| |
|
|
|
|
vorige
RIJKSOCTROOIWET
1995
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995
- Uitvoeringsregeling
2009 Rijksoctrooiwet 1995
- Uitvoeringsregeling Rijksoctrooiwet 1995
(vervallen)
RIJKSWET van 15 december 1994, houdende
regels met betrekking tot octrooien
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat door de daling van het
aantal octrooiaanvragen in Nederland het bestaande systeem van
octrooiverlening na vooronderzoek niet gehandhaafd kan worden en dat het
wenselijk is te voorzien in een op eenvoudige wijze door registratie te
verkrijgen octrooi;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en
met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut
voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
Europees Octrooiverdrag: het op 5 oktober 1973 te München tot stand
gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Trb. 1975,
108, 1976, 101 en 2002, 64);
Europees octrooi: een krachtens het Europees Octrooiverdrag verleend
octrooi, voor zover dat voor het Koninkrijk is verleend;
Europese octrooiaanvrage: een Europese octrooiaanvrage als bedoeld in
het Europees Octrooiverdrag;
Samenwerkingsverdrag: het op 19 juni 1970 te Washington tot stand
gekomen Verdrag tot samenwerking inzake octrooien (Trb. 1973, 20);
bureau: het bureau, bedoeld in artikel 15;
octrooiregister: het in artikel 19 van deze wet bedoelde register;
orde: de Orde van octrooigemachtigden, bedoeld in artikel 23d;
Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;
biologisch materiaal: materiaal dat genetische informatie bevat en
zichzelf kan repliceren of in een biologisch systeem kan worden
gerepliceerd;
microbiologische werkwijze: iedere werkwijze waarbij microbiologisch
materiaal wordt gebruikt, die op microbiologisch materiaal ingrijpt of
die microbiologisch materiaal als resultaat heeft;
plantenras: een ras als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van
verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van de Europese Unie van 27
juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PbEG L 227);
natuurlijke rijkdommen: de minerale en andere niet-levende rijkdommen
van de zeebedding en de ondergrond, alsmede levende organismen die tot
de sedentaire soort behoren, dat wil zeggen organismen die ten tijde dat
zij geoogst kunnen worden, hetzij zich onbeweeglijk op of onder de
zeebedding bevinden, hetzij zich niet kunnen verplaatsen dan in
voortdurend fysiek contact met de zeebedding of de ondergrond;
Verdrag inzake octrooirecht: het op 1 juli 2000 te Genève tot stand
gekomen Verdrag inzake octrooirecht (Trb. 2001, 120).
Artikel 2
1. Vatbaar voor octrooi zijn uitvindingen op alle gebieden van de
technologie die nieuw zijn, op uitvinderswerkzaamheid berusten en
toegepast kunnen worden op het gebied van de nijverheid.
2. In de zin van het eerste lid worden in het bijzonder niet als
uitvindingen beschouwd:
a. ontdekkingen, alsmede natuurwetenschappelijke theorieën en
wiskundige methoden;
b. esthetische vormgevingen;
c. stelsels, regels en methoden voor het verrichten van
geestelijke arbeid, voor het spelen of voor de bedrijfsvoering,
alsmede computerprogramma’s;
d. presentaties van gegevens.
3. Het tweede lid geldt alleen voor zover het betreft de aldaar
genoemde onderwerpen of werkzaamheden als zodanig.
Artikel 2a
1. Onder uitvindingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden
ook verstaan uitvindingen die betrekking hebben op een voortbrengsel
dat uit biologisch materiaal bestaat of dit bevat, of die betrekking
hebben op een werkwijze waarmee biologisch materiaal wordt verkregen,
bewerkt of gebruikt.
2. Onder uitvindingen als bedoeld in het eerste lid worden in ieder
geval begrepen uitvindingen met betrekking tot:
a. biologisch materiaal dat met behulp van een technische
werkwijze uit zijn natuurlijke milieu wordt geïsoleerd of wordt
verkregen, ook indien dat materiaal in de natuur voorhanden is,
b. een deel van het menselijk lichaam dat wordt geïsoleerd of
dat anderszins met behulp van een technische werkwijze wordt
verkregen, met inbegrip van een sequentie of een partiële
sequentie van een gen, ook indien de structuur van dat deel
identiek is aan die van een natuurlijk deel,
c. planten of dieren, mits de uitvoerbaarheid van die
uitvinding zich in technisch opzicht niet beperkt tot een bepaald
planten- of dierenras, of
d. een microbiologische of andere technische werkwijze waarmee
biologisch materiaal wordt verkregen, verwerkt of gebruikt, of een
hierdoor verkregen voortbrengsel.
Artikel 3
1. Niet vatbaar voor octrooi zijn:
a. uitvindingen waarvan de commerciële exploitatie in strijd
zou zijn met de openbare orde of goede zeden,
b. het menselijk lichaam in de verschillende stadia van zijn
vorming en zijn ontwikkeling, alsmede de loutere ontdekking van
een van de delen ervan, met inbegrip van een sequentie of
partiële sequentie van een gen,
c. planten- of dierenrassen,
d. werkwijzen van wezenlijk biologische aard, geheel bestaand
uit natuurlijke verschijnselen zoals kruisingen of selecties, voor
de voortbrenging van planten of dieren alsmede de hierdoor
verkregen voortbrengselen,
e. uitvindingen waardoor inbreuk wordt gemaakt op de artikelen
3, 8, onderdeel j, 15, vijfde lid, en 16, vijfde lid, van het
Biodiversiteitsverdrag;
f. methoden van behandeling van het menselijke of dierlijke
lichaam door chirurgische ingrepen of geneeskundige behandeling en
diagnosemethoden die worden toegepast op het menselijke of
dierlijke lichaam, met uitzondering van voortbrengselen, met name
stoffen of samenstellingen, voor de toepassing van een van deze
methoden.
2. Onder uitvindingen waarvan de commerciële exploitatie in strijd
zou zijn met de openbare orde of goede zeden als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, worden in ieder geval verstaan:
a. werkwijzen voor het klonen van mensen,
b. werkwijzen tot wijziging van de germinale genetische
identiteit van de mens,
c. het gebruik van menselijke embryo's,
d. werkwijzen tot wijziging van de genetische identiteit van
dieren die geëigend zijn deze te doen lijden zonder aanzienlijk
medisch nut voor mens of dier op te leveren, alsmede de hierdoor
verkregen voortbrengselen en
e. werkwijzen die het leven of de gezondheid van mensen, dieren
of planten in gevaar brengen of die ernstige schade voor het
milieu veroorzaken.
3. Commerciële exploitatie van een uitvinding is niet strijdig met
de openbare orde of goede zeden op grond van het loutere feit dat de
exploitatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is verboden.
4. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kan de lijst, bedoeld in
het tweede lid, worden aangevuld met andere uitvindingen waarvan de
commerciële exploitatie in strijd wordt geacht met de openbare orde
of de goede zeden.
Artikel 4
1. Een uitvinding wordt als nieuw beschouwd, indien zij geen deel
uitmaakt van de stand van de techniek.
2. De stand van de techniek wordt gevormd door al hetgeen voor de
dag van indiening van de octrooiaanvrage openbaar toegankelijk is
gemaakt door een schriftelijke of mondelinge beschrijving, door
toepassing of op enige andere wijze.
3. Tot de stand van de techniek behoort tevens de inhoud van eerder
ingediende octrooiaanvragen, die op of na de in het tweede lid
bedoelde dag overeenkomstig artikel 31 in het octrooiregister zijn
ingeschreven.
4. Tot de stand van de techniek behoort voorts de inhoud van
Europese octrooiaanvragen en van internationale aanvragen als bedoeld
in artikel 153, derde tot en met vijfde lid, van het Europees
Octrooiverdrag, waarvan de datum van indiening, die geldt voor de
toepassing van artikel 54, tweede en derde lid, van dat verdrag, ligt
voor de in het tweede lid bedoelde dag, en die op of na die dag zijn
gepubliceerd op grond van artikel 93 van dat verdrag onderscheidenlijk
van artikel 21 van het Samenwerkingsverdrag.
5. Niettegenstaande het bepaalde in het eerste tot en met vierde
lid zijn tot de stand van de techniek behorende stoffen of
samenstellingen vatbaar voor octrooi, voor zover zij bestemd zijn voor
de toepassing van een van de in artikel 3, onderdeel f, bedoelde
methoden, mits de toepassing daarvan voor enige in dat lid bedoelde
methode niet tot de stand van de techniek behoort.
6. Onverminderd het eerste tot en met het vierde lid, zijn stoffen
of samenstellingen als bedoeld in het vijfde lid, vatbaar voor octrooi
voor een specifieke toepassing in een werkwijze als bedoeld in artikel
3, onderdeel f, mits die toepassing niet tot de stand van de techniek
behoort.
Artikel 5
1. Voor de toepassing van artikel 4 blijft een openbaarmaking van
de uitvinding buiten beschouwing, indien deze niet eerder is geschied
dan zes maanden voor de dag van indiening van de octrooiaanvrage als
direct of indirect gevolg van:
a. een kennelijk misbruik ten opzichte van de aanvrager of
diens rechtsvoorganger, of
b. het feit, dat de aanvrager of diens rechtsvoorganger de
uitvinding heeft tentoongesteld op van overheidswege gehouden of
erkende tentoonstellingen in de zin van het Verdrag inzake
Internationale Tentoonstellingen, ondertekend te Parijs op 22
november 1928, zoals dat is gewijzigd, laatstelijk bij Protocol
van 30 november 1972 (Trb. 1973, 100), op voorwaarde dat de
aanvrager bij de indiening van zijn aanvrage verklaart dat de
uitvinding inderdaad is tentoongesteld en een bewijsstuk daarvoor
overlegt binnen een bij algemene maatregel van rijksbestuur vast
te stellen termijn en overeenkomstig bij algemene maatregel van
rijksbestuur te stellen voorschriften.
2. De erkenning van overheidswege van tentoonstellingen in
Nederland geschiedt door Onze Minister en die van tentoonstellingen in
Curaçao en Sint Maarten door de regering van Curaçao respectievelijk
van Sint Maarten.
3. De tentoonstellingen in Nederland en die in de Nederlandse
Antillen die voor de inwerkingtreding van de Rijkswet aanpassing
rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen zijn erkend door
Onze Minister van Economische Zaken respectievelijk door de regering
van de Nederlandse Antillen gelden na de inwerkingtreding van die
rijkswet als tentoonstellingen als bedoeld in artikel 5, tweede lid.
Artikel 6
Een uitvinding wordt als het resultaat van uitvinderswerkzaamheid
aangemerkt, indien zij voor een deskundige niet op een voor de hand
liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek. Indien
documenten als bedoeld in artikel 4, derde en vierde lid, tot de stand
van de techniek behoren, worden deze bij de beoordeling van de
uitvinderswerkzaamheid buiten beschouwing gelaten.
Artikel 7
Een uitvinding wordt als vatbaar voor toepassing op het gebied van de
nijverheid aangemerkt, indien het onderwerp daarvan kan worden
vervaardigd of toegepast op enig gebied van de nijverheid, de landbouw
daaronder begrepen.
Artikel 8
Onverminderd de artikelen 11, 12 en 13 wordt de aanvrager als
uitvinder beschouwd en uit dien hoofde als degene die aanspraak heeft op
octrooi.
Artikel 9
1. Degene die in een der landen, aangesloten bij de Internationale
Unie tot bescherming van de industriële eigendom of aangesloten bij
de Wereld Handelsorganisatie, overeenkomstig de in dat land geldende
wetten, en degene die, overeenkomstig de tussen twee of meer
voornoemde landen gesloten verdragen, octrooi of een
gebruikscertificaat dan wel bescherming van een gebruiksmodel heeft
aangevraagd, geniet gedurende een termijn van twaalf maanden na de dag
van die aanvrage in Nederland, Curaçao en Sint Maarten een recht van
voorrang ter verkrijging van octrooi voor datgene, waarvoor door hem
de in de aanhef bedoelde bescherming werd aangevraagd. Met een der
landen als bedoeld in de eerste volzin wordt gelijkgesteld een land
dat op grond van een mededeling van de bevoegde autoriteit in dat land
een recht van voorrang erkent onder gelijkwaardige voorwaarden en met
gelijkwaardige rechtsgevolgen als die, bedoeld in het op 20 maart 1883
te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van de
industriële eigendom (Trb. 1974, 225 en Trb. 1980, 31). Het
voorgaande vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene,
die een uitvinderscertificaat heeft aangevraagd, indien de betrokken
wetgeving de keus laat tussen verkrijging van zodanig certificaat of
een octrooi.
2. Onder aanvrage in de zin van het eerste lid wordt iedere
aanvrage verstaan, waarvan de datum van indiening kan worden
vastgesteld, ongeacht het verdere lot van die aanvrage.
3. Indien de rechthebbende meer aanvragen voor hetzelfde onderwerp
heeft ingediend, komt voor het recht van voorrang slechts de eerst
ingediende in aanmerking. Niettemin kan het recht van voorrang ook
berusten op een later ingediende aanvrage ter verkrijging van
bescherming in hetzelfde land, mits de eerst ingediende aanvrage voor
de indiening van de latere aanvrage is ingetrokken, vervallen of
afgewezen zonder ter kennis van het publiek te zijn gebracht en zonder
rechten te hebben laten bestaan en mits zij nog niet als grondslag
heeft gediend voor de inroeping van een recht van voorrang. Indien een
recht van voorrang, berustend op een later ingediende aanvrage, is
ingeroepen, zal de eerst ingediende aanvrage niet meer als grondslag
kunnen dienen voor de inroeping van een recht van voorrang.
4. De voorrang heeft voor de toepassing van de artikelen 4, tweede,
derde en vierde lid, en 6 ten gevolge, dat de aanvrage waarvoor dit
recht bestaat, wordt aangemerkt als te zijn ingediend op de dag van
indiening van de aanvrage waarop het recht van voorrang berust.
5. De aanvrager kan een beroep doen op meer dan één recht van
voorrang, zelfs wanneer de rechten van voorrang uit verschillende
landen afkomstig zijn. Ook kan de aanvrage, waarbij een beroep op een
of meer rechten van voorrang wordt gedaan, elementen bevatten,
waarvoor in de conclusies van de aanvrage, waarvan de voorrang wordt
ingeroepen, geen rechten werden verlangd, mits de tot de laatste
aanvrage behorende stukken het betrokken voortbrengsel of de betrokken
werkwijze voldoende nauwkeurig aangeven.
6. Degene die van het recht van voorrang gebruik wil maken, moet
daarop schriftelijk beroep doen bij de indiening van de aanvrage of
binnen zestien maanden na de datum van indiening van de aanvrage
waarop hij zich beroept, onder vermelding van die datum van indiening
en van het land waarin of waarvoor deze werd ingediend.
7. Een verbetering van of toevoeging aan een eerder ingeroepen
recht van voorrang moet worden verzocht binnen zestien maanden na de
datum van indiening van de aanvrage waarop hij zich beroept.
8. Binnen zestien maanden na indiening van de aanvrage waarop hij
zich beroept als bedoeld in het zesde en zevende lid, moet hij het
nummer alsmede een in de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal
gesteld afschrift van de aanvrage waarop hij zich beroept of een
vertaling van die aanvrage in een van die talen aan het bureau
verstrekken, tenzij de eerdere aanvrage bij het bureau of het bureau,
bedoeld in artikel 99, is ingediend, alsmede, als hij niet degene is
die de aanvrage, op grond waarvan de voorrang wordt ingeroepen heeft
ingediend, een document waaruit zijn rechten blijken. Het bureau kan
verlangen dat de in de vorige volzin bedoelde vertaling wordt
gewaarmerkt.
9. Het recht van voorrang vervalt, indien niet aan het zesde,
zevende of achtste lid is voldaan.
Artikel 10
1. Indien voor een uit hoofde van deze rijkswet verleend octrooi de
voorrang is ingeroepen van een eerder uit hoofde van deze rijkswet
ingediende octrooiaanvrage, heeft het op genoemde aanvrage verleende
octrooi geen rechtsgevolgen, voor zover het betrekking heeft op
dezelfde uitvinding als eerstgenoemd octrooi.
2. Vorderingen ter vaststelling van het ontbreken van rechtsgevolg
als bedoeld in het eerste lid kunnen door een ieder worden ingesteld.
3. Artikel 75, vierde lid, achtste lid, eerste volzin, en negende
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
De aanvrager heeft geen aanspraak op octrooi, voor zover de inhoud
van zijn aanvrage aan hetgeen reeds door een ander vervaardigd of
toegepast werd of wel aan beschrijvingen, tekeningen of modellen van een
ander, zonder diens toestemming, ontleend is. Deze laatste behoudt, voor
zover hetgeen ontleend werd voor octrooi vatbaar is, zijn aanspraak op
octrooi. Voor de toepassing van artikel 4, derde en vierde lid, op het
onderwerp van een aanvrage, ingediend door degene aan wie ontleend is,
blijft de door de ontlener ingediende aanvrage buiten beschouwing.
Artikel 12
1. Indien de uitvinding, waarvoor octrooi wordt aangevraagd, is
gedaan door iemand die in dienst van een ander een betrekking
bekleedt, heeft hij aanspraak op octrooi, tenzij de aard van de
betrekking medebrengt, dat hij zijn bijzondere kennis aanwendt tot het
doen van uitvindingen van dezelfde soort als die waarop de
octrooiaanvrage betrekking heeft. In het laatstbedoelde geval komt de
aanspraak op octrooi toe aan de werkgever.
2. Indien de uitvinding, waarvoor octrooi wordt aangevraagd, is
gedaan door iemand die in het kader van een opleiding bij een ander
werkzaamheden verricht, komt de aanspraak op octrooi toe aan degene
bij wie de werkzaamheden worden verricht, tenzij de uitvinding geen
verband houdt met het onderwerp van de werkzaamheden.
3. Indien de uitvinding is gedaan door iemand die in dienst van een
universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling onderzoek verricht,
komt de aanspraak op octrooi toe aan de betrokken universiteit,
hogeschool of onderzoeksinstelling.
4. Voor de toepassing van artikel 4, derde en vierde lid, op het
onderwerp van een aanvrage, ingediend door de in het eerste lid,
laatste volzin, bedoelde werkgever dan wel door degene die de
gelegenheid biedt om werkzaamheden te verrichten als bedoeld in het
tweede lid, blijft een door de niet gerechtigde ingediende
octrooiaanvrage buiten beschouwing.
5. Van het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde kan bij
schriftelijke overeenkomst worden afgeweken.
6. Ingeval de uitvinder niet geacht kan worden in het door hem
genoten loon of de door hem genoten geldelijke toelage of in een
bijzondere door hem te ontvangen uitkering vergoeding te vinden voor
het gemis aan octrooi, is degene aan wie krachtens het eerste, tweede
of derde lid, de aanspraak op octrooi toekomt, verplicht hem een, in
verband met het geldelijke belang van de uitvinding en met de
omstandigheden waaronder zij plaatshad, billijk bedrag toe te kennen.
Een vorderingsrecht van de uitvinder krachtens dit lid vervalt na
verloop van drie jaren sedert de datum waarop het octrooi is verleend.
7. Elk beding, waarbij van het zesde lid wordt afgeweken, is
nietig.
Artikel 13
Indien een uitvinding is gedaan door verscheidene personen, die
volgens een afspraak tezamen hebben gewerkt, hebben zij gezamenlijk
aanspraak op octrooi.
Artikel 14
1. Degene die de uitvinding heeft gedaan, waarvoor octrooi is
aangevraagd, doch op grond van artikel 12, eerste, tweede of derde
lid, of op grond van een overeenkomst, gesloten met de aanvrager of
diens rechtsvoorgangers, geen aanspraak op octrooi kan doen gelden,
heeft het recht in het octrooi als de uitvinder te worden vermeld.
2. Elk beding, waarbij van het vorige lid wordt afgeweken, is
nietig.
Hoofdstuk 2. Behandeling van octrooiaanvragen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 15
1. Er is een bureau belast met de uitvoering van deze rijkswet en
andere bij of krachtens wet of bindende internationale verplichtingen
opgelegde taken. Het bureau heet Octrooicentrum Nederland. Het bureau
is een instelling van Nederland en dient tevens, voor zover het
octrooien betreft, voor Nederland Curaçao en Sint Maarten als
centrale bewaarplaats als bedoeld in artikel 12 van de op 14 juli 1967
te Stockholm tot stand gekomen herziening van het op 20 maart 1883 te
Parijs tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van de industriële
eigendom (Trb. 1969, 144).
