WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ter voldoening aan het
bepaalde in artikel 37 van de Grondwet, voor het geval van erfopvolging
door de troonopvolger die niet de leeftijd heeft bereikt waarop hij
ingevolge de Grondwet kan aanvangen het Koninklijk gezag uit te oefenen,
nog bij Ons leven bij een wet moet worden overgegaan tot de benoeming
van een Regent van het Koninkrijk;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en
met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut
voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Gedurende de tijd, dat Onze uit het huwelijk van Ons,
Beatrix, met Zijne Koninklijke Hoogheid Claus George Willem Otto
Frederik Geert, Prins der Nederlanden, Jonkheer van Amsberg, geboren
opvolger, krachtens erfopvolging Koning geworden, niet de leeftijd
heeft bereikt waarop hij ingevolge de Grondwet kan aanvangen het
Koninklijk gezag uit te oefenen, is Onze echtgenoot voornoemd Regent
van het Koninkrijk en indien deze is overleden vóór de aanvang van
die periode, Hare Koninklijke Hoogheid Margriet Francisca, Prinses der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, Prinses van Lippe-Biesterfeld,
Regentes van het Koninkrijk.
2. Mocht tijdens die periode Onze echtgenoot voornoemd
overlijden, van het regentschap afstand doen of buiten staat geraken het
regentschap waar te nemen, dan zal hij in dat regentschap worden
opgevolgd door Hare Koninklijke Hoogheid Margriet Francisca, Prinses der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, Prinses van Lippe-Biesterfeld.
Artikel 2
Deze rijkswet treedt in werking met ingang van de dag na die van haar
afkondiging.
Lasten en bevelen, dat deze rijkswet in het Staatsblad en het Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen zal worden geplaatst, en dat alle
ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie
zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 10 juni 1981
BEATRIX
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
Van Agt
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. Wiegel
Uitgegeven de zevende juli 1981
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter