds
schorsen of ontslaan, in welke gevallen hij in vervanging van het
geschorste of ontslagen bestuur voorziet, met dien verstande dat een
schorsing niet langer duurt dan noodzakelijk is om de voorwaarden te
scheppen waaronder het fonds naar het oordeel van Onze Minister zijn
taken weer naar behoren kan verrichten.
2.Indien en zolang een geschorst of ontslagen bestuur niet kan
worden vervangen, verricht Onze Minister de taken van het fonds, in
welk geval:
a. dit geschiedt op kosten van het fonds en
b. Onze Minister dit onverwijld meedeelt aan de beide kamers
der Staten-Generaal.
Artikel 71l
Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk na 1 januari 2002 en
vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over
de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van het fonds.
Artikel 72 [Vervallen per 04-02-2000]
Artikel 73
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 71a,
71b en 71e, treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de
plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Afdeling 4. Voorzieningen in het belang van de volkshuisvesting
vanwege de gemeente of de provincie
Artikel 74 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 75
1.Burgemeester en wethouders kunnen, ingeval dit noodzakelijk is
voor het naar behoren uitvoeren van deze wet, besluiten rechtstreeks
van gemeentewege voorzieningen in het belang van de volkshuisvesting
te treffen.
2.Indien ter uitvoering van het eerste lid van gemeentewege
woningen, woonwagens of standplaatsen worden gebouwd, geschiedt dit
slechts, indien aannemelijk is, dat door het bouwen van woningen,
woonwagens of standplaatsen door toegelaten instellingen niet
voldoende in de woningbehoefte zal worden voorzien.
Artikel 76 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 77 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 78 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 79 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 80
1.Indien blijkt, dat in een gemeente onvoldoende wordt voorzien in
de volkshuisvesting, kan bij koninklijk besluit, gedeputeerde staten
gehoord, de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders
of het bevoegde gezag van een samenwerkingsverband van gemeenten
worden verplicht de in dat besluit aangegeven voorzieningen in het
belang van de volkshuisvesting te treffen.
2.Indien blijkt, dat in een provincie onvoldoende wordt voorzien in
de volkshuisvesting, kunnen bij koninklijk besluit, de inspecteur
gehoord, provinciale staten of gedeputeerde staten worden verplicht de
in dat besluit aangegeven voorzieningen in het belang van de
volkshuisvesting te treffen.
3.Bij het in het eerste en tweede lid bedoelde besluit kan worden
bepaald op welke wijze en binnen welke termijn aan dat besluit moet
worden voldaan.
4.Indien de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en
wethouders of het bevoegde gezag van het samenwerkingsverband van
gemeenten niet binnen de in het derde lid bedoelde termijn heeft
voldaan aan het in het eerste lid bedoelde besluit, geven gedeputeerde
staten uitvoering aan dat besluit op kosten van de gemeente of het
samenwerkingsverband van gemeenten.
5.Indien provinciale staten of gedeputeerde staten niet binnen de
in het derde lid bedoelde termijn hebben voldaan aan het in het tweede
lid bedoelde besluit, geeft Onze Minister uitvoering aan dat besluit
op kosten van de provincie.
6.Indien hetgeen ingevolge het derde lid is bepaald, niet strookt
met de voorschriften van enige plaatselijke, regionale of provinciale
verordening, blijven die voorschriften buiten toepassing.
Afdeling 5. Verstrekking van geldelijke steun uit ’s Rijks kas
Artikel 81
1.Uit 's Rijks kas kunnen aan gemeenten, plusregio’s als bedoeld
in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen of provincies
financiële middelen worden verstrekt voor andere activiteiten dan die
waarvoor ingevolge de Wet stedelijke vernieuwing subsidie kan worden
verleend, voorzover deze activiteiten passen in het rijksbeleid met
betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften gegeven omtrent het verstrekken van financiële
middelen, bedoeld in het eerste lid.