2. Bij besluit van Onze Minister worden inrichting en werkwijze van
het bureau bepaald.
Artikel 16
Indien het bureau gedurende de laatste dag van enige ingevolge deze
rijkswet door of jegens het bureau in acht te nemen termijn is gesloten,
wordt die termijn voor de toepassing van deze rijkswet verlengd tot het
einde van de eerstvolgende dag, waarop het bureau weer geopend is.
Artikel 17
1. Het bureau treedt op als ontvangend bureau in de zin van artikel
2, onder (xv), van het Samenwerkingsverdrag en verricht zijn
werkzaamheden uit dien hoofde met inachtneming van de bepalingen van
dat verdrag.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden,
voor zover het Samenwerkingsverdrag daartoe de bevoegdheid verleent,
het bedrag en de vervaldatum vastgesteld van taksen die op grond van
het Samenwerkingsverdrag en het daarbij behorende Reglement mogen
worden geheven. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen verdere
regels worden gesteld ten aanzien van onderwerpen waarover het
ontvangend bureau ingevolge genoemd Reglement bevoegd is voorschriften
te geven.
Artikel 18
De aanwijzing of, in voorkomend geval, de keuze van het Koninkrijk in
een internationale aanvrage als bedoeld in artikel 2, onder (vii), van
het Samenwerkingsverdrag zal worden aangemerkt als een verzoek van de
aanvrager tot verkrijging van een Europees octrooi.
Artikel 19
1. Het bureau is verantwoordelijk voor een octrooiregister waaruit
de stand van zaken omtrent octrooiaanvragen en octrooien kan worden
afgeleid en waaruit voor dit doel gegevens kunnen worden verstrekt aan
derden.
2. In het register worden ingevolge deze rijkswet gegevens
betreffende octrooiaanvragen en octrooien ingeschreven. Het register
is voor een ieder kosteloos ter inzage.
3. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent het register. Daarbij kan worden bepaald dat de
inschrijving van bepaalde gegevens in het register afhankelijk is van
het betalen van een bedrag door degene die om inschrijving verzoekt.
4. Tegen betaling van bij of krachtens algemene maatregel van
rijksbestuur vast te stellen bedragen kan een ieder het bureau
verzoeken om schriftelijke inlichtingen omtrent dan wel gewaarmerkte
uittreksels uit het octrooiregister of om stukken welke betrekking
hebben op een in het octrooiregister ingeschreven octrooiaanvrage of
octrooi, alsmede om afschriften van laatstgenoemde stukken.
Artikel 20
1. Van alle gegevens die in het octrooiregister worden vermeld,
wordt tevens melding gemaakt in een door het bureau periodiek uit te
geven blad.
2. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent het in het eerste lid bepaalde.
Artikel 21
1. Vanaf het tijdstip waarop de octrooiaanvrage in het
octrooiregister is ingeschreven, kan een ieder kosteloos kennisnemen
van alle op de aanvrage of het daarop verleende octrooi betrekking
hebbende stukken die het bureau hebben bereikt of die het bureau aan
de aanvrager of aan derden heeft doen uitgaan in het kader van de
bepalingen van deze rijkswet. Het bureau maakt van al deze stukken zo
spoedig mogelijk doch niet voor de inschrijving van de aanvrage in het
octrooiregister melding in het in artikel 20 bedoelde blad.
2. Van stukken die betrekking hebben op een aanvrage die nog niet
in het octrooiregister is ingeschreven, kan alleen met toestemming van
de aanvrager kennis worden genomen. Zonder toestemming van de
aanvrager kan daarvan nochtans kennis worden genomen, indien de
betrokkene aantoont dat de aanvrager zich tegenover hem heeft beroepen
op zijn aanvrage. Het in dit lid bepaalde geldt niet ten aanzien van
de in paragraaf 3 van dit hoofdstuk bedoelde octrooiaanvragen.
3. Geen kennis kan worden genomen van de verklaring van degene die
de uitvinding heeft gedaan, inhoudende dat hij geen prijs stelt op
vermelding als uitvinder in het octrooi.
Artikel 22
1. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden
nadere regels gesteld ter uitvoering van het bepaalde bij of krachtens
het Verdrag inzake octrooirecht inzake het uitwisselen van informatie
tussen het bureau en de aanvrager of de houder van een octrooi.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden
regels gesteld ter uitvoering van het bepaalde bij of krachtens het
Verdrag inzake octrooirecht over wijzigingen ten aanzien van de
aanvrager of de houder van een octrooi.
Artikel 23
1. Indien de aanvrager of de houder van een octrooi dan wel de
houder van een Europees octrooi, ondanks het betrachten van alle in de
gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid, niet in staat is
geweest een termijn ten opzichte van het bureau of het bureau bedoeld
in artikel 99 in acht te nemen, wordt op zijn verzoek door het bureau
de vorige toestand hersteld, indien het niet in acht nemen van de
termijn ingevolge deze rijkswet rechtstreeks heeft geleid tot het
verlies van enig recht of rechtsmiddel.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het niet in acht nemen
van de hierna in het derde lid bedoelde termijn.
3. Het verzoek wordt binnen twee maanden, te rekenen vanaf de datum
waarop de oorzaak van het niet in acht nemen van de termijn voor het
verrichten van de desbetreffende handeling is weggenomen, doch
uiterlijk binnen een termijn van een jaar na het verstrijken van de
niet in acht genomen termijn, ingediend. De nog niet verrichte
handeling moet uiterlijk gelijktijdig met het verzoek geschieden. Bij
de indiening wordt een bij of krachtens algemene maatregel van
rijksbestuur te bepalen bedrag betaald.
4. Het bureau tekent het herstel in het octrooiregister aan.
5. Degene, die in het tijdvak, gelegen tussen het verlies van het
recht of het rechtsmiddel en het herstel in de vorige toestand,
begonnen is met de vervaardiging of toepassing binnen Nederland,
Curaçao of Sint Maarten in of voor zijn bedrijf van datgene, waarvoor
tengevolge van het herstel een octrooi van kracht is, dan wel een
begin van uitvoering heeft gegeven aan zijn voornemen daartoe, blijft
niettegenstaande het octrooi bevoegd de in artikel 53, eerste lid,
bedoelde handelingen te verrichten. Artikel 55, tweede en vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden
nadere regels gesteld over het herstel van het recht van voorrang.
§ 1a. Octrooigemachtigden
Artikel 23a
1. Het bureau is verantwoordelijk voor een register van
octrooigemachtigden waaruit kan worden afgeleid wie voldoet aan de
eisen van vakbekwaamheid van octrooigemachtigden en als
octrooigemachtigde voor het bureau kan optreden en waaruit voor dit
doel gegevens kunnen worden verstrekt aan derden.
2. In het register kan een ieder op aanvraag als octrooigemachtigde
worden ingeschreven die met goed gevolg een examen heeft afgelegd en
die gedurende ten minste drie jaren octrooiaanvragen heeft behandeld
onder verantwoordelijkheid van een octrooigemachtigde, dan wel van wie
met goed gevolg een proeve van bekwaamheid is afgenomen. Het examen of
de proeve van bekwaamheid is niet langer dan tien jaar voor het
indienen van de aanvraag afgelegd.
3. Het bureau stelt de inrichting van het register vast. Het
register is voor een ieder kosteloos ter inzage.
4. Het is anderen dan degenen die in het register van
octrooigemachtigden zijn ingeschreven, verboden zichzelf in het
economisch verkeer aan te duiden alsof zij in dat register zouden zijn
ingeschreven.
5. De raad van toezicht kan op aanvraag ontheffing verlenen van de
verplichting het examen of de proeve van bekwaamheid af te leggen of
ten minste drie jaren octrooiaanvragen te behandelen onder
verantwoordelijkheid van een octrooigemachtigde.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden
nadere regels gesteld omtrent de aanvraag om inschrijving in het
register, de aanvraag om een ontheffing, de beoordeling van de
aanvraag door de raad van toezicht, het beroep bij het Gerechtshof te
's-Gravenhage tegen een afwijzend oordeel van de raad en de
inschrijving in en de uitschrijving uit het register.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden
nadere regels gesteld ter uitvoering van het bepaalde bij of krachtens
het Verdrag inzake octrooirecht inzake vertegenwoordiging.
Artikel 23b
1. Voor het bureau kunnen als gemachtigde slechts optreden personen
die als octrooigemachtigde zijn ingeschreven in het register, bedoeld
in artikel 23a, personen die op grond van artikel 1 van de
Advocatenwet als advocaat zijn ingeschreven bij een rechtbank en
personen die op grond van artikel 1 van de Advocatenlandsverordening
of artikel 1 van de Advocatenwet BES als advocaat zijn ingeschreven
bij Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint
Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2. De directeur van het bureau kan van een advocaat inzage vorderen
van de geviseerde akte van zijn beëdiging als advocaat voordat hij
hem als gemachtigde voor het bureau toelaat.
3. De directeur van het bureau kan in bijzondere gevallen ook
anderen dan de personen, bedoeld in het eerste lid, toestaan als
gemachtigde voor het bureau op te treden, indien zij van een dergelijk
optreden niet hun beroep maken of indien zij in een lidstaat van de
Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte bevoegd zijn om als
gemachtigde in octrooizaken op te treden en zij slechts in incidentele
gevallen als gemachtigde voor het bureau optreden.
4. Tenzij bij of krachtens wet anders is bepaald, is een
octrooigemachtigde of een persoon die onder zijn verantwoordelijkheid
werkzaam is, verplicht tot geheimhouding van al hetgeen waarvan hij
uit hoofde van zijn werkzaamheden als zodanig kennis neemt. Deze
verplichting blijft bestaan na beëindiging van de desbetreffende
werkzaamheden.
Artikel 23c
1. Er is een examencommissie voor het afnemen van het examen en de
proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 23a.
2. Op voordracht van het bestuur van de orde benoemt Onze Minister
de leden van de examencommissie telkens voor een periode van twee
jaar. Onze Minister kan een lid om gewichtige redenen tussentijds
ontslaan. De benoeming en het ontslag van de leden van de
examencommissie wordt bekendgemaakt in het blad, bedoeld in artikel
20.
3. De examencommissie bestaat uit ten minste zes personen. Een
derde van de leden van de examencommissie is octrooigemachtigde, een
derde is medewerker van het bureau en een derde is technisch of
rechtsgeleerd deskundige, niet afkomstig uit de kring van
octrooigemachtigden en medewerkers van het bureau. Ten hoogste de
helft van de leden van de examencommissie kan tevens docent zijn van
een opleiding voor toekomstige octrooigemachtigden.
4. De examencommissie kan uit haar midden commissies samenstellen
ten behoeve van het in gedeelten afnemen van het examen of de proeve
van bekwaamheid.
5. De examencommissie bepaalt het tijdstip van de aanmelding tot
het examen en de proeve van bekwaamheid, bedoeld in het eerste lid,
alsmede het tijdstip en de plaats waarop dit examen en deze proeve van
bekwaamheid worden afgenomen. De examencommissie neemt een examen of
proeve van bekwaamheid of een gedeelte daarvan niet af dan nadat
degene van wie het examen of de proeve van bekwaamheid of het gedeelte
daarvan wordt afgenomen, het daarvoor verschuldigde bedrag heeft
betaald.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden
nadere regels gesteld omtrent:
a. het toelaten tot het deelnemen aan en het afnemen van het
examen en de proeve van bekwaamheid en het bedrag dat degene die
aan een examen of proeve van bekwaamheid of een gedeelte daarvan
wenst deel te nemen, verschuldigd is;
b. de kennis die wordt getoetst door het examen en de proeve
van bekwaamheid, de uitwerking van de exameneisen door de
examencommissie en de wijze waarop het examen of de proeve van
bekwaamheid wordt afgenomen.
Artikel 23d
1.Er is een Orde van octrooigemachtigden, die gevormd wordt door
allen die zijn ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 23a.
2.De orde heeft tot taak de bevordering van een goede
beroepsuitoefening door de leden en van hun vakbekwaamheid. Haar taak
omvat mede de zorg voor de eer en het aanzien van het beroep van
octrooigemachtigde.
3.De orde is een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 134 van de
Grondwet.
Artikel 23e
1. De algemene vergadering van de orde kiest uit haar midden een
bestuur dat de dagelijkse leiding heeft over de orde en dat gerechtigd
is tot het verrichten van daden van beheer en beschikking met
betrekking tot het vermogen van de orde.
2. De leden van het bestuur treden om de twee jaar af. Zij zijn
terstond herkiesbaar.
3. Het bestuur van de orde bestaat uit ten hoogste negen leden. De
algemene vergadering van de orde wijst uit deze leden de voorzitter,
secretaris en penningmeester van het bestuur aan.
4. De voorzitter of de secretaris van het bestuur vertegenwoordigt
de orde in en buiten rechte.
Artikel 23f
1. De algemene vergadering van de orde kiest een raad van toezicht
die aanvragen om opgenomen te worden in het register van
octrooigemachtigden beoordeelt, die toezicht houdt op de wijze waarop
octrooigemachtigden hun beroep uitoefenen en die belast is met
tuchtrechtspraak in eerste aanleg.
2. De leden van de raad van toezicht treden om de twee jaar af. Zij
zijn terstond herkiesbaar.
3. De raad van toezicht van de orde bestaat uit vijf leden en vijf
plaatsvervangende leden.
4. De voorzitter van de raad van toezicht is een jurist die op
voordracht van de algemene vergadering van de orde wordt benoemd door
Onze Minister. De algemene vergadering van de orde wijst de secretaris
van de raad van toezicht aan uit de leden van de raad.
Artikel 23g
1. Het lidmaatschap van het bestuur is niet verenigbaar met het
lidmaatschap of het plaatsvervangend lidmaatschap van de raad van
toezicht.
2. Het bestuur ontheft een lid of plaatsvervangend lid van de raad
van toezicht van zijn functie, indien het lid of plaatsvervangend lid:
a. vanwege ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is zijn
functie te vervullen;
b. uitgeschreven is uit het register van octrooigemachtigden;
c. in staat van faillissement is verklaard, onder de toepassing
van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen is verklaard
of onder curatele is gesteld;
d. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
e. bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens
misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij een dergelijke uitspraak
een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft.
Artikel 23h
1. De algemene vergadering van de orde stelt een huishoudelijk
reglement en gedragsregels voor octrooigemachtigden vast.
2. Het huishoudelijk reglement regelt in ieder geval:
a. de wijze waarop het bestuur en de raad van toezicht worden
verkozen;
b. het ontslag om gewichtige redenen van een lid van het
bestuur;
c. het houden van de vergaderingen van de orde;
d. het bedrag van de contributie die de leden van de orde
verschuldigd zijn vanwege hun lidmaatschap van de orde, en de
termijn waarbinnen de contributie wordt voldaan.
3. De algemene vergadering stelt een verordening vast ten aanzien
van de begeleiding van stagiaires door octrooigemachtigden, de
wederzijdse verplichtingen van de octrooigemachtigde en de stagiaire
en de benoeming door de raad van toezicht van een octrooigemachtigde
als begeleider van een stagiaire die octrooiwerkzaamheden verricht
buiten het kantoor van een octrooigemachtigde.
4. De algemene vergadering kan verordeningen vaststellen in het
belang van de goede beroepsuitoefening van de leden. Deze
verordeningen kunnen slechts betrekking hebben op:
a. de wijze waarop de administratie van een octrooigemachtigde
wordt ingericht, bijgehouden en bewaard;
b. de samenwerking van octrooigemachtigden met andere
octrooigemachtigden en met beoefenaren van een ander beroep;
c. de publiciteit die octrooigemachtigden kunnen bedrijven
omtrent hun werkzaamheden;
d. het bijhouden van de kennis en het inzicht van
octrooigemachtigden met betrekking tot het recht betreffende de
industriële eigendom en het toezicht van de raad van toezicht
daarop.
5. Verordeningen houden geen bepalingen in omtrent onderwerpen
waarin bij of krachtens de wet is voorzien, bevatten geen
verplichtingen of voorschriften die niet strikt noodzakelijk zijn voor
de verwezenlijking van het doel dat met de verordening wordt beoogd en
beperken niet onnodig de marktwerking. Indien in het onderwerp van
bepalingen van verordeningen wordt voorzien bij of krachtens de wet,
houden deze bepalingen van rechtswege op te gelden.
Artikel 23i
1. Het huishoudelijk reglement, de gedragsregels voor
octrooigemachtigden en de verordeningen, alsmede iedere wijziging
daarvan, worden na vaststelling onverwijld ter goedkeuring gezonden
aan Onze Minister.
2. Onze Minister kan zijn goedkeuring onthouden aan het
huishoudelijk reglement, de gedragsregels voor octrooigemachtigden en
de verordeningen, alsmede een wijziging daarvan, indien zij bepalingen
bevatten die in strijd zijn met het recht of het algemeen belang.
3. Na goedkeuring door Onze Minister worden het huishoudelijk
reglement, de gedragsregels voor octrooigemachtigden en de
verordeningen, alsmede een wijziging daarvan, geplaatst in het blad,
bedoeld in artikel 20. Zij treden in werking met ingang van de eerste
dag van de tweede maand na de dagtekening van het blad waarin zij
worden geplaatst of zoveel eerder als zij zelf bepalen.
4. De octrooigemachtigden zijn gehouden het huishoudelijk
reglement, de gedragsregels voor octrooigemachtigden en de
verordeningen na te leven en de contributie die verschuldigd is
vanwege het lidmaatschap van de orde binnen de daarvoor gestelde
termijn te voldoen.
Artikel 23j
1. De algemene vergadering van de orde stelt voor 1 oktober van
ieder jaar een begroting vast voor het volgende kalenderjaar.
2. De algemene vergadering van de orde brengt jaarlijks aan Onze
Minister voor 1 mei een financieel verslag uit dat vergezeld gaat van
een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven
door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
3. De algemene vergadering van de orde stelt jaarlijks voor 1 mei
een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het
algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden
en werkwijze van de orde in het bijzonder in het afgelopen
kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister toegezonden.
4. De algemene vergadering van de orde stelt de in het tweede en
derde lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar.
Artikel 23k
De algemene vergadering van de orde, het bestuur van de orde, de raad
van toezicht en de examencommissie verstrekken desgevraagd aan Onze
Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen.
Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden,
voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 23l
1. Ten minste eenmaal per jaar vergadert de orde over onderwerpen
die voor octrooigemachtigden van belang zijn.
2. De vergaderingen van de orde, bedoeld in het eerste lid, zijn
openbaar, tenzij de aanwezige leden van de orde om gewichtige redenen
besluiten dat de vergadering geheel of gedeeltelijk met gesloten
deuren zal plaatsvinden. De vergaderingen van het bestuur en de raad
van toezicht van de orde zijn niet openbaar, behoudens in een geval
als bedoeld in artikel 23s, vierde lid.
Artikel 23m
1. Een octrooigemachtigde die in staat van faillissement is
verklaard, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen van toepassing is verklaard, of die onder curatele is
gesteld, is gedurende het faillissement, de toepassing van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of de curatele van
rechtswege geschorst in de uitoefening van het recht als gemachtigde
voor het bureau op te treden of bij de behandeling ter terechtzitting
van geschillen het woord te voeren. Gedurende deze tijd is hij tevens
van rechtswege geschorst als lid van de orde.
2. Ingeval een octrooigemachtigde niet in staat is de belangen te
behartigen die hem in die hoedanigheid zijn toevertrouwd, dan wel
ingeval hij overleden is, wijst de voorzitter van de raad van de
toezicht, indien niet reeds in de vervanging is voorzien, een
octrooigemachtigde aan, die, zolang de voorzitter dit nodig oordeelt,
de maatregelen neemt die onder de gegeven omstandigheden geboden zijn.
Artikel 23n
1. Een octrooigemachtigde die zich schuldig maakt aan enig handelen
of nalaten dat in strijd is met de zorg die hij als octrooigemachtigde
behoort te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen hij als
zodanig behartigt of behoort te behartigen, dat in strijd is met het
huishoudelijk reglement of de verordeningen van de orde, of dat in
strijd is met hetgeen een octrooigemachtigde betaamt, kan,
onverminderd zijn aansprakelijkheid op grond van andere wettelijke
voorschriften, worden onderworpen aan een van de maatregelen, genoemd
in artikel 23u.
