Nadere regelgeving:
- Besluit
zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart
- Besluit zeevisvaartbemanning
- Examenbesluit zeevaartdiploma's 1991
- Regeling
tarieven scheepvaart 2005
- Regeling vaarbevoegdheidsbewijzen zeevaart
WET van 11 december 1997, houdende regels
omtrent de bemanning van zeeschepen (Zeevaartbemanningswet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
bepalingen vast te stellen voor het bemannen van Nederlandse zeeschepen;
Gelet op het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen
Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake
opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144), alsmede op
Richtlijn nr. 94/58/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 november
1994 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PbEG L 319);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Definities en reikwijdte
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. Nederlands schip: een schip dat op grond van Nederlandse
rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren;
c. vissersvaartuig: een Nederlands schip dat bestemd is of
gebezigd wordt voor het bedrijfsmatig vangen van vis of van andere
levende rijkdommen van de zee;
d. zeilschip: een Nederlands schip dat bestemd en ingericht is om
hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen;
e. pleziervaartuig: een Nederlands schip dat uitsluitend anders
dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt;
f. zeilvaart: de bedrijfsmatige vaart met zeilschepen op zee;
g. scheepslengte: tenzij anders bepaald, 96 procent van de totale
lengte op een waterlijn op 85 procent van de kleinste holte gemeten
vanaf de kiellijn, of de lengte van de voorzijde van de voorsteven
tot de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze
lengte groter is; bij vissersvaartuigen die met een stuurlast
ontworpen zijn, moet de waterlijn waarop deze lengte gemeten wordt,
evenwijdig aan de ontwerplastlijn worden genomen;
h. kapitein: de gezagvoerder van een Nederlands schip;
i. scheepsofficier: een lid van de bemanning, niet zijnde de
kapitein, die aan boord van een Nederlands schip een functie als
stuurman, werktuigkundige, maritiem officier of radio-operator
vervult;
j. opvarende: een ieder die zich gedurende de vaart aan boord van
het schip bevindt;
k. bemanning: de kapitein, de scheepsofficieren, de
scheepsgezellen, en de overige opvarenden die in de monsterrol
worden genoemd;
l. scheepsbeheerder: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon
die, vanuit een vestiging van een zeescheepvaartonderneming in
Nederland, de dagelijkse leiding heeft over het beheer van het
schip, alsmede de personen die als lid van een maatschap het beheer
voeren over het vissersvaartuig;
m. de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat: de door
Onze Minister aangewezen ambtenaren van de Inspectie Verkeer en
Waterstaat;
n. vaarbevoegdheid: de bevoegdheid om in een of meer functies aan
boord van een schip dienst te doen;
o. vaarbevoegdheidsbewijs: een door Onze Minister afgegeven
document waaruit de vaarbevoegdheid blijkt;
p. bemanningsplan: een voorstel van de scheepsbeheerder, houdende
het aantal bemanningsleden met hun functies aan boord waarmee de
scheepsbeheerder het betrokken schip minimaal wenst te bemannen;
q. bemanningscertificaat: een door Onze Minister afgegeven
certificaat, houdende het minimumaantal bemanningsleden met hun
functies aan boord van het betrokken schip;
r. beroepsvereisten: de krachtens deze wet gestelde vereisten ten
aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden voor een
functie aan boord of voor werkzaamheden waarop deze wet van
toepassing is;
s. geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart:
een verklaring als bedoeld in artikel 40;
t. tuchtcollege: het tuchtcollege voor de scheepvaart als bedoeld
in artikel 55a, tweede lid;
u. verwerking van persoonsgegevens: hetgeen daaronder wordt
verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens;
v. verantwoordelijke: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet
bescherming persoonsgegevens;
w. bewijs van beroepsbekwaamheid: elk geldig document dat is
afgegeven door of onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde
autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland, in overeenstemming met artikel 5
van de bemanningsrichtlijn en de in de daarbij behorende bijlage I
vastgestelde vereisten;
x. bemanningsrichtlijn: richtlijn nr. 2008/106/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november
2008 inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden (PbEU L
323).
Artikel 2
1. Deze wet is van toepassing ten aanzien van Nederlandse
schepen die op zee worden gebruikt, voor zover ten aanzien van
vissersvaartuigen niet anders is bepaald.
2. Deze wet is van toepassing ten aanzien van Nederlandse
schepen, waarvoor een certificaat van deugdelijkheid als bedoeld in de
Schepenwet is vereist of is afgegeven, die worden gebruikt op wateren
die ter plaatse als binnenwater worden aangemerkt.
3. Deze wet is niet van toepassing ten aanzien van:
a. schepen die voorzien zijn van een certificaat van deugdelijkheid
voor onbemand gesleept vervoer;
b. oorlogsschepen;
c. reddingvaartuigen;
d. onoverdekte vissersvaartuigen, die in de regel niet buiten het
zicht van de Nederlandse kust worden gebracht;
e. pleziervaartuigen.
Hoofdstuk 2. De bemanning van zeeschepen
§ 1. Algemene bepalingen met betrekking tot de aanstelling en
handhaving van een veilige bemanning
Artikel 3
1. De zorg voor het bemannen van een
schip met inachtneming van deze wet berust bij de scheepsbeheerder.
2. De scheepsbeheerder verschaft de kapitein de middelen die hem
in staat stellen om aan zijn verplichtingen ingevolge deze wet te
voldoen.
3. De scheepsbeheerder houdt, ten behoeve van de met het toezicht
op de naleving van deze wet belaste autoriteiten, per schip van elk
daarop dienstdoend bemanningslid een overzicht bij van ten minste het
volgende:
a. de opleiding;
b. de ervaring;
c. de vakbekwaamheid;
d. de medische geschiktheid.
4. Ter uitvoering van de in het derde lid bedoelde verplichting
worden persoonsgegevens betreffende de gezondheid verwerkt. De
verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen
of de bemanning van de door de scheepsbeheerder beheerde schepen voldoet
aan de wettelijke vereisten betreffende de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid. De scheepsbeheerder is verantwoordelijke voor deze
verwerking.
Artikel 4
1. De scheepsbeheerder
bemant een schip zodanig dat redelijkerwijs alle werkzaamheden aan
boord, met inachtneming van de geldende arbeids- en rusttijden, en gelet
op de bedrijfsvoering, de risico's op zee en van de lading, zonder
gevaar voor de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het
scheepvaartverkeer kunnen worden verricht.
2. De scheepsbeheerder zorgt ervoor dat de
bemanningsleden bij hun tewerkstelling aan boord vertrouwd zijn met hun
specifieke taken en met alle regelingen, procedures aan boord en de
kenmerken van het schip, die verband houden met hun taken zowel onder
normale omstandigheden als in noodsituaties.
3. De kapitein en de scheepsofficieren gedragen zich aan boord
ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu en het
scheepvaartverkeer zoals het een goed zeeman betaamt.
4. De kapitein zorgt ervoor dat de bemanning van het schip te
allen tijde berekend is voor het verrichten van de werkzaamheden aan
boord.
§ 2. Bemanningscertificaat en bemanningsplan
Artikel 5
1. Een schip is voorzien van een geldig
bemanningscertificaat, afgegeven door Onze Minister.
2. Een schip is ten minste bemand overeenkomstig het
bemanningscertificaat.
Artikel 6
1. Op het bemanningscertificaat worden de kenmerken van het
schip en, zo nodig, de bijzonderheden ten aanzien van het gebruik van
het schip in relatie tot de bemanning vermeld.
2. Een bemanningscertificaat wordt in tweevoud voor een bepaalde
periode van ten hoogste vijf jaren afgegeven.
3. De kapitein draagt er zorg voor dat een van de exemplaren van
het geldige bemanningscertificaat op een duidelijk zichtbare plaats aan
boord van het schip wordt opgehangen.
Artikel 7
1. De scheepsbeheerder dient voor elk schip afzonderlijk een
aanvraag voor een bemanningscertificaat in bij Onze Minister, en voegt
daarbij een bemanningsplan voor het betrokken schip.
2. De scheepsbeheerder kan voor een schip meer dan een
bemanningssamenstelling voorstellen.
3. Bij ministeriėle regeling
wordt bepaald welke gegevens ten minste in het bemanningsplan worden
opgenomen.
Artikel 8
1. Onze Minister neemt een besluit over
elk van de ingediende bemanningssamenstellingen.
2. Onze Minister besluit tot afgifte van een
bemanningscertificaat voor het betrokken schip, indien naar zijn oordeel
met de voorgestelde bemanningssamenstelling
a. de veiligheid van het schip en de veilige en milieuverantwoorde
vaart zijn gewaarborgd;
b. de voor de bemanning geldende normen voor arbeids- en rusttijden
niet worden overschreden;
c. ook overigens aan de vereisten, bedoeld in artikel 4, eerste
lid, kan worden voldaan; en
d. wordt voldaan aan het krachtens artikel 64 bepaalde.
3. De scheepsbeheerder verstrekt desgevraagd nadere inlichtingen
over het bemanningsplan.
4. Onze Minister kan de kapitein raadplegen alvorens te besluiten
omtrent de afgifte van een bemanningscertificaat.
5. Onze Minister stelt ambtshalve de bemanningssamenstelling van
het betrokken schip vast en geeft dienovereenkomstig een
bemanningscertificaat af, indien hij van oordeel is, dat met de
bemanningssamenstelling die door de scheepsbeheerder wordt voorgesteld
niet of niet geheel kan worden voldaan aan het tweede lid, onderdelen a
tot en met d.
6. De scheepsbeheerder verschaft de kapitein een afschrift van
het bemanningsplan, dat is voorzien van de eventuele aanvullende
gegevens die zijn verstrekt op grond van het derde lid, en dat behoort
bij het geldige bemanningscertificaat.
Artikel 9
Indien voor een schip meer dan een bemanningssamenstelling geldt,
worden alle bemanningssamenstellingen duidelijk onderscheiden in het
bemanningscertificaat opgenomen.
Artikel 10
De kapitein tekent in het scheepsdagboek aan:
a. volgens welke bemanningssamenstelling het schip is bemand,
indien in het bemanningscertificaat meer dan een samenstelling is
opgenomen; en
b. de feiten of omstandigheden die niet in overeenstemming zijn
met de gegevens van het bemanningsplan.
