WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
In Nederland, de Nederlandse Antillen
en Aruba worden vreemdelingen niet onderworpen aan enige belasting of
daarmede verband houdende verplichting welke drukkender is dan die,
waaraan Nederlanders onder overigens gelijke omstandigheden worden
onderworpen.
2. Een lichaam dat is opgericht naar het recht van een land van
het Koninkrijk wordt in een ander land van het Koninkrijk niet aan enige
belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting onderworpen,
die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmee verband
houdende verplichtingen, waaraan lichamen die naar het recht van het
andere land zijn opgericht onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen
worden onderworpen.
3. De belasting in een van de landen van niet-inwoners ter zake
van een binnen dat land aangehouden vaste inrichting is in beginsel niet
drukkender dan de belasting van inwoners die dezelfde werkzaamheden
onder overigens gelijke omstandigheden uitoefenen. De vorige volzin
heeft geen betrekking op aan de personen of de persoonlijke
omstandigheden gebonden tegemoetkomingen, zoals die welke verleend
worden op grond van gezinssamenstelling en besteding van het inkomen.
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 2
1. Deze Rijkswet verstaat onder:
a. landen: Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba;
b. personen: natuurlijke personen en lichamen;
c. lichamen: rechtspersonen, maat- of vennootschappen, andere
verenigingen van personen, ondernemingen van publiekrechtelijke
rechtspersonen en doelvermogens;
d. inwoner van een van de landen: een persoon die, ingevolge de
desbetreffende belastingregelingen van een van de landen aldaar aan
belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf,
plaats van leiding, of enige andere soortgelijke omstandigheid.
Deze uitdrukking omvat echter niet een persoon die in dat land slechts
aan belasting is onderworpen ter zake van inkomsten uit bronnen in dat
land, of van vermogen dat in dat land is gelegen.
e. vaste inrichting: een duurzame inrichting waarin of met behulp
waarvan werkzaamheden van een onderneming - zelfstandig uitgeoefend
beroep daaronder begrepen - worden uitgeoefend;
f. vaste vertegenwoordiger: een persoon die in het bezit is van een
duurzame machtiging om namens de onderneming - zelfstandig uitgeoefend
beroep daaronder begrepen - overeenkomsten af te sluiten en daarvan
gewoonlijk gebruik maakt in het betrokken land - tenzij zijn
werkzaamheden zich beperken tot het voor de onderneming aankopen van
goederen -, alsmede een persoon die een goederenvoorraad heeft waaruit
hij regelmatig bestellingen uitvoert ten behoeve van de onderneming.
2. Een vaste inrichting is onder meer:
a. een plaats waar leiding wordt gegeven;
b. een filiaal;
c. een kantoor;
d. een fabriek;
e. een werkplaats.
3. Als het aanhouden van een vaste inrichting wordt niet
aangemerkt:
a. het uitsluitend voor opslag of uitstalling aanhouden van een
voorraad goederen, welke tot de onderneming behoren, alsmede van
daarvoor bestemde ruimten;
b. het aanhouden van een ruimte uitsluitend om voor de onderneming
goederen aan te kopen;
c. het aanhouden van een ruimte uitsluitend voor het maken van
reclame, voor het verstrekken en inwinnen van inlichtingen, voor
wetenschappelijk onderzoek en voor soortgelijke werkzaamheden, indien
de bedoelde verrichtingen voor de onderneming van voorbereidende aard
zijn of hulpwerkzaamheden zijn.
4. Een onderneming wordt niet geacht een vaste vertegenwoordiger
te hebben enkel op grond van het feit, dat zij zaken doet door
tussenkomst van een makelaar, een commissionnair of een andere agent met
een wezenlijk onafhankelijke positie, mits die personen daarbij optreden
in de normale uitoefening van hun onderneming.
5. Deze Rijkswet verstaat hierna mede onder:
a. onderneming: zelfstandig uitgeoefend beroep;
b. vaste inrichting: vaste vertegenwoordiger;
c. niet-zelfstandige arbeid: zelfstandige, niet in eigen
onderneming verrichte werkzaamheden en diensten;
d. dividend: opbrengst van winstbewijzen en winstdelende
obligaties.
6. Een in deze Rijkswet gebezigd doch niet omschreven begrip
wordt, tenzij het zinsverband anders vereist, voor elk land verstaan in
de zin van de desbetreffende belastingregelingen van dat land.
7. Voor de toepassing van deze Rijkswet geniet winst uit
onderneming hij, voor wiens rekening een onderneming wordt gedreven,
daaronder begrepen hij die, anders dan als aandeelhouder, medegerechtigd
is tot het vermogen van een onderneming.
8. Voor de toepassing van dit artikel, artikel 13a en artikel 24,
tiende lid,
a. wordt, tenzij de context anders vereist, verstaan onder:
1°. de Richtlijn 2003/48/EG: de Richtlijn 2003/48/EG van de Raad
van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op
inkomsten van spaargelden in de vorm van rentebetalingen (PbEU L
157/38);
2°. uiteindelijk gerechtigde: een uiteindelijk gerechtigde als
bedoeld in artikel 2 van de Richtlijn 2003/48/EG;
3°. uitbetalende instantie: een uitbetalende instantie als
bedoeld in artikel 4 van de Richtlijn 2003/48/EG;
4°. rentebetaling: een rentebetaling als bedoeld in artikel 6
van de Richtlijn 2003/48/EG, met inachtneming van artikel 15 van de
Richtlijn 2003/48/EG;
5°. termen, gebruikt in artikel 13a en artikel 24, tiende lid,
die niet anderszins in dit artikel zijn omschreven: de betekenis die
in de Richtlijn 2003/48/EG daaraan wordt gegeven;
b. wordt in de bepalingen in de Richtlijn 2003/48/EG waarnaar in
dit artikel, artikel 13a en artikel 24, tiende lid, wordt verwezen in
plaats van «lidstaten» gelezen: de Nederlandse Antillen
onderscheidenlijk Nederland, al naar de context vereist.
Hoofdstuk II. Vermijding van dubbele belasting
Afdeling 1. Belastingen naar inkomen en vermogen
Artikel 3
1. Deze afdeling is van toepassing op belastingen naar het
inkomen en naar het vermogen, geheven ten behoeve van een van de
landen of een staatkundig onderdeel daarvan.
2. Tot de belastingen naar het inkomen en naar het vermogen
behoren mede belastingen naar bestanddelen van het inkomen of van het
vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen uit vervreemding
van roerende of onroerende goederen, belastingen naar
waardevermeerdering, alsmede belastingen naar het gehele bedrag van door
ondernemingen betaalde lonen.
3. De bestaande belastingen waarop deze afdeling van toepassing
is, zijn:
a. zoveel Nederland betreft:
1°. de inkomstenbelasting;
2°. de loonbelasting;
3°. de vennootschapsbelasting;
4°. de dividendbelasting;
5°. de commissarissenbelasting;
6°. de vermogensbelasting;
b. zoveel de Nederlandse Antillen betreft:
1°. de inkomstenbelasting;
2°. de winstbelasting;
c. zoveel Aruba betreft:
1°. de inkomstenbelasting;
2°. de winstbelasting.
Artikel 4
1. Inkomsten genoten door een inwoner van een van de landen uit
onroerende goederen gelegen of gevestigd binnen een van de andere
landen, mogen in dat andere land worden belast, ook ingeval deze
inkomsten deel uitmaken van de winst van een onderneming.
2. De uitdrukking "onroerende goederen" omvat mede:
a. mijnen, steengroeven en andere natuurlijke hulpbronnen, alsmede
rechten tot opsporing, onderzoek of exploitatie van natuurlijke
hulpbronnen en rechten op vaste en veranderlijke uitkeringen verkregen
uit verlening of afstand van rechten tot opsporing, onderzoek of
exploitatie van natuurlijke hulpbronnen;
b. agrarische ondernemingen en bosbouwondernemingen.
3. Onder inkomsten uit onroerende goederen worden verstaan
voordelen uit onroerende goederen en uit vervreemding van onroerende
goederen alsmede waardevermeerderingen van onroerende goederen.
4. Bij het bepalen van de inkomsten uit onroerende goederen welke
deel uitmaken van de winst van een onderneming, vindt artikel 5, tweede
en vierde lid, overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
1. Winst uit onderneming - voor zover niet bestaande uit
inkomsten uit onroerende goederen - genoten door een inwoner van een
van de landen, mag in een van de andere landen worden belast indien en
voor zover die winst is toe te rekenen aan een binnen dat andere land
aangehouden vaste inrichting.
2. De aan een vaste inrichting toe te rekenen winst wordt gesteld
op de winst welke met de vaste inrichting zou zijn behaald, indien zij
een onafhankelijke onderneming ware, die dezelfde of soortgelijke
werkzaamheden uitoefent onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden.
Tussen de onderneming en de vaste inrichting in rekening gebrachte rente
en royalty’s blijven daarbij buiten aanmerking.
3. Aan een vaste inrichting wordt geen winst toegerekend op grond
van enkele aankoop door de vaste inrichting van goederen ten behoeve van
de onderneming. Indien de onderneming goederen aankoopt ten behoeve van
een vaste inrichting in een der landen, wordt aan enkele aankoop geen
winst toegerekend.
4. De Ministers van Financiën van de betrokken landen kunnen
gezamenlijk met betrekking tot bepaalde ondernemingen of groepen van
ondernemingen bepalen dat de aan een vaste inrichting toe te rekenen
winst wordt vastgesteld door uit te gaan van het bedrag van de totale
winst van de onderneming, dan wel andere van het tweede en derde lid
afwijkende regelingen treffen.
Artikel 6
Winst uit onderneming genoten door een inwoner van een van de landen
uit het optreden als verzekeraar binnen een van de andere landen wordt
geacht te zijn behaald met behulp van een vaste inrichting binnen dat
andere land.
Artikel 7
1. Winst uit onderneming genoten door een inwoner van een van
de landen uit het uitvoeren van bouw-, constructie-, montage-, graaf-,
ontginnings-, bagger- of opruimingswerken of dergelijke werkzaamheden
binnen een van de andere landen gedurende meer dan 183 dagen binnen
een tijdvak van twaalf maanden, wordt geacht te zijn behaald met
behulp van een vaste inrichting binnen dat andere land, voorzover die
winst aan de werkzaamheden binnen dat land kan worden toegerekend.
2. Onverminderd het eerste lid wordt de winst uit onderneming
genoten door een inwoner van een van de landen uit het uitvoeren van een
werk in de zin van het eerste lid binnen een van de andere landen,
geacht te zijn behaald met behulp van een vaste inrichting in
laatstbedoeld land, voor zover die winst aan de werkzaamheden binnen dat
land kan worden toegerekend, ook indien het werk achtereenvolgens door
verschillende ondernemers binnen dat land wordt uitgevoerd en de totale
duur van de uitvoering van het werk 183 dagen binnen een tijdvak van
twaalf maanden overschrijdt.
Artikel 8
Winst uit onderneming genoten door een inwoner van een van de landen
uit het verrichten van luchtkarteringswerkzaamheden en andere
werkzaamheden vanuit de lucht, gericht op de inventarisatie van
natuurlijke hulpbronnen binnen een van de andere landen, wordt geacht te
zijn behaald met behulp van een vaste inrichting binnen dat andere land,
voor zover die winst aan de werkzaamheden binnen laatstbedoeld land kan
worden toegerekend.
Artikel 9
Winst uit onderneming genoten door een inwoner van een van de landen
uit het optreden als musicus, als artist of als beoefenaar van een tak
van sport binnen een van de andere landen, wordt geacht te zijn behaald
met behulp van een vaste inrichting binnen dat andere land.
Artikel 10
1. Ingeval in de handels- of financiële betrekkingen tussen
twee van elkaar afhankelijke ondernemingen, waarvan de ene is
gevestigd in een van de landen en de andere in een van de andere
landen, voorwaarden bestaan welke afwijken van die welke zouden zijn
gemaakt tussen onafhankelijke ondernemingen, mogen alle voordelen,
welke zonder deze voorwaarden zouden zijn opgekomen aan een van de
ondernemingen, maar tengevolge van die voorwaarden haar niet zijn
opgekomen, worden begrepen in de voordelen van die onderneming en
dienovereenkomstig worden belast.
2. Als van elkaar afhankelijke ondernemingen worden aangemerkt
ondernemingen welker kapitaal - geheel of ten dele, middellijk of
onmiddellijk - is verschaft door dezelfde personen of welke - geheel of
ten dele, middellijk of onmiddellijk - staan onder leiding of toezicht
van dezelfde personen.
Artikel 11
1. Dividend genoten door een inwoner van een van de landen en
verschuldigd door een lichaam dat inwoner is van een van de andere
landen, mag worden belast in eerstbedoeld land.
2. Indien in het land waarvan een lichaam dat dividend
verschuldigd is, inwoner is, bij wege van inhouding een belasting van
dividenden wordt geheven, laat het eerste lid zodanige belasting
onverlet met dien verstande, dat het tarief 15 percent niet te boven
gaat.
3. Het tarief van de in het tweede lid bedoelde belasting gaat
onder nader te stellen voorwaarden ter verzekering van een juiste
toepassing van dit artikel zowel naar doel als naar strekking 7,5
percent niet te boven indien het dividend wordt genoten door een lichaam
waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en dat
inwoner is van het andere land en voor ten minste 25 percent van het
nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van het lichaam dat het
dividend verschuldigd is. Het tarief bedraagt onder nader te stellen
voorwaarden ter verzekering van een juiste toepassing van dit artikel
zowel naar doel als naar strekking in het in de vorige volzin bedoelde
geval echter niet meer dan 5 percent indien het dividend in het land
waarvan het lichaam dat het dividend geniet inwoner is, onderworpen is
aan een belasting naar de winst met een tarief van ten minste 5,5
percent. In afwijking van de voorgaande twee volzinnen geldt met
betrekking tot dividend dat wordt genoten door een lichaam dat inwoner
is van de Nederlandse Antillen en verschuldigd is door een lichaam dat
inwoner is van Nederland het volgende:
a. het tarief van de in het tweede lid bedoelde belasting zal 8,3
percent niet te boven gaan, indien het dividend wordt genoten door een
lichaam waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is
verdeeld en dat voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte
kapitaal aandeelhouder is van het lichaam dat het dividend
verschuldigd is en mits in de Nederlandse Antillen met de in het
tweede lid bedoelde belasting formeel of in feite niet zodanig
rekening wordt gehouden dat de feitelijke gecombineerde belastingdruk
op het dividend overeenkomstig het eerste lid enerzijds en het tweede
en derde lid anderzijds lager is dan 8,3 percent;
b. een bedrag ter hoogte van de aldus afgedragen belasting zal
onverwijld en zonder het stellen van aanvullende voorwaarden aan de
Nederlands-Antilliaanse overheid worden overgemaakt;
indien blijkt dat bij de definitieve aanslagregeling in de
Nederlandse-Antillen over het betreffende jaar niet is voldaan aan de
voorwaarde genoemd in onderdeel a van deze volzin, wordt het bedrag dat
aan de Nederlands-Antilliaanse overheid wordt overgemaakt gekort met het
hierop betrekking hebbende bedrag en wordt alsnog belasting geheven
volgens de regeling van het tweede lid.
4. De Minister van Financiën van het land van inwoning van de
schuldenaar van een dividend stelt na overleg met de Ministers van
Financiën van de andere landen vast onder welke voorwaarden de
vermindering via een teruggaaf dan wel via een vrijstelling wordt
verleend. De in de vorige volzin bedoelde Minister kan deze voorwaarden
niet wijzigen dan nadat hij overleg heeft gepleegd met de andere
Ministers. Een na vorenbedoeld overleg totstandgekomen wijziging vindt
toepassing:
a. indien zij in werking treedt voor 1 juli van enig kalenderjaar:
met ingang van 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar;
b. indien zij in werking treedt na 1 juli van enig kalenderjaar:
met ingang van 1 januari van het tweede daaropvolgende kalenderjaar;
c. indien de bedoelde Ministers zulks overeenkomen: met ingang van
de datum van inwerkingtreding.
