Nadere regelgeving:
- Asbestverwijderingsbesluit
2005
- Besluit
aanvullende regels veiligheid wegtunnels
- Besluit
archeologische monumentenzorg
- Besluit beheer sociale-huursector
- Besluit
bevordering eigenwoningbezit
- Besluit
bodemkwaliteit
- Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige
bouwwerken (vervallen)
- Besluit
brandveilig gebruik bouwwerken
- Besluit energieprestatie gebouwen
- Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning
(vervallen)
- Regeling
aanvullende regels veiligheid wegtunnels
- Regeling energieprestatie
gebouwen'
WET van 29 augustus 1991 tot herziening
van de Woningwet
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is mede uit
het oogpunt van vereenvoudiging en vermindering van regelgeving, alsmede
uit het oogpunt van decentralisatie nieuwe voorschriften te geven
omtrent het bouwen en de volkshuisvesting;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.
Voor de
toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan
onder:
a. bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen,
veranderen of vergroten;
b. slopen: het afbreken van een bouwwerk of een gedeelte daarvan;
c. gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke
overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
d. omgevingsvergunning: vergunning voor een bouwactiviteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht;
e. bevoegd gezag: het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 1.1,
eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel,
bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dat
artikellid, burgemeester en wethouders;
f. bestemmingsplan: een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1
van de Wet ruimtelijke ordening, alsmede een inpassingsplan als
bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van die wet of een beheersverordening
als bedoeld in artikel 3.38 van die wet;
g. rooilijn: de lijn die, behoudens toegelaten afwijkingen, bij het
bouwen van een bouwwerk aan de wegzijde of aan de van de weg
afgekeerde zijde niet mag worden overschreden;
h. norm: een document, uitgegeven door een deskundig, onafhankelijk
instituut, waarin wordt omschreven aan welke eisen een bouwmateriaal,
bouwdeel of bouwconstructie moet voldoen dan wel waarin een
omschrijving wordt gegeven van een keurings-, meet- of
berekeningsmethode;
i. kwaliteitsverklaring: een schriftelijk bewijs, voorzien van een
merkteken, aangewezen door Onze Minister, afgegeven door een
deskundig, onafhankelijk instituut, aangewezen door Onze Minister, op
grond waarvan een bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van
bouwmaterialen of bouwdelen dan wel een bouwwijze, indien dat
bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van bouwmaterialen of bouwdelen
dan wel die bouwwijze bij het bouwen van een bouwwerk wordt toegepast,
wordt geacht te voldoen aan krachtens deze wet aan dat bouwmateriaal,
bouwdeel of samenstel van bouwmaterialen of bouwdelen dan wel die
bouwwijze gestelde eisen;
j. Onze Minister: Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie;
k. inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaar;
l. toegelaten instelling: instelling als bedoeld in artikel 70;
m. fonds: Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, bedoeld in
artikel 71;
n. welstandscommissie: door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke
commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten
aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een
bouwwerk, waarvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning is
ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand;
o. stadsbouwmeester: door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke
deskundige die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten
aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een
bouwwerk, waarvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning is
ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand;
p. stedelijke vernieuwing: op stedelijk gebied gerichte
inspanningen die strekken tot verbetering van de leefbaarheid en
veiligheid, bevordering van een duurzame ontwikkeling en verbetering
van de woon- en milieukwaliteit, versterking van het economisch
draagvlak, versterking van culturele kwaliteiten, bevordering van de
sociale samenhang, verbetering van de bereikbaarheid, verhoging van de
kwaliteit van de openbare ruimte of anderszins tot structurele
kwaliteitsverhoging van dat stedelijk gebied.
2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt onder woning mede verstaan een afzonderlijk gedeelte van een
gebouw, welk gedeelte tot bewoning is bestemd.
Artikel 1a
1. De eigenaar van een bouwwerk, open erf of terrein of degene
die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van
voorzieningen draagt er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat
bouwwerk, open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of
veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.
2. Een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of
sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken,
draagt er, voor zover dat in diens vermogen ligt, zorg voor dat als
gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid
of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.
Hoofdstuk II. Voorschriften betreffende het bouwen, de staat van
bestaande bouwwerken, het gebruik, het slopen en de welstand
Afdeling 1. Voorschriften betreffende het bouwen en de staat van
bestaande bouwwerken
Artikel 1b
1. Tenzij een omgevingsvergunning het uitdrukkelijk toestaat,
is het verboden:
a. een gebouw te bouwen, voor zover daarbij niet wordt voldaan aan
de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in
artikel 2, eerste lid;
b. een bouwwerk, niet zijnde een gebouw, te bouwen, voor zover
daarbij niet wordt voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde
voorschriften, bedoeld in artikel 2, derde lid.
2. Het is verboden:
a. een bestaand gebouw in een staat te brengen, te laten komen of
te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat gebouw van
toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, tweede lid;
b. een bestaand bouwwerk, niet zijnde een gebouw, in een staat te
brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de
staat van dat bouwwerk van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in
artikel 2, vierde lid.
3. Tenzij een omgevingsvergunning het uitdrukkelijk toestaat, is
het verboden een gebouw, bouwwerk, niet zijnde een gebouw, dan wel deel
daarvan, in stand te laten voor zover bij het bouwen daarvan niet is
voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden uit
het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid,
energiezuinigheid en milieu technische voorschriften gegeven omtrent
het bouwen van woningen en andere gebouwen.
2. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid,
gezondheid en bruikbaarheid voorschriften gegeven omtrent de staat van
bestaande woningen en van bestaande andere gebouwen.
3. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid,
gezondheid en milieu technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen
van bouwwerken, geen gebouw zijnde.
4. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid en
gezondheid technische voorschriften gegeven omtrent de staat van
bestaande bouwwerken, geen gebouw zijnde.
5. Aan een voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk kunnen
voorschriften worden verbonden.
6. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te
stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier
weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
Artikel 3
Bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van
bestuur kan worden verwezen naar:
a. normen of delen van normen en
b. kwaliteitsverklaringen.
Artikel 4
Indien een bouwwerk gedeeltelijk wordt vernieuwd, veranderd of
vergroot, zijn de voorschriften, bedoeld in artikel 2, voor zover zij
betrekking hebben op dat bouwen, slechts van toepassing op die
vernieuwing, verandering of vergroting.
Artikel 5
Op de voordracht van Onze Minister wordt de in artikel 2 bedoelde
algemene maatregel van bestuur in overeenstemming gebracht met
technische voorschriften omtrent het bouwen, die zijn of worden gegeven
bij of krachtens een andere algemene maatregel van bestuur.
Artikel 6
Bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat van een daarbij gegeven voorschrift bij
een omgevingsvergunning kan worden afgeweken tot een bij dat voorschrift
aangegeven niveau of, indien sprake is van het geheel of gedeeltelijk
vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk dat tevens
kan worden aangemerkt als een activiteit met betrekking tot een monument
als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, dan wel artikel 2.2,
eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in
het belang van de monumentenzorg.
Artikel 7
1. Onze Minister kan op verzoek van een aanvrager om een
omgevingsvergunning in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de
bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van
bestuur gegeven voorschriften, met dien verstande dat, indien het
verzoek betrekking heeft op voorschriften als bedoeld in artikel 5,
hij de ontheffing slechts kan verlenen in overeenstemming met het bij
of krachtens de desbetreffende wet daartoe bevoegd verklaarde gezag.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van
een verklaring van het bevoegd gezag, dat het de desbetreffende
omgevingsvergunning zal verlenen indien ontheffing als bedoeld in dat
lid, is verkregen.
3. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, mogen
slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen,
waarop de voorschriften, waarvan ontheffing wordt verleend, het oog
hebben.
4. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking
van de beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, doet
Onze Minister daarvan mededeling aan het bevoegd gezag.
5. De verlening van de verklaring, bedoeld in het tweede lid, en
de verlening van ontheffing, bedoeld in het eerste lid, worden geacht
voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene
wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop zij
betrekking hebben.
6. In een geval als bedoeld in het eerste lid, dat betrekking
heeft op een tunnel in het trans-Europese wegennet die langer is dan 500
meter kan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde ontheffing slechts
verlenen indien dat noodzakelijk is voor het toepassen van innovatieve
veiligheidsvoorzieningen of innovatieve veiligheidsprocedures, en de in
artikel 14 van richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees parlement en de
Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake
minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEU
L 167, gerectificeerd in PbEU L 201) voorgeschreven procedure is
doorlopen en op grond daarvan van rechtswege toestemming is verkregen of
door de Europese Commissie toestemming is verleend.
7. In een geval als bedoeld in het zesde lid verzoekt de
tunnelbeheerder, bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid
wegtunnels, aan Onze Minister om de ontheffing als bedoeld in het eerste
lid niet te verlenen dan nadat het voornemen daartoe aan de Europese
Commissie is voorgelegd.
8. Het eerste, derde, vierde, zesde en zevende lid zijn van
overeenkomstige toepassing indien voor het bouwen op grond van artikel
2.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen
omgevingsvergunning is vereist.
