| |
|
|
|
|
vorige
RIJKSWET
ONDERZOEKSRAAD VOOR VEILIGHEID
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit Onderzoeksraad voor
veiligheid
- Regeling Onderzoeksraad voor
veiligheid
RIJKSWET van 2 december 2004, houdende
instelling van een Onderzoeksraad voor veiligheid (Rijkswet
Onderzoeksraad voor veiligheid)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
algemene onafhankelijke raad in te stellen voor het onderzoek van
rampen, ongevallen en incidenten teneinde de oorzaken of vermoedelijke
oorzaken van het voorval of de categorie voorvallen en van de omvang van
hun gevolgen vast te stellen en daaraan aanbevelingen te verbinden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en
met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut
voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
b. Onze Minister van Justitie: Onze Minister van Justitie van
Nederland, tenzij anders wordt bepaald;
c. de raad: de Onderzoeksraad voor veiligheid, genoemd in
artikel 2, eerste lid;
d. de leden van de raad: zowel de leden van de raad, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, als de buitengewone leden van de raad,
bedoeld in artikel 6, tweede lid;
e. het bureau: het bureau, bedoeld in artikel 11, tweede lid;
f. voorval: gebeurtenis die de dood of letsel van een persoon
dan wel schade aan een zaak of het milieu veroorzaakt, alsmede een
gebeurtenis die gevaar voor een dergelijk gevolg in het leven
heeft geroepen;
g. schip: zaak, geen luchtvaartuig zijnde, die blijkens zijn
constructie bestemd is om te drijven en drijft of heeft gedreven;
h. zeeschip: schip dat blijkens zijn constructie uitsluitend of
in hoofdzaak voor drijven in zee is bestemd;
i. Nederlands zeeschip: zeeschip dat op grond van de voor
Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het
Koninkrijk der Nederlanden te voeren;
j. Curaçaos zeeschip: zeeschip dat op grond van de voor
Curaçao geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het
Koninkrijk der Nederlanden te voeren;
k. Arubaans zeeschip: zeeschip dat op grond van de voor Aruba
geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk der
Nederlanden te voeren;
l. Sint-Maartens zeeschip: zeeschip dat op grond van de voor
Sint Maarten geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het
Koninkrijk der Nederlanden te voeren;
m. ro-ro-veerboot: ro-ro-veerboot als omschreven in artikel 2,
onderdeel a, van richtlijn nr. 1999/35/EG van de Raad van de
Europese Unie van 29 april 1999 betreffende een stelsel van
verplichte onderzoeken voor de veilige exploitatie van geregelde
diensten met ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen
(PbEG L 138);
n. hogesnelheidspassagiersvaartuig:
hogesnelheidspassagiersvaartuig als omschreven in artikel 2,
onderdeel b, van richtlijn nr. 1999/35/EG van de Raad van de
Europese Unie van 29 april 1999 betreffende een stelsel van
verplichte onderzoeken voor de veilige exploitatie van geregelde
diensten met ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen
(PbEG L 138);
o. luchtvaartuig: toestel dat in de dampkring kan worden
gehouden ten gevolge van krachten die de lucht daarop uitoefent,
anders dan de krachten van de lucht tegen het aardoppervlak;
p. Nederlands luchtvaartuig: een in Nederland geregistreerd
luchtvaartuig;
q. oorzaken: handelingen, verzuimen, gebeurtenissen,
omstandigheden of een combinatie daarvan die tot het voorval
hebben geleid;
r. aanbeveling: voorstel van de raad op basis van uit onderzoek
van de raad voortvloeiende informatie met de bedoeling toekomstige
voorvallen te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken;
s. vluchtrecorder: elk soort, ter vergemakkelijking van
onderzoeken van ongevallen en incidenten, in het luchtvaartuig
geïnstalleerd registratietoestel;
2. Onder een voorval als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f,
wordt niet verstaan:
a. een verstoring van de openbare orde als bedoeld in artikel 172,
derde lid, van de Gemeentewet of artikel 174, derde lid, van de Wet
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, een oproerige
beweging of een andere ernstige wanordelijkheid als bedoeld in artikel
175, eerste lid, van de Gemeentewet of artikel 178, eerste lid, van de
Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan wel een
situatie die ernstig doet vrezen voor het ontstaan van een van deze
gebeurtenissen;
b. een optreden van bevoegde autoriteiten ter handhaving van de
rechtsorde;
c. een optreden van de krijgsmacht of een onderdeel daarvan:
1°. in een situatie van oorlog of gewapend conflict;
2°. tijdens een operatie ter handhaving of bevordering van de
internationale rechtsorde;
3°. op grond van de Politiewet 1993, de Rijkswet politie van
Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
of de Veiligheidswet BES;
4°. in het kader van het verlenen van bijstand ingevolge de
Aanwijzingen inzake de inzet van de krijgsmacht in Aruba, Curaçao
en Sint Maarten.
3. Met een Nederlands luchtvaartuig wordt gelijkgesteld een
luchtvaartuig dat door een in Nederland gevestigde natuurlijke
persoon, rechtspersoon met of zonder winstoogmerk of overheidslichaam
met of zonder rechtspersoonlijkheid wordt geëxploiteerd.
Hoofdstuk 2. De raad
§ 1. Instelling en taak
Artikel 2
1. Er is een Onderzoeksraad voor veiligheid.
2. De raad is gevestigd te ‘s-Gravenhage.
3. De raad bezit rechtspersoonlijkheid.
Artikel 3
De raad heeft, met het uitsluitende doel toekomstige voorvallen te
voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken, tot taak te onderzoeken en
vast te stellen wat de oorzaken of vermoedelijke oorzaken van
individuele of categorieën voorvallen en van de omvang van hun gevolgen
zijn en daaraan zo nodig aanbevelingen te verbinden.
Artikel 4
1. De raad is bevoegd een onderzoek in te stellen naar:
a. voorvallen op, boven of onder het grondgebied van Nederland
met inbegrip van wateren onder Nederlandse jurisdictie;
b. voorvallen op, boven of onder het grondgebied van Aruba,
Curaçao of Sint Maarten met inbegrip van wateren onder Arubaanse,
Curaçaose of Sint-Maartense jurisdictie, indien de raad door de
regering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten om een
onderzoek daarnaar wordt verzocht;
c. voorvallen waarbij een Nederlands zeeschip op volle zee of
in wateren onder andere dan Nederlandse jurisdictie is betrokken;
d. voorvallen waarbij een ro-ro-veerboot of een
hogesnelheidspassagiersvaartuig op volle zee is betrokken dat het
laatst een haven in Nederland heeft aangedaan;
e. voorvallen waarbij een Nederlands luchtvaartuig is betrokken
boven volle zee of in het buitenland;
f. voorvallen waarbij een Arubaans, Curaçaos of Sint-Maartens
zeeschip is betrokken op volle zee of in wateren onder andere dan
Arubaanse, Curaçaose of Sint-Maartense jurisdictie, indien de
raad door de regering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint
Maarten om een onderzoek daarnaar wordt verzocht;
g. voorvallen waarbij een Arubaans, Curaçaos of Sint-Maartens
luchtvaartuig is betrokken boven volle zee of in het buitenland,
indien de raad door de regering van Aruba, Curaçao
onderscheidenlijk Sint Maarten om een onderzoek daarnaar wordt
verzocht.
2. De bevoegdheid tot onderzoek strekt zich tevens uit tot:
a. de wijze waarop in Nederland is omgegaan met de gevolgen van
voorvallen in het buitenland waarvan de gevolgen zich uitstrekken
tot het grondgebied van Nederland met inbegrip van wateren onder
Nederlandse jurisdictie;
b. de wijze waarop in Aruba, Curaçao of Sint Maarten is
omgegaan met de gevolgen van voorvallen in het buitenland waarvan
de gevolgen zich uitstrekken tot het grondgebied van Aruba,
Curaçao of Sint Maarten met inbegrip van wateren onder Arubaanse,
Curaçaose of Sint-Maartense jurisdictie, indien de raad door de
regering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten om een
onderzoek daarnaar wordt verzocht;
c. het omgaan met de gevolgen van de voorvallen, bedoeld in het
eerste lid, onderdelen a, c, d en e;
d. het omgaan met de gevolgen van de voorvallen, bedoeld in het
eerste lid, onderdelen b, f en g, indien de raad door de regering
van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten om een
onderzoek naar die voorvallen wordt verzocht.