Artikel 11
1. De scheepsbeheerder meldt aan Onze Minister alle wijzigingen
van de gegevens van het bemanningsplan die hij voornemens is door te
voeren.
2. Op grond van de nieuwe gegevens beslist Onze Minister of de
bemanningssamenstelling overeenkomstig het geldige bemanningscertificaat
kan worden gehandhaafd. Zo nodig geeft hij een nieuw
bemanningscertificaat af.
Artikel 12
1. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven bij de
toepassing van artikel 4, derde lid, verzoekt de kapitein de
scheepsbeheerder gemotiveerd hem voor een bepaald tijdstip de
benodigde aanvullende middelen te verschaffen. Een mondeling verzoek
wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd.
2. Indien de scheepsbeheerder niet tijdig of geen gevolg geeft
aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, stelt de kapitein Onze
Minister daarvan schriftelijk in kennis.
Artikel 13
Onze Minister trekt het bemanningscertificaat in, indien is gebleken
dat
a. het bemanningsplan onjuiste of onvolledige gegevens bevat,
zodanig dat op grond van de juiste of volledige gegevens dit
bemanningscertificaat niet zou zijn afgegeven, dan wel
b. het schip in strijd met de gegevens in het
bemanningscertificaat wordt gebruikt en dit afwijkende gebruik naar
zijn redelijk oordeel een andere bemanningssamenstelling
noodzakelijk maakt.
Artikel 14
1. Onverminderd artikel 8, vijfde lid, geeft Onze Minister voor
het schip ambtshalve een nieuw bemanningscertificaat af voor een
andere bemanningssamenstelling dan waarmee het schip op grond van het
laatst afgegeven bemanningscertificaat is bemand, indien hem is
gebleken dat het voldoen aan de eisen, gesteld in artikel 8, tweede
lid, met dat certificaat niet langer gewaarborgd is.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, nodigt Onze Minister
de scheepsbeheerder uit een nieuw bemanningsplan in te dienen.
Artikel 15
1. Nadat een nieuw bemanningscertificaat voor een schip is
afgegeven wordt het oude bemanningscertificaat zo spoedig mogelijk aan
Onze Minister gezonden.
2. De scheepsbeheerder draagt er zorg voor dat aan het eerste lid
wordt voldaan.
Artikel 16
Onze Minister kan, met inachtneming van bij algemene maatregel van
bestuur te stellen regels, voor een bepaald schip en voor een periode
van ten hoogste zes maanden, ontheffing verlenen van de in artikel 5,
tweede lid, bedoelde verplichting om het schip overeenkomstig het
bemanningscertificaat te bemannen.
Artikel 17
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking
tot de samenstelling van de bemanning voor verschillende categorieėn
vissersvaartuigen.
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op
vissersvaartuigen met een scheepslengte van minder dan 45 meter, met
uitzondering van de artikelen 5, 6, 13, aanhef en onderdeel b, 15, 16 en
17.
3. De scheepsbeheerder dient per vissersvaartuig een aanvraag in
voor een bemanningscertificaat bij Onze Minister.
4. Bij ministeriėle regeling
wordt bepaald welke gegevens bij de aanvraag worden ingediend.
§ 3. Vaarbevoegdheden, kennis- en ervaringseisen
Artikel 18
1. Een ieder die aan boord van een schip een functie vervult
waarvoor krachtens deze wet eisen zijn gesteld, is in het bezit van
een geldig vaarbevoegdheidsbewijs voor die functie.
2. De vaarbevoegdheden, die op de in het eerste lid bedoelde
vaarbevoegdheidsbewijzen kunnen worden aangetekend, zijn:
a. kapitein alle schepen
eerste stuurman alle schepen
wachtstuurman alle schepen
kapitein kleine schepen
eerste stuurman kleine schepen
b. hoofdwerktuigkundige alle schepen
tweede werktuigkundige alle schepen
wachtwerktuigkundige alle schepen
hoofdwerktuigkundige kleine schepen
tweede werktuigkundige kleine schepen
c. eerste maritiem officier
eerste maritiem officier kleine schepen
maritiem officier
maritiem officier kleine schepen
d. schipper zeevisvaart
plaatsvervangend schipper zeevisvaart
stuurman-werktuigkundige zeevisvaart
stuurman zeevisvaart
werktuigkundige zeevisvaart
e. radio-operator
f. gezel.
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke de
onderlinge rangorde is van de in het tweede lid genoemde
vaarbevoegdheden.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald
welke beperkingen of aanvullingen mogen worden aangebracht op een
vaarbevoegdheidsbewijs in verband met de aard van de lading, het soort
schip of het vaargebied.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden de vaarbevoegdheden,
genoemd in het tweede lid, onderdeel d, nader onderscheiden naar
scheepslengte, voortstuwingsvermogen of vaargebied.
6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke
specifieke beperkingen gelden voor de vaarbevoegdheden waarop houders
van bijzondere verklaringen van geschiktheid en bekwaamheid of
diploma's, afgegeven voor de datum van inwerkingtreding van deze wet,
recht hebben.
Artikel 19
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden:
a. voor de verkrijging van de vaarbevoegdheden, genoemd in artikel
18, tweede lid, vastgesteld:
1°. de beroepsvereisten;
2°. de opgedane ervaring;
3°. de eisen van medische geschiktheid, en
4°. de
wijze waarop wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de onder ten 1° en
ten 2° bedoelde eisen;
b. de geldigheidsduur van het vaarbevoegdheidsbewijs, alsmede de
wijze van eerste afgifte, vervanging of vernieuwing van het
vaarbevoegdheidsbewijs geregeld;
c. de grenzen bepaald van de schepen, waarop de volgende
vaarbevoegdheden mogen worden uitgeoefend:
1°. kapitein kleine schepen;
2°. eerste stuurman kleine schepen;
3°. hoofdwerktuigkundige kleine schepen;
4°. tweede werktuigkundige kleine schepen;
5°. eerste maritiem officier kleine schepen,
en
6°. maritiem officier kleine schepen.
2. Aan de voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs
benodigde beroepsvereisten kan worden voldaan door:
a. het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen
van een aan een op grond van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek bekostigde of aangewezen hogeschool
verbonden opleiding voor een nautisch beroep dan wel het met goed
gevolg hebben afgelegd van het examen van een nautische
beroepsopleiding waarvoor op grond van de Wet educatie en
beroepsonderwijs eindtermen zijn vastgesteld, of
b. het hebben gevolgd van een door Onze Minister erkende opleiding.
3. Bij ministeriėle regeling
worden regels gesteld met betrekking tot:
a. de aanvraag voor de in het tweede lid bedoelde erkenning;
b. de intrekking van de erkenning.
4. Onze Minister stelt de criteria vast op grond waarvan een
aanvraag voor de in het tweede lid bedoelde erkenning wordt beoordeeld.
Artikel 20
1. Onze Minister besluit tot
afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs wanneer de aanvrager voldoet aan
de eisen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten
1°, ten 2° en ten 3°.
2. Bij ministeriėle regeling
wordt bepaald welke bescheiden worden overgelegd bij de aanvraag van een
vaarbevoegdheidsbewijs.
3. Onze Minister vergewist zich ervan dat
een persoon de Nederlandse nationaliteit bezit, dan wel de nationaliteit
van een van de staten, bedoeld in artikel 30, alvorens aan deze een van
de vaarbevoegdheden als kapitein, onderscheidenlijk schipper, af te
geven die zijn genoemd in artikel 18, tweede lid.
Artikel 21
Bij ministeriėle regeling kan worden bepaald voor welke bij
internationale regeling aangewezen bijzondere functies of werkzaamheden
het bezit van een certificaat of enig ander document voorgeschreven is,
alsmede welke beroepsvereisten daarvoor gelden.
Artikel 22
1. Bij algemene maatregel
van bestuur worden de criteria vastgesteld met inachtneming waarvan Onze
Minister vaarbevoegdheidsbewijzen, diploma's of certificaten erkent die
zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit van een staat, niet zijnde
een lid-staat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij
de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland.
2. Aan de houder van een
geldig vaarbevoegdheidsbewijs, diploma of certificaat dat ingevolge het
eerste lid is erkend, wordt, indien hij ook overigens voldoet aan de
eisen gesteld ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a,
ten 2° en ten 3°, en hij dienst gaat doen op een Nederlands schip, een
vaarbevoegdheidsbewijs afgegeven, waarop een officiėle verklaring is
opgenomen dat dit vaarbevoegdheidsbewijs is afgegeven op grond van een
erkend vaarbevoegdheidsbewijs.
3. Een erkenning van beroepskwalificaties
als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties voor een beroep waarvoor de vaarbevoegdheden
genoemd in artikel 18, tweede lid, onderdeel d, geldig zijn, wordt met
een erkend vaarbevoegdheidsbewijs, diploma of certificaat als bedoeld in
het tweede lid gelijkgesteld.
4. Bij ministeriėle regeling
worden regels gesteld met betrekking tot de afgifte van het
vaarbevoegdheidsbewijs.
5. Bij ministeriėle regeling
wordt bepaald welke bescheiden worden overgelegd bij de aanvraag voor
een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 22a
1. Onze Minister erkent een bewijs van
beroepsbekwaamheid dat is afgegeven door of onder de
verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat
van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
2. Aan de houder van een
bewijs van beroepsbekwaamheid als bedoeld in het eerste lid, wordt,
indien hij ook overigens voldoet aan de eisen gesteld ingevolge artikel
19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten 1°, ten 2° en ten 3°, en
hij dienst gaat doen op een Nederlands schip, een vaarbevoegdheidsbewijs
afgegeven.
3. Een ingevolge het tweede
lid afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs is beperkt tot de in het
oorspronkelijke bewijs omschreven functies, taken en
verantwoordelijkheidsniveaus en bevat een officiėle verklaring dat het
bewijs is afgegeven op grond van een erkend vaarbevoegdheidsbewijs.
4. Bij ministeriėle regeling
wordt bepaald welke bescheiden worden overgelegd bij de aanvraag van een
vaarbevoegdheidsbewijs.
5. Het tweede lid is niet van toepassing op
gezellen.
Artikel 23
1. Onze Minister onderzoekt schriftelijke verklaringen over of
aanwijzingen van medische ongeschiktheid of onbekwaamheid tot het
uitoefenen van een functie aan boord van houders van een
vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in de artikelen 18 of 22.