Artikel 12
1. Voordelen genoten door een natuurlijke persoon die inwoner
is van een van de landen, uit vervreemding van aandelen in of
winstbewijzen van een lichaam dat inwoner is van een van de andere
landen, mogen worden belast in eerstbedoeld land.
2. Het bepaalde in het eerste lid tast niet aan het recht van elk
van de landen overeenkomstig zijn eigen wetgeving belasting te heffen op
voordelen die voortvloeien uit de vervreemding van aandelen in of
winstbewijzen van een lichaam dat inwoner is van dat land, welke zijn
genoten door een natuurlijke persoon die inwoner is van een van de
andere landen en in de loop van de laatste vijf jaren, al dan niet te
zamen met zijn echtgenoot en zijn bloed- en aanverwanten in de rechte
linie en in de tweede graad der zijlinie, voor meer dan een vierde
gedeelte, en, al dan niet te zamen met zijn echtgenoot, voor meer dan
een twintigste gedeelte van het nominaal gestorte kapitaal van het
lichaam onmiddellijk of middellijk aandeelhouder is geweest.
Artikel 13
1. Rente - ook in de vorm van disconto - genoten door een
inwoner van een van de landen en verschuldigd door een van de andere
landen, een staatkundig onderdeel van een van de andere landen of een
inwoner van een van de andere landen, mag worden belast in
eerstbedoeld land.
2. Indien in het land waarvan de persoon die de rente
verschuldigd is, inwoner is, bij wege van inhouding een belasting van
rente wordt geheven, laat het eerste lid een zodanige belasting onverlet
met dien verstande, dat het tarief 10 percent niet te boven gaat. De
vorige volzin vindt geen toepassing met betrekking tot rente
verschuldigd door een land of een staatkundig onderdeel van een land.
Artikel 13a
1. Indien de uiteindelijk gerechtigde van rente woonachtig is
in Nederland en de uitbetalende instantie in de Nederlandse Antillen
is gevestigd, heffen de Nederlandse Antillen gedurende de in artikel
10 van de Richtlijn 2003/48/EG bedoelde overgangsperiode
bronbelasting, gedurende de eerste drie jaar van de overgangsperiode
tegen een tarief van 15%, gedurende de volgende drie jaar tegen een
tarief van 20% en daarna tegen een tarief van 35%. De uitbetalende
instantie houdt de bronbelasting in op een wijze als omschreven in
artikel 11, tweede en derde lid, van de Richtlijn 2003/48/EG.
2. Het opleggen van bronbelasting door de Nederlandse Antillen op
grond van dit artikel belet Nederland niet de inkomsten te belasten
overeenkomstig het nationale recht met inachtneming van de andere
bepalingen in deze Rijkswet.
3. Tijdens de overgangsperiode kunnen de Nederlandse Antillen
bepalen dat een marktdeelnemer die rente uitbetaalt of een rentebetaling
bewerkstelligt voor een in Nederland gevestigde entiteit als bedoeld in
artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn 2003/48/EG, wordt aangemerkt als
de uitbetalende instantie in plaats van de entiteit, en heffen zij de
bronbelasting op die rente, tenzij die entiteit formeel heeft aanvaard
dat haar naam en adres alsmede het totale bedrag van de rentebetaling
die aan haar is verricht of voor haar is bewerkstelligd, worden
meegedeeld overeenkomstig de laatste alinea van dat lid.
4. De Nederlandse Antillen behouden 25% van de opbrengsten van de
bronheffing, bedoeld in het eerste lid, en dragen 75% van de opbrengsten
af aan Nederland. Indien de Nederlandse Antillen overeenkomstig het
derde lid bronbelasting heffen, behouden de Nederlandse Antillen 25% van
de opbrengsten geheven op rentebetalingen aan in Nederland gevestigde
entiteiten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn
2003/48/EG en dragen 75% af aan Nederland. Die overdrachten vinden
plaats uiterlijk in de zes maanden volgende op het eind van het
belastingjaar van de Nederlandse Antillen. De Nederlandse Antillen
treffen de maatregelen die nodig zijn om het systeem voor de verdeling
van de belastingopbrengsten correct te doen functioneren.
5. De Nederlandse Antillen voorzien in één van beide of beide
procedures, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Richtlijn
2003/48/EG. Op verzoek van de uiteindelijk gerechtigde geeft de bevoegde
autoriteit van Nederland, bedoeld in artikel 37 een verklaring af in
overeenstemming met artikel 13, tweede lid, van de Richtlijn 2003/48/EG.
6. Voor de toepassing van dit artikel bepalen de Nederlandse
Antillen de procedures die nodig zijn om de uitbetalende instantie in
staat te stellen de identiteit en woonplaats van de uiteindelijk
gerechtigde vast te stellen en dragen zorg voor de toepassing van deze
procedures in de Nederlandse Antillen. Deze procedures voldoen aan de
minimumnormen van artikel 3, tweede en derde lid, van de Richtlijn
2003/48/EG, met dien verstande dat met betrekking tot het bepaalde in
het tweede lid, onderdeel a, en in het derde lid, onderdeel a, de
identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde worden
vastgesteld op grond van de informatie waarover de uitbetalende
instantie krachtens de toepassing van de desbetreffende wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen van de Nederlandse Antillen beschikt. De
bestaande vrijstellingen of ontheffingen die in voorkomend geval op
verzoek aan uiteindelijk gerechtigden met woonplaats in Nederland zijn
verleend, zijn evenwel niet langer van toepassing en aan die
uiteindelijk gerechtigden worden geen verdere vrijstellingen of
ontheffingen van dien aard verleend.
7. Aan het einde van de overgangsperiode vindt artikel 10, derde
lid van de Richtlijn 2003/48/EG overeenkomstige toepassing.
Artikel 14
1. Royalty’s genoten door een inwoner van een van de landen
en verschuldigd door een inwoner van een van de andere landen, mogen
worden belast in eerstbedoeld land.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de uitdrukking
"royalty’s" verstaan vergoedingen van welke aard ook
toegekend voor het gebruik of het recht op gebruik van een auteursrecht
of enig ander recht om enig wetenschappelijk, literair, dramatisch of
muzikaal werk of ander werk op het gebied van de kunst weer te geven of
na te maken, van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening
of model, een ontwerp, een geheim procédé of recept, als ook voor het
gebruik of het recht op gebruik van bedrijfsuitrusting of
wetenschappelijke uitrusting en voor inlichtingen betreffende ervaring
op het terrein van het bedrijfsleven of de wetenschap. Niet onder de
uitdrukking "royalty’s" worden verstaan royalty’s, welke
krachtens artikel 4 worden beschouwd als inkomsten uit onroerende
goederen.
3. Voordelen uit de vervreemding van de in de eerste volzin van
het tweede lid vermelde zaken, door een inwoner van een van de landen
genoten uit een van de andere landen, mogen worden belast in het land
van inwoning.
Artikel 15
1. Inkomsten genoten door een inwoner van een van de landen uit
het verrichten van niet-zelfstandige arbeid binnen een van de andere
landen mogen worden belast in dat andere land.
2. In afwijking van het eerste lid mogen inkomsten genoten door
een inwoner van een van de landen uit het verrichten van
niet-zelfstandige arbeid binnen een van de andere landen worden belast
in het land van inwoning, indien
a. hij gedurende niet meer dan 183 dagen binnen een tijdvak van
twaalf maanden verblijft in het land waarbinnen de arbeid wordt
verricht, en
b. de inkomsten niet worden betaald ten laste van een inwoner van
dat land of ten laste van de winst welke is toe te rekenen aan een
binnen dat land aangehouden vaste inrichting.
