Nadere regelgeving:
- Besluit
zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart
- Besluit zeevisvaartbemanning
- Examenbesluit zeevaartdiploma's 1991
- Regeling
tarieven scheepvaart 2005
- Regeling vaarbevoegdheidsbewijzen zeevaart
WET van 11 december 1997, houdende regels
omtrent de bemanning van zeeschepen (Zeevaartbemanningswet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
bepalingen vast te stellen voor het bemannen van Nederlandse zeeschepen;
Gelet op het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen
Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake
opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144), alsmede op
Richtlijn nr. 94/58/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 november
1994 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PbEG L 319);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Definities en reikwijdte
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;
b. Nederlands schip: een schip dat op grond van Nederlandse
rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren;
c. vissersvaartuig: een Nederlands schip dat bestemd is of
gebezigd wordt voor het bedrijfsmatig vangen van vis of van
andere levende rijkdommen van de zee;
d. zeilschip: een Nederlands schip dat bestemd en ingericht
is om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden
voortbewogen;
e. pleziervaartuig: een Nederlands schip dat uitsluitend
anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt
gebruikt;
f. zeilvaart: de bedrijfsmatige vaart met zeilschepen op zee;
g. scheepslengte: tenzij anders bepaald, 96 procent van de
totale lengte op een waterlijn op 85 procent van de kleinste
holte gemeten vanaf de kiellijn, of de lengte van de voorzijde
van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op die
waterlijn, indien deze lengte groter is; bij vissersvaartuigen
die met een stuurlast ontworpen zijn, moet de waterlijn waarop
deze lengte gemeten wordt, evenwijdig aan de ontwerplastlijn
worden genomen;
h. kapitein: de gezagvoerder van een Nederlands schip;
i. scheepsofficier: een lid van de bemanning, niet zijnde de
kapitein, die aan boord van een Nederlands schip een functie als
stuurman, werktuigkundige, maritiem officier of radio-operator
vervult;
j. opvarende: een ieder die zich gedurende de vaart aan boord
van het schip bevindt;
k. bemanning: de kapitein, de scheepsofficieren, de
scheepsgezellen, en de overige zeevarenden die in de monsterrol
worden genoemd;
l. scheepsbeheerder: de eigenaar of de rompbevrachter van een
schip, of een vennootschap als bedoeld in artikel 311, derde
lid, van het Wetboek van Koophandel aan wie de eigenaar de
verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip heeft
overgedragen, of indien het een vissersvaartuig betreft, de
natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de eigenaar de
verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het vissersvaartuig
heeft overgedragen;
m. de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat: de
door Onze Minister aangewezen ambtenaren van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat;
n. vaarbevoegdheid: de bevoegdheid om in een of meer functies
waarvoor in deze wet beroepsvereisten zijn gesteld, aan boord
van een schip dienst te doen;
o. vaarbevoegdheidsbewijs: een door Onze Minister afgegeven
document waaruit de vaarbevoegdheid blijkt;
p. bemanningsplan: een voorstel van de scheepsbeheerder,
houdende het aantal bemanningsleden met hun functies aan boord
waarmee de scheepsbeheerder het betrokken schip minimaal wenst
te bemannen;
q. bemanningscertificaat: een door Onze Minister afgegeven
certificaat, houdende het minimumaantal bemanningsleden met hun
functies aan boord van het betrokken schip;
r. beroepsvereisten: de krachtens deze wet gestelde vereisten
ten aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden voor
een functie aan boord of voor werkzaamheden waarop deze wet van
toepassing is;
s. geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de
zeevaart: een verklaring als bedoeld in artikel 40;
t. tuchtcollege: het tuchtcollege voor de scheepvaart als
bedoeld in artikel 55a, tweede lid;
u. verwerking van persoonsgegevens: hetgeen daaronder wordt
verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens;
v. verantwoordelijke: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
Wet bescherming persoonsgegevens;
w. bewijs van beroepsbekwaamheid: elk geldig document dat is
afgegeven door of onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde
autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie, een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland, in overeenstemming met
artikel 5 van de bemanningsrichtlijn en de in de daarbij
behorende bijlage I vastgestelde vereisten;
x. bemanningsrichtlijn: richtlijn nr. 2008/106/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19
november 2008 inzake het minimum opleidingsniveau van
zeevarenden (PbEU L 323);
y. Maritiem Arbeidsverdrag: het op 23 februari 2006 in
Genève tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb.
2007, 93) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen
en aanhangselen;
z. zeevarende: de natuurlijke persoon die in enige
hoedanigheid werkzaamheden verricht aan boord van een schip;
aa. visser: een zeevarende werkzaam op een vissersvaartuig;
ab. certificaat maritieme arbeid: het certificaat, bedoeld in
voorschrift 5.1.3, derde lid, van het Maritiem Arbeidsverdrag;
ac. verklaring naleving maritieme arbeid: de verklaring,
bedoeld in norm A 5.1.3, tiende lid, van het Maritiem
Arbeidsverdrag, bestaande uit deel I en deel II;
ad. internationale reis: een reis tussen twee verschillende
landen of tussen havens in een ander land, waarbij een gebied
voor welks buitenlandse betrekkingen een buiten dat gebied
zetelende regering verantwoordelijk is of waarvan de Verenigde
Naties het besturend lichaam zijn, mede als een afzonderlijk
land wordt aangemerkt, en waarbij een transatlantische reis
tussen delen van het Koninkrijk met een internationale reis
gelijk wordt gesteld;
ae. IMO-nummer: het scheepsidentificatienummer, bedoeld in
voorschrift XI-1/3 van het op 1 november 1974 te Londen tot
stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op
zee (Trb. 1976, 157).
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen, na overleg met de
betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden,
categorieën van personen worden aangewezen die in afwijking van het
eerste lid, onderdeel z, niet worden aangemerkt als zeevarenden.
Artikel 2
1. Het bepaalde bij of krachtens deze wet is van toepassing ten
aanzien van Nederlandse schepen, voor zover ten aanzien van
vissersvaartuigen niet anders is bepaald.
2. Deze wet is niet van toepassing ten aanzien van:
a. schepen die uitsluitend varen op Nederlandse binnenwateren
of wateren binnen, of dicht grenzend aan beschutte wateren of
gebieden waar Nederlandse havenvoorschriften gelden;
b. onbemande schepen die niet van middelen tot werktuiglijke
voortstuwing zijn voorzien;
c. oorlogsschepen en marinehulpschepen;
d. reddingsvaartuigen;
e. onoverdekte vissersvaartuigen die in de regel niet buiten
het zicht van de Nederlandse kust worden gebracht, en
f. pleziervaartuigen.
3. Het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 4B, en hoofdstuk 7,
paragrafen 8 en9, is niet van toepassing op niet commercieel gebruikte
schepen.
4. Voor de toepassing van het derde lid kunnen bij ministeriële
regeling nadere regels worden gesteld en kan nader worden bepaald
welke categorieën van schepen in ieder geval vallen onder de in het
derde lid bedoelde uitzonderingen.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen na overleg met de
betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden
categorieën van schepen worden aangewezen waarop het bepaalde bij of
krachtens deze wet geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is.
6. Bij regeling van Onze Minister kan na overleg met de betrokken
organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, voor categorieën
schepen van minder dan 200 GT die geen internationale reizen maken,
worden bepaald dat van het bepaalde bij of krachtens deze wet onder
daarbij te stellen regels vrijstelling wordt verleend.
Hoofdstuk 2. De bemanning van zeeschepen
§ 1. Algemene bepalingen met betrekking tot de aanstelling en
handhaving van een veilige bemanning
Artikel 3
1.De zorg voor het bemannen van een schip met inachtneming van deze
wet berust bij de scheepsbeheerder.
2.De scheepsbeheerder verschaft de kapitein de middelen die hem in
staat stellen om aan zijn verplichtingen ingevolge deze wet te
voldoen.
3.De scheepsbeheerder houdt, ten behoeve van de met het toezicht op
de naleving van deze wet belaste autoriteiten, per schip van elk
daarop dienstdoend bemanningslid een overzicht bij van ten minste het
volgende:
a. de opleiding;
b. de ervaring;
c. de vakbekwaamheid;
d. de medische geschiktheid.
4.Ter uitvoering van de in het derde lid bedoelde verplichting
worden persoonsgegevens betreffende de gezondheid verwerkt. De
verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen
beoordelen of de bemanning van de door de scheepsbeheerder beheerde
schepen voldoet aan de wettelijke vereisten betreffende de
lichamelijke en geestelijke geschiktheid. De scheepsbeheerder is
verantwoordelijke voor deze verwerking.
Artikel 4
1.De scheepsbeheerder bemant een schip zodanig dat redelijkerwijs
alle werkzaamheden aan boord, met inachtneming van de geldende arbeids-
en rusttijden, en gelet op de bedrijfsvoering, de risico’s op zee en
van de lading, zonder gevaar voor de opvarenden, het schip, de lading,
het milieu of het scheepvaartverkeer kunnen worden verricht.
2.De scheepsbeheerder zorgt ervoor dat de bemanningsleden bij hun
tewerkstelling aan boord vertrouwd zijn met hun specifieke taken en
met alle regelingen, procedures aan boord en de kenmerken van het
schip, die verband houden met hun taken zowel onder normale
omstandigheden als in noodsituaties.
3.De kapitein en de scheepsofficieren gedragen zich aan boord ten
opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu en het
scheepvaartverkeer zoals het een goed zeeman betaamt.
4.De kapitein zorgt ervoor dat de bemanning van het schip te allen
tijde berekend is voor het verrichten van de werkzaamheden aan boord.
§ 2. Bemanningscertificaat en bemanningsplan
Artikel 5
1. Een schip is voorzien van een geldig bemanningscertificaat,
afgegeven door Onze Minister.
2. Een schip is ten minste bemand overeenkomstig het
bemanningscertificaat.
Artikel 6
1.Op het bemanningscertificaat worden de kenmerken van het schip
en, zo nodig, de bijzonderheden ten aanzien van het gebruik van het
schip in relatie tot de bemanning vermeld.
2.Een bemanningscertificaat wordt in tweevoud voor een bepaalde
periode van ten hoogste vijf jaren afgegeven.
3.De kapitein draagt er zorg voor dat een van de exemplaren van het
geldige bemanningscertificaat op een duidelijk zichtbare plaats aan
boord van het schip wordt opgehangen.
Artikel 7
1. De scheepsbeheerder dient voor elk schip afzonderlijk een
aanvraag voor een bemanningscertificaat in bij Onze Minister, en voegt
daarbij een bemanningsplan voor het betrokken schip.
2. De scheepsbeheerder kan voor een schip meer dan een
bemanningssamenstelling voorstellen.
3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens ten
minste in het bemanningsplan worden opgenomen.
Artikel 8
1. Onze Minister neemt een besluit over elk van de ingediende
bemanningssamenstellingen.
2. Onze Minister besluit tot afgifte van een bemanningscertificaat
voor het betrokken schip, indien naar zijn oordeel met de voorgestelde
bemanningssamenstelling
a. de veiligheid van het schip en de veilige en
milieuverantwoorde vaart zijn gewaarborgd;
b. de voor de bemanning geldende normen voor arbeids- en
rusttijden niet worden overschreden;
c. ook overigens aan de vereisten, bedoeld in artikel 4, eerste
lid, kan worden voldaan; en
d. wordt voldaan aan het krachtens artikel 64 bepaalde.
3. De scheepsbeheerder verstrekt desgevraagd nadere inlichtingen
over het bemanningsplan.
4. Onze Minister kan de kapitein raadplegen alvorens te besluiten
omtrent de afgifte van een bemanningscertificaat.
5. Onze Minister stelt ambtshalve de bemanningssamenstelling van
het betrokken schip vast en geeft dienovereenkomstig een
bemanningscertificaat af, indien hij van oordeel is, dat met de
bemanningssamenstelling die door de scheepsbeheerder wordt voorgesteld
niet of niet geheel kan worden voldaan aan het tweede lid, onderdelen
a tot en met d.