Artikel 7a
1. Onze Minister kan met het oog op duurzaam bouwen in een
bijzonder geval het bevoegd gezag toestaan door hem voorgestelde
nadere voorschriften op te leggen ter voldoening aan de technische
voorschriften, gegeven bij of krachtens de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel 2. Dit toestaan kan ook betrekking hebben
op door het bevoegd gezag voorgestelde, uit het oogpunt van milieu op
te leggen technische voorschriften, waarin de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel 2, niet voorziet. Een verzoek van het
bevoegd gezag geschiedt mede aan de hand van een door Onze Minister
ter beschikking gesteld formulier. Het verzoek, alsmede de daarbij
voorgestelde op te leggen voorschriften zijn gemotiveerd en van een
toelichting voorzien.
2. Onze Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van een
verzoek om toestemming. Hij kan die beslissing eenmaal voor ten hoogste
vier weken verdagen. Indien toestemming wordt verleend, geldt die
toestemming alleen voor het geval waarop het verzoek betrekking heeft.
Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.
3. De toestemming op een verzoek van het bevoegd gezag is van
rechtswege verleend indien Onze Minister:
a. niet binnen acht weken na ontvangst van het verzoek een
beslissing op dat verzoek heeft genomen,
b. niet binnen acht weken na ontvangst van het verzoek heeft
besloten de beslissing op dat verzoek te verdagen, of
c. niet binnen de termijn waarmee de beslissing op het verzoek is
verdaagd, een beslissing op dat verzoek heeft genomen.
Deze verlening van toestemming wordt aangemerkt als een besluit in de
zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling 2. De bouwverordening
Artikel 7b
1. Tenzij een omgevingsvergunning het uitdrukkelijk toestaat,
is het verboden een bouwwerk te bouwen, voor zover daarbij niet wordt
voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften,
bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdelen c en e, en vijfde lid,
met dien verstande dat voorschriften van stedenbouwkundige aard als
bedoeld in dat vijfde lid niet van toepassing zijn op het bouwen
waarvoor op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht geen omgevingsvergunning is vereist.
2. Het is verboden:
a. een bouwwerk te gebruiken of te laten gebruiken, anders dan in
overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde
voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a;
b. een open erf of terrein te gebruiken of te laten gebruiken,
anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing
zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b;
c. een open erf of terrein in een staat te brengen, te laten komen
of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat open erf of
terrein van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8,
tweede lid, onderdeel b;
d. te slopen, tenzij daarbij wordt voldaan aan de op dat slopen van
toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid,
onderdeel d en g.
3. Een verbod als bedoeld in het eerste of tweede lid heeft mede
betrekking op het niet voldoen aan de voorschriften met betrekking tot
het bouwen, het gebruik, de staat of het slopen van een bouwwerk,
bedoeld in:
a. artikel 8, zevende lid, voor zover deze voorschriften in de
bouwverordening zijn opgenomen;
b. artikel 8, achtste lid, indien en voor zover deze voorschriften
op grond van het negende lid van dat artikel rechtstreeks gelden.
4. Tenzij een omgevingsvergunning het uitdrukkelijk toestaat, is
het verboden een bouwwerk dan wel deel daarvan in stand te laten voor
zover bij het bouwen daarvan niet is voldaan aan de op dat bouwen van
toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in het eerste of derde lid.
Artikel 8
1. De gemeenteraad stelt een bouwverordening vast, die
uitsluitend de voorschriften, bedoeld in het tweede tot en met zesde
lid, bevat.
2. De bouwverordening bevat voorschriften omtrent:
a. het gebruik van woningen, andere gebouwen en bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, waaronder in elk geval zijn begrepen voorschriften
met betrekking tot:
1°. de beschikbaarheid van drinkwater en
energie;
2°. de reinheid;
3°. het bestrijden van schadelijk of
hinderlijk gedierte;
4°. de brandveiligheid en
5°. voor zover het woningen betreft, het
aantal personen dat in een dergelijk gebouw mag wonen;
b. het gebruik van open erven en terreinen en de staat, waarin deze
zich moeten bevinden;
c. het tegengaan van het bouwen van een bouwwerk op verontreinigde
bodem;
d. het slopen, waaronder begrepen voorschriften omtrent selectief
slopen;
e. het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden met betrekking tot
een bouwwerk, waaronder in elk geval zijn begrepen voorschriften met
betrekking tot:
1°. de veiligheid op de bouw- of
sloopplaats;
2°. de tijdstippen waarop met het bouwen
of het slopen mag worden en wordt begonnen;
3°. de
tijdstippen waarop met het bouwen of het slopen moet zijn begonnen en
het bouwen of het slopen moet zijn beëindigd, alsmede de wijze van
gereedmelding van het bouwen of het slopen;
4°. de termijn gedurende welke het bouwen
of het slopen ten hoogste mag stilliggen;
5°. bescheiden die op de bouw- of
sloopplaats aanwezig moeten zijn;
6°. opmetingen, ontgravingen, opbrekingen
en onderzoekingen, die met betrekking tot het bouwen of het slopen
noodzakelijk zijn en
7°. het tijdstip en de wijze van
overleggen van kwaliteitsverklaringen en van nadere gegevens met
betrekking tot de installaties voor drinkwater en energie.
3. De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c,
hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken:
a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
verblijven,
b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, met
uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan
een bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2.1, derde
lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen
omgevingsvergunning is vereist, en
c.
1°. die de grond raken, of
2°. ten aanzien waarvan het bestaande,
niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.
4. De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c,
hebben in elk geval betrekking op:
a. het verrichten van onderzoek naar aard en mate van
verontreiniging van de bodem;
b. aard en omvang van het onderzoek, en
c. inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport.
5. De bouwverordening kan voorschriften bevatten van
stedenbouwkundige aard. Tot die voorschriften kunnen behoren
voorschriften met betrekking tot:
a. de wegen waaraan een bouwwerk mag worden gebouwd;
b. de rooilijnen, en
c. de plaatsing van bouwwerken ten opzichte van elkaar, mede uit
het oogpunt van bereikbaarheid van die bouwwerken.
6. De bouwverordening bevat tevens voorschriften omtrent de
samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie. Zij
kan bepalen dat er in plaats van een welstandscommissie een
stadsbouwmeester wordt aangesteld, in welk geval de bouwverordening
voorschriften bevat over de rol en de functie van de stadsbouwmeester.
Voorts kan de bouwverordening nadere voorschriften bevatten omtrent de
verslagen, bedoeld in artikel 12b, derde lid.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in
de bouwverordening voorschriften worden gegeven omtrent andere
onderwerpen dan die, genoemd in het tweede, vijfde en zesde lid.
8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter bevordering van
eenheid in de bouwverordeningen regelen worden gegeven omtrent de inhoud
van de voorschriften, bedoeld in het tweede tot en met vierde, zesde en
zevende lid.
9. De gemeenteraad brengt binnen een jaar na het in werking
treden van de krachtens het achtste lid en de krachtens artikel 120
gegeven voorschriften de bouwverordening met die voorschriften in
overeenstemming. Zolang de bouwverordening niet met die voorschriften in
overeenstemming is gebracht, gelden die voorschriften rechtstreeks.
Artikel 9
1. Voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet
overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende
bestemmingsplan blijven eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing.
2. De voorschriften van de bouwverordening blijven van toepassing
indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die
hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan
anders bepaalt.
Artikel 10
De in de bouwverordening vervatte voorschriften omtrent de rooilijnen
en de plaatsing van bouwwerken ten opzichte van elkaar zijn niet van
toepassing op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van een
bouwwerk, voor zover het te vernieuwen of veranderen gedeelte van dat
bouwwerk overeenkomstig het destijds geldende recht in afwijking van die
voorschriften tot stand is gekomen.
Artikel 11
1. Bij een in de bouwverordening gegeven voorschrift kan worden
bepaald, dat daarvan kan worden afgeweken bij een vergunning voor een
bouw- of sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
a, respectievelijk 2.2, eerste lid, onder a, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht.
2. Van een voorschrift dat overeenkomstig artikel 8, negende lid,
in de bouwverordening is opgenomen kan slechts worden afgeweken voor
zover dat is toegestaan op grond van een algemene maatregel van bestuur
krachtens artikel 8, achtste lid.
Afdeling 3. De welstand
Artikel 12
1. Het uiterlijk van:
a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een bouwwerk, niet
zijnde een seizoensgebonden bouwwerk, waarvoor in de
omgevingsvergunning is bepaald dat dit slechts voor een bepaalde
periode in stand mag worden gehouden;
b. een te bouwen bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van
artikel 2.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
geen omgevingsvergunning is vereist,
mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van
welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste
lid, onderdeel b.
2. De gemeenteraad kan
besluiten dat, in afwijking van het eerste lid en artikel 2.10, eerste
lid, onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor een
daarbij aan te wijzen gebied of voor een of meer daarbij aan te wijzen
categorieën van bestaande en te bouwen bouwwerken geen redelijke eisen
van welstand van toepassing zijn.
3. Voor zover de toepassing van de
criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, leidt tot
strijd met het bestemmingsplan of met in de bouwverordening opgenomen
voorschriften van stedenbouwkundige aard, blijven die criteria buiten
toepassing.
4. De gemeenteraad betrekt de ingezetenen van de gemeente en
belanghebbenden bij de voorbereiding van besluiten krachtens het tweede
lid op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
vastgestelde verordening.
Artikel 12a
1. De gemeenteraad stelt een welstandsnota vast, inhoudende
beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het
bevoegd gezag toepast bij de beoordeling:
a. of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de
aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft, zowel op
zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten
ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand;
b. of het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in ernstige mate in
strijd is met redelijke eisen van welstand.