3. Voor zoveel nodig in afwijking van het eerste lid mogen
inkomsten genoten door een inwoner van een van de landen als bestuurder
of commissaris van een lichaam dat inwoner is van een van de andere
landen, worden belast in dat andere land.
4. Pensioenen en soortgelijke inkomsten genoten door een inwoner
van een van de landen ter zake van vroeger binnen een van de andere
landen verrichte niet-zelfstandige arbeid, ter zake van vroeger aan
boord van vervoermiddelen verrichte niet-zelfstandige arbeid bedoeld in
artikel 16, alsmede ter zake van een vroeger beklede functie als
bestuurder of commissaris van een lichaam dat inwoner is van een van de
andere landen, mogen worden belast in eerstbedoeld land.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt niet-zelfstandige
arbeid verricht aan boord van vervoermiddelen, welke het verkeer
onderhouden tussen plaatsen binnen een van de landen, beschouwd als te
zijn verricht binnen dat land.
6. Indien de in het vierde lid bedoelde inkomsten worden genoten
door een inwoner van een van de landen en die inkomsten geen periodiek
karakter dragen, mogen die inkomsten voor zover zij worden genoten ter
zake van een in een van de andere landen vroeger uitgeoefende
dienstbetrekking, tevens in dat andere land worden belast. Van genieten
in vorenbedoelde zin is mede sprake indien de aanspraak op die inkomsten
wordt afgekocht, vervreemd, overgedragen, of wanneer op andere wijze
over die aanspraak wordt beschikt.
Artikel 16
Voor zoveel nodig in afwijking van artikel 15 mogen inkomsten genoten
door een inwoner van een van de landen uit niet-zelfstandige arbeid
verricht aan boord van vervoermiddelen welke het verkeer onderhouden
tussen plaatsen binnen een van de landen en plaatsen buiten dat land,
dan wel tussen plaatsen buiten de landen, worden belast in het land van
inwoning. Indien het land van inwoning die inkomsten niet belast, mogen
zij belast worden in het land waarbinnen de werkelijke leiding van de
onderneming is gevestigd. De aan boord van een schip of luchtvaartuig
gevestigde leiding wordt beschouwd als te zijn gevestigd binnen het land
van de thuishaven.
Artikel 17
1. Voor zoveel nodig in afwijking van artikel 15 mogen
inkomsten genoten uit het verrichten van niet-zelfstandige arbeid,
welke worden betaald ten laste van een van de landen, worden belast in
dat land.
2. Met de in het eerste lid bedoelde inkomsten betaald ten laste
van een van de landen worden gelijkgesteld inkomsten betaald ten laste
van een publiekrechtelijke rechtspersoon van dat land en inkomsten
betaald ten laste van een fonds van dat land of van die rechtspersoon.
3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing ten
aanzien van:
a. inkomsten genoten uit het verrichten van niet-zelfstandige
arbeid ten behoeve van een onderneming;
b. inkomsten genoten uit het verrichten van niet-zelfstandige
arbeid door plaatselijk aangeworven werkkrachten of daarmede gelijk te
stellen personen, voor zover zulks te hunnen aanzien door de Ministers
van Financiën van de betrokken landen gezamenlijk is bepaald.
4. Voor de toepassing van dit artikel worden onder
"inkomsten genoten uit het verrichten van niet-zelfstandige
arbeid" mede begrepen pensioenen en soortgelijke inkomsten genoten
ter zake van vroeger verrichte niet-zelfstandige arbeid.
Artikel 18
1. In afwijking van artikel 5 mag winst uit onderneming behaald
met het vervoer te water of door de lucht van personen of goederen
tussen plaatsen binnen een van de landen en plaatsen buiten dat land,
dan wel tussen plaatsen buiten de landen, worden belast in het land
waarbinnen de werkelijke leiding van de onderneming is gevestigd. Waar
de werkelijke leiding is gevestigd wordt naar de omstandigheden
beoordeeld. De aan boord van een schip of luchtvaartuig gevestigde
leiding wordt beschouwd als te zijn gevestigd binnen het land van de
thuishaven.
2. De wetgever van elk van de landen kan bepalen, dat het eerste
lid tussen dat land en beide of een van de andere landen buiten werking
treedt, hetzij geheel, hetzij slechts voor zover betreft de winst uit
onderneming behaald met vervoer te water, dan wel de winst uit
onderneming behaald met vervoer door de lucht. De daartoe strekkende
wettelijke regeling treedt niet in werking vóór de aanvang van het
tweede kalenderjaar volgend op dat waarin de regeling is afgekondigd.
3. Indien van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid gebruik
wordt gemaakt, geldt tussen de betrokken landen, dat van het tijdstip af
waarop het eerste lid buiten werking treedt, de eerste afdeling van
hoofdstuk II niet van toepassing is op de winst waarop de wettelijke
regeling van het tweede lid betrekking heeft.
4. Een wettelijke regeling van een van de landen welke op grond
van het tweede lid is getroffen, wordt bekend gemaakt in de andere
landen op de in artikel 48, tweede lid, voorgeschreven wijze.
Artikel 19
Inkomsten, welke worden genoten door een inwoner van een van de
landen in de vorm van een aandeel in de winst van een onderneming
waarvan de werkelijke leiding in een van de andere landen is gevestigd,
en welke niet behoren tot de winsten en inkomsten waarvoor in de
voorgaande artikelen van deze afdeling een regeling is getroffen, mogen
worden belast in dat andere land.
Artikel 20
Andere dan de in de voorgaande artikelen van deze afdeling bedoelde
winsten en inkomsten welke worden genoten door een inwoner van een van
de landen mogen worden belast in het land van inwoning, behoudens
ingeval artikel 34, tweede lid, tweede zinsnede van de tweede volzin, of
artikel 35b van toepassing is.
Artikel 21
Niettegenstaande de overige bepalingen van deze afdeling mogen
periodieke uitkeringen, welke ertoe strekken een persoon uit een van de
landen die in een van de andere landen woont of verblijft voor studie -
het verkrijgen van bedrijfs- of beroepservaring daaronder begrepen - in
staat te stellen de kosten van onderhoud en studie te bestrijden, in dat
andere land niet worden belast, indien zij niet worden betaald ten laste
van dat land, van een inwoner van dat land of ten laste van de winst
welke is toe te rekenen aan een binnen dat land aangehouden vaste
inrichting.
Artikel 22
1. Vermogen van een inwoner van een van de landen mag worden
belast in een van de andere landen voor zover het bestaat uit:
a. Binnen dat andere land gelegen of gevestigde - al dan niet tot
een onderneming behorende - onroerende goederen in de zin van artikel
4;
b. ander vermogen, dat behoort tot een binnen dat andere land
aangehouden vaste inrichting van een onderneming ingeval de aan die
vaste inrichting toe te rekenen winst in dat land mag worden belast.
2. Andere dan de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen
van een inwoner van een van de landen mogen worden belast in het land
van inwoning.
Artikel 23
Schulden - andere dan obligatieschulden - van een inwoner van een van
de landen, welke verzekerd zijn door hypotheek op onroerende goederen
gelegen of gevestigd binnen een van de andere landen, alsmede rente van
zodanige schulden worden in dat andere land in aanmerking genomen als
negatieve bestanddelen van het vermogen, onderscheidenlijk inkomen.
Artikel 24
1. Het land van inwoning kan in het inkomen of vermogen
begrijpen de bestanddelen welke ingevolge de voorgaande artikelen van
deze afdeling mogen worden belast in een van de andere landen met dien
verstande, dat op de berekende belasting een vermindering wordt
toegepast welke gelijk is aan het bedrag dat tot die belasting in
dezelfde verhouding staat als het totaal van de bestanddelen, welke in
laatstbedoeld land - anders dan uitsluitend ingevolge artikel 11,
tweede en derde lid, artikel 12, tweede lid, en artikel 13, tweede lid
- mogen worden belast, staat tot het totale belastbare inkomen of
vermogen. Artikel 23 wordt daarbij in aanmerking genomen.