6. De scheepsbeheerder verschaft de kapitein een afschrift van het
bemanningsplan, dat is voorzien van de eventuele aanvullende gegevens
die zijn verstrekt op grond van het derde lid, en dat behoort bij het
geldige bemanningscertificaat.
Artikel 9
Indien voor een schip meer dan een bemanningssamenstelling geldt,
worden alle bemanningssamenstellingen duidelijk onderscheiden in het
bemanningscertificaat opgenomen.
Artikel 10
De kapitein tekent in het scheepsdagboek aan:
a. volgens welke bemanningssamenstelling het schip is bemand,
indien in het bemanningscertificaat meer dan een samenstelling is
opgenomen; en
b. de feiten of omstandigheden die niet in overeenstemming zijn
met de gegevens van het bemanningsplan.
Artikel 11
1. De scheepsbeheerder meldt aan Onze Minister alle wijzigingen van
de gegevens van het bemanningsplan die hij voornemens is door te
voeren.
2. Op grond van de nieuwe gegevens beslist Onze Minister of de
bemanningssamenstelling overeenkomstig het geldige
bemanningscertificaat kan worden gehandhaafd. Zo nodig geeft hij een
nieuw bemanningscertificaat af.
Artikel 12
1. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven bij de
toepassing van artikel 4, derde lid, verzoekt de kapitein de
scheepsbeheerder gemotiveerd hem voor een bepaald tijdstip de
benodigde aanvullende middelen te verschaffen. Een mondeling verzoek
wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd.
2. Indien de scheepsbeheerder niet tijdig of geen gevolg geeft aan
het verzoek, bedoeld in het eerste lid, stelt de kapitein Onze
Minister daarvan schriftelijk in kennis.
Artikel 13
Onze Minister trekt het bemanningscertificaat in, indien is gebleken
dat
a. het bemanningsplan onjuiste of onvolledige gegevens bevat,
zodanig dat op grond van de juiste of volledige gegevens dit
bemanningscertificaat niet zou zijn afgegeven, dan wel
b. het schip in strijd met de gegevens in het
bemanningscertificaat wordt gebruikt en dit afwijkende gebruik naar
zijn redelijk oordeel een andere bemanningssamenstelling
noodzakelijk maakt.
Artikel 14
1. Onverminderd artikel 8, vijfde lid, geeft Onze Minister voor het
schip ambtshalve een nieuw bemanningscertificaat af voor een andere
bemanningssamenstelling dan waarmee het schip op grond van het laatst
afgegeven bemanningscertificaat is bemand, indien hem is gebleken dat
het voldoen aan de eisen, gesteld in artikel 8, tweede lid, met dat
certificaat niet langer gewaarborgd is.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, nodigt Onze Minister de
scheepsbeheerder uit een nieuw bemanningsplan in te dienen.
Artikel 15
1. Nadat een nieuw bemanningscertificaat voor een schip is
afgegeven wordt het oude bemanningscertificaat zo spoedig mogelijk aan
Onze Minister gezonden.
2. De scheepsbeheerder draagt er zorg voor dat aan het eerste lid
wordt voldaan.
Artikel 16
Onze Minister kan, met inachtneming van bij algemene maatregel van
bestuur te stellen regels, voor een bepaald schip en voor een periode
van ten hoogste zes maanden, ontheffing verlenen van de in artikel 5,
tweede lid, bedoelde verplichting om het schip overeenkomstig het
bemanningscertificaat te bemannen.
Artikel 17
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
voorschriften worden gegeven met betrekking tot de samenstelling van
de bemanning voor verschillende categorieën vissersvaartuigen.
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op vissersvaartuigen met
een scheepslengte van minder dan 45 meter, met uitzondering van de
artikelen 5, 6, 13, aanhef en onderdeel b, 15, 16 en 17.
3. De scheepsbeheerder dient per vissersvaartuig een aanvraag in
voor een bemanningscertificaat bij Onze Minister.
4. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens bij de
aanvraag worden ingediend.
§ 3. Vaarbevoegdheden, kennis- en ervaringseisen
Artikel 18
1.Een ieder die aan boord van een schip een functie vervult
waarvoor krachtens deze wet eisen zijn gesteld, is in het bezit van
een geldig vaarbevoegdheidsbewijs voor die functie.
2.De vaarbevoegdheden, die op de in het eerste lid bedoelde
vaarbevoegdheidsbewijzen kunnen worden aangetekend, zijn:
a. kapitein alle schepen
eerste stuurman alle schepen
wachtstuurman alle schepen
kapitein kleine schepen
eerste stuurman kleine schepen
b. hoofdwerktuigkundige alle schepen
tweede werktuigkundige alle schepen
wachtwerktuigkundige alle schepen
hoofdwerktuigkundige kleine schepen
tweede werktuigkundige kleine schepen
c. eerste maritiem officier
eerste maritiem officier kleine schepen
maritiem officier
maritiem officier kleine schepen
d. schipper zeevisvaart
plaatsvervangend schipper zeevisvaart
stuurman-werktuigkundige zeevisvaart
stuurman zeevisvaart
werktuigkundige zeevisvaart
e. radio-operator
f. gezel.
3.Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke de
onderlinge rangorde is van de in het tweede lid genoemde
vaarbevoegdheden.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald
welke beperkingen of aanvullingen mogen worden aangebracht op een
vaarbevoegdheidsbewijs in verband met de aard van de lading, het soort
schip of het vaargebied.
5.Bij algemene maatregel van bestuur worden de vaarbevoegdheden,
genoemd in het tweede lid, onderdeel d, nader onderscheiden naar
scheepslengte, voortstuwingsvermogen of vaargebied.
6.Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke specifieke
beperkingen gelden voor de vaarbevoegdheden waarop houders van
bijzondere verklaringen van geschiktheid en bekwaamheid of diploma's,
afgegeven voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, recht
hebben.
Artikel 19
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden:
a. voor de verkrijging van de vaarbevoegdheden, genoemd in
artikel 18, tweede lid, vastgesteld:
1°. de beroepsvereisten;
2°. de opgedane ervaring;
3°. de eisen van medische geschiktheid, en
4°. de wijze waarop wordt beoordeeld of wordt voldaan aan
de onder ten 1° en ten 2° bedoelde eisen;
b. de geldigheidsduur van het vaarbevoegdheidsbewijs, alsmede
de wijze van eerste afgifte, vervanging of vernieuwing van het
vaarbevoegdheidsbewijs geregeld;
c. de grenzen bepaald van de schepen, waarop de volgende
vaarbevoegdheden mogen worden uitgeoefend:
1°. kapitein kleine schepen;
2°. eerste stuurman kleine schepen;
3°. hoofdwerktuigkundige kleine schepen;
4°. tweede werktuigkundige kleine schepen;
5°. eerste maritiem officier kleine schepen, en
6°. maritiem officier kleine schepen.
2.Aan de voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs benodigde
beroepsvereisten kan worden voldaan door:
a. het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend
examen van een aan een op grond van de Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek bekostigde of aangewezen hogeschool
verbonden opleiding voor een nautisch beroep dan wel het met goed
gevolg hebben afgelegd van het examen van een nautische
beroepsopleiding waarvoor op grond van de Wet educatie en
beroepsonderwijs eindtermen zijn vastgesteld, of
b. het hebben gevolgd van een door Onze Minister erkende
opleiding.
3.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot:
a. de aanvraag voor de in het tweede lid bedoelde erkenning;
b. de intrekking van de erkenning.
4.Onze Minister stelt de criteria vast op grond waarvan een
aanvraag voor de in het tweede lid bedoelde erkenning wordt
beoordeeld.
Artikel 20
1. Onze Minister besluit tot afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs
wanneer de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 19,
eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten 1°, ten 2° en ten 3°.
2. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke bescheiden worden
overgelegd bij de aanvraag van een vaarbevoegdheidsbewijs.
3. Onze Minister vergewist zich ervan dat een persoon de
Nederlandse nationaliteit bezit, dan wel de nationaliteit van een van
de staten, bedoeld in artikel 30, alvorens aan deze een van de
vaarbevoegdheden als kapitein, onderscheidenlijk schipper, af te geven
die zijn genoemd in artikel 18, tweede lid.
Artikel 21
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald voor welke bij
internationale regeling aangewezen bijzondere functies of werkzaamheden
het bezit van een certificaat of enig ander document voorgeschreven is,
alsmede welke beroepsvereisten daarvoor gelden.
Artikel 22
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden de criteria
vastgesteld met inachtneming waarvan Onze Minister
vaarbevoegdheidsbewijzen, diploma’s of certificaten erkent die zijn
afgegeven door een bevoegde autoriteit van een staat, niet zijnde een
lid-staat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de
overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland.
2. Aan de houder van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs, diploma of
certificaat dat ingevolge het eerste lid is erkend, wordt, indien hij
ook overigens voldoet aan de eisen gesteld ingevolge artikel 19,
eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten 2° en ten 3°, en hij dienst
gaat doen op een Nederlands schip, een vaarbevoegdheidsbewijs
afgegeven, waarop een officiële verklaring is opgenomen dat dit
vaarbevoegdheidsbewijs is afgegeven op grond van een erkend
vaarbevoegdheidsbewijs.
3. Een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5
van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties voor een beroep
waarvoor de vaarbevoegdheden genoemd in artikel 18, tweede lid,
onderdeel d, geldig zijn, wordt met een erkend vaarbevoegdheidsbewijs,
diploma of certificaat als bedoeld in het tweede lid gelijkgesteld.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot de afgifte van het vaarbevoegdheidsbewijs.
5. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke bescheiden worden
overgelegd bij de aanvraag voor een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld
in het tweede lid.
Artikel 22a
1.Onze Minister erkent een bewijs van beroepsbekwaamheid dat is
afgegeven door of onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde
autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland.
2.Aan de houder van een bewijs van beroepsbekwaamheid als bedoeld
in het eerste lid, wordt, indien hij ook overigens voldoet aan de
eisen gesteld ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a,
ten 1°, ten 2° en ten 3°, en hij dienst gaat doen op een Nederlands
schip, een vaarbevoegdheidsbewijs afgegeven.
3.Een ingevolge het tweede lid afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs is
beperkt tot de in het oorspronkelijke bewijs omschreven functies,
taken en verantwoordelijkheidsniveaus en bevat een officiële
verklaring dat het bewijs is afgegeven op grond van een erkend
vaarbevoegdheidsbewijs.
4.Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke bescheiden worden
overgelegd bij de aanvraag van een vaarbevoegdheidsbewijs.
5.Het tweede lid is niet van toepassing op gezellen.
Artikel 23
1. Onze Minister onderzoekt schriftelijke verklaringen over of
aanwijzingen van medische ongeschiktheid of onbekwaamheid tot het
uitoefenen van een functie aan boord van houders van een
vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in de artikelen 18 of 22.
2. Onze Minister stelt de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs, te
wiens aanzien een gegrond vermoeden van medische ongeschiktheid of
onbekwaamheid tot het uitoefenen van zijn functie aan boord bestaat,
daarvan in kennis. Hij is verplicht zich bij de eerste gelegenheid te
onderwerpen aan een onderzoek met inachtneming van door Onze Minister
te geven aanwijzingen.
3. Bij gegrond vermoeden van medische ongeschiktheid wordt het
onderzoek, bedoeld in het tweede lid, ingesteld door een door Onze
Minister aangewezen geneeskundige of medisch specialist naar de
algemene lichamelijke geschiktheid dan wel naar de geschiktheid van
het gezichts- of gehoororgaan op de voet van het bepaalde krachtens
artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten 3°.
4. Bij gegrond vermoeden van onbekwaamheid tot het uitoefenen van
een functie aan boord wordt het onderzoek, bedoeld in het tweede lid,
ingesteld door een door Onze Minister aangewezen deskundige op de voet
van het bepaalde krachtens artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel
a, ten 1°.