3.Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid,
kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het door provincies
overdragen van krachtens het tweede lid aan hen toegekende
bevoegdheden en verplichtingen aan een gemeente of aan een plusregio.
De voorschriften betreffen in elk geval:
a. het geval waarin een provincie bevoegdheden en
verplichtingen al dan niet dient over te dragen;
b. de gehoudenheid van een provincie uitvoering te geven aan
een door Onze Minister gegeven aanwijzing ter zake van een
overdracht als bedoeld in onderdeel a, binnen een in die
aanwijzing bepaalde termijn, en
c. de wijze waarop in geval van overdracht verantwoording aan
Onze Minister wordt afgelegd.
4.Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het tweede lid, kan worden bepaald dat de gemeenteraad, het algemeen
bestuur van een plusregio of provinciale staten voorschriften geeft of
geven omtrent het door burgemeester en wethouders, het dagelijks
bestuur van een plusregio of gedeputeerde staten verstrekken van
subsidie ten laste van de uit ’s Rijks kas aan hen verstrekte
financiële middelen voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
5.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter bevordering van
eenheid in de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, regelen worden
gegeven omtrent de inhoud van die voorschriften.
6.De gemeenteraad, het algemeen bestuur van een plusregio of
provinciale staten brengen de door hen gegeven voorschriften, bedoeld
in het vierde lid, binnen zes maanden na het van kracht worden van de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vijfde lid, in
overeenstemming met de bij die algemene maatregel van bestuur gegeven
voorschriften.
Artikel 82
1.Uit 's Rijks kas kan aan anderen dan gemeenten, plusregio's als
bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen of
provincies subsidie worden verstrekt voor andere activiteiten dan die
waarvoor ingevolge de artikelen 19 en 20 van de Wet stedelijke
vernieuwing subsidie kan worden verleend, voorzover deze activiteiten
passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en
de woonomgeving.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften gegeven omtrent het verstrekken van subsidie, bedoeld in
het eerste lid. De voorschriften betreffen in ieder geval:
a. de doeleinden waarvoor de subsidie kan worden verstrekt;
b. degenen aan wie de subsidie kan worden verstrekt;
c. de wijze van aanvragen van de subsidie;
d. de bij de subsidie-aanvraag over te leggen gegevens en
bescheiden;
e. de termijnen voor de beslissing op de subsidie-aanvraag;
f. de gronden om geen subsidie te verstrekken;
g. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verstrekt;
h. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;
i. de totstandkoming van het subsidiebedrag;
j. de termijnen voor de beslissing omtrent de
subsidievaststelling;
k. de vaststelling van het subsidieplafond en
l. de wijze van verdeling van het beschikbare bedrag.
Artikel 83
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 81 en
82, treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing
wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 84
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften
worden gegeven omtrent het door burgemeester en wethouders, gedeputeerde
staten en het dagelijks bestuur van een samenwerkingsverband van
gemeenten verstrekken van voor het verstrekken van financiële middelen
van belang zijnde gegevens. De financiële gevolgen van het verstrekken
van die gegevens worden niet gecompenseerd.
Artikel 85 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 86
Gegevens betreffende de door het Rijk verstrekte financiële middelen
en subsidie worden jaarlijks op een door Onze Minister te bepalen wijze
bekend gemaakt.
Artikel 87 [Vervallen per 01-12-2000]
Artikel 88 [Vervallen per 13-06-2008]
Hoofdstuk VI. Het toezicht op de volkshuisvesting
Afdeling 1. Het toezicht van rijks- en provinciewege
Artikel 89 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 90 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 91 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 92 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 93
1.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet
bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaren.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 94
1.Met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het bij of
krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze
Minister aangewezen ambtenaren.
2.De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat
bestuursorganen die met de uitvoering of de handhaving van het bij of
krachtens deze wet bepaalde zijn belast, daarbij aan te geven gegevens
verstrekken aan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren. Bij
de regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het
tijdstip waarop, de frequentie waarmee en de vorm waarin de gegevens
worden verstrekt. Tevens kan bij de regeling worden bepaald dat
daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven gevallen.