2. Als enig handelen of nalaten in strijd met hetgeen een
octrooigemachtigde betaamt, wordt in ieder geval aangemerkt het in
octrooiaangelegenheden samenwerken of in dienst nemen van een persoon:
a. van wie bekend is dat hem de inschrijving in het register,
bedoeld in artikel 23a, is geweigerd omdat gegronde vrees bestaat
dat hij zich schuldig zal maken aan enig handelen of nalaten als
bedoeld in het eerste lid,
b. die ontzet is uit het recht om als gemachtigde voor het
bureau op te treden, of
c. die, hoewel onbevoegd om als gemachtigde voor het bureau op
te treden, er zijn gewoonte van maakt zich in Nederland, Curaçao
of Sint Maarten voor te doen als een gemachtigde.
Artikel 23o
1. De raad van toezicht neemt een tegen een octrooigemachtigde
gerezen bedenking in behandeling op een met redenen omklede
schriftelijke klacht, bij hem ingediend.
2. Indien de voorzitter van het bestuur van de orde buiten het
geval van een klacht op de hoogte is van een bedenking tegen een
octrooigemachtigde of een advocaat, kan hij deze ter kennis van de
raad van toezicht brengen. In dat geval behandelt de raad de bedenking
als klacht en beschouwt hij de voorzitter van het bestuur van de orde
als klager.
3. Indien het de raad van toezicht bekend is dat een advocaat zich
bij de behandeling van octrooiaangelegenheden heeft schuldig gemaakt
aan gedragingen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet, stelt
hij de raad van toezicht, bedoeld in artikel 22 van die wet, van het
arrondissement waarin de desbetreffende advocaat zijn praktijk
uitoefent, hiervan op de hoogte.
4. De raad van toezicht neemt een klacht niet in behandeling indien
het voorval waarop de klacht betrekking heeft, ten minste vijf jaar
voor de indiening van de klacht heeft plaatsgevonden.
Artikel 23p
1. De secretaris van de raad van toezicht stelt de
octrooigemachtigde tegen wie een klacht is ingediend onverwijld
schriftelijk op de hoogte van de bedenking.
2. De voorzitter van de raad kan na een summier onderzoek, zo nodig
na de klager en de desbetreffende octrooigemachtigde te hebben
gehoord, de klacht terstond bij met redenen omklede beslissing
afwijzen indien hij van oordeel is dat deze kennelijk
niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is.
3. Indien de voorzitter van de raad van oordeel is dat een klacht
vatbaar is voor minnelijke schikking, roept hij de klager en de
desbetreffende octrooigemachtigde op teneinde een zodanige schikking
te beproeven. Indien een minnelijke schikking mogelijk blijkt, wordt
deze op schrift gesteld en door de klager, de octrooigemachtigde en de
voorzitter ondertekend.
4. De voorzitter van de raad brengt klachten, die niet in der minne
zijn opgelost of die niet zijn afgewezen, onverwijld ter kennis van de
raad van toezicht.
5. De secretaris van de raad zendt aan de klager en de
desbetreffende octrooigemachtigde onverwijld bij aangetekende brief
een afschrift van de beslissing van de voorzitter.
Artikel 23q
1. Tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van toezicht
tot afwijzing van een klacht kan de klager binnen veertien dagen na de
dag van verzending van het afschrift van de beslissing schriftelijk
verzet doen bij de raad van toezicht. Hij geeft daarbij gemotiveerd
aan met welke overwegingen van de voorzitter van de raad hij zich niet
kan verenigen en kan vragen over zijn verzet te worden gehoord.
2. Indien overeenkomstig het eerste lid verzet is gedaan tegen de
beslissing van de voorzitter van de raad, wijst deze een ander lid van
de raad aan om hem bij de behandeling van het verzet te vervangen.
3. Ten gevolge van het verzet vervalt de beslissing van de
voorzitter van de raad, tenzij de raad het verzet niet-ontvankelijk of
ongegrond verklaart.
4. Indien de raad van oordeel is dat de klacht kennelijk
niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is,
kan hij zonder nader onderzoek het verzet niet-ontvankelijk of
ongegrond verklaren, echter niet dan na de klager die daarom vroeg, in
de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.
5. De beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring of tot
ongegrondverklaring van het verzet is met redenen omkleed. Daartegen
staat geen rechtsmiddel open. De secretaris van de raad zendt aan de
klager en de desbetreffende octrooigemachtigde onverwijld bij
aangetekende brief een afschrift van de beslissing van de raad.
6. Indien de raad van oordeel is dat het verzet gegrond is, wordt
de zaak in verdere behandeling genomen.
Artikel 23r
1. Indien een bedenking een lid of plaatsvervangend lid van de raad
van toezicht betreft, schorst de raad dit lid of plaatsvervangend lid
in het recht zitting te hebben in de raad gedurende de tijd dat de
bedenking behandeld wordt.
2. De artikelen 512 tot en met 519 van het Wetboek van
Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
wraking en verschoning van een lid of plaatsvervangend lid van de
raad.
Artikel 23s
1. De raad van toezicht neemt geen beslissing dan na verhoor of
behoorlijke oproeping van de octrooigemachtigde en van de klager of de
voorzitter van het bestuur van de orde. De oproepingen geschieden bij
aangetekende brief ten hoogste acht weken nadat de klacht ter kennis
van de raad is gebracht op grond van artikel 23p, vierde lid, of nadat
de raad de klacht in verdere behandeling heeft genomen op grond van
artikel 23q, zesde lid, en ten minste twee weken voor het verhoor.
2. De octrooigemachtigde en de klager of de voorzitter van het
bestuur van de orde zijn bevoegd zich te doen bijstaan door een
raadsman. De secretaris van de raad stelt hen tijdig in de gelegenheid
om kennis te nemen van de stukken die betrekking hebben op de zaak.
Zij kunnen afschriften of uittreksels van die stukken vragen tegen
vergoeding van de kostprijs.
3. De raad kan weigeren personen, die geen advocaat of procureur
zijn, als raadsman toe te laten. In dat geval houdt de raad de zaak
tot een volgende zitting aan.
4. De behandeling door de raad van een bedenking tegen een
octrooigemachtigde geschiedt in een openbare zitting. De raad kan om
gewichtige redenen bevelen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk
met gesloten deuren zal plaatsvinden.
Artikel 23t
1. De raad van toezicht kan getuigen en deskundigen horen. Zij
worden daartoe bij aangetekende brief opgeroepen en zijn verplicht aan
de oproeping gevolg te geven.
2. Verschijnt een getuige of deskundige op de oproeping niet, dan
doet de officier van justitie op verzoek van de raad hem dagvaarden.
Verschijnt een getuige of deskundige op de dagvaarding niet, dan doet
de officier van justitie op verzoek van de raad hem andermaal
dagvaarden, desverzocht met bevel tot medebrenging. Artikel 556 van
het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
3. De voorzitter van de raad kan een getuige onder ede horen.
4. De getuige is verplicht op de gestelde vragen te antwoorden. De
deskundige is gehouden zijn taak onpartijdig en naar beste weten te
verrichten. Ten aanzien van de getuigen en deskundigen zijn de
artikelen 217 tot en met 219 van het Wetboek van Strafvordering van
overeenkomstige toepassing.
5. De getuigen en deskundigen ontvangen op verzoek op vertoon van
hun oproeping of dagvaarding schadeloosstelling overeenkomstig het bij
en krachtens artikel 57 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken
bepaalde.
Artikel 23u
1. De raad van toezicht kan aan de octrooigemachtigde een van de
volgende maatregelen opleggen, indien hij oordeelt dat een tegen de
octrooigemachtigde gerezen bedenking gegrond is:
a. waarschuwing;
b. berisping;
c. schorsing in de uitoefening van het recht om als gemachtigde
voor het bureau op te treden voor de tijd van ten hoogste vijf
jaar;
d. ontzetting uit het recht om als gemachtigde voor het bureau
op te treden.
2. Schorsing als bedoeld in het eerste lid, onder c, brengt voor de
duur van de schorsing mee schorsing als lid van de orde en verlies van
de betrekkingen, waarbij de hoedanigheid van octrooigemachtigde
vereist is voor de verkiesbaarheid of benoembaarheid.
Artikel 23v
1. De beslissingen van de raad van toezicht zijn met redenen
omkleed en worden in het openbaar uitgesproken. De raad beslist binnen
zes weken nadat het onderzoek ter openbare zitting is gesloten.
2. De waarschuwing of berisping, bedoeld in artikel 23u, eerste
lid, onder a en b, wordt door de voorzitter van de raad uitgesproken
in een vergadering van de raad, waarvoor de octrooigemachtigde bij
aangetekende brief wordt opgeroepen. Van de vergadering wordt
proces-verbaal opgemaakt. De secretaris van de raad zendt een
afschrift van het proces-verbaal bij aangetekende brief aan de
octrooigemachtigde.
3. Indien een maatregel is opgelegd als bedoeld in artikel 23u kan
de raad beslissen dat daarvan mededeling wordt gedaan in het blad,
bedoeld in artikel 20, zodra de beslissing onherroepelijk is geworden.
Een dergelijke mededeling wordt in ieder geval gedaan indien een
maatregel als bedoeld in artikel 23u, eerste lid, onder c of d, is
opgelegd.
4. De secretaris van de raad zendt bij aangetekende brief terstond
een afschrift van de beslissing van de raad aan de octrooigemachtigde
en, in voorkomend geval, aan de klager of de voorzitter van het
bestuur van de orde, alsmede, indien bij de beslissing een maatregel
is opgelegd, aan het bureau. In het afschrift van de beslissing worden
de ter beschikking staande rechtsmiddelen vermeld.
5. In geval van oplegging van de maatregelen, bedoeld in artikel
23u, eerste lid, onder c en d, deelt de raad aan de betrokken
octrooigemachtigde bij aangetekende brief nadat de beslissing
onherroepelijk is geworden, de datum mee waarop de maatregel van
kracht wordt.
Artikel 23w
1. Tegen een beslissing van de raad van toezicht als bedoeld in
artikel 23u kan een belanghebbende binnen dertig dagen na de dag van
verzending van de brief, bedoeld in artikel 23v, vierde lid, beroep
instellen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
2. Het beroep wordt ingesteld bij beroepschrift. De griffier van
het gerechtshof geeft door toezending van een afschrift van het
beroepschrift terstond kennis aan de raad van toezicht, aan het bureau
en, voor zover het beroep niet door hem is ingesteld, aan de klager en
aan de octrooigemachtigde.
3. Het gerechtshof behandelt de zaak opnieuw in volle omvang.
4. De artikelen 23s en 23t zijn van overeenkomstige toepassing op
het beroep.
5. Tenzij het gerechtshof beslist dat het beroep niet ontvankelijk
is of dat er geen aanleiding bestaat tot het opleggen van enige
maatregel, legt het een maatregel op als bedoeld in artikel 23u.
6. Artikel 23v is van overeenkomstige toepassing op de beslissing
van het gerechtshof, met dien verstande dat in plaats van «de raad
van toezicht» wordt gelezen: het gerechtshof, in plaats van
«voorzitter van de raad» wordt gelezen: vice-president van het
gerechtshof, en in plaats van «secretaris van de raad»: griffier van
het gerechtshof.
7. Tegen beslissingen van het gerechtshof is geen hogere
voorziening toegelaten.
Artikel 23x
1. Van een beslissing van de raad van toezicht als bedoeld in
artikel 23u en van een beslissing van het gerechtshof als bedoeld in
artikel 23w, vijfde lid, kan door degene tegen wie de beslissing is
genomen, herziening worden verzocht, indien een ernstig vermoeden
bestaat dat op grond van enige omstandigheid, waarvan bij het nemen
van de beslissing niet is gebleken, een andere beslissing zou zijn
genomen, indien die omstandigheid bekend zou zijn geweest.
2. Van een beslissing tot oplegging van de maatregel, bedoeld in
artikel 23u, eerste lid, onder d, kan door degene tegen wie de
beslissing is genomen, wijziging worden verzocht na vijf jaar nadat de
beslissing onherroepelijk is geworden.
3. Ten aanzien van de herziening, bedoeld in het eerste lid, en de
wijziging, bedoeld in het tweede lid, is het Gerechtshof te
's-Gravenhage bevoegd. Deze procedures leiden niet tot het opleggen
van een zwaardere maatregel. De artikelen 23s, 23t en 23w, tweede tot
en met zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de
herziening en de wijziging.
Artikel 23y
1. Een belanghebbende kan bij de examencommissie bezwaar maken
tegen een beslissing als bedoeld in artikel 23c, vijfde lid, tegen een
beslissing hem of haar niet toe te laten tot het examen of de proeve
van bekwaamheid en tegen de beoordeling van het examen of de proeve
van bekwaamheid.
2. Een belanghebbende kan bij de raad van toezicht bezwaar maken
tegen een benoeming van een octrooigemachtigde als begeleider van een
stagiaire als bedoeld in artikel 23h, derde lid.
3. De hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht zijn
van overeenkomstige toepassing op het bezwaar, bedoeld in het eerste
of tweede lid.
4. De curator kan de raad van toezicht verzoeken de schorsing,
bedoeld in artikel 23m, eerste lid, op te heffen. De artikelen 23s,
23t en 23v, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het
verzoek tot opheffing van de schorsing. Indien de raad van toezicht de
schorsing opheft, zendt de secretaris van de raad terstond een
afschrift van de beslissing van de raad aan de curator, de betrokkene
en het bureau.
5. Een belanghebbende kan tegen een beslissing op bezwaar als
bedoeld in het eerste of tweede lid of tegen een beslissing op het
verzoek als bedoeld in het vierde lid beroep instellen bij het
Gerechtshof te 's-Gravenhage.
6. De artikelen 23s, 23t en 23v, eerste lid, en 23w, met
uitzondering van het vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing
op het beroep.
Artikel 23z
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van
paragraaf 1a van hoofdstuk 2 van deze wet en vervolgens telkens na vier
jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en
doelmatigheid van het functioneren van de orde.
§ 2. Verlening
Artikel 24
1. Een aanvrage om octrooi moet bij het bureau worden ingediend en
moet:
a. de naam en het adres van de aanvrager vermelden;
b. de naam en de woonplaats vermelden van degene, die de
uitvinding heeft gedaan, tenzij deze blijkens een bij de aanvrage
gevoegde schriftelijke verklaring geen prijs stelt op vermelding
als uitvinder in het octrooi;
c. een verzoek om verlening van een octrooi bevatten;
d. een korte aanduiding bevatten van datgene, waarop de
uitvinding betrekking heeft;
e. vergezeld zijn van een beschrijving van de uitvinding, die
aan het slot in één of meer conclusies een omschrijving geeft
van datgene, waarvoor uitsluitend recht wordt verlangd;
f. vergezeld zijn van een uittreksel van de beschrijving.
2. Het uittreksel is alleen bedoeld als technische informatie; het
kan in het bijzonder niet dienen voor de uitlegging van de omvang van
de gevraagde bescherming en voor de toepassing van de artikelen 4,
derde lid, en 75, tweede lid.
3. De aanvrage en de overige bescheiden zijn hetzij in het
Nederlands hetzij in het Engels gesteld, met uitzondering van de
conclusies die in het Nederlands zijn gesteld.
4. De aanvrage, de beschrijving van de uitvinding, de tekeningen en
het uittreksel moeten voorts voldoen aan de overige, bij ministeriële
regeling te stellen, voorschriften.
5. Bij de aanvrage dient een bewijsstuk te worden overgelegd
waaruit blijkt dat aan het bureau een bedrag is betaald overeenkomstig
een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vastgesteld
tarief.
Artikel 25
1. De beschrijving van de uitvinding is duidelijk en volledig en
wordt zodanig opgesteld dat de uitvinding daaruit door een deskundige
kan worden begrepen en aan de hand daarvan kan worden toegepast. De
omschrijving, gegeven in een of meer conclusies aan het slot van de
beschrijving, is nauwkeurig. De beschrijving gaat zo nodig van daarmee
overeenstemmende tekeningen vergezeld.
2. Indien een uitvinding betrekking heeft op biologisch materiaal
dat niet openbaar toegankelijk is en in de beschrijving niet zodanig
kan worden omschreven dat de uitvinding aan de hand daarvan door een
deskundige kan worden toegepast, dan wel indien een uitvinding het
gebruik van dergelijk biologisch materiaal impliceert, is de
beschrijving slechts toereikend indien het biologisch materiaal
uiterlijk op de dag van indiening van de aanvrage is gedeponeerd bij
een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur aan te wijzen
instelling.
3. Indien een uitvinding betrekking heeft op een sequentie of een
partiële sequentie van een gen, bevat de beschrijving een concrete
omschrijving van de functie en de industriële toepassing van deze
sequentie of partiële sequentie. Ingeval voor de productie van een
eiwit of partieel eiwit een sequentie of partiële sequentie van een
gen is gebruikt, bevat de beschrijving van de industriële
toepasbaarheid een precisering van het eiwit of partieel eiwit dat is
geproduceerd en de functie daarvan.
4. Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels
gesteld ten aanzien van:
a. de gegevens die in de aanvrage worden opgenomen met
betrekking tot de kenmerken en identificatie van het gedeponeerde
biologisch materiaal, en
b. de toegankelijkheid en beschikbaarheid van het gedeponeerde
biologisch materiaal.
Artikel 26 [Vervallen per 20-11-1998]
Artikel 27
Elke aanvrage om octrooi mag slechts op een enkele uitvinding
betrekking hebben of op een groep van uitvindingen, die zodanig
onderling verbonden zijn, dat zij op een enkele algemene
uitvindingsgedachte berusten. Bij algemene maatregel van rijksbestuur
kunnen daarover nadere regels worden gesteld.
Artikel 28
1. De aanvrager kan zijn reeds ingediende aanvrage splitsen door
voor een gedeelte van de inhoud daarvan een afzonderlijke aanvrage in
te dienen. Deze aanvrage wordt, behalve voor de toepassing van de
artikelen 30, eerste lid, 31, derde lid, en 32, tweede lid, aangemerkt
te zijn ingediend op de dag van de oorspronkelijke aanvrage.
2. De aanvrager kan de beschrijving, conclusies en tekeningen van
zijn reeds ingediende aanvrage wijzigen.
3. Het onderwerp van de afgesplitste of de gewijzigde aanvrage moet
gedekt worden door de inhoud van de oorspronkelijke aanvrage.
4. De splitsing of wijziging kan geschieden tot het tijdstip waarop
de octrooiaanvrage ingevolge artikel 31, eerste of tweede lid, in het
octrooiregister moet worden ingeschreven, met dien verstande dat voor
de splitsing of wijziging een termijn van tenminste twee maanden na de
verzending van de in artikel 34, vierde lid, bedoelde mededeling
openstaat. Op verzoek van de aanvrager kan het bureau laatstgenoemde
termijn verlengen tot vier maanden na de verzending van de in artikel
34, vierde lid, bedoelde mededeling.
Artikel 29
1. Als datum van indiening van de aanvrage geldt die, waarop zijn
overgelegd:
a. een expliciete of impliciete aanduiding dat de gegevens en
bescheiden als een aanvraag zijn bedoeld,
b. gegevens waarmee de identiteit van de aanvrager kan worden
vastgesteld of die het bureau in staat stellen in contact te
treden met de aanvrager en
c. gegevens die op het eerste gezicht een beschrijving van de
uitvinding lijken te zijn, ongeacht de taal waarin de beschrijving
is opgesteld.
2. Het bureau vermeldt de in het eerste lid bedoelde datum alsmede
een nummer op de aanvrage en maakt deze zo spoedig mogelijk aan de
aanvrager bekend.
3. Indien het bureau van oordeel is, dat de overgelegde gegevens en
bescheiden niet voldoen aan het in het eerste lid bepaalde, stelt het
bureau de aanvrager hiervan zo spoedig mogelijk in kennis en biedt het
de aanvrager de gelegenheid binnen een bij algemene maatregel van
rijksbestuur te stellen termijn de aanvraag aan te vullen.
4. Wanneer een ontbrekend deel van de beschrijving wordt ingediend
bij het bureau binnen de krachtens het derde lid gestelde termijn,
wordt dat deel van de beschrijving gevoegd bij de aanvraag en is de
datum van indiening de datum waarop het bureau dat deel van de
beschrijving heeft ontvangen of de datum waarop aan de in het eerste
lid genoemde eisen is voldaan, indien deze datum later is dan de datum
waarop het bureau het ontbrekende deel van de aanvraag heeft
ontvangen.
