| |
|
|
|
|
vorige
PASPOORTWET
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit paspoortgelden
- Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001
- Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001
- Regeling op de consulaire
tarieven'
- Rijksbesluit op de consulaire
tarieven
RIJKSWET van 26 september 1991, houdende
het stellen van regelen betreffende de verstrekking van reisdocumenten
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat in verband met het recht
het land te verlaten, zoals neergelegd in voor het Koninkrijk geldende
verdragen, in verband met artikel 2, vierde lid, van de Grondwet en
gelet op artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van het Statuut voor het
Koninkrijk der Nederlanden, bij rijkswet regelen dienen te worden
gesteld met betrekking tot de aanspraken op paspoorten en andere
reisdocumenten en de beperkingen van deze aanspraken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en
met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut
voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. aanvraag: het verzoek tot verstrekking van een reisdocument,
tot bijschrijving van kinderen als bedoeld in artikel 17 of tot
wijziging van gegevens vermeld in een eerder verstrekt reisdocument;
b. aanvrager: degene die een aanvraag als bedoeld in onderdeel a
indient of op wie een dergelijke aanvraag betrekking heeft;
c. weigering: de afwijzende beslissing op de aanvraag, die in
behandeling is genomen;
d. verstrekking: de beslissing tot uitreiking van een nieuw
reisdocument;
e. uitreiking: het feitelijk ter beschikking van de aanvrager
stellen van het op zijn naam gesteld reisdocument;
f. houder: degene op wiens naam het reisdocument is gesteld en
ten behoeve van wie het is uitgereikt;
g. wijziging: het in overeenstemming met het bij of krachtens
deze wet bepaalde aanbrengen van een of meer aantekeningen in een
reisdocument, strekkende tot verandering dan wel aanvulling van
daarin vermelde gegevens;
h. inhouding: het feitelijk aan de beschikking van de houder
onttrekken van een op zijn naam gesteld reisdocument;
i. vervallen of vervallenverklaring: het ongeldig worden of de
beslissing tot het ongeldig verklaren van een reisdocument;
j. vermissing: ieder geval waarin de houder niet meer de
feitelijke beschikking heeft over een op zijn naam gesteld
reisdocument, anders dan door of ten behoeve van handelingen van een
daartoe bevoegde autoriteit;
k. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties in zijn hoedanigheid van Minister van het
Koninkrijk;
l. Onze Minister die het aangaat: Onze Minister in Nederland,
Aruba, Curaçao of Sint Maarten die het aangaat;
m. Gouverneur: Gouverneur van Aruba, Curaçao of Sint Maarten;
n. openbaar lichaam: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of
Saba.
Artikel 2
1. Reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden zijn:
a. nationaal paspoort;
b. diplomatiek paspoort;
c. dienstpaspoort;
d. reisdocument voor vluchtelingen;
e. reisdocument voor vreemdelingen;
f. nooddocument;
g. andere reisdocumenten, door Onze Minister vast te stellen.
2. Reisdocument van het Europese deel van Nederland is de
Nederlandse identiteitskaart, geldig voor de landen die partij zijn
bij de op 13 december 1957 te Parijs tot stand gekomen Europese
Overeenkomst nopens het verkeer van personen tussen de Lid-Staten van
de Raad van Europa (Trb. 1960, 103). Onze Minister kan de territoriale
geldigheid van de Nederlandse identiteitskaart uitbreiden.
3. Onze Minister stelt met inachtneming van het bij of krachtens
deze wet bepaalde de geldigheidsduur, de territoriale geldigheid en
het model van de in het eerste en tweede lid bedoelde reisdocumenten
vast en draagt zorg voor de vervaardiging van die documenten.
Artikel 3
1. Elk reisdocument vermeldt de volgende persoonsgegevens van de
houder: geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats,
geslacht, woonplaats, adres en lengte. Onze Minister kan bepalen in
welke gevallen kan worden afgezien van vermelding van respectievelijk
geboorteplaats, woonplaats, adres en lengte.
2. Indien in een reisdocument een minderjarige jonger dan zestien
jaren wordt bijgeschreven worden van deze vermeld: geslachtsnaam,
voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geslacht. Elke
bijschrijving is voorzien van de gezichtsopname van de bijgeschreven
persoon, volgens nadere door Onze Minister te stellen regels.
3. Een reisdocument is voorzien van de gezichtsopname, twee
vingerafdrukken en de handtekening van de houder volgens nader door
Onze Minister te stellen regels. Bij algemene maatregel van
rijksbestuur kunnen reisdocumenten worden aangewezen die niet worden
voorzien van een of meer van deze gegevens en kunnen regels worden
gesteld over de gevallen waarin kan worden afgezien van het opnemen
van de gezichtsopname, vingerafdrukken of de handtekening in het
aangevraagde reisdocument indien deze gegevens niet van de houder
kunnen worden verkregen.
4. Op nader door Onze Minister aan te wijzen reisdocumenten die
worden verstrekt aan Nederlanders die als ingezetene in de
basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente zijn
ingeschreven, wordt van de houder het burgerservicenummer, bedoeld in
artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer, vermeld.
5. Elk reisdocument vermeldt het documentnummer, de autoriteit die
het document heeft verstrekt, de datum van verstrekking en het einde
van de geldigheidsduur, alsmede de territoriale geldigheid.
6. In reisdocumenten die aan Nederlanders worden verstrekt, wordt
de Nederlandse nationaliteit vermeld. In reisdocumenten voor
vluchtelingen en in reisdocumenten die aan staatlozen worden
verstrekt, wordt de status van de houder vermeld.
7. Op verzoek van de houder kan in diens reisdocument tevens de
geslachtsnaam worden vermeld van de echtgenoot, echtgenote of
geregistreerde partner, dan wel, indien de houder geen echtgenoot,
echtgenote of geregistreerde partner meer heeft, de geslachtsnaam van
de gewezen echtgenoot, echtgenote of geregistreerde partner met wie
het huwelijk of het geregistreerd partnerschap laatstelijk is
geëindigd, voor zover het model van het reisdocument daartoe
voldoende ruimte bevat. Onze Minister stelt nadere regels met
betrekking tot de wijze waarop de naamsvermelding plaatsvindt.
8. De tot uitreiking bevoegde autoriteiten houden een administratie
bij met betrekking tot uitgereikte reisdocumenten en daarin
bijgeschreven personen. Deze administratie bevat de gegevens bedoeld
in het eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde lid van dit artikel,
alsmede de documentnummers. In deze administratie kunnen voorts ten
hoogste de gegevens die bij de aanvraag zijn overgelegd, worden
opgenomen. De foto en de handtekening worden bewaard door de
autoriteit die het reisdocument heeft verstrekt, in een administratie
die zowel op naam als op documentnummer toegankelijk is.
Artikel 4
Elk reisdocument blijft na uitreiking rijkseigendom. Onze Minister
oefent het eigendomsrecht uit.
Artikel 4a
1. Er is een basisregister reisdocumenten. Onze Minister is
verantwoordelijk voor de verwerking van gegevens in dit register.
2. Het register heeft tot doel het voorkomen en bestrijden van
fraude met en misbruik van reisdocumenten door het vastleggen van
gegevens met betrekking tot de in het derde lid bedoelde documenten en
de verstrekking van die gegevens aan daartoe ingevolge deze wet
bevoegde autoriteiten en derden.
3. In het register worden gegevens opgenomen met betrekking tot
reisdocumenten, bedoeld in artikel 2, die:
zijn ontvreemd of anderszins als vermist zijn opgegeven;
ingevolge artikel 47, eerste lid, onder a, b, c, e, f of h, van
rechtswege zijn vervallen.
4. De in het register op te nemen gegevens, bedoeld in het derde
lid, worden verstrekt door de autoriteiten, belast met de uitvoering
van deze wet.
5. In het register kunnen in verband met een reisdocument de
volgende gegevens worden vermeld:
a. de persoonsgegevens, bedoeld in artikel 3, eerste, vierde en
zesde lid;
b. het administratienummer waarmee de houder van een
reisdocument is vermeld in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens in het Europese deel van Nederland of in de
bevolkingsadministratie van een openbaar lichaam, Aruba, Curaçao
of Sint Maarten;
c. het soort reisdocument, het documentnummer en de andere
documentgegevens, bedoeld in artikel 3, vijfde lid;
d. de reden van de opneming van gegevens met betrekking tot het
reisdocument in het register, de datum waarop het reisdocument is
ontvreemd, anderszins is vermist of van rechtswege is vervallen,
de autoriteit die de gegevens heeft verstrekt en de datum waarop
de gegevens zijn verstrekt;
e. andere bij regeling van Onze Minister te bepalen
administratieve gegevens die noodzakelijk zijn voor de
gegevensverwerking in het register.
6. De in het register opgenomen gegevens worden verstrekt aan
instellingen en personen, belast met een publiekrechtelijke taak, voor
zover de gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taak.