Artikel 95
1.Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking
zenden burgemeester en wethouders aan de inspecteur een afschrift van
elke verordening, elk besluit of elk aan de raad overlegd verslag, de
volkshuisvesting betreffende. De financiële gevolgen van het zenden
van die afschriften worden niet gecompenseerd.
2.Burgemeester en wethouders geven aan de inspecteur alle door deze
verlangde inlichtingen omtrent de naleving van de wetten en de
krachtens die wetten gegeven voorschriften op het gebied van de
volkshuisvesting.
Artikel 96
1.Met het toezicht op de uitvoering van het bij of krachtens deze
wet bepaalde zijn tevens belast de bij besluit van de commissaris van
de Koning aangewezen personen.
2.De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 1a. Sluiting van gebouwen, open erven en terreinen door
burgemeester en wethouders
Artikel 97
1. Indien overtreding van de bij of krachtens hoofdstuk I, II, III,
of IV gegeven voorschriften met betrekking tot de staat of het gebruik
van een gebouw, open erf of terrein gepaard gaat met een bedreiging
van de leefbaarheid of een gevaar voor de veiligheid of de gezondheid,
en er een klaarblijkelijk gevaar is op herhaling van de overtreding,
kunnen burgemeester en wethouders besluiten dat gebouw, dat open erf
of dat terrein te sluiten. De artikelen 5:24, eerste en tweede lid, en
5:25 tot en met 5:28 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen van de
overtreder de ingevolge artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht
verschuldigde kosten invorderen bij dwangbevel.
2. Burgemeester en wethouders bepalen in het besluit, bedoeld in
het eerste lid, de duur van de sluiting.
Artikel 98 [Vervallen per 25-02-2005]
Artikel 99 [Vervallen per 25-02-2005]
Afdeling 2. De bestuursrechtelijke handhaving van de hoofdstukken I
tot en met IV
Artikel 100
Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de bestuursrechtelijke
handhaving van het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken I tot en
met IV.
Artikel 100a
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
de hoofdstukken I tot en met IV zijn belast de bij besluit van
burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.
2.De krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren zijn bevoegd
met medeneming van de benodigde apparatuur een woning te betreden
zonder toestemming van de bewoner.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
voorschriften worden gegeven omtrent het uitoefenen van toezicht op de
naleving van de bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene
maatregel van bestuur gegeven voorschriften.
Artikel 100aa
1.Onze Minister kan, indien dat in het belang van een goede
ruimtelijke ordening geboden is, vorderen dat het tot intrekken
bevoegde bestuursorgaan binnen een door hem te stellen termijn de
bouwvergunning intrekt. Indien burgemeester en wethouders of
gedeputeerde staten de beschikking tot intrekking van de vergunning
geven, zenden zij daarvan terstond afschrift aan Onze Minister.
2.Indien het bestuursorgaan aan de vordering geen gevolg geeft, kan
Onze Minister tot zes weken na het verstrijken van de gestelde termijn
een beschikking als bedoeld in het eerste lid geven. Onze Minister
zendt van zijn beschikking terstond afschrift aan burgemeester en
wethouders.
Artikel 100ab
Gedeputeerde staten kunnen, indien dat met het oog op een goede
ruimtelijke ordening ter behartiging van de provinciale belangen geboden
is, burgemeester en wethouders verzoeken binnen een bepaalde termijn de
bouwvergunning in te trekken. Indien burgemeester en wethouders de
beschikking tot intrekking van de vergunning geven, zenden zij daarvan
terstond afschrift aan gedeputeerde staten.