5. Indien na het verstrijken van de in het derde lid bedoelde
termijn de overgelegde bescheiden niet voldoen aan het in het eerste
lid bepaalde, weigert het bureau tot vermelding van de in het eerste
lid bedoelde datum over te gaan. Het maakt zijn beschikking zo spoedig
mogelijk aan de aanvrager bekend.
6. Met een verwijzing naar een eerder ingediende aanvraag wordt
voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c. Bij of
krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels
gesteld over het verwijzen naar een eerder ingediende aanvraag.
Artikel 30
1. Indien niet is voldaan aan het bij en krachtens artikel 24
bepaalde, geeft het bureau daarvan binnen een maand na de in artikel
29, eerste lid, bedoelde datum van indiening of, in geval van
afsplitsing van de aanvrage, binnen een maand na de datum van
indiening van de afgesplitste aanvrage, schriftelijk kennis aan de
aanvrager, onder opgave van de voorschriften waaraan niet is voldaan.
2. Indien de gebreken niet binnen drie maanden na verzending van de
in het eerste lid bedoelde kennisgeving zijn hersteld of indien de
aanvrager voordien heeft medegedeeld niet tot herstel te willen
overgaan, besluit het bureau de aanvrage niet te behandelen. Het
bureau maakt zijn beschikking zo spoedig mogelijk aan de aanvrager
bekend.
Artikel 31
1. Het bureau schrijft een octrooiaanvrage in het octrooiregister
in zo spoedig mogelijk na verloop van achttien maanden:
a. na de in artikel 29, eerste lid, bedoelde datum van
indiening of,
b. indien het een aanvrage betreft waarvoor een beroep is
gedaan op een of meer rechten van voorrang, na de eerste datum van
voorrang.
2. Op schriftelijk verzoek van de aanvrager vindt de inschrijving
op een eerder tijdstip plaats.
3. De inschrijving van een afgesplitste aanvrage als bedoeld in
artikel 28 geschiedt zo spoedig mogelijk na de indiening daarvan, doch
niet eerder dan de inschrijving van de oorspronkelijke aanvrage.
Artikel 32
1. De aanvrager verzoekt het bureau binnen uiterlijk dertien
maanden na:
a. de in artikel 29, eerste lid, bedoelde datum van indiening
of,
b. indien het een aanvrage betreft waarvoor een beroep is
gedaan op een of meer rechten van voorrang, de eerste datum van
voorrang, om een aan de verlening van het octrooi voorafgaand
onderzoek naar de stand van de techniek met betrekking tot het
onderwerp van de octrooiaanvrage.
Met het verzoek wordt aan het bureau een bedrag overeenkomstig een
bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vastgesteld
tarief betaald. Het verzoek wordt niet in behandeling genomen tot dit
bedrag door het bureau is ontvangen.
2. Indien het een afgesplitste aanvrage betreft als bedoeld in
artikel 28, wordt het in het eerste lid bedoeld verzoek gedaan binnen
dertien maanden na de in het eerste lid bedoelde datum van indiening
of voorrang van de oorspronkelijke aanvrage of, indien dat later is,
binnen twee maanden na de indiening van de afgesplitste aanvrage.
3. Indien de aanvrager niet tijdig om het in het eerste lid
genoemde onderzoek heeft verzocht of het in het eerste lid bedoelde
bedrag niet door het bureau is ontvangen, besluit het bureau de
aanvrage niet te behandelen. Het bureau maakt zijn beschikking zo
spoedig mogelijk aan de aanvrager bekend.
Artikel 33 [Vervallen per 05-06-2008]
Artikel 34
1. Een onderzoek naar de stand van de techniek als bedoeld in
artikel 32, eerste lid, wordt verricht door het bureau, waar nodig met
inschakeling van het Europees Octrooibureau, bedoeld in het Europees
Octrooiverdrag.
2. Indien de aanvrager daarom verzoekt, doet het bureau de aanvrage
onderwerpen aan een onderzoek naar de stand van de techniek van
internationaal type als bedoeld in artikel 15, vijfde lid, onder a,
van het Samenwerkingsverdrag. Zulk een onderzoek naar de stand van de
techniek wordt aangemerkt als een onderzoek naar de stand van de
techniek als bedoeld in artikel 32, eerste lid.
3. Indien bij het onderzoek blijkt, dat de ingediende aanvrage niet
voldoet aan het bij of krachtens artikel 27 bepaalde, wordt het
uitgevoerd ten aanzien van die onderdelen van de aanvrage die
betrekking hebben op de uitvinding of op de groep van uitvindingen als
bedoeld in artikel 27, die als eerste in de conclusies wordt genoemd.
4. Het bureau deelt de aanvrager schriftelijk het resultaat van het
onderzoek naar de stand van de techniek mede.
5. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid, maakt het bureau
daarvan in de mededeling, bedoeld in het vierde lid, melding onder
vermelding van de uitvinding of groep van uitvindingen ten aanzien
waarvan het onderzoek is uitgevoerd.
Artikel 35
1. Indien het bureau van oordeel is dat het onderzoek naar de stand
van de techniek wegens onduidelijkheid van de aanvrage niet
uitvoerbaar is, geeft het bureau daarvan zo spoedig mogelijk
schriftelijk en met redenen omkleed kennis aan de aanvrager.
2. Indien de gebreken niet binnen twee maanden na verzending van de
in het eerste lid bedoelde kennisgeving zijn hersteld of indien de
aanvrager voordien heeft meegedeeld niet tot herstel te willen
overgaan, besluit het bureau de aanvrage niet te behandelen. Het
bureau maakt zijn beschikking zo spoedig mogelijk aan de aanvrager
bekend.
Artikel 36
1. Het bureau verleent het octrooi zodra de octrooiaanvrage in het
octrooiregister is ingeschreven, doch niet eerder dan twee maanden of,
indien artikel 28, vierde lid, tweede volzin, is toegepast, vier
maanden na verzending van de in artikel 34, vierde lid, bedoelde
mededeling. Het doet hiervan aantekening in het octrooiregister. Op
verzoek van de aanvrager verleent het bureau het octrooi op een eerder
tijdstip nadat het resultaat van het onderzoek naar de stand van de
techniek als bedoeld in artikel 34, vierde lid, is verzonden.
2. De octrooiverlening geschiedt door het plaatsen van een
gedateerde aantekening op de aanvrage in de vorm waarin deze ingediend
dan wel overeenkomstig de artikelen 28 of 30, tweede lid, is
gewijzigd.
3. Het bureau geeft de bij de aanvrage behorende beschrijving en
tekeningen bij wege van octrooischrift uit en verstrekt hiervan een
gewaarmerkt afschrift aan de aanvrager.
4. Indien toepassing is gegeven aan artikel 34, derde lid, heeft
het octrooi uitsluitend betrekking op die uitvinding of groep van
uitvindingen als bedoeld in artikel 27, die als eerste in de
conclusies wordt genoemd.
5. Het resultaat van het onderzoek naar de stand van de techniek
wordt bij het octrooischrift gevoegd.
6. Een ingevolge dit artikel verleend octrooi blijft, behoudens
eerder verval, afstand of vernietiging door de rechter, van kracht tot
het verstrijken van een termijn van twintig jaren, te rekenen vanaf de
in artikel 29, eerste lid , bedoelde datum van indiening.
Artikel 37 [Vervallen per 05-06-2008]
Artikel 38
1. Een ieder kan het bureau schriftelijk mededeling doen van
gegevens betreffende een octrooiaanvrage of het daarop verleende
octrooi. Het bureau deelt deze gegevens mede aan de aanvrager of de
octrooihouder, voor zover zij niet van deze afkomstig zijn.
2. Indien de in artikel 24, eerste lid, onder b, bedoelde
vermelding van de uitvinder onjuist is, of door een ander dan de
uitvinder is verklaard dat op vermelding als uitvinder in het octrooi
geen prijs wordt gesteld, kunnen de aanvrager en de uitvinder
gezamenlijk, onder betaling van een bij of krachtens algemene
maatregel van rijksbestuur vast te stellen bedrag, het bureau
schriftelijk verzoeken terzake de nodige verbeteringen aan te brengen.
In voorkomend geval dient het verzoek vergezeld te zijn van de
schriftelijke toestemming van de ten onrechte als uitvinder
aangemerkte persoon.
Artikel 39
1. De intrekking van een in het octrooiregister ingeschreven
octrooiaanvrage heeft tegenover derden geen gevolg, zolang niet
onherroepelijk is beslist op rechtsvorderingen ter zake van de
aanvrage, die blijkens in het octrooiregister ingeschreven stukken
zijn ingesteld.
2. Wanneer ingevolge een onherroepelijke beslissing op een
rechtsvordering als bedoeld in het eerste lid de aanspraak op octrooi
toekomt of mede toekomt aan een ander dan de aanvrager, wordt de
intrekking aangemerkt als niet te zijn geschied.
3. Het bureau doet van een intrekking aantekening in het
octrooiregister.
§ 3. Geheimhouding van de inhoud van octrooiaanvragen
Artikel 40
1. Indien het bureau van oordeel is, dat het geheim blijven van de
inhoud van een octrooiaanvrage in het belang van de verdediging van
het Koninkrijk of zijn bondgenoten kan zijn, maakt het dit zo spoedig
mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na de indiening van de
aanvrage bekend. Onze Minister van Defensie kan ten aanzien van de
beoordeling van de vraag, of zodanig belang aanwezig kan zijn,
aanwijzingen geven aan het bureau.
2. Tegelijk met de bekendmaking als bedoeld in het eerste lid zendt
het bureau afschrift van het besluit en van de tot de aanvrage
behorende beschrijving en tekeningen aan Onze genoemde minister.
3. Ingeval het eerste lid toepassing vindt, wordt de inschrijving
in het octrooiregister van de aanvrage opgeschort.
Artikel 41
1. Binnen acht maanden na indiening van een octrooiaanvrage als
bedoeld in artikel 40 besluit Onze Minister van Defensie of de inhoud
van de aanvrage in het belang van de verdediging van het Koninkrijk of
zijn bondgenoten geheim moet blijven. Hij maakt zijn besluit aan het
bureau bekend.
2. Een besluit dat de inhoud van de aanvrage geheim moet blijven
heeft tot gevolg dat de inschrijving in het octrooiregister van de
aanvrage blijft opgeschort tot drie jaren na de bekendmaking van het
besluit.
3. De opschorting eindigt indien:
a. Onze genoemde minister besluit, dat de aanvrage niet geheim
behoeft te blijven;
b. een besluit binnen de in het eerste lid genoemde termijn is
uitgebleven.
4. Onze genoemde minister kan telkens binnen zes maanden voor het
verstrijken van de termijn van opschorting deze termijn met drie jaren
verlengen. Hij maakt zijn besluit aan het bureau bekend.
5. Onze genoemde minister kan te allen tijde besluiten dat de
inhoud van de aanvrage niet langer geheim behoeft te blijven. Het
besluit heeft tot gevolg dat de opschorting eindigt.
6. Van een besluit krachtens het eerste, derde, vierde of vijfde
lid, doet het bureau onverwijld mededeling aan de aanvrager. Het deelt
deze eveneens onverwijld mede indien een besluit is uitgebleven zoals
bedoeld in het derde of vijfde lid.
7. Zolang de opschorting niet is geëindigd, zendt het bureau op
verzoek van Onze genoemde minister aan deze afschrift van alle ter
zake tussen het bureau en de aanvrager gewisselde stukken.
8. Indien de opschorting eindigt, geschiedt niettemin de
inschrijving van de aanvrage in het octrooiregister, tenzij op verzoek
van de aanvrager, niet voordat drie maanden zijn verstreken.
Artikel 42
1. De Staat verleent degene, ten aanzien van wiens octrooiaanvrage
de artikelen 40, 41 of 46 zijn toegepast, op zijn verzoek vergoeding
van schade, die hij door toepassing van die artikelen heeft geleden.
2. Het bedrag van de schadeloosstelling wordt vastgesteld na het
eindigen van de opschorting. Ingeval echter verlenging van de termijn
van opschorting krachtens artikel 41, derde lid, heeft plaatsgevonden,
wordt het bedrag van de schadeloosstelling op verzoek van de aanvrager
vastgesteld in gedeelten, waarvan het eerste betrekking heeft op de
tijdsruimte vóór de aanvang van de eerste verlenging, de volgende op
de tijdsruimte tussen twee opeenvolgende verlengingen en het laatste
op de tijdsruimte vanaf de aanvang van de laatste verlenging tot het
eindigen van de opschorting; de vaststelling geschiedt dan telkens na
het verstrijken van de betrokken tijdsruimte.
3. De vaststelling geschiedt zo mogelijk door Onze Minister van
Defensie en de aanvrager in onderling overleg. Indien binnen zes
maanden na het einde van de tijdsruimte, waarvoor de vergoeding moet
gelden, geen overeenstemming is bereikt, is artikel 58, zesde lid,
eerste volzin, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 43
1. Indien een aanvrager verzoekt de inhoud van een octrooiaanvrage
geheim te houden in het belang van de verdediging van een andere
staat, dan wel de regering van die staat zodanig verzoek doet, zendt
het bureau, mits de aanvrager schriftelijk heeft verklaard afstand te
doen van alle vergoeding van schade, die hij door toepassing van dit
artikel zou kunnen lijden, onverwijld afschrift van dat verzoek en van
de tot de aanvrage behorende beschrijving en tekeningen, alsmede van
bedoelde afstandsverklaring, aan Onze Minister van Defensie. In dat
geval wordt de inschrijving in het octrooiregister van de aanvrage
opgeschort. Ingeval een afstandsverklaring ontbreekt, stelt het bureau
Onze genoemde minister onverwijld van een en ander in kennis.
2. Binnen drie maanden na de indiening van het verzoek kan Onze
genoemde minister, mits hem is gebleken, dat aan de aanvrager ook door
de betrokken staat geheimhouding is opgelegd en dat deze van die staat
toestemming heeft verkregen een aanvrage onder geheimhouding in te
dienen, besluiten, dat de inhoud der aanvrage in het belang van de
verdediging van die staat geheim moet blijven. Het besluit wordt
bekendgemaakt aan de aanvrager en aan het bureau.
3. Een besluit als bedoeld in het tweede lid heeft tot gevolg dat
de inschrijving in het octrooiregister van de aanvrage blijft
opgeschort, totdat Onze genoemde minister besluit dat de aanvrage niet
langer geheim hoeft te blijven. Indien een besluit niet binnen de in
het tweede lid bedoelde termijn is genomen, eindigt de opschorting.
4. Artikel 41, zevende en achtste lid, is ten aanzien van een
aanvrage als in het eerste lid bedoeld van overeenkomstige toepassing.
Artikel 44
1. Ingeval Onze Minister van Defensie van oordeel is, dat het
belang van de verdediging van het Koninkrijk vordert, dat de Staat
datgene, waarvoor octrooi wordt aangevraagd in een aanvrage, waarop
artikel 40, 41 of 43 is toegepast, gebruikt, toepast dan wel doet
gebruiken of toepassen, kan hij daartoe overgaan na het desbetreffende
besluit bekend te hebben gemaakt. In dit besluit worden de
handelingen, die de Staat moet kunnen verrichten of doen verrichten,
nauwkeurig omschreven.
2. De Staat betaalt de aanvrager een vergoeding voor het gebruik of
de toepassing krachtens het eerste lid.
3. Het bedrag van deze vergoeding wordt zo mogelijk door Onze
genoemde minister en de aanvrager in onderling overleg vastgesteld.
Indien binnen zes maanden na de in het eerste lid bedoelde
bekendmaking geen overeenstemming is bereikt, is artikel 58, zesde
lid, eerste volzin, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 45
Indien de Staat zelf houder van een octrooiaanvrage is en Onze
Minister van Defensie aan het bureau bekendmaakt, dat de inhoud daarvan
in het belang van de verdediging van het Koninkrijk of zijn bondgenoten
geheim moet blijven, wordt de inschrijving in het octrooiregister van de
aanvrage opgeschort, totdat Onze genoemde minister aan het bureau
bekendmaakt, dat de inhoud van de aanvrage niet langer geheim behoeft te
blijven.
Artikel 46
1. Een Europese octrooiaanvrage, waarvan de inhoud - naar de
aanvrager weet of redelijkerwijs moet vermoeden - in het belang van de
verdediging van het Koninkrijk of zijn bondgenoten geheim moet
blijven, moet worden ingediend bij het bureau.
2. Het bureau zendt onverwijld afschrift van de tot de aanvrage
behorende beschrijving en tekeningen aan Onze Minister van Defensie.
3. Uiterlijk drie weken voordat een Europese octrooiaanvraag moet
worden doorgezonden naar het Europees Octrooibureau, maakt Onze
genoemde minister aan het bureau bekend of de inhoud van de aanvrage
in het belang van de verdediging van het Koninkrijk of zijn
bondgenoten geheim moet blijven.
4. Indien een bekendmaking krachtens het derde lid in ontkennende
zin is gedaan of indien een bekendmaking is uitgebleven, zendt het
bureau de Europese octrooiaanvrage, met inachtneming van de hiervoor
krachtens het Europees Octrooiverdrag geldende termijn, door aan het
Europees Octrooibureau, bedoeld in dat verdrag.
5. Het bureau geeft van enige bekendmaking krachtens het derde lid
of van het uitblijven daarvan onverwijld kennis aan de aanvrager.
§ 4. Omgezette Europese octrooiaanvragen
Artikel 47
Een Europese octrooiaanvrage, die voldoet aan het bepaalde in artikel
80 van het Europees Octrooiverdrag en op grond van artikel 77, derde
lid, van dat Verdrag wordt aangemerkt als te zijn ingetrokken en die,
als bijlage bij een regelmatig verzoek tot omzetting in een aanvrage om
octrooi in het Koninkrijk, bij het bureau is binnengekomen, hierna te
noemen omgezette aanvrage, geldt als een tot het bureau gerichte en bij
het bureau ingediende aanvrage om octrooi als bedoeld in artikel 24. Een
verzoek tot omzetting is regelmatig als het met inachtneming van de
bepalingen van het Achtste Deel, hoofdstuk I, van het Europees
Octrooiverdrag tijdig gedaan en aan het bureau doorgezonden is.
Artikel 48
1. Op de omgezette aanvrage wordt de datum, waarop zij bij het
bureau is binnengekomen, alsmede een volgnummer vermeld. Het bureau
geeft hiervan zo spoedig mogelijk kennis aan de aanvrager.
2. Voor de omgezette aanvrage moet het in artikel 24, vijfde lid,
bedoelde bewijs van betaling worden overgelegd binnen een termijn van
drie maanden na de in het eerste lid bedoelde datum van binnenkomst.
Indien de Europese octrooiaanvrage niet in het Nederlands is ingediend
moet binnen dezelfde termijn een vertaling in het Nederlands van de
oorspronkelijke stukken van die aanvrage worden overgelegd. De
vertaling maakt deel uit van de omgezette aanvrage; zij moet op
verzoek van het bureau binnen een door dat bureau te stellen termijn
worden gewaarmerkt. Indien niet tijdig is voldaan aan het in dit lid
bepaalde, stelt het bureau de aanvrager eenmaal in de gelegenheid om
binnen een door het bureau te stellen termijn zijn verzuim te
herstellen. Indien de aanvrager zijn verzuim niet tijdig heeft
hersteld, besluit het bureau de aanvrage niet te behandelen. Het
bureau maakt zijn beschikking zo spoedig mogelijk aan de aanvrager
bekend.
3. Op de omgezette aanvrage zijn de bij of krachtens artikel 24
gestelde vormvoorschriften niet van toepassing, voor zover zij
afwijken van of een aanvulling betekenen op het bij of krachtens het
Europees Octrooiverdrag bepaalde; in dat geval zijn laatstbedoelde
bepalingen op de omgezette aanvrage van toepassing.
4. Zodra de aanvrager heeft voldaan aan het tweede lid gaat het
bureau na of de aanvrage voldoet aan het bij en krachtens artikel 24
bepaalde of, indien van toepassing, de in het derde lid bedoelde
bepalingen van het Europees Octrooiverdrag. Indien dat niet het geval
is of indien het openbaar worden van de uitvinding in strijd zou zijn
met de openbare orde of goede zeden, geeft het bureau hiervan zo
spoedig mogelijk schriftelijk kennis aan de aanvrager, onder opgave
van de voorschriften waaraan niet is voldaan. Artikel 30, tweede lid,
is van overeenkomstige toepassing.
5. Voor de toepassing van de artikelen 31, eerste lid, 36, zesde
lid, en 61, eerste lid, op de omgezette aanvrage wordt in plaats van
"de in artikel 29, eerste lid, bedoelde datum van indiening"
gelezen: de datum van indiening die de aanvrage ingevolge artikel 80
van het Europees Octrooiverdrag met inachtneming van de artikelen 61
of 76 van dat Verdrag bezit. In afwijking van artikel 32, eerste en
tweede lid, kan een verzoek om een aan de verlening van het octrooi
voorafgaand onderzoek naar de stand van de techniek met betrekking tot
het onderwerp van de omgezette octrooiaanvrage of een daarvan
afgesplitste aanvrage worden ingediend binnen twee maanden na de
ingevolge artikel 48, eerste lid, op de omgezette aanvrage vermelde
datum onderscheidenlijk binnen twee maanden na indiening van de
afgesplitste aanvrage.
6. De in artikel 31 bedoelde inschrijving in het octrooiregister
vindt niet eerder plaats dan nadat is vastgesteld dat aan de in het
vierde lid bedoelde voorschriften is voldaan of de gebreken zijn
hersteld.
Hoofdstuk 3. Bepalingen betreffende Europese octrooien
Artikel 49
1. Met inachtneming van het in deze rijkswet bepaalde hebben
Europese octrooien vanaf de dag, waarop overeenkomstig artikel 97,
derde lid, van het Europees Octrooiverdrag de vermelding van de
verlening is gepubliceerd, dezelfde rechtsgevolgen en zijn zij aan
hetzelfde recht onderworpen als de overeenkomstig artikel 36 van deze
rijkswet verleende octrooien.
2. Een Europees octrooi blijft, behoudens eerder verval of
vernietiging door de rechter, van kracht tot het verstrijken van een
termijn van twintig jaren, te rekenen vanaf de datum van indiening,
die de Europese octrooiaanvrage, die tot het betrokken Europees
octrooi heeft geleid, ingevolge artikel 80 van het Europees
Octrooiverdrag met inachtneming van de artikelen 61 of 76 van dat
verdrag bezit.
3. Voor de toepassing van de artikelen 55, eerste lid, 57, vierde
lid, en 77, eerste lid, op Europese octrooien geldt als dag van
indiening: de datum van indiening die de Europese octrooiaanvrage, die
tot het betrokken Europees octrooi heeft geleid, ingevolge artikel 80
van het Europees Octrooiverdrag met inachtneming van de artikelen 61
of 76 van dat verdrag bezit.
Artikel 50
1. Een Europees octrooi wordt geacht van de aanvang af geheel of
gedeeltelijk niet de in de artikelen 53, 53a, 72 en 73 bedoelde
rechtsgevolgen te hebben gehad naar gelang het octrooi geheel of
gedeeltelijk is herroepen of beperkt.
2. De terugwerkende kracht van de herroeping heeft geen invloed op:
a. een beslissing, niet zijnde een voorlopige voorziening, ter
zake van handelingen in strijd met het in de artikelen 53 en 53a
bedoelde uitsluitend recht van de octrooihouder of van handelingen
als bedoeld in de artikelen 72 en 73, die voor de herroeping in
kracht van gewijsde is gegaan en ten uitvoer is gelegd;
b. een voor de herroeping gesloten overeenkomst, voor zover
deze voor de herroeping is uitgevoerd; uit
billijkheidsoverwegingen kan echter terugbetaling worden geëist
van op grond van deze overeenkomst betaalde bedragen, en wel in de
mate als door de omstandigheden gerechtvaardigd is.
3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt onder het
sluiten van een overeenkomst mede verstaan het ontstaan van een
licentie op een andere in de artikelen 56, tweede lid, 59 of 60
aangegeven wijze.
Artikel 51
1. Het bureau doet van de overeenkomstig artikel 97, derde lid, van
het Europees Octrooiverdrag bedoelde publikatie van de vermelding dat
een Europees octrooi is verleend onverwijld aantekening in het
octrooiregister.
2. Het bureau doet in het octrooiregister onverwijld aantekening
van het instellen van een oppositieprocedure, een beperkingsprocedure
of een herroepingsprocedure met betrekking tot een Europees octrooi,
met vermelding van de datum waarop dit geschiedde en van beslissingen
van het Europees Octrooibureau ter zake van deze procedures.
Artikel 52
1. Degene aan wie een Europees octrooi is verleend, doet het
bureau, indien het octrooi is verleend in een andere taal dan het
Engels, binnen een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen
termijn een vertaling in het Nederlands of in het Engels toekomen van
de tekst waarin het Europees Octrooibureau besluit dat octrooi te
verlenen. Daarnaast doet degene aan wie een Europees octrooi is
verleend het bureau binnen een bij algemene maatregel van rijksbestuur
te bepalen termijn een vertaling in het Nederlands toekomen van de
conclusies van het verleende octrooi. Bij indiening van de vertaling
wordt een bedrag betaald, waarvan de hoogte en de termijn waarbinnen
betaling geschiedt, bij algemene maatregel van rijksbestuur worden
bepaald.
2. De in het eerste lid bedoelde vertalingen voldoen aan bij
ministeriële regeling te stellen vormvoorschriften. Indien bij
ontvangst binnen de in het eerste lid bedoelde termijn niet is voldaan
aan een vormvoorschrift, geeft het bureau hiervan onverwijld kennis
aan de octrooihouder onder opgave van het voorschrift waaraan niet is
voldaan en van de termijn waarbinnen het geconstateerde gebrek kan
worden opgeheven.
3. Onverwijld na ontvangst in behoorlijke vorm van de in het eerste
lid bedoelde vertalingen doet het bureau daarvan aantekening in het
octrooiregister.
4. Het Europees octrooi wordt geacht van de aanvang af niet de in
artikel 49 bedoelde rechtsgevolgen te hebben gehad, indien:
a. binnen de in het eerste lid bedoelde termijnen de in het
eerste lid bedoelde vertalingen niet door het bureau zijn
ontvangen onderscheidenlijk het krachtens dat lid verschuldigde
bedrag niet is betaald, of
b. binnen de in het tweede lid bedoelde termijn niet alsnog aan
de opgegeven voorschriften is voldaan.
5. Indien zich een omstandigheid als bedoeld in het vierde lid
voordoet, doet het bureau daarvan onverwijld aantekening in het
octrooiregister.
6. Het eerste tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige
toepassing, indien in het Europees octrooi tijdens de
oppositieprocedure of beperkingsprocedure wijziging is gekomen.
7. De octrooihouder kan te allen tijde het bureau een verbeterde
vertaling doen toekomen onder betaling van een bedrag, waarvan de
hoogte bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur wordt
bepaald. Het eerste lid, tweede volzin, het tweede en het derde lid
zijn van toepassing.
8. Vanaf het tijdstip, waarop de in artikel 51, eerste lid,
bedoelde aantekening in het octrooiregister is gedaan, kan een ieder
kosteloos kennisnemen van alle op het Europees octrooi betrekking
hebbende stukken die het bureau hebben bereikt of die het bureau aan
de houder van het Europees octrooi of aan derden heeft doen uitgaan in
het kader van de bepalingen van deze rijkswet. Het bureau maakt van al
deze stukken zo spoedig mogelijk doch niet voor het in de eerste
volzin bedoelde tijdstip melding in het in artikel 20 bedoelde blad.
9. Indien in de vertaling, bedoeld in het eerste of zevende lid, de
beschermingomvang van de Europese octrooiaanvrage of het Europees
octrooi beperkter is dan de bescherming die wordt geboden door die
aanvrage of door dat octrooi in de procestaal, geldt die vertaling als
authentieke tekst, behalve in geval van toepassing van artikel 75.
10. Indien een houder van een Europees octrooi een vermeende
inbreukpleger schriftelijk op de hoogte stelt van de inbreuk op zijn
octrooi, maakt de houder van dat octrooi op verzoek van een vermeende
inbreukpleger een vertaling in het Nederlands van de tekst van het
octrooi en verstrekt deze tekst aan de verzoeker.
11. De kosten van de vertalingen worden gedragen door de houder van
een octrooi.
Hoofdstuk 4. Rechtsgevolgen van het octrooi
§ 1. Rechten en verplichtingen van de octrooihouder
Artikel 53
1. Een octrooi geeft de octrooihouder, behoudens de bepalingen van
de artikelen 53a tot en met 60, het uitsluitend recht:
a. het geoctrooieerde voortbrengsel in of voor zijn bedrijf te
vervaardigen, te gebruiken, in het verkeer te brengen of verder te
verkopen, te verhuren, af te leveren of anderszins te verhandelen,
dan wel voor een of ander aan te bieden, in te voeren of in
voorraad te hebben;
b. de geoctrooieerde werkwijze in of voor zijn bedrijf toe te
passen of het voortbrengsel, dat rechtstreeks verkregen is door
toepassing van die werkwijze, in of voor zijn bedrijf te
gebruiken, in het verkeer te brengen of verder te verkopen, te
verhuren, af te leveren of anderszins te verhandelen, dan wel voor
een of ander aan te bieden, in te voeren of in voorraad te hebben.
2. Het uitsluitend recht wordt bepaald door de conclusies van het
octrooischrift, waarbij de beschrijving en de tekeningen dienen tot
uitleg van die conclusies.
3. Het uitsluitend recht strekt zich niet uit over handelingen,
uitsluitend dienende tot onderzoek van het geoctrooieerde, daaronder
begrepen het door toepassing van de geoctrooieerde werkwijze
rechtstreeks verkregen voortbrengsel.
4. Het uitvoeren van de noodzakelijke studies, tests en proeven met
het oog op de toepassing van artikel 10, eerste tot en met vierde lid,
van Richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een communautair wetboek
betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PbEG L 311) of
artikel 13, eerste tot en met het vijfde lid van Richtlijn 2001/82/EG
tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende
geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG L 311) en de
daaruit voortvloeiende praktische vereisten worden niet beschouwd als
een inbreuk op octrooien met betrekking tot geneesmiddelen voor
menselijk gebruik, respectievelijk geneesmiddelen voor
diergeneeskundig gebruik.
5. Is een voortbrengsel als in het eerste lid, onder a of b,
bedoeld, in Nederland, Curaçao of Sint Maarten rechtmatig in het
verkeer gebracht, dan wel door de octrooihouder of met diens
toestemming in één der Lid-Staten van de Europese Gemeenschap of in
een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte in het verkeer gebracht, dan handelt de
verkrijger of latere houder niet in strijd met het octrooi, door dit
voortbrengsel in of voor zijn bedrijf te gebruiken, te verkopen, te
verhuren, af te leveren of anderszins te verhandelen, dan wel voor een
of ander aan te bieden, in te voeren of in voorraad te hebben.
6. Een voortbrengsel als in het eerste lid, onder a of b, bedoeld,
dat voor de verlening van het octrooi, of, indien het een Europees
octrooi betreft, voor de dag, waarop overeenkomstig artikel 97, derde
lid, van het Europees Octrooiverdrag de vermelding van de verlening
van het Europees octrooi is gepubliceerd, in een bedrijf is
vervaardigd, mag niettegenstaande het octrooi ten dienste van dat
bedrijf worden gebruikt.
Artikel 53a
1. Ten aanzien van een octrooi voor biologisch materiaal dat door
de uitvinding bepaalde eigenschappen heeft verkregen, strekt het
uitsluitend recht zich uit tot ieder biologisch materiaal dat hieruit
door middel van propagatie of vermeerdering in dezelfde of in
gedifferentieerde vorm wordt gewonnen en dat diezelfde eigenschappen
heeft.
2. Ten aanzien van een octrooi voor een werkwijze voor de
voortbrenging van biologisch materiaal dat door de uitvinding bepaalde
eigenschappen heeft gekregen, strekt het uitsluitend recht zich uit
tot het biologisch materiaal dat rechtstreeks door deze werkwijze
wordt gewonnen en tot ieder ander biologisch materiaal dat door middel
van propagatie of vermeerdering in dezelfde of in gedifferentieerde
vorm uit het rechtstreeks gewonnen biologisch materiaal wordt gewonnen
en dat diezelfde eigenschappen heeft.
3. Ten aanzien van een octrooi voor een voortbrengsel dat uit
genetische informatie bestaat of dat zulke informatie bevat, strekt
het uitsluitend recht zich uit tot ieder materiaal waarin dit
voortbrengsel wordt verwerkt en waarin de genetische informatie wordt
opgenomen en haar functie uitoefent, onverminderd artikel 3, eerste
lid, onderdeel b.
Artikel 53b
Het uitsluitend recht, bedoeld in artikel 53a, strekt zich niet uit
tot biologisch materiaal dat wordt gewonnen door propagatie of door
vermeerdering van biologisch materiaal dat in Nederland, Curaçao of
Sint Maarten rechtmatig in het verkeer is gebracht, dan wel door de
octrooihouder of met diens toestemming in één van de lid-staten van de
Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte in het verkeer
is gebracht, indien de propagatie of vermeerdering noodzakelijkerwijs
voortvloeit uit het gebruik waarvoor het biologisch materiaal in het
verkeer is gebracht, mits het afgeleide materiaal vervolgens niet voor
andere propagaties of vermeerderingen wordt gebruikt.
Artikel 53c
1. In afwijking van artikel 53a houdt de verkoop of een andere vorm
van in het verkeer brengen, door de octrooihouder of met diens
toestemming, van plantaardig propagatiemateriaal aan een landbouwer
voor agrarische exploitatiedoeleinden voor de laatste het recht in om
de voortbrengselen van zijn oogst voor verdere propagatie of
vermeerdering door hemzelf op zijn eigen bedrijf te gebruiken met
inachtneming van het bepaalde bij of krachtens artikel 14 van
verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van de Europese Unie van 27
juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PbEG L 227).
2. In afwijking van artikel 53a houdt de verkoop of een andere vorm
van in het verkeer brengen, door de octrooihouder of met diens
toestemming, van fokvee of dierlijk propagatiemateriaal aan een
landbouwer voor de laatste het recht in om het door een octrooi
beschermde vee voor agrarische doeleinden te gebruiken.
3. Onder gebruik voor agrarische doeleinden, bedoeld in het tweede
lid, wordt in ieder geval verstaan het beschikbaar stellen van het
dier of van dierlijk propagatiemateriaal voor het gebruik in het
agrarisch bedrijf van de landbouwer, maar niet de verkoop in het kader
van of met het oog op de commerciële fokkerij.
4. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen door Onze
Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit, nadere regels worden gesteld ten aanzien van het
recht, bedoeld in het tweede of derde lid.
Artikel 54
Het uitsluitend recht van de octrooihouder strekt zich niet uit tot:
a. het gebruik aan boord van schepen van andere landen van
datgene, wat het voorwerp van zijn octrooi uitmaakt, in het schip
zelf, in de machines, het scheepswant, de tuigage en andere
bijbehorende zaken, wanneer die schepen tijdelijk of bij toeval in
de wateren van Nederland, Curaçao of Sint Maarten verblijven, mits
bedoeld gebruik uitsluitend zal zijn ten behoeve van het schip;
b. het gebruik van datgene, wat het voorwerp van zijn octrooi
uitmaakt, in de constructie of werking van voor de voortbeweging in
de lucht of te land dienende machines van andere landen, of van het
toebehoren van die machines, wanneer deze tijdelijk of bij toeval in
Nederland, Curaçao of Sint Maarten verblijven;
c. handelingen, vermeld in artikel 27 van het op 7 december 1944
te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale
burgerlijke luchtvaart (Stb. 1947, H 165), mits deze handelingen
betrekking hebben op een luchtvaartuig van een onder c van dat
artikel bedoelde andere staat dan het Koninkrijk of een daartoe
behorend land.
Artikel 55
1. Degene, die datgene waarvoor door een ander een octrooi is
gevraagd, in Nederland, Curaçao of Sint Maarten reeds in of voor zijn
bedrijf vervaardigde of toepaste of aan zijn voornemen tot zodanige
vervaardiging of toepassing een begin van uitvoering had gegeven op de
dag van indiening van die aanvrage of, indien de aanvrager een recht
van voorrang geniet ingevolge artikel 9, eerste lid, dan wel ingevolge
artikel 87 van het Europees Octrooiverdrag, op de dag van indiening
van de aanvrage, waarop het recht van voorrang berust, blijft
niettegenstaande het octrooi, als voorgebruiker bevoegd de in artikel
53, eerste lid, bedoelde handelingen te verrichten, tenzij hij zijn
wetenschap ontleend heeft aan hetgeen reeds door de octrooiaanvrager
vervaardigd of toegepast werd, of wel aan beschrijvingen, tekeningen
of modellen van de octrooiaanvrager.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
dat deel van het aan Nederland, Curaçao of Sint Maarten grenzende
continentaal plat, waarop het Koninkrijk soevereine rechten heeft,
doch uitsluitend voor zover het handelingen betreft, gericht op en
verricht tijdens het onderzoek naar de aanwezigheid van natuurlijke
rijkdommen of het winnen daarvan.
3. Degene, die te goeder trouw datgene waarvoor aan een ander een
Europees octrooi is verleend, reeds in of voor zijn bedrijf
vervaardigde of toepaste of aan zijn voornemen tot zodanige
vervaardiging of toepassing een begin van uitvoering had gegeven voor
de datum waarop van een verbeterde vertaling als bedoeld in artikel
52, zevende lid, aantekening is gedaan in het octrooiregister, blijft
niettegenstaande het octrooi bevoegd de in artikel 53, eerste lid,
bedoelde handelingen te verrichten, voor zover deze handelingen geen
inbreuk maken op het uitsluitend recht van de octrooihouder, welk
recht in dit geval bepaald wordt door de inhoud van de conclusies van
het octrooischrift en de voor de uitleg daarvan bedoelde beschrijving
en tekeningen in de eerdere, gebrekkige vertaling in het Nederlands.
4. De in het eerste en het derde lid bedoelde bevoegdheden gaan
alleen met het bedrijf op anderen over.
Artikel 56
1. Door een licentie wordt van de octrooihouder de bevoegdheid
verkregen handelingen te verrichten, die volgens artikel 53 aan
anderen dan hem niet vrijstaan. Die bevoegdheid strekt zich uit tot
alle in bedoeld artikel vermelde handelingen en geldt voor de gehele
duur van het octrooi, tenzij bij de verlening der licentie een minder
omvangrijk recht is toegekend.
2. Een licentie ontstaat door een overeenkomst, door een aanvaarde
uiterste wilsbeschikking of, overeenkomstig de artikelen 57 en 58,
door een beschikking van Onze Minister of door een in kracht van
gewijsde gegane rechterlijke uitspraak. De door een overeenkomst of
aanvaarde wilsbeschikking ontstane licentie is tegenover derden
geldig, nadat de titel in het octrooiregister is ingeschreven. Voor de
inschrijving is een bij of krachtens algemene maatregel van
rijksbestuur vast te stellen bedrag verschuldigd.
3. Indien het recht op een vergoeding voor een licentie ingevolge
artikel 75, achtste lid, of artikel 78, vierde lid, op een ander
overgaat, wordt door de nieuwe rechthebbende aanspraak verkregen op
een deel van de in het geheel voor de licentie betaalde en te betalen
vergoeding in verhouding tot de tijd, gedurende welke de licentie in
normale omstandigheden nog van kracht moet blijven. Is hetgeen de
licentiehouder nog moet betalen niet voldoende om de nieuwe
rechthebbende te verschaffen wat hem toekomt, dan heeft deze voor het
ontbrekende verhaal op de vroegere.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden
nadere regels gesteld over de aanvraag tot inschrijving van een
licentie.
Artikel 57
1. Onze Minister kan, indien het algemeen belang dit naar zijn
oordeel vordert, onder een octrooi een licentie van een door hem
nauwkeurig omschreven inhoud aan een door hem aangewezen persoon
verlenen. Alvorens zijn beschikking te geven onderzoekt Onze Minister,
tenzij de te dezen vereiste spoed zich daartegen verzet, of de
octrooihouder bereid is de licentie onder redelijke voorwaarden
vrijwillig te verlenen. Hij stelt daartoe de octrooihouder in de
gelegenheid schriftelijk en, zo deze dit verzoekt, ook mondeling van
zijn gevoelen te doen blijken. De beschikking wordt aan de
octrooihouder en aan de verkrijger van de licentie bekendgemaakt. Bij
zijn beschikking kan Onze Minister de verkrijger van de licentie het
stellen van zekerheid binnen een bepaalde termijn opleggen. Het
instellen van bezwaar en beroep heeft schorsende werking, tenzij de
beschikking van Onze Minister op grond van de te dezen vereiste spoed
anders bepaalt.