3. De raad is overigens bevoegd een onderzoek in te stellen naar
voorvallen en het omgaan met de gevolgen van voorvallen, voor zover
het betreft voorvallen waarbij betrokken is een zaak of een persoon,
in gebruik bij onderscheidenlijk in de uitoefening van een functie ten
behoeve van:
a. Onze Minister van Defensie;
b. een buitenlandse krijgsmacht, indien het voorval plaatsvond
op of boven het grondgebied van het Koninkrijk, met inbegrip van
de territoriale zee en het bij het grondgebied behorende
continentaal plat, alsmede voor zover het een voorval met een
luchtvaartuig betreft, indien het voorval plaatsvond binnen het
vluchtinformatiegebied Curaçao, voor zover dit
vluchtinformatiegebied niet omvat gebieden of wateren, behorend
tot de jurisdictie van een andere staat.
4. De raad is overigens ook bevoegd een onderzoek in te stellen
naar voorvallen en het omgaan met de gevolgen van voorvallen, voor
zover het betreft voorvallen waarbij betrokken is een zaak of een
persoon, in gebruik bij onderscheidenlijk in de uitoefening van een
functie ten behoeve van een organisatie waarvan het beheer is
opgedragen aan Onze Minister van Defensie.
Artikel 5
1. Bij algemene maatregel van rijksbestuur of algemene maatregel
van bestuur wordt bepaald ten aanzien van welke voorvallen de raad
verplicht is een onderzoek in te stellen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur of algemene
maatregel van bestuur worden ten aanzien van nader aan te wijzen
voorvallen waarbij ook een andere staat of een ander land betrokken
is, regels gesteld over de inrichting van het onderzoek, over het
samenwerken met die andere staat of dat andere land bij de uitvoering
van het onderzoek en de rol van de raad in deze gevallen alsmede de
bij een dergelijk onderzoek in acht te nemen internationale
verplichtingen.
Artikel 5a
Voor zover daarvan niet uitdrukkelijk wordt afgeweken, wordt de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen ten aanzien van de raad in acht
genomen. Op als zelfstandig bestuursorgaan aan te merken functionarissen
van de raad is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen niet van
toepassing.
§ 2. Inrichting en samenstelling
Artikel 6
1.De raad kent vijf leden, de voorzitter daaronder begrepen.
2.Voorts maken buitengewone leden deel uit van de raad.
3.De raad doet aan zijn beraadslagingen ten aanzien van individuele
of categorieën voorvallen daarvoor in aanmerking komende buitengewone
leden deelnemen.
4.Aan de beraadslagingen van de raad nemen buitengewone leden niet
deel voor de toepassing van de artikelen 7, 16, 17, 20, eerste lid,
25, 26, 65 en 71.
Artikel 7
1.In afwijking van artikel 12, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen worden de leden van de raad, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en
ontslagen, de raad gehoord.
2.In afwijking van artikel 12, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen worden de leden van de raad, bedoeld in
artikel 6, tweede lid, bij koninklijk besluit op voordracht van Onze
Minister, gedaan in overeenstemming met Onze Minister in Nederland wie
het mede aangaat, benoemd, geschorst en ontslagen, de raad gehoord.
3.De keuze van de leden van de raad geschiedt op zodanige wijze dat
alle relevante deskundigheid in de raad aanwezig is. In de raad is in
ieder geval deskundigheid aanwezig op het terrein van defensie en
transport. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen terzake
nadere regels worden gesteld.
4.Het lidmaatschap van de raad wordt aangewezen als een
vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet veiligheidsonderzoeken.
5.De benoeming van de leden van de raad geschiedt voor een periode
van vier jaar. De zittingsduur van het lid dat is benoemd op een
tussentijds opengevallen plaats, is gelijk aan de duur van de
resterende zittingsperiode van het lid in wiens plaats dit lid is
benoemd. De leden van de raad kunnen eenmaalworden herbenoemd.
6.Onze Minister draagt in overeenstemming met Onze Minister in
Nederland wie het mede aangaat, zorg voor openbaarmaking van een
vacature in de raad. De raad kan aan Onze Minister een met redenen
omkleed voorstel doen voor openbaarmaking van een vacature.
7.Op eigen verzoek wordt aan de leden van de raad ontslag verleend
uiterlijk met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na
de dag waarop Onze Minister het verzoek om ontslag heeft ontvangen.
8.Onverminderd het zevende lid zijn schorsing en ontslag alleen
mogelijk wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde
functie dan wel wegens andere zwaarwegende in de persoon van de
betrokkene gelegen redenen.
Artikel 8
1. Een van de leden van de raad, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
wordt bij koninklijk besluit benoemd tot voorzitter van de raad.
2. Een van de leden van de raad, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
wordt bij koninklijk besluit benoemd tot plaatsvervangend voorzitter
van de raad.
Artikel 9
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden regels
gesteld omtrent de wijze van beëdiging van de leden van de raad.
Artikel 10
1. De raad kan commissies instellen.
2. Een commissie bestaat uit een of meer leden van de raad als
bedoeld in artikel 6, eerste lid, en een of meer leden als bedoeld in
artikel 6, tweede lid.
3. De raad wijst een van de leden van de raad, bedoeld in artikel
6, eerste lid, aan als voorzitter van de commissie.
4. De raad kan een commissie de bevoegdheid verlenen namens hem
beslissingen te nemen.
§ 3. Het bureau
Artikel 11
1. De raad heeft een algemeen secretaris.
2. De raad wordt ondersteund door een bureau.
3. Het bureau staat onder leiding van de algemeen secretaris.
4. De keuze van de medewerkers van het bureau geschiedt op zodanige
wijze dat alle relevante deskundigheid in het bureau aanwezig is. De
functie van medewerker van het bureau, waaronder begrepen die van
algemeen secretaris, wordt aangewezen als een vertrouwensfunctie als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
veiligheidsonderzoeken.
5. Tot de medewerkers van het bureau behoren door Onze Minister van
Defensie in overeenstemming met de voorzitter van de raad aldaar met
behoud van hun rechtspositie geplaatste militairen, die worden ingezet
bij het onderzoek van voorvallen als bedoeld in artikel 4, derde lid.
Zij kunnen door de raad ook voor andere onderzoekstaken worden
ingezet.
Artikel 12
De algemeen secretaris noch een van de medewerkers van het bureau is
lid van de raad. De algemeen secretaris is slechts verantwoording
schuldig aan de raad.
Artikel 13
1. Op de rechtspositie van de secretaris en de medewerkers van het
bureau, genoemd in artikel 11, tweede lid, zijn de regels die gelden
voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries van toepassing,
met dien verstande dat waar in deze regels een bevoegdheid is
toegekend aan een andere minister dan Onze Minister, deze bevoegdheid
wordt uitgeoefend door de raad.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van de
in het eerste lid bedoelde regels.
Artikel 14
1. Onze Minister wie het aangaat, kan op verzoek van de raad een of
meer onder hem ressorterende deskundigen aanwijzen, die met
inachtneming van de door of namens de raad gegeven aanwijzingen de
raad tijdens het verrichten van een nader aangeduid onderzoek
bijstaan.
2. Voor het onderzoek van een voorval als bedoeld in artikel 4,
derde lid, wordt slechts bijstand verleend door deskundigen,
aangewezen op grond van het eerste lid, aan wie op grond van de Wet
veiligheidsonderzoeken een verklaring is afgegeven dat uit het oogpunt
van de veiligheid van de staat of andere gewichtige belangen van de
staat geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een
vertrouwensfunctie, behoudens in gevallen waarin door Onze Minister
van Defensie anders wordt beslist.