7. Onze Minister kan andere instellingen en personen aanwijzen die
een gerechtvaardigd belang hebben bij verstrekking van gegevens uit
het register. De gegevensverstrekking beperkt zich in dat geval
uitsluitend tot de mededeling of in het register gegevens zijn
opgenomen met betrekking tot een reisdocument, waarvan de instelling
of persoon het documentnummer heeft opgegeven.
8. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de in het register op te nemen gegevens, de vastlegging
van gegevens in het register, de verwijdering van gegevens uit het
register en de verstrekking van gegevens.
9. Onze Minister treft maatregelen met betrekking tot het beheer en
de beveiliging van het register.
Artikel 4b [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.De reisdocumentenadministratie heeft tot doel het verstrekken van
gegevens als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, aan daartoe ingevolge
deze wet bevoegde autoriteiten, instellingen en personen die belast
zijn met de uitvoering van deze wet voor zover zij de gegevens nodig
hebben voor die uitvoering.
2.Onverminderd het in het eerste lid genoemde doel kunnen gegevens
als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, beschikbaar worden gesteld met
het oog op:
a. het voorkomen en bestrijden van fraude met en misbruik van
reisdocumenten,
b. de identificatie van slachtoffers van rampen en ongevallen,
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten, en
d. het verrichten van onderzoek naar handelingen, die een
bedreiging vormen voor de veiligheid van de staat en andere
gewichtige belangen van een of meerdere landen van het Koninkrijk
dan wel de veiligheid van met het Koninkrijk bevriende
mogendheden.
3.De verstrekking van gegevens uit de reisdocumentenadministratie
ingevolge het tweede lid, kan worden toegestaan aan bij algemene
maatregel van rijksbestuur aangewezen:
a. organen van rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn
ingesteld en andere personen of colleges, met enig openbaar gezag
bekleed, voor zover verstrekking van die gegevens noodzakelijk is
voor de vervulling van hun taak;
b. instellingen en personen die met het oog op de uitvoering
van een wettelijke identificatieplicht een gerechtvaardigd belang
hebben bij verstrekking van gegevens uit de
reisdocumentenadministratie.
4.De verstrekking van gegevens betreffende de vingerafdrukken van
de houder uit de reisdocumentenadministratie in de gevallen, bedoeld
in het tweede lid, onder a en c, geschiedt uitsluitend aan de officier
van justitie. De verstrekking vindt slechts plaats:
a. ten behoeve van de vaststelling van de identiteit van een
verdachte of veroordeelde voor zover in het kader van de
toepassing van het strafrecht van hem een of meer vingerafdrukken
zijn genomen en er twijfel bestaat over zijn identiteit;
b. in het belang van het onderzoek in geval van een misdrijf
waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
5.De verstrekking van gegevens uit de reisdocumentenadministratie
beperkt zich in de gevallen als bedoeld in het derde lid, onder b,
uitsluitend tot de mededeling of een door de instelling of persoon
opgegeven documentnummer van een reisdocument in de
reisdocumentenadministratie voorkomt en, bij een bevestigend antwoord,
of het desbetreffende reisdocument in het maatschappelijk verkeer mag
voorkomen.
6.Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden
nadere regels gesteld met betrekking tot:
a. het indienen van een verzoek tot verstrekking van gegevens;
b. de gegevens die verstrekt kunnen worden aan de in het eerste
en derde lid, onder a en in het vierde lid bedoelde autoriteiten,
instellingen en personen, alsmede onder welke voorwaarden die
verstrekking dient plaats te vinden;
c. de wijze waarop de verstrekking van de gegevens, bedoeld in
het eerste en derde lid, kan plaatsvinden.
7.Uit de reisdocumentenadministratie worden uitsluitend in
overeenstemming met deze wet gegevens verstrekt.
Artikel 5
Een ieder die, anders dan voor ambtelijke doeleinden of ter
voldoening aan een wettelijk voorschrift, in het bezit is van een
reisdocument waarvan hij niet de houder is, draagt zorg dat het
onverwijld ter beschikking komt van een ingevolge deze wet tot inhouding
bevoegde autoriteit.
Artikel 6
Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet in een
openbaar lichaam en in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en daarbij de
beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter
kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde
van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een
geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan,
behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking
verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze wet de noodzaak
tot bekendmaking voortvloeit.
Artikel 7
1. Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regels
vastgesteld omtrent:
a. de door een gemeente, een openbaar lichaam, Aruba, Curaçao
of Sint Maarten ter zake van reisdocumenten aan het Rijk
verschuldigde kosten, de afdracht daarvan en de wijze waarop deze
dient te geschieden, indien de aanvraag is ingediend bij de
burgemeester, de gezaghebber dan wel de daartoe door de Gouverneur
aangewezen autoriteit;
b. de door de aanvrager aan het Rijk verschuldigde rechten en
de wijze waarop deze moeten worden voldaan, wegens handelingen ten
behoeve van de uitreiking van reisdocumenten indien de aanvraag
bij een andere daartoe bevoegde autoriteit dan die, bedoeld onder
a is ingediend;
c. de gevallen waarin van de plicht tot betaling van de kosten,
bedoeld in onderdeel a, onderscheidenlijk van de rechten bedoeld
in onderdeel b, geheel of gedeeltelijk ontheffing kan worden
verleend.
2. Het tarief van de gemeentelijke rechten en de rechten
verschuldigd aan een openbaar lichaam kan verschillen al naar gelang
de leeftijd van de aanvrager, het feit of de aanvrager in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens als ingezetene is
ingeschreven, het soort reisdocument en de geldigheidsduur van het
reisdocument.
3. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kan met betrekking tot
een in Nederland aangevraagd reisdocument worden bepaald dat de door
de burger bij de aanvraag aan het Rijk, een gemeente of een openbaar
lichaam verschuldigde rechten of leges een in die algemene maatregel
van rijksbestuur te bepalen bedrag niet te boven gaan.
Artikel 8
1.Onze Minister van Buitenlandse Zaken wijst de consulaire posten
aan die belast zijn met de uitoefening van bevoegdheden ingevolge deze
wet.
2.Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van
Buitenlandse Zaken in bijzondere omstandigheden voor de uitoefening
van bevoegdheden ingevolge deze wet, mandaat verlenen aan autoriteiten
van met het Koninkrijk bevriende mogendheden. Het desbetreffende
besluit vermeldt de redenen van deze bevoegdheidsverlening en de
termijn waarvoor zij geldt. Onze Minister stelt nadere regels omtrent
de uitoefening van de bevoegdheden, waarbij het bepaalde in deze wet
zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing is.
Hoofdstuk II. Aanspraken op reisdocumenten
§ 1. Paspoorten voor Nederlanders
Artikel 9
Iedere Nederlander heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald,
recht op een nationaal paspoort, geldig voor vijf jaren en voor alle
landen.
Artikel 10
Aan Nederlanders die zich ten behoeve van het Koninkrijk of een der
landen van het Koninkrijk naar het buitenland begeven wordt, binnen de
grenzen bij deze wet bepaald, een diplomatiek paspoort dan wel een
dienstpaspoort verstrekt indien en voor zolang Onze Minister van
Buitenlandse Zaken zulks noodzakelijk acht.
§ 2. Reisdocumenten voor niet-Nederlanders
Artikel 11
1. Iedere vreemdeling die ingevolge artikel 33 van de
Vreemdelingenwet 2000 tot het Europese deel van Nederland dan wel
iedere vluchteling die als zodanig tot een openbaar lichaam, Aruba,
Curaçao of Sint Maarten is toegelaten, heeft binnen de grenzen bij
deze wet bepaald, recht op een reisdocument voor vluchtelingen, geldig
voor vijf jaren.
2. Iedere vreemdeling die ingevolge artikel 28 van de
Vreemdelingenwet 2000 tot het Europese deel van Nederland is
toegelaten, heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een
reisdocument voor vluchtelingen, geldig voor ten minste een jaar en
ten hoogste drie jaren.
Artikel 12
Aan de erkende vluchteling die niet als zodanig tot een openbaar
lichaam, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is toegelaten, kan binnen de
grenzen bij deze wet bepaald, een reisdocument voor vluchtelingen worden
verstrekt.
Artikel 13
Iedere vreemdeling die als staatloze tot het Europese of Caribische
deel van Nederland, dan wel Aruba, Curaçao of Sint Maarten is
toegelaten, heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een
reisdocument voor vreemdelingen, geldig voor ten minste drie maanden en
voor alle landen.
Artikel 14
Aan andere in het Europese of Caribische deel van Nederland, dan wel
Aruba, Curaçao of Sint Maarten toegelaten vreemdelingen dan bedoeld in
de artikelen 11, 12 en 13, die geen reisdocument van een ander land
kunnen verkrijgen dan wel die kunnen aantonen dat van hen redelijkerwijs
niet kan worden gevergd dat zij van een ander land een reisdocument
aanvragen, kan binnen de grenzen bij deze wet bepaald, een reisdocument
voor vreemdelingen worden verstrekt.