5. Indien bij een periodiek onderzoek of bij een in het tweede lid
bedoeld onderzoek blijkt dat de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs
niet voldoet aan de krachtens deze wet gestelde eisen voor de algemene
lichamelijke geschiktheid of aan de eisen voor de geschiktheid van het
gezichts- of gehoororgaan, weigert de geneeskundige of medisch
specialist een nieuwe geneeskundige verklaring van geschiktheid voor
de zeevaart af te geven. Onze Minister kan de desbetreffende
geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart ongeldig
verklaren.
6. De artikelen 42, 43 en 44 zijn van overeenkomstige toepassing.
7. Indien de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs niet aan de in
het tweede lid bedoelde verplichting voldoet zonder dat van een
geldige reden daartoe blijkt, kan Onze Minister zonder nader onderzoek
het afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs ongeldig verklaren.
Artikel 24
1. Onze Minister trekt een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in de
artikelen 18 of 22 in, indien:
a. uit een onderzoek naar de bekwaamheid, bedoeld in artikel
23, vierde lid, blijkt dat de houder niet meer voldoet aan de in
artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten 1°, bedoelde
beroepsvereisten;
b. een van de voor de houder voorgeschreven geneeskundige
verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart ingevolge artikel
23 ongeldig is verklaard, of indien de houder blijvend medisch
ongeschikt voor de zeevaart is verklaard.
2. Een vaarbevoegdheidsbewijs kan door Onze Minister voorts worden
ingetrokken indien is gebleken dat bij de aanvraag onjuiste gegevens
zijn opgegeven dan wel dat valse of vervalste documenten zijn
overgelegd.
3. Onze Minister kan, ter voorkoming van een noodsituatie of gevaar
voor het scheepvaartverkeer, de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs
voor ten hoogste 24 uur een verbod opleggen aan boord van een schip
een functie uit te oefenen of werkzaamheden te verrichten.
4. Onze Minister trekt een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in
artikel 22 in, indien de geldigheid van het buitenlandse diploma,
certificaat of bevoegdheidsbewijs op grond waarvan dat
vaarbevoegdheidsbewijs is afgegeven, door of vanwege de bevoegde
buitenlandse autoriteit is geschorst of ingetrokken.
5. Onze Minister stelt de bevoegde buitenlandse autoriteit in
kennis van de toepassing van het eerste en tweede lid van dit artikel
ten aanzien van een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 22.
Artikel 25
1. Onze Minister kan ten aanzien van een bemanningslid, met
inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels,
voor een bepaald schip, en voor een periode van ten hoogste zes
maanden, ontheffing verlenen van de in artikel 18, eerste lid,
bedoelde verplichting om in het bezit te zijn van een geldig
vaarbevoegdheidsbewijs.
2. Onze Minister kan aan de houder van een vaarbevoegdheid, geldig
op kleine schepen, ontheffing geven van de in artikel 18, eerste lid,
bedoelde verplichting om in het bezit te zijn van een geldig
vaarbevoegdheidsbewijs, voorzover die bevoegdheid wordt gebruikt aan
boord van een schip, dat als gevolg van een verbouwing niet meer als
klein schip is aan te merken, indien wordt voldaan aan de volgende
voorwaarden:
a. de ontheffing geldt voor de duur van de opleiding van de
houder ten behoeve van een bevoegdheid geldig op alle schepen, met
een maximum van twee jaren, en
b. de houder heeft in de vijf jaren, voorafgaand aan de
aanvraag, twee jaren aan boord van dit schip, of aan boord van een
naar het oordeel van Onze Minister identiek schip, dienst gedaan.
Artikel 25a
1. Ter uitvoering van de artikelen 20 tot en met 24 worden
persoonsgegevens betreffende de gezondheid verwerkt. De verwerking van
deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of degene die
aan boord van een schip werkzaamheden verricht waarvoor het bezit van
een vaarbevoegdheidsbewijs is vereist, voldoet of niet meer voldoet
aan de wettelijke vereisten betreffende de medische geschiktheid in
verband met de afgifte of het behoud van een vaarbevoegdheidsbewijs.
Onze Minister is verantwoordelijke voor deze verwerking.
2. Ter uitvoering van artikel 25 worden persoonsgegevens
betreffende de gezondheid verwerkt. De verwerking van deze gegevens
vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of aan een bemanningslid,
onderscheidenlijk aan de houder van een vaarbevoegdheid, ontheffing
kan worden verleend van de verplichting in het bezit te zijn van een
geldig vaarbevoegdheidsbewijs. Onze Minister is verantwoordelijke voor
deze verwerking.
Artikel 25b [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Zeevarenden, niet zijnde zeevarenden die een functie als bedoeld
in artikel 18, tweede lid, uitoefenen, voldoen aan de bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op vissers.
Hoofdstuk 3. De kapitein
Artikel 26
De kapitein van een vissersvaartuig heeft de titel van schipper.
Artikel 27
1.De kapitein is belast met de handhaving van de openbare orde aan
boord en oefent aan boord over alle opvarenden gezag uit.
2.De kapitein belast een bemanningslid niet met werkzaamheden aan
boord, waarvoor een vaarbevoegdheid of beroepskwalificatie vereist is,
indien dat bemanningslid niet blijkens zijn geldige
vaarbevoegdheidsbewijs of, indien dat is toegestaan, blijkens een
document als bedoeld in artikel 21 bevoegd is die werkzaamheden aan
boord te verrichten.
3.De opvarenden zijn verplicht de bevelen van de kapitein na te
komen die door de kapitein worden gegeven in het belang der veiligheid
of tot handhaving van de orde, met inbegrip van de openbare orde.
Artikel 28
De kapitein oefent zijn gezag uit zodra hij aan boord is en het gezag
heeft aanvaard of overgenomen, en zolang hij het gezag niet heeft
overgedragen of de scheepsbeheerder hem het gezag niet heeft ontnomen.
Artikel 29
1.Op Nederlandse schepen worden alleen personen als kapitein
aangesteld die de nationaliteit bezitten van:
a. het Koninkrijk der Nederlanden, dan wel
b. van een andere staat, doch uitsluitend indien zij ingevolge
artikel 30 zijn vrijgesteld van de in de aanhef en onderdeel a
genoemde eis.
2.Bij ministeriële regeling kan, onder het stellen van voorwaarden
of beperkingen, ten behoeve van vissersvaartuigen vrijstelling worden
verleend van het in het eerste lid bedoelde vereiste.
Artikel 30
1. Personen die de nationaliteit bezitten van een van de lidstaten
van de Europese Unie of van een van de overige staten die partij zijn
bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, zijn
vrijgesteld van de nationaliteitseis, bedoeld in artikel 29, eerste
lid, aanhef en onder a, voor het dienstdoen op Nederlandse schepen die
geen vissersvaartuig zijn.
2. Aan personen die de nationaliteit bezitten van een andere staat
kan bij regeling van Onze Minister vrijstelling worden verleend van de
nationaliteitseis, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder
a, voor het dienstdoen op Nederlandse schepen die geen vissersvaartuig
zijn, mits het betreft:
a. staten waarmee, ingevolge een daartoe strekkend besluit van
de Raad van de Europese Unie, toetredingsonderhandelingen gaande
zijn en die voorkomen op een lijst die bij regeling van Onze
Minister wordt vastgesteld, of
b. een staat die niet behoort tot een van de staten, bedoeld
onder a.
3. De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, kan slechts worden
verleend indien:
a. het Koninkrijk der Nederlanden voor Nederland met die staat
een schriftelijke afspraak heeft gemaakt voor de erkenning van
vaarbevoegdheidsbewijzen als bedoeld in Voorschrift I/10 van de
Bijlage van het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen
Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden
inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981,
144), en
b. de erkenningsprocedure, opgenomen in artikel 19 van de
bemanningsrichtlijn, is voltooid.
4. Aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, kunnen
beperkingen of nadere voorschriften worden verbonden.
5. Door werkgevers- en werknemersorganisaties in de sector
koopvaardij, respectievelijk de sector zeegaande waterbouw wordt, ter
regulering van de arbeidsmarkt voor kapiteins met de Nederlandse
nationaliteit, respectievelijk die van een staat als bedoeld in het
eerste lid, voor hun sector een privaatrechtelijke regeling
vastgesteld omtrent afgifte aan een scheepsbeheerder van een
schriftelijke toestemming tot het aanstellen van een persoon met een
andere nationaliteit in de functie van kapitein.
6. Elk der regelingen, bedoeld in het vijfde lid, bevat bepalingen
ten aanzien van de afgifte, respectievelijk de weigering van een
verklaring als bedoeld in het vijfde lid, door een paritair
samengestelde commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van de
werkgevers- en werknemersorganisaties in de sector koopvaardij,
respectievelijk de sector zeegaande waterbouw.
7. De regeling als bedoeld in het vijfde lid, bevat daarnaast in
elk geval:
a. een klachtenprocedure ten behoeve van eerste stuurlieden,
respectievelijk eerste maritieme officieren die naar hun oordeel
op onjuiste gronden niet zijn aangesteld in de functie van
kapitein op een Nederlands schip;
b. de vaststelling van de werkzaamheden van de commissie,
bedoeld in het zesde lid, en
c. de wijze van verkrijging van betrouwbare en zo volledig
mogelijke informatie als omschreven in het achtste lid, welke
jaarlijks vóór 1 april aan Onze Minister dient te worden
verstrekt.
8. De informatie, bedoeld in het zevende lid, onder c, omvat:
a. het aantal zeevarenden op de Nederlandse vloot, gerangschikt
naar functie, leeftijd en nationaliteit;
b. het aantal Nederlandse officieren dat in het verstreken jaar
voor het eerst, anders dan als stagiair, is gemonsterd op
Nederlandse zeeschepen;
c. het aantal beschikbare stageplaatsen;
d. het aantal Nederlandse studenten dat als stagiair is
geplaatst, en
e. het aantal buitenlandse studenten dat als stagiair is
geplaatst, alsmede de nationaliteit van deze stagiairs.
9. Voorafgaand aan de vaststelling van een regeling als bedoeld in
het tweede lid pleegt Onze Minister overleg over het ontwerp van een
regeling met de werkgevers- en werknemersorganisaties in de sector
koopvaardij, respectievelijk de sector zeegaande waterbouw.
10. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met
betrekking tot de vrijstelling van de eisen neergelegd in artikel 29,
eerste lid, voor de gevallen waarin de privaatrechtelijke regeling,
bedoeld in het vijfde lid, niet binnen drie maanden na de
inwerkingtreding van dat vijfde lid tot stand is gekomen, dan wel
vervallen is zonder dat door de werkgevers- en werknemersorganisaties
in de desbetreffende sector is voorzien in vervanging van die
regeling.
Artikel 31
1.In geval van belet of ontstentenis van de kapitein van een
Nederlands schip, niet zijnde een vissersvaartuig, treedt als kapitein
op de eerste stuurman, onderscheidenlijk de eerste maritiem officier.
2.In geval geen eerste stuurman of eerste maritiem officier
aanwezig is, treedt als kapitein op een door de scheepsbeheerder
aangewezen persoon.
3.In geval van belet of ontstentenis van de kapitein van een
vissersvaartuig treedt als kapitein op de plaatsvervangend schipper
of, bij afwezigheid van een plaatsvervangend schipper, een door de
scheepsbeheerder aangewezen persoon.
Artikel 32
1.De scheepsbeheerder draagt er zorg voor dat de kapitein op grond
van de door hem gegeven zienswijze bij de toepassing van artikel 4,
derde lid, of bij toepassing van artikel 8, vierde lid, niet benadeeld
wordt in zijn positie in de zeescheepvaartonderneming.
2.De kapitein kan de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de
scheepsbeheerder gevolg dient te geven aan hetgeen in het eerste lid
is bepaald.
Artikel 32a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Tegenover de scheepsbeheerder is de kapitein verplicht te
handelen overeenkomstig de hem door de scheepsbeheerder gegeven
orders, mits deze orders niet in strijd zijn met de verplichtingen,
hem als gezagvoerder door de wet opgelegd.
2. De kapitein geeft de scheepsbeheerder doorlopend kennis van
alles wat het schip en de zaken aan boord betreft en vraagt diens
orders alvorens tot een maatregel van geldelijk belang over te gaan.