3. Onze Minister onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie kan
ten aanzien van een ander voorval dan in het tweede lid bedoeld
bepalen dat voor het onderzoek daarvan slechts bijstand wordt verleend
door deskundigen, aangewezen op grond van het eerste lid, aan wie een
verklaring als bedoeld in het tweede lid is afgegeven.
4. De deskundigen, aangewezen op grond van het eerste lid, worden
voor de duur van het onderzoek toegevoegd aan het bureau.
5. De deskundigen, aangewezen op grond van het eerste lid, vallen
tijdens het verrichten van het betrokken onderzoek onder de
verantwoordelijkheid van de raad.
§ 4. Werkwijze
Artikel 15
1.De leden van de raad hebben zitting zonder last.
2.Een lid van de raad onthoudt zich van deelneming aan de
behandeling van een onderzoek dat:
a. hemzelf of een van zijn bloed- of aanverwanten tot en met de
vierde graad aangaat;
b. een instelling of rechtspersoon betreft waarbij hij werkzaam
is of belang heeft;
c. een voorval betreft waarbij hij op enigerlei wijze betrokken
is geweest.
Artikel 16
1. Een medewerker van het bureau alsmede een op grond van artikel
14, eerste lid, aangewezen deskundige meldt onverwijld aan de
voorzitter van de raad dat het onderzoek:
a. hemzelf of een van zijn bloed- of aanverwanten tot en met de
vierde graad aangaat;
b. een instelling of rechtspersoon betreft waarbij hij werkzaam
is of belang heeft;
c. een voorval betreft waarbij hij op enigerlei wijze betrokken
is geweest.
De raad beslist of hij zich om deze reden van deelneming aan het
onderzoek moet onthouden.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de algemeen
secretaris aangemerkt als medewerker van het bureau.
3. Indien de raad op grond van het eerste lid daarom verzoekt,
vervangt Onze Minister wie het aangaat, in het desbetreffende
onderzoek een of meer deskundigen, aangewezen op grond van artikel 14,
eerste lid.
Artikel 17
De raad stelt, binnen een half jaar na zijn instelling, een
bestuursreglement vast.
Artikel 17a
Artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is niet van
toepassing.
§ 5. Beheer
Artikel 18
De rechtspersoon Onderzoeksraad voor veiligheid wordt in en buiten
rechte vertegenwoordigd door de voorzitter van de raad en, bij
afwezigheid van deze, door de plaatsvervangend voorzitter van de raad.
Artikel 19
1. De inkomsten van de rechtspersoon Onderzoeksraad voor veiligheid
bestaan uit een jaarlijkse bijdrage ten laste van de begroting voor
het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2. Indien bijzondere omstandigheden dit noodzakelijk maken, kunnen
aan de raad additionele middelen ter beschikking worden gesteld.
Artikel 20
1.De raad stelt vóór 1 november een begroting vast voor het
volgende boekjaar alsmede een financieel meerjarenbeleidsplan.
2.De begroting en het financieel meerjarenbeleidsplan behoeven de
goedkeuring van Onze Minister.
3.De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht
of het algemeen belang.
4.Bij ministeriële regeling wordt de maximale omvang van de
egalisatiereserve vastgesteld.
Artikel 21
1.De jaarrekening, waarin rekening en verantwoording wordt afgelegd
van het financieel beheer en van de geleverde prestaties over het
verstreken boekjaar, wordt ingericht zoveel mogelijk met
overeenkomstige toepassing van het gestelde in titel 9 van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek.
2.De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393,
eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing
van de accountant bedingt de raad dat aan Onze Minister desgevraagd
inzicht wordt geboden in de controlewerkzaamheden van de accountant.
3.De verklaring, bedoeld in het tweede lid, heeft mede betrekking
op de rechtmatige inning en besteding van de middelen door de raad.
4.De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede lid,
tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en
de organisatie van de raad voldoen aan eisen van doelmatigheid.
5.De raad stelt de jaarrekening en de verklaring, bedoeld in het
tweede lid, algemeen verkrijgbaar.
Artikel 22 [Vervallen per 01-02-2007]
Artikel 23 [Vervallen per 01-02-2007]
Artikel 24 [Vervallen per 01-02-2007]
Artikel 25
1. De raad stelt jaarlijks vóór 1 juli een verslag op van de
werkzaamheden, het in het afgelopen kalenderjaar gevoerde beleid in
het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn
werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder.
2. In het jaarverslag wordt in ieder geval een overzicht
gepubliceerd van de onderzochte voorvallen, de conclusies daaromtrent
in de rapporten en de daaraan zo nodig verbonden aanbevelingen. Het
jaarverslag bevat tevens het onderzoeksprogramma van de raad.
3. Het jaarverslag wordt aan Onze Ministers, beide Kamers der
Staten-Generaal, de Staten van Aruba, de Staten van Curaçao en de
Staten van Sint Maarten toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
Artikel 26
1.In afwijking van artikel 20, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, kan de raad weigeren Onze Minister
inlichtingen te verstrekken of inzage te geven in zakelijke gegevens
en bescheiden, met betrekking tot de inhoud en de aanpak van lopende
onderzoeken van de raad.
2.Onze Minister verstrekt de raad de inlichtingen die deze voor
zijn taakuitoefening in het algemeen nodig heeft.
3.Onze Minister stelt een informatiestatuut vast. Het
informatiestatuut bevat inhoudelijke en procedurele voorschriften met
betrekking tot het informatieverkeer tussen Onze Minister en de raad
dat voor een goede uitvoering van deze rijkswet noodzakelijk is.
Artikel 27
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over
de inrichting van de ontwerp-begroting, het financieel
meerjarenbeleidsplan, de accountantscontrole en het jaarverslag.
Hoofdstuk 3. Melding
Artikel 28
1. Bij algemene maatregel van rijksbestuur of algemene maatregel
van bestuur kunnen personen of instanties worden aangewezen die
verplicht zijn tot het melden van bij die aanwijzing aangeduide
voorvallen. Daarbij kunnen tevens nadere voorschriften omtrent de
meldingen worden gegeven.
2. Bij algemene maatregel van rijksbestuur of algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat de raad meldingen doorgeeft aan
Onze Minister wie het aangaat.
Artikel 29
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het melden door
Nederland van daarbij aangewezen voorvallen en het verstrekken van
andere informatie terzake aan een buitenlandse staat of aan een
internationale organisatie.
Hoofdstuk 4. Informatiemateriaal
Artikel 30
1. De burgemeester, de gezaghebber van het openbare lichaam
Bonaire, Sint Eustatius of Saba, Onze Minister die openbare orde in
portefeuille heeft van Aruba, Curaçao of Sint Maarten of, indien het
een boorplatform betreft, de Inspecteur-Generaal der Mijnen, is
bevoegd maatregelen te treffen die ertoe strekken dat de situatie ter
plaatse van een voorval niet wordt gewijzigd. Ten aanzien van
terreinen en schepen in beheer bij Onze Minister van Defensie komt
deze bevoegdheid toe aan Onze Minister van Defensie.
2. Bij algemene maatregel van rijksbestuur of algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat in daarbij aangegeven gevallen
maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden getroffen.
Artikel 31
1. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur of algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in daarbij aangewezen
gevallen de bij een voorval direct betrokken zaken behoudens daarbij
te bepalen uitzonderingen ter beschikking van de raad blijven of komen
voor de duur van het onderzoek of zoveel korter of langer als de
voorzitter van de raad nodig oordeelt.