2. Artikel 12, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op
de vaststelling of wijziging van de welstandsnota.
3. De criteria, bedoeld in het eerste lid:
a. hebben geen betrekking op bouwwerken, waarvoor in de
omgevingsvergunning wordt bepaald dat deze slechts voor een bepaalde
periode in stand mogen worden gehouden, met uitzondering van
seizoensgebonden bouwwerken;
b. zijn zoveel mogelijk
toegesneden op de onderscheiden categorieën bouwwerken;
c. kunnen verschillen naargelang de plaats waar een bouwwerk is
gelegen.
4. Ter bevordering van de
eenheid in welstandsnota's kunnen bij algemene maatregel van bestuur
voorschriften worden gegeven omtrent categorieën van bouwwerken als
bedoeld in het derde lid en de daarop toe te passen criteria.
5. Een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in het vierde lid treedt niet eerder in werking dan twee maanden
na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van
de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 12b
1. De welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester baseert
haar onderscheidenlijk zijn advies slechts op de criteria, bedoeld in
artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, doch betrekt daarbij, indien van
toepassing, het bepaalde in artikel 12, derde lid. De adviezen van de
welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester zijn openbaar. Een
advies van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester
inhoudende dat een bouwplan in strijd is met redelijke eisen van
welstand, wordt schriftelijk uitgebracht en deugdelijk gemotiveerd.
2. De door de welstandscommissie of stadsbouwmeester gehouden
vergaderingen zijn openbaar. Een vergadering of gedeelte daarvan is niet
openbaar in gevallen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet
openbaarheid van bestuur en in gevallen waarin het belang van
openbaarheid niet opweegt tegen de in artikel 10, tweede lid, van die
wet genoemde belangen.
3. De welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester legt de
gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar
onderscheidenlijk hem verrichte werkzaamheden. In het verslag wordt ten
minste uiteengezet op welke wijze zij onderscheidenlijk hij toepassing
heeft gegeven aan de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid,
onderdeel a.
4. Een voorzitter of ander lid van een welstandscommissie kan
voor een termijn van ten hoogste drie jaar worden benoemd in een
welstandscommissie die in de betreffende gemeente werkzaam is. Zij
kunnen eenmaal voor een termijn van ten hoogste drie jaar worden
herbenoemd in dezelfde commissie. De eerste en tweede volzin zijn van
overeenkomstige toepassing op de stadsbouwmeester.
Artikel 12c
Burgemeester en wethouders leggen de gemeenteraad eenmaal per jaar
een verslag voor waarin zij ten minste uiteenzetten:
a. op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de
welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester;
b. in welke gevallen waarin niet is of wordt voldaan aan artikel
12, eerste lid, zij zijn overgegaan tot oplegging van een last onder
bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.
Hoofdstuk III. Bijzondere bepalingen
Artikel 12d
1. Het bevoegd gezag kan, indien een vereniging van eigenaars
ten behoeve van een bij haar in beheer zijnd gebouw niet beschikt over
een onderhoudsplan en dat gebouw is gelegen in een gebied waarin de
leefbaarheid naar het oordeel van het bevoegd gezag onder druk staat,
die vereniging van eigenaars verplichten tot het binnen een door het
bevoegd gezag te bepalen termijn laten opstellen van een
onderhoudsplan door een deskundig persoon of een deskundige instantie
en tot het van kracht laten blijven van dat plan gedurende zijn
looptijd. Voor zover die looptijd langer is dan vijf jaar, omvat de in
de vorige volzin bedoelde verplichting mede de verplichting het
onderhoudsplan elke vijf jaar door een deskundig persoon of een
deskundige instantie te laten herzien.
2. Het bevoegd gezag legt een verplichting als bedoeld in het
eerste lid niet op dan nadat met toepassing van artikel 127a van Boek 5
van het Burgerlijk Wetboek een vergadering van eigenaars is
bijeengeroepen en de vereniging van eigenaars niet binnen drie maanden
nadat die vergadering heeft plaatsgevonden over een onderhoudsplan
beschikt. De eerste volzin is niet van toepassing, indien redelijkerwijs
voorzienbaar is dat het bijeenroepen van de vergadering van eigenaars,
bedoeld in die zin, dan wel het in acht nemen van de termijn van drie
maanden, bedoeld in die zin, er niet toe zal leiden dat de vereniging
van eigenaars uit eigen beweging een onderhoudsplan opstelt of laat
opstellen.
3. Het onderhoudsplan, bedoeld in het eerste lid, bevat ten
minste:
a. de onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan en de vernieuwingen
van die gedeelten van het gebouw waarover de vereniging van eigenaars
het beheer voert over een periode van vijf jaar;
b. een schatting van de aan de werkzaamheden en de vernieuwingen,
bedoeld in onderdeel a, verbonden kosten en een gelijkmatige
toerekening van die kosten aan de onderscheiden jaren;
c. een schatting van de benodigde jaarlijkse reservering voor
andere dan de gewone jaarlijkse kosten na de periode waarop het
onderhoudsplan betrekking heeft.
4. De vereniging van eigenaars zendt binnen vier weken na het
opstellen van het onderhoudsplan, bedoeld in het eerste lid, een
afschrift van het plan aan het bevoegd gezag.
5. Indien een machtiging tot het bijeenroepen van een vergadering
van eigenaars als bedoeld in artikel 127a, eerste lid, aanhef, van Boek
5 van het Burgerlijk Wetboek wordt afgegeven binnen vijf jaar nadat een
eerdere machtiging is afgegeven, kan het bevoegd gezag de betrokken
vereniging van eigenaars verplichten tot het uitbesteden van het beheer
aan een professionele beheerder.
Artikel 13
Het bevoegd gezag kan degene die als eigenaar van een gebouw of een
bouwwerk, niet zijnde een gebouw, dan wel uit anderen hoofde bevoegd is
tot het daaraan treffen van voorzieningen, verplichten tot het binnen
een door het bevoegd gezag te bepalen termijn treffen van voorzieningen
waardoor de staat van dat gebouw of dat bouwwerk komt te liggen op een
niveau dat hoger is dan het niveau dat overeenkomt met de voorschriften,
bedoeld in artikel 1b, tweede lid, onderdeel a, respectievelijk b,
zonder dat dit hoger komt te liggen dan het niveau dat overeenkomt met
de voorschriften, bedoeld in artikel 1b, eerste lid, onderdeel a,
respectievelijk b, mits die voorzieningen:
a. onderdeel zijn van een onderhoudsplan voor een gebouw als
bedoeld in artikel 12d, eerste lid, en niet binnen de daarvoor in
het onderhoudsplan gestelde termijn zijn uitgevoerd, dan wel
b. naar het oordeel van het bevoegd gezag anderszins noodzakelijk
zijn.
Artikel 13a
Indien niet wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid, kan het bevoegd
gezag, tenzij toepassing is gegeven aan het tweede lid van dat artikel,
degene die als eigenaar van een bouwwerk dan wel uit anderen hoofde
bevoegd is tot het treffen van voorzieningen daaraan, verplichten tot
het binnen een door hem te bepalen termijn treffen van zodanige door hem
daarbij aan te geven voorzieningen, dat nadien wordt voldaan aan artikel
12, eerste lid.
Artikel 14
1. Indien een gebouw, een open erf of een terrein op grond van
artikel 17, dan wel een gebouw op grond van artikel 174a van de
Gemeentewet, een verordening als bedoeld in artikel 174 van die wet of
artikel 13b van de Opiumwet is gesloten, kan bij besluit van het
bevoegd gezag degene die als eigenaar of uit anderen hoofde bevoegd is
tot het in gebruik geven van dat gebouw, open erf of terrein, worden
verplicht om naar keuze van het bevoegd gezag het gebouw, open erf of
terrein binnen een daarbij te bepalen termijn:
a. in gebruik te geven aan een andere persoon dan degene die als
gevolg van de sluiting het gebruik van het gebouw, open erf of terrein
heeft moeten staken, of
b. in beheer te geven aan een persoon, die uit hoofde van beroep of
bedrijf op het terrein van de huisvesting werkzaam is, of aan een op
dat terrein werkzame instelling.
2. Het bevoegd gezag kan in zijn besluit:
a. personen of instellingen als bedoeld in het eerste lid,
onderdelen a en b, noemen uit welke degene tot wie het besluit is
gericht een keuze moet maken, of, indien dit naar het oordeel van het
bevoegd gezag niet mogelijk is, een persoon of instelling als hier
bedoeld noemen aan wie het gebouw, open erf of terrein binnen een
daarbij aangegeven termijn en op een daarbij aangegeven wijze in
gebruik dan wel in beheer moet worden gegeven,
b. indien het gebouw, open erf of terrein noodzakelijke
voorzieningen behoeft om weer op redelijke wijze tot bewoning of
gebruik te kunnen dienen, degene die als eigenaar of uit anderen
hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, ertoe
verplichten om binnen een door hem te bepalen termijn de door hem aan
te geven voorzieningen te treffen, en
c. zo nodig, andere voorwaarden aan de uitvoering van het besluit
stellen.
3. Indien het eerste lid, onderdeel b, van toepassing is stelt
het bevoegd gezag een beheersvergoeding vast. De in dat onderdeel
bedoelde persoon of instelling stelt na overleg met degene tot wie het
in dat lid bedoelde besluit is gericht, de huurprijs vast op een bedrag
dat redelijk is in het economische verkeer en stelt de ontvangen
huurprijs, na aftrek van de beheersvergoeding, ter beschikking van
degene tot wie dat besluit is gericht.