Artikel 15
1. In bijzondere gevallen kan een reisdocument als bedoeld in de
artikelen 11 tot en met 14 worden verstrekt aan een tot het Europese
of Caribische deel van Nederland, dan wel Aruba, Curaçao of Sint
Maarten toegelaten vreemdeling, die tijdelijk buiten het Europese of
Caribische deel van Nederland, dan wel Aruba, Curaçao of Sint Maarten
verblijft.
2. In bijzondere gevallen kan aan een vreemdeling die zich
tijdelijk op het grondgebied van het Europese of Caribische deel van
Nederland, dan wel Aruba, Curaçao of Sint Maarten mag bevinden en
niet in aanmerking komt voor verstrekking van een reisdocument op
grond van artikel 14, een nooddocument dan wel een reisdocument voor
vreemdelingen worden verstrekt.
§ 3. Andere reisdocumenten
Artikel 16
1.Aan degene die ingevolge deze wet recht heeft op een nationaal
paspoort, een reisdocument voor vluchtelingen of een reisdocument voor
vreemdelingen en op het moment van vertrek niet in het bezit blijkt
van een geldig of voor de reis bruikbaar reisdocument, wordt indien
hij aantoont zwaarwegende belangen te hebben bij de reis, na een
daartoe strekkende aanvraag binnen de grenzen bij deze wet bepaald een
nooddocument verstrekt met een zodanige tijdelijke en territoriale
geldigheid als daarvoor vereist is.
2.Ten aanzien van elke categorie van reisdocumenten als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onder g, stelt Onze Minister vast aan wie en
onder welke voorwaarden deze documenten, onder overeenkomstige
toepassing van deze wet, kunnen worden verstrekt.
§ 3A. Nederlandse identiteitskaart
Artikel 16a
Iedere Nederlander die als ingezetene in de basisadministratie
persoonsgegevens van een gemeente is ingeschreven, of die woonachtig is
in een land waarvoor de Nederlandse identiteitskaart geldig is, heeft
binnen de grenzen van deze wet bepaald, recht op verstrekking van een
Nederlandse identiteitskaart, geldig voor vijf jaren.
§ 4. Bijschrijving
Artikel 17
1.Op verzoek van de houder kan het kind over wie hij het gezag
uitoefent in zijn reisdocument worden bijgeschreven, voor zover het
kind nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, niet reeds
over een Nederlands reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
beschikt en evenals de houder Nederlander is dan wel evenals de houder
vreemdeling is met dezelfde status of verblijfstitel als de houder.
2.Bijschrijving vindt bij gezamenlijke uitoefening van het gezag
niet plaats dan nadat de andere persoon die het gezag uitoefent,
daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven.
3.Bijschrijving kan slechts plaatsvinden in reisdocumenten als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, d, e en g.
Hoofdstuk III. Gronden tot weigering of vervallenverklaring
§ 1. De gronden
Artikel 18
Weigering of vervallenverklaring kan geschieden op verzoek van het
openbaar ministerie, indien het gegronde vermoeden bestaat dat een
persoon,
a. die wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit
waarvoor een bevel tot voorlopige hechtenis is toegelaten, of
b. die onherroepelijk veroordeeld is tot een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel van zes maanden of meer, of een
geldboete in het Europese deel van Nederland van de derde categorie
of hoger, dan wel een daarmee overeenkomende geldboete in een
openbaar lichaam, Aruba, Curaçao of Sint Maarten, of
c. die de bijzondere voorwaarden verbonden aan een
voorwaardelijke veroordeling, een terbeschikkingstelling met
voorwaarden of een voorwaardelijke gratieverlening niet naleeft,
zich door verblijf buiten de grenzen van een der landen van het
Koninkrijk aan vervolging dan wel tenuitvoerlegging van de straf zal
onttrekken.
Artikel 19
Weigering of vervallenverklaring kan geschieden op verzoek van de
rechter-commissaris, indien de betrokken persoon in staat van
faillissement verkeert dan wel op hem het bepaalde in artikel 106 van de
Faillissementswet (Stb. 1893, 140) of een overeenkomstige regeling in
een openbaar lichaam, Aruba, Curaçao of Sint Maarten van toepassing is.
Artikel 20
Weigering of vervallenverklaring kan geschieden op verzoek van Onze
Minister die het aangaat, indien het gegronde vermoeden bestaat dat de
betrokken persoon zich door verblijf buiten het Koninkrijk zal
onttrekken aan zijn militaire verplichtingen, dan wel zijn vervangende
dienstplicht.
Artikel 21
Weigering of vervallenverklaring kan geschieden op verzoek van Onze
Minister die het aangaat, indien het gegronde vermoeden bestaat dat een
persoon ten aanzien van wie in buitengewone omstandigheden krachtens de
wet of landsverordening een verbod geldt het land te verlaten, dit
verbod zal overtreden.
Artikel 22
Weigering of vervallenverklaring kan geschieden op verzoek van Onze
Minister die het aangaat, onderscheidenlijk het college van burgemeester
en wethouders, gedeputeerde staten, het bestuurscollege dan wel een
ander tot invordering bevoegd orgaan van een rechtspersoon die krachtens
publiekrecht is ingesteld, dat het aangaat, indien het gegronde
vermoeden bestaat dat een persoon,
a. die nalatig is in het nakomen van zijn verplichting tot
betaling van in een der landen van het Koninkrijk verschuldigde
belastingen of premies inzake sociale verzekeringen, of
b. die nalatig is in het nakomen van zijn verplichting tot
terugbetaling van door de overheid aan hem verstrekte geldleningen,
subsidies of renteloze voorschotten, of
c. die nalatig is in het nakomen van een wettelijk op hem
rustende dan wel bij uitspraak van een rechter in het Koninkrijk
vastgestelde verplichting tot betaling van op hem verhaalbare
uitkeringen, door de overheid gemaakte, op hem verhaalbare kosten,
dan wel voorgefinancierde of anderszins verstrekte gelden, of
d. die nalatig is in het nakomen van een wettelijk op hem
rustende onderhoudsverplichting dan wel een bij uitspraak van een
rechter in het Koninkrijk vastgestelde onderhoudsverplichting,
zich door verblijf buiten de grenzen van een der landen van het
Koninkrijk aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering van de
verschuldigde gelden zal onttrekken.
Artikel 23
Weigering of vervallenverklaring kan geschieden op verzoek van Onze
Minister die het aangaat, indien het gegronde vermoeden bestaat dat de
betrokken persoon buiten het Koninkrijk handelingen zal verrichten, die
een bedreiging vormen voor de veiligheid en andere gewichtige belangen
van het Koninkrijk of een of meerdere landen van het Koninkrijk dan wel
de veiligheid van met het Koninkrijk bevriende mogendheden.
Artikel 23a
Weigering of vervallenverklaring kan geschieden op verzoek van Onze
Minister die het aangaat, indien naar aanleiding van een daarop
betrekking hebbende kennisgeving door een bevoegde autoriteit van een
met het Koninkrijk bevriende mogendheid het gegronde vermoeden bestaat
dat de betrokken persoon zich in dat land zal onttrekken aan een tegen
hem ingestelde strafvervolging of tenuitvoerlegging van een hem
opgelegde straf of maatregel in verband met gedragingen die naar het
recht van een van de landen binnen het Koninkrijk een misdrijf opleveren
waarvoor een vrijheidsstraf van een jaar of van langere duur kan worden
opgelegd.
Artikel 24
Weigering of vervallenverklaring kan geschieden op verzoek van Onze
Minister die het aangaat, onderscheidenlijk een met de uitvoering van
deze wet belaste autoriteit die het aangaat, indien:
a. het gegronde vermoeden bestaat dat de betrokken persoon zich
schuldig zal maken aan gedragingen welke naar het recht geldend in
Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten misdrijven opleveren en
tot de strafbaarstelling waarvan een het Koninkrijk bindend verdrag
verplicht en hij binnen of buiten het Koninkrijk in de voorafgaande
tien jaar wegens zodanige gedragingen of medeplichtigheid daaraan
onherroepelijk is veroordeeld;
b. het gegronde vermoeden bestaat dat de betrokken persoon
handelingen heeft verricht of zal verrichten met of met betrekking
tot reisdocumenten die het vertrouwen in reisdocumenten hebben
geschaad of zullen schaden dan wel opzettelijk een ander in de
gelegenheid heeft gesteld of zal stellen om zulke handelingen te
verrichten met of met betrekking tot een aan de betrokken persoon
verstrekt reisdocument.
§ 2. Registratie
Artikel 25
1. De autoriteiten, bedoeld in de artikelen 18 tot en met 24,
richten het verzoek tot weigering onderscheidenlijk
vervallenverklaring onder vermelding van de bezwaren die tegen een
persoon bestaan en de gronden die hebben geleid tot het vermoeden,
bedoeld in artikel 18 en de artikelen 20 tot en met 24, aan Onze
Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur.
2. Indien deze gronden zijn vervallen, geeft de autoriteit die een
verzoek als bedoeld in het eerste lid heeft gedaan Onze Minister,
onderscheidenlijk de Gouverneur, daarvan onverwijld kennis. De
Gouverneur draagt zorg, dat de aan hem gedane mededeling dat de
gronden zijn vervallen, onverwijld ter kennis komt van Onze Minister.