2. Indien noch de octrooihouder, noch een ander krachtens een hem
verleende licentie na verloop van drie jaren na dagtekening van het
octrooi in het Koninkrijk of in een andere, bij algemene maatregel van
rijksbestuur aangewezen staat in werking heeft een inrichting van
nijverheid, waarin te goeder trouw in voldoende mate het betrokken
voortbrengsel wordt vervaardigd of de betrokken werkwijze wordt
toegepast, is de octrooihouder verplicht de voor het in werking hebben
van zodanige inrichting nodige licentie te verlenen, tenzij geldige
redenen voor het ontbreken van zodanige inrichting blijken te bestaan.
Voor de houder van een Europees octrooi ontstaat deze verplichting,
indien niet na verloop van drie jaren na de dag, waarop overeenkomstig
artikel 97, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag de vermelding
van de verlening van het Europees octrooi is gepubliceerd, een
inrichting van nijverheid als hiervoor bedoeld in werking is in
Nederland, Curaçao of Sint Maarten of in een andere, bij algemene
maatregel van rijksbestuur aangewezen staat.
3. Het tweede lid is niet van toepassing, indien de octrooihouder
of een ander krachtens een hem verleende licentie in dat deel van het
aan Nederland, Curaçao of Sint Maarten grenzende continentaal plat,
waarop het Koninkrijk soevereine rechten heeft, in werking heeft een
inrichting van nijverheid, waarin te goeder trouw in voldoende mate
handelingen als in dat lid bedoeld worden verricht, mits die
handelingen zijn gericht op en worden verricht tijdens het onderzoek
naar de aanwezigheid van natuurlijke rijkdommen of het winnen daarvan.
4. De octrooihouder is te allen tijde verplicht de licentie te
verlenen welke nodig mocht zijn voor de toepassing van een octrooi,
verleend op een aanvrage met een gelijke of latere dag van indiening
of, indien voor de aanvrage een recht van voorrang bestaat, gelijke of
latere voorrangsdatum, voor zover in het octrooi ten behoeve waarvan
de licentie is gevraagd, een belangrijke technische vooruitgang van
aanzienlijke economische betekenis is belichaamd; de octrooihouder is
evenwel tot verlening van een licentie welke nodig mocht zijn voor de
toepassing van een Europees octrooi eerst verplicht nadat de voor het
instellen van oppositie tegen het Europees octrooi gestelde termijn is
verstreken of een ingestelde oppositieprocedure is afgesloten. Een
zodanige licentie strekt zich niet verder uit dan noodzakelijk is voor
de toepassing van het octrooi van de verkrijger. Deze is verplicht aan
de houder van het andere octrooi wederkerig licentie onder zijn
octrooi te verlenen.
5. De octrooihouder verleent aan een kweker een licentie tegen een
redelijke vergoeding, indien de kweker een kwekersrecht op een
plantenras niet kan verkrijgen of exploiteren zonder inbreuk te maken
op het octrooi van eerdere datum en de licentie noodzakelijk is voor
de exploitatie van het te beschermen plantenras, dat een belangrijke
technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang
vertegenwoordigt ten opzichte van de door het octrooi beschermde
uitvinding.
6. Indien aan een octrooihouder een licentie is verleend op grond
van artikel 42, tweede lid, van de Zaaizaad- en Plantgoedwet, verleent
de octrooihouder aan de houder van het kwekersrecht op diens verzoek
onder redelijke voorwaarden een wederkerige licentie om de beschermde
uitvinding te gebruiken.
Artikel 57a
In afwijking van artikel 57 kan een gedwongen licentie onder een
octrooi op het gebied van de halfgeleiderstechnologie alleen worden
verleend voor niet-commercieel gebruik door de overheid of voor het
tegengaan van een gedraging waarvan na een rechterlijke of
administratieve procedure is vastgesteld dat deze concurrentiebeperkend
is.
Artikel 58
1. Indien de licentie, bedoeld in artikel 57, tweede, vierde,
vijfde of zesde lid, ten onrechte niet is verleend, wordt de licentie
op vordering van de belanghebbende door de rechter verleend. Op
verzoek van eiser wordt de dagvaarding door het bureau in het
octrooiregister ingeschreven.
2. Indien het octrooi op grond van deze rijkswet is verleend, is de
eiser in zijn rechtsvordering niet ontvankelijk als hij niet bij
dagvaarding als bijlage daarbij het resultaat van een door het bureau
of het in het Europees Octrooiverdrag bedoelde Europees Octrooibureau
ingesteld onderzoek naar de stand van de techniek met betrekking tot
het onderwerp van het octrooi, ten behoeve waarvan de licentie is
gevorderd, overlegt.
3. De verlening van een op grond van artikel 57, vierde lid, eerste
volzin, gevorderde licentie kan met of zonder tijdsbepaling worden
geschorst, indien binnen twee maanden na de betekening van de
dagvaarding waarin de licentie is gevorderd, een vordering tot
vernietiging van het octrooi, ten behoeve waarvan de licentie is
gevorderd, is ingesteld.
4. De rechter kan bij de omschrijving van de verleende licentie
afwijken van hetgeen gevraagd is en kan voorts de verkrijger van de
licentie het stellen van zekerheid binnen een bepaalde termijn
opleggen. Een op grond van artikel 57, vierde lid, eerste volzin,
verleende licentie zal slechts kunnen worden overgedragen tezamen met
het octrooi van de licentiehouder. Een op grond van artikel 57, vierde
lid, eerste of derde volzin, verleende licentie vervalt niet doordat
het octrooi, ten behoeve waarvan de licentie is verleend, als gevolg
van het verstrijken van de in artikel 36, zesde lid, bedoelde termijn
is geëindigd of met goed gevolg is opgeëist, doch vervalt wel voor
zover het octrooi geheel of gedeeltelijk is vernietigd als resultaat
van de in het derde lid bedoelde vordering.
5. Een besluit als bedoeld in artikel 57, eerste lid, of een in
kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak wordt door het
bureau in het octrooiregister ingeschreven. Is het stellen van
zekerheid opgelegd, dan heeft de inschrijving niet plaats, voordat aan
die verplichting is voldaan. Voor de inschrijving is een bij of
krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen bedrag
verschuldigd. De licentie werkt eerst na die inschrijving, maar dan
ook tegenover hen, die na de inschrijving van de in het eerste lid
bedoelde dagvaarding rechten op het octrooi hebben verkregen. Een
ingeschreven licentie, die op grond van artikel 57, vierde lid, is
verleend, werkt echter terug tot en met de dag waarop de dagvaarding
is ingeschreven.
6. Op vordering van de meest gerede partij bepaalt de rechter bij
gebreke van overeenstemming de vergoeding, die de verkrijger van de
licentie aan de octrooihouder dient te betalen. De rechter kan daarbij
de verkrijger van de licentie het stellen van zekerheid binnen een
bepaalde termijn opleggen, dan wel de op grond van artikel 57, eerste
lid, of het vijfde lid van dit artikel bepaalde zekerheid bevestigen
of wijzigen.
Artikel 58a
1. Een op grond van artikel 57 verleende licentie is niet
uitsluitend.
2. Een op grond van artikel 57 verleende licentie kan niet worden
overgedragen dan tezamen met het gedeelte van de onderneming of de
goodwill van het gedeelte van de onderneming, waarin de licentie wordt
uitgeoefend.
3. Een op grond van artikel 57 verleende licentie kan worden
ingetrokken wanneer, rekening houdend met een redelijke bescherming
van de gerechtvaardigde belangen van de licentiehouder, de
omstandigheden welke hebben geleid tot de verlening van de licentie
ophouden te bestaan en het onwaarschijnlijk is dat zij herleven. De
instantie welke de licentie heeft verleend onderzoekt op gemotiveerd
verzoek het voortduren van bovengenoemde omstandigheden.
Artikel 59
1. Bij koninklijk besluit kan, indien het belang van de verdediging
van het Koninkrijk dit vordert, op gemeenschappelijke voordracht van
Onze Minister en van Onze minister, wie het rechtstreeks aangaat,
worden bepaald, dat de Staat bevoegd is in dat besluit nauwkeurig te
omschrijven handelingen, waartoe de houder van een in dat besluit aan
te wijzen octrooi ingevolge de artikelen 53 en 53a uitsluitend
gerechtigd is, zelf te verrichten of door anderen te doen verrichten.
Deze bevoegdheid geldt voor de gehele duur van het octrooi, tenzij in
het besluit een kortere duur is bepaald.
2. Na het van kracht worden van een besluit als bedoeld in het
eerste lid zal Onze minister, wie het rechtstreeks aangaat, zich met
de octrooihouder verstaan omtrent de door de Staat aan deze te betalen
vergoeding. Indien Onze minister, wie het rechtstreeks aangaat,
hierover niet binnen zes maanden na het van kracht worden van het
desbetreffende besluit met de octrooihouder tot overeenstemming is
gekomen, is artikel 58, zesde lid, met uitzondering van het omtrent
het stellen van zekerheid bepaalde, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 60
1. Onverminderd artikel 56, tweede lid, eerste volzin, ontstaat een
licentie door:
a. een uitspraak van de Arbitrage-Commissie, bedoeld in artikel
20 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor
Atoomenergie (Euratom) (Trb. 1957, 92);
b. een besluit van Onze Minister ter uitvoering van artikel 21
van genoemd verdrag.
2. Ten aanzien van een licentie, ontstaan door een eindbeslissing
als bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 56, tweede lid,
tweede en derde volzin, van overeenkomstige toepassing.
3. Ten aanzien van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder
b, is artikel 58, eerste, vierde en vijfde lid, eerste, tweede en
derde volzin, van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van een door
zodanig besluit ontstane licentie is artikel 58, vijfde lid, vierde
volzin, en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
4. Een licentie als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor
Curaçao en Sint Maarten.
§ 2. Jaartaks en afstand
Artikel 61
1. Voor de instandhouding van een octrooi moet elk jaar, voor het
eerst voor de aanvang van het vierde jaar na de in artikel 29, eerste
lid, bedoelde datum van indiening, op de laatste dag van de maand
waarin de aanvrage die tot octrooi heeft geleid is ingediend, of
ingevolge artikel 28, eerste lid, wordt aangemerkt te zijn ingediend,
aan het bureau een bij of krachtens algemene maatregel van
rijksbestuur vast te stellen bedrag worden betaald.
2. Voor de instandhouding van een Europees octrooi moet elk jaar,
voor het eerst na afloop van het in artikel 86, vierde lid, van het
Europees Octrooiverdrag bedoelde jaar doch niet eerder dan voor de
aanvang van het vierde jaar na de in artikel 80 van het Europees
Octrooiverdrag bedoelde datum van indiening, aan het bureau een bedrag
als in het eerste lid bedoeld worden betaald en wel op de laatste dag
van de maand waarin de datum van indiening valt, die de Europese
octrooiaanvrage, die tot het octrooi heeft geleid, ingevolge artikel
80 van het Europees Octrooiverdrag met inachtneming van de artikelen
61 of 76 van dat verdrag, bezit. Indien het voor de eerste maal
verschuldigde bedrag zou moeten worden betaald binnen een termijn van
twee maanden na de dag waarop overeenkomstig artikel 97, vierde lid,
van het Europees Octrooiverdrag de vermelding van de verlening van het
Europees octrooi is gepubliceerd, kan dit bedrag nog worden betaald op
de laatste dag van de maand waarin deze termijn eindigt.
3. Bij betaling na de vervaldag zijn bij of krachtens algemene
maatregel van rijksbestuur vast te stellen verhogingen verschuldigd.
Artikel 62
Een octrooi vervalt van rechtswege, wanneer de in artikel 61 genoemde
bedragen niet binnen zes kalendermaanden na de daar genoemde vervaldag
zijn betaald. Van dit vervallen wordt in het octrooiregister van het
bureau aantekening gedaan.
Artikel 63
1. Een octrooihouder kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van
zijn octrooi. De afstand heeft terugwerkende kracht overeenkomstig
artikel 75, vijfde tot en met zevende lid.
2. De afstand geschiedt door de inschrijving van een daartoe
strekkende akte in het octrooiregister. Het bureau schrijft de akte
niet in zolang er personen zijn, die krachtens in het octrooiregister
ingeschreven stukken rechten op het octrooi of licenties hebben
verkregen of rechtsvorderingen, het octrooi betreffende, hebben
ingesteld en deze personen tot de afstand geen toestemming hebben
verleend.
§ 3. Het octrooi als deel van het vermogen
Artikel 64
1. Het octrooi en de aanspraak op octrooi zijn zowel voor wat
betreft het volle recht als voor wat betreft een aandeel daarin
vatbaar voor overdracht of andere overgang.
2. De overdracht en andere overgang van het octrooi of van het
recht, voortvloeiende uit de octrooiaanvrage, kunnen door het bureau
worden ingeschreven in het octrooiregister. Voor de inschrijving is
een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vast te
stellen bedrag verschuldigd.
Artikel 65
1. De levering, vereist voor de overdracht van het octrooi of het
recht, voortvloeiende uit een octrooiaanvrage, geschiedt bij een akte,
houdende de verklaring van de rechthebbende, dat hij het octrooi of
het recht, voortvloeiende uit de octrooiaanvrage, aan de verkrijger
overdraagt, en van deze, dat hij deze overdracht aanneemt.
2. Elk voorbehoud, de overdracht betreffende, moet in de akte
omschreven zijn; bij gebreke daarvan geldt de overdracht voor
onbeperkt.
3. De overdracht werkt tegenover derden eerst wanneer de akte in
het octrooiregister is ingeschreven. Tot het doen verrichten van deze
inschrijving zijn beide partijen gelijkelijk bevoegd.
4. Artikel 88 van Boek 3 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek is
van toepassing.
Artikel 66
1. Indien het octrooi aan verscheidene personen gezamenlijk
toekomt, wordt hun onderlinge verhouding beheerst door hetgeen tussen
hen bij overeenkomst is bepaald.
2. Indien er geen overeenkomst is of indien in de overeenkomst niet
anders is bepaald, heeft iedere rechthebbende de bevoegdheid de in
artikel 53 genoemde handelingen te verrichten en tegen zulke
handelingen alsmede handelingen als bedoeld in artikel 73, eerste en
tweede lid, die onbevoegdelijk zijn verricht, ingevolge de artikelen
70 tot en met 73 op te treden, doch kan een licentie of toestemming
als bedoeld in artikel 73, tweede lid, door de rechthebbenden slechts
met gemeen goedvinden verleend worden.
3. Voor de betaling van de in artikel 61 genoemde bedragen zijn de
rechthebbenden hoofdelijk verbonden.
Artikel 67
1. Pandrecht op een octrooi wordt gevestigd bij een akte en werkt
tegenover derden eerst wanneer de akte door het bureau in het
octrooiregister is ingeschreven.
2. De pandhouder is verplicht in een door hem ondertekende
verklaring, bij het bureau ter inschrijving in te zenden, woonplaats
te kiezen te ’s-Gravenhage. Indien die keuze niet is gedaan, geldt
het bureau als gekozen woonplaats.
3. Bedingen in de pandakte betreffende na inschrijving te verlenen
licenties gelden van het ogenblik af, dat zij in het octrooiregister
zijn aangetekend, ook tegenover derden. Bedingen betreffende
vergoedingen voor licenties die op het ogenblik van de inschrijving
reeds waren verleend, gelden tegenover de houder van de licentie na
aanzegging aan deze bij deurwaardersexploit.
4. Akten, waaruit blijkt, dat het pandrecht heeft opgehouden te
bestaan of krachteloos is geworden, worden door het bureau in het
octrooiregister ingeschreven.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden
nadere regels gesteld over de aanvraag tot inschrijving van een
pandrecht.
Artikel 68
1. Het beslag op een octrooi wordt gelegd en het proces-verbaal van
inbeslagneming wordt door het bureau in het octrooiregister
ingeschreven met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van het
Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende
executoriaal en conservatoir beslag op onroerende zaken, met dien
verstande dat in het proces-verbaal van inbeslagneming in plaats van
de aard en de ligging van de onroerende zaak een aanduiding van het
octrooi wordt opgenomen.
2. Een vervreemding, bezwaring, onderbewindstelling of verlening
van een licentie, totstandgekomen na de inschrijving van het
proces-verbaal, kan tegen de beslaglegger niet worden ingeroepen.
3. De voor de inschrijving van het proces-verbaal nog niet betaalde
licentievergoedingen vallen mede onder een op het octrooi gelegd
beslag, nadat het ingeschreven beslag aan de houder van de licentie is
betekend. Deze vergoedingen moeten worden betaald aan de notaris voor
wie de executie zal plaatsvinden, mits dit bij de betekening
uitdrukkelijk aan de licentiehouder is medegedeeld, en behoudens de
rechten van derden die de executant moet eerbiedigen. Hetgeen aan de
notaris wordt betaald, wordt tot de in artikel 69, tweede lid,
bedoelde opbrengst gerekend. De artikelen 475i, 476 en 478 van het
Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van
overeenkomstige toepassing.
4. De inschrijving van het proces-verbaal van inbeslagneming kan
worden doorgehaald:
a. krachtens een schriftelijke, ter inschrijving aangeboden
verklaring van de deurwaarder dat hij in opdracht van de
beslaglegger het beslag opheft of dat het beslag is vervallen;
b. krachtens een ter inschrijving aangeboden rechterlijke
uitspraak die tot opheffing van het beslag strekt of het verval
van het beslag vaststelt of meebrengt.
5. De artikelen 504a, 507a, 538 tot en met 540, 726, tweede lid, en
727 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn
in geval van beslag op een octrooi van overeenkomstige toepassing.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden
nadere regels gesteld over de aanvraag tot inschrijving van een
beslag.
Artikel 69
1. De verkoop van een octrooi door een pandhouder of een
beslaglegger tot verhaal van een vordering geschiedt in het openbaar
ten overstaan van een bevoegde notaris. De artikelen 508, 509, 513,
eerste lid, 514, tweede en derde lid, 515 tot en met 519 en 521 tot en
met 529 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen
daar ten aanzien van hypotheken en hypotheekhouders is voorgeschreven
geldt voor de op het octrooi rustende pandrechten en de pandhouders.
2. De verdeling van de opbrengst geschiedt met overeenkomstige
toepassing van de artikelen 551 tot en met 552 van het Nederlandse
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
§ 4. Handhaving van het octrooi
Artikel 70
1. De octrooihouder kan zijn octrooi handhaven jegens een ieder
die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, een der in artikel 53, eerste
lid, genoemde handelingen verricht.
2. De houder van een octrooi verleend op grond van deze rijkswet is
in zijn rechtsvordering niet ontvankelijk als hij niet bij dagvaarding
dan wel bij conclusie van eis in reconventie als bijlage daarbij en in
kort geding op de terechtzitting het resultaat van een door het bureau
of het in het Europees Octrooiverdrag bedoelde Europees Octrooibureau
ingesteld onderzoek naar de stand van de techniek met betrekking tot
het onderwerp van het octrooi overlegt.
3. De rechter kan de houder van een octrooi verzoeken om een
vertaling in het Nederlands van het octrooi en een tijdstip
vaststellen wanneer deze vertaling moet zijn overgelegd. De houder van
een octrooi is in zijn rechtsvordering niet ontvankelijk als hij op
dit tijdstip de vertaling niet heeft overgelegd.
4. Schadevergoeding kan slechts worden gevorderd van hem, die wist
of redelijkerwijs behoorde te weten dat zijn handelingen inbreuk
maken.
5. Naast schadevergoeding kan worden gevorderd, dat de gedaagde
veroordeeld wordt de door de inbreuk genoten winst af te dragen en
dienaangaande rekening en verantwoording af te leggen; indien de
rechter evenwel van oordeel is, dat de omstandigheden van het geval
tot zulk een veroordeling geen aanleiding geven, zal hij de gedaagde
tot schadevergoeding kunnen veroordelen. In passende gevallen kan de
rechter de schadevergoeding vaststellen als een forfaitair bedrag.