2. Onze Minister stelt de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs,
te wiens aanzien een gegrond vermoeden van medische ongeschiktheid of
onbekwaamheid tot het uitoefenen van zijn functie aan boord bestaat,
daarvan in kennis. Hij is verplicht zich bij de eerste gelegenheid te
onderwerpen aan een onderzoek met inachtneming van door Onze Minister te
geven aanwijzingen.
3. Bij gegrond vermoeden van
medische ongeschiktheid wordt het onderzoek, bedoeld in het tweede lid,
ingesteld door een door Onze Minister aangewezen geneeskundige of
medisch specialist naar de algemene lichamelijke geschiktheid dan wel
naar de geschiktheid van het gezichts- of gehoororgaan op de voet van
het bepaalde krachtens artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a,
ten 3°.
4. Bij gegrond vermoeden van
onbekwaamheid tot het uitoefenen van een functie aan boord wordt het
onderzoek, bedoeld in het tweede lid, ingesteld door een door Onze
Minister aangewezen deskundige op de voet van het bepaalde krachtens
artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten 1°.
5. Indien bij een periodiek onderzoek of
bij een in het tweede lid bedoeld onderzoek blijkt dat de houder van een
vaarbevoegdheidsbewijs niet voldoet aan de krachtens deze wet gestelde
eisen voor de algemene lichamelijke geschiktheid of aan de eisen voor de
geschiktheid van het gezichts- of gehoororgaan, weigert de geneeskundige
of medisch specialist een nieuwe geneeskundige verklaring van
geschiktheid voor de zeevaart af te geven. Onze Minister kan de
desbetreffende geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de
zeevaart ongeldig verklaren.
6. De artikelen 42, 43 en 44 zijn van overeenkomstige toepassing.
7. Indien de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs niet aan de in
het tweede lid bedoelde verplichting voldoet zonder dat van een geldige
reden daartoe blijkt, kan Onze Minister zonder nader onderzoek het
afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs ongeldig verklaren.
Artikel 24
1. Onze Minister trekt een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld
in de artikelen 18 of 22 in, indien:
a. uit een onderzoek naar de
bekwaamheid, bedoeld in artikel 23, vierde lid, blijkt dat de houder
niet meer voldoet aan de in artikel 19, eerste lid, aanhef en
onderdeel a, ten 1°, bedoelde beroepsvereisten;
b. een van de voor de houder voorgeschreven geneeskundige
verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart ingevolge artikel 23
ongeldig is verklaard, of indien de houder blijvend medisch ongeschikt
voor de zeevaart is verklaard.
2. Een vaarbevoegdheidsbewijs kan door Onze Minister voorts
worden ingetrokken indien is gebleken dat bij de aanvraag onjuiste
gegevens zijn opgegeven dan wel dat valse of vervalste documenten zijn
overgelegd.
3. Onze Minister kan, ter voorkoming van een noodsituatie of
gevaar voor het scheepvaartverkeer, de houder van een
vaarbevoegdheidsbewijs voor ten hoogste 24 uur een verbod opleggen aan
boord van een schip een functie uit te oefenen of werkzaamheden te
verrichten.
4. Onze Minister trekt een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in
artikel 22 in, indien de geldigheid van het buitenlandse diploma,
certificaat of bevoegdheidsbewijs op grond waarvan dat
vaarbevoegdheidsbewijs is afgegeven, door of vanwege de bevoegde
buitenlandse autoriteit is geschorst of ingetrokken.
5. Onze Minister stelt de bevoegde buitenlandse autoriteit in
kennis van de toepassing van het eerste en tweede lid van dit artikel
ten aanzien van een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 22.
Artikel 25
1. Onze Minister kan ten aanzien van een bemanningslid, met
inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels,
voor een bepaald schip, en voor een periode van ten hoogste zes
maanden, ontheffing verlenen van de in artikel 18, eerste lid,
bedoelde verplichting om in het bezit te zijn van een geldig
vaarbevoegdheidsbewijs.
2. Onze Minister kan aan de houder van een vaarbevoegdheid,
geldig op kleine schepen, ontheffing geven van de in artikel 18, eerste
lid, bedoelde verplichting om in het bezit te zijn van een geldig
vaarbevoegdheidsbewijs, voorzover die bevoegdheid wordt gebruikt aan
boord van een schip, dat als gevolg van een verbouwing niet meer als
klein schip is aan te merken, indien wordt voldaan aan de volgende
voorwaarden:
a. de ontheffing geldt voor de duur van de opleiding van de houder
ten behoeve van een bevoegdheid geldig op alle schepen, met een
maximum van twee jaren, en
b. de houder heeft in de vijf jaren, voorafgaand aan de aanvraag,
twee jaren aan boord van dit schip, of aan boord van een naar het
oordeel van Onze Minister identiek schip, dienst gedaan.
Artikel 25a
1. Ter uitvoering van de artikelen 20 tot en met 24 worden
persoonsgegevens betreffende de gezondheid verwerkt. De verwerking van
deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of degene die
aan boord van een schip werkzaamheden verricht waarvoor het bezit van
een vaarbevoegdheidsbewijs is vereist, voldoet of niet meer voldoet
aan de wettelijke vereisten betreffende de medische geschiktheid in
verband met de afgifte of het behoud van een vaarbevoegdheidsbewijs.
Onze Minister is verantwoordelijke voor deze verwerking.
2. Ter uitvoering van artikel 25 worden persoonsgegevens
betreffende de gezondheid verwerkt. De verwerking van deze gegevens
vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of aan een bemanningslid,
onderscheidenlijk aan de houder van een vaarbevoegdheid, ontheffing kan
worden verleend van de verplichting in het bezit te zijn van een geldig
vaarbevoegdheidsbewijs. Onze Minister is verantwoordelijke voor deze
verwerking.
Hoofdstuk 3. De kapitein
Artikel 26
De kapitein van een vissersvaartuig heeft de titel van schipper.
Artikel 27
1. De kapitein is belast met de handhaving van de openbare orde
aan boord en oefent aan boord over alle opvarenden gezag uit.
2. De kapitein belast een bemanningslid niet met werkzaamheden
aan boord, waarvoor een vaarbevoegdheid of beroepskwalificatie vereist
is, indien dat bemanningslid niet blijkens zijn geldige
vaarbevoegdheidsbewijs of, indien dat is toegestaan, blijkens een
document als bedoeld in artikel 21 bevoegd is die werkzaamheden aan
boord te verrichten.
3. De opvarenden zijn verplicht de bevelen van de kapitein na te
komen die door de kapitein worden gegeven in het belang der veiligheid
of tot handhaving van de orde, met inbegrip van de openbare orde.
Artikel 28
De kapitein oefent zijn gezag uit zodra hij aan boord is en het gezag
heeft aanvaard of overgenomen, en zolang hij het gezag niet heeft
overgedragen of de scheepsbeheerder hem het gezag niet heeft ontnomen.
Artikel 29
1. Op Nederlandse schepen worden alleen personen als kapitein
aangesteld die de nationaliteit bezitten van:
a. het Koninkrijk der Nederlanden, dan wel
b. van een andere staat, doch uitsluitend indien zij ingevolge
artikel 30 zijn vrijgesteld van de in de aanhef en onderdeel a
genoemde eis.
2. Bij ministeriėle regeling
kan, onder het stellen van voorwaarden of beperkingen, ten behoeve van
vissersvaartuigen vrijstelling worden verleend van het in het eerste lid
bedoelde vereiste.
Artikel 30
1. Personen die de nationaliteit bezitten
van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een van de overige
staten die partij zijn bij de Overeenkomst inzake de Europese
Economische Ruimte, zijn vrijgesteld van de nationaliteitseis, bedoeld
in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, voor het dienstdoen op
Nederlandse schepen die geen vissersvaartuig zijn.
2. Aan personen die de nationaliteit bezitten van een andere
staat kan bij regeling van Onze Minister vrijstelling worden verleend
van de nationaliteitseis, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en
onder a, voor het dienstdoen op Nederlandse schepen die geen
vissersvaartuig zijn, mits het betreft:
a. staten waarmee, ingevolge een daartoe strekkend besluit van de
Raad van de Europese Unie, toetredingsonderhandelingen gaande zijn en
die voorkomen op een lijst die bij regeling van Onze Minister wordt
vastgesteld, of
b. een staat die niet behoort tot een van de staten, bedoeld onder
a.
3. De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, kan slechts worden
verleend indien:
a. het Koninkrijk der Nederlanden voor Nederland met die staat een
schriftelijke afspraak heeft gemaakt voor de erkenning van
vaarbevoegdheidsbewijzen als bedoeld in Voorschrift I/10 van de
Bijlage van het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen
Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake
opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144), en
b. de erkenningsprocedure, opgenomen in artikel 19 van de
bemanningsrichtlijn, is voltooid.
4. Aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, kunnen
beperkingen of nadere voorschriften worden verbonden.
5. Door werkgevers- en werknemersorganisaties in de sector
koopvaardij, respectievelijk de sector zeegaande waterbouw wordt, ter
regulering van de arbeidsmarkt voor kapiteins met de Nederlandse
nationaliteit, respectievelijk die van een staat als bedoeld in het
eerste lid, voor hun sector een privaatrechtelijke regeling vastgesteld
omtrent afgifte aan een scheepsbeheerder van een schriftelijke
toestemming tot het aanstellen van een persoon met een andere
nationaliteit in de functie van kapitein.
6. Elk der regelingen, bedoeld in het vijfde lid, bevat
bepalingen ten aanzien van de afgifte, respectievelijk de weigering van
een verklaring als bedoeld in het vijfde lid, door een paritair
samengestelde commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van de
werkgevers- en werknemersorganisaties in de sector koopvaardij,
respectievelijk de sector zeegaande waterbouw.
7. De regeling als bedoeld in het vijfde lid, bevat daarnaast in
elk geval:
a. een klachtenprocedure ten behoeve van eerste stuurlieden,
respectievelijk eerste maritieme officieren die naar hun oordeel op
onjuiste gronden niet zijn aangesteld in de functie van kapitein op
een Nederlands schip;
b. de vaststelling van de werkzaamheden van de commissie, bedoeld
in het zesde lid, en
c. de wijze van verkrijging van
betrouwbare en zo volledig mogelijke informatie als omschreven in het
achtste lid, welke jaarlijks vóór 1 april aan Onze Minister dient te
worden verstrekt.