Artikel 100b
1. Onze Minister kan, indien dat in het belang van de naleving van
het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I, II, III of IV dringend
geboden is, vorderen dat burgemeester en wethouders ter zake van de
overtreding van een bij of krachtens hoofdstuk I, II, III of IV
gesteld voorschrift binnen een door hem te stellen termijn een
beschikking tot oplegging van een last onder bestuursdwang of
oplegging van een last onder dwangsom uitvoeren, dan wel geven en
uitvoeren. Burgemeester en wethouders doen van de wijze waarop gevolg
is gegeven aan de vordering schriftelijk mededeling aan Onze Minister.
2. Indien burgemeester en wethouders niet of niet volledig gevolg
geven aan een vordering kan Onze Minister voor rekening van de
gemeente daarin voorzien.
3. Artikel 5:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor het
bestuursorgaan dat de sanctie heeft opgelegd, wordt gelezen:
burgemeester en wethouders.
4. Onze Minister kan bij zijn vorderingsbesluit bepalen dat in
afwijking van artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht de aan de
uitvoering van de beschikking verbonden kosten voor rekening van de
gemeente blijven.
Artikel 100ba
Gedeputeerde staten kunnen, indien dat ter behartiging van
provinciale belangen geboden is, burgemeester en wethouders verzoeken
binnen een bepaalde termijn gebruik te maken van hun bevoegdheden tot
handhaving ter zake van de overtreding van een bij of krachtens deze wet
geregeld voorschrift.
Artikel 100c
1.Burgemeester en wethouders maken jaarlijks hun voornemens bekend
met betrekking tot de wijze waarop in het komende jaar uitvoering zal
worden gegeven aan de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde
bij of krachtens de hoofdstukken I tot en met IV.
2.Burgemeester en wethouders doen jaarlijks verslag aan de
gemeenteraad van de wijze waarop in het voorgaande jaar uitvoering is
gegeven aan de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of
krachtens de hoofdstukken I tot en met IV, alsmede van het door hen
gevoerde beleid bij de uitvoering van die hoofdstukken. Burgemeester
en wethouders zenden gelijktijdig met de aanbieding van het verslag
aan de gemeenteraad een afschrift ervan aan de inspecteur.
Artikel 100d
Een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of
oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het
bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I, II, III of IV kan inhouden dat
het bouwen, gebruik of slopen wordt gestaakt dan wel dat voorzieningen,
met inbegrip van het slopen van een bouwwerk of standplaats, gericht op
het tegengaan of beëindigen van gevaar voor de gezondheid of de
veiligheid worden getroffen.
Artikel 100e
Bij een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of
oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het
bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I, II, III of IV, kunnen
burgemeester en wethouders bepalen dat dit besluit mede geldt jegens de
rechtsopvolger van degene aan wie dat besluit is opgelegd alsmede jegens
iedere verdere rechtsopvolger. In dat geval kan het besluit, tenzij
bijzondere omstandigheden zich daartegen naar het oordeel van
burgemeester en wethouders verzetten, jegens die rechtsopvolger of
iedere verdere rechtsopvolger worden ten uitvoer gelegd en kunnen de
kosten van die tenuitvoerlegging en een te innen dwangsom bij die
rechtsopvolger of verdere rechtsopvolger worden ingevorderd.
Hoofdstuk VII. Voorzieningen in geval van buitengewone omstandigheden
Artikel 101
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 101a, 102, en 103
gezamenlijk in werking worden gesteld.
2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent
het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking
gestelde bepalingen.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan
worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn
gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons
oordeel toelaten.
5.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op
de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in
ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 101a
Indien schaarste dreigt te ontstaan dan wel bestaat aan
arbeidskrachten, geldmiddelen of materialen, kunnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur, zo nodig in afwijking van de in de
hoofdstukken III, IV en V vervatte bepalingen, voorschriften worden
gegeven omtrent de toepassing van die bepalingen.
Artikel 102
1.Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 101a, stelt Onze
Minister, in overeenstemming met Onze andere Ministers wie het mede
aangaat, overeenkomstig de bij of krachtens de in dat artikel bedoelde
algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften, een plan vast,
waarin is aangegeven aan welke werken op het gebied van de burgerlijke
of utiliteitsbouw, grond-, water- of wegenbouw of op enig ander gebied
de bouwnijverheid betreffende, in het eerstkomende jaar uitvoering kan
worden gegeven.