2. Bij toepassing van het eerste lid kan worden bepaald dat het een
ieder verboden is onbevoegdelijk bij het voorval betrokken zaken weg
te nemen of op andere wijze aan het onderzoek te onttrekken.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur of algemene
maatregel van bestuur kunnen ter zake van het bepaalde in het eerste
lid en ter zake van de teruggave van zaken nadere regels worden
gesteld.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur of algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot
van overheidswege te verlenen bijstand bij het weer ter beschikking
krijgen van zaken als bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 5. Het onderzoek
§ 1. Bevoegdheden van de onderzoekers
Artikel 32
Het ten aanzien van de onderzoekers gestelde bij of krachtens de
artikelen 33 tot en met 40 en artikel 69, vierde lid, geldt voor de
leden van de raad, de medewerkers van het bureau, voor zover als
onderzoeker bij hun aanstelling aangewezen, en op grond van artikel 14,
eerste lid, aangewezen deskundigen.
Artikel 33
1. Bij de uitoefening van zijn taak draagt een onderzoeker een
legitimatiebewijs bij zich, dat is uitgegeven door de raad.
2. Een onderzoeker toont zijn legitimatiebewijs desgevraagd
aanstonds.
3. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de onderzoeker en
vermeldt in ieder geval zijn naam en hoedanigheid.
Artikel 34
Een onderzoeker maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor
zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
Artikel 35
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden voor
de uitoefening van de aan een onderzoeker toekomende bevoegdheden.
Artikel 36
1. Een onderzoeker is bevoegd, met medeneming van de benodigde
apparatuur, elke plaats te betreden, met inbegrip van het woongedeelte
van een schip. Een woning niet aan boord van een schip wordt slechts
betreden met toestemming van de bewoner.
2. Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke
arm.
3. Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die
daartoe door hem zijn aangewezen.
4. De bevoegdheden, bedoeld in het eerste en derde lid, worden met
betrekking tot terreinen en schepen in gebruik bij Onze Minister van
Defensie, uitgeoefend in overeenstemming met Onze Minister van
Defensie.
Artikel 37
Een onderzoeker is bevoegd inlichtingen te vorderen.
Artikel 38
1. Een onderzoeker is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke
gegevens en bescheiden.
2. Hij is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken.
3. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden,
is hij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel korte tijd mee
te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.
Artikel 39
1. Een onderzoeker is bevoegd zaken te onderzoeken, aan opneming te
onderwerpen en daarvan monsters te nemen.
2. Hij is bevoegd daartoe verpakkingen te openen.
3. Indien het onderzoek, de opneming of de monsterneming niet ter
plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de zaken voor dat doel voor
korte tijdmee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk
bewijs.
4. De genomen monsters worden voor zover mogelijk teruggegeven.
Artikel 40
1. Een ieder is verplicht aan een onderzoeker binnen de door hem
gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze
redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
2. Onze Minister, Onze Minister van Defensie en Onze Minister van
Justitie kunnen bij het verlenen van medewerking door henzelf of door
onder hen ressorterende personen aangeven dat daarbij aangeduide
informatie vertrouwelijk aan de raad wordt verstrekt. Het
vertrouwelijk verstrekken van informatie aan de raad geschiedt met
overeenkomstige toepassing van artikel 57. De vertrouwelijk verstrekte
informatie wordt niet openbaar gemaakt.
3. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift
verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking
weigeren, voorzover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.
Degenen voor wie een wettelijk voorschrift geldt dat verplicht tot
geheimhouding behoudens voorzover enig ander wettelijk voorschrift tot
bekendmaking of medewerking verplicht, kunnen eveneens hun medewerking
weigeren indien daarvoor gewichtige redenen zijn.
§ 2. Het onderzoek
Artikel 41
1. De raad beslist of een onderzoek wordt ingesteld, onverminderd
het bepaalde op grond van artikel 5.
2. De voorzitter van de raad kan beslissen dat, vooruitlopend op de
beslissing van de raad, bedoeld in het eerste lid, reeds voorlopig een
onderzoek wordt ingesteld. De voorzitter van de raad kan aan een ander
lid van de raad of de algemeen secretaris de bevoegdheid verlenen om
namens hem deze beslissing te nemen.
3. De beslissing tot het instellen van een onderzoek of een
voorlopig onderzoek wordt genomen binnen vijf dagen, te rekenen vanaf
de dag van het voorval. Dit geldt niet:
a. in geval een voorval in samenhang met andere voorvallen
wordt onderzocht;
b. indien naderhand blijkt van feiten of omstandigheden die
alsnog een onderzoek rechtvaardigen;
c. indien het onderzoek uitsluitend het omgaan met de gevolgen
van een voorval betreft.
4. De raad stelt Onze Minister wie het aangaat, alsmede in
voorkomende gevallen het bestuur van een provincie of gemeente of het
bestuur van het openbare lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba in
kennis van het instellen van een onderzoek.
Artikel 42
De raad onthoudt zich van onderzoek indien Onze Minister dit bepaalt
om overwegende redenen van de veiligheid van de landen van het
Koninkrijk dan wel om overwegende redenen verband houdende met de
handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde.
Artikel 43
1. Onze Minister wie het aangaat in Nederland, de commissaris van
de Koning, de burgemeester of de gezaghebber van het openbare lichaam
Bonaire, Sint Eustatius of Saba kan een schriftelijk verzoek tot het
instellen van een onderzoek indienen bij de raad.
2. De raad beslist op het verzoek zo spoedig mogelijk doch
uiterlijk binnen vier weken na ontvangst en stelt de indiener van het
verzoek van zijn beslissing in kennis. De raad kan deze termijn
eenmaal met vier weken verlengen. Van de verlenging brengt de raad de
indiener van het verzoek op de hoogte. Artikel 41, derde lid, is niet
van toepassing.
3. Indien de raad negatief beslist op een verzoek wordt deze
beslissing met redenen omkleed.
Artikel 44
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het in daarbij
aangewezen gevallen melden van het instellen van het onderzoek en het
zenden van een voorlopig bericht aan een buitenlandse staat dan wel een
internationale organisatie.
Artikel 45
1. De raad kan toestaan dat op verzoek van een staat één of meer
vertegenwoordigers van die staat aan het onderzoek deelnemen. Onze
Minister wie het aangaat, kan door tussenkomst van Onze Minister van
Buitenlandse Zaken ook een dergelijk verzoek tot een andere staat
richten.
2. In geval van een onderzoek naar militaire voorvallen waarbij,
behalve betrokkenheid van materieel, personeel of voorzieningen van de
Nederlandse krijgsmacht, tevens sprake is van betrokkenheid van
materieel, personeel of voorzieningen van een of meer andere staten,
aangesloten bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, stelt de
raad vertegenwoordigers van die staat of staten in de gelegenheid aan
het onderzoek deel te nemen.
3. In geval van een onderzoek naar voorvallen waarbij Aruba,
Curaçao of Sint Maarten betrokken zijn, kan de raad toestaan dat op
verzoek van de regering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint
Maarten één of meer vertegenwoordigers van Aruba, Curaçao
onderscheidenlijk Sint Maarten aan het onderzoek deelnemen.
4. De vertegenwoordigers kunnen zich door deskundigen doen
bijstaan.
5. De vertegenwoordigers en deskundigen hebben toegang tot de
tijdens het onderzoek vergaarde gegevens en informatie, mits zij zich
tot geheimhouding verplichten en zij in de staten of landen die zij
vertegenwoordigen, niet aan een ruimere openbaarheid van gegevens zijn
gehouden dan ingevolge deze rijkswet mogelijk is. Zij geven aan de
raad alle relevante informatie die zij ter beschikking hebben.
6. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen de
raad in verband met internationale afspraken verplicht is toepassing
te geven aan het eerste lid. Bij ministeriële regeling wordt eveneens
bepaald in welke gevallen Onze Minister in Nederland wie het aangaat,
verplicht is een verzoek te doen als bedoeld in het eerste lid.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur of algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de
bevoegdheden van nader aangeduide vertegenwoordigers en de deskundigen
die hen bijstaan.