8. De informatie, bedoeld in het zevende lid, onder c, omvat:
a. het aantal zeevarenden op de Nederlandse vloot, gerangschikt
naar functie, leeftijd en nationaliteit;
b. het aantal Nederlandse officieren dat in het verstreken jaar
voor het eerst, anders dan als stagiair, is gemonsterd op Nederlandse
zeeschepen;
c. het aantal beschikbare stageplaatsen;
d. het aantal Nederlandse studenten dat als stagiair is geplaatst,
en
e. het aantal buitenlandse studenten dat als stagiair is geplaatst,
alsmede de nationaliteit van deze stagiairs.
9. Voorafgaand aan de vaststelling van een regeling als bedoeld
in het tweede lid pleegt Onze Minister overleg over het ontwerp van een
regeling met de werkgevers- en werknemersorganisaties in de sector
koopvaardij, respectievelijk de sector zeegaande waterbouw.
10. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met
betrekking tot de vrijstelling van de eisen neergelegd in artikel 29,
eerste lid, voor de gevallen waarin de privaatrechtelijke regeling,
bedoeld in het vijfde lid, niet binnen drie maanden na de
inwerkingtreding van dat vijfde lid tot stand is gekomen, dan wel
vervallen is zonder dat door de werkgevers- en werknemersorganisaties in
de desbetreffende sector is voorzien in vervanging van die regeling.
Artikel 31
1. In geval van belet of ontstentenis van de kapitein van een
Nederlands schip, niet zijnde een vissersvaartuig, treedt als kapitein
op de eerste stuurman, onderscheidenlijk de eerste maritiem officier.
2. In geval geen eerste stuurman of eerste maritiem officier
aanwezig is, treedt als kapitein op een door de scheepsbeheerder
aangewezen persoon.
3. In geval van belet of ontstentenis van de kapitein van een
vissersvaartuig treedt als kapitein op de plaatsvervangend schipper of,
bij afwezigheid van een plaatsvervangend schipper, een door de
scheepsbeheerder aangewezen persoon.
Artikel 32
1. De scheepsbeheerder draagt er zorg voor dat de kapitein op
grond van de door hem gegeven zienswijze bij de toepassing van artikel
4, derde lid, of bij toepassing van artikel 8, vierde lid, niet
benadeeld wordt in zijn positie in de zeescheepvaartonderneming.
2. De kapitein kan de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de
scheepsbeheerder gevolg dient te geven aan hetgeen in het eerste lid is
bepaald.
Hoofdstuk 4. Monstering en medische keuring van de bemanning
§ 1. Monstering
Artikel 33
1. Aan boord van een schip is een
monsterrol, die wordt opgemaakt en gewijzigd door de kapitein.
2. In de monsterrol worden ten minste de namen en functies
opgenomen van de bemanningsleden die de functies vervullen, genoemd in
het bemanningscertificaat, alsmede van de bemanningsleden die door de
scheepsbeheerder dan wel de kapitein, met toepassing van respectievelijk
artikel 4, eerste lid, en artikel 4, vierde lid, naast de eerstbedoelde
bemanningsleden aan boord zijn geplaatst.
3. De monsterrol heeft een geldigheidsduur van niet meer dan
twaalf maanden.
4. De kapitein stelt Onze Minister binnen een week dan wel in de
eerstvolgende haven in kennis van een door hem opgemaakte monsterrol of
van wijzigingen in de monsterrol.
Artikel 34
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur:
a. wordt bepaald welke gegevens van de bemanning voorts worden
opgenomen in de monsterrol;
b. wordt het model van de monsterrol vastgesteld;
c. worden de wijze en frequentie van opmaken en wijzigen van de
monsterrol bepaald;
d. kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop
de Onze Minister van een opgemaakte of gewijzigde monsterrol in kennis
wordt gesteld.
2. Bij ministeriėle regeling
kan van de verplichting, genoemd in artikel 33, eerste lid, en van de
bepalingen krachtens het eerste lid van dit artikel ten behoeve van
bepaalde categorieėn van schepen vrijstelling worden verleend.
3. Onze Minister kan in bijzondere gevallen
van de verplichting, genoemd in artikel 33, eerste lid, en van de
bepalingen krachtens het eerste lid van dit artikel ontheffing verlenen
ten behoeve van een bepaald schip en gedurende een bepaalde periode. Aan
deze ontheffing kunnen beperkingen en voorwaarden worden verbonden.
Artikel 35
De bemanningsleden, bedoeld in artikel 33, tweede lid, zijn in het
bezit van een geldig monsterboekje of een voorlopig monsterboekje,
waaruit de gegevens, die op de monsterrol worden vermeld, worden
overgenomen.
Artikel 36
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot
a. het monsterboekje of het voorlopig monsterboekje, alsmede de
afgifte ervan;
b. de in het monsterboekje en het voorlopig monsterboekje op te
nemen gegevens, en
c. de gegevens die anderen dan de kapitein in het monsterboekje
of het voorlopig monsterboekje mogen aantekenen.
Artikel 37
1. Een monsterboekje is tot tien jaar na de datum van afgifte
geldig.
2. Een voorlopig monsterboekje is tot 3 maanden na de datum van
afgifte geldig.
Artikel 38
1. De kapitein tekent van een bemanningslid in het
monsterboekje aan:
a. de dag van aanmonstering;
b. de dag van afmonstering;
c. de functie waarin het bemanningslid heeft dienst gedaan, en
d. de naam en de roepletters van het schip.
2. In het monsterboekje wordt het loon noch enige
gedragsbeoordeling opgenomen.
Artikel 39
1. Indien het bemanningslid van mening is, dat de kapitein of
de ander, bedoeld in artikel 36, aanhef en onderdeel c, in zijn
monsterboekje vermeldingen in strijd met artikel 38 heeft gedaan of
nagelaten, kan hij daarover een klacht indienen bij Onze Minister.
Deze beslist, zo nodig na verhoor of behoorlijke oproeping van
belanghebbenden, en brengt de door hem nodig geachte verbetering in
het boekje aan.
2. De bevoegdheid van het bemanningslid tot het indienen van een
klacht als bedoeld in het eerste lid vervalt door verloop van vier weken
na de dag van afmonstering in een Nederlandse haven en van zes maanden
na de dag van afmonstering buiten Nederland.
§ 2. Medische keuring van de bemanning
Artikel 40
1. Elk bemanningslid is in het bezit van
een of meer van de in het tweede lid genoemde geldige geneeskundige
verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart, waaruit blijkt dat hij
is gekeurd door een geneeskundige of medisch specialist die door Onze
Minister daartoe is aangewezen, en dat hij voldoet aan de eisen van
medische geschiktheid, vastgesteld krachtens artikel 19, eerste lid,
aanhef en onderdeel a, ten 3.
2. De in het eerste lid bedoelde geneeskundige verklaringen van
geschiktheid voor de zeevaart zijn de geneeskundige verklaringen:
a. betreffende de algemene lichamelijke geschiktheid;
b. betreffende het gezichtsorgaan, en
c. betreffende het gehoororgaan.
Artikel 40a
Een geneeskundige verklaring waaruit blijkt dat een bemanningslid is
gekeurd en medisch geschikt bevonden voor de zeevaart door een
geneeskundige of medisch specialist die door de bevoegde autoriteit van
een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland daartoe is aangewezen, wordt gelijkgesteld met een
geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 40, eerste lid.
Artikel 41
De geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart,
bedoeld in artikel 40, eerste lid, worden bij aanmonstering overgelegd.
Artikel 42
1. Indien de geneeskundige of medisch specialist na de keuring
weigert aan de gekeurde de vereiste geneeskundige verklaring van
geschiktheid voor de zeevaart af te geven, heeft de gekeurde het recht
zich nogmaals te laten keuren door een door Onze Minister als
scheidsrechter aangewezen geneeskundige of medisch specialist.
2. Het oordeel van de als scheidsrechter aangewezen geneeskundige
of medisch specialist is bindend.
3. De gekeurde, aan wie geweigerd is een geneeskundige verklaring
van geschiktheid voor de zeevaart af te geven, heeft het recht zich
opnieuw door een scheidsrechter te laten onderzoeken, indien er medische
gronden zijn om te veronderstellen dat de reden voor de eerdere
afkeuring is vervallen.
4. De gekeurde die tijdens het onderzoek heeft meegedeeld dat hij
van mening is dat hij op medische gronden ongeschikt voor de zeevaart
moet worden bevonden, heeft het recht zich door een scheidsrechter te
laten onderzoeken, indien de keurende geneeskundige of medische
specialist geen bezwaren heeft geconstateerd tegen afgifte aan hem van
een geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart.
Artikel 43
1. De geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de
zeevaart, afgegeven door een geneeskundige of medisch specialist die
niet ingevolge artikel 42 als scheidsrechter is aangewezen, nadat een
andere geneeskundige of medisch specialist de afgifte van een
geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart heeft
geweigerd, is ongeldig.
2. Indien uit een volgende keuring blijkt dat de gekeurde niet
aan de gestelde eisen van medische geschiktheid voldoet, vervalt de
geldigheid van de desbetreffende, eerder afgegeven, verklaring van
geschiktheid voor de zeevaart.
Artikel 44
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
nadere regels gesteld met betrekking tot
a. de medische keuring, bedoeld in artikel 40, eerste lid;
b. de herkeuring door als scheidsrechters aangewezen geneeskundigen
of medisch specialisten;
c. de aanwijzing van geneeskundigen, medisch specialisten en
scheidsrechters, alsmede de intrekking van deze aanwijzing;
d. de geldigheidsduur van de geneeskundige verklaringen van
geschiktheid voor de zeevaart.
2. Onze Minister kan voor een bepaalde periode van de
verplichting te voldoen aan de geldende medische normen ontheffing
verlenen, indien een als scheidsrechter aangewezen geneeskundige of
medisch specialist daartoe gemotiveerd adviseert.
Artikel 45
Indien korte tijd voor vertrek van een schip de bemanning moet worden
aangevuld, kan, indien dringende omstandigheden nopen tot het
aanmonsteren van personen die niet in het bezit zijn van een of meer
geldige geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart,
door Onze Minister ontheffing worden verleend van de in artikel 40,
eerste lid, bedoelde verplichting.