4. Een in het eerste lid,
onderdeel a of b, bedoelde persoon of instelling die het gebruik of
beheer van het gebouw, open erf of terrein heeft beëindigd, doet
daarvan binnen veertien dagen na de dag van beëindiging mededeling aan
het bevoegd gezag.
5. Onder beheer wordt in dit artikel
verstaan het in gebruik geven van een gebouw, open erf of terrein en het
daarna verrichten van al die handelingen met betrekking tot dat gebouw,
open erf of terrein die volgens het burgerlijk recht tot de
verantwoordelijkheid van een eigenaar behoren.
Artikel 14a
Degene, tot wie een besluit als bedoeld in artikel 12d, 13, 13a of
14, eerste lid, is gericht, of zijn rechtsopvolger en iedere verdere
rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.
Artikel 15
1. Het bevoegd gezag kan gelijktijdig met een besluit als
bedoeld in artikel 12d, 13, 13a of 14, eerste lid, besluiten tot
oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last
onder dwangsom, gericht op naleving van het eerstgenoemde besluit. In
dat geval worden beide besluiten gelijktijdig bekendgemaakt.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid maakt het
besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van
een last onder dwangsom, wat betreft de mogelijkheid van bezwaar en
beroep, deel uit van het in artikel 12d, 13, 13a of 14, eerste lid,
bedoelde besluit.
Artikel 15a [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 16
Degene die als eigenaar van een woning of uit anderen hoofde daartoe
bevoegd is, treft de voorzieningen waarvoor ingevolge de Wet
maatschappelijke ondersteuning geldelijke steun is verleend.
Artikel 16a [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 17
1. Indien overtreding van de bij of krachtens hoofdstuk I, II,
of III gegeven voorschriften met betrekking tot de staat of het
gebruik van een gebouw, open erf of terrein gepaard gaat met een
bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de veiligheid of de
gezondheid, en er een klaarblijkelijk gevaar is op herhaling van de
overtreding, kan het bevoegd gezag besluiten dat gebouw, open erf of
terrein te sluiten. De artikelen 5:24, eerste en tweede lid, en 5:25
tot en met 5:28 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige toepassing. Het bevoegd gezag kan van de overtreder de
ingevolge artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht verschuldigde
kosten invorderen bij dwangbevel.
2. Het bevoegd gezag bepaalt in het besluit, bedoeld in het
eerste lid, de duur van de sluiting.
Artikel 17a [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 17b [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 18
Indien het bevoegd gezag een besluit als bedoeld in artikel 13, 13a,
14, eerste lid, of 17 heeft genomen en, nadat dat besluit is genomen,
een ander bestuursorgaan ten aanzien van het betrokken bouwwerk, open
erf of terrein het bevoegd gezag wordt, is artikel 5.2, tweede lid, van
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op een zodanig besluit van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 19 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 20 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 21 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 22 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 23 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 24 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 25 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 26 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 27 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 28 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 29 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 30 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 31 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 32 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 33 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 34 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 35 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 36 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 37 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 38 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 39 [Vervallen per 01-04-2007]
Hoofdstuk IV [Vervallen per 01-10-2010]
Afdeling 1 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 40 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 40a [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 40b [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 41 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 43 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 44 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 44a [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 45 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 46 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 47 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 48 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 49 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 50 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 50a [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 51 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 51a [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 52 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 52a [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 53 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 54 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 55 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 56 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 56a [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 56b [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 57 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 58 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 59 [Vervallen per 01-10-2010]
Afdeling 2 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 60 [Vervallen per 01-10-2010]
Afdeling 3 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 61 [Vervallen per 01-04-2007]
Afdeling 4 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 61a
1. Het is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70,
eerste lid, in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
aangegeven gevallen, verboden zonder vergunning van Onze Minister haar
onroerende zaken te vervreemden aan of daarop een recht van erfpacht,
van opstal of van vruchtgebruik te vestigen ten behoeve van een
wederpartij die geen zodanige toegelaten instelling en geen huurder
van een onroerende zaak van een zodanige toegelaten instelling is.
Onze Minister stelt voor het aanvragen van een zodanige vergunning en
het in verband daarmee door de betrokken toegelaten instelling
verstrekken van gegevens een formulier vast.
2. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde vergunning
weigeren, indien de toegelaten instelling bij een voorgenomen
vervreemding aan of vestiging van een recht als bedoeld in dat lid naar
zijn oordeel:
a. onvoldoende rekening houdt met de gevolgen daarvan voor de
huurders van de betrokken onroerende zaken;
b. onvoldoende motiveert waarom zij afziet van vervreemding aan of
vestiging van een zodanig recht ten behoeve van een andere
wederpartij, of
c. de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven, op
een handeling als bedoeld in het eerste lid van toepassing zijnde
voorschriften niet naleeft.
3. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde vergunning
intrekken, indien hem blijkt dat hij de vergunning ten gevolge van een
onjuiste of onvolledige opgave heeft verleend.
4. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde vergunning
tevens weigeren of intrekken in het geval en onder de voorwaarden,
bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen
door het openbaar bestuur.
5. Voordat toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, kan het
Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur,
bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen
door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van
die wet worden gevraagd.
Hoofdstuk V. Voorziening in de woningbehoefte
Afdeling 1. Onderzoek naar de volkshuisvesting
Artikel 62
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan, ten einde gegevens
te verkrijgen omtrent omvang en samenstelling van de woningvoorraad en
omtrent gebruik en bezetting van woningen, worden bepaald dat een
algemene woningtelling wordt gehouden. In die maatregel worden
tijdstip, doel en inhoud van de woningtelling omschreven.
2. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften omtrent de
woningtelling worden gegeven.
3. De colleges van burgemeester en wethouders verlenen hun
medewerking aan de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur.
4. Bij de in het eerste lid
bedoelde algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven
omtrent de aan gemeenten uit ’s Rijks kas toe te kennen
vergoeding van ter zake gemaakte kosten.
Artikel 63
1. Bij koninklijk besluit kunnen
burgemeester en wethouders worden verplicht, overeenkomstig bij dat
besluit te geven voorschriften, een bijzonder onderzoek naar de staat
van de volkshuisvesting in te stellen.
2. Aan gemeenten kunnen
financiële middelen uit ’s Rijks kas worden verstrekt ter
bestrijding van de kosten, verbonden aan een onderzoek als bedoeld in
het eerste lid.
Afdeling 2. Planning, programmering en verdeling
Artikel 64
Onze Minister verstrekt eenmaal per jaar aan de Staten-Generaal een
verslag van de aard en het aantal van de woningen die in het jaar,
voorafgaand aan het jaar waarin het verslag wordt aangeboden, zijn
gebouwd.
Artikel 65
1. Burgemeester en wethouders alsmede gedeputeerde staten
verstrekken overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur gegeven voorschriften informatie ten behoeve van de door Onze
Minister ingevolge artikel 64 aan de Staten-Generaal te verstrekken
gegevens.
2. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het eerste lid, worden in elk geval voorschriften gegeven omtrent de
aard en omvang van de te verstrekken informatie, de instanties die,
alvorens de informatie wordt verstrekt, moeten worden gehoord, alsmede
de wijze waarop, het tijdstip waarop en de instantie waaraan de
informatie moet worden verstrekt.
Artikel 66 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 67 [Vervallen per 01-12-2000]
Artikel 68 [Vervallen per 01-12-2000]
Artikel 69
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 65, treedt
niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt
onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Afdeling 3. Instellingen werkzaam in het belang van de
volkshuisvesting
Artikel 70
1. Verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en stichtingen,
die zich ten doel stellen uitsluitend op het gebied van de
volkshuisvesting werkzaam te zijn en niet beogen uitkeringen te doen
anders dan in het belang van de volkshuisvesting, kunnen bij
koninklijk besluit worden toegelaten als instellingen, uitsluitend in
het belang van de volkshuisvesting werkzaam.
2. De toelating, bedoeld in het eerste lid, kan bij koninklijk
besluit worden geweigerd of ingetrokken. De toelating wordt in elk geval
geweigerd, indien de vereniging of de stichting niet voldoet aan het
eerste lid of de toelating niet in het belang van de volkshuisvesting is
te achten. De toelating wordt ingetrokken, indien de toegelaten
instelling niet langer uitsluitend op het gebied van de volkshuisvesting
werkzaam is of uitkeringen doet anders dan in het belang van de
volkshuisvesting.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere dan de in het
tweede lid bedoelde gevallen worden aangegeven, waarin de toelating
wordt of kan worden geweigerd dan wel wordt of kan worden ingetrokken.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften
gegeven omtrent de toelating, alsmede omtrent weigering en intrekking
van de toelating. Daarbij kan worden bepaald, dat de statuten van de
vereniging of de stichting voorschrijven dat bij ontbinding van de
vereniging of de stichting de vereffening geschiedt door een of meer
door burgemeester en wethouders van de gemeente, waar de vereniging of
de stichting haar woonplaats heeft, aangewezen vereffenaars.
Artikel 70a
1. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat de toegelaten
instellingen binnen een bij dat besluit gestelde termijn hun statuten
moeten aanpassen aan de voorschriften omtrent de toelating, zoals deze
luiden op de dag waarop dat besluit is genomen.