2. Het eerste lid laat onverlet de voorschriften van elk van de
landen aangaande de bij de berekening van de in dat lid bedoelde
vermindering in aanmerking te nemen verrekening van negatieve en
positieve inkomensbestanddelen.
3. De in een van de landen overeenkomstig artikel 11, tweede of
derde lid, en artikel 13, tweede lid, bij wijze van inhouding geheven
belasting van dividenden en rente, wordt in mindering gebracht op de in
het land van inwoning ter zake van deze inkomsten verschuldigde
belasting. De in het land van inwoning ter zake van deze inkomsten
verschuldigde belasting wordt gesteld op een zodanig bedrag, dat tot de
in dat land over het gehele inkomen berekende belasting in dezelfde
verhouding staat als het bedrag van die inkomsten staat tot het totale
belastbare inkomen. Indien evenwel die inkomsten in het land van
inwoning naar een bijzonder tarief zijn belast, wordt in afwijking van
de bepaling van de vorige volzin de in het land van inwoning ter zake
van die inkomsten verschuldigde belasting gesteld op het daadwerkelijk
volgens het bijzondere tarief ter zake van die inkomsten verschuldigde
bedrag.
4. Indien het land van inwoning geen belasting heft
overeenkomstig artikel 11, tweede of derde lid, dan wel belasting heft
tot een lager percentage dan door de genoemde bepaling is toegestaan, is
dat land niet verplicht de in het derde lid bedoelde vermindering te
verlenen, onderscheidenlijk niet verplicht die vermindering tot een
hoger percentage te verlenen dan het land overeenkomstig de genoemde
artikelen zelf heft van dergelijke inkomsten.
5. Indien de Nederlandse Antillen en Aruba geen belasting heffen
overeenkomstig artikel 13, tweede lid, dan wel belasting heffen tot een
lager percentage dan door de genoemde bepaling is toegestaan, zijn de
Nederlandse Antillen en Aruba als land van inwoning niet verplicht de in
het derde lid bedoelde vermindering - voor zover op rente betrekking
hebbend - te verlenen, onderscheidenlijk niet verplicht die vermindering
tot een hoger percentage te verlenen dan de Nederlandse Antillen en
Aruba overeenkomstig artikel 13, tweede lid, zelf heffen van dergelijke
inkomsten.
6. Ingeval artikel 12, tweede lid, toepassing vindt, staat dat
land op zijn belasting over die voordelen een aftrek toe. Het bedrag van
die aftrek is gelijk aan de belasting die is betaald over de genoemde
voordelen in het land waarvan die aandeelhouder inwoner is, maar
bedraagt in geen geval meer dan dat deel van de inkomstenbelasting,
zoals berekend voor de aftrek is toegestaan, dat toerekenbaar is aan de
genoemde voordelen.
7. Indien de natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 12,
tweede lid, in het land waarin hij inwoner is ter zake van die
voordelen, zijnde het verschil tussen de overdrachtsprijs en de
verkrijgingsprijs van de in die bepaling bedoelde aandelen of
winstbewijzen, wordt onderworpen aan een tarief dat niet in belangrijke
mate afwijkt van het tarief dat in het algemeen geldt voor inwoners van
dat land en het tarief ter zake van die voordelen niet meer dan 10
punten afwijkt van het tarief dat over die voordelen geldt in het in
artikel 12, tweede lid, genoemde land, wordt, in afwijking in zoverre
van het zesde lid, de vermindering als volgt berekend. Het in artikel
12, tweede lid, eerstgenoemde land verleent op zijn belasting over die
voordelen een aftrek ter grootte van de in dat land daarover
verschuldigde belasting verminderd met 50% van de belasting die in het
andere land over die voordelen is berekend voor een aftrek ter
voorkoming van dubbele belasting wordt verleend. In het land waarvan die
aandeelhouder inwoner is, wordt vervolgens de belasting die toerekenbaar
is aan die voordelen alvorens een aftrek ter voorkoming van dubbele
belasting wordt verleend, verminderd met de in het in artikel 12, tweede
lid, eerstgenoemde land verschuldigde belasting.
8. Indien een inwoner van een van de landen inkomsten verkrijgt
die in overeenstemming met artikel 15, zesde lid, in het andere land
mogen worden belast, staat het andere land op zijn belasting over die
inkomsten een aftrek toe. Het bedrag van die aftrek is gelijk aan de
belasting die is betaald in eerstbedoeld land over de genoemde
inkomsten, maar bedraagt in geen geval meer dan dat deel van de
inkomstenbelasting, zoals berekend voor de aftrek is toegestaan, dat
toerekenbaar is aan de genoemde inkomsten.
9. Voor de toepassing van het zesde, zevende en achtste lid,
stellen de bevoegde autoriteiten van het land waarvan de desbetreffende
persoon inwoner is de bevoegde autoriteiten van het andere land op de
hoogte van het deel van het betaalde bedrag aan belasting dat
toerekenbaar is aan de in de desbetreffende leden bedoelde voordelen of
inkomsten.
10. Nederland zorgt ervoor dat het heffen van bronbelasting als
bedoeld in artikel 13a niet leidt tot dubbele belasting, overeenkomstig
het bepaalde in artikel 14, tweede en derde lid, van de Richtlijn
2003/48/EG of zorgt voor restitutie van de bronbelasting.
Artikel 25
Indien een houdstermaatschappij, welke is opgericht naar het recht
van een van de landen, ingevolge artikel 34, tweede lid, geacht wordt
inwoner te zijn van een van de andere landen, mag - onverminderd het
recht van dat andere land tot belastingheffing als ware dit artikel niet
van toepassing - de winst van deze maatschappij in eerstbedoeld land
worden belast naar een percentage dat 4 niet te boven gaat.
Afdeling 2. Belastingen ter zake van successie en schenking
Artikel 26
1. Deze afdeling is van toepassing op belastingen naar
verkrijgingen krachtens erfrecht of schenking, geheven ten behoeve van
een van de landen of een staatkundig onderdeel daarvan.
2. De bestaande belastingen waarop deze afdeling van toepassing
is, zijn:
a. zoveel Nederland betreft:
1°. het recht van successie;
2°. het recht van overgang;
3°. het recht van schenking;
b. zoveel de Nederlandse Antillen betreft:
1°. de successiebelasting;
2°. de overgangsbelasting;
c. zoveel Aruba betreft:
1°. de successiebelasting;
2°. de overgangsbelasting.
Artikel 27
1. De verkrijging krachtens erfrecht door het overlijden van of
krachtens schenking door een inwoner van een van de landen, mag worden
belast in een van de andere landen voor zover zij bestaat uit:
a. binnen dat andere land gelegen of gevestigde - al dan niet tot
een onderneming behorende - onroerende goederen in de zin van artikel
4;
b. ander vermogen dat behoort tot een binnen dat andere land
aangehouden vaste inrichting; artikel 2, derde lid, blijft buiten
toepassing.
2. De in een verkrijging krachtens erfrecht door het overlijden
van of krachtens schenking door een inwoner van een van de landen
begrepen schulden - andere dan obligatieschulden - welke verzekerd zijn
door hypotheek op onroerende goederen gelegen of gevestigd binnen een
van de andere landen, worden in dat andere land in aanmerking genomen
als negatieve bestanddelen van de verkrijging.
3. Andere dan de in het eerste lid bedoelde bestanddelen van een
verkrijging mogen worden belast in het land waarvan de overledene of de
schenker ten tijde van het overlijden of het doen van de schenking
inwoner was.
Artikel 28
Het land van inwoning van de overledene of de schenker kan in een
verkrijging krachtens erfrecht of krachtens schenking begrijpen de
bestanddelen welke ingevolge artikel 27 mogen worden belast in een van
de andere landen met dien verstande, dat op de verschuldigde belasting
een vermindering wordt toegepast welke gelijk is aan het bedrag dat tot
de ter zake van de verkrijging verschuldigde belasting in dezelfde
verhouding staat als het totaal van die bestanddelen staat tot de
verkrijging. De vermindering bedraagt niet meer dan het bedrag van de in
dat andere land over die bestanddelen verschuldigde belasting.