Artikel 46
Indien de monsterrol moet worden opgemaakt of aangevuld in een haven
buiten Nederland, waar geen geneeskundigen of medisch specialisten als
bedoeld in artikel 40, eerste lid, aanwezig zijn, wordt ten aanzien van
de geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart het ter
plaatse geldende gebruik gevolgd.
Artikel 47
In de gevallen, bedoeld in de artikelen 45 en 46, wordt bij de eerste
gelegenheid een medische keuring door een geneeskundige of medisch
specialist als bedoeld in artikel 40, eerste lid, verricht.
Artikel 48
1. Bij ministeriėle
regeling kan worden bepaald dat bijzondere categorieėn opvarenden in
het bezit moeten zijn van een geldige geneeskundige verklaring van
geschiktheid voor de zeevaart.
2. Bij ministeriėle regeling
kan worden bepaald dat bemanningsleden op bepaalde schepen vrijgesteld
zijn van onderdelen van de medische keuring.
Hoofdstuk 5. Toezicht en opsporing
Artikel 49
1. Met het toezicht op de naleving van
het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de ambtenaren van de
Inspectie Verkeer en Waterstaat, alsmede de bij besluit van Onze
Minister aangewezen ambtenaren of andere personen.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 50
De in artikel 49, eerste lid, bedoelde toezichthouder is bevoegd ter
uitoefening van zijn bevoegdheden ingevolge deze wet elke plaats te
betreden, met inbegrip van woongedeelten van schepen.
Artikel 51
1. De in artikel 49, eerste lid, bedoelde toezichthouder is
bevoegd zaken en schepen te onderzoeken met betrekking waartoe hij een
toezichthoudende taak heeft. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de
in artikel 50 bedoelde plaatsen.
2. Hij is bevoegd met het oog op de uitoefening van deze
bevoegdheden, in geval van gegrond vermoeden dat in strijd wordt
gehandeld met enige verplichting ingevolge deze wet, van de kapitein van
een schip te vorderen dat deze het schip gaande houdt dan wel naar een
door hem aangewezen veilige ligplaats of ankerplaats brengt.
Artikel 52
1. Een ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat is
bevoegd een schip aan te houden, indien er voorafgaand aan het vertrek
naar zee
a. geen bemanningscertificaat voor het schip is afgegeven of het
bemanningscertificaat ongeldig is;
b. de door hem aangetroffen bemanning niet ten minste in
overeenstemming is met het bemanningscertificaat; of
c. van het schip kennelijk een ander gebruik wordt of zal worden
gemaakt dan overeenkomstig de beperkingen of voorwaarden vermeld in
het bemanningscertificaat.
2. De ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat is
eveneens bevoegd een schip aan te houden, indien de toezichthouder dan
wel de inspecteur, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van
de Algemene douanewet de toegang tot het schip wordt geweigerd of indien
geen medewerking aan diens onderzoek wordt gegeven.
3. De aanhouding wordt opgeheven, zodra de reden voor de
aanhouding is komen te vervallen.
Artikel 53
1. De ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat stelt
Onze Minister onverwijld in kennis van de aanhouding en van de redenen
voor de aanhouding.
2. Van een besluit tot aanhouding van een schip of tot opheffing
van de aanhouding wordt voorts de betrokken ambtenaar van de
rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, in kennis gesteld.
3. De in het tweede lid bedoelde ambtenaar verleent geen
expeditie voor het betrokken schip indien hij een mededeling van
aanhouding heeft ontvangen en zolang hij geen mededeling van opheffing
heeft ontvangen.
Artikel 54
Onze Minister kan de aan de toezichthouder toekomende bevoegdheden
beperken.
Artikel 55
Met het opsporen van feiten, die bij of krachtens deze wet strafbaar
zijn gesteld, zijn belast:
a. de bij of krachtens artikel 141 Wetboek van Strafvordering
aangewezen personen;
b. de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
Hoofdstuk 5A. Tuchtrechtspraak
§ 1. Algemeen
Artikel 55a
1. De kapitein en de scheepsofficieren
zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen terzake van enig handelen of
nalaten in strijd met de zorg die zij als een goed zeeman in acht
behoren te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading,
het milieu of het scheepvaartverkeer.
2. De tuchtrechtspraak in eerste aanleg wordt uitgeoefend door
het tuchtcollege voor de scheepvaart. Het tuchtcollege voor de
scheepvaart is gevestigd te Amsterdam.
3. De tuchtrechtspraak in hoger beroep wordt uitgeoefend door het
College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College van Beroep voor
het bedrijfsleven beslist in hoogste ressort.
§ 2. Het tuchtcollege voor de scheepvaart
Artikel 55b
1. Het tuchtcollege bestaat uit een
voorzitter, twee plaatsvervangende voorzitters, acht leden en zestien
plaatsvervangende leden. Zij worden door Onze Minister benoemd voor een
periode van vier jaren en zijn terstond herbenoembaar.
2. De voorzitter en de twee plaatsvervangende voorzitters zijn
personen
a. aan wie op grond van het afsluitend examen van een opleiding in
het wetenschappelijk onderwijs door een universiteit dan wel de Open
Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek betrekking heeft, de graad van Bachelor op het gebied van
het recht en tevens de graad van Master op het gebied van het recht is
verleend, of
b. die op grond van het afsluitend examen van een opleiding op het
gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open
Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek betrekking heeft, het recht hebben verkregen om de titel
meester te voeren.
3. Vier leden en vier plaatsvervangende leden hebben gedurende de
aan hun benoeming voorafgaande periode van tien jaren ten minste vijf
jaren als kapitein of als scheepsofficier aan boord van een ander schip
dan een vissersvaartuig gevaren.
4. Vier leden en vier plaatsvervangende leden hebben gedurende de
aan hun benoeming voorafgaande periode van tien jaren ten minste vijf
jaren als schipper of als scheepsofficier aan boord van een
vissersvaartuig gevaren.
5. Voorts worden als plaatsvervangend lid benoemd:
a. twee reders;
b. twee waterbouwkundigen;
c. twee registerloodsen;
d. twee hydrografen.
6. Onze Minister verleent aan de voorzitter, de plaatsvervangende
voorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden in elk geval ontslag
met ingang van de maand, volgende op die waarin zij de leeftijd van
zeventig jaren hebben bereikt, en op eigen verzoek tussentijds.
Artikel 55c
1. Tussen de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de
leden, en de plaatsvervangende leden van het tuchtcollege mag geen
nauwe persoonlijke of zakelijke betrekking bestaan.
2. Voor de aanvang van hun
werkzaamheden leggen zij in handen van de president van het College van
Beroep voor het bedrijfsleven de eed of belofte af. Het formulier voor
de eed of belofte wordt bij ministeriėle regeling vastgesteld.
Artikel 55d
1. Het voor de leden van de rechterlijke
macht bepaalde in de artikelen 46c, tweede lid, 46d, tweede lid, 46f,
46g, eerste en tweede lid, 46i, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b,
en tweede lid, 46l, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 46m, 46o en 46p,
eerste tot en met vijfde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de leden en de
plaatsvervangende leden van het tuchtcollege.
2. De artikelen 13a, 13b, uitgezonderd het eerste lid, onderdelen
b en c, en vierde lid, en 13c tot en met 13g van de Wet op de
rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van gedragingen van de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de
leden en de plaatsvervangende leden van het tuchtcollege, met dien
verstande dat:
a. voor de overeenkomstige
toepassing van die artikelen onder «het betrokken gerechtsbestuur»
wordt verstaan: de voorzitter van het tuchtcollege; en
b. de procureur-generaal niet verplicht is aan het verzoek, bedoeld
in artikel 13a, te voldoen, indien de verzoeker redelijkerwijs
onvoldoende belang heeft bij een onderzoek als bedoeld in datzelfde
artikel.
Artikel 55e
De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de leden en de
plaatsvervangende leden van het tuchtcollege ontvangen een bij
ministeriėle regeling vast te stellen vacatiegeld, alsmede een
vergoeding van reis- en verblijfkosten en van verdere verschotten.
Artikel 55f
1. Het tuchtcollege heeft een secretaris
en een plaatsvervangend secretaris
a. aan wie op grond van het afsluitend examen van een opleiding in
het wetenschappelijk onderwijs door een universiteit dan wel de Open
Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek betrekking heeft, de graad van Bachelor op het gebied van
het recht en tevens de graad van Master op het gebied van het recht is
verleend, of
b. die op grond van het afsluitend examen van een opleiding op het
gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open
Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek betrekking heeft, het recht heeft verkregen om de titel
meester te voeren.
2. De secretaris en de plaatsvervangend secretaris worden door
Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen.
Artikel 55g
1. De voorzitter, de leden en de secretaris, alsmede hun
plaatsvervangers, mogen zich niet op enige wijze inlaten met partijen
of hun raadslieden of gemachtigden over enige zaak die bij het
tuchtcollege voor de scheepvaart aanhangig is, of waarvan zij weten of
kunnen vermoeden dat deze bij het tuchtcollege voor de scheepvaart
aanhangig zal worden gemaakt.
2. Zij zijn verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover
zij bij de uitoefening van hun taak de beschikking krijgen en waarvan
zij het vertrouwelijk karakter kennen of redelijkerwijs moeten
vermoeden, behoudens voorzover enig wettelijk voorschrift hen tot
mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling
voortvloeit.
3. Zij zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen in de
raadkamer over aanhangige zaken is geuit.
§ 3. De procedure in eerste aanleg
Artikel 55h
1. Een zaak wordt in eerste aanleg bij
het tuchtcollege aanhangig gemaakt op verzoek van Onze Minister of door
een klacht van een belanghebbende. Daarnaast is het tuchtcollege bevoegd
om uit eigen beweging een zaak aanhangig te maken.
2. Een verzoek en een klacht worden schriftelijk of elektronisch
en met redenen omkleed ingediend bij de voorzitter van het tuchtcollege.
Een klacht van een belanghebbende vermeldt de naam, het adres en de
woonplaats van de klager. Een verzoek en een klacht bevatten voorts ten
minste de volgende gegevens:
a. de naam en, voor zover bekend, het adres en de woonplaats van de
kapitein of de scheepsofficier op wie het verzoek of de klacht
betrekking heeft, en indien het verzoek of de klacht betrekking heeft
op een scheepsofficier, de functie aan boord van het schip die de
scheepsofficier ten tijde van de gewraakte gedraging vervulde;
b. de naam en, voor zover bekend, het type van het schip, aan boord
waarvan de gewraakte gedraging heeft plaats gevonden;
c. een omschrijving van de gedraging, waarop het verzoek of de
klacht betrekking heeft;
d. de bezwaren die tegen de gewraakte gedraging zijn gerezen.