2. Indien een toegelaten instelling geen uitvoering geeft aan een
besluit als bedoeld in het eerste lid, kan de toelating worden
ingetrokken.
Artikel 70b
1. Tegen een koninklijk besluit dat strekt tot intrekking van
de toelating staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State. De Afdeling oordeelt in hoogste ressort over het
beroep. Zij geeft daarbij aanvankelijk overeenkomstige toepassing aan
artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht en kan nadien
overeenkomstige toepassing geven aan artikel 8:53 van die wet.
2. Nadat een koninklijk besluit dat strekt tot intrekking van de
toelating onherroepelijk is geworden, wordt de vereniging of de
stichting op vordering van Onze Minister ontbonden door de rechtbank
binnen welker rechtsgebied zij gevestigd is.
Artikel 70c
1. De toegelaten instellingen huisvesten bij voorrang personen
die door hun inkomen of door andere omstandigheden moeilijkheden
ondervinden bij het vinden van hun passende huisvesting. Bij het in
gebruik geven van door hen beheerde woningen met een verhoudingsgewijs
lage huurprijs geven zij zo veel mogelijk voorrang aan woningzoekenden
die, gelet op hun inkomen, in het bijzonder op die woningen zijn
aangewezen.
2. De toegelaten instellingen nemen bij hun werkzaamheden voorts
de daaromtrent bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven
voorschriften in acht. Deze voorschriften betreffen in ieder geval:
a. het verwerven, bouwen, bezwaren en vervreemden van onroerende
zaken;
b. het treffen van voorzieningen aan woningen;
c. het verhuren van woningen;
d. de wijze van beheer van woningen;
e. de exploitatie van woningen;
f. de bestemming van batige saldi;
g. het financiële beleid en
beheer;
h. de verslaglegging;
i. de inrichting van de administratie en
j. overleg met en verplichtingen ten opzichte van huurders.
3. Bij de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat het eerste lid, alsmede voorschriften als
bedoeld in het tweede lid, van toepassing zijn op gemeenten.
4. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur kunnen de in dat lid genoemde voorschriften voorts
worden gegeven voor standplaatsen en woonwagens, instellingen waarin aan
ten minste vijf personen van 65 jaar of ouder duurzaam verblijf en
verzorging wordt verschaft, onroerende aanhorigheden van woningen,
standplaatsen, woonwagens en zodanige verzorgingshuizen, alsmede de
woonomgeving.
Artikel 70d
1. De toegelaten instellingen staan onder toezicht van Onze
Minister, behoudens artikel 71a, eerste lid, aanhef en onderdeel b.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent
het toezicht nadere voorschriften gegeven. Daarbij kan worden bepaald
dat in de bij die maatregel aangegeven gevallen:
a. Onze Minister een toegelaten instelling een aanwijzing kan geven
om een of meer handelingen te verrichten of na te laten;
b. een toegelaten instelling bepaalde handelingen slechts kan
verrichten na voorafgaande goedkeuring of
c. ten behoeve van door een toegelaten instelling te verrichten
handelingen een plan wordt opgesteld door een door Onze Minister aan
te wijzen persoon of instantie.
Artikel 70e
1. Indien een toegelaten instelling ernstige schade aan het
belang van de volkshuisvesting berokkent, redelijkerwijs in die
situatie geen verbetering te voorzien is en een andere daartegen
gerichte maatregel dan het onder bewind stellen van die toegelaten
instelling niet doeltreffender zou zijn, kan de rechtbank binnen
welker rechtsgebied die toegelaten instelling gevestigd is haar onder
bewind stellen op een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister.
Onze Minister kan bij zijn verzoek personen voor benoeming tot
bewindvoerder voordragen en voorstellen doen omtrent hun beloning.
2. De rechtbank behandelt het verzoek binnen twee weken nadat hij
het heeft ontvangen. Hij kan inzage nemen of, door daartoe door hem
aangewezen deskundigen, doen nemen van zakelijke gegevens en bescheiden
van de betrokken toegelaten instelling.
3. Een toegelaten instelling die surseance van betaling heeft
aangevraagd, aan welke surseance van betaling is verleend, van welke het
faillissement is aangevraagd of die failliet is verklaard kan niet onder
bewind worden gesteld in de zin van dit artikel.
Artikel 70f
1. Bij een beslissing waarbij een toegelaten instelling onder
bewind wordt gesteld, benoemt de rechtbank een of meer bewindvoerders
en regelt hij hun beloning. De beloning komt voor rekening van de
toegelaten instelling.
2. De bewindvoerders maken onverwijld een uittreksel van de
uitspraak bekend in de Staatscourant en in een of meer bij de uitspraak
aangewezen nieuwsbladen. Het uittreksel vermeldt naam en woonplaats van
de toegelaten instelling en de woonplaats of het kantoor van de
bewindvoerders, alsmede de datum van de uitspraak.
3. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad, onverminderd enige
daartegen gerichte voorziening. Gedurende acht dagen na de uitspraak kan
daartegen hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof binnen welks
rechtsgebied de betrokken toegelaten instelling gevestigd is. Het
gerechtshof behandelt het beroep binnen twee weken nadat het het
beroepschrift heeft ontvangen.
4. Gedurende acht dagen na de uitspraak van het gerechtshof in
hoger beroep kan daartegen beroep in cassatie worden ingesteld. De Hoge
Raad behandelt het beroep binnen twee weken nadat hij het beroepschrift
heeft ontvangen.
Artikel 70g
1. De bewindvoerders oefenen bij uitsluiting alle bevoegdheden
uit van de organen van de toegelaten instelling, tenzij de rechtbank
heeft bepaald dat een orgaan zijn bevoegdheden kan blijven uitoefenen.
Zij doen voorts onverwijld aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken
binnen welker gebied de toegelaten instelling gevestigd is opgaaf van
de uitspraak van de rechtbank en van de gegevens omtrent zichzelf die
omtrent een bestuurder worden verlangd.
2. Een rechtshandeling die door een orgaan van de toegelaten
instelling wordt verricht na de uitspraak van de rechtbank en voor het
tijdstip waarop degenen die bij die rechtshandeling een belang hebben
voor het eerst van die uitspraak kennis kunnen nemen, is geldig. Het
tijdstip, bedoeld in de eerste volzin, is de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin een uittreksel van die uitspraak
is bekendgemaakt.
Artikel 70h
1. De leden van de organen van de toegelaten instelling en de
personen die voor haar werkzaamheden verrichten, verlenen alle door de
bewindvoerders gevraagde medewerking.
2. Indien meer dan een bewindvoerder is benoemd, is voor de
geldigheid van hun handelingen toestemming van de meerderheid of, bij
staking van stemmen, een beslissing van de president van de rechtbank
vereist.
3. De rechtbank kan te allen tijde een bewindvoerder ontslaan en
hem door een andere bewindvoerder vervangen, dan wel aan hem een of meer
bewindvoerders toevoegen, een en ander ambtshalve dan wel op verzoek van
die bewindvoerder zelf, van een of meer andere bewindvoerders of van
Onze Minister.
4. De bewindvoerders brengen
tijdens de uitoefening van hun bevoegdheden telkens na verloop van drie
maanden, alsmede na beëindiging daarvan, zo spoedig mogelijk verslag
over hun werkzaamheden uit aan de rechtbank en Onze Minister.
Artikel 70i
1. Het bewind eindigt twee jaar na de
uitspraak van de rechtbank waarbij de betrokken toegelaten instelling
onder bewind is gesteld. Het bewind eindigt voorts met onmiddellijke
ingang na het onherroepelijk worden van een benoeming van een of meer
bewindvoerders in een aan de betrokken toegelaten instelling verleende
surseance van betaling of van een of meer curatoren in haar
faillissement.
2. Indien naar het oordeel van Onze Minister voor het tijdstip,
genoemd in de eerste volzin van het eerste lid, de voorwaarden zijn
geschapen waaronder de toelating niet langer ernstige schade aan het
belang van de volkshuisvesting berokkent en niet op korte termijn
ernstige schade aan dat belang zal berokkenen, verzoekt hij de rechtbank
het bewind op te heffen. Bij zijn besluit waarbij het bewind wordt
opgeheven, ontslaat de rechtbank de bewindvoerders.
Artikel 70j
1. Verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en stichtingen,
die mede in het belang van de volkshuisvesting werkzaam zijn, kunnen
bij koninklijk besluit als toegelaten instelling worden toegelaten.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften
gegeven omtrent de toelating, weigering en intrekking van de toelating,
alsmede omtrent de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen als
bedoeld in het eerste lid.
3. De artikelen 70, tweede, derde en vierde lid, 70a, 70b, 70d
tot en met 70i en 105 zijn voorzover mogelijk van toepassing.
Artikel 70k
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 70,
70c, 70d en 70j treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de
plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 70l
1. Het is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70,
eerste lid, in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
aangegeven gevallen, verboden zonder vergunning van Onze Minister haar
onroerende zaken te vervreemden aan of daarop een recht van erfpacht,
van opstal of van vruchtgebruik te vestigen ten behoeve van een
wederpartij die geen zodanige toegelaten instelling en geen huurder
van een onroerende zaak van een zodanige toegelaten instelling is.