3. Onze Minister onderscheidenlijk de Gouverneur vermeldt, indien
een verzoek als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de voorwaarden
van een van de artikelen 18 tot en met 24, de persoon op wie het
verzoek betrekking heeft dan wel de persoon ten aanzien van wie bij
hem, onderscheidenlijk de Gouverneur, gronden tot weigering of
vervallenverklaring bestaan, in een door Onze Minister bij te houden
register. In dat geval vermeldt dit register geen andere gegevens van
de betrokken persoon dan die, bedoeld in artikel 3, vanwege welke
autoriteit, krachtens welke bepaling van paragraaf 1 van dit hoofdstuk
en om welke reden de betrokken persoon in het register is vermeld,
alsmede de datum van vermelding in het register.
4. Onze Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur, deelt de
autoriteiten die bevoegd zijn een reisdocument te verstrekken dan wel
in te houden, mede, aan welke personen die ingevolge het bepaalde in
het derde lid in het register zijn vermeld, een reisdocument kan
worden geweigerd, dan wel van wie het reisdocument moet worden
ingehouden. De autoriteiten die bevoegd zijn een reisdocument te
verstrekken dan wel in te houden, houden een administratie bij van de
mededelingen die zij op grond van de vorige volzin ontvangen.
5. Onze Minister verwijdert onverwijld een vermelding als bedoeld
in het derde lid uit het register, indien hij een kennisgeving als
bedoeld in het tweede lid heeft ontvangen of indien twee jaar nadat
een verzoek als bedoeld in het eerste lid is gedaan een zodanige
kennisgeving niet is ontvangen, dan wel zodra de gronden ten aanzien
van de betrokken personen bij Onze Minister onderscheidenlijk de
Gouverneur niet meer bestaan. Hij geeft daarvan terstond kennis aan de
autoriteiten aan wie hij de mededeling als bedoeld in het vierde lid
heeft gedaan. Deze autoriteiten verwijderen terstond nadat zij een
kennisgeving als bedoeld in de vorige volzin hebben ontvangen de
vermelding uit de administratie, bedoeld in het vierde lid.
Hoofdstuk IV. Aanvraag
§ 1. Algemeen
Artikel 26
1. Bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor nationale
paspoorten, reisdocumenten voor vluchtelingen en reisdocumenten voor
vreemdelingen, zijn:
a. in het Europese deel van Nederland: de burgemeester, voor
zover het personen betreft die als ingezetene in de
basisadministratie persoonsgegevens van zijn gemeente zijn
ingeschreven;
b. in Aruba, Curaçao en Sint Maarten: de Gouverneur en, voor
zover het personen betreft die in de bevolkingsadministratie van
Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn opgenomen, de door de
Gouverneur na overleg met Onze Minister daartoe aangewezen
autoriteiten;
c. in een openbaar lichaam: de gezaghebber, voor zover het
personen betreft die in de bevolkingsadministratie van het
openbaar lichaam zijn opgenomen, en in bij of krachtens algemene
maatregel van rijksbestuur te bepalen gevallen;
d. in het buitenland: het hoofd van de daartoe aangewezen
consulaire post, voor zover het personen betreft die zich in zijn
ressort of in het ressort van een onder zijn verantwoordelijkheid
staande consulaire post bevinden;
e. in bijzondere door Onze Minister te bepalen gevallen: Onze
Minister en de door hem onderscheidenlijk de door de Gouverneur na
overleg met Onze Minister daartoe aangewezen autoriteiten.
2. Bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor
diplomatieke paspoorten en voor dienstpaspoorten is Onze Minister van
Buitenlandse Zaken.
3. Bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor
reisdocumenten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f en g,
zijn Onze Minister en de door hem daartoe aangewezen autoriteiten, de
Gouverneur en de door hem na overleg met Onze Minister daartoe
aangewezen autoriteiten en in het buitenland het hoofd van de daartoe
aangewezen consulaire post.
4. Bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor
Nederlandse identiteitskaarten zijn de in het eerste lid, onder a en e
bedoelde autoriteiten en, voor zover het personen betreft die in hun
ressort of in het ressort van een onder hun verantwoordelijkheid
staande consulaire post woonachtig zijn, de onder d bedoelde
autoriteiten, die daartoe in overeenstemming met Onze Minister zijn
aangewezen.
Artikel 27
1. Een reisdocument wordt slechts verstrekt, nadat een aanvraag is
ingediend bij de krachtens artikel 26 bevoegde autoriteit. Deze draagt
zorg dat een aanvraag volgens door Onze Minister te stellen regelen op
schrift wordt gesteld.
2. Een aanvraag ingediend bij een krachtens artikel 26 bevoegde
autoriteit in een openbaar lichaam, Aruba, Curaçao of Sint Maarten
wordt slechts in behandeling genomen als is voldaan aan het bepaalde
in dit hoofdstuk. De aanvrager wordt van het niet in behandeling nemen
van de aanvraag terstond verwittigd.
Artikel 28
1.De in artikel 26 bedoelde autoriteit verschaft zich de nodige
zekerheid over de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager, en
indien deze geen Nederlander is, tevens met betrekking tot diens
verblijfstitel.
2.De aanvrager kan worden verzocht in verband met het in het eerste
lid bedoelde onderzoek de nodige bewijsstukken over te leggen.
3.De aanvrager dient persoonlijk voor de bovenbedoelde autoriteit
te verschijnen, tenzij zulks om zwaarwegende redenen niet van hem kan
worden gevergd en de betreffende autoriteit van oordeel is dat op
andere wijze voldoende zekerheid kan worden verkregen over de
identiteit, de nationaliteit en de verblijfstitel van de aanvrager.
Artikel 29
1.De aanvrager dient bij zijn aanvraag alle Nederlandse of
buitenlandse reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld ter inzage
over te leggen, ongeacht of hun geldigheidsduur is verstreken.
2.De aanvrager die in een ander Nederlands of buitenlands
reisdocument staat vermeld, doet hiervan bij zijn aanvraag mededeling.
Artikel 30
1.De aanvrager die houder wenst te blijven van een geldig
Nederlands reisdocument naast het aangevraagde reisdocument, kan
daartoe een verzoek doen aan de autoriteit die bevoegd is de aanvraag
in ontvangst te nemen. Deze autoriteit beslist op het verzoek volgens
nader door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van
Buitenlandse Zaken te stellen regelen.
2.Een verzoek als bedoeld in het eerste lid behoeft niet te worden
gedaan, indien hetzij het aangevraagde reisdocument hetzij het geldig
Nederlands reisdocument waarvan de aanvrager houder wenst te blijven,
een Nederlandse identiteitskaart is.
3.Een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gedaan,
indien zowel het aangevraagde reisdocument als het geldig Nederlands
reisdocument waarvan de aanvrager houder wenst te blijven, een
Nederlandse identiteitskaart is.
Artikel 31
1. De aanvrager wiens eerder uitgereikt reisdocument is vermist,
legt bij het indienen van zijn aanvraag een schriftelijke verklaring
af omtrent de vermissing.
2. Indien de aanvraag in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten
wordt ingediend, legt de aanvrager tevens een gewaarmerkte kopie over
van het proces-verbaal dat terzake van de vermissing op ambtseed is
opgemaakt door een opsporingsambtenaar van de politie in Nederland,
Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten.
3. Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot de af te
leggen verklaring omtrent de vermissing. Hij stelt deze regels in
overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken, voor zover
zij betrekking hebben op de verklaring omtrent de vermissing die bij
een aanvraag in het buitenland moet worden afgelegd.
4. De aanvrager wiens eerder uitgereikt reisdocument is ingenomen
door een daartoe bevoegde autoriteit, legt bij het indienen van zijn
aanvraag een door de desbetreffende autoriteit afgegeven schriftelijke
verklaring over omtrent de inname.
Artikel 32
1.De aanvrager dient alle Nederlandse reisdocumenten die op zijn
naam zijn gesteld in te leveren, tenzij artikel 30 of 31 van
toepassing is.
2.De inlevering als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden
bij de uitreiking.
Artikel 33
De rechten die in verband met de aanvraag, verstrekking, uitreiking,
wijziging of vermissing van een reisdocument zijn verschuldigd, worden
bij de indiening van de aanvraag voldaan.
§ 2. Aanvragen door of ten behoeve van handelingsonbekwamen
Artikel 34
1. Bij een aanvraag door of ten behoeve van een minderjarige wordt
een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het
gezag uitoefent. Indien de minderjarige onder voorlopige voogdij is
geplaatst van een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de
Wet op de jeugdzorg in het Europese deel van Nederland
onderscheidenlijk voorlopig is toevertrouwd aan een Voogdijraad in een
openbaar lichaam, Aruba, Curaçao of Sint Maarten, wordt evenwel een
verklaring van toestemming van de desbetreffende stichting dan wel van
de desbetreffende Voogdijraad overgelegd.