2.Het in het eerste lid bedoelde plan wordt zo spoedig mogelijk
nadat dit is vastgesteld, door Onze Minister aan de Staten-Generaal
verstrekt.
Artikel 103
1.Bij de in artikel 101a bedoelde algemene maatregel van bestuur
kan worden bepaald, dat het verboden is zonder of in afwijking van
toestemming van Onze Minister en, voor zover van toepassing, Onze
Minister die het mede aangaat, als opdrachtgever, architect,
bouwondernemer, aannemer of uitvoerder betrokken te zijn bij het
uitvoeren van bouwwerken als bedoeld in artikel 102, eerste lid.
2.Onze Minister kan, voor zover van toepassing te zamen met Onze
Minister die het mede aangaat, al of niet onder voorwaarden ontheffing
verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod.
Hoofdstuk VIII. Dwang- en strafbepalingen
Artikel 104
Indien toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of
krachtens deze wet gegeven voorschriften leidt tot het slopen van een
bouwwerk, worden de overblijvende materialen door burgemeester en
wethouders in het openbaar verkocht, tenzij, naar redelijkerwijs is te
verwachten, bij onderhandse verkoop een hogere opbrengst kan worden
verkregen. De opbrengst wordt, na aftrek van de kosten van het slopen en
van de verkoop, aan de rechthebbende uitgekeerd.
Artikel 105
1. Onze Minister kan aan een toegelaten instelling die in strijd
handelt met het bepaalde bij of krachtens artikel 70, 70a of 70c, of
met een maatregel als bedoeld in artikel 70d, tweede lid, tweede
volzin, onderdeel a, b of c, een last onder dwangsom opleggen.
2. De verbeurde dwangsom komt toe aan het Centraal Fonds voor de
Volkshuisvesting.
Artikel 105a
1.Overtreding van artikel 14, vierde lid, wordt gestraft met
geldboete van de eerste categorie.
2.Het strafbare feit, bedoeld in het eerste lid, is een
overtreding.
3.Met de opsporing van het bij het eerste lid strafbaar gestelde
feit zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering, belast de door de burgemeester aangewezen ambtenaren,
belast met de in artikel 100a, eerste lid, bedoelde taak.
4.Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de
feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184
van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking
hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door
henzelf.
5.Bij het opsporen van het strafbare feit, bedoeld in het eerste
lid, hebben de in het derde lid bedoelde ambtenaren toegang tot elke
plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak
nodig is.
Artikel 106 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 107 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 108 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 109 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 110 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 111 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 112 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 113 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 114 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 115 [Vervallen per 01-04-2007]
Hoofdstuk IX. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 116
Op de gezamenlijke voordracht van Onze Minister en van Onze Minister
die het mede aangaat, kan bij koninklijk besluit worden bepaald, dat
deze wet niet van toepassing is op een in dat besluit aan te wijzen werk
ten behoeve van de landsverdediging.
Artikel 117 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 118
Indien de bekendmaking van beschikkingen op grond van deze wet niet
kan geschieden op de wijze als voorzien in artikel 3:41, eerste lid, van
de Algemene wet bestuursrecht, geschiedt zij door openbare bekendmaking
op het perceel waarop de beschikking betrekking heeft.
Artikel 119 [Vervallen per 25-02-2005]
Artikel 119a [Vervallen per 25-02-2005]
Artikel 120
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
voorschriften worden gegeven met het oog op de nakoming van voor
Nederland verbindende internationale verplichtingen die betrekking
hebben op of samenhangen met onderwerpen waarin bij of krachtens deze
wet is voorzien.
2.Gedragingen in strijd met voorschriften als bedoeld in het eerste
lid, niet zijnde voorschriften als bedoeld in artikel 8, negende lid,
zijn verboden.