6. De octrooihouder kan de vorderingen tot schadevergoeding of het
afdragen van winst ook namens of mede namens licentienemers of
pandhouders instellen, onverminderd de bevoegdheid van deze laatsten
in een al of niet namens hen of mede namens hen door de octrooihouder
aldus ingestelde vordering tussen te komen om rechtstreeks de door hen
geleden schade vergoed te krijgen of zich een evenredig deel van de
door de gedaagde af te dragen winst te doen toewijzen. Licentienemers
en pandhouders kunnen slechts een zelfstandige vordering als bedoeld
in het derde en vierde lid instellen, als zij de bevoegdheid daartoe
van de octrooihouder hebben bedongen.
7. De octrooihouder heeft de bevoegdheid roerende zaken waarmee een
inbreuk op zijn recht wordt gemaakt als zijn eigendom op te vorderen
dan wel de bevoegdheid onttrekking aan het verkeer, vernietiging of
onbruikbaarmaking te vorderen van die zaken, en onttrekking aan het
verkeer te vorderen van materialen en werktuigen die voornamelijk zijn
gebruikt bij de voortbrenging van die zaken. De bepalingen van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende beslag en executie
tot afgifte van roerende zaken zijn van toepassing. Bij samenloop met
een ander beslag gaat degene die beslag heeft gelegd krachtens dit
artikel voor. Een vordering als bedoeld in de eerste volzin wordt op
kosten van de gedaagde uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit
beletten. Bij de beoordeling van de vordering dient een afweging te
worden gemaakt tussen de ernst van de inbreuk en de gevorderde
maatregelen alsmede de belangen van derden.
8. Indien een rechtsvordering wordt ingesteld tot handhaving van
een octrooi voor een werkwijze tot vervaardiging van een nieuw
voortbrengsel, dan wordt vermoed, dat het betrokken voortbrengsel
volgens de geoctrooieerde werkwijze is vervaardigd, tenzij door de
gedaagde het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Bij de beoordeling
van de vraag of een voortbrengsel nieuw is, blijft de inhoud van in
artikel 4, derde en vierde lid, bedoelde octrooiaanvragen buiten
beschouwing.
9. De octrooihouder heeft de bevoegdheid een bevel te vorderen tot
staking van diensten van tussenpersonen wier diensten door derden
worden gebruikt om inbreuk op zijn recht te maken.
10. De octrooihouder heeft de bevoegdheid te vorderen dat degene
die inbreuk op zijn recht heeft gemaakt wordt bevolen al hetgeen hem
bekend is omtrent de herkomst en distributiekanalen van de zaken
waarmee die inbreuk is gepleegd, aan hem mee te delen en alle daarop
betrekking hebbende gegevens te verstrekken.
11. De octrooihouder heeft de bevoegdheid te vorderen dat bij
tijdelijke voortzetting van de vermeende inbreuk aan deze voortzetting
de voorwaarde wordt verbonden dat zekerheid wordt gesteld voor
vergoeding van de door hem geleden schade. De octrooihouder komt die
bevoegdheid eveneens toe bij voortzetting van de dienstverlening door
een tussenpersoon als bedoeld in het achtste lid.
12. De octrooihouder heeft de bevoegdheid te vorderen dat de
gedaagde wordt gelast op diens kosten passende maatregelen tot
verspreiding van informatie over de uitspraak te treffen.
Artikel 71
1. Behoudens het bepaalde in het vierde lid, kan de octrooihouder
een redelijke vergoeding vorderen van hem, die in het tijdvak, gelegen
tussen de inschrijving van de aanvrage die tot octrooi heeft geleid in
het octrooiregister en de verlening van octrooi op die aanvrage of een
daaruit ingevolge artikel 28 afgesplitste aanvrage, handelingen heeft
verricht als vermeld in artikel 53, eerste lid, voor zover de
octrooihouder daarvoor uitsluitende rechten heeft verkregen.
2. Behoudens het bepaalde in het vierde lid kan de octrooihouder
eveneens een redelijke vergoeding vorderen van hem, die na de in het
eerste lid bedoelde verlening van het octrooi handelingen als in dat
lid bedoeld heeft verricht met voortbrengselen, die gedurende het
aldaar genoemde tijdvak in het verkeer zijn gebracht. De octrooihouder
kan een zelfde vergoeding vorderen van hem, die na de verlening van
het octrooi ten dienste van zijn bedrijf voortbrengselen als bedoeld
in artikel 53, eerste lid, onder a of b, dan wel in artikel 53a heeft
gebruikt die in het eerste lid genoemde tijdvak in zijn bedrijf zijn
vervaardigd.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde vergoeding is alleen
verschuldigd voor handelingen die zijn verricht na verloop van dertig
dagen nadat de betrokkene bij deurwaardersexploit, waarin nauwkeurig
is aangegeven welk gedeelte van de octrooiaanvrage op die handelingen
betrekking heeft, is gewezen op het krachtens dit artikel aan de
octrooihouder toekomende recht.
4. Het krachtens dit artikel aan de octrooihouder toekomende recht
strekt zich niet uit over handelingen, verricht door een daartoe
krachtens artikel 55 of krachtens overeenkomst gerechtigde, alsmede
handelingen met voortbrengselen, die hetzij voor de inschrijving in
het octrooiregister van de betrokken octrooiaanvrage in het verkeer
zijn gebracht, hetzij nadien door de aanvrager om octrooi of een
gerechtigde als hiervoor bedoeld.
Artikel 72
1. De houder van een Europees octrooi kan, behoudens het bepaalde
in het vierde lid, een redelijke vergoeding vorderen van hem, die in
het tijdvak, gelegen tussen de publikatie overeenkomstig artikel 93
van het Europees Octrooiverdrag van de aanvrage die tot octrooi heeft
geleid en de in artikel 97, vierde lid, van dat verdrag bedoelde
publikatie van de vermelding van de verlening van het Europees octrooi
op die aanvrage of op een daaruit ingevolge artikel 76 van dit verdrag
afgesplitste aanvrage, handelingen heeft verricht als vermeld in
artikel 53, eerste lid, voor zover de octrooihouder daarvoor
uitsluitende rechten heeft verkregen en de handelingen worden
bestreken door de laatstelijk ingediende gepubliceerde conclusies.
2. Behoudens het bepaalde in het vierde lid kan de houder van een
Europees octrooi eveneens een redelijke vergoeding vorderen van hem,
die na de in het eerste lid bedoelde publikatie van de vermelding van
de verlening van het Europees octrooi handelingen als in dat lid
bedoeld heeft verricht met voortbrengselen, die gedurende het aldaar
genoemde tijdvak in het verkeer zijn gebracht. De octrooihouder kan
een zelfde vergoeding vorderen van hem, die na bedoelde publikatie ten
dienste van zijn bedrijf voortbrengselen als bedoeld in artikel 53,
eerste lid, onder a of b, dan wel in artikel 53a heeft gebruikt die in
het in het eerste lid genoemde tijdvak in zijn bedrijf zijn
vervaardigd.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde vergoeding is alleen
verschuldigd voor handelingen, die zijn verricht na verloop van dertig
dagen, nadat de betrokkene bij deurwaardersexploit is gewezen op het
krachtens dit artikel aan de octrooihouder toekomende recht. Bij dit
deurwaardersexploit, waarin nauwkeurig is aangegeven welk gedeelte van
de octrooiaanvrage op die handelingen betrekking heeft, moet zijn
betekend een vertaling in het Nederlands van de conclusies zoals
vervat in de publikatie van de Europese octrooiaanvrage overeenkomstig
artikel 93 van het Europees Octrooiverdrag. Indien een Nederlandse
vertaling als hiervoor bedoeld reeds voor het uitbrengen van het
deurwaardersexploit aan het bureau is toegezonden en daarvan
aantekening gedaan is in het octrooiregister, kan de betekening van de
vertaling achterwege blijven, mits in het exploit melding wordt
gemaakt van de aantekening in het octrooiregister.
4. Het krachtens dit artikel aan de octrooihouder toekomende recht
strekt zich niet uit over handelingen, verricht door een daartoe
krachtens artikel 55 of krachtens overeenkomst gerechtigde, alsmede
handelingen met voortbrengselen, die hetzij voor de in het eerste lid
bedoelde publikatie van de aanvrage overeenkomstig artikel 93 van het
Europees Octrooiverdrag in het verkeer zijn gebracht, hetzij nadien
door de aanvrager van het octrooi of een gerechtigde als hiervoor
bedoeld.
5. Het bureau gaat zo spoedig mogelijk over tot de in het derde lid
bedoelde aantekening in het octrooiregister.
Artikel 73
1. De octrooihouder kan de vorderingen die hem ten dienste staan
bij de handhaving van zijn octrooi instellen tegen iedere persoon, die
in Nederland, Curaçao of Sint Maarten in of voor zijn bedrijf
middelen betreffende een wezenlijk bestanddeel van de uitvinding aan
anderen dan hen, die krachtens de artikelen 55 tot en met 60 tot
toepassing van de geoctrooieerde uitvinding bevoegd zijn, aanbiedt of
levert voor de toepassing van de geoctrooieerde uitvinding in
Nederland, Curaçao of Sint Maarten, een en ander mits die persoon
weet dan wel het gezien de omstandigheden duidelijk is, dat die
middelen voor die toepassing geschikt en bestemd zijn.
2. Het eerste lid geldt niet, indien het aanbieden of leveren
geschiedt met toestemming van de octrooihouder. Dat lid geldt evenmin,
indien de geleverde of aangeboden middelen algemeen in de handel
verkrijgbare produkten zijn, tenzij de betrokkene degene aan wie hij
levert aanzet tot het verrichten van in artikel 53, eerste lid,
vermelde handelingen.
3. Artikel 70, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 74
De rechten en verplichtingen, voortvloeiende uit de artikelen 53 tot
en met 60 en 64 tot en met 73, gelden mede in, op en boven dat deel van
het aan Nederland, Curaçao of Sint Maarten grenzende continentaal plat,
waarop het Koninkrijk soevereine rechten heeft, doch uitsluitend voor
zover het betreft handelingen, gericht op en verricht tijdens het
onderzoek naar de aanwezigheid van natuurlijke rijkdommen of het winnen
daarvan.
Hoofdstuk 5. Vernietiging en opeising
Artikel 75
1. Een octrooi wordt door de rechter vernietigd voor zover:
a. hetgeen waarvoor octrooi is verleend ingevolge de artikelen
2 tot en met 7 niet vatbaar is voor octrooi dan wel, indien het
een Europees octrooi betreft, het octrooi ingevolge de artikelen
52 tot en met 57 van het Europees Octrooiverdrag niet had behoren
te worden verleend;
b. het octrooischrift niet een beschrijving bevat van de
uitvinding, die, in voorkomend geval met toepassing van artikel
25, tweede en derde lid, zodanig duidelijk en volledig is dat een
deskundige deze uitvinding kan toepassen;
c. het onderwerp van het octrooi niet wordt gedekt door de
inhoud van de ingediende aanvrage of, indien het octrooi is
verleend op een afgesplitste of gewijzigde aanvrage dan wel op een
nieuwe Europese octrooiaanvrage die is ingediend overeenkomstig
artikel 61 van het Europees Octrooiverdrag, door de inhoud van de
oorspronkelijke aanvrage;
d. na octrooiverlening uitbreiding van de beschermingsomvang is
opgetreden;
e. de houder van het octrooi daarop geen aanspraak had hetzij
krachtens de bepalingen van hoofdstuk 1 van deze rijkswet hetzij,
indien het een Europees octrooi betreft, krachtens artikel 60,
eerste lid, van het Europees Octrooiverdrag.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, wordt onder de
stand van de techniek, bedoeld in artikel 54, derde lid, van het
Europees Octrooiverdrag, mede begrepen de inhoud van uit hoofde van
deze rijkswet ingediende octrooiaanvragen, waarvan de dag van
indiening voor de datum van indiening van de desbetreffende Europese
octrooiaanvrage, die voor de toepassing van dat lid geldt, ligt, en
die eerst op of na die datum overeenkomstig artikel 31 zijn
ingeschreven.
3. De rechtsvordering tot vernietiging komt in de in het eerste
lid, onder a tot en met d, genoemde gevallen toe aan een ieder en in
het eerste lid, onder e, genoemde geval aan degene, die krachtens de
in dat onderdeel genoemde bepalingen aanspraak op het octrooi heeft.
Indien laatstgenoemde zelf een octrooi voor de desbetreffende
uitvinding heeft verkregen, komt de rechtsvordering tot vernietiging
ook toe aan licentiehouders en pandhouders.
4. De dagvaarding moet binnen acht dagen na haar dagtekening in het
octrooiregister worden ingeschreven. Bij gebreke van tijdige
inschrijving is de eiser verplicht de schade te vergoeden, geleden
door hen, die te goeder trouw na die termijn en voor de inschrijving
rechten, waarop de vernietiging invloed uitoefent, hebben verkregen.
5. Een octrooi wordt geacht van de aanvang af geheel of
gedeeltelijk niet de in de artikelen 53, 53a, 71, 72 en 73 bedoelde
rechtsgevolgen te hebben gehad naar gelang het octrooi geheel of
gedeeltelijk is vernietigd.
6. De terugwerkende kracht van de nietigheid heeft geen invloed op:
a. een beslissing, niet zijnde een voorlopige voorziening, ter
zake van handelingen in strijd met het in de artikelen 53 en 53a
bedoelde uitsluitend recht van de octrooihouder of van handelingen
als bedoeld in de artikelen 71, 72 en 73, die voor de vernietiging
in kracht van gewijsde is gegaan en ten uitvoer is gelegd;
b. een voor de vernietiging gesloten overeenkomst, voor zover
deze voor de vernietiging is uitgevoerd; uit
billijkheidsoverwegingen kan echter terugbetaling worden geëist
van op grond van deze overeenkomst betaalde bedragen in de mate
als door de omstandigheden gerechtvaardigd is.
7. Voor de toepassing van het zesde lid, onder b, wordt onder het
sluiten van een overeenkomst mede verstaan het ontstaan van een
licentie op een andere in artikel 56, tweede lid, 59 of 60 aangegeven
wijze.
8. Ingeval een octrooi wordt vernietigd op grond van het eerste
lid, onder e, en degene, die krachtens de in dat onderdeel genoemde
bepalingen aanspraak op het octrooi heeft, zelf een octrooi voor de
desbetreffende uitvinding heeft verkregen, worden licenties, die te
goeder trouw van het vernietigde octrooi waren verkregen voor de
inschrijving van de dagvaarding in het octrooiregister, aangemerkt als
licentie van het bestaande octrooi, en verkrijgt de houder daarvan
overeenkomstig artikel 56, derde lid, recht op de voor de licenties
verschuldigde vergoeding. De houder van het vernietigde octrooi, die
bij zijn aanvrage te goeder trouw was of die het octrooi voor de
inschrijving van de dagvaarding te goeder trouw van een vroegere
houder verkreeg, blijft in dat geval ten aanzien van het bestaande
octrooi bevoegd tot toepassing van de uitvinding overeenkomstig
artikel 55.
9. Zodra een eindbeslissing aangaande een vordering tot
vernietiging in kracht van gewijsde is gegaan of de instantie is
vervallen, wordt daarvan op verzoek van de meest gerede partij in het
octrooiregister aantekening gedaan.
Artikel 76
1. Degene die een rechtsvordering als bedoeld in artikel 75 tot
vernietiging van een krachtens deze rijkswet verleend octrooi instelt,
is in die vordering niet ontvankelijk als hij niet als bijlage bij
dagvaarding dan wel bij conclusie van eis in reconventie het resultaat
van een door het bureau uitgebracht advies omtrent de toepasselijkheid
van de in artikel 75, eerste lid, genoemde nietigheidsgronden
overlegt.
2. In kort geding kan de voorzieningenrechter bedoeld in artikel
80, tweede lid, degene die stelt dat een krachtens deze rijkswet
verleend octrooi vernietigd behoort te worden, opdragen een advies van
het bureau omtrent de toepasselijkheid van de in artikel 75, eerste
lid, genoemde nietigheidsgronden over te leggen.
Artikel 77
1. Voor zover een uit hoofde van deze rijkswet verleend octrooi
betrekking heeft op een uitvinding, waarvoor aan dezelfde uitvinder of
zijn rechtverkrijgende een Europees octrooi is verleend, terwijl de
dag van indiening of in voorkomend geval de voorrangsdatum van de
onderscheidene aanvragen om octrooi dezelfde is, heeft eerstbedoeld
octrooi, voor zover het dezelfde uitvinding beschermt als het Europees
octrooi, in Nederland, Curaçao en Sint Maarten, niet meer de in de
artikelen 53, 53a, 71 en 73 bedoelde rechtsgevolgen vanaf de dag
waarop:
a. de voor het instellen van oppositie tegen het Europees
octrooi vastgestelde termijn is verstreken zonder dat oppositie is
ingesteld;
b. de oppositieprocedure is afgesloten, waarbij het Europees
octrooi in stand is gebleven;
c. het octrooi uit hoofde van deze rijkswet is verleend, indien
deze dag ligt na die onder a of b bedoeld, al naar het geval.
2. Het tenietgaan, op welke wijze ook, van het Europees octrooi op
een later tijdstip laat het bepaalde in het vorige lid onverlet.
3. Vorderingen ter vaststelling van een in het eerste lid bedoeld
verlies van rechtsgevolg kunnen door een ieder worden ingesteld.
4. Artikel 75, vierde lid, achtste lid, eerste volzin, en negende
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 78
1. Een octrooi kan geheel, gedeeltelijk of wat betreft een aandeel
daarin worden opgeëist door degene die krachtens artikel 11, 12 of 13
dan wel, indien het een Europees octrooi betreft, krachtens artikel
60, eerste lid, van het Europees Octrooiverdrag aanspraak of mede
aanspraak heeft op dat octrooi.
2. De dagvaarding moet in het octrooiregister worden ingeschreven.
3. De octrooihouder, die bij zijn aanvrage te goeder trouw was, of
die het octrooi voor de inschrijving van de dagvaarding te goeder
trouw van een vroegere houder verkreeg, blijft ten aanzien van de
nieuwe octrooihouder bevoegd tot toepassing van de uitvinding op de
voet als omschreven in artikel 55.
4. Te goeder trouw voor de inschrijving verkregen licenties blijven
geldig tegenover de nieuwe octrooihouder, die overeenkomstig artikel
56, derde lid, recht verkrijgt op de voor de licenties verschuldigde
vergoeding.
5. Het derde en het vierde lid zijn niet van toepassing ingeval
degene, die het octrooi met goed gevolg heeft opgeëist, reeds door
zelf octrooi aan te vragen zijn aanspraken had doen gelden en de
dagvaarding, waarbij de vordering tot opeising werd ingesteld, binnen
drie maanden na de verlening van het octrooi of, indien het een
Europees octrooi betreft, na de publikatie overeenkomstig artikel 97,
vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag van de vermelding van de
verlening van het Europees octrooi in het octrooiregister was
ingeschreven.
6. Pandrechten, door een vroegere octrooihouder gevestigd, zijn
alleen geldig tegenover de nieuwe octrooihouder, indien zij te goeder
trouw zijn verkregen en voor de inschrijving van de dagvaarding
gevestigd. Zij zijn nimmer tegenover deze geldig in het geval, bedoeld
in het vorige lid.
7. De vordering, bedoeld in het eerste lid, verjaart, wanneer vijf
jaren zijn verstreken na de dag van verlening van het octrooi of,
indien het een Europees octrooi betreft, na de datum, waarop
overeenkomstig artikel 97, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag
de vermelding van de verlening van het Europees octrooi is
gepubliceerd; nochtans kan degene, die bij het verkrijgen van het
octrooi wist of had moeten weten, dat hij of de persoon, die het hem
overdroeg, geen aanspraak had op het octrooi, zich niet op deze
verjaring beroepen.
8. Zodra een eindbeslissing aangaande een vordering tot opeising in
kracht van gewijsde is gegaan of de instantie is vervallen, wordt
daarvan op verzoek van de meest gerede partij in het octrooiregister
aantekening gedaan.
Artikel 79
1. Hij die opzettelijk inbreuk maakt op het recht van de
octrooihouder door het verrichten van een der in artikel 53, eerste
lid, bedoelde handelingen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
2. Hij die van het plegen van het in het vorige lid bedoelde
misdrijf zijn beroep maakt of het plegen van dit misdrijf als bedrijf
uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier
jaar of geldboete van de vijfde categorie.