2. Indien bij gezamenlijke gezagsuitoefening een van de personen
die het gezag uitoefenen, weigert een verklaring van toestemming als
bedoeld in het eerste lid, af te geven, kan deze op verzoek van de
andere persoon die het gezag uitoefent, worden vervangen door een
verklaring van de bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een
vergelijk tussen de beide personen beproeft.
3. Indien een persoon die het gezag uitoefent, de desbetreffende
stichting of de desbetreffende Voogdijraad een verklaring van
toestemming als bedoeld in het eerste lid weigert, kan deze op verzoek
van de minderjarige van zestien jaren of ouder worden vervangen door
een verklaring van de bevoegde rechter.
4. Indien bij gezamenlijke gezagsuitoefening het als gevolg van
oorlog, oproer, natuurrampen of daaraan verwante dan wel daarmee
samenhangende omstandigheden feitelijk onmogelijk is een verklaring
van toestemming als bedoeld in het eerste lid, te verkrijgen van de
andere persoon die het gezag uitoefent, kan deze in afwijking van het
eerste lid worden vervangen door een verklaring van de bevoegde
rechter.
5. De rechter geeft in de in het tweede, derde en vierde lid
bedoelde gevallen een zodanige beslissing als hem in het belang van
het kind wenselijk voorkomt. Daarbij kan als voorwaarde worden gesteld
dat de geldigheidsduur of de territoriale geldigheid van het
aangevraagde reisdocument wordt beperkt.
6. Een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid,
behoeft niet te worden overgelegd bij de aanvraag van een Nederlandse
identiteitskaart door of ten behoeve van een minderjarige die de
leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt.
Artikel 35
Aan de minderjarige die in werkelijke militaire dienst is, wordt een
reisdocument verstrekt indien en voor zolang de daartoe aangewezen
militaire autoriteit verklaart, dat zulks in het belang van de dienst
is. Dit reisdocument geldt uiterlijk tot het tijdstip waarop de dienst
wordt verlaten.
Artikel 36
1. Bij een aanvraag ten behoeve van een minderjarige die onder
toezicht is gesteld en jonger is dan zestien jaar, kan, indien één
of beide personen die het gezag over de minderjarige uitoefenen,
weigeren een verklaring van toestemming als bedoeld in artikel 34,
eerste lid, af te geven, in plaats van die verklaring een verklaring
van toestemming van de bevoegde rechter worden overgelegd.
2. De rechter kan een verklaring van toestemming afgeven op verzoek
van een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg, of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 254, tweede
lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in het Europese deel van
Nederland of een gezinsvoogdij-instelling in een openbaar lichaam,
Aruba, Curaçao of Sint Maarten. De rechter geeft een zodanige
beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Daarbij kan als voorwaarde worden gesteld dat de geldigheidsduur of de
territoriale geldigheid van het aangevraagde reisdocument wordt
beperkt.
Artikel 37
1.Bij een aanvraag door of ten behoeve van een onder curatele
gestelde, wordt een verklaring van toestemming van de curator
overgelegd.
2.Een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid
behoeft niet te worden overgelegd bij de aanvraag van een Nederlandse
identiteitskaart.
3.Indien de curator weigert een verklaring van toestemming als
bedoeld in het eerste lid, af te geven, kan deze op verzoek van de
onder curatele gestelde worden vervangen door een verklaring van de
bevoegde rechter. Deze neemt een zodanige beslissing als hem in het
belang van de onder curatele gestelde wenselijk voorkomt. Daarbij kan
als voorwaarde worden gesteld dat de geldigheidsduur of de
territoriale geldigheid van het aangevraagde reisdocument wordt
beperkt.
Artikel 38
1. Op de procedure ingevolge de artikelen 34, 36 en 37 is in het
Europese deel van Nederland de derde titel van het Eerste Boek van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met uitzondering van artikel
278, derde lid, van toepassing.
2. De bevoegde rechter, genoemd in artikel 34, tweede, derde en
vierde lid, en in artikel 36, is in het Europese deel van Nederland de
kinderrechter, in een openbaar lichaam, Aruba, Curaçao en Sint
Maarten de rechter in eerste aanleg.
3. [Vervallen.]
4. De bevoegde rechter, genoemd in artikel 37, derde lid, is in het
Europese deel van Nederland de kantonrechter, in een openbaar lichaam,
Aruba, Curaçao en Sint Maarten de rechter in eerste aanleg.
5. De rechter beslist met de meeste spoed.
6. Bij een aanvraag ten behoeve van een handelingsonbekwame wordt
deze als aanvrager beschouwd.
7. De minderjarige, bedoeld in artikel 34, derde lid, en de onder
curatele gestelde zijn bekwaam in rechte op te treden en tegen een
uitspraak beroep in te stellen.
Artikel 39
Aan de handelingsonbekwame die zich buiten het Koninkrijk bevindt en
bij wiens aanvraag geen verklaring van toestemming kan worden overgelegd
als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 37,
eerste lid, kan vooruitlopend op een rechterlijke uitspraak of
beschikking ter zake van een vervangende verklaring van toestemming, in
bijzondere gevallen een reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste
lid, onder f, worden verstrekt.
Hoofdstuk V. Verstrekking, wijziging en uitreiking
Artikel 40
1. Bevoegd tot het verstrekken van nationale paspoorten,
reisdocumenten voor vluchtelingen en reisdocumenten voor
vreemdelingen, zijn:
a. in het Europese deel van Nederland: de burgemeester, voor
zover het personen betreft die als ingezetene in de
basisadministratie persoonsgegevens van zijn gemeente zijn
ingeschreven;
b. in Aruba, Curaçao en Sint Maarten: de Gouverneur en, voor
zover het om verstrekking van nationale paspoorten gaat aan
personen die in de bevolkingsadministratie van Aruba, Curaçao of
Sint Maarten zijn opgenomen, de door de Gouverneur na overleg met
Onze Minister daartoe aangewezen autoriteiten;
c. in een openbaar lichaam: de gezaghebber, voor zover het
personen betreft die in de bevolkingsadministratie van het
openbaar lichaam zijn opgenomen, en in bij of krachtens algemene
maatregel van rijksbestuur te bepalen gevallen;
d. in het buitenland: het hoofd van de daartoe aangewezen
consulaire post, voor zover het personen betreft die zich in zijn
ressort of in het ressort van een onder zijn verantwoordelijkheid
staande consulaire post bevinden;
e. in bijzondere door Onze Minister te bepalen gevallen: Onze
Minister en de door hem daartoe aangewezen autoriteiten.
2. Bevoegd tot het verstrekken van diplomatieke paspoorten en
dienstpaspoorten is Onze Minister van Buitenlandse Zaken.
3. Bevoegd tot het verstrekken van reisdocumenten als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onderdelen f en g, zijn:
a. Onze Minister en de door hem daartoe aangewezen
autoriteiten;
b. de Gouverneur en de door hem na overleg met Onze Minister
daartoe aangewezen autoriteiten;
c. in het buitenland: het hoofd van de daartoe aangewezen
consulaire post.
4. Bevoegd tot het verstrekken van Nederlandse identiteitskaarten
zijn de in het eerste lid, onder a en e bedoelde autoriteiten en, voor
zover het personen betreft die in hun ressort of in het ressort van
een onder hun verantwoordelijkheid staande consulaire post woonachtig
zijn, de onder d bedoelde autoriteiten, die daartoe in overeenstemming
met Onze Minister zijn aangewezen.
5. Verstrekking van een reisdocument op grond van artikel 14 of 15
aan een persoon die in het Europese deel van Nederland is toegelaten,
vindt slechts plaats nadat Onze Minister van Justitie in
overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken heeft
vastgesteld dat aan de voorwaarden voor een aanspraak in de genoemde
artikelen is voldaan.
6. Verstrekking van een reisdocument op grond van artikel 12, 14 of
15 aan een persoon die in een openbaar lichaam is toegelaten, vindt
slechts plaats nadat Onze Minister van Justitie in overeenstemming met
Onze Minister van Buitenlandse Zaken heeft vastgesteld dat aan de
voorwaarden voor een aanspraak in de genoemde artikelen is voldaan.
7. Verstrekking van een reisdocument op grond van de artikelen 11
tot en met 15 aan een persoon die in Aruba, Curaçao of Sint Maarten
is toegelaten, vindt slechts plaats nadat door de Gouverneur is
vastgesteld dat aan de daar geldende voorwaarden voor een aanspraak op
grond van de artikelen 11 tot en met 15 is voldaan.
8. Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze
Minister van Justitie en met Onze Minister van Buitenlandse Zaken
kunnen regels worden gesteld over de verstrekking van reisdocumenten
op grond van de artikelen 12, 14 of 15 aan personen die in Aruba,
Curaçao of Sint Maarten zijn toegelaten.
Artikel 41
1. De krachtens artikel 40 bevoegde autoriteiten verstrekken het
aangevraagde reisdocument zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen
vier weken na de dag van de aanvraag, tenzij de aanvraag een persoon
betreft op wie een mededeling als bedoeld in artikel 25, vierde lid,
van toepassing is.