Onze Minister stelt voor het aanvragen van een zodanige vergunning en
het in verband daarmee door de betrokken toegelaten instelling
verstrekken van gegevens een formulier vast.
2. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde vergunning
weigeren, indien de toegelaten instelling bij een voorgenomen
vervreemding aan of vestiging van een recht als bedoeld in dat lid naar
zijn oordeel:
a. onvoldoende rekening houdt met de gevolgen daarvan voor de
huurders van de betrokken onroerende zaken;
b. onvoldoende motiveert waarom zij afziet van vervreemding aan of
vestiging van een zodanig recht ten behoeve van een andere
wederpartij, of
c. de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven, op
een handeling als bedoeld in het eerste lid van toepassing zijnde
voorschriften niet naleeft.
3. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde vergunning
intrekken, indien hem blijkt dat hij de vergunning ten gevolge van een
onjuiste of onvolledige opgave heeft verleend.
4. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde vergunning
tevens weigeren of intrekken in het geval en onder de voorwaarden,
bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen
door het openbaar bestuur.
5. Voordat toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, kan het
Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur,
bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen
door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van
die wet worden gevraagd.
Afdeling 3A. Het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting
Artikel 71
Er is een Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting. Het Centraal Fonds
voor de Volkshuisvesting bezit rechtspersoonlijkheid. Het is gevestigd
te 's-Gravenhage.
Artikel 71a
1. Het fonds:
a. verstrekt subsidie aan
toegelaten instellingen ter bevordering van de sanering van toegelaten
instellingen die niet beschikken over de noodzakelijk te achten
financiële middelen, of, volgens bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur gegeven voorschriften, ter tegemoetkoming in de kosten van
werkzaamheden van toegelaten instellingen, en
b. verricht taken in het kader van
het toezicht op toegelaten instellingen, voorzover die taken bij
algemene maatregel van bestuur zijn aangegeven, welke taken de
financiële aspecten van de werkzaamheden van die instellingen betreffen
en tot welke taken kan behoren het aan Onze Minister verschaffen van
inzicht in de financiële situatie van die instellingen gezamenlijk.
2. Uit het fonds worden geen garanties verleend.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
gegeven omtrent maatregelen die het fonds jegens toegelaten instellingen
kan nemen bij het door hen niet nakomen van een jegens het fonds
bestaande verplichting.
4. Onze Minister informeert
beide kamers der Staten-Generaal over het hem verschafte inzicht in de
financiële situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
Artikel 71b
1. Het fonds stelt jaarlijks voor 1
december beleidsregels vast, waarin wordt bepaald op welke wijze het
fonds uitvoering geeft aan artikel 71a en de daarop berustende algemene
maatregelen van bestuur. De beleidsregels zijn van toepassing op het
eerstvolgende kalenderjaar. Het fonds doet een afschrift van de
beleidsregels aan Onze Minister toekomen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften worden gegeven omtrent de inhoud en de bekendmaking van de
in het eerste lid bedoelde beleidsregels.
Artikel 71c
1. Het bestuur van het fonds bestaat met inbegrip van de
voorzitter uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. Onze
Minister benoemt de voorzitter en de andere bestuursleden.
2. De bestuursleden worden, behoudens tussentijds ontslag,
benoemd voor de tijd van ten hoogste vier jaar.
3. De bestuursleden kunnen te allen tijde ontslag nemen door een
schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister. Degene die in het bestuur
is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats treedt
af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats de benoeming is
geschied had moeten aftreden.
4. Onverenigbaar met het bestuurslidmaatschap van het fonds zijn:
a. het lidmaatschap van een orgaan van, en een functie bij, een
toegelaten instelling of een organisatie die zich ten doel heeft
gesteld de belangen van toegelaten instellingen te behartigen;
b. het lidmaatschap van een college van burgemeester en wethouders
of van een orgaan van een organisatie die zich ten doel heeft gesteld
de belangen van gemeenten te behartigen;
c. een functie als ambtenaar bij een ministerie en
d. een functie als ambtenaar bij
een gemeente, een functie bij een organisatie als bedoeld in onderdeel
b, een functie bij een financiële instelling en enige andere functie,
indien de aan de betrokken functie verbonden werkzaamheden meebrengen
dat een betrokkenheid ontstaat of kan ontstaan bij de werkzaamheden
van het fonds of bij de ontwikkeling of de uitvoering van het
rijksbeleid op het gebied van de volkshuisvesting.
Artikel 71d
1. Het fonds stelt een bestuursreglement vast.
2. Het bestuursreglement en elke wijziging daarvan behoeft de
goedkeuring van Onze Minister. Onze Minister kan het bestuursreglement
gedeeltelijk goedkeuren of aan de goedkeuring voorwaarden verbinden.
3. Indien Onze Minister het voornemen heeft aan het
bestuursreglement geheel of gedeeltelijk goedkeuring te onthouden, dan
wel voorwaarden aan de goedkeuring te verbinden, stelt hij het fonds
daarvan in kennis en stelt hij het in de gelegenheid binnen ten hoogste
vier weken na die kennisgeving wijzigingen in het bestuursreglement aan
te brengen.
Artikel 71e
1. De middelen van het fonds worden gevormd door de bijdragen,
bedoeld in het tweede lid, en andere inkomsten.
2. Elke toegelaten instelling die op 1 januari van een
kalenderjaar als zodanig bestaat, is over dat kalenderjaar een bijdrage
aan het fonds verschuldigd. Het fonds bepaalt de hoogte van de bijdrage
volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te geven
voorschriften. Het besluit tot bepaling van de hoogte van de bijdrage
behoeft de instemming van Onze Minister.
3. Onze Minister kan, indien
hij van oordeel is dat het fonds op de in het tweede lid bedoelde datum
over voldoende financiële middelen zal beschikken om zonder storting
van een bijdrage als bedoeld in dat lid ten minste een jaar uitvoering
te geven aan artikel 71a, eerste lid, voor die datum bepalen dat een
zodanige bijdrage niet verschuldigd is over het jaar waarin die datum
valt.
Artikel 71f
1. Het fonds stelt jaarlijks voor 1
november een begroting vast voor het volgende kalenderjaar.
2. De begroting behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen voorschriften omtrent de inrichting van de begroting worden
gegeven.
Artikel 71g
1. Het fonds brengt jaarlijks voor 1 juli
aan Onze Minister een financieel verslag over het afgelopen kalenderjaar
uit, dat vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid van de
jaarrekening en de rechtmatigheid van de gedane uitgaven, afgegeven door
een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek.
2. Het fonds stelt de in het eerste lid genoemde stukken algemeen
verkrijgbaar.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het financiële verslag en
de accountantscontrole.
Artikel 71h
Het fonds stelt jaarlijks voor 1 juli een verslag op van de
werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid
en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder
in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister
toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
Artikel 71i
Het fonds verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de
uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan
inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor
de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 71j
De rechtspositie van het personeel van het fonds is in
overeenstemming met de regels die gelden voor ambtenaren die zijn
aangesteld bij ministeries, met dien verstande dat waar in deze regels
een bevoegdheid is toegekend aan een andere minister dan Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, deze bevoegdheid wordt
uitgeoefend door het bestuur van het fonds.
Artikel 71k
1. Indien naar het oordeel van Onze Minister het fonds ernstig
in gebreke blijft of op korte termijn ernstig in gebreke zal blijven
bij het verrichten van zijn taken, kan hij het bestuur van het fonds
schorsen of ontslaan, in welke gevallen hij in vervanging van het
geschorste of ontslagen bestuur voorziet, met dien verstande dat een
schorsing niet langer duurt dan noodzakelijk is om de voorwaarden te
scheppen waaronder het fonds naar het oordeel van Onze Minister zijn
taken weer naar behoren kan verrichten.
2. Indien en zolang een geschorst of ontslagen bestuur niet kan
worden vervangen, verricht Onze Minister de taken van het fonds, in welk
geval:
a. dit geschiedt op kosten van het fonds en
b. Onze Minister dit onverwijld meedeelt aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 71l
Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk na 1 januari 2002 en
vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over
de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van het fonds.
Artikel 72 [Vervallen per 04-02-2000]
Artikel 73
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 71a,
71b en 71e, treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de
plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Afdeling 4. Voorzieningen in het belang van de volkshuisvesting
vanwege de gemeente of de provincie
Artikel 74 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 75
1. Burgemeester en wethouders kunnen, ingeval dit noodzakelijk
is voor het naar behoren uitvoeren van deze wet, besluiten
rechtstreeks van gemeentewege voorzieningen in het belang van de
volkshuisvesting te treffen.
2. Indien ter uitvoering van het eerste lid van gemeentewege
woningen, woonwagens of standplaatsen worden gebouwd, geschiedt dit
slechts, indien aannemelijk is, dat door het bouwen van woningen,
woonwagens of standplaatsen door toegelaten instellingen niet voldoende
in de woningbehoefte zal worden voorzien.
Artikel 76 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 77 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 78 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 79 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 80
1. Indien blijkt, dat in een gemeente onvoldoende wordt
voorzien in de volkshuisvesting, kan bij koninklijk besluit,
gedeputeerde staten gehoord, de gemeenteraad onderscheidenlijk
burgemeester en wethouders of het bevoegde gezag van een
samenwerkingsverband van gemeenten worden verplicht de in dat besluit
aangegeven voorzieningen in het belang van de volkshuisvesting te
treffen.