Artikel 46
Bij ministeriële regeling kunnen in daarbij aangewezen gevallen
nader aan te duiden rechten ter zake van een onderzoek worden toegekend
aan een staat waarvan burgers nader aangeduid letsel hebben opgelopen.
Artikel 47
De raad is bevoegd ten behoeve van het onderzoek naar een voorval met
een luchtvaartuig, niet zijnde een luchtvaartuig in gebruik bij Onze
Minister van Defensie of een buitenlandse krijgsmacht, de bijstand in te
roepen van instanties en organisaties uit de andere lidstaten van de
Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor het
beschikbaar stellen van:
a. installaties, voorzieningen en apparatuur voor:
1°. het technische onderzoek van wrakstukken en
boordapparatuur en andere voor het onderzoek belangrijke
voorwerpen;
2°. de verwerking van informatie afkomstig van
vluchtrecorders en
3°. de elektronische opslag en verwerking van gegevens over
luchtvaartongevallen;
b. deskundigen die gespecialiseerd zijn in onderzoek naar
ongevallen of incidenten, teneinde hun welomschreven werkzaamheden
toe te vertrouwen en zulks uitsluitend bij een onderzoek naar
aanleiding van een belangrijk luchtvaartongeval.
Artikel 48
1. De raad kan een zitting houden.
2. Van plaats, dag en uur van de zitting doet de raad schriftelijk
mededeling aan:
a. de natuurlijke personen, rechtspersonen of bestuursorganen
waarvan het handelen of nalaten blijkens het voorlopig oordeel van
de raad heeft bijgedragen tot het ontstaan van het voorval, of de
nabestaanden van een natuurlijke persoon als hiervoor bedoeld;
b. de in artikel 45 bedoelde vertegenwoordigers die aan het
onderzoek deelnemen;
c. Onze Minister van Defensie, indien het een onderzoek betreft
van een voorval als bedoeld in artikel 4, derde of vierde lid;
d. Onze Minister onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie,
na een daartoe strekkend verzoek.
3. Plaats, dag en uur van de zitting worden eveneens bekendgemaakt
in de Staatscourant.
Artikel 49
Indien de raad beslist tot het houden van een zitting, kan hij
bepalen dat degenen die zijn bedoeld in artikel 48, tweede lid,
onderdeel a, op het voorval betrekking hebbende stukken kunnen inzien
indien dat naar zijn oordeel uit een oogpunt van waarheidsvinding
noodzakelijk is. Degenen die stukken inzien zijn, anders dan in
contacten ter voorbereiding van de behandeling ter zitting, tot
geheimhouding verplicht.
Artikel 50
1. De raad houdt zitting in het openbaar.
2. De raad kan om gewichtige redenen beslissen dat de behandeling
van een zaak of een gedeelte daarvan niet in het openbaar wordt
gehouden. De raad is verplicht deze beslissing te nemen op grond van
een daartoe strekkende wens van de persoon die wordt gehoord indien
deze meent door een verhoor in het openbaar zichzelf of een van zijn
bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede
of derde graad of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot dan wel
geregistreerde partner of vroegere geregistreerde partner aan het
gevaar van een strafrechtelijke of tuchtrechtelijke veroordeling, een
disciplinaire maatregel of een nadelige civielrechtelijke uitspraak
bloot te stellen. De raad stelt de persoon die wordt gehoord van deze
mogelijkheid in kennis.
3. Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels
gesteld omtrent de orde van behandeling van zaken door de raad tijdens
een zitting.
Artikel 51
1. De voorzitter van de raad roept de personen die hij als getuige
of deskundige wenst te horen, op. Zonodig kan de voorzitter van de
raad de oproepingen bij deurwaardersexploot doen betekenen. Tussen de
dag waarop de oproeping is betekend, en die van de zitting liggen ten
minste twee weken.
2. Een ieder die als getuige of deskundige is opgeroepen, is
verplicht te verschijnen.
3. Indien de getuige of deskundige aan wie de oproeping is
betekend, niet verschijnt, wordt daarvan een proces-verbaal opgemaakt,
dat een nauwkeurige beschrijving van de oproeping bevat en door de
voorzitter van de raad wordt ondertekend.
4. Het proces-verbaal van niet-verschijning levert, behoudens
tegenbewijs, volledig bewijs op van hetgeen daarin staat vermeld.
5. De voorzitter van de raad kan de officier van justitie bij de
arrondissementsrechtbank binnen welker rechtsgebied de raad zitting
houdt, verzoeken de getuige of deskundige bij niet verschijnen ter
zitting van de raad te dagvaarden en daarbij te voegen een bevel tot
medebrenging.
6. De natuurlijke personen, bedoeld in artikel 48, tweede lid,
onderdeel a, alsmede vertegenwoordigers van de daar bedoelde
rechtspersonen of bestuursorganen, hebben het recht op hun verzoek als
getuigen ter zitting te worden gehoord indien zij niet door de raad
zijn opgeroepen.
Artikel 52
1. De raad kan het verhoor van een getuige ter zitting, mits deze
de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, niet doen plaatsvinden dan
nadat deze eerst in handen van de voorzitter de eed of de belofte
heeft afgelegd dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal
zeggen. Indien een getuige met gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke
storing van zijn geestesvermogens, naar het oordeel van de raad, de
betekenis van de eed of de belofte niet voldoende beseft, wordt hij
niet beëdigd of wordt hem de belofte niet afgenomen, op straffe van
nietigheid, maar wordt hij aangemaand de gehele waarheid en niets dan
de waarheid te zeggen.
2. De raad kan het verhoor van een deskundige ter zitting niet doen
plaatsvinden dan nadat deze eerst in handen van de voorzitter de eed
of de belofte heeft afgelegd dat hij zijn verslag naar beste weten zal
uitbrengen.
3. Getuigen en deskundigen zijn verplicht desgevraagd door de
voorzitter van de raad de eed of belofte te doen en getuigenis af te
leggen of hun diensten als deskundige te verlenen, een en ander
behoudens verschoning wegens ambts- of beroepsgeheim.
4. Van het verhoor van getuigen en deskundigen wordt een
proces-verbaal opgemaakt, dat door de voorzitter van de raad en de
algemeen secretaris wordt ondertekend.
Artikel 53
De raad kan aan de door de voorzitter opgeroepen getuigen en
deskundigen en door de voorzitter aangewezen tolken een bij
ministeriële regeling vast te stellen schadeloosstelling toekennen.
Artikel 54
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere
regels gesteld omtrent het onderzoek van de raad.
Artikel 55
1. Ter afronding van zijn onderzoek stelt de raad een rapport op.
2. Het rapport bevat in ieder geval, voor zover het onderzoek zich
daartoe uitstrekt:
a. een analyse van de toedracht van het voorval en het omgaan
met de gevolgen alsmede de gegevens waarop deze analyse berust;
b. de vaststelling van de oorzaken of de vermoedelijke oorzaken
van het voorval en de omvang van zijn gevolgen;
c. indien daartoe aanleiding bestaat, de constatering van
structurele veiligheidstekorten en daaraan verbonden
aanbevelingen.
3. In het rapport worden gegevens, ontleend aan documenten en
andere gegevensdragers als bedoeld in artikel 69, eerste lid,
onderdeel a tot en met e, slechts opgenomen voor zover zij wezenlijk
zijn voor de analyse van de toedracht van het voorval of de
onderbouwing van de conclusies. Het rapport vermeldt niet de naam, het
adres of identificatiegegevens van gelijksoortige aard ten aanzien van
de personen die betrokken zijn bij een ongeval of incident.
4. De raad kan een rapport in twee gedeelten uitbrengen indien hij
een onderzoek instelt naar zowel een voorval als het omgaan met de
gevolgen daarvan. Indien het rapport in twee gedeelten wordt
uitgebracht, gelden de voorschriften met betrekking tot het rapport
voor elk van beide gedeelten.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften omtrent
het rapport worden vastgesteld.