2. De termijn genoemd in het eerste lid, kan in bijzondere gevallen
met hoogstens vier weken worden verlengd. De aanvrager wordt daarvan
zo spoedig mogelijk doch in ieder geval voor de afloop van de eerste
termijn, schriftelijk in kennis gesteld.
3. Indien de aanvraag een persoon betreft op wie een mededeling als
bedoeld in artikel 25, vierde lid, van toepassing is en de autoriteit
in een openbaar lichaam, Aruba, Curaçao of Sint Maarten die de
aanvraag in ontvangst heeft genomen niet tevens de ingevolge artikel
40 tot verstrekking bevoegde autoriteit is, legt hij de aanvraag
onverwijld voor aan de tot verstrekking van dat reisdocument bevoegde
autoriteit. Van de voorlegging wordt de aanvrager terstond in kennis
gesteld.
Artikel 41a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Alvorens een reisdocument wordt uitgereikt, doet Onze Minister
onderzoeken of een aanvrager
a. meer reisdocumenten dan ingevolge deze wet is toegestaan,
heeft aangevraagd met gebruikmaking van zijn eigen
persoonsgegevens, dan wel
b. bij de aanvraag gebruik heeft gemaakt van persoonsgegevens
van een ander of van een niet-bestaande persoon.
2.Onze Minister deelt op basis van het onderzoek, bedoeld in het
eerste lid, aan de tot uitreiking bevoegde autoriteit mede of tot
uitreiking van het reisdocument kan worden overgegaan.
3.Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen reisdocumenten
worden aangewezen die niet worden onderworpen aan een onderzoek als
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 42
1. Bevoegd tot uitreiking van reisdocumenten zijn de autoriteiten,
die ingevolge artikel 26 bevoegd zijn de aanvragen daarvoor in
ontvangst te nemen.
2. De uitreiking volgt in het Koninkrijk uiterlijk binnen twee
weken, buiten het Koninkrijk uiterlijk binnen vier weken na de
verstrekking.
3. Uitreiking van het reisdocument vindt niet plaats, indien:
a. de aanvrager niet, ingevolge het bepaalde in artikel 32,
tweede lid, alle Nederlandse reisdocumenten die op zijn naam zijn
gesteld inlevert bij de uitreiking;
b. de tot uitreiking bevoegde autoriteit een mededeling heeft
ontvangen tot inhouding als bedoeld in artikel 25, vierde lid;
c. ten aanzien van de aanvrager van het uit te reiken
reisdocument zich een omstandigheid als bedoeld in artikel 47,
eerste lid, onder a, b, c, e, f of h, blijkt voor te doen.
4. Het reisdocument dat niet binnen drie maanden nadat het voor
uitreiking beschikbaar is gesteld, door de aanvrager in ontvangst is
genomen, wordt door de daartoe bevoegde autoriteit definitief aan het
verkeer onttrokken.
Artikel 43
De autoriteiten, bedoeld in artikel 42, eerste lid, alsmede andere
door Onze Minister daartoe aangewezen autoriteiten zijn, volgens nadere
door hem te stellen regelen, bevoegd tot:
a. bijschrijving van kinderen als bedoeld in artikel 17, alsmede
tot wijziging of verwijdering daarvan;
b. wijziging als bedoeld in artikel 1, onder f.
Hoofdstuk VI. Weigering of vervallenverklaring
Artikel 44
1. Bevoegd tot weigering of vervallenverklaring van reisdocumenten
op de gronden genoemd in hoofdstuk III zijn in Nederland, Aruba,
Curaçao en Sint Maarten de autoriteiten die ingevolge artikel 40
bevoegd zijn tot verstrekking daarvan en in het buitenland Onze
Minister van Buitenlandse Zaken.
2. Zodra een tot weigering of vervallenverklaring bevoegde
autoriteit een aanvraag in behandeling neemt betreffende een persoon
ten aanzien van wie een mededeling als bedoeld in artikel 25, vierde
lid, is gedaan, dan wel een ingevolge artikel 52 of 53 ingehouden
reisdocument heeft ontvangen, overtuigt hij zich ervan of de gronden
tot weigering of vervallenverklaring ten aanzien van betrokkene nog
bestaan.
3. Op verzoek van de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde
autoriteit zendt Onze Minister onderscheidenlijk de Gouverneur aan
deze de in het register opgenomen gegevens van de betrokkene toe.
4. Indien de gronden tot weigering of vervallenverklaring nog
blijken te bestaan, deelt de tot weigering of vervallenverklaring
bevoegde autoriteit de aanvrager respectievelijk de houder terstond
doch in ieder geval binnen vier weken na de aanvraag onderscheidenlijk
de inhouding mede dat hij voornemens is de verstrekking van het
aangevraagde reisdocument te weigeren dan wel het ingehouden
reisdocument vervallen te verklaren, tenzij de aanvrager
respectievelijk de houder hem binnen twee weken verzoekt de beslissing
gedurende acht weken aan te houden, ten einde met de autoriteit bij
wie de gronden bestaan een zodanige overeenstemming te bereiken dat
tot verstrekking van het aangevraagde reisdocument of teruggave van
het ingehouden reisdocument dan wel verstrekking van een reisdocument,
waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale
geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde,
kan worden overgegaan.
Artikel 45
1.Indien binnen de periode van acht weken, bedoeld in artikel 44,
vierde lid, door de autoriteit bij wie de gronden tot weigering of
vervallenverklaring bestaan aan de tot weigering of
vervallenverklaring bevoegde autoriteit wordt medegedeeld, dat
overeenstemming is bereikt met de aanvrager respectievelijk de houder,
dan wel indien de gronden bij de tot weigering of vervallenverklaring
bevoegde autoriteit zelf bestaan, door deze een dergelijke
overeenstemming is bereikt, wordt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk
binnen vier weken overeenkomstig de bereikte overeenstemming het
aangevraagde reisdocument verstrekt of het ingehouden reisdocument
teruggegeven dan wel het reisdocument, waarvan de geldigheidsduur
onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij
of krachtens de wet vastgestelde, verstrekt.
2.Indien binnen de periode van acht weken, bedoeld in artikel 44,
vierde lid, geen mededeling wordt gedaan als bedoeld in het eerste
lid, dan wel de aanvrager respectievelijk de houder geen verzoek doet
als bedoeld in artikel 44, vierde lid, gaat de tot weigering of
vervallenverklaring bevoegde autoriteit tot weigering of
vervallenverklaring over, tenzij hij van oordeel is dat de aanvrager
respectievelijk de houder door deze beslissing onevenredig zou worden
benadeeld. In dat geval verstrekt de tot weigering of
vervallenverklaring bevoegde autoriteit na overleg met de autoriteit
bij wie de gronden tot weigering of vervallenverklaring bestaan het
aangevraagde reisdocument of geeft hij het ingehouden reisdocument
terug dan wel verstrekt hij een reisdocument, waarvan de
geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter
is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde.
3.De tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit doet
van zijn beslissing, bedoeld in het tweede lid, onverwijld mededeling
aan Onze Minister onderscheidenlijk de Gouverneur. Bij deze mededeling
vermeldt hij het oordeel van de autoriteit bij wie de gronden tot
weigering of vervallenverklaring bestaan. De Gouverneur draagt zorg
dat de aan hem gedane mededeling ter kennis komt van Onze Minister.
Onze Minister neemt deze mededeling op in het register, bedoeld in
artikel 25, derde lid.
Artikel 46
1. De beschikking tot weigering of vervallenverklaring wordt zo
spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na het verstrijken
van de termijn, bedoeld in artikel 45, tweede lid, gegeven. In de
openbare lichamen, Aruba, Curaçao en Sint Maarten wordt de
beschikking schriftelijk aan de aanvrager, onderscheidenlijk de houder
bekendgemaakt.
2. Aan de Nederlander buiten het Koninkrijk die voornemens is zich
naar het Koninkrijk te begeven en aan wie de verstrekking van een
reisdocument moet worden geweigerd respectievelijk wiens ingehouden
reisdocument moet worden vervallen verklaard op grond van de
voorgaande bepalingen, kan een reisdocument worden verstrekt als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, met een zodanige tijdelijke
en territoriale geldigheid als vereist is voor een rechtstreekse reis
naar zijn land in het Koninkrijk. Voor de toepassing van de eerste
volzin worden het Europese deel van Nederland en een openbaar lichaam
als aparte landen beschouwd.
3. Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing
op de vreemdelingen aan wie op grond van de artikelen 11 tot en met 15
een Nederlands reisdocument is verstrekt, voor zover zij nog
beschikken over een geldige titel tot verblijf in een der landen van
het Koninkrijk.
Artikel 46a
Een Nederlandse identiteitskaart kan niet worden geweigerd of
vervallen verklaard.