2. Indien blijkt, dat in een provincie onvoldoende wordt voorzien
in de volkshuisvesting, kunnen bij koninklijk besluit, de inspecteur
gehoord, provinciale staten of gedeputeerde staten worden verplicht de
in dat besluit aangegeven voorzieningen in het belang van de
volkshuisvesting te treffen.
3. Bij het in het eerste en tweede lid bedoelde besluit kan
worden bepaald op welke wijze en binnen welke termijn aan dat besluit
moet worden voldaan.
4. Indien de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en
wethouders of het bevoegde gezag van het samenwerkingsverband van
gemeenten niet binnen de in het derde lid bedoelde termijn heeft voldaan
aan het in het eerste lid bedoelde besluit, geven gedeputeerde staten
uitvoering aan dat besluit op kosten van de gemeente of het
samenwerkingsverband van gemeenten.
5. Indien provinciale staten of gedeputeerde staten niet binnen
de in het derde lid bedoelde termijn hebben voldaan aan het in het
tweede lid bedoelde besluit, geeft Onze Minister uitvoering aan dat
besluit op kosten van de provincie.
6. Indien hetgeen ingevolge het derde lid is bepaald, niet
strookt met de voorschriften van enige plaatselijke, regionale of
provinciale verordening, blijven die voorschriften buiten toepassing.
Afdeling 4a. Stedelijke vernieuwing
Artikel 80a
1. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor
stedelijke vernieuwing en treft maatregelen in het belang daarvan.
2. Gedeputeerde staten dragen
uitsluitend zorg voor de bevordering en ondersteuning van stedelijke
vernieuwing, in het bijzonder indien zij in het kader daarvan
financiële middelen verstrekken.
3. Onze Minister draagt zorg voor de
bevordering en ondersteuning van stedelijke vernieuwing.
Afdeling 5. Verstrekking van geldelijke steun uit ’s Rijks kas
Artikel 81
1. Uit 's Rijks kas kunnen
aan gemeenten, plusregio’s als bedoeld in artikel 104 van de Wet
gemeenschappelijke regelingen of provincies financiële middelen worden
verstrekt voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking
tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent het
verstrekken van financiële middelen, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in het tweede lid, kunnen voorschriften worden gegeven omtrent
het door provincies overdragen van krachtens het tweede lid aan hen
toegekende bevoegdheden en verplichtingen aan een gemeente of aan een
plusregio. De voorschriften betreffen in elk geval:
a. het geval waarin een provincie bevoegdheden en verplichtingen al
dan niet dient over te dragen;
b. de gehoudenheid van een provincie uitvoering te geven aan een
door Onze Minister gegeven aanwijzing ter zake van een overdracht als
bedoeld in onderdeel a, binnen een in die aanwijzing bepaalde termijn,
en
c. de wijze waarop in geval van overdracht verantwoording aan Onze
Minister wordt afgelegd.
4. Bij of krachtens de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, kan worden
bepaald dat de gemeenteraad, het algemeen bestuur van een plusregio of
provinciale staten voorschriften geeft of geven omtrent het door
burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van een plusregio of
gedeputeerde staten verstrekken van subsidie ten laste van de uit ’s
Rijks kas aan hen verstrekte financiële middelen voor de activiteiten,
bedoeld in het eerste lid.
5. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen ter bevordering van eenheid in de voorschriften, bedoeld in het
vierde lid, regelen worden gegeven omtrent de inhoud van die
voorschriften.
6. De gemeenteraad, het algemeen bestuur van een plusregio of
provinciale staten brengen de door hen gegeven voorschriften, bedoeld in
het vierde lid, binnen zes maanden na het van kracht worden van de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vijfde lid, in
overeenstemming met de bij die algemene maatregel van bestuur gegeven
voorschriften.
Artikel 82
1. Uit 's Rijks kas kan aan anderen dan gemeenten, plusregio's
als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen of
provincies subsidie worden verstrekt voor activiteiten die passen in
het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de
woonomgeving.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften gegeven omtrent het verstrekken van subsidie, bedoeld in
het eerste lid. De voorschriften betreffen in ieder geval:
a. de doeleinden waarvoor de subsidie kan worden verstrekt;
b. degenen aan wie de subsidie kan worden verstrekt;
c. de wijze van aanvragen van de subsidie;
d. de bij de subsidie-aanvraag over te leggen gegevens en
bescheiden;
e. de termijnen voor de beslissing op de subsidie-aanvraag;
f. de gronden om geen subsidie te verstrekken;
g. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verstrekt;
h. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;
i. de totstandkoming van het subsidiebedrag;
j. de termijnen voor de beslissing omtrent de subsidievaststelling;
k. de vaststelling van het subsidieplafond en
l. de wijze van verdeling van het beschikbare bedrag.
Artikel 83
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 81 en
82, treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de
plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 84
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften
worden gegeven omtrent het door burgemeester en wethouders, gedeputeerde
staten en het dagelijks bestuur van een samenwerkingsverband van
gemeenten verstrekken van voor het verstrekken van financiële middelen
van belang zijnde gegevens. De financiële gevolgen van het verstrekken
van die gegevens worden niet gecompenseerd.
Artikel 85 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 86
Gegevens betreffende de door het Rijk verstrekte financiële middelen
en subsidie worden jaarlijks op een door Onze Minister te bepalen wijze
bekend gemaakt.
Artikel 87 [Vervallen per 01-12-2000]
Artikel 88 [Vervallen per 13-06-2008]
Hoofdstuk VI. Bestuursrechtelijke handhaving
Artikel 89 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 90 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 91 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 92
1. Het bevoegd gezag draagt zorg voor de bestuursrechtelijke
handhaving van het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken I tot en
met III.
2. Met betrekking tot de handhaving van het bepaalde bij of
krachtens de hoofdstukken I tot en met III zijn de artikelen 5.2, tweede
lid, en 5.3 tot en met 5.25 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van toepassing.
Artikel 93
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de
hoofdstukken V tot en met IX bepaalde zijn belast de bij besluit van
Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 94 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 95
1. Tegelijkertijd met of zo
spoedig mogelijk na de bekendmaking zenden burgemeester en wethouders
aan de inspecteur een afschrift van elke verordening, elk besluit of elk
aan de raad overlegd verslag, de volkshuisvesting betreffende. De
financiële gevolgen van het zenden van die afschriften worden niet
gecompenseerd.
2. Burgemeester en wethouders geven aan de
inspecteur alle door deze verlangde inlichtingen omtrent de naleving van
de wetten en de krachtens die wetten gegeven voorschriften op het gebied
van de volkshuisvesting.
Artikel 96
In aanvulling op artikel 5.11, eerste lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht zijn met het toezicht op de uitvoering van het
bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken I tot en met III tevens belast
de bij besluit van de commissaris van de Koning aangewezen personen.
Artikel 5.11, tweede lid, van die wet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 97 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 98 [Vervallen per 25-02-2005]
Artikel 99 [Vervallen per 25-02-2005]
Artikel 100 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 100a [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 100aa [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 100ab [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 100b [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 100ba [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 100c [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 100d [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 100e [Vervallen per 01-10-2010]
Hoofdstuk VII. Voorzieningen in geval van buitengewone omstandigheden
Artikel 101
1. Onverminderd de artikelen
7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit
noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de artikelen 101a, 102, en 103 gezamenlijk in
werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde
besluit is genomen wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede
Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat
besluit in werking gestelde bepalingen.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen,
dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden
dit naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 101a
Indien schaarste dreigt te ontstaan dan wel bestaat aan
arbeidskrachten, geldmiddelen of materialen, kunnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur, zo nodig in afwijking van de in de
hoofdstukken III en V of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
vervatte bepalingen, voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing
van die bepalingen of de verlening van een omgevingsvergunning.
Artikel 102
1. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 101a, stelt Onze
Minister, in overeenstemming met Onze andere Ministers wie het mede
aangaat, overeenkomstig de bij of krachtens de in dat artikel bedoelde
algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften, een plan vast,
waarin is aangegeven aan welke werken op het gebied van de burgerlijke
of utiliteitsbouw, grond-, water- of wegenbouw of op enig ander gebied
de bouwnijverheid betreffende, in het eerstkomende jaar uitvoering kan
worden gegeven.
2. Het in het eerste lid bedoelde plan wordt zo spoedig mogelijk
nadat dit is vastgesteld, door Onze Minister aan de Staten-Generaal
verstrekt.
Artikel 103
1. Bij de in artikel 101a bedoelde algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald, dat het verboden is zonder of in afwijking
van toestemming van Onze Minister en, voor zover van toepassing, Onze
Minister die het mede aangaat, als opdrachtgever, architect,
bouwondernemer, aannemer of uitvoerder betrokken te zijn bij het
uitvoeren van bouwwerken als bedoeld in artikel 102, eerste lid.
2. Onze Minister kan, voor zover van toepassing te zamen met Onze
Minister die het mede aangaat, al of niet onder voorwaarden ontheffing
verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod.
Hoofdstuk VIII. Dwang- en strafbepalingen
Artikel 104
Indien toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of
krachtens deze wet gegeven voorschriften leidt tot het slopen van een
bouwwerk, worden de overblijvende materialen door het bevoegd gezag in
het openbaar verkocht, tenzij, naar redelijkerwijs is te verwachten, bij
onderhandse verkoop een hogere opbrengst kan worden verkregen. De
opbrengst wordt, na aftrek van de kosten van het slopen en van de
verkoop, aan de rechthebbende uitgekeerd.