3. Bij veroordeling kan door de rechter de openbaarmaking van zijn
uitspraak worden gelast.
4. Indien voorwerpen verbeurd zijn verklaard, kan de octrooihouder
vorderen, dat die voorwerpen hem worden afgegeven indien hij zich
daartoe ter griffie aanmeldt binnen een maand nadat het vonnis in
kracht van gewijsde is gegaan. Door deze afgifte gaat de eigendom van
de voorwerpen op de octrooihouder over. De rechter zal kunnen
gelasten, dat die afgifte niet zal geschieden dan tegen een door hem
bepaalde, door de octrooihouder te betalen vergoeding, welke ten bate
komt van de Staat.
5. De in dit artikel bedoelde strafbare feiten zijn misdrijven. Van
deze misdrijven neemt in Nederland in eerste aanleg uitsluitend de
rechtbank te 's-Gravenhage kennis.
Hoofdstuk 6. Octrooirechtelijke geschillen
Artikel 80
1. De rechtbank te ’s-Gravenhage is in eerste aanleg uitsluitend
bevoegd voor:
a. vorderingen tot vaststelling van ontbreken van rechtsgevolg,
vernietiging, vaststelling van een verlies van rechtsgevolg of
opeising van octrooien, bedoeld in onderscheidenlijk de artikelen
10, 75, 77 en 78;
b. vorderingen tot opeising van Europese octrooiaanvragen;
c. vorderingen tot verlening van een licentie als bedoeld in
artikel 58, eerste lid;
d. vorderingen tot vaststelling van een vergoeding als bedoeld
in de artikelen 58, 59 en 60.
2. De rechtbank te ’s-Gravenhage en de voorzieningenrechter van
die rechtbank zijn in eerste aanleg in Nederland uitsluitend bevoegd
voor:
a. vorderingen, bedoeld in de artikelen 70, 71, 72 en 73;
b. vorderingen welke worden ingesteld door een ander dan de
octrooihouder ten einde te doen vaststellen dat bepaalde door hem
verrichte handelingen niet strijdig zijn met een octrooi.
Artikel 81
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht, is
voor beroepen ingesteld tegen besluiten op grond van deze wet de
rechtbank te 's-Gravenhage bevoegd.
Artikel 82
Bij de behandeling ter terechtzitting van geschillen bedoeld in
artikel 80 mogen octrooigemachtigden het woord voeren onverminderd de
verantwoordelijkheid van de procureur.
Artikel 83
1. Van alle andere geschillen dan in de artikelen 80 en 81 bedoeld
wordt kennis genomen door de rechter die daartoe volgens de algemene
regeling der rechtspraak bevoegd is.
2. Rechtsvorderingen, die gegrond zijn op artikel 12, zesde lid,
worden aangemerkt als rechtsvorderingen met betrekking tot een
arbeidsovereenkomst, tenzij de rechtsbetrekking tussen de bij het
geschil betrokkenen niet wordt bepaald door een arbeidsovereenkomst.
3. Indien de rechter meent, dat op de beslissing van een geschil
van invloed kan zijn een rechtsvordering, die op grond van artikel 10,
75, 77 of 78 is of zou kunnen worden ingesteld, kan hij de behandeling
van het aanhangige geschil met of zonder tijdsbepaling schorsen.
Gelijke bevoegdheid bezit hij, indien op de beslissing inzake zulk een
rechtsvordering een uit anderen hoofde ingestelde rechtsvordering van
invloed kan zijn.
4. De rechter kan de behandeling van een geschil ter zake van een
Europees octrooi met of zonder tijdsbepaling schorsen, indien bij het
Europees Octrooibureau tegen dat octrooi oppositie is ingesteld
ingevolge artikel 99 van het Europees Octrooiverdrag.
Artikel 84
1. Een ieder kan het bureau schriftelijk verzoeken een advies uit
te brengen omtrent de toepasselijkheid van de in artikel 75, eerste
lid, genoemde nietigheidsgronden op een krachtens deze rijkswet
verleend octrooi.
2. Het verzoek bevat een gemotiveerde aanduiding van de aan artikel
75, eerste lid, ontleende bezwaren tegen het verleende octrooi
waaromtrent een advies wordt verlangd.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden
regels gesteld met betrekking tot de voor het advies verschuldigde
vergoeding.
Artikel 85
1. Het bureau stelt de in artikel 84 bedoelde verzoeker in de
gelegenheid de geopperde bezwaren toe te lichten. Het bureau kan
nietigheidsgronden die het baseert op het resultaat van het onderzoek
naar de stand van de techniek als bedoeld in artikel 34, vierde lid,
als bezwaren toevoegen. De houder van het desbetreffende octrooi wordt
ten minste eenmaal in de gelegenheid gesteld op de bezwaren te
reageren.
2. Het bureau is bevoegd voor de inbreng van verzoeker en
octrooihouder termijnen te stellen.
3. Het in artikel 84 bedoelde advies wordt zo spoedig mogelijk
uitgebracht, doch uiterlijk binnen twee maanden nadat het bureau
kennis heeft genomen van het standpunt van de verzoeker en de
octrooihouder of, indien toepassing is gegeven aan het vorige lid,
binnen twee maanden nadat de gestelde termijn is verstreken.
Artikel 86
Het in artikel 84 bedoelde advies bestaat uit een gemotiveerde
beoordeling van de in artikel 85, eerste lid, genoemde bezwaren.
Artikel 87
1. Het bureau is verplicht de rechter alle inlichtingen en
technische adviezen te verstrekken, die deze tot beslissing van aan
zijn oordeel onderworpen rechtsvorderingen inzake octrooien mocht
verlangen.
2. De waarde van adviezen als bedoeld in het eerste lid wordt
gelijkgesteld met die van deskundigen als bedoeld in artikel 194 en
volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 88
De in artikel 80 bedoelde rechtbank treedt op als centrale instantie,
belast met het ontvangen van rogatoire commissies en bevoegd tot het
uitvoeren van genoemde commissies van het Europees Octrooibureau,
bedoeld in regel 99 van het bij het Europees Octrooiverdrag behorende
Uitvoeringsreglement.
Artikel 89
Van alle rechterlijke uitspraken betreffende octrooien wordt door de
griffier van het desbetreffende gerecht binnen één maand kosteloos een
afschrift aan het bureau gezonden, en, indien het een Europees octrooi
betreft, tevens aan het Europees Octrooibureau, bedoeld in het Europees
Octrooiverdrag.
Hoofdstuk 7. Aanvullende beschermingscertificaten
Artikel 90
Voor de toepassing van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel
98, en de daarop berustende bepalingen, wordt verstaan onder:
verordening: de verordening (EEG) nr. 1768/92 van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 betreffende de invoering van
een aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (PbEG L
182), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij verordening (EG) nr.
1901/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
12 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik en
tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1768/92, Richtlijn 2001/20/EG,
Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004 (PbEG L 378);
basisoctrooi: een octrooi als bedoeld in artikel 1, onder c, van de
verordening;
certificaat: een aanvullend beschermingscertificaat als bedoeld in
artikel 1, onder d, van de verordening;
aanvrage om verlenging van de duur van een certificaat: een aanvraag
om verlenging van de duur van een reeds verleend certificaat als bedoeld
in artikel 1, onder e, van de verordening.
Artikel 91
De aanvrage om een certificaat en om verlenging van de duur van een
certificaat worden bij het bureau ingediend.
Artikel 92
Bij de aanvrage om een certificaat en om verlenging van de duur van
een certificaat dient een bewijsstuk te worden overgelegd waaruit blijkt
dat aan het bureau een bedrag is betaald overeenkomstig een bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld tarief.
Artikel 93
Met betrekking tot aanvragen om een certificaat en om verlenging van
de duur van een certificaat zijn de artikelen 24, derde lid, en 38,
eerste lid, van deze rijkswet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 94
Indien niet is voldaan aan het bij artikel 8 van de verordening of
het bij de artikelen 92 en 93 van deze rijkswet bepaalde, geeft het
bureau daarvan binnen twee maanden na de datum van indiening van de
aanvraag om een certificaat dan wel om verlenging van de duur van een
certificaat schriftelijk kennis aan de aanvrager, onder opgave van de
voorschriften waaraan niet is voldaan.
Artikel 95
Voor de instandhouding van een aanvullend beschermingscertificaat
moet elk jaar, voor het eerst vanaf het jaar waarin de wettelijke duur
van het basisoctrooi is verstreken, aan het bureau een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag worden betaald.
Dit bedrag wordt uiterlijk voldaan op de laatste dag van de maand waarin
de wettelijke duur van het basisoctrooi is verstreken. De artikelen 61,
derde lid, en 62 van deze rijkswet zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 96
1. De in de artikelen 9, tweede en derde lid, 11 en 16 van de
verordening voorgeschreven mededelingen geschieden in het in artikel
20 van deze rijkswet bedoelde blad.
2. Het bureau schrijft de in de artikelen 9, tweede en derde lid,
11 en 16 van de verordening bedoelde gegevens in het octrooiregister
in.
Artikel 97
De artikelen 64 tot en met 69 zijn van overeenkomstige toepassing op
certificaten.
Artikel 98
Indien een andere dan de in artikel 90 genoemde door de Raad van de
Europese Gemeenschappen vastgestelde verordening betreffende aanvullende
beschermingscertificaten in het belang van een goede uitvoering nadere
regeling behoeft geschiedt dit bij algemene maatregel van bestuur.
Daarbij kan worden voorzien in het opleggen van taksen, voor zover dat
is toegelaten ingevolge de betrokken verordening.
Hoofdstuk 8. Bijzondere bepalingen voor Curaçao en Sint Maarten
Artikel 99
In Curaçao of Sint Maarten kan een bureau voor de industriële
eigendom worden ingesteld. Dit bureau is een instelling van het
betrokken land of de betrokken landen.
Artikel 100
1. De aanvragen om octrooi van inwonenden van Curaçao of Sint
Maarten kunnen worden ingediend bij het aldaar ingestelde bureau voor
de industriële eigendom.
2. Als datum van indiening van de aanvrage geldt die, waarop bij
het betrokken bureau de in artikel 29, eerste lid, onder a, b en c,
vermelde bescheiden zijn overgelegd. Artikel 29, tweede en derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
3. Nadat het betrokken bureau de in het tweede lid bedoelde datum
op de aanvrage heeft vermeld, zendt het de aanvrage met alle
overgelegde bescheiden zo spoedig mogelijk door aan het bureau,
bedoeld in artikel 1, tenzij het meent dat deze bescheiden niet
voldoen aan het bij of krachtens artikel 24 bepaalde.
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, geeft het betrokken
bureau aan de aanvrager schriftelijk kennis van de vermeende gebreken,
met het verzoek deze binnen een door het bureau te bepalen termijn te
herstellen. Na het verstrijken van die termijn worden, onverschillig
of aan het verzoek is voldaan, de door de aanvrager overgelegde
bescheiden, alsmede een afschrift van het hem afgegeven
ontvangstbewijs door het betrokken bureau zo spoedig mogelijk aan het
bureau, bedoeld in artikel 1, toegezonden.
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 101
De Rijksoctrooiwet vervalt met ingang van een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip.
Artikel 102
1. Ten aanzien van octrooiaanvragen die zijn ingediend voor 1 april
1995 en van deze aanvragen afgesplitste octrooiaanvragen zijn de
Rijksoctrooiwet en de artikelen 102a tot en met 102e van toepassing.
2. Ten aanzien van:
a. octrooiaanvragen, ingediend na de inwerkingtreding van deze
rijkswet, met uitzondering van de in het eerste lid bedoelde
afgesplitste octrooiaanvragen,
b. octrooien, verleend op de onder a bedoelde octrooiaanvragen
en
c. licenties onder de onder b bedoelde octrooien is uitsluitend
het bij en krachtens deze rijkswet bepaalde van toepassing.
3. Deze rijkswet is niet van toepassing op aanvragen om een
certificaat als bedoeld in artikel 90 welke bij de Octrooiraad zijn
ingediend voor de datum van inwerkingtreding van deze rijkswet.
4. De artikelen 95 en 97 zijn mede van toepassing op certificaten
welke zijn verleend op aanvragen welke zijn ingediend voor de datum
van inwerkingtreding van deze rijkswet.
Artikel 102a
1. Op octrooiaanvragen ten aanzien waarvan het resultaat van het
onderzoek naar de stand van de techniek aan de aanvrager is
meegedeeld, maar de aanvraagafdeling van de Octrooiraad op de datum
van inwerkingtreding van dit artikel nog geen besluit heeft genomen
als bedoeld in artikel 24 van de Rijksoctrooiwet, verleent de
Octrooiraad in afwijking van Hoofdstuk II, Afdeling II, van de die
Rijkswet octrooi door het plaatsen van een gedateerde aantekening op
de aanvrage in de vorm zoals deze door de aanvrager is ingediend of
door hem nadien is gewijzigd.
2. Indien op de datum van inwerkingtreding van dit artikel het
resultaat van het onderzoek naar de stand van de techniek nog niet aan
de aanvrager is meegedeeld, wordt het octrooi verleend met ingang van
twee maanden na de datum waarop het resultaat van het onderzoek van de
stand van de techniek is meegedeeld aan de aanvrager, welke termijn op
verzoek van de aanvrager door de Octrooiraad eenmaal met twee maanden
kan worden verlengd.
Artikel 102b
1. In afwijking van Hoofdstuk II, Afdeling II, van de die Rijkswet
verleent de Octrooiraad octrooi op octrooiaanvragen ten aanzien
waarvan de aanvraagafdeling of de afdeling van beroep van de
Octrooiraad na de inwerkingtreding van dit artikel op grond van
artikel 24 of 24A van die Rijkswet besluit tot gehele of gedeeltelijke
openbaarmaking, door het plaatsen van een gedateerde aantekening op de
aanvrage in de vorm zoals deze door de aanvraagafdeling of de afdeling
van beroep geschikt is bevonden voor verlening.
2. Het octrooi begint te werken met ingang van de datum van het
besluit tot gehele of gedeeltelijke openbaarmaking.
Artikel 102c
1. Vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 102a is artikel
102a van overeenkomstige toepassing op octrooiaanvragen waarop de
artikelen 29A tot en met 29F van de Rijksoctrooiwet van toepassing
zijn, met dien verstande dat:
a. de Octrooiraad besluit tot verlening van het octrooi door
het plaatsen van een gedateerde aantekening op de aanvrage, doch
dat de inschrijving van de octrooiaanvrage in het octrooiregister
en de verlening van het octrooi worden opgeschort, en
b. de artikelen 41 tot en met 45 op die octrooiaanvragen van
overeenkomstige toepassing zijn.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op artikel
102b.
Artikel 102d
1. Vanaf de datum van inwerkingtreding van dit artikel of, indien
dat later is, vanaf de datum van verlening van het octrooi, hebben
octrooien die zijn verleend op grond van de Rijksoctrooiwet of die
worden verleend op grond van de artikelen 102a, 102b of 102c, in
Nederland Curaçao en Sint Maarten dezelfde rechtsgevolgen als
octrooien die zijn verleend op grond van artikel 36 en zijn daarop de
bepalingen van deze rijkswet van toepassing, met dien verstande dat:
a. de toepassing van artikel 76 beperkt is tot octrooien die
zijn verleend op grond van artikel 102a of 102c, eerste lid, en
b. de toepassing van de artikelen 84 tot en met 86 beperkt is
tot octrooien die zijn verleend op grond van de artikelen 102a,
102b of 102c.
2. Vanaf de datum van inwerkingtreding van dit artikel of, indien
dat later is, vanaf de datum van verlening van het octrooi, hebben
octrooien die zijn verleend op grond van de Rijksoctrooiwet of die
worden verleend op grond van de artikelen 102a, 102b of 102c, in Aruba
dezelfde rechtsgevolgen als octrooien die zijn verleend op grond van
artikel 34 van de Landsverordening van Aruba van 5 mei 1997 houdende
regels met betrekking tot octrooien (Octrooiverordening).
Artikel 102e
1. Op een verzoek tot herstel in de vorige toestand dat is
ingediend na de inwerkingtreding van dit artikel, is artikel 23 van de
Rijksoctrooiwet 1995 van toepassing.
2. Het bureau verleent op een octrooiaanvrage die na de
inwerkingtreding van deze wet wordt hersteld in de vorige toestand,
octrooi door het plaatsen van een gedateerde aantekening op de
aanvrage in de vorm zoals deze door de aanvrager is ingediend of door
hem nadien is gewijzigd.
3. Het octrooi begint te werken met ingang van de datum waarop het
besluit tot herstel onherroepelijk is.
Artikel 102f
Het openbare deel van de registers die worden gehouden op grond van
de Rijksoctrooiwet maakt vanaf het tijdstip, bedoeld in artikel 101,
deel uit van het register, bedoeld in artikel 19.
Artikel 103
1. Vanaf de datum van inwerkingtreding van dit artikellid is ten
aanzien van Europese octrooien, waarvan de vermelding van de verlening
overeenkomstig artikel 97, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag
is gepubliceerd voor de inwerkingtreding van deze rijkswet, en
licenties onder deze octrooien, het bij en krachtens deze rijkswet
bepaalde van toepassing.
2. Ten aanzien van Europese octrooien, waarvan de vermelding van de
verlening overeenkomstig artikel 97, vierde lid, van het Europees
Octrooiverdrag is gepubliceerd na de inwerkingtreding van deze
rijkswet, en licenties onder deze octrooien, is uitsluitend het bij en
krachtens deze rijkswet bepaalde van toepassing.
Artikel 104
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 105
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 106
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 107
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 108
1. De artikelen 57 tot en met 58a zijn van toepassing op licenties
onder octrooien die zijn verleend op grond van de Rijksoctrooiwet of
die worden verleend op grond van de artikelen 102a, 102b of 102c.
2. Indien voor de inwerkingtreding van deze rijkswet een verzoek
tot verlening van een licentie overeenkomstig artikel 34, vijfde lid,
van de Rijksoctrooiwet is ingediend, vindt het eerste lid geen
toepassing.
Artikel 109
Tot de stand van de techniek, bedoeld in de artikelen 4 en 75, tweede
lid, behoort tevens de inhoud van voor de inwerkingtreding van deze
rijkswet ingediende octrooiaanvragen, die op of na de in artikel 4,
tweede lid, van deze wet onderscheidenlijk artikel 80 van het Europees
Octrooiverdrag bedoelde dag overeenkomstig artikel 22C van de
Rijksoctrooiwet ter inzage worden gelegd of, indien terinzagelegging nog
niet had plaatsgevonden, overeenkomstig artikel 25 van die rijkswet
openbaar worden gemaakt.
Artikel 110
Indien in deze rijkswet geregelde onderwerpen in het belang van een
goede uitvoering van deze rijkswet nadere regeling behoeven, kan deze
geschieden bij algemene maatregel van rijksbestuur.
Artikel 111
De artikelen van deze rijkswet treden in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 112
Deze rijkswet wordt aangehaald als: Rijksoctrooiwet met vermelding
van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.
Artikel 113
1. Deze rijkswet is verbindend voor het Europese deel van Nederland
en, behoudens hoofdstuk 7, voor Curaçao en Sint Maarten en Bonaire,
Sint Eustatius en Saba.
2. Deze rijkswet is voor Aruba slechts verbindend voor zover het
betreft de artikelen 40 tot en met 45, 59, 101, 102, eerste lid,
artikel 102a tot en met artikel 102f, 104 tot en met 108, 111 en 114.
Voor de toepassing van de artikelen 40 tot en met 45 in Aruba wordt
onder "bureau" verstaan het Bureau voor de Intellectuele
Eigendom van Aruba.
Artikel 114
In Nederland kan bij wet en in Aruba, Curaçao en Sint Maarten kan
bij landsverordening worden verklaard, dat de in deze rijkswet vervatte
onderlinge regeling dient te worden beëindigd. Met ingang van het derde
kalenderjaar na dat van afkondiging van zodanige wet of landsverordening
verkrijgt deze rijkswet in Nederland de staat van wet en in Aruba,
Curaçao en Sint Maarten de staat van landsverordening. Het bepaalde in
de vorige volzinnen geldt niet met betrekking tot de artikelen 40 tot en
met 45 en artikel 59.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 15 december 1994
BEATRIX
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
A. van Dok-van Weele
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de zestiende februari 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|