3. Indien de klager daarom verzoekt, is de secretaris van het
tuchtcollege hem behulpzaam bij het formuleren van de klacht.
4. Het tuchtcollege neemt een verzoek of een klacht niet in
behandeling indien de gedraging waarop het verzoek of de klacht
betrekking heeft meer dan twee jaren voor de indiening van het verzoek
of de klacht heeft plaats gevonden.
Artikel 55i
1. De voorzitter kan besluiten tot het instellen van een
vooronderzoek, in welk geval hij de uitvoering van het vooronderzoek
opdraagt aan een of meer leden of plaatsvervangende leden of aan de
secretaris of de plaatsvervangende secretaris van het tuchtcollege.
2. Degene die het vooronderzoek verricht is bevoegd:
a. voor het verrichten van onderzoek ter plaatse elke plaats te
betreden die hij noodzakelijk acht, zo nodig met behulp van de sterke
arm, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de
bewoner;
b. kennis te nemen van alle schriftelijke stukken en gegevens in
geautomatiseerde werken die zich aan boord bevinden, waarvan hij
kennisneming in het belang van het onderzoek acht, en daarvan
afschriften te maken;
c. de klager, alsmede de betrokken kapitein of scheepsofficier te
horen;
d. getuigen en deskundigen te horen, waarbij het bepaalde in
artikel 55o, vijfde, zesde en zevende lid, van overeenkomstige
toepassing is.
3. Degene die het vooronderzoek heeft verricht neemt geen deel
aan de behandeling van de zaak ter zitting van het tuchtcollege.
Artikel 55j
1. De voorzitter kan een verzoek of een klacht na een summier
onderzoek terstond afwijzen bij een met redenen omklede beslissing
indien hij van oordeel is dat de klager kennelijk niet ontvankelijk
is, dan wel het verzoek of de klacht kennelijk ongegrond is.
2. De secretaris zendt onverwijld een afschrift van de
schriftelijke beslissing van de voorzitter aan Onze Minister en aan de
klager.
3. Onze Minister en de klager kunnen binnen twee weken na de dag
van verzending van de beslissing van de voorzitter tot afwijzing van een
verzoek of een klacht hiertegen schriftelijk of elektronisch verzet doen
bij het tuchtcollege. Ten gevolge van het verzet vervalt de beslissing
van de voorzitter.
4. Indien de voorzitter van oordeel is dat een verzoek of een
klacht vatbaar is voor een minnelijke schikking, roept hij Onze Minister
of de klager alsmede de betrokken kapitein of scheepsofficier op
teneinde een zodanige schikking te beproeven. Indien een minnelijke
schikking is getroffen, wordt het verzoek of de klacht ingetrokken.
5. De voorzitter brengt verzoeken en klachten die niet door hem
zijn afgewezen of niet in der minne zijn geschikt, onverwijld ter kennis
van het tuchtcollege.
Artikel 55k
1. Aan de behandeling van een zaak ter zitting van het
tuchtcollege nemen vijf leden deel, te weten de voorzitter of een van
zijn plaatsvervangers, alsmede:
a. de vier leden, bedoeld in artikel 55b, derde lid, indien het
verzoek of de klacht betrekking heeft op de kapitein of een
scheepsofficier van een ander schip dan een vissersvaartuig, met de
mogelijkheid van plaatsvervanging, of
b. de vier leden, bedoeld in artikel 55b, vierde lid, indien het
verzoek of de klacht betrekking heeft op de schipper of een
scheepsofficier van een vissersvaartuig, met de mogelijkheid van
plaatsvervanging.
2. De voorzitter kan, indien de zaak het vereist, bepalen dat aan
de behandeling van die zaak ter zitting van het tuchtcollege, een of
twee plaatsvervangende leden als bedoeld in artikel 55b, vijfde lid,
deelnemen in plaats van de in het eerste lid, onder a en b voor
behandeling aangewezen leden. De plaatsvervangende leden, bedoeld in de
eerste volzin, brengen geen stem uit bij het nemen van een beslissing.
In geval van staking van stemmen is de stem van de voorzitter of zijn
plaatsvervanger beslissend.
3. De voorzitter kan, indien een zaak hem daartoe geschikt
voorkomt, bepalen dat aan de behandeling van die zaak ter zitting van
het tuchtcollege, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, drie
leden deelnemen, te weten de voorzitter of een van zijn
plaatsvervangers, alsmede twee van de vier leden, bedoeld in het eerste
lid onder a of b.
4. Bij de behandeling van een zaak ter zitting van het
tuchtcollege naverzet als bedoeld in artikel 55j, derde lid, wordt de
voorzitter vervangen door een van zijn plaatsvervangers.
Artikel 55l
1. De voorzitter en de leden, alsmede hun plaatsvervangers,
kunnen zich verschonen en kunnen worden gewraakt indien er te hunnen
aanzien feiten of omstandigheden bestaan, waardoor de onpartijdigheid
van het tuchtcollege schade zou kunnen lijden.
2. De overige leden van het tuchtcollege beslissen zo spoedig
mogelijk over een verzoek tot verschoning of wraking van hun medelid.
Bij staking van stemmen wordt het verzoek tot verschoning of wraking
toegewezen.
Artikel 55m
1. Zodra het tuchtcollege een verzoek of een klacht in
behandeling heeft genomen, zendt de secretaris een afschrift van het
verzoek of van de klacht aan de betrokken kapitein of scheepsofficier.
2. Wanneer het tuchtcollege uit eigen beweging een tuchtzaak
aanhangig maakt, deelt de secretaris dit schriftelijk mede aan de
betrokken kapitein of scheepsofficier onder vermelding van de gewraakte
gedraging en van de bezwaren die tegen deze gedraging zijn gerezen.
3. De betrokken kapitein of scheepsofficier kan binnen zes weken
na de dag van verzending van het afschrift van het verzoek of van de
klacht, als bedoeld in het eerste lid, of van de schriftelijke
mededeling, als bedoeld in het tweede lid, schriftelijk of elektronisch
een verweerschrift indienen. De voorzitter kan deze termijn op verzoek
van de betrokken kapitein of scheepsofficier verlengen.
4. De secretaris zendt een afschrift van het verweerschrift aan
degene die het verzoek of de klacht bij de voorzitter heeft ingediend.
Artikel 55n
1. De voorzitter bepaalt het tijdstip voor de mondelinge
behandeling van de zaak ter zitting. De secretaris roept degene die
het verzoek of de klacht heeft ingediend en de betrokken kapitein of
scheepsofficier ten minste twee weken van tevoren bij aangetekende
brief op voor de zitting. De betrokken kapitein of scheepsofficier is
verplicht aan de oproeping gevolg te geven.
2. Indien de betrokken kapitein of scheepsofficier op de
oproeping niet ter zitting verschijnt, kan het tuchtcollege de officier
van justitie verzoeken de betrokkene te dagvaarden. Hij is verplicht na
dagvaarding te verschijnen.
3. Indien de betrokken kapitein of scheepsofficier op de
dagvaarding niet ter zitting verschijnt, kan het tuchtcollege de
officier van justitie verzoeken de betrokkene te dagvaarden, met bevel
tot medebrenging. Artikel 556 van het Wetboek van Strafvordering is van
overeenkomstige toepassing.
4. Degene die het verzoek of de klacht heeft ingediend kan zich
ter zitting door een daartoe gemachtigde doen vertegenwoordigen of zich
door een raadsman doen bijstaan.
5. De betrokken kapitein of scheepsofficier kan zich door een
raadsman doen bijstaan.
6. Het tuchtcollege kan weigeren bepaalde personen die geen
advocaat zijn, als raadsman of als gemachtigde ter zitting toe te laten.
Bij een zodanige weigering houdt het tuchtcollege de zaak tot een
volgende zitting aan.
7. Het tuchtcollege stelt de betrokken kapitein of
scheepsofficier en zijn raadsman ten minste twee weken voor de zitting
in de gelegenheid om van alle op de zaak betrekking hebbende stukken
kennis te nemen.
8. Het tuchtcollege behandelt de zaak in een openbare zitting.
Het tuchtcollege kan om gewichtige redenen bepalen dat de behandeling
geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaats vinden.
9. De secretaris maakt van het verhandelde ter zitting een
proces-verbaal op dat door de voorzitter en de secretaris wordt
ondertekend.
Artikel 55o
1. Het tuchtcollege kan getuigen en deskundigen voor de zitting
oproepen en horen. De leden en de buitengewone leden van de
Onderzoeksraad voor veiligheid, de algemeen secretaris en de
medewerkers van het bureau van de raad, alsmede de door Onze Minister
wie het aangaat op verzoek van de raad aangewezen deskundigen kunnen
door het tuchtcollege niet als getuige of deskundige worden
opgeroepen.
2. De secretaris roept getuigen en deskundigen bij aangetekende
brief voor de zitting op. Ieder die als getuige of deskundige door het
tuchtcollege is opgeroepen, is verplicht aan die oproeping gevolg te
geven.
3. Indien een getuige of deskundige op de oproeping niet ter
zitting verschijnt, doet de officier van justitie hem op verzoek van het
tuchtcollege dagvaarden. Hij is verplicht na dagvaarding te verschijnen.
4. Indien een getuige of deskundige op de dagvaarding niet ter
zitting verschijnt, doet de officier van justitie hem op verzoek van het
tuchtcollege andermaal dagvaarden, met bevel tot medebrenging. Artikel
556 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige
toepassing.
5. De voorzitter beėdigt
getuigen om de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen.
Getuigen zijn verplicht op de gestelde vragen te antwoorden.
6. De voorzitter beėdigt
deskundigen om hun taak naar geweten te vervullen. Deskundigen zijn
verplicht de door het tuchtcollege gevorderde diensten te bewijzen.
7. Ten aanzien van de getuigen en
deskundigen zijn de artikelen 217 tot en met 219 van het Wetboek van
Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
8. De getuigen en deskundigen ontvangen desgevraagd op vertoon
van hun oproep of dagvaarding een door de voorzitter vast te stellen
schadeloosstelling overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet
tarieven in strafzaken.