Hoofdstuk 4. Monstering en medische keuring van de bemanning
§ 1. Monstering
Artikel 33
1. Aan boord van een schip is een monsterrol, die wordt opgemaakt
en gewijzigd door de kapitein.
2. In de monsterrol worden ten minste de namen en functies
opgenomen van de bemanningsleden die de functies vervullen, genoemd in
het bemanningscertificaat, alsmede van de bemanningsleden die door de
scheepsbeheerder dan wel de kapitein, met toepassing van
respectievelijk artikel 4, eerste lid, en artikel 4, vierde lid, naast
de eerstbedoelde bemanningsleden aan boord zijn geplaatst.
3. De monsterrol heeft een geldigheidsduur van niet meer dan twaalf
maanden.
4. De kapitein stelt Onze Minister binnen een week dan wel in de
eerstvolgende haven in kennis van een door hem opgemaakte monsterrol
of van wijzigingen in de monsterrol.
Artikel 34
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur:
a. wordt bepaald welke gegevens van de bemanning voorts worden
opgenomen in de monsterrol;
b. wordt het model van de monsterrol vastgesteld;
c. worden de wijze en frequentie van opmaken en wijzigen van de
monsterrol bepaald;
d. kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze
waarop de Onze Minister van een opgemaakte of gewijzigde
monsterrol in kennis wordt gesteld.
2. Bij ministeriële regeling kan van de verplichting, genoemd in
artikel 33, eerste lid, en van de bepalingen krachtens het eerste lid
van dit artikel ten behoeve van bepaalde categorieën van schepen
vrijstelling worden verleend.
3. Onze Minister kan in bijzondere gevallen van de verplichting,
genoemd in artikel 33, eerste lid, en van de bepalingen krachtens het
eerste lid van dit artikel ontheffing verlenen ten behoeve van een
bepaald schip en gedurende een bepaalde periode. Aan deze ontheffing
kunnen beperkingen en voorwaarden worden verbonden.
Artikel 35
De bemanningsleden, bedoeld in artikel 33, tweede lid, zijn in het
bezit van een geldig monsterboekje of een voorlopig monsterboekje,
waaruit de gegevens, die op de monsterrol worden vermeld, worden
overgenomen.
Artikel 36
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot
a. het monsterboekje of het voorlopig monsterboekje, alsmede de
afgifte ervan;
b. de in het monsterboekje en het voorlopig monsterboekje op te
nemen gegevens, en
c. de gegevens die anderen dan de kapitein in het monsterboekje
of het voorlopig monsterboekje mogen aantekenen.
Artikel 37
1.Een monsterboekje is tot tien jaar na de datum van afgifte
geldig.
2.Een voorlopig monsterboekje is tot 3 maanden na de datum van
afgifte geldig.
Artikel 38
1.De kapitein tekent van een bemanningslid in het monsterboekje
aan:
a. de dag van aanmonstering;
b. de dag van afmonstering;
c. de functie waarin het bemanningslid heeft dienst gedaan, en
d. de naam en de roepletters van het schip.
2.In het monsterboekje wordt het loon noch enige gedragsbeoordeling
opgenomen.
Artikel 38a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. De kapitein bewaart het monsterboekje na de aanmonstering en
geeft het aan het bemanningslid terug bij de afmonstering.
2. Indien de kapitein het monsterboekje niet kan teruggeven aan het
bemanningslid, doet hij het toekomen aan de scheepsbeheerder die het,
onder vermelding van de reden voor het niet teruggeven, zendt aan Onze
Minister.
Artikel 39
1. Indien het bemanningslid van mening is, dat de kapitein of de
ander, bedoeld in artikel 36, aanhef en onderdeel c, in zijn
monsterboekje vermeldingen in strijd met artikel 38 heeft gedaan of
nagelaten, kan hij daarover een klacht indienen bij Onze Minister.
Deze beslist, zo nodig na verhoor of behoorlijke oproeping van
belanghebbenden, en brengt de door hem nodig geachte verbetering in
het boekje aan.
2. De bevoegdheid van het bemanningslid tot het indienen van een
klacht als bedoeld in het eerste lid vervalt door verloop van vier
weken na de dag van afmonstering in een Nederlandse haven en van zes
maanden na de dag van afmonstering buiten Nederland.
§ 2. Medische keuring van de bemanning
Artikel 40
1.Elk bemanningslid is in het bezit van een of meer van de in het
tweede lid genoemde geldige geneeskundige verklaringen van
geschiktheid voor de zeevaart, waaruit blijkt dat hij is gekeurd door
een geneeskundige of medisch specialist die door Onze Minister daartoe
is aangewezen, en dat hij voldoet aan de eisen van medische
geschiktheid, vastgesteld krachtens artikel 19, eerste lid, aanhef en
onderdeel a, ten 3.
2.De in het eerste lid bedoelde geneeskundige verklaringen van
geschiktheid voor de zeevaart zijn de geneeskundige verklaringen:
a. betreffende de algemene lichamelijke geschiktheid;
b. betreffende het gezichtsorgaan, en
c. betreffende het gehoororgaan.
Artikel 40a
Een geneeskundige verklaring waaruit blijkt dat een bemanningslid is
gekeurd en medisch geschikt bevonden voor de zeevaart door een
geneeskundige of medisch specialist die door de bevoegde autoriteit van
een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland daartoe is aangewezen, wordt gelijkgesteld met een
geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 40, eerste lid.
Artikel 41
De geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart,
bedoeld in artikel 40, eerste lid, worden bij aanmonstering overgelegd.
Artikel 42
1.Indien de geneeskundige of medisch specialist na de keuring
weigert aan de gekeurde de vereiste geneeskundige verklaring van
geschiktheid voor de zeevaart af te geven, heeft de gekeurde het recht
zich nogmaals te laten keuren door een door Onze Minister als
scheidsrechter aangewezen geneeskundige of medisch specialist.
2.Het oordeel van de als scheidsrechter aangewezen geneeskundige of
medisch specialist is bindend.
3.De gekeurde, aan wie geweigerd is een geneeskundige verklaring
van geschiktheid voor de zeevaart af te geven, heeft het recht zich
opnieuw door een scheidsrechter te laten onderzoeken, indien er
medische gronden zijn om te veronderstellen dat de reden voor de
eerdere afkeuring is vervallen.
4.De gekeurde die tijdens het onderzoek heeft meegedeeld dat hij
van mening is dat hij op medische gronden ongeschikt voor de zeevaart
moet worden bevonden, heeft het recht zich door een scheidsrechter te
laten onderzoeken, indien de keurende geneeskundige of medische
specialist geen bezwaren heeft geconstateerd tegen afgifte aan hem van
een geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart.
Artikel 43
1.De geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart,
afgegeven door een geneeskundige of medisch specialist die niet
ingevolge artikel 42 als scheidsrechter is aangewezen, nadat een
andere geneeskundige of medisch specialist de afgifte van een
geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart heeft
geweigerd, is ongeldig.
2.Indien uit een volgende keuring blijkt dat de gekeurde niet aan
de gestelde eisen van medische geschiktheid voldoet, vervalt de
geldigheid van de desbetreffende, eerder afgegeven, verklaring van
geschiktheid voor de zeevaart.
Artikel 44
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld met betrekking tot
a. de medische keuring, bedoeld in artikel 40, eerste lid;
b. de herkeuring door als scheidsrechters aangewezen
geneeskundigen of medisch specialisten;
c. de aanwijzing van geneeskundigen, medisch specialisten en
scheidsrechters, alsmede de intrekking van deze aanwijzing;
d. de geldigheidsduur van de geneeskundige verklaringen van
geschiktheid voor de zeevaart.
2. Onze Minister kan voor een bepaalde periode van de verplichting
te voldoen aan de geldende medische normen ontheffing verlenen, indien
een als scheidsrechter aangewezen geneeskundige of medisch specialist
daartoe gemotiveerd adviseert.
Artikel 45
Indien korte tijd voor vertrek van een schip de bemanning moet worden
aangevuld, kan, indien dringende omstandigheden nopen tot het
aanmonsteren van personen die niet in het bezit zijn van een of meer
geldige geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart,
door Onze Minister ontheffing worden verleend van de in artikel 40,
eerste lid, bedoelde verplichting.
Artikel 46
Indien de monsterrol moet worden opgemaakt of aangevuld in een haven
buiten Nederland, waar geen geneeskundigen of medisch specialisten als
bedoeld in artikel 40, eerste lid, aanwezig zijn, wordt ten aanzien van
de geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart het ter
plaatse geldende gebruik gevolgd.
Artikel 47
In de gevallen, bedoeld in de artikelen 45 en 46, wordt bij de eerste
gelegenheid een medische keuring door een geneeskundige of medisch
specialist als bedoeld in artikel 40, eerste lid, verricht.
Artikel 48
1.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat bijzondere
categorieën opvarenden in het bezit moeten zijn van een geldige
geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart.
2.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat bemanningsleden
op bepaalde schepen vrijgesteld zijn van onderdelen van de medische
keuring.
Hoofdstuk 4B. Certificaat maritieme arbeid en verklaring naleving
maritieme arbeid
Artikel 48b
1. De scheepsbeheerder stelt voor een schip van 500 GT of meer dat
internationale reizen maakt, een verklaring naleving maritieme arbeid
deel II op waarin maatregelen zijn opgenomen om te waarborgen dat de
inartikel 48c, eerste lid, bedoelde eisen voortdurend worden
nageleefd.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
inhoud van de verklaring naleving maritieme arbeid deel II en over de
eisen die aan deze inhoud worden gesteld.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot het model van de verklaring naleving maritieme arbeid.
4. Het bepaalde bij of krachtens dit artikel is niet van toepassing
op vissersvaartuigen.
Artikel 48c
1. Onze Minister geeft voor een schip van 500 GT of meer dat
internationale reizen maakt, op aanvraag een certificaat maritieme
arbeid en een verklaring naleving maritieme arbeid af, indien de door
de scheepsbeheerder opgestelde verklaring naleving maritieme arbeid
deel II voldoet aan het bepaalde krachtens artikel 48b en na onderzoek
blijkt dat voor het desbetreffende schip wordt voldaan aan de eisen,
bedoeld in Aanhangsel A5-1 van het Maritiem Arbeidsverdrag met
betrekking tot:
a. minimumleeftijd gesteld bij of krachtens de
Arbeidstijdenwet;
b. geneeskundige verklaringen gesteld bij of krachtens
hoofdstuk 4, paragraaf 2;
c. de kwalificaties van zeevarenden gesteld bij of krachtens
hoofdstuk 2, paragraaf 3;
d. arbeidsovereenkomsten gesteld bij artikel 69d, eerste lid;
e. arbeidsbemiddeling en het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten gesteld bij of krachtens de hoofdstukken 2 en 3
van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs;
f. arbeids-en rusttijden gesteld bij paragraaf 5.2 en krachtens
artikel 5:12, tweede lid van de Arbeidstijdenwet;
g. bemanningssamenstelling gesteld bij of krachtens hoofdstuk
2, paragrafen 1 en2;
h. huisvesting en voorzieningen voor zeevarenden aan boord van
een schip gesteld krachtens artikel 48 dan wel artikel 407 van het
Wetboek van Koophandel in samenhang met artikel XII van de wet
van....20.., houdende implementatie van het Maritiem
Arbeidsverdrag (Stb....);
i. voeding en drinkwater, gesteld krachtens artikel 48a;
j. gezondheid, veiligheid en ongevallenpreventie gesteld bij of
krachtens de artikelen 3, vierde lid, 5, 6, 8, 12 en 16 van de
Arbeidsomstandighedenwet, de artikelen 3, 3a, 4 en 9 van de
Schepenwet en krachtens artikel 64;
k. medische zorg aan boord gesteld bij of krachtens de
artikelen 4, eerste lid, onderdeel b en tweede lid, en 9, eerste
lid, van de Schepenwet;
l. klachtenprocedures aan boord gesteld bij of krachtens
artikel 69a; en
m. betaling van lonen gesteld bij artikel 69d, tweede lid.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot de inhoud van de verklaring naleving maritieme arbeid deel I voor
verschillende categorieën van schepen, waarbij een opsomming wordt
voorgeschreven van alle in het eerste lid bedoelde eisen die op de
desbetreffende schepen van toepassing zijn.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot:
a. de onderzoeken waaraan schepen zijn onderworpen ter
verkrijging en verlenging van een certificaat maritieme arbeid of
tijdens de geldigheidsduur daarvan, alsmede de inhoud van die
onderzoeken en de frequentie waarmee zij worden verricht;
b. de registratie van de bij de inspectie verzamelde
onderzoeksgegevens;
c. de geldigheid van het certificaat maritieme arbeid en de
verlenging van de geldigheidsduur daarvan;
d. de voorwaarden voor afgifte van tijdelijke of voorlopige
certificaten maritieme arbeid.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot:
a. de bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid te
verstrekken gegevens en te overleggen bescheiden; en
b. de modellen van het certificaat maritieme arbeid en het
voorlopige certificaat maritieme arbeid.