Artikel 105
1. Onze Minister kan aan een toegelaten instelling die in
strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens artikel 70, 70a of
70c, of met een maatregel als bedoeld in artikel 70d, tweede lid,
tweede volzin, onderdeel a, b of c, een last onder dwangsom opleggen.
2. De verbeurde dwangsom komt toe aan het Centraal Fonds voor de
Volkshuisvesting.
Artikel 105a
1. Overtreding van artikel 14, vierde lid, wordt gestraft met
geldboete van de eerste categorie.
2. Het strafbare feit, bedoeld in het eerste lid, is een
overtreding.
3. Met de opsporing van het bij het eerste lid strafbaar gestelde
feit zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering,
belast de ambtenaren die zijn belast met het toezicht op de naleving van
het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken I tot en met III.
4. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de
feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van
het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op
een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
5. Bij het opsporen van het strafbare feit, bedoeld in het eerste
lid, hebben de in het derde lid bedoelde ambtenaren toegang tot elke
plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak
nodig is.
Artikel 106 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 107 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 108 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 109 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 110 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 111 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 112 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 113 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 114 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 115 [Vervallen per 01-04-2007]
Hoofdstuk IX. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 116
Op de gezamenlijke voordracht van Onze Minister en van Onze Minister
die het mede aangaat, kan bij koninklijk besluit worden bepaald, dat
deze wet niet van toepassing is op een in dat besluit aan te wijzen werk
ten behoeve van de landsverdediging.
Artikel 117 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 118
Indien de bekendmaking van beschikkingen op grond van deze wet niet
kan geschieden op de wijze als voorzien in artikel 3:41, eerste lid, van
de Algemene wet bestuursrecht, geschiedt zij door openbare bekendmaking
op het perceel waarop de beschikking betrekking heeft.
Artikel 119 [Vervallen per 25-02-2005]
Artikel 119a [Vervallen per 25-02-2005]
Artikel 120
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
voorschriften worden gegeven met het oog op de nakoming van voor
Nederland verbindende internationale verplichtingen die betrekking
hebben op of samenhangen met onderwerpen waarin bij of krachtens deze
wet is voorzien.
2. Gedragingen in strijd met voorschriften als bedoeld in het
eerste lid, niet zijnde voorschriften als bedoeld in artikel 8, negende
lid, zijn verboden.
Artikel 120a
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat Onze Minister bij wege van experiment tijdelijk van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften kan
afwijken of een zodanige afwijking kan toestaan.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt in
ieder geval bepaald:
a. de wijze waarop tot een keuze voor experimenten als bedoeld in
het eerste lid wordt gekomen;
b. de ten hoogste toegestane tijdsduur van een afwijking als
bedoeld in het eerste lid en
c. de wijze waarop tot de vaststelling wordt gekomen of een
experiment als bedoeld in het eerste lid zodanig geslaagd is, dat het
wettelijk voorschrift waarvan bij wege van dat experiment is afgeweken
zou moeten worden gewijzigd.
Artikel 120b
Onze Minister is belast met de bestuursrechtelijke handhaving van het
verbod, bedoeld in artikel 120, tweede lid, en beschikt daartoe over de
bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
Artikel 121
De bevoegdheid, de gemeenteraad toekomende overeenkomstig artikel 149
van de Gemeentewet, mag niet worden uitgeoefend ten aanzien van de
onderwerpen waarin is voorzien bij of krachtens de algemene maatregelen
van bestuur, bedoeld in:
a. artikel 12a, vierde lid;
b. artikel 70c, tweede lid, eerste volzin, voorzover die algemene
maatregel van bestuur betrekking heeft op toegelaten instellingen.
Artikel 122
De gemeente kan geen rechtshandelingen naar burgerlijk recht
verrichten ten aanzien van de onderwerpen waarin bij of krachtens de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2, is voorzien of die
met betrekking tot het bouwen bij of krachtens de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht zijn geregeld.
Artikel 123 [Vervallen per 01-04-2007]
Artikel 124
[Wijzigt de Woningwet 1962.]
Artikel 125
De intrekking van de Woningwet van 12 juli 1962 heeft geen gevolgen
voor de geldigheid van de krachtens die wet bij koninklijk besluit dan
wel door Onze Minister gegeven voorschriften, tenzij krachtens deze wet
anders is bepaald.
Artikel 126
1. Gedurende ten hoogste een jaar na het tijdstip van
inwerkingtreding van hoofdstuk II, afdeling 2, blijft de op grond van
de Woningwet van 12 juli 1962 geldende gemeentelijke bouwverordening,
voor zover deze niet in strijd is met de bij of krachtens deze wet
gegeven voorschriften, van kracht en geldt deze als de
bouwverordening, genoemd in artikel 8.
2. De bouwverordening, genoemd in artikel 8, wordt vastgesteld
binnen zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk
II, afdeling 2.
Artikel 127
1. Aanschrijvingen die op grond van de Woningwet van 12 juli
1962 zijn uitgevaardigd en waartegen geen beroep meer kan worden
ingesteld, gelden als aanschrijvingen als bedoeld in deze wet.
2. Aanschrijvingen die op grond van de Woningwet van 12 juli 1962
zijn uitgevaardigd en waartegen nog beroep kan worden ingesteld dan wel
beroep is ingesteld, worden afgedaan overeenkomstig genoemde wet en
gelden als aanschrijvingen als bedoeld in deze wet.
Artikel 128
1. Besluiten tot onbewoonbaarverklaring die op grond van de
Woningwet van 12 juli 1962 zijn genomen en waartegen geen beroep meer
kan worden ingesteld, gelden als beslissingen tot
onbewoonbaarverklaring als bedoeld in deze wet.
2. Besluiten tot onbewoonbaarverklaring die op grond van de
Woningwet van 12 juli 1962 zijn genomen en waartegen nog beroep kan
worden ingesteld dan wel beroep is ingesteld, worden afgedaan
overeenkomstig genoemde wet en gelden als beslissingen tot
onbewoonbaarverklaring als bedoeld in deze wet.
Artikel 129
1. Verzoeken om toestemming als bedoeld in artikel 46 van de
Woningwet van 12 juli 1962, alsmede enig beroep, ingesteld tegen een
beslissing omtrent een dergelijk verzoek, worden afgedaan
overeenkomstig genoemde wet. Verzoeken als bedoeld in dit lid, gelden
als aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 61.
2. Toestemmingen als bedoeld in artikel 46 van de Woningwet van
12 juli 1962, waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld, gelden
als vergunningen als bedoeld in artikel 61.
Artikel 130
1. Aanvragen om bouwvergunning als bedoeld in artikel 47,
eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, alsmede enig beroep,
ingesteld tegen een beslissing omtrent een dergelijke aanvraag, worden
afgedaan overeenkomstig genoemde wet. Aanvragen als bedoeld in dit
lid, gelden als aanvragen om bouwvergunning als bedoeld in artikel 40,
eerste lid.
2. Bouwvergunningen als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de
Woningwet van 12 juli 1962, waartegen geen beroep meer kan worden
ingesteld, gelden als bouwvergunningen als bedoeld in artikel 40, eerste
lid.
Artikel 131 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 132
Overtredingen van bij of krachtens de Woningwet van 12 juli 1962
gegeven voorschriften worden afgedaan overeenkomstig genoemde wet.
Artikel 133 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 134
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 135
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 136
De Wederopbouwwet (Stb. 1950, 236) wordt ingetrokken.
Artikel 137
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 138
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 139 [Vervallen per 01-03-1999]
Artikel 140
De Wet van 11 maart 1978, houdende wijziging van de Woningwet inzake
aanschrijving tot verbetering van woningen (Stb. 143) wordt
ingetrokken.
Artikel 141
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 142
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 143
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 144
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 145
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 146
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 147
De Wet geldelijke steun woonwagens (Stb. 1986, 264) wordt
ingetrokken.
Artikel 148
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 149
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 150
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 151
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 152
Waar in voorschriften, gegeven bij of krachtens een andere wet dan de
in de artikelen 149 tot en met 151 genoemde, wordt verwezen naar een
artikel in de Woningwet van 12 juli 1962, wordt deze verwijzing geacht
te zijn geschied naar de overeenkomstige bepalingen in deze wet.
Artikel 153
1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
2. Bij het in het eerste lid bedoelde besluit kan, voor zover dat
besluit voorziet in gedeeltelijke inwerkingtreding van deze wet, in
afwijking in zoverre van artikel 124 worden bepaald dat verschillende
artikelen of onderdelen van artikelen van de Woningwet van 12 juli 1962
van kracht blijven.
3. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste of tweede lid,
kan in hetgeen met het oog op het in werking treden dan wel in stand
blijven van de desbetreffende artikelen of onderdelen daarvan regeling
behoeft, worden voorzien bij algemene maatregel van bestuur.
4. De Woningwet van 12 juli 1962 wordt vanaf het tijdstip van
gehele of gedeeltelijke inwerkingtreding van deze wet aangehaald als
Woningwet 1962.
5. Deze wet kan worden aangehaald als Woningwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 29 augustus 1991
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
E. Heerma
Uitgegeven de vijfde september 1991
De Minister van Justitie a.i.,
C.I. Dales
|