Artikel 55p
1. Het tuchtcollege kan, indien het van oordeel is dat een
tegen een kapitein of een scheepsofficier gerezen bezwaar gegrond is,
een of meer van de volgende tuchtmaatregelen opleggen:
a. waarschuwing;
b. berisping;
c. geldboete van ten hoogste
4 500;
d. schorsing van de vaarbevoegdheid voor een periode van ten hoogste
twee jaren.
2. Bij het opleggen van een of meer van de in het eerste lid
genoemde tuchtmaatregelen kan het tuchtcollege tevens bepalen dat zijn
beslissing, al dan niet met vermelding van de gronden waarop zij berust,
in een of meer in de beslissing aangewezen tijdschriften of nieuwsbladen
openbaar zal worden gemaakt.
3. Bij het opleggen van een geldboete bepaalt het tuchtcollege de
termijn of de termijnen, waarbinnen de geldboete moet worden voldaan. De
te betalen geldsommen komen toe aan de Staat. Betaling van de geldsom
geschiedt aan Onze Minister. Voor de toepassing van titel 4.4 van de
Algemene wet bestuursrecht wordt de uitspraak van het tuchtcollege
aangemerkt als een beschikking als bedoeld in artikel 4:86 van die wet.
4. Bij het opleggen van de tuchtmaatregelen, genoemd in het
eerste lid, onder c en d, kan het tuchtcollege bepalen dat deze geheel
of ten dele niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij het
tuchtcollege bij een latere beslissing anders mocht bepalen op grond van
het feit dat de betrokken kapitein of scheepsofficier zich voor het
einde van een bij die oplegging te bepalen proeftijd van ten hoogste
twee jaren heeft gedragen in strijd met de zorg die hij als een goed
zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de opvarenden, het
schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer.
5. De tuchtmaatregelen, genoemd in het eerste lid onder c en d,
en de bijkomende maatregel van openbaarmaking, genoemd in het tweede
lid, kunnen eerst worden ten uitvoer gelegd nadat de beslissing van het
tuchtcollege onherroepelijk is geworden.
Artikel 55q
1. De beslissing van het tuchtcollege berust op een deugdelijke
motivering. Zij wordt in een openbare zitting uitgesproken. Indien de
betrokken kapitein of scheepsofficier niet ter zitting is verschenen,
kan het tuchtcollege bij verstek uitspraak doen.
2. De secretaris zendt onverwijld een afschrift van de
schriftelijke beslissing van het tuchtcollege:
a. bij aangetekende brief aan de betrokken kapitein of
scheepsofficier;
b. bij gewone brief aan Onze Minister;
c. bij gewone brief aan de klager.
3. Indien het tuchtcollege in
zijn uitspraak een schorsing van de vaarbevoegdheid heeft opgelegd,
deelt de secretaris in zijn aangetekende brief aan de betrokken kapitein
of scheepsofficier mede: de datum waarop de schorsing ingaat, de
verplichting om zijn vaarbevoegdheidsbewijs vóór die datum in te
leveren bij het in artikel 65 genoemde Centraal register
bemanningsgegevens, alsmede de gevolgen van het niet tijdig inleveren
van het vaarbevoegdheidsbewijs op grond van het vierde lid. De
secretaris zendt een afschrift van de
schriftelijke beslissing van het tuchtcollege alsmede van de
aangetekende brief aan de betrokken kapitein of scheepsofficier tevens
ter registratie aan het Centraal register bemanningsgegevens.
4. Indien de betrokken kapitein of scheepsofficier zijn
vaarbevoegdheidsbewijs niet tijdig bij het Centraal register
bemanningsgegevens inlevert, wordt de periode van schorsing van de
vaarbevoegdheid van rechtswege verlengd met de termijn die is verstreken
tussen de datum waarop de schorsing ingaat en de datum waarop het
vaarbevoegdheidsbewijs daadwerkelijk is ingeleverd.
5. Zodra de periode van schorsing is verstreken geeft het
Centraal register bemanningsgegevens het vaarbevoegdheidsbewijs terug
aan de betrokken kapitein of scheepsofficier.
§ 4. De procedure in hoger beroep
Artikel 55r
Tegen een beslissing van het tuchtcollege kan binnen zes weken na de
dag van de verzending van de in artikel 55q, tweede lid, bedoelde brief
hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven:
a. door de betrokken kapitein of scheepsofficier indien het
verzoek of de klacht geheel of ten dele gegrond is verklaard;
b. door Onze Minister;
c. door de klager indien zijn klacht geheel of ten dele ongegrond
is verklaard.
Artikel 55s
1. Het hoger beroep wordt ingesteld bij beroepschrift. Bij het
beroepschrift wordt overgelegd een afschrift van de schriftelijke
beslissing van het tuchtcollege, waartegen het hoger beroep is
gericht.
2. De griffier van het College van Beroep voor het bedrijfsleven
zendt binnen een week na ontvangst van het beroepschrift een afschrift
daarvan aan de betrokken kapitein of scheepsofficier, aan Onze Minister
en aan de klager, voor zover het hoger beroep niet door hen is
ingesteld, alsmede aan het tuchtcollege, en indien het tuchtcollege in
zijn uitspraak een schorsing van de vaarbevoegdheid heeft opgelegd,
tevens ter registratie aan het Centraal register bemanningsgegevens.
3. Het tuchtcollege zendt binnen drie weken na ontvangst van het
afschrift van het beroepschrift alle stukken die op de zaak betrekking
hebben aan de griffier van het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
4. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelt de
zaak opnieuw in volle omvang. Op de behandeling in hoger beroep zijn de
artikelen 55j, eerste, tweede en derde lid, 55l, 55m, eerste, derde en
vierde lid, en 55n tot en met 55q van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Herziening
Artikel 55t
1. Het College van Beroep voor het
bedrijfsleven kan op verzoek van een kapitein of een scheepsofficier aan
wie een tuchtmaatregel is opgelegd een onherroepelijk geworden
beslissing van het tuchtcollege of van het College van Beroep voor het
bedrijfsleven herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. het tuchtcollege of het College van Beroep voor het
bedrijfsleven bij de behandeling van de zaak ter zitting niet bekend
waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die
b. indien zij het tuchtcollege of het College van Beroep voor het
bedrijfsleven bij de behandeling van de zaak ter zitting wel bekend
zouden zijn geweest, tot een andere beslissing zouden hebben kunnen
leiden.
2. Op de behandeling van het verzoek tot herziening zijn de
artikelen 55j, eerste, tweede en derde lid, 55l, 55m, eerste, derde en
vierde lid, en 55n tot en met 55q van overeenkomstige toepassing.
3. Aan de behandeling van het verzoek tot herziening ter zitting
van het College van Beroep voor het bedrijfsleven nemen geen leden deel
die hebben deelgenomen aan de behandeling van de zaak, waarvan de
herziening wordt verzocht.
Hoofdstuk 6. Verbodsbepalingen
Artikel 56
1. Het is verboden met een schip naar zee te gaan, een schip
naar zee te doen gaan of op zee een schip te gebruiken of te doen
gebruiken, zonder dat aan boord van het schip een geldig
bemanningscertificaat voorhanden is.
2. Het is verboden om een schip waarvoor een certificaat van
deugdelijkheid als bedoeld in de Schepenwet is vereist of is afgegeven,
te gebruiken op wateren die ter plaatse als binnenwater worden
aangemerkt, zonder dat aan boord van het schip een geldig
bemanningscertificaat voorhanden is.
Artikel 57
Het is verboden
a. om een schip te bemannen met minder bemanningsleden dan is
aangegeven in het bemanningscertificaat;
b. een schip zodanig te bemannen dat niet ten minste de op het
bemanningscertificaat aangegeven functies worden vervuld door tot
het vervullen van die functies bevoegde bemanningsleden, of
c. het schip te gebruiken in strijd met de voorwaarden van het
bemanningscertificaat.
Artikel 58
1. Het is verboden het houden van uitkijk, dan wel het optreden
als chef van de wacht op de brug of als chef van de wacht in de
machinekamer of machinekamers, op te dragen aan of te laten verrichten
door bemanningsleden die tot het verrichten van die werkzaamheden niet
bevoegd zijn.
2. Het is verboden aan boord werkzaamheden waarvoor ingevolge
artikel 18 een vaarbevoegdheidsbewijs is vereist, te verrichten, indien
men hiertoe niet door middel van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs
bevoegd is verklaard.
3. Het is verboden aan boord werkzaamheden waarvoor ingevolge
artikel 21 een certificaat of een ander document is vereist, te
verrichten, indien men hiertoe niet door middel van een geldig
certificaat of document bevoegd is verklaard.
Artikel 59
Het is verboden na te laten de monsterrol op te maken, opnieuw op te
maken of bij te stellen, dan wel na te laten Onze Minister ingevolge
artikel 33, vierde lid, in kennis te stellen van de opgemaakte
monsterrol of van een wijziging hiervan.
Artikel 60
Het is verboden de verplichtingen ingevolge artikel 3, tweede en
derde lid, artikel 4, eerste, tweede en vierde lid, en artikel 29,
eerste lid, niet na te komen.
Hoofdstuk 7. Overige bepalingen
§ 1. Bezwaar en beroep
Artikel 61
Tegen een op grond van deze wet genomen besluit van een ambtenaar van
de Inspectie Verkeer en Waterstaat tot aanhouding van een schip, kan
iedere belanghebbende beroep instellen bij Onze Minister.
§ 2. Tarieven
Artikel 62
Bij ministeriėle regeling worden de tarieven vastgesteld voor
a. de afgifte van bemanningscertificaten;
b. de beoordeling van een bemanningsplan;
c. de afgifte, vervanging of vernieuwing van
vaarbevoegdheidsbewijzen;
d. de afgifte of vervanging van een monsterboekje of een
voorlopig monsterboekje;
e. het afnemen van examens, aanvullende examens en toetsen;
f. het verlenen van ontheffingen;
g. vergoedingen van gecommitteerden en deskundigen;
h. de afgifte, vervanging of vernieuwing van bijzondere
documenten, bedoeld in artikel 21;
i. de afgifte van diploma's, getuigschriften en verklaringen; en
j. de behandeling van een aanvraag voor de erkenning van een
opleiding als bedoeld in artikel 19, tweede lid, onder b.