Artikel 29
Ingeval een inwoner van een van de landen binnen een periode van
twaalf maanden voorafgaande aan het doen van een schenking inwoner is
geweest van een van de andere landen, kan in dat andere land ter zake
van die schenking een aanvullend bedrag aan belasting worden geheven.
Dit aanvullend belastingbedrag overschrijdt niet het bedrag dat, zo de
schenker ten tijde van de schenking nog inwoner van dat andere land was,
in de beide landen te zamen meer zou zijn geheven ter zake van de
schenking.
Afdeling 3. Zegelbelastingen
Artikel 30
Deze afdeling is van toepassing op:
a. zoveel Nederland betreft:het zegelrecht;
b. zoveel de Nederlandse Antillen betreft:de zegelbelasting;
c. zoveel Aruba betreft:de zegelbelasting;
en op elke gelijksoortige belasting geheven ten behoeve van een van
de landen of een staatkundig onderdeel daarvan.
Artikel 31
1. Stukken welke in een van de landen zijn opgemaakt en voor
welke hetzij de aldaar verschuldigde belasting is voldaan, hetzij
enige vrijstellingsbepaling toepassing heeft gevonden, zijn in de
andere landen niet aan een belasting onderworpen.
2. Het eerste lid geldt niet, indien de ondertekenaar of, zo er
meer dan één ondertekenaar is, alle ondertekenaars in een ander land
wonen dan het land waar het stuk is opgemaakt, dan wel indien het stuk
een beschikking inhoudt omtrent onroerende goederen gelegen of gevestigd
in een ander land dan het land waar het stuk is opgemaakt.
Afdeling 4. Belastingen op motorrijtuigen
Artikel 32
Deze afdeling is van toepassing op:
a. zoveel Nederland betreft:de motorrijtuigenbelasting;
b. zoveel de Nederlandse Antillen betreft:de motorrijtuig- en
motorbootbelasting;
c. zoveel Aruba betreft:de motorrijtuig- en motorbootbelasting;
en op elke gelijksoortige belasting geheven ten behoeve van een van
de landen of een staatkundig onderdeel daarvan.
Artikel 33
Het in een van de landen rijden met een in een van de andere landen
ingeschreven motorrijtuig, waarvan de houder een inwoner van dat andere
land is, is in eerstbedoeld land vrijgesteld van belasting.
Afdeling 5. Bijzondere bepalingen
Artikel 34
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk:
a. wordt een natuurlijke persoon, die ingevolge de desbetreffende
belastingregelingen inwoner is van beide landen, geacht inwoner te
zijn van het land waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking
heeft; indien hij in beide landen een duurzaam tehuis tot zijn
beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van het land
waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn
(middelpunt van de levensbelangen);
b. indien niet kan worden bepaald in welk land hij het middelpunt
van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de landen een
duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner
te zijn van het land waar hij gewoonlijk verblijft;
c. indien hij in beide landen of in geen van beide gewoonlijk
verblijft, regelen de bevoegde autoriteiten van de landen de
aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.
2. Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de
bepalingen van artikel 2, eerste lid, letter d, inwoner van beide
landen is, wordt hij geacht inwoner te zijn van het land waar de plaats
van zijn werkelijke leiding is gevestigd. Het in de vorige zin bepaalde
geldt ook voor de toepassing van de Wet op de dividendbelasting 1965,
tenzij moet worden aangenomen dat de doorslaggevende reden voor het
verplaatsen van de werkelijke leiding is geweest de heffing van
dividendbelasting onmogelijk te maken.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en
luchtvaartuigen welke binnen een van de landen hun thuishaven hebben,
als deel van dat land beschouwd.
4. Voor zoveel nodig in afwijking van het eerste lid wordt voor
de toepassing van dit hoofdstuk een natuurlijke persoon, jonger dan 27
jaar, die herkomstig is uit een van de landen en uitsluitend voor
opvoeding of voor studie - het verkrijgen van bedrijfs- of
beroepservaring daaronder begrepen - verblijft in een van de andere
landen, geacht inwoner te zijn van het land van herkomst, indien hij
ingevolge de desbetreffende belastingregelingen van dat land daarvan
inwoner is.
Artikel 35
1. Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een
of van beide landen voor hem leiden of zullen leiden tot een
belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van
deze Rijkswet kan hij, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de wetgeving
van die landen voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde
autoriteit van het land waarvan hij inwoner is, of, indien het geval
valt onder artikel 1, tweede lid, aan die van het land naar welks
recht het lichaam is opgericht. Het geval moet worden voorgelegd
binnen drie jaren nadat de maatregel die leidt tot een
belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van
deze Rijkswet, voor het eerst te zijner kennis is gebracht.
2. De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond
voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende
oplossing te komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met
de bevoegde autoriteit van het andere land te regelen ten einde een
belastingheffing die niet in overeenstemming is met deze Rijkswet te
vermijden. De overeengekomen regeling wordt uitgevoerd niettegenstaande
de verjaringstermijnen in de nationale wetgeving van de landen.
3. De bevoegde autoriteiten van de landen trachten moeilijkheden
of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de uitlegging of
de toepassing van deze Rijkswet in onderlinge overeenstemming op te
lossen.
Zij kunnen ook met elkaar overleg plegen teneinde dubbele belasting
ongedaan te maken in gevallen waarvoor in de Rijkswet geen voorziening
is getroffen.
4. De bevoegde autoriteiten van de landen kunnen zich
rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen teneinde een
overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken. Indien
voor het bereiken van overeenstemming een mondelinge gedachtenwisseling
raadzaam lijkt, kan zulk een gedachtenwisseling plaatsvinden in een
commissie die bestaat uit vertegenwoordigers van de bevoegde
autoriteiten van de landen.
Afdeling 6. Anti-misbruikbepalingen
Artikel 35a
De bepalingen van deze rijkswet vormen geen beletsel voor de
toepassing van de in het belastingrecht van elk van de landen besloten
liggende instrumenten ter bestrijding van fraude, misbruik en
oneigenlijk gebruik.
Artikel 35b
1. Met betrekking tot een persoon die in een jaar inwoner is
van een van de landen en in een van de daaraan voorafgaande 5 jaren
naar de omstandigheden beoordeeld inwoner was van een van de andere
landen, vinden de artikelen 11, 12, 13, 15, vierde lid, 20, 24 en 34,
tweede lid, eerste volzin, geen toepassing indien die persoon in het
eerstbedoelde land op grond van een regeling – daaronder begrepen
beleid ter uitvoering van de wet – wordt onderworpen aan een tarief
dat, of een grondslag die, aanzienlijk afwijkt van het tarief dat, of
de grondslag die, in het algemeen geldt voor inwoners van dat land.
2. Indien het eerste lid toepassing vindt ten aanzien van een
natuurlijke persoon die in de loop van de laatste vijf jaren, al dan
niet te zamen met zijn echtgenoot en zijn bloed- en aanverwanten in de
rechte linie en in de tweede graad der zijlinie, voor meer dan een
vierde gedeelte, en, al dan niet te zamen met zijn echtgenoot, voor meer
dan een twintigste gedeelte van het nominaal gestort kapitaal van het
lichaam onmiddellijk of middellijk aandeelhouder is geweest in een
lichaam dat inwoner is geweest in een van de andere landen waarop het
vorige lid geen toepassing vindt, vindt met betrekking tot dividenden,
vermogenswinsten op aandelen, interest en de overige inkomsten ten
aanzien van die natuurlijke persoon, artikel 34, tweede lid, eerste
volzin, ten aanzien van dat lichaam desalniettemin geen toepassing.
3. De Ministers van Financiën stellen in onderling overleg vast
welke regelingen – beleid ter uitvoering van de wet daaronder begrepen
– in hun geheel of voor bepaalde categorieën van inkomen niet onder
het eerste lid vallen.