Artikel 56
1. De raad zendt het rapport in concept aan degenen die zijn
bedoeld in artikel 48, tweede lid, onderdeel a. Deze kunnen
schriftelijk commentaar leveren gedurende een termijn van vier weken,
die aanvangt met ingang van de dag na die waarop hetconcept van het
rapport is verzonden. Zij zijn tot geheimhouding van hetconcept van
het rapport verplicht. De raad kan het gedeelte van het rapport,
bedoeld in artikel 55, tweede lid, onderdeel c, buiten de toezending
van het concept laten.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden
regels gesteld over het toezenden van het rapport in concept aan
andere staten onderscheidenlijk Aruba, Curaçao en Sint Maarten voor
commentaar en over de voor het geven van commentaar te stellen
termijn.
3. Indien het commentaar daartoe aanleiding geeft, kan de raad het
rapport aanpassen. Ingeval geen aanpassing conform de essentie van het
commentaar plaatsvindt, geeft de raad in zijn rapport de redenen
daarvoor aan.
Artikel 57
1. De raad neemt door hem vergaarde informatie niet in het rapport
op voorzover dit:
a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;
b. de veiligheid van het Koninkrijk zou kunnen schaden;
c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke
personen of rechtspersonen vertrouwelijk zijn meegedeeld;
d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van
hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de
verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer
maakt.
2. De raad neemt eveneens door hem vergaarde informatie niet in het
rapport op voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende
belangen:
a. de betrekkingen van het Koninkrijk of de landen van het
Koninkrijk met andere staten of met internationale organisaties;
b. de economische of financiële belangen van het Koninkrijk,
van de publiekrechtelijke lichamen van de landen van het
Koninkrijk, of van de in artikel 1a, onderdeel c en d, van de Wet
openbaarheid van bestuur bedoelde bestuursorganen;
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen van de
landen van het Koninkrijk;
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling
van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of
rechtspersonen dan wel van derden.
3. Het eerste lid, aanhef en onderdeel c, is niet van toepassing
voorzover het milieu-informatie als bedoeld in artikel 19.1a van de
Wet milieubeheer betreft die betrekking heeft op de emissies in het
milieu. Voorts blijft in afwijking van genoemde bepaling het opnemen
van milieu-informatie uitsluitend achterwege voorzover het belang van
opname in het rapport niet opweegt tegen het daar genoemde belang.
4. Het tweede lid, aanhef en onderdeel b, is van toepassing op het
opnemen in het rapport van milieu-informatie, als bedoeld in artikel
19.1a van de Wet milieubeheer, voorzover deze handelingen betreft met
een vertrouwelijk karakter.
5. Het tweede lid, aanhef en onderdeel e, is niet van toepassing
voorzover de betrokken persoon heeft ingestemd met opname in het
rapport.
6. Het tweede lid, aanhef en onderdeel f, is niet van toepassing op
het opnemen in het rapport van milieu-informatie als bedoeld in
artikel 19.1a van de Wet milieubeheer.
7. Het opnemen in het rapport van milieu-informatie, als bedoeld in
artikel 19.1a van de Wet milieubeheer, blijft eveneens achterwege
voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
a. de bescherming van het milieu waarop deze informatie
betrekking heeft;
b. de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage.
8. Bij het toepassen van het eerste, tweede en zevende lid op
milieu-informatie wordt in aanmerking genomen of deze informatie
betrekking heeft op emissies in het milieu.
9. Het derde tot en met het achtste lid is niet van toepassing op
milieu-informatie die op Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba betrekking heeft.
Artikel 58
1. De raad zorgt ervoor dat het onderzoek zo efficiënt mogelijk en
in zo kort mogelijke tijd wordt verricht.
2. De raad streeft ernaar het rapport, voor zover dit een onderzoek
naar een individueel voorval betreft, zo snel mogelijk doch in ieder
geval binnen twaalf maanden na het tijdstip van het voorval uit te
brengen.
Artikel 59
1. De raad maakt het rapport openbaar.
2. De raad zendt het rapport in elk geval aan Onze Minister wie het
aangaat, en de natuurlijke persoon, de betrokken onderneming, de
betrokken nationale luchtvaartautoriteit, de rechtspersoon of het
bestuursorgaan waartoe een aanbeveling zich richt. De raad zendt het
rapport in elk geval tevens in afschrift aan Onze Minister, een
betrokken bestuursorgaan en degenen die zijn bedoeld in artikel 48,
tweede lid, onderdeel a.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over het in daarbij aangewezen gevallen toezenden van het
rapport aan een buitenlandse staat, de Commissie van de Europese
Gemeenschappen dan wel een internationale organisatie.
4. Een ieder kan een afschrift van het rapport verkrijgen. De raad
kan voor een afschrift kosten in rekening brengen. De kosten worden
berekend overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 12 van de Wet
openbaarheid van bestuur.
5. Concepten van het rapport, informatie die ten behoeve van een
onderzoek door de raad is verzameld, alsmede informatie die de raad
ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde, gedurende het
onderzoek aan anderen heeft verstrekt zijn niet openbaar.
Artikel 60
1. Indien als gevolg van toepassing van artikel 57, bepaalde
informatie niet in het rapport kan worden opgenomen die naar het
oordeel van de raad wezenlijk is voor de analyse van de toedracht van
het voorval of de onderbouwing van de conclusies, kan de raad
beslissen de informatie en de daarop gebaseerde conclusies en
aanbevelingen te zenden aan de natuurlijke persoon, de rechtspersoon
of het bestuursorgaan waartoe de aanbeveling zich richt en bij wie
respectievelijk waarbij de informatie reeds bekend is.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, kan de raad afzien van
het uitbrengen van een openbaar rapport.
3. Indien de raad toepassing geeft aan het tweede lid stelt hij
Onze Minister wie het aangaat, alsmede in voorkomende gevallen het
bestuur van een provincie of gemeente of het bestuur van het openbare
lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba daarvan in kennis.
Artikel 61
Een conclusie of aanbeveling behelst niet een vermoeden van schuld
aan of aansprakelijkheid wegens een voorval.
Artikel 62
1. De raad kan beslissen het onderzoek tussentijds te beëindigen,
indien het onderzoek naar zijn oordeel geen zinvolle aanbevelingen zal
opleveren, onverminderd het bepaalde op grond van artikel 5.
2. Indien de raad toepassing geeft aan het eerste lid stelt hij
Onze Minister wie het aangaat, alsmede in voorkomende gevallen het
bestuur van een provincie of gemeente of het bestuur van het openbare
lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba daarvan in kennis.
Artikel 63
Indien noodzakelijk voor onverwijld optreden om rampen of ongevallen
te voorkomen, doet de raad reeds tijdens een onderzoek aanbevelingen
voor preventieve maatregelen.
Artikel 64
1. Indien na de sluiting van het onderzoek nieuwe feiten aan het
licht komen die naar het oordeel van de raad van wezenlijk belang zijn
met betrekking tot de in het rapport neergelegde conclusies of
aanbevelingen, beslist de raad tot heropening van het onderzoek.
2. De raad stelt Onze Minister en Onze Minister wie het aangaat, in
kennis van de beslissing tot heropening van het onderzoek.
Artikel 65
De raad stelt met betrekking tot de door hem te hanteren
onderzoeksmethoden een onderzoeksprotocol op. De raad maakt dit protocol
openbaar.
§ 3. Identificatie
Artikel 66
Indien de politie in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten een
onderzoek instelt naar de identiteit van de slachtoffers van een
voorval, worden de resultaten van dit onderzoek desgevraagd aan de raad
ter beschikking gesteld.