5. Op verzoek van de scheepsbeheerder geeft Onze Minister voor
schepen kleiner dan 500 GT overeenkomstig het bepaalde bij of
krachtens dit artikel een certificaat maritieme arbeid af.
6. Het bepaalde bij of krachtens dit artikel is niet van toepassing
op vissersvaartuigen.
Artikel 48d
1. De door Onze Minister aangewezen ambtenaren zijn belast met het
verrichten van onderzoeken als bedoeld in artikel 48c, derde lid,
onderdeel a. Deze onderzoeken kunnen tevens geheel of ten dele worden
verricht door daartoe door Onze Minister aangewezen rechtspersonen.
2. Aan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kunnen
voorschriften worden verbonden.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de aanwijzing van natuurlijke personen of
rechtspersonen krachtens het eerste lid.
4. Onze Minister kan slechts door hem erkende rechtspersonen
aanwijzen. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met
betrekking tot de wijze van erkenning, de voorwaarden voor erkenning,
de intrekking van de erkenning indien niet meer aan deze voorwaarden
wordt voldaan, en de bekendmaking van een erkenning of intrekking van
een erkenning.
Artikel 48e
1. Een certificaat maritieme arbeid vervalt, indien:
a. een deel van het schip wordt verbouwd waarvoor krachtens
artikel 48 gestelde eisen gelden, of in de inrichting of de
uitrusting waarvoor krachtens artikel 48 gestelde voorschriften
gelden, ingrijpende wijzigingen worden aangebracht;
b. het schip een buitenlands schip wordt;
c. het tijdvak waarvoor het certificaat geldt, is verstreken;
d. de tijdens de geldigheidsduur van het certificaat verplicht
gestelde onderzoeken als bedoeld in artikel 48c, derde lid, niet
of niet tijdig hebben plaatsgevonden, behoudens in bij
ministeriële regeling omschreven bijzondere gevallen;
e. het schip van naam verandert of een ander letterteken of
nummer krijgt, of het schip niet langer wordt beheerd door de
scheepsbeheerder vermeld op het certificaat maritieme arbeid.
2. Onze Minister kan een certificaat intrekken, wanneer blijkt dat:
a. de bouw, de inrichting of de uitrusting van het schip
waarvoor krachtensartikel 48 gestelde voorschriften gelden, in
belangrijke mate afwijkt van de gegevens van het certificaat;
b. het schip of de scheepsbeheerder niet langer voldoet aan de
in artikel 48c, eerste lid, bedoelde voorschriften of aan de voor
het desbetreffende schip afgegeven verklaring naleving maritieme
arbeid en de vereiste corrigerende maatregelen niet zijn
getroffen.
3. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat certificaten
in bij die regeling te bepalen gevallen bovendien vervallen, wanneer
het schip aan zijn oorspronkelijke bestemming wordt onttrokken.
4. De scheepsbeheerder zendt een vervallen of ingetrokken
certificaat zo spoedig mogelijk aan Onze Minister.
Hoofdstuk 5. Toezicht en opsporing
Artikel 49
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn belast de ambtenaren van de Inspectie Verkeer
en Waterstaat, alsmede de bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaren of andere personen.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 50
De in artikel 49, eerste lid, bedoelde toezichthouder is bevoegd ter
uitoefening van zijn bevoegdheden ingevolge deze wet elke plaats te
betreden, met inbegrip van woongedeelten van schepen.
Artikel 51
1.De in artikel 49, eerste lid, bedoelde toezichthouder is bevoegd
zaken en schepen te onderzoeken met betrekking waartoe hij een
toezichthoudende taak heeft. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de
in artikel 50 bedoelde plaatsen.
2.Hij is bevoegd met het oog op de uitoefening van deze
bevoegdheden, in geval van gegrond vermoeden dat in strijd wordt
gehandeld met enige verplichting ingevolge deze wet, van de kapitein
van een schip te vorderen dat deze het schip gaande houdt dan wel naar
een door hem aangewezen veilige ligplaats of ankerplaats brengt.
Artikel 52
1. Een ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat is bevoegd
een schip aan te houden, indien er voorafgaand aan het vertrek naar
zee
a. geen bemanningscertificaat voor het schip is afgegeven of
het bemanningscertificaat ongeldig is;
b. de door hem aangetroffen bemanning niet ten minste in
overeenstemming is met het bemanningscertificaat; of
c. van het schip kennelijk een ander gebruik wordt of zal
worden gemaakt dan overeenkomstig de beperkingen of voorwaarden
vermeld in het bemanningscertificaat.
2. De ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat is eveneens
bevoegd een schip aan te houden, indien de toezichthouder dan wel de
inspecteur, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de
Algemene douanewet de toegang tot het schip wordt geweigerd of indien
geen medewerking aan diens onderzoek wordt gegeven.
3. De aanhouding wordt opgeheven, zodra de reden voor de aanhouding
is komen te vervallen.
Artikel 53
1. De ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat stelt Onze
Minister onverwijld in kennis van de aanhouding en van de redenen voor
de aanhouding.
2. Van een besluit tot aanhouding van een schip of tot opheffing
van de aanhouding wordt voorts de betrokken ambtenaar van de
rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, in kennis gesteld.
3. De in het tweede lid bedoelde ambtenaar verleent geen expeditie
voor het betrokken schip indien hij een mededeling van aanhouding
heeft ontvangen en zolang hij geen mededeling van opheffing heeft
ontvangen.
Artikel 54
Onze Minister kan de aan de toezichthouder toekomende bevoegdheden
beperken.
Artikel 55
Met het opsporen van feiten, die bij of krachtens deze wet strafbaar
zijn gesteld, zijn belast:
a. de bij of krachtens artikel 141 Wetboek van Strafvordering
aangewezen personen;
b. de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
Hoofdstuk 5A. Tuchtrechtspraak
§ 1. Algemeen
Artikel 55a
1. De kapitein en de scheepsofficieren zijn aan tuchtrechtspraak
onderworpen terzake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg
die zij als een goed zeeman in acht behoren te nemen ten opzichte van
de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het
scheepvaartverkeer.
2. De tuchtrechtspraak in eerste aanleg wordt uitgeoefend door het
tuchtcollege voor de scheepvaart. Het tuchtcollege voor de scheepvaart
is gevestigd te Amsterdam.
3. De tuchtrechtspraak in hoger beroep wordt uitgeoefend door het
College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College van Beroep voor
het bedrijfsleven beslist in hoogste ressort.
§ 2. Het tuchtcollege voor de scheepvaart
Artikel 55b
1. Het tuchtcollege bestaat uit een voorzitter, twee
plaatsvervangende voorzitters, acht leden en zestien plaatsvervangende
leden. Zij worden door Onze Minister benoemd voor een periode van vier
jaren en zijn terstond herbenoembaar.
2. De voorzitter en de twee plaatsvervangende voorzitters zijn
personen
a. aan wie op grond van het afsluitend examen van een opleiding
in het wetenschappelijk onderwijs door een universiteit dan wel de
Open Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad van Bachelor
op het gebied van het recht en tevens de graad van Master op het
gebied van het recht is verleend, of
b. die op grond van het afsluitend examen van een opleiding op
het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open
Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht hebben
verkregen om de titel meester te voeren.
3. Vier leden en vier plaatsvervangende leden hebben gedurende de
aan hun benoeming voorafgaande periode van tien jaren ten minste vijf
jaren als kapitein of als scheepsofficier aan boord van een ander
schip dan een vissersvaartuig gevaren.
4. Vier leden en vier plaatsvervangende leden hebben gedurende de
aan hun benoeming voorafgaande periode van tien jaren ten minste vijf
jaren als schipper of als scheepsofficier aan boord van een
vissersvaartuig gevaren.
5. Voorts worden als plaatsvervangend lid benoemd:
a. twee reders;
b. twee waterbouwkundigen;
c. twee registerloodsen;
d. twee hydrografen.
6. Onze Minister verleent aan de voorzitter, de plaatsvervangende
voorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden in elk geval
ontslag met ingang van de maand, volgende op die waarin zij de
leeftijd van zeventig jaren hebben bereikt, en op eigen verzoek
tussentijds.
Artikel 55c
1. Tussen de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de
leden, en de plaatsvervangende leden van het tuchtcollege mag geen
nauwe persoonlijke of zakelijke betrekking bestaan.
2. Voor de aanvang van hun werkzaamheden leggen zij in handen van
de president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven de eed
of belofte af. Het formulier voor de eed of belofte wordt bij
ministeriële regeling vastgesteld.
Artikel 55d
1. Het voor de leden van de rechterlijke macht bepaalde in de
artikelen 46c, tweede lid, 46d, tweede lid, 46f, 46g, eerste en tweede
lid, 46i, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en tweede lid, 46l,
eerste lid, aanhef en onderdeel a, 46m, 46o en 46p, eerste tot en met
vijfde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de voorzitter, de
plaatsvervangende voorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden
van het tuchtcollege.
2. De artikelen 13a, 13b, uitgezonderd het eerste lid, onderdelen b
en c, en vierde lid, en 13c tot en met 13g van de Wet op de
rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van gedragingen van de voorzitter, de plaatsvervangende
voorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden van het
tuchtcollege, met dien verstande dat:
a. voor de overeenkomstige toepassing van die artikelen onder
«het betrokken gerechtsbestuur» wordt verstaan: de voorzitter
van het tuchtcollege; en
b. de procureur-generaal niet verplicht is aan het verzoek,
bedoeld in artikel 13a, te voldoen, indien de verzoeker
redelijkerwijs onvoldoende belang heeft bij een onderzoek als
bedoeld in datzelfde artikel.
Artikel 55e
De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de leden en de
plaatsvervangende leden van het tuchtcollege ontvangen een bij
ministeriële regeling vast te stellen vacatiegeld, alsmede een
vergoeding van reis- en verblijfkosten en van verdere verschotten.
Artikel 55f
1. Het tuchtcollege heeft een secretaris en een plaatsvervangend
secretaris
a. aan wie op grond van het afsluitend examen van een opleiding
in het wetenschappelijk onderwijs door een universiteit dan wel de
Open Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad van Bachelor
op het gebied van het recht en tevens de graad van Master op het
gebied van het recht is verleend, of
b. die op grond van het afsluitend examen van een opleiding op
het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open
Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht heeft
verkregen om de titel meester te voeren.
2. De secretaris en de plaatsvervangend secretaris worden door Onze
Minister benoemd, geschorst en ontslagen.
Artikel 55g
1. De voorzitter, de leden en de secretaris, alsmede hun
plaatsvervangers, mogen zich niet op enige wijze inlaten met partijen
of hun raadslieden of gemachtigden over enige zaak die bij het
tuchtcollege voor de scheepvaart aanhangig is, of waarvan zij weten of
kunnen vermoeden dat deze bij het tuchtcollege voor de scheepvaart
aanhangig zal worden gemaakt.
2. Zij zijn verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover
zij bij de uitoefening van hun taak de beschikking krijgen en waarvan
zij het vertrouwelijk karakter kennen of redelijkerwijs moeten
vermoeden, behoudens voorzover enig wettelijk voorschrift hen tot
mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling
voortvloeit.