4. In afwijking in zoverre van de voorgaande leden vinden de
artikelen 11, 12, 13, 20 en 24 geen toepassing ten aanzien van een
natuurlijke persoon die inwoner is van een van de landen en in een van
de voorafgaande jaren inwoner is geweest van een van de andere landen en
als aandeelhouder als bedoeld in het tweede lid, inkomen geniet uit een
vennootschap die geen onderneming in materiële zin drijft voor zover
dat inkomen uit die vennootschap meer bedraagt dan eenmaal de belastbare
winst – winst behaald met het staken van een voordien gedreven
materiële onderneming daarbij niet meegerekend – die de vennootschap
geniet in het jaar voorafgaande aan dat waarin dat inkomen wordt
genoten, of, zo dat meer is, 10% van de waarde in het economische
verkeer van de bezittingen minus de schulden van de vennootschap aan het
einde van dat voorafgaande kalenderjaar. Indien de in de vorige volzin
bedoelde vennootschap de feitelijke leiding heeft verplaatst naar het
andere land wordt in afwijking in zoverre van artikel 34, tweede lid,
eerste volzin, de woonplaats van die vennootschap uitsluitend voor de
belastingheffing van de genoemde aandeelhouder bepaald volgens de
wetgeving van het land waarvan de bedoelde aandeelhouder in een van de
voorgaande jaren inwoner was. De eerste volzin is eveneens van
toepassing indien de aldaar bedoelde aandeelhouder de aandelen in een
vennootschap vervreemdt aan een door hem beheerste vennootschap zonder
dat daarbij het belang bij de onderneming van de vennootschap verloren
gaat.
5.
a. Ingeval het eerste, tweede of vierde lid, toepassing vindt, staat
het land waarvan de persoon in een van de daaraan voorafgaande jaren
inwoner was op zijn belasting over die inkomsten of winst een aftrek
toe. Het bedrag van die aftrek is gelijk aan de belasting die is betaald
in het andere land over de genoemde inkomsten of winst, maar bedraagt in
geen geval meer dan dat deel van de inkomstenbelasting,
vennootschapsbelasting of winstbelasting, zoals berekend voor de aftrek
is toegestaan, dat toerekenbaar is aan de genoemde inkomsten of winst.
b. In afwijking in zoverre van onderdeel a, staat het land
waarvan de persoon in een van de daaraan voorafgaande jaren inwoner was
na een periode van vijf jaren nadat de in dat lid bedoelde aandeelhouder
inwoner is geworden van het in dat lid eerstgenoemde land, op zijn
belasting over die inkomsten een aftrek toe ter grootte van de in dat
land daarover verschuldigde belasting verminderd met 50% van de
belasting die in het andere land over die inkomsten is berekend voor een
aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt verleend. In het in
het vierde lid eerstgenoemde land wordt vervolgens de belasting die
toerekenbaar is aan die inkomsten alvorens een aftrek ter voorkoming van
dubbele belasting wordt verleend, verminderd met de in het andere land
verschuldigde belasting.
Het bepaalde in dit onderdeel vindt alleen toepassing indien die
natuurlijke persoon na die vijf jaren in het in het vierde lid
eerstbedoelde land ter zake van dat inkomen op grond van een regeling
– daaronder begrepen beleid ter uitvoering van de wet – wordt
onderworpen aan een tarief dat, of een grondslag die, niet in
belangrijke mate afwijkt van het tarief dat, of de grondslag die, in het
algemeen geldt voor inwoners van dat land en het tarief ter zake van dat
inkomen niet meer dan 10 punten afwijkt van het tarief dat over dat
inkomen geldt in het land waarvan de genoemde aandeelhouder
oorspronkelijk inwoner was.
c. De bevoegde autoriteiten van het land waarvan de persoon inwoner
is geworden, stellen de bevoegde autoriteiten van het land waarvan de
persoon in een van de voorgaande jaren inwoner is geweest op de hoogte
van het deel van het betaalde bedrag aan belasting dat toerekenbaar is
aan de inkomsten die worden genoten uit bronnen in het eerstbedoelde
land als bedoeld in de onderdelen a en b.
d. De toepassing van dit artikel zal met betrekking tot lichamen op
geen enkele wijze enige uitsluiting, vrijstelling, aftrek, verrekening
of andere tegemoetkomingen ter voorkoming van dubbele belasting
beperken, nu dan wel later toegestaan onder de wetgeving van de landen.
6. Onverminderd het bepaalde in artikel 37 stellen de bevoegde
autoriteiten elkaar op de hoogte van de namen, adressen en geboortedata
van de personen die op grond van een regeling – daaronder begrepen
beleid ter uitvoering van de wet – in dat land worden onderworpen aan
een tarief dat, of een grondslag die, aanzienlijk afwijkt van het tarief
dat, of de grondslag die, in het algemeen geldt voor inwoners van dat
land, indien die personen in een van de daaraan voorafgaande jaren naar
de omstandigheden beoordeeld inwoner zijn geweest van een van de andere
landen van het Koninkrijk. De bevoegde autoriteiten stellen elkaar
tevens op de hoogte van de namen en geboortedata van personen die
inwoner zijn geweest van dat land en hebben aangegeven inwoner te zijn
of te worden van een van de andere landen.
7. Artikel 34, tweede lid, eerste volzin, vindt geen toepassing
ter zake van een rechtspersoon die in een jaar inwoner stelt te zijn van
een van de landen en aldaar op grond van een regeling – daaronder
begrepen beleid ter uitvoering van de wet – wordt onderworpen aan een
tarief dat, of een grondslag die, in aanzienlijke mate afwijkt van het
tarief dat, of de grondslag die, in het algemeen geldt voor andere
rechtspersonen van dat land en die in het voorafgaande jaar naar de
omstandigheden beoordeeld inwoner was van een van de andere landen,
tenzij wordt aangetoond dat de plaats van zijn werkelijke leiding in het
eerstbedoelde land is gevestigd.
Hoofdstuk III. Wederzijdse bijstand
Artikel 36
1. Elk van de landen verleent - op verzoek - aan elk van de
andere landen bijstand bij de invordering van belastingen geheven ten
behoeve van laatstbedoeld land of een staatkundig onderdeel daarvan,
daaronder begrepen de daarmede in verband staande rente, kosten en
niet door de strafrechter opgelegde boeten en verhogingen.
2. Het verzoek om bijstand wordt door de Minister van Financiën
van het betrokken land gericht tot de Minister van Financiën van het
land waaraan het verzoek wordt gedaan.
Het verzoek dient vergezeld te gaan van:
a. de executoriale titel tegen degene te wiens laste invordering
wordt verzocht;
b. een verklaring omtrent het al of niet onherroepelijk vaststaan
van de belastingschuld;
c. een verklaring omtrent de mogelijkheden tot invordering op het
grondgebied van het land dat het verzoek doet;
d. andere stukken en gegevens welke van nut kunnen zijn.
3. De betekening van de executoriale titel, het bevel tot
betaling en de tenuitvoerlegging geschieden door een door de Minister
van Financiën van het land waaraan het verzoek is gedaan aangewezen
ambtenaar overeenkomstig de in dat land van kracht zijnde voorschriften
met betrekking tot door die Minister van Financiën als soortgelijk
aangemerkte belastingschulden. Zolang geen verklaring is ingekomen dat
de belastingschuld onherroepelijk vaststaat, beperkt dat land zich tot
maatregelen om de inning van de belastingschuld te verzekeren.
4. De belastingschulden worden in het land waaraan het verzoek is
gedaan, niet als bevoorrechte schulden beschouwd.
5. Het land waaraan het verzoek is gedaan, is niet verplicht:
a. aan het verzoek te voldoen indien de mogelijkheden tot
invordering op het grondgebied van het land dat het verzoek heeft
gedaan, niet zijn uitgeput;
b. over te gaan tot een maatregel indien een soortgelijke maatregel
niet toegelaten is in het land dat het verzoek heeft gedaan.