Artikel 120a
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat Onze Minister bij wege van experiment tijdelijk van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften kan
afwijken of een zodanige afwijking kan toestaan.
2.Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt in
ieder geval bepaald:
a. de wijze waarop tot een keuze voor experimenten als bedoeld
in het eerste lid wordt gekomen;
b. de ten hoogste toegestane tijdsduur van een afwijking als
bedoeld in het eerste lid en
c. de wijze waarop tot de vaststelling wordt gekomen of een
experiment als bedoeld in het eerste lid zodanig geslaagd is, dat
het wettelijk voorschrift waarvan bij wege van dat experiment is
afgeweken zou moeten worden gewijzigd.
Artikel 120b
Onze Minister is belast met de bestuursrechtelijke handhaving van het
verbod, bedoeld in artikel 120, tweede lid, en beschikt daartoe over de
bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
Artikel 121
De bevoegdheid, de gemeenteraad toekomende overeenkomstig artikel 149
van de Gemeentewet, mag niet worden uitgeoefend ten aanzien van de
onderwerpen waarin is voorzien bij of krachtens de algemene maatregelen
van bestuur, bedoeld in:
a. artikel 12a, vierde lid;
b. artikel 40a, eerste lid;
c. artikel 43, eerste lid, onderdeel c;
d. artikel 44, tweede lid;
e. artikel 70c, tweede lid, eerste volzin, voorzover die algemene
maatregel van bestuur betrekking heeft op toegelaten instellingen;
f. artikel 100a, derde lid.
Artikel 122
De gemeente kan geen rechtshandelingen naar burgerlijk recht
verrichten ten aanzien van de onderwerpen waarin bij of krachtens de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2, en in hoofdstuk IV
van deze wet is voorzien.
Artikel 123 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 124
[Wijzigt de Woningwet 1962.]
Artikel 125
De intrekking van de Woningwet van 12 juli 1962 heeft geen gevolgen
voor de geldigheid van de krachtens die wet bij koninklijk besluit dan
wel door Onze Minister gegeven voorschriften, tenzij krachtens deze wet
anders is bepaald.
Artikel 126
1.Gedurende ten hoogste een jaar na het tijdstip van
inwerkingtreding van hoofdstuk II, afdeling 2, blijft de op grond van
de Woningwet van 12 juli 1962 geldende gemeentelijke bouwverordening,
voor zover deze niet in strijd is met de bij of krachtens deze wet
gegeven voorschriften, van kracht en geldt deze als de
bouwverordening, genoemd in artikel 8.
2.De bouwverordening, genoemd in artikel 8, wordt vastgesteld
binnen zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk
II, afdeling 2.
Artikel 127
1.Aanschrijvingen die op grond van de Woningwet van 12 juli 1962
zijn uitgevaardigd en waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld,
gelden als aanschrijvingen als bedoeld in deze wet.
2.Aanschrijvingen die op grond van de Woningwet van 12 juli 1962
zijn uitgevaardigd en waartegen nog beroep kan worden ingesteld dan
wel beroep is ingesteld, worden afgedaan overeenkomstig genoemde wet
en gelden als aanschrijvingen als bedoeld in deze wet.
Artikel 128
1.Besluiten tot onbewoonbaarverklaring die op grond van de
Woningwet van 12 juli 1962 zijn genomen en waartegen geen beroep meer
kan worden ingesteld, gelden als beslissingen tot
onbewoonbaarverklaring als bedoeld in deze wet.
2.Besluiten tot onbewoonbaarverklaring die op grond van de
Woningwet van 12 juli 1962 zijn genomen en waartegen nog beroep kan
worden ingesteld dan wel beroep is ingesteld, worden afgedaan
overeenkomstig genoemde wet en gelden als beslissingen tot
onbewoonbaarverklaring als bedoeld in deze wet.