3. Zij zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen in de raadkamer
over aanhangige zaken is geuit.
§ 3. De procedure in eerste aanleg
Artikel 55h
1. Een zaak wordt in eerste aanleg bij het tuchtcollege aanhangig
gemaakt op verzoek van Onze Minister of door een klacht van een
belanghebbende. Daarnaast is het tuchtcollege bevoegd om uit eigen
beweging een zaak aanhangig te maken.
2. Een verzoek en een klacht worden schriftelijk of elektronisch en
met redenen omkleed ingediend bij de voorzitter van het tuchtcollege.
Een klacht van een belanghebbende vermeldt de naam, het adres en de
woonplaats van de klager. Een verzoek en een klacht bevatten voorts
ten minste de volgende gegevens:
a. de naam en, voor zover bekend, het adres en de woonplaats
van de kapitein of de scheepsofficier op wie het verzoek of de
klacht betrekking heeft, en indien het verzoek of de klacht
betrekking heeft op een scheepsofficier, de functie aan boord van
het schip die de scheepsofficier ten tijde van de gewraakte
gedraging vervulde;
b. de naam en, voor zover bekend, het type van het schip, aan
boord waarvan de gewraakte gedraging heeft plaats gevonden;
c. een omschrijving van de gedraging, waarop het verzoek of de
klacht betrekking heeft;
d. de bezwaren die tegen de gewraakte gedraging zijn gerezen.
3. Indien de klager daarom verzoekt, is de secretaris van het
tuchtcollege hem behulpzaam bij het formuleren van de klacht.
4. Het tuchtcollege neemt een verzoek of een klacht niet in
behandeling indien de gedraging waarop het verzoek of de klacht
betrekking heeft meer dan twee jaren voor de indiening van het verzoek
of de klacht heeft plaats gevonden.
Artikel 55i
1. De voorzitter kan besluiten tot het instellen van een
vooronderzoek, in welk geval hij de uitvoering van het vooronderzoek
opdraagt aan een of meer leden of plaatsvervangende leden of aan de
secretaris of de plaatsvervangende secretaris van het tuchtcollege.
2. Degene die het vooronderzoek verricht is bevoegd:
a. voor het verrichten van onderzoek ter plaatse elke plaats te
betreden die hij noodzakelijk acht, zo nodig met behulp van de
sterke arm, met uitzondering van een woning zonder toestemming van
de bewoner;
b. kennis te nemen van alle schriftelijke stukken en gegevens
in geautomatiseerde werken die zich aan boord bevinden, waarvan
hij kennisneming in het belang van het onderzoek acht, en daarvan
afschriften te maken;
c. de klager, alsmede de betrokken kapitein of scheepsofficier
te horen;
d. getuigen en deskundigen te horen, waarbij het bepaalde in
artikel 55o, vijfde, zesde en zevende lid, van overeenkomstige
toepassing is.
3. Degene die het vooronderzoek heeft verricht neemt geen deel aan
de behandeling van de zaak ter zitting van het tuchtcollege.
Artikel 55j
1. De voorzitter kan een verzoek of een klacht na een summier
onderzoek terstond afwijzen bij een met redenen omklede beslissing
indien hij van oordeel is dat de klager kennelijk niet ontvankelijk
is, dan wel het verzoek of de klacht kennelijk ongegrond is.
2. De secretaris zendt onverwijld een afschrift van de
schriftelijke beslissing van de voorzitter aan Onze Minister en aan de
klager.
3. Onze Minister en de klager kunnen binnen twee weken na de dag
van verzending van de beslissing van de voorzitter tot afwijzing van
een verzoek of een klacht hiertegen schriftelijk of elektronisch
verzet doen bij het tuchtcollege. Ten gevolge van het verzet vervalt
de beslissing van de voorzitter.
4. Indien de voorzitter van oordeel is dat een verzoek of een
klacht vatbaar is voor een minnelijke schikking, roept hij Onze
Minister of de klager alsmede de betrokken kapitein of scheepsofficier
op teneinde een zodanige schikking te beproeven. Indien een minnelijke
schikking is getroffen, wordt het verzoek of de klacht ingetrokken.
5. De voorzitter brengt verzoeken en klachten die niet door hem
zijn afgewezen of niet in der minne zijn geschikt, onverwijld ter
kennis van het tuchtcollege.
Artikel 55k
1. Aan de behandeling van een zaak ter zitting van het tuchtcollege
nemen vijf leden deel, te weten de voorzitter of een van zijn
plaatsvervangers, alsmede:
a. de vier leden, bedoeld in artikel 55b, derde lid, indien het
verzoek of de klacht betrekking heeft op de kapitein of een
scheepsofficier van een ander schip dan een vissersvaartuig, met
de mogelijkheid van plaatsvervanging, of
b. de vier leden, bedoeld in artikel 55b, vierde lid, indien
het verzoek of de klacht betrekking heeft op de schipper of een
scheepsofficier van een vissersvaartuig, met de mogelijkheid van
plaatsvervanging.
2. De voorzitter kan, indien de zaak het vereist, bepalen dat aan
de behandeling van die zaak ter zitting van het tuchtcollege, een of
twee plaatsvervangende leden als bedoeld in artikel 55b, vijfde lid,
deelnemen in plaats van de in het eerste lid, onder a en b voor
behandeling aangewezen leden. De plaatsvervangende leden, bedoeld in
de eerste volzin, brengen geen stem uit bij het nemen van een
beslissing. In geval van staking van stemmen is de stem van de
voorzitter of zijn plaatsvervanger beslissend.
3. De voorzitter kan, indien een zaak hem daartoe geschikt
voorkomt, bepalen dat aan de behandeling van die zaak ter zitting van
het tuchtcollege, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid,
drie leden deelnemen, te weten de voorzitter of een van zijn
plaatsvervangers, alsmede twee van de vier leden, bedoeld in het
eerste lid onder a of b.
4. Bij de behandeling van een zaak ter zitting van het tuchtcollege
naverzet als bedoeld in artikel 55j, derde lid, wordt de voorzitter
vervangen door een van zijn plaatsvervangers.
Artikel 55l
1. De voorzitter en de leden, alsmede hun plaatsvervangers, kunnen
zich verschonen en kunnen worden gewraakt indien er te hunnen aanzien
feiten of omstandigheden bestaan, waardoor de onpartijdigheid van het
tuchtcollege schade zou kunnen lijden.
2. De overige leden van het tuchtcollege beslissen zo spoedig
mogelijk over een verzoek tot verschoning of wraking van hun medelid.
Bij staking van stemmen wordt het verzoek tot verschoning of wraking
toegewezen.
Artikel 55m
1. Zodra het tuchtcollege een verzoek of een klacht in behandeling
heeft genomen, zendt de secretaris een afschrift van het verzoek of
van de klacht aan de betrokken kapitein of scheepsofficier.
2. Wanneer het tuchtcollege uit eigen beweging een tuchtzaak
aanhangig maakt, deelt de secretaris dit schriftelijk mede aan de
betrokken kapitein of scheepsofficier onder vermelding van de
gewraakte gedraging en van de bezwaren die tegen deze gedraging zijn
gerezen.
3. De betrokken kapitein of scheepsofficier kan binnen zes weken na
de dag van verzending van het afschrift van het verzoek of van de
klacht, als bedoeld in het eerste lid, of van de schriftelijke
mededeling, als bedoeld in het tweede lid, schriftelijk of
elektronisch een verweerschrift indienen. De voorzitter kan deze
termijn op verzoek van de betrokken kapitein of scheepsofficier
verlengen.
4. De secretaris zendt een afschrift van het verweerschrift aan
degene die het verzoek of de klacht bij de voorzitter heeft ingediend.
Artikel 55n
1. De voorzitter bepaalt het tijdstip voor de mondelinge
behandeling van de zaak ter zitting. De secretaris roept degene die
het verzoek of de klacht heeft ingediend en de betrokken kapitein of
scheepsofficier ten minste twee weken van tevoren bij aangetekende
brief op voor de zitting. De betrokken kapitein of scheepsofficier is
verplicht aan de oproeping gevolg te geven.
2. Indien de betrokken kapitein of scheepsofficier op de oproeping
niet ter zitting verschijnt, kan het tuchtcollege de officier van
justitie verzoeken de betrokkene te dagvaarden. Hij is verplicht na
dagvaarding te verschijnen.
3. Indien de betrokken kapitein of scheepsofficier op de
dagvaarding niet ter zitting verschijnt, kan het tuchtcollege de
officier van justitie verzoeken de betrokkene te dagvaarden, met bevel
tot medebrenging. Artikel 556 van het Wetboek van Strafvordering is
van overeenkomstige toepassing.
4. Degene die het verzoek of de klacht heeft ingediend kan zich ter
zitting door een daartoe gemachtigde doen vertegenwoordigen of zich
door een raadsman doen bijstaan.
5. De betrokken kapitein of scheepsofficier kan zich door een
raadsman doen bijstaan.
6. Het tuchtcollege kan weigeren bepaalde personen die geen
advocaat zijn, als raadsman of als gemachtigde ter zitting toe te
laten. Bij een zodanige weigering houdt het tuchtcollege de zaak tot
een volgende zitting aan.
7. Het tuchtcollege stelt de betrokken kapitein of scheepsofficier
en zijn raadsman ten minste twee weken voor de zitting in de
gelegenheid om van alle op de zaak betrekking hebbende stukken kennis
te nemen.
8. Het tuchtcollege behandelt de zaak in een openbare zitting. Het
tuchtcollege kan om gewichtige redenen bepalen dat de behandeling
geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaats vinden.
9. De secretaris maakt van het verhandelde ter zitting een
proces-verbaal op dat door de voorzitter en de secretaris wordt
ondertekend.
Artikel 55o
1. Het tuchtcollege kan getuigen en deskundigen voor de zitting
oproepen en horen. De leden en de buitengewone leden van de
Onderzoeksraad voor veiligheid, de algemeen secretaris en de
medewerkers van het bureau van de raad, alsmede de door Onze Minister
wie het aangaat op verzoek van de raad aangewezen deskundigen kunnen
door het tuchtcollege niet als getuige of deskundige worden
opgeroepen.
2. De secretaris roept getuigen en deskundigen bij aangetekende
brief voor de zitting op. Ieder die als getuige of deskundige door het
tuchtcollege is opgeroepen, is verplicht aan die oproeping gevolg te
geven.
3. Indien een getuige of deskundige op de oproeping niet ter
zitting verschijnt, doet de officier van justitie hem op verzoek van
het tuchtcollege dagvaarden. Hij is verplicht na dagvaarding te
verschijnen.
4. Indien een getuige of deskundige op de dagvaarding niet ter
zitting verschijnt, doet de officier van justitie hem op verzoek van
het tuchtcollege andermaal dagvaarden, met bevel tot medebrenging.
Artikel 556 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige
toepassing.
5. De voorzitter beëdigt getuigen om de gehele waarheid en niets
dan de waarheid te zeggen. Getuigen zijn verplicht op de gestelde
vragen te antwoorden.
6. De voorzitter beëdigt deskundigen om hun taak naar geweten te
vervullen. Deskundigen zijn verplicht de door het tuchtcollege
gevorderde diensten te bewijzen.
7. Ten aanzien van de getuigen en deskundigen zijn de artikelen 217
tot en met 219 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige
toepassing.
8. De getuigen en deskundigen ontvangen desgevraagd op vertoon van
hun oproep of dagvaarding een door de voorzitter vast te stellen
schadeloosstelling overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet
tarieven in strafzaken.
Artikel 55p
1. Het tuchtcollege kan, indien het van oordeel is dat een tegen
een kapitein of een scheepsofficier gerezen bezwaar gegrond is, een of
meer van de volgende tuchtmaatregelen opleggen:
a. waarschuwing;
b. berisping;
c. geldboete van ten hoogste € 4 500;
d. schorsing van de vaarbevoegdheid voor een periode van ten
hoogste twee jaren.
2. Bij het opleggen van een of meer van de in het eerste lid
genoemde tuchtmaatregelen kan het tuchtcollege tevens bepalen dat zijn
beslissing, al dan niet met vermelding van de gronden waarop zij
berust, in een of meer in de beslissing aangewezen tijdschriften of
nieuwsbladen openbaar zal worden gemaakt.