§ 3. Aanwijzing gecommitteerden en deskundigen
Artikel 63
Onze Minister kan gecommitteerden of deskundigen aanwijzen, die
bevoegd zijn de examens bij te wonen die worden afgenomen ter
verkrijging van de bij of krachtens deze wet bedoelde vaarbevoegdheden,
diploma's of certificaten.
§ 4. Uitvoering van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke
organisaties
Artikel 64
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, ter
uitvoering van het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen
Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake
opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144), alsmede
van andere verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke
organisaties, regels met betrekking tot de bemanning van schepen worden
gesteld ter waarborging van de veilige en milieuverantwoorde vaart.
§ 5. Centraal register bemanningsgegevens
Artikel 65
Er is een Centraal register bemanningsgegevens, waarin Onze Minister
de afgegeven monsterboekjes en voorlopige monsterboekjes, de afgegeven
en ingetrokken vaarbevoegdheidsbewijzen als bedoeld in de artikelen 18
en 22, de gegeven vrijstellingen en ontheffingen, en de hem toegezonden
gegevens van de monsterrollen, registreert.
Artikel 65a
Onze Minister is bevoegd aan de tot het verstrekken en ontvangen van
informatie bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie,
een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of het op 7 juli 1978 te Londen tot stand
gekomen Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden
inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144),
informatie te verstrekken en van deze te ontvangen omtrent de verlening
van een vaarbevoegdheidsbewijs of een ander bewijs van
beroepsbekwaamheid.
Artikel 66
Bij ministeriėle regeling worden regels gesteld met betrekking tot
de wijze waarop de gegevens in het Centraal register bemanningsgegevens
worden geregistreerd.
§ 6. Openbaar register van bemanningscertificaten
Artikel 67
1. Er is een openbaar register van
bemanningscertificaten, dat door Onze Minister wordt gehouden.
2. Dit register kan door eenieder kosteloos worden geraadpleegd.
3. Desgevraagd wordt tegen ten hoogste de kostprijs een afschrift
verstrekt van het bemanningscertificaat voor een bepaald schip.
§ 7. Staatsexamens
Artikel 68
Onze Minister kan examencommissies aanwijzen, bij welke aan degenen,
die geen opleiding aan een door het Rijk bekostigde instelling hebben
gevolgd, gelegenheid wordt geboden examen af te leggen voor de hierna
genoemde getuigschriften, onderscheidenlijk verklaringen:
- als maritiem officier;
- als stuurman/werktuigkundige kleine schepen;
- schipper/machinist beperkt werkgebied;
- stuurman/werktuigkundige voor de zeevisvaart SW4;
- stuurman/werktuigkundige voor de zeevisvaart SW5;
- stuurman/werktuigkundige voor de zeevisvaart SW6;
- stuurman grote zeilvaart;
- stuurman kleine zeilvaart;
- stoomvoortstuwing.
Artikel 69
Bij algemene maatregel van bestuur worden de beroepsvereisten bepaald
voor de functies, tot welke de in artikel 68 genoemde getuigschriften en
verklaringen toegang verlenen.
Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
Artikel 70
1. De verklaringen van geschiktheid en bekwaamheid, die op
grond van Hoofdstuk VII van het Schepenbesluit 1965 zijn afgegeven
voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, behouden hun
geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum.
2. Verklaringen van geschiktheid en bekwaamheid, waarop geen
einddatum is vermeld, zijn geldig tot de eerste dag van de maand volgend
op het bereiken van het 65ste jaar van de houder.
Artikel 71
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald op welke
vaarbevoegdheidsbewijzen, bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 3, van
deze wet, de houder van een geldige Nederlandse verklaring van
geschiktheid en bekwaamheid, van een zeevaartdiploma of een diploma
voor de zeevisvaart aanspraak heeft.
2. De vaarbevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, zijn ten
minste gelijkwaardig aan de bevoegdheid ingevolge de verklaring van
geschiktheid en bekwaamheid die, of het diploma voor de zeevisvaart dat
voor vervanging in aanmerking komt.
3. Onder de zeevaartdiploma's,
bedoeld in het eerste lid, worden mede verstaan de diploma's, voor
inwerkingtreding van deze wet verkregen op grond van het Besluit van 3
april 1941 (Stb. B 32), houdende bepalingen betreffende gelijkstelling
van de Zeevaartdiploma's uitgereikt door of vanwege den Gouverneur van
Curaēao met de diploma's uitgereikt door de commissie ingesteld
ingevolge de Wet op de Zeevaartdiploma's (Staatsblad 1935 No. 456),
alsmede de diploma's, voor inwerkingtreding van deze wet verkregen op
grond van het Besluit van 12 september 1942 (Stb. C 55), houdende
gelijkstelling van diploma's voor stuurlieden en machinisten.
4. Bij de in het eerste lid bedoelde
algemene maatregel van bestuur kunnen aanvullende beroepsvereisten
worden gesteld waaraan de houder van een van de diploma's, genoemd in
artikel 76 moet voldoen alvorens hij in aanmerking komt voor de afgifte
van het daarbij genoemde vaarbevoegdheidsbewijs.
Artikel 72
De documenten, houdende de minimum voorgeschreven
bemanningssamenstelling met de functies van de bemanningsleden, die zijn
afgegeven voor inwerkingtreding van deze wet, behouden hun geldigheid
overeenkomstig de einddatum van het certificaat van deugdelijkheid waar
zij bij behoren.
Artikel 73
Scheepsbeheerders van schepen, die zijn bemand overeenkomstig de
modellen van het Besluit zeevaartdiploma's
en Hoofdstuk VII van het Schepenbesluit 1965 of het
Bemanningseisenbesluit, waarvan de bemanningssamenstelling niet wordt
gewijzigd na inwerkingtreding van deze wet, kunnen een beperkt
bemanningsplan indienen bij de aanvraag van het eerste
bemanningscertificaat.
Artikel 74
De geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart, die
zijn afgegeven voor inwerkingtreding van deze wet, behouden hun
geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum.
Artikel 75
Op aanvragen voor bemanningsdocumenten, verklaringen van geschiktheid
en bekwaamheid, monsterboekjes en geneeskundige verklaringen voor de
zeevaart, die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet en op dat tijdstip nog in behandeling zijn, wordt besloten met
inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Artikel 76
1. Tot 1 februari 2002 kan examen worden afgelegd ter
verkrijging van het diploma
- als eerste stuurman voor de grote handelsvaart;
- als tweede stuurman voor de grote handelsvaart;
- als derde stuurman voor de grote handelsvaart;
- als stuurman voor de kleine handelsvaart en het
aanvullingsdiploma als stuurman voor de kleine handelsvaart;
- C als scheepswerktuigkundige;
- B als scheepswerktuigkundige;
- A als scheepswerktuigkundige;
- als motordrijver;
- voor de zeevisvaart SW VI;
- voor de zeevisvaart SW V;
- voor de zeevisvaart S IV-v;
- voor de zeevisvaart W IV-v.
2. Tot 1 februari 2007 worden
aan houders van een verklaring dat het desbetreffende examen met goed
gevolg werd afgelegd de in het eerste lid genoemde diploma's afgegeven,
alsmede de diploma's
- als stuurman voor de grote sleepvaart;
- het voorlopig diploma als scheepswerktuigkundige;
- als assistent scheepswerktuigkundige.
3. Bij ministeriėle regeling
worden met inachtneming van de in het eerste lid genoemde einddatum, de
tijdstippen bepaald waarop de respectievelijke in dat lid genoemde
examens voor de laatste maal worden afgenomen.
4. Met betrekking tot de in
dit artikel genoemde examens en de afgifte van diploma's zijn van
toepassing:
a. het Examenbesluit
zeevaartdiploma's 1991;
b. het Examenreglement zeevisvaart;
c. het Besluit zeevaartdiploma's
experimenterend hoger nautisch onderwijs;
d. het Besluit bijzondere
verkrijging diploma's kleine handelsvaart;
e. het Besluit bijzondere verkrijging voorlopig diploma als
scheepswerktuigkundige, of
f. het Besluit bijzondere verkrijging diploma A als
scheepswerktuigkundige.
Artikel 77
Bij algemene maatregel van bestuur worden de beroepsvereisten bepaald
voor de functies, tot welke de in artikel 76, eerste lid, genoemde
diploma's toegang verlenen.
Artikel 77a
Ten aanzien van beroepen waarvoor de vaarbevoegdheden, genoemd in
artikel 18, tweede lid, onderdelen a, b, c en e, geldig zijn, behouden
verklaringen als bedoeld in artikel 22, derde lid, zoals dat luidde voor
20 oktober 2007, hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven
einddatum.
Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
Artikel 78
1. Een wijziging van de bemanningsrichtlijn gaat voor de
toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de
betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
2. Bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt
bekendgemaakt, kunnen de benaming van de bemanningsrichtlijn en de
verwijzing naar onderdelen daarvan worden gewijzigd.
Artikel 79
1. [Wijzigt het Wetboek van Koophandel]
2. Onverminderd het bepaalde
in artikel 82 wordt de Wet op de zeevaartdiploma's ingetrokken.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 82
wordt de Wet op de Zeevischvaartdiploma's, Stb. 1935, 455,
ingetrokken.
4. Het Besluit van 12
september 1942, houdende gelijkstelling van diploma's voor stuurlieden
en machinisten (Stb. C 55), wordt ingetrokken.
Artikel 80
[Wijzigt het Wetboek van Koophandel]
Artikel 81
[WIjzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen]
Artikel 82
Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de volgende algemene
maatregelen van bestuur en ministeriėle regelingen op de artikelen 19,
eerste lid, en 77 van deze wet:
a. Examenbesluit
zeevaartdiploma's 1991;
b. Examenreglement zeevisvaart;
c. Regeling normen ter bepaling uitslag zeevisvaartexamens;
d. Diensttijdreglement zeevisvaart;
e. Besluit zeevaartdiploma's
experimenterend hoger nautisch onderwijs;
f. Besluit bijzondere
verkrijging diploma's kleine handelsvaart;
g. Besluit bijzondere verkrijging voorlopig diploma als
scheepswerktuigkundige;
h. Besluit bijzondere verkrijging diploma A als
scheepswerktuigkundige.
Artikel 83 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 84
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 85
Deze wet wordt aangehaald als: Zeevaartbemanningswet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 11 december 1997
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de negenentwintigste december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|