WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gezien de
internationale ontwikkeling wenselijk is dat het Koninkrijk een
visserijzone van maximaal twee honderd zeemijlen kan instellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en
met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut
voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Wij behouden Ons de bevoegdheid voor een visserijzone in te stellen
in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 2 en 3.
Artikel 2
Het Koninkrijk oefent de uitsluitende rechtsbevoegdheid ten aanzien
van visserijaangelegenheden uit in een zone ter breedte van ten hoogste
200 zeemijlen, gemeten van de basislijn van de territoriale zee van het
Koninkrijk.
Artikel 3
De buitengrens van de visserijzone zal worden bepaald in
overeenstemming met die andere Staten van wie een overeenkomstige zone
grenst aan die van het Koninkrijk.
Artikel 4
1. Deze Rijkswet treedt in werking met ingang van de tweede dag
na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst.
2. Zij kan worden aangehaald als: Machtigingswet instelling
visserijzone.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad en het Publikatieblad
van de Nederlandse Antillen zal worden geplaatst, en dat alle
ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie
zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 8 juni 1977
JULIANA
De Minister van Buitenlandse Zaken,
M. van der Stoel
De Minister van Landbouw en Visserij,
Van der Stee
De Minister van Justitie,
Van Agt
De Minister van Defensie,
A. Stemerdink
Uitgegeven de dertigste juni 1977
De Minister van Justitie,
Van Agt