3. Bij het opleggen van een geldboete bepaalt het tuchtcollege de
termijn of de termijnen, waarbinnen de geldboete moet worden voldaan.
De te betalen geldsommen komen toe aan de Staat. Betaling van de
geldsom geschiedt aan Onze Minister. Voor de toepassing van titel 4.4
van de Algemene wet bestuursrecht wordt de uitspraak van het
tuchtcollege aangemerkt als een beschikking als bedoeld in artikel
4:86 van die wet.
4. Bij het opleggen van de tuchtmaatregelen, genoemd in het eerste
lid, onder c en d, kan het tuchtcollege bepalen dat deze geheel of ten
dele niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij het tuchtcollege
bij een latere beslissing anders mocht bepalen op grond van het feit
dat de betrokken kapitein of scheepsofficier zich voor het einde van
een bij die oplegging te bepalen proeftijd van ten hoogste twee jaren
heeft gedragen in strijd met de zorg die hij als een goed zeeman in
acht behoort te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de
lading, het milieu of het scheepvaartverkeer.
5. De tuchtmaatregelen, genoemd in het eerste lid onder c en d, en
de bijkomende maatregel van openbaarmaking, genoemd in het tweede lid,
kunnen eerst worden ten uitvoer gelegd nadat de beslissing van het
tuchtcollege onherroepelijk is geworden.
Artikel 55q
1. De beslissing van het tuchtcollege berust op een deugdelijke
motivering. Zij wordt in een openbare zitting uitgesproken. Indien de
betrokken kapitein of scheepsofficier niet ter zitting is verschenen,
kan het tuchtcollege bij verstek uitspraak doen.
2. De secretaris zendt onverwijld een afschrift van de
schriftelijke beslissing van het tuchtcollege:
a. bij aangetekende brief aan de betrokken kapitein of
scheepsofficier;
b. bij gewone brief aan Onze Minister;
c. bij gewone brief aan de klager.
3. Indien het tuchtcollege in zijn uitspraak een schorsing van de
vaarbevoegdheid heeft opgelegd, deelt de secretaris in zijn
aangetekende brief aan de betrokken kapitein of scheepsofficier mede:
de datum waarop de schorsing ingaat, de verplichting om zijn
vaarbevoegdheidsbewijs vóór die datum in te leveren bij het in
artikel 65 genoemde Centraal register bemanningsgegevens, alsmede de
gevolgen van het niet tijdig inleveren van het vaarbevoegdheidsbewijs
op grond van het vierde lid. De secretaris zendt een afschrift van de
schriftelijke beslissing van het tuchtcollege alsmede van de
aangetekende brief aan de betrokken kapitein of scheepsofficier tevens
ter registratie aan het Centraal register bemanningsgegevens.
4. Indien de betrokken kapitein of scheepsofficier zijn
vaarbevoegdheidsbewijs niet tijdig bij het Centraal register
bemanningsgegevens inlevert, wordt de periode van schorsing van de
vaarbevoegdheid van rechtswege verlengd met de termijn die is
verstreken tussen de datum waarop de schorsing ingaat en de datum
waarop het vaarbevoegdheidsbewijs daadwerkelijk is ingeleverd.
5. Zodra de periode van schorsing is verstreken geeft het Centraal
register bemanningsgegevens het vaarbevoegdheidsbewijs terug aan de
betrokken kapitein of scheepsofficier.
§ 4. De procedure in hoger beroep
Artikel 55r
Tegen een beslissing van het tuchtcollege kan binnen zes weken na de
dag van de verzending van de in artikel 55q, tweede lid, bedoelde brief
hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven:
a. door de betrokken kapitein of scheepsofficier indien het
verzoek of de klacht geheel of ten dele gegrond is verklaard;
b. door Onze Minister;
c. door de klager indien zijn klacht geheel of ten dele ongegrond
is verklaard.
Artikel 55s
1. Het hoger beroep wordt ingesteld bij beroepschrift. Bij het
beroepschrift wordt overgelegd een afschrift van de schriftelijke
beslissing van het tuchtcollege, waartegen het hoger beroep is
gericht.
2. De griffier van het College van Beroep voor het bedrijfsleven
zendt binnen een week na ontvangst van het beroepschrift een afschrift
daarvan aan de betrokken kapitein of scheepsofficier, aan Onze
Minister en aan de klager, voor zover het hoger beroep niet door hen
is ingesteld, alsmede aan het tuchtcollege, en indien het tuchtcollege
in zijn uitspraak een schorsing van de vaarbevoegdheid heeft opgelegd,
tevens ter registratie aan het Centraal register bemanningsgegevens.
3. Het tuchtcollege zendt binnen drie weken na ontvangst van het
afschrift van het beroepschrift alle stukken die op de zaak betrekking
hebben aan de griffier van het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
4. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelt de zaak
opnieuw in volle omvang. Op de behandeling in hoger beroep zijn de
artikelen 55j, eerste, tweede en derde lid, 55l, 55m, eerste, derde en
vierde lid, en 55n tot en met 55q van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Herziening
Artikel 55t
1. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven kan op verzoek van
een kapitein of een scheepsofficier aan wie een tuchtmaatregel is
opgelegd een onherroepelijk geworden beslissing van het tuchtcollege
of van het College van Beroep voor het bedrijfsleven herzien op grond
van feiten of omstandigheden die:
a. het tuchtcollege of het College van Beroep voor het
bedrijfsleven bij de behandeling van de zaak ter zitting niet
bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die
b. indien zij het tuchtcollege of het College van Beroep voor
het bedrijfsleven bij de behandeling van de zaak ter zitting wel
bekend zouden zijn geweest, tot een andere beslissing zouden
hebben kunnen leiden.
2. Op de behandeling van het verzoek tot herziening zijn de
artikelen 55j, eerste, tweede en derde lid, 55l, 55m, eerste, derde en
vierde lid, en 55n tot en met 55q van overeenkomstige toepassing.
3. Aan de behandeling van het verzoek tot herziening ter zitting
van het College van Beroep voor het bedrijfsleven nemen geen leden
deel die hebben deelgenomen aan de behandeling van de zaak, waarvan de
herziening wordt verzocht.
Hoofdstuk 6. Verbodsbepalingen
Artikel 56
Het is verboden met een schip naar zee te gaan, een schip naar zee te
doen gaan of op zee dan wel op buiten Nederland gelegen wateren die ter
plaatse als binnenwater worden aangemerkt, te gebruiken of te doen
gebruiken, zonder dat aan boord van het schip een geldig
bemanningscertificaat voorhanden is.
Artikel 57
Het is verboden
a. om een schip te bemannen met minder bemanningsleden dan is
aangegeven in het bemanningscertificaat;
b. een schip zodanig te bemannen dat niet ten minste de op het
bemanningscertificaat aangegeven functies worden vervuld door tot
het vervullen van die functies bevoegde bemanningsleden, of
c. het schip te gebruiken in strijd met de voorwaarden van het
bemanningscertificaat.
Artikel 58
1.Het is verboden het houden van uitkijk, dan wel het optreden als
chef van de wacht op de brug of als chef van de wacht in de
machinekamer of machinekamers, op te dragen aan of te laten verrichten
door bemanningsleden die tot het verrichten van die werkzaamheden niet
bevoegd zijn.
2.Het is verboden aan boord werkzaamheden waarvoor ingevolge
artikel 18 een vaarbevoegdheidsbewijs is vereist, te verrichten,
indien men hiertoe niet door middel van een geldig
vaarbevoegdheidsbewijs bevoegd is verklaard.
3.Het is verboden aan boord werkzaamheden waarvoor ingevolge
artikel 21 een certificaat of een ander document is vereist, te
verrichten, indien men hiertoe niet door middel van een geldig
certificaat of document bevoegd is verklaard.
Artikel 59
Het is verboden na te laten de monsterrol op te maken, opnieuw op te
maken of bij te stellen, dan wel na te laten Onze Minister ingevolge
artikel 33, vierde lid, in kennis te stellen van de opgemaakte
monsterrol of van een wijziging hiervan.
Artikel 59a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Het is verboden met een schip als bedoeld inartikel 48c, eerste lid,
een internationale reis te maken indien het schip niet is voorzien van
een geldig certificaat maritieme arbeid, een verklaring naleving
maritieme arbeid en een exemplaar van het Maritiem Arbeidsverdrag.
Artikel 60
Het is verboden de verplichtingen ingevolge artikel 3, tweede en
derde lid, artikel 4, eerste, tweede en vierde lid, en artikel 29,
eerste lid, niet na te komen.
Artikel 60a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Het is verboden zeevarenden te straffen of op enige andere wijze te
benadelen voor het indienen van een klacht als bedoeld in artikel 69a,
eerste lid, of 69b, eerste lid.
Hoofdstuk 7. Overige bepalingen
§ 1. Bezwaar en beroep
Artikel 61
Tegen een op grond van deze wet genomen besluit van een ambtenaar van
de Inspectie Verkeer en Waterstaat tot aanhouding van een schip, kan
iedere belanghebbende beroep instellen bij Onze Minister.
§ 2. Tarieven
Artikel 62
Bij ministeriële regeling worden de tarieven vastgesteld voor
a. de afgifte van bemanningscertificaten;
b. de beoordeling van een bemanningsplan;
c. de afgifte, vervanging of vernieuwing van
vaarbevoegdheidsbewijzen;
d. de afgifte of vervanging van een monsterboekje of een
voorlopig monsterboekje;
e. het afnemen van examens, aanvullende examens en toetsen;
f. het verlenen van ontheffingen;
g. vergoedingen van gecommitteerden en deskundigen;
h. de afgifte, vervanging of vernieuwing van bijzondere
documenten, bedoeld in artikel 21;
i. de afgifte van diploma's, getuigschriften en verklaringen;
j. de behandeling van een aanvraag voor de erkenning van een
opleiding als bedoeld in artikel 19, tweede lid, onder b; en
k. de afgifte, vervanging of vernieuwing van certificaten
maritieme arbeid en verklaringen naleving maritieme arbeid.
§ 3. Aanwijzing gecommitteerden en deskundigen
Artikel 63
Onze Minister kan gecommitteerden of deskundigen aanwijzen, die
bevoegd zijn de examens bij te wonen die worden afgenomen ter
verkrijging van de bij of krachtens deze wet bedoelde vaarbevoegdheden,
diploma’s of certificaten.
§ 4. Uitvoering van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke
organisaties
Artikel 64
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, ter
uitvoering van het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen
Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake
opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144), alsmede
van andere verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke
organisaties, regels met betrekking tot de bemanning van schepen worden
gesteld ter waarborging van de veilige en milieuverantwoorde vaart.
§ 5. Centraal register bemanningsgegevens
Artikel 65
Er is een Centraal register bemanningsgegevens, waarin Onze Minister
de afgegeven monsterboekjes en voorlopige monsterboekjes, de afgegeven
en ingetrokken vaarbevoegdheidsbewijzen als bedoeld in de artikelen 18
en 22, de gegeven vrijstellingen en ontheffingen, en de hem toegezonden
gegevens van de monsterrollen, registreert.
Artikel 65a
Onze Minister is bevoegd aan de tot het verstrekken en ontvangen van
informatie bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie,
een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of het op 7 juli 1978 te Londen tot stand
gekomen Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden
inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144),
informatie te verstrekken en van deze te ontvangen omtrent de verlening
van een vaarbevoegdheidsbewijs of een ander bewijs van
beroepsbekwaamheid.
Artikel 66
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot
de wijze waarop de gegevens in het Centraal register bemanningsgegevens
worden geregistreerd.
§ 6. Openbaar register van bemanningscertificaten
Artikel 67
1. Er is een openbaar register van bemanningscertificaten, dat door
Onze Minister wordt gehouden.
2. Dit register kan door eenieder kosteloos worden geraadpleegd.
3. Desgevraagd wordt tegen ten hoogste de kostprijs een afschrift
verstrekt van het bemanningscertificaat voor een bepaald schip.
§ 7. Staatsexamens
Artikel 68
Onze Minister kan examencommissies aanwijzen, bij welke aan degenen,
die geen opleiding aan een door het Rijk bekostigde instelling hebben
gevolgd, gelegenheid wordt geboden examen af te leggen voor de hierna
genoemde getuigschriften, onderscheidenlijk verklaringen:
- als maritiem officier;
- als stuurman/werktuigkundige kleine schepen;
- schipper/machinist beperkt werkgebied;
- stuurman/werktuigkundige voor de zeevisvaart SW4;
- stuurman/werktuigkundige voor de zeevisvaart SW5;
- stuurman/werktuigkundige voor de zeevisvaart SW6;
- stuurman grote zeilvaart;
- stuurman kleine zeilvaart;
- stoomvoortstuwing.
Artikel 69
Bij algemene maatregel van bestuur worden de beroepsvereisten bepaald
voor de functies, tot welke de in artikel 68 genoemde getuigschriften en
verklaringen toegang verlenen.
§ 8. Klachtenprocedures voor zeevarenden [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
Artikel 69a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Aan boord van elk schip is een door de scheepsbeheerder
vastgestelde klachtenprocedure van toepassing voor het indienen van
klachten met betrekking tot de naleving van de in artikel 48c, eerste
lid, bedoelde bepalingen of een vermoedelijke schending van het
Maritiem Arbeidsverdrag.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld waaraan de in
het eerste lid bedoelde klachtenprocedure moet voldoen.
3. Iedere zeevarende ontvangt voor aanvang van zijn werkzaamheden
aan boord van de kapitein een afschrift van de aan boord geldende
klachtenprocedure.
4. Het bepaalde bij of krachtens dit artikel is niet van toepassing
op vissersvaartuigen.
Artikel 69b [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Elke zeevarende aan boord van een Nederlands schip kan een
klacht betreffende de vermoedelijke schending van het Maritiem
Arbeidsverdrag of een klacht betreffende een vermeend onrechtmatig
bevel van de kapitein melden bij een daartoe aangewezen ambtenaar van
de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze
waarop de in het eerste lid bedoelde klachten worden behandeld.
§ 9. Overige verplichtingen scheepsbeheerder [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 69c [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. De scheepsbeheerder draagt er zorg voor dat aan boord van het
schip afschriften aanwezig zijn van de door de desbetreffende
zeevarende en zijn werkgever ondertekende arbeidsovereenkomst, de
toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst en informatie over
andere op die arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde
arbeidsvoorwaarden.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op iedere
andere overeenkomst op basis waarvan de zeevarende aan boord werkzaam
is.
3. De scheepsbeheerder draagt er zorg voor dat aan boord van het
schip op een duidelijk zichtbare en voor de bemanning toegankelijke
plaats een afschrift aanwezig is van het certificaat maritieme arbeid
en de verklaring naleving maritieme arbeid.
4. De scheepsbeheerder draagt er zorg voor dat aan boord van het
schip een exemplaar van de geldende tekst van het Maritiem
Arbeidsverdrag aanwezig is.
5. Alle in het eerste tot en met het vierde lid bedoelde documenten
en de resultaten van onderzoeken als bedoeld in artikel 48c, derde
lid, onderdeel a, zijn beschikbaar in het Nederlands of indien het
originele document in een andere taal is opgesteld, in de
desbetreffende taal, en het Engels en eenvoudig toegankelijk voor de
zeevarenden. Indien het schip geen internationale reizen maakt, is
geen Engelse vertaling vereist van de documenten die in het Nederlands
beschikbaar zijn.
6. Het bepaalde bij of krachtens dit artikel is niet van toepassing
op vissersvaartuigen.
Artikel 69d [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. De scheepsbeheerder draagt er zorg voor dat de
zee-arbeidsovereenkomsten, bedoeld in de artikelen 694, eerste lid en
736, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van de
zeevarenden aan boord van zijn schip voldoen aan het bepaalde in de
artikelen 697 en 699 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en, voor
wat betreft de onderdelen 6, 7, 8, 12 en 13, in overeenstemming zijn
met de toepasselijke bepalingen in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
2. De scheepsbeheerder zorgt voor de nakoming van de uit de
artikelen 706 tot en met 709, 717 tot en met 720, en 734 tot en met
734l van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek voortkomende
verplichtingen. Indien de scheepsbeheerder niet de werkgever is van de
desbetreffende zeevarende, geeft de scheepsbeheerder slechts
toepassing aan de eerste volzin indien de werkgever bij de nakoming
van deze verplichtingen in gebreke blijft en de zeevarende aan de
scheepsbeheerder een verzoek tot nakoming doet.
3. De scheepsbeheerder handelt overeenkomstig de voor het
desbetreffende schip op grond van artikel 48c, eerste lid, afgegeven
verklaring naleving maritieme arbeid.
Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
Artikel 70
1.De verklaringen van geschiktheid en bekwaamheid, die op grond van
Hoofdstuk VII van het Schepenbesluit 1965 zijn afgegeven voor de datum
van inwerkingtreding van deze wet, behouden hun geldigheid
overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum.
2.Verklaringen van geschiktheid en bekwaamheid, waarop geen
einddatum is vermeld, zijn geldig tot de eerste dag van de maand
volgend op het bereiken van het 65ste jaar van de houder.
Artikel 71
1.Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald op welke
vaarbevoegdheidsbewijzen, bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 3, van
deze wet, de houder van een geldige Nederlandse verklaring van
geschiktheid en bekwaamheid, van een zeevaartdiploma of een diploma
voor de zeevisvaart aanspraak heeft.
2.De vaarbevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, zijn ten minste
gelijkwaardig aan de bevoegdheid ingevolge de verklaring van
geschiktheid en bekwaamheid die, of het diploma voor de zeevisvaart
dat voor vervanging in aanmerking komt.
3.Onder de zeevaartdiploma's, bedoeld in het eerste lid, worden
mede verstaan de diploma's, voor inwerkingtreding van deze wet
verkregen op grond van het Besluit van 3 april 1941 (Stb. B 32),
houdende bepalingen betreffende gelijkstelling van de Zeevaartdiploma’s
uitgereikt door of vanwege den Gouverneur van Curaçao met de diploma’s
uitgereikt door de commissie ingesteld ingevolge de Wet op de
Zeevaartdiploma’s (Staatsblad 1935 No. 456), alsmede de diploma's,
voor inwerkingtreding van deze wet verkregen op grond van het Besluit
van 12 september 1942 (Stb. C 55), houdende gelijkstelling van diploma’s
voor stuurlieden en machinisten.
4.Bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
kunnen aanvullende beroepsvereisten worden gesteld waaraan de houder
van een van de diploma's, genoemd in artikel 76 moet voldoen alvorens
hij in aanmerking komt voor de afgifte van het daarbij genoemde
vaarbevoegdheidsbewijs.
Artikel 72
De documenten, houdende de minimum voorgeschreven
bemanningssamenstelling met de functies van de bemanningsleden, die zijn
afgegeven voor inwerkingtreding van deze wet, behouden hun geldigheid
overeenkomstig de einddatum van het certificaat van deugdelijkheid waar
zij bij behoren.
Artikel 73
Scheepsbeheerders van schepen, die zijn bemand overeenkomstig de
modellen van het Besluit zeevaartdiploma’s en Hoofdstuk VII van het
Schepenbesluit 1965 of het Bemanningseisenbesluit, waarvan de
bemanningssamenstelling niet wordt gewijzigd na inwerkingtreding van
deze wet, kunnen een beperkt bemanningsplan indienen bij de aanvraag van
het eerste bemanningscertificaat.
Artikel 74
De geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart, die
zijn afgegeven voor inwerkingtreding van deze wet, behouden hun
geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum.
Artikel 75
Op aanvragen voor bemanningsdocumenten, verklaringen van geschiktheid
en bekwaamheid, monsterboekjes en geneeskundige verklaringen voor de
zeevaart, die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet en op dat tijdstip nog in behandeling zijn, wordt besloten met
inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Artikel 76
1.Tot 1 februari 2002 kan examen worden afgelegd ter verkrijging
van het diploma
- als eerste stuurman voor de grote handelsvaart;
- als tweede stuurman voor de grote handelsvaart;
- als derde stuurman voor de grote handelsvaart;
- als stuurman voor de kleine handelsvaart en het
aanvullingsdiploma als stuurman voor de kleine handelsvaart;
- C als scheepswerktuigkundige;
- B als scheepswerktuigkundige;
- A als scheepswerktuigkundige;
- als motordrijver;
- voor de zeevisvaart SW VI;
- voor de zeevisvaart SW V;
- voor de zeevisvaart S IV-v;
- voor de zeevisvaart W IV-v.
2.Tot 1 februari 2007 worden aan houders van een verklaring dat het
desbetreffende examen met goed gevolg werd afgelegd de in het eerste
lid genoemde diploma’s afgegeven, alsmede de diploma’s
- als stuurman voor de grote sleepvaart;
- het voorlopig diploma als scheepswerktuigkundige;
- als assistent scheepswerktuigkundige.
3.Bij ministeriële regeling worden met inachtneming van de in het
eerste lid genoemde einddatum, de tijdstippen bepaald waarop de
respectievelijke in dat lid genoemde examens voor de laatste maal
worden afgenomen.
4.Met betrekking tot de in dit artikel genoemde examens en de
afgifte van diploma’s zijn van toepassing:
a. het Examenbesluit zeevaartdiploma’s 1991;
b. het Examenreglement zeevisvaart;
c. het Besluit zeevaartdiploma’s experimenterend hoger
nautisch onderwijs;
d. het Besluit bijzondere verkrijging diploma’s kleine
handelsvaart;
e. het Besluit bijzondere verkrijging voorlopig diploma als
scheepswerktuigkundige, of
f. het Besluit bijzondere verkrijging diploma A als
scheepswerktuigkundige.
Artikel 77
Bij algemene maatregel van bestuur worden de beroepsvereisten bepaald
voor de functies, tot welke de in artikel 76, eerste lid, genoemde
diploma’s toegang verlenen.
Artikel 77a
Ten aanzien van beroepen waarvoor de vaarbevoegdheden, genoemd in
artikel 18, tweede lid, onderdelen a, b, c en e, geldig zijn, behouden
verklaringen als bedoeld in artikel 22, derde lid, zoals dat luidde voor
20 oktober 2007, hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven
einddatum.
Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
Artikel 78
1. Een wijziging van de bemanningsrichtlijn gaat voor de toepassing
van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
2. Bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt
bekendgemaakt, kunnen de benaming van de bemanningsrichtlijn en de
verwijzing naar onderdelen daarvan worden gewijzigd.
Artikel 79
1. [Wijzigt het Wetboek van Koophandel]
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 82 wordt de Wet op de
zeevaartdiploma’s ingetrokken.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 82 wordt de Wet op de
Zeevischvaartdiploma's, Stb. 1935, 455, ingetrokken.
4. Het Besluit van 12 september 1942, houdende gelijkstelling van
diploma’s voor stuurlieden en machinisten (Stb. C 55), wordt
ingetrokken.
Artikel 80
[Wijzigt het Wetboek van Koophandel]
Artikel 81
[WIjzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen]
Artikel 82
Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de volgende algemene
maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen op de artikelen 19,
eerste lid, en 77 van deze wet:
a. Examenbesluit zeevaartdiploma’s 1991;
b. Examenreglement zeevisvaart;
c. Regeling normen ter bepaling uitslag zeevisvaartexamens;
d. Diensttijdreglement zeevisvaart;
e. Besluit zeevaartdiploma’s experimenterend hoger nautisch
onderwijs;
f. Besluit bijzondere verkrijging diploma’s kleine
handelsvaart;
g. Besluit bijzondere verkrijging voorlopig diploma als
scheepswerktuigkundige;
h. Besluit bijzondere verkrijging diploma A als
scheepswerktuigkundige.
Artikel 83 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 84
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 85
Deze wet wordt aangehaald als: Zeevaartbemanningswet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 11 december 1997
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de negenentwintigste december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|