Artikel 129
1.Verzoeken om toestemming als bedoeld in artikel 46 van de
Woningwet van 12 juli 1962, alsmede enig beroep, ingesteld tegen een
beslissing omtrent een dergelijk verzoek, worden afgedaan
overeenkomstig genoemde wet. Verzoeken als bedoeld in dit lid, gelden
als aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 61.
2.Toestemmingen als bedoeld in artikel 46 van de Woningwet van 12
juli 1962, waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld, gelden als
vergunningen als bedoeld in artikel 61.
Artikel 130
1.Aanvragen om bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste
lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, alsmede enig beroep, ingesteld
tegen een beslissing omtrent een dergelijke aanvraag, worden afgedaan
overeenkomstig genoemde wet. Aanvragen als bedoeld in dit lid, gelden
als aanvragen om bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid.
2.Bouwvergunningen als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de
Woningwet van 12 juli 1962, waartegen geen beroep meer kan worden
ingesteld, gelden als bouwvergunningen als bedoeld in artikel 40,
eerste lid.
Artikel 131
1.Aanvragen om woonvergunning als bedoeld in artikel 55 van de
Woningwet van 12 juli 1962, alsmede enig beroep, ingesteld tegen een
beslissing omtrent een dergelijke aanvraag, worden afgedaan
overeenkomstig genoemde wet. Aanvragen als bedoeld in dit lid, gelden
als aanvragen om woonvergunning als bedoeld in artikel 60.
2.Woonvergunningen als bedoeld in artikel 55 van de Woningwet van
12 juli 1962, waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld, gelden
als woonvergunningen als bedoeld in artikel 60.
Artikel 132
Overtredingen van bij of krachtens de Woningwet van 12 juli 1962
gegeven voorschriften worden afgedaan overeenkomstig genoemde wet.
Artikel 133
Een overeenkomstig de Woonwagenwet op een standplaats geplaatste
woonwagen dan wel een woonwagen waarvan de plaatsing op een standplaats
wordt gedoogd op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, is een
woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e , tot het
tijdstip waarop die woonwagen wordt vervangen.
Artikel 134
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 135
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 136
De Wederopbouwwet (Stb. 1950, 236) wordt ingetrokken.
Artikel 137
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 138
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 139 [Vervallen per 01-03-1999]
Artikel 140
De Wet van 11 maart 1978, houdende wijziging van de Woningwet inzake
aanschrijving tot verbetering van woningen (Stb. 143) wordt
ingetrokken.
Artikel 141
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 142
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 143
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 144
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 145
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 146
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 147
De Wet geldelijke steun woonwagens (Stb. 1986, 264) wordt
ingetrokken.
Artikel 148
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 149
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 150
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 151
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 152
Waar in voorschriften, gegeven bij of krachtens een andere wet dan de
in de artikelen 149 tot en met 151 genoemde, wordt verwezen naar een
artikel in de Woningwet van 12 juli 1962, wordt deze verwijzing geacht
te zijn geschied naar de overeenkomstige bepalingen in deze wet.
Artikel 153
1.De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
2.Bij het in het eerste lid bedoelde besluit kan, voor zover dat
besluit voorziet in gedeeltelijke inwerkingtreding van deze wet, in
afwijking in zoverre van artikel 124 worden bepaald dat verschillende
artikelen of onderdelen van artikelen van de Woningwet van 12 juli
1962 van kracht blijven.
3.Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste of tweede lid, kan
in hetgeen met het oog op het in werking treden dan wel in stand
blijven van de desbetreffende artikelen of onderdelen daarvan regeling
behoeft, worden voorzien bij algemene maatregel van bestuur.
4.De Woningwet van 12 juli 1962 wordt vanaf het tijdstip van gehele
of gedeeltelijke inwerkingtreding van deze wet aangehaald als
Woningwet 1962.
5.Deze wet kan worden aangehaald als Woningwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 29 augustus 1991
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
E. Heerma
Uitgegeven de vijfde september 1991
De Minister van Justitie a.i.,
C.I. Dales
|
|
|