Hoofdstuk VII. Verval van rechtswege
§ 1. Algemeen
Artikel 47
1.Een reisdocument vervalt van rechtswege, indien:
a. de houder van het reisdocument, waarin staat vermeld dat
deze de Nederlandse nationaliteit bezit, het Nederlanderschap
heeft verloren;
b. de houder van het reisdocument voor vluchtelingen of van het
reisdocument voor vreemdelingen niet meer beschikt over de status
of verblijfstitel op grond waarvan hem het reisdocument is
verstrekt, het Nederlanderschap dan wel de nationaliteit van een
ander land heeft verkregen of, houder zijnde van een reisdocument
als bedoeld in artikel 12, 14 of 15, door een ander land van een
reisdocument is voorzien;
c. de redenen die tot de verstrekking van het diplomatiek
paspoort, het dienstpaspoort of het reisdocument als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onder f en g, hebben geleid, zijn
vervallen;
d. de geldigheidsduur daarvan is verstreken;
e. de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum of het
geslacht van de houder zijn gewijzigd;
f. de houder is overleden;
g. ingevolge artikel 31 schriftelijk is verklaard dat het is
vermist of door een daartoe bevoegde autoriteit is ingenomen;
h. door een met de uitvoering van deze wet belaste autoriteit
is vastgesteld dat bij de aanvraag gebruik is gemaakt van onjuiste
gegevens, die hebben geleid tot het verstrekken van het
reisdocument.
2.De bijschrijving in een reisdocument vervalt van rechtswege,
indien:
a. de minderjarige de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt
of is overleden;
b. aan de bijgeschreven persoon een reisdocument als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, is verstrekt;
c. in het bezit van de Nederlandse nationaliteit dan wel de
status of verblijfstitel als bedoeld in artikel 17, van de
minderjarige verandering is opgetreden;
d. de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum of het
geslacht van de minderjarige zijn gewijzigd;
e. de houder van het reisdocument niet meer het gezag
uitoefent;
f. de andere persoon die het gezag uitoefent bedoeld in artikel
17 zijn toestemming heeft ingetrokken. De intrekking geschiedt op
de wijze bedoeld in artikel 48, eerste lid;
g. door een met de uitvoering van deze wet belaste autoriteit
is vastgesteld dat bij de aanvraag gebruik is gemaakt van onjuiste
gegevens, die hebben geleid tot de bijschrijving in het
reisdocument.
3.De houder van een reisdocument dat van rechtswege is vervallen
ingevolge het bepaalde in het eerste lid, onder a, b, c, e of h, dan
wel de houder van een reisdocument waarin een bijschrijving is
opgenomen welke van rechtswege is vervallen, wordt hiervan op het
moment van de inhouding in kennis gesteld door de tot inhouding van
het reisdocument bevoegde autoriteit.
4.Onze Minister onderscheidenlijk de Gouverneur kan, al dan niet op
verzoek van een met de uitvoering van deze wet belaste autoriteit die
het aangaat, besluiten dat de houder van een reisdocument dat op grond
van het bepaalde in het eerste lid, onder a, b, c, e, g of h, van
rechtswege is vervallen of van een reisdocument waarin een
bijschrijving is opgenomen welke van rechtswege is vervallen, wordt
vermeld in het register, bedoeld in artikel 25, derde lid. Deze
vermelding kan geen andere gegevens van de betrokken persoon omvatten
dan die, bedoeld in artikel 3. Artikel 25, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing. De Gouverneur geeft van zijn besluit dat
tot vermelding moet worden overgegaan onverwijld kennis aan Onze
Minister.
5.Onze Minister draagt zorg voor de vermelding, bedoeld in het
vierde lid, alsmede voor de verwijdering daarvan, zodra het
desbetreffende reisdocument door hem, de Gouverneur dan wel de met de
uitvoering van deze wet belaste autoriteit die het verzoek tot de
vermelding, bedoeld in het vierde lid, heeft gedaan, is ontvangen of
ingehouden. De Gouverneur dan wel de autoriteit die het verzoek tot
vermelding, bedoeld in het vierde lid, heeft gedaan, geeft van de
ontvangst of de inhouding van het reisdocument onverwijld kennis aan
Onze Minister.
§ 2. Reisdocumenten van handelingsonbekwamen
Artikel 48
1.Degene, die de verklaring van toestemming als bedoeld in de
artikelen 34, eerste lid en 37, eerste lid, intrekt, geeft hiervan
onverwijld schriftelijk kennis aan de ten aanzien van de houder tot
verstrekking bevoegde autoriteit dan wel, indien deze autoriteit niet
bekend is, aan Onze Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur.
2.De in het eerste lid bedoelde autoriteit deelt de houder of diens
wettelijke vertegenwoordiger schriftelijk mede dat het reisdocument
wegens intrekking van de verklaring van toestemming van rechtswege
vervalt, indien:
a. de houder of diens wettelijke vertegenwoordiger niet binnen
vier weken na deze mededeling gebruik heeft gemaakt van de
bevoegdheid tot het doen van het verzoek om een vervangende
verklaring van toestemming ingevolge artikel 34, tweede of derde
lid, of artikel 37, derde lid, en hem daarvan schriftelijke
mededeling heeft gedaan, dan wel indien geen verzoek als bedoeld
in artikel 36, eerste lid, is gedaan;
b. de houder of diens wettelijke vertegenwoordiger het verzoek
tot het verkrijgen van een vervangende verklaring van toestemming
als bedoeld onder a, intrekt dan wel de afwijzende beschikking van
de rechter op dit verzoek in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 49
1.Bij de mededeling, bedoeld in artikel 48, tweede lid, wijst de in
artikel 48, eerste lid, bedoelde autoriteit de houder of diens
wettelijke vertegenwoordiger erop, dat deze verplicht is het
reisdocument bij hem in te leveren.
2.Indien de houder een minderjarige is van zestien jaren of ouder,
dan wel een onder curatele gestelde, kan de in artikel 48, eerste lid,
bedoelde autoriteit in bijzondere gevallen bepalen, dat het
reisdocument in afwachting van de rechterlijke uitspraak of
beschikking terzake, niet ingeleverd behoeft te worden.
3.De in artikel 48, eerste lid, bedoelde autoriteit draagt zorg dat
de houder wiens reisdocument ingevolge het eerste lid moet worden
ingeleverd onverwijld in het register, bedoeld in artikel 25, derde
lid, wordt vermeld. Deze vermelding kan geen andere gegevens van de
betrokken persoon omvatten dan die, bedoeld in artikel 3. Artikel 25,
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.Onze Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur, draagt zorg dat
het ingevolge artikel 53 ingehouden reisdocument onverwijld wordt
toegezonden aan de in artikel 48, eerste lid, bedoelde autoriteit.
Artikel 50
1.Zodra de vervangende verklaring van toestemming op de wijze,
bedoeld in artikel 48, tweede lid, onder a, wordt overgelegd, wordt
het reisdocument indien dit ingevolge artikel 49, eerste lid, is
ingeleverd, dan wel ingevolge artikel 53 is ingehouden, aan de houder
teruggegeven.
2.Indien het eerder uitgereikte reisdocument buiten schuld van de
houder niet is ingeleverd of ingehouden, wordt hem met inachtneming
van het bepaalde in het eerste lid op zijn aanvraag een nieuw
reisdocument verstrekt. Het eerder uitgereikte reisdocument vervalt in
dat geval van rechtswege.
3.De in artikel 48, eerste lid, bedoelde autoriteit draagt zorg
voor de verwijdering van de vermelding van de houder uit het
daarbedoelde register, zodra ingevolge het eerste lid het reisdocument
aan de houder is teruggegeven, dan wel ingevolge het tweede lid aan de
houder een nieuw reisdocument is verstrekt en het eerder uitgereikt
reisdocument door hem is ontvangen. Artikel 25, vijfde lid, tweede
volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VIII. Inhouding en inlevering
Artikel 51
1.Een reisdocument kan worden ingehouden door het hoofd van een
Nederlandse consulaire post onderscheidenlijk van het kabinet van de
Gouverneur, die aan de houder een geldlening heeft verstrekt of ten
behoeve van de houder kosten heeft gemaakt. Het ingehouden
reisdocument wordt onverwijld toegezonden aan Onze Minister van
Buitenlandse Zaken. De houder wordt hiervan terstond in kennis
gesteld. Het reisdocument wordt teruggegeven wanneer de betrokken
houder in zijn woonplaats is teruggekeerd.
2.Aan de houder wordt een reisdocument als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onder f, verstrekt met een zodanige tijdelijke en
territoriale geldigheid als vereist is voor een rechtstreekse reis
naar zijn woonplaats.
Artikel 52
Een reisdocument kan worden ingehouden door de autoriteiten, bedoeld
in de artikelen 18 en 19 op het moment dat zij het verzoek doen
ingevolge artikel 25, eerste lid. Het ingehouden reisdocument wordt
uiterlijk binnen twee weken toegezonden aan de tot vervallenverklaring
bevoegde autoriteit, dan wel aan de houder teruggegeven. Van de
doorzending wordt de houder terstond in kennis gesteld.