§ 4. Verhouding tot onderzoek met oog op opleggen van sancties
Artikel 67
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur of algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld:
a. ten aanzien van het overleg en de coördinatie tussen de raad,
het openbaar ministerie in het Europese deel van Nederland, de
Koninklijke marechaussee, het Korps landelijke politiediensten en de
regionale politiekorpsen, ingeval naar aanleiding van een voorval
ook het opleggen van een strafrechtelijke sanctie wordt overwogen;
b. ten aanzien van de samenwerking tussen de raad, het openbaar
ministerie in Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten en het
korps politie Aruba, het korps politie Curaçao, onderscheidenlijk
het korps politie Sint Maarten, ingeval naar aanleiding van een
voorval ook het opleggen van een strafrechtelijke sanctie wordt
overwogen;
c. ten aanzien van de samenwerking tussen de raad, het openbaar
ministerie van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
en het korps politie van de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, ingeval naar aanleiding van een voorval ook het
opleggen van een strafrechtelijke sanctie wordt overwogen;
d. omtrent het in dat kader wederzijds ter beschikking stellen
van voorwerpen.
Artikel 68
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur of algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
a. ten aanzien van het overleg en de coördinatie tussen de raad
en Onze Minister wie het aangaat, ingeval naar aanleiding van een
voorval ook het opleggen van een bestuursrechtelijke sanctie wordt
overwogen en
b. omtrent het in dat kader aan Onze Minister wie het aangaat,
ter beschikking stellen van voorwerpen.
§ 5. Verhouding tot andere procedures
Artikel 69
1. Niet kunnen in een strafrechtelijke, tuchtrechtelijke of
civielrechtelijke procedure als bewijs worden gebruikt, noch kan een
disciplinaire maatregel, een bestuurlijke sanctie of een bestuurlijke
maatregel worden gebaseerd op:
a. verklaringen van personen, afgelegd in het kader van het
onderzoek van de raad, tenzij degene die de verklaring heeft
afgelegd daarvoor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven;
b. met een technisch hulpmiddel vastgelegde communicatie tussen
personen die betrokken zijn geweest bij het laten functioneren van
een vervoermiddel;
c. in het kader van het onderzoek van de raad vastgelegde
medische of privé-informatie betreffende personen die betrokken
zijn geweest bij een door de raad onderzocht voorval, tenzij de
betrokken persoon daarvoor uitdrukkelijk toestemming heeft
gegeven;
d. gegevens die zijn ontleend aan een vluchtrecorder, een
cockpit voice recorder of een reisgegevensrecorder, gebruikt in de
scheepvaart, en transcripten daarvan;
e. meningen, geuit in het kader van het analyseren van het
onderzoeksmateriaal;
f. door de raad opgestelde documenten.
2. Ten behoeve van een strafrechtelijk of tuchtrechtelijk onderzoek
of een procedure tot oplegging van een disciplinaire maatregel, een
bestuurlijke sanctie of een bestuurlijke maatregel kunnen
gegevensdragers als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d
en f, met uitzondering van het in artikel 55, eerste lid, bedoelde
rapport, niet ter inzage worden gevorderd of in beslag worden genomen.
Op verzoek kunnen verklaringen als bedoeld in het eerste lid onderdeel
a echter ter inzage worden gegeven, indien degene die de verklaring
heeft afgelegd, daarvoor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven en
kan informatie als bedoeld in onderdeel c ter beschikking worden
gesteld, indien degene wie de informatie betreft, daarvoor
uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen gegevensdragers
als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en d, als bewijs worden
gebruikt en ter inzage worden gevorderd of in beslag worden genomen,
indien het een strafrechtelijk onderzoek betreft naar een gijzeling,
moord, doodslag of een strafbaar feit met het oogmerk om de bevolking
of een deel der bevolking van een land vrees aan te jagen, dan wel een
overheid of internationale organisatie te dwingen iets te doen, niet
te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke,
constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een
internationale organisatie ernstig te destabiliseren of te
vernietigen.
4. Een onderzoeker wordt ter zake van een onderzoek waarbij hij
betrokken is of is geweest, niet als getuige of deskundige opgeroepen.
5. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, en het tweede lid voor
zover het betrekking heeft op een gegevensdrager als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing bij de vervolging van
een getuige of deskundige ter zake van meineed in verband met een door
hem voor de raad afgelegde verklaring.
Artikel 70
De raad, de medewerkers van het bureau, de algemeen secretaris en de
overige onderzoekers doen geen aangifte van strafbare feiten waarvan ze
bij de uitoefening van hun functie bij de raad kennis hebben gekregen,
bij een opsporingsambtenaar, met uitzondering van de gevallen bedoeld in
de artikelen 160 en 162 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering,
meineed, de bij artikel 81 strafbaar gestelde feiten, alsmede, voor
zover deze feiten betrekking hebben op artikel 40, eerste lid, de feiten
strafbaar gesteld in:
a. de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Nederlandse
Wetboek van Strafrecht;
b. de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van
Strafrecht BES;
c. de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van
Strafrecht van Aruba;
d. de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van
Strafrecht van Curaçao;
e. de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van
Strafrecht van Sint Maarten.
§ 6. Geheimhouding
Artikel 71 [Vervallen per 01-02-2007]
Artikel 72
Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van deze rijkswet en
daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het
vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor
wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter
zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot
geheimhouding van die gegevens, behoudens voorzover enig wettelijk
voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak bij de
uitvoering van deze rijkswet de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
Hoofdstuk 6. Vervolg op aanbevelingen
Artikel 73
1. Indien de raad aan een bestuursorgaan een aanbeveling heeft
gedaan, bepaalt het bestuursorgaan waartoe de aanbeveling zich richt,
binnen een half jaar na de dag waarop het betrokken rapport is
vastgesteld, zijn standpunt daaromtrent. Het bestuursorgaan kan deze
termijn ten hoogste tweemaal met drie maanden gemotiveerd verlengen.
Indien het bestuursorgaan niet is Onze Minister wie het aangaat, maakt
het bestuursorgaan bedoeld standpunt schriftelijk kenbaar aan Onze
Minister wie het aangaat.
2. Het bestuursorgaan zendt een afschrift van deze kennisgeving aan
de raad. Indien de aanbeveling zich richt tot Onze Minister wie het
aangaat, maakt deze zijn standpunt schriftelijk kenbaar aan de raad.
Artikel 74
1. Indien de raad aan een ander dan een bestuursorgaan een
aanbeveling heeft gedaan, deelt deze binnen een jaar na de dag waarop
het betrokken rapport is vastgesteld aan Onze Minister wie het
aangaat, mee op welke wijze hij gevolg aan de aanbeveling zal geven en
zendt hij afschrift van deze mededeling aan de raad.
2. Onze Minister wie het aangaat, beraadt zich binnen een jaar na
ontvangst van de in het eerste lid bedoelde mededeling of nadere
maatregelen noodzakelijk zijn. Onze Minister wie het aangaat, licht de
raad en de natuurlijke persoon tot wie of de rechtspersoon waartoe de
aanbeveling zich richt over de uitkomsten van zijn beraad in.
Artikel 75
Onze Minister zendt na overleg met Onze Ministers wie het aangaat,
jaarlijks aan de Staten-Generaal een overzicht van de aanbevelingen van
de raad, van de daaromtrent bepaalde standpunten en van de wijze waarop
aan de aanbevelingen vervolg is gegeven.
Artikel 76
De raad is bevoegd een onderzoek in te stellen naar de stand van
zaken met betrekking tot de uitvoering van aanbevelingen die de raad in
eerder onderzoek heeft gedaan.
Hoofdstuk 7. Onderzoek door een andere staat
Artikel 77
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over het in daarbij aangewezen gevallen deelnemen door
de raad of een vertegenwoordiger van de raad aan een onderzoek dat
door een andere staat wordt ingesteld.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat Onze Minister in Nederland wie het aangaat in daarbij
aangewezen gevallen de raad of een door Onze Minister in Nederland wie
het aangaat aan te wijzen vertegenwoordiger kan opdragen deel te nemen
of bijstand te verlenen aan een onderzoek dat door een andere staat
wordt ingesteld dan wel bijstand te verlenen aan een onderzoek dat
door Aruba, Curaçao of Sint Maarten wordt ingesteld.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
voorschriften worden gesteld omtrent de aanwijzing door Onze Minister
in Nederland wie het aangaat van een vertegenwoordiger als bedoeld in
het tweede lid.