6. De niet-verhaalbare kosten van invordering worden vergoed door
het land dat het verzoek heeft gedaan.
Artikel 37
1. De landen van het Koninkrijk wisselen zodanige inlichtingen
uit als nodig zijn om uitvoering te geven aan deze Rijkswet of aan de
wetgeving van elk van de landen met betrekking tot de belastingen
waarop deze Rijkswet van toepassing is, voor zover de heffing van die
belastingen niet in strijd is met deze Rijkswet.
2. Voor bijzondere gevallen kunnen de bevoegde autoriteiten van
de landen overeenkomen dat ambtenaren van de belastingdienst van een van
de landen op het grondgebied van het andere land aanwezig mogen zijn in
verband met een onderzoek dat wordt ingesteld door ambtenaren van het
aangezochte land ten behoeve van de in het eerste lid van dit artikel
genoemde doeleinden. De wijze waarop deze bepaling wordt toegepast,
alsmede de bevoegdheden en verplichtingen van de betrokken ambtenaar,
worden in onderling overleg door de bevoegde autoriteiten vastgesteld.
Artikel 38
1. Alle stukken, gegevens en inlichtingen welke een van de
landen ingevolge artikel 36 of artikel 37 ontvangt, worden op dezelfde
wijze geheim gehouden als onder de wetgeving van dat land verkregen
stukken, gegevens en inlichtingen en worden alleen ter kennis gebracht
van personen of autoriteiten (daaronder begrepen rechterlijke
instanties en administratiefrechtelijke lichamen) die betrokken zijn
bij de vaststelling of invordering van, de tenuitvoerlegging of
vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking
hebbende op de belastingen die het onderwerp van deze Rijkswet
uitmaken. Deze personen of autoriteiten mogen van de inlichtingen
alleen voor deze doeleinden gebruik maken. Zij mogen de stukken,
gegevens en inlichtingen bekend maken in openbare rechtszittingen of
in rechterlijke beslissingen.
2. In geen geval worden de bepalingen van artikel 36 en artikel
37 aldus uitgelegd dat zij een van de landen de verplichting opleggen:
a. administratieve maatregelen te nemen die in strijd zijn met de
wetgeving of de administratieve praktijk van dat of van het andere
land;
b. gegevens te verstrekken die niet verkrijgbaar zijn volgens de
wetgeving of in de normale gang van de administratieve werkzaamheden
van dat of van het andere land;
c. inlichtingen te verstrekken die een handels-, bedrijfs-,
nijverheids-, of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze
zouden onthullen, dan wel inlichtingen waarvan het verstrekken in
strijd zou zijn met de openbare orde.
Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Artikel 39
Een natuurlijke persoon die inwoner is van een van de landen, zal in
elk van de andere landen aanspraak hebben op dezelfde tegemoetkomingen
als die, welke aan natuurlijke personen die inwoners zijn van
laatstbedoeld land toekomen ter zake van burgerlijke staat en
kinderaftrek.
Artikel 40
De in een van de landen voor enige belasting bestaande
tegemoetkomingen ten behoeve van in dat land gevestigde of voor het
grondgebied van dat land werkzame instellingen welke een kerkelijk,
charitatief, cultureel, wetenschappelijk of algemeen maatschappelijk
belang beogen - daaronder begrepen tegemoetkomingen ter zake van giften
aan zodanige instellingen - vinden overeenkomstige toepassing ten
behoeve van in een van de andere landen gevestigde of voor het
grondgebied van een van de andere landen werkzame instellingen welke een
zodanig belang beogen.
Artikel 41
1. De belasting welke een van de landen mag heffen ingevolge
artikel 11, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 13, tweede lid, is
niet verschuldigd van dividend, onderscheidenlijk rente, genoten door
een van de andere landen of een staatkundig onderdeel daarvan.
2. De Minister van Financiën van het land van inwoning van de
schuldenaar van een dividend of van rente genoten door een
publiekrechtelijk lichaam van een van de andere landen, dat zich
uitsluitend bezig houdt met het vervullen van een deel van de
overheidstaak van dat andere land, kan bepalen, dat het eerste lid ten
aanzien van dat dividend of die rente wordt toegepast.
Artikel 42
De Minister van Financiën van elk van de landen kan voorschriften
geven ter uitvoering van deze Rijkswet in dat land.
Artikel 43
1. Ingeval in een van de landen een belasting voor eenmaal naar
het inkomen of naar het vermogen mocht worden ingevoerd, kan de
wetgever van dat land bepalen dat hoofdstuk II, afdeling 1, daarop
niet van toepassing is.
2. Een wettelijke regeling van een van de landen welke op grond
van het eerste lid is getroffen, wordt bekend gemaakt in de andere
landen op de in artikel 48, tweede lid, voorgeschreven wijze.
Artikel 44
De artikelen 36, 37 en 38 vinden overeenkomstige toepassing met
betrekking tot schoolgelden en premies ingevolge sociale
verzekeringswetten, waarvan de invordering geschiedt bij dwangbevel.
Artikel 45
1. Voor de heffing van belastingen naar het inkomen en naar het
vermogen in de zin van artikel 3, voor de heffing van belastingen ter
zake van successie en schenking in de zin van artikel 26, alsmede voor
de toepassing van deze Rijkswet voor zover zij op die belastingen
betrekking heeft, worden, voor zoveel nodig in afwijking van de
overige bepalingen van deze Rijkswet omtrent de woonplaats, de
Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en Aruba geacht
inwoner te zijn van het land waarvoor zij zijn uitgezonden.
2. De Ministers van Financiën van de betrokken landen kunnen
gezamenlijk bepalen dat het eerste lid mede wordt toegepast ten aanzien
van de plaatsvervangers van de Gevolmachtigde Ministers en met hen
gelijk te stellen functionarissen.
Artikel 46
1. Artikel 19 van de wet van 26 april 1940 (Stb. 200),
houdende bijzondere voorzieningen met betrekking tot de in
gebiedsdelen van het Koninkrijk der Nederlanden gevestigde naamlooze
vennootschappen en andere rechtspersonen, alsmede met betrekking tot
zeeschepen, die gerechtigd zijn tot het voeren van de Nederlandsche
vlag wordt ingetrokken, indien het op het tijdstip van inwerkingtreden
van deze Rijkswet nog van kracht is.
2. De wet van 4 augustus 1917 (Stb. 507), houdende
bepalingen betreffende de beteekening en tenuitvoerlegging in de
koloniën, van in Nederland uitgevaardigde dwangbevelen en in Nederland
alsmede in Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao onderling, van in
de koloniën uitgevaardigde dwangbevelen, wordt ingetrokken.
Artikel 47
Het inwerkingtreden van deze Rijkswet wordt door Ons geregeld bij
algemene maatregel van Rijksbestuur.
Artikel 48
1. Onverminderd artikel 18, tweede lid, kan de wetgever van elk
van de landen bepalen dat gezamenlijk buiten werking treden de
hoofdstukken II en III, en de artikelen 39, 40, 41, 44 en 45. De
daartoe strekkende wettelijke regeling treedt niet in werking voor de
aanvang van het tweede kalenderjaar volgend op dat waarin de regeling
is afgekondigd. Onder het voorbehoud van belangrijke wijzigingen in de
wetgeving, de heffing, alsmede in de administratieve praktijk als
bedoeld in artikel 38, tweede lid, onder a, met betrekking tot
de belastingen welke het onderwerp uitmaken van deze Rijkswet kan
binnen een periode van acht jaar na 1 januari 1986 van de in dit lid
gegeven bevoegdheid geen gebruik worden gemaakt.
2. Een wettelijke regeling van een van de landen welke op grond
van het eerste lid is getroffen, wordt bekend gemaakt in het andere land
door plaatsing van de tekst in, voor zover Nederland betreft het Staatsblad
en voor zover het de Nederlandse Antillen en Aruba betreft in de
officiële publicatiebladen.
Artikel 49
Deze Rijkswet kan worden aangehaald als: Belastingregeling voor het
Koninkrijk.