Artikel 53
1.Een reisdocument dat vervallen kan worden verklaard, wordt door
de tot inhouding bevoegde autoriteiten ingehouden, indien zij van Onze
Minister een mededeling hebben ontvangen als bedoeld in artikel 25,
vierde lid. Indien de autoriteit die het reisdocument heeft ingehouden
niet tevens de tot vervallenverklaring bevoegde autoriteit is, zendt
hij het ingehouden reisdocument onverwijld aan laatstgenoemde
autoriteit toe. De houder wordt hiervan terstond in kennis gesteld.
2.Het bepaalde in artikel 46, tweede en derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 54
1. Een reisdocument wordt ingehouden, indien:
a. het van rechtswege is vervallen ingevolge artikel 47 of 48;
b. het zodanig is beschadigd dat daarin opgenomen
beveiligingskenmerken zijn aangetast, gegevens niet meer leesbaar
zijn of een deel ervan ontbreekt;
c. in of aan het document wijzigingen zijn aangebracht of
aantekeningen zijn gesteld door een onbevoegde;
d. de gezichtsopname van de houder niet langer voldoende
gelijkenis vertoont;
e. blijkt dat daarin abusievelijk verkeerde gegevens zijn
vermeld dan wel anderszins fouten zijn gemaakt bij de
vervaardiging van het reisdocument.
2. Indien de autoriteit die het reisdocument heeft ingehouden, niet
bevoegd is tot definitieve onttrekking van reisdocumenten aan het
verkeer, zendt hij het ingehouden reisdocument onverwijld aan een
daartoe wel bevoegde autoriteit. De houder wordt hiervan terstond in
kennis gesteld.
3. De daartoe bevoegde autoriteit onttrekt het ingehouden
reisdocument definitief aan het verkeer, tenzij nog een beroepstermijn
openstaat, een beroepsprocedure aanhangig is of het reisdocument
anderszins in een gerechtelijke procedure nodig is.
4. Een reisdocument waarin een bijschrijving is opgenomen die van
rechtswege is vervallen ingevolge artikel 47, tweede lid, wordt
ingehouden door de autoriteit die bevoegd is tot het verwijderen van
die bijschrijving. Deze autoriteit maakt de bijschrijving ongedaan en
geeft het reisdocument terstond terug aan de houder.
5. Indien het van rechtswege vervallen reisdocument is ingehouden
naar aanleiding van een mededeling van Onze Minister als bedoeld in
artikel 25, vierde lid, wordt Onze Minister van de inhouding
onverwijld in kennis gesteld.
Artikel 55
Bevoegd tot het inhouden van reisdocumenten, voor zover niet reeds in
deze wet voorzien, zijn:
a. de autoriteiten, die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen
van een aanvraag voor reisdocumenten;
b. de autoriteiten belast met de grensbewaking, de politie en de
ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen.
Artikel 56
De houder van een reisdocument levert dit zo spoedig mogelijk in bij
een tot inhouding bevoegde autoriteit, indien het reisdocument of een
daarin opgenomen bijschrijving van rechtswege is vervallen dan wel deze
autoriteit om inlevering daarvan ter inhouding als bedoeld in de
artikelen 49, 51, 52, 53 en 54 verzoekt.
Artikel 57
Bevoegd tot het definitief aan het verkeer onttrekken van
reisdocumenten volgens door Onze Minister te stellen regelen zijn de
autoriteiten die bevoegd zijn tot verstrekking, weigering of
vervallenverklaring van reisdocumenten.
Hoofdstuk IX. Toezicht
Artikel 58
Het toezicht op de uitvoering van deze wet berust bij Onze Minister.
Aan hem en aan door hem aangewezen ambtenaren worden door de
autoriteiten belast met de uitvoering van deze wet alle inlichtingen
verstrekt welke zij in verband met de uitoefening van hun taak nodig
hebben en wordt inzage verleend in alle bescheiden die verband houden
met de uitvoering van deze wet.
Artikel 59
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere
regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van deze wet, de door de
betrokkene in het kader van het aanvraag- en uitgifteproces van
reisdocumenten over te leggen gegevens en de beoordeling daarvan,
alsmede de beveiliging van dit proces.
Hoofdstuk X. Strafbepalingen
Artikel 60
1.Het is een ieder verboden een reisdocument valselijk op te maken
of te vervalsen, of een zodanig stuk op grond van valse gegevens te
doen verstrekken dan wel een aan hem of een ander verstrekt
reisdocument ter beschikking te stellen van derden, met het oogmerk
het door dezen te doen gebruiken als ware het aan hen verstrekt.
2.Het is een ieder verboden in het bezit te zijn van een
reisdocument waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat
het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik te maken van een
niet op zijn naam gesteld reisdocument.
Artikel 61
Het is een ieder verboden drukwerken of andere voorwerpen in een vorm
die ze op reisdocumenten doet gelijken, te vervaardigen, te verspreiden
of ter verspreiding in voorraad te hebben.
Artikel 62
Ieder is verplicht een reisdocument dat in zijn bezit is, maar
waarvan hij niet de houder is, of dat ingevolge het bepaalde in artikel
56 moet worden ingeleverd, terstond wanneer hem dit mondeling door een
tot inhouding bevoegde ambtenaar is bevolen, dan wel binnen veertien
dagen, nadat hem dit bij aangetekend schrijven in persoon is
medegedeeld, in te leveren.
Artikel 63
Bij wet onderscheidenlijk bij landsverordening wordt overtreding van
het in de artikelen 60, 61 en 62 bepaalde strafbaar gesteld.
Hoofdstuk XI. Administratieve rechtsbescherming in Aruba, Curaçao en
Sint Maarten
Artikel 64
Bij landsverordening wordt geregeld de mogelijkheid voorziening te
vragen tegen de op grond van deze wet genomen beschikkingen.
Hoofdstuk XII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 65
1. De autoriteit die het reisdocument verstrekt, bewaart in de
administratie, bedoeld in artikel 3, achtste lid, tweede volzin:
a. de in artikel 3, derde lid, bedoelde vingerafdrukken;
b. twee andere, door Onze Minister aan te wijzen
vingerafdrukken van de aanvrager van een reisdocument.
2. De in het eerste lid bedoelde gegevens worden uitsluitend
verstrekt aan autoriteiten, instellingen en personen die belast zijn
met de uitvoering van deze wet, voor zover zij de gegevens nodig
hebben voor die uitvoering.
3. De in het eerste lid bedoelde gegevens, alsmede de in artikel 3,
achtste lid, bedoelde gegevens, worden, bij de inwerkingtreding van
artikel I, onderdelen D en E, van het bij koninklijke boodschap van 21
januari 2008 ingediende voorstel van rijkswet tot wijziging van de
Paspoortwet in verband met het herinrichten van de
reisdocumentenadministratie (Kamerstukken II 2007/08, 31 324 (R1844),
nr. 2), nadat dit voorstel tot wet is verheven, overgebracht naar de
reisdocumentenadministratie, bedoeld in artikel 4a, zoals dit luidt na
inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van genoemd voorstel van
rijkswet.
4. Onze Minister kan met het oog op de verwerking van de in het
eerste lid bedoelde gegevens nadere regels stellen met betrekking tot
de administratieve uitvoering van deze wet en de beveiliging van het
aangifte- en uitgifteproces van reisdocumenten. Deze regels kunnen
afwijken van het bepaalde krachtens artikel 59.
5. Tot het moment waarop artikel I, onderdeel B, onder 3, van het
in het derde lid genoemde voorstel van rijkswet, nadat dit tot wet is
verheven, in werking treedt, kan Onze Minister een afwijkende
geldigheidsduur vaststellen voor reisdocumenten, waarin als gevolg van
een tijdelijke verhindering bij de aanvrager geen vingerafdrukken
kunnen worden opgenomen.
6. Tot het moment waarop artikel I, onderdelen D en E, van het in
het derde lid genoemde voorstel van rijkswet, nadat dit tot wet is
verheven, in werking treedt, wordt in de in artikel 3, derde lid,
tweede volzin, bedoelde bij algemene maatregel van rijksbestuur te
stellen regels en in de in artikel 59 bedoelde bij of krachtens
algemene maatregel van rijksbestuur te stellen regels voorzien bij
ministeriële regeling.
Artikel 66
Op aanvragen ter verkrijging van een reisdocument die op het tijdstip
van inwerkingtreding van de Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de
oprichting van de nieuwe landen reeds waren ingediend, zijn de
bepalingen van deze wet van toepassing zoals die zijn komen te luiden na
de inwerkingtreding van de genoemde rijkswet.
Artikel 67
Deze rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip. Bij koninklijk besluit kunnen verschillende
tijdstippen worden vastgesteld, waarop artikel 3, eerste lid, voor zover
het betreft de vermelding van het geslacht als persoonsgegeven van de
houder, respectievelijk artikel 56, voor zover het betreft de inlevering
van reisdocumenten die ingevolge artikel 47, eerste lid, onder d, van
rechtswege zijn vervallen, in werking treden.
Artikel 68
Deze rijkswet kan worden aangehaald als: Paspoortwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 26 september 1991
BEATRIX
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
D.IJ.W. de Graaff-Nauta
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. van den Broek
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de tiende oktober 1991
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|