Artikel 78
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld over het in daarbij aangewezen gevallen verstrekken van
informatie, het verschaffen van faciliteiten of diensten, of het
verlenen van bijstand aan de staat die bevoegd is een onderzoek naar een
voorval in te stellen.
Artikel 79
Onze Minister wie het aangaat, en de raad maken een ontwerp-rapport
dat zij hebben verkregen gedurende een onderzoek, verricht door een
andere staat, door Aruba, door Curaçao of door Sint Maarten, niet
openbaar tenzij zij daartoe uitdrukkelijk toestemming hebben gekregen
van de betrokken staat onderscheidenlijk het betrokken land of het
betrokken stuk door die staat of dat land reeds openbaar is gemaakt of
is vrijgegeven.
Artikel 80
Indien Nederland aanbevelingen of andere voorstellen voor preventieve
maatregelen krijgt van een andere staat, deelt Onze Minister in
Nederland wie het aangaat, de betrokken staat, met redenen omkleed, mede
welk gevolg aan de aanbevelingen of de voorstellen zal worden gegeven.
Hoofdstuk 8. Straf- en opsporingsbepalingen
Artikel 81
1. Degene die handelt in strijd met het bepaalde op grond van de
artikelen 28, eerste lid, of 31, tweede lid, of in strijd met de
artikelen 49, 51, tweede lid, 72 of 74, eerste lid, wordt gestraft met
een geldboete van de tweede categorie, dan wel, indien de geldboete
wordt opgelegd door de strafrechter in Aruba, Curaçao of Sint
Maarten, een geldboete van ten hoogste AWG 7.400, onderscheidenlijk
ANG 7.400.
2. De krachtens het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Artikel 82
1. Met de opsporing van de bij artikel 81 strafbaar gestelde
feiten, alsmede de feiten strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en
met 182 en 184 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, voor zover
deze feiten betrekking hebben op artikel 40, eerste lid, zijn,
onverminderd de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Nederlandse
Wetboek van Strafvordering, belast de door Onze Minister en Onze
Minister van Justitie aangewezen ambtenaren.
2. Met de opsporing van de bij artikel 81 strafbaar gestelde
feiten, alsmede de feiten strafbaar gesteld in de artikelen 185 tot en
met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht BES, voor zover deze
feiten betrekking hebben op artikel 40, eerste lid, zijn tevens belast
de door Onze Minister en Onze Minister van Justitie aangewezen
ambtenaren.
3. Met de opsporing van de bij artikel 81 strafbaar gestelde
feiten, alsmede de feiten strafbaar gesteld in de artikelen 185 tot en
met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, de artikelen
185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao
en de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van
Strafrecht van Sint Maarten, voor zover deze feiten betrekking hebben
op artikel 40, eerste lid, zijn tevens respectievelijk belast de
daartoe door de overheid in Aruba, Curaçao en Sint Maarten aangewezen
personen.
4. Van een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Hoofdstuk 9. Evaluatie
Artikel 83
1. In afwijking van artikel 39, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, zendt Onze Minister binnen drie jaar na
de inwerkingtreding van deze rijkswet en vervolgens telkens na vijf
jaar aan de Staten-Generaal, de Staten van Aruba, de Staten van
Curaçao en de Staten van Sint Maarten een verslag over de
doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de raad.
2. Bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 26, derde lid,
worden voorschriften gesteld omtrent de totstandkoming van het verslag
en de betrokkenheid van de raad daarbij.
Hoofdstuk 10. Taakverwaarlozing
Artikel 84
1. In afwijking van artikel 23, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, kunnen Onze Minister en Onze Minister
wie het mede aangaat de noodzakelijke voorzieningen treffen indien
naar het oordeel van Onze Minister en Onze Minister wie het mede
aangaat, de raad ernstig in gebreke blijft in de uitoefening van zijn
taak wat de onderzoeken, bedoeld in het bepaalde op grond van artikel
5, betreft. In dat geval zijn op de door Onze Minister en Onze
Minister wie het mede aangaat, aan te wijzen personen de artikelen 32
tot en met 40, 69 en 70 van overeenkomstige toepassing. Onderzoeken
worden verricht met inachtneming van de artikelen 44 tot en met 65.
Voorts zijn de artikelen 73 en 74 van overeenkomstige toepassing.
2. In afwijking van artikel 23, tweede lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, wordt de termijn waarbinnen de raad in
de gelegenheid wordt gesteld alsnog zijn taak naar behoren uit te
voeren, gesteld door Onze Minister in overeenstemming met Onze
Minister wie het mede aangaat.
3. In afwijking van artikel 23, derde lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, stellen Onze Minister en Onze Minister
wie het mede aangaat tevens de raad, de Staten van Aruba, de Staten
van Curaçao en de Staten van Sint Maarten onverwijld in kennis van
door hen getroffen voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 85
1. [Wijzigt deze wet.]
2. De tekst van deze rijkswet zoals deze luidt nadat de wijzigingen
bedoeld in het eerste lid daarin zijn aangebracht, wordt in het
Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in
het Afkondigingsblad van Aruba geplaatst. Voor de plaatsing stelt Onze
Minister de nummering van de artikelen van deze rijkswet opnieuw vast
en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen
met de nieuwe nummering in overeenstemming.
Artikel 86
1. In afwijking van artikel 7, eerste en tweede lid, geschiedt de
benoeming van de leden van de raad, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
en de leden van de raad, bedoeld in artikel 6, tweede lid, voor de
eerste maal zonder dat de raad wordt gehoord.
2. In afwijking van artikel 7, vijfde lid, worden twee leden van de
raad als bedoeld in artikel 6, eerste lid, waaronder de voorzitter, de
eerste maal voor een periode van 2 jaar benoemd.
Artikel 87
1. De Wet Raad voor de Transportveiligheid wordt ingetrokken.
2. Onderzoeken naar voorvallen op grond van de Wet Raad voor de
Transportveiligheid die zijn begonnen voor de datum van
inwerkingtreding van het eerste lid, worden door de raad afgehandeld.
Artikel 88
1. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel 2 zijn
de personeelsleden van de Raad voor de Transportveiligheid, van wie
naam en functie zijn vermeld op een door het bestuur van de Raad voor
de Transportveiligheid vastgestelde lijst, van rechtswege ontslagen en
aangesteld als ambtenaar in dienst van de rechtspersoon Onderzoeksraad
voor veiligheid.
2. De overgang van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden
vindt plaats met een rechtspositie die als geheel ten minste
gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij de Raad voor
de Transportveiligheid.
3. De personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel
2 krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht behoren tot
het personeel van de Raad voor de Transportveiligheid, waarvan naam en
functie zijn vermeld op een door de Raad voor de Transportveiligheid
vastgestelde lijst, zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege
ontslagen en aangesteld in dienst van de rechtspersoon Onderzoeksraad
voor veiligheid met een rechtspositie die in totaliteit ten minste
gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij de Raad voor
de Transportveiligheid.
Artikel 89
1. De Raad voor de Transportveiligheid wordt ontbonden.
2. De vermogensbestanddelen van de Raad voor de Transportveiligheid
gaan onder algemene titel over op de rechtspersoon Onderzoeksraad voor
veiligheid.
3. Ingeval registergoederen overgaan, doet Onze Minister van
Financiën de overgang van die registergoederen onverwijld inschrijven
in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3
van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van
Boek 3 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
Artikel 90
Archiefbescheiden van de Raad voor de Transportveiligheid worden
overgedragen aan de rechtspersoon Onderzoeksraad voor veiligheid, voor
zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar
een archiefbewaarplaats.
Artikel 91
De Marinescheepsongevallenwet 1935 (Stb. 531) wordt ingetrokken. De
bepalingen van die wet blijven voor de duur van het onderzoek van kracht
ten aanzien van onderzoeken naar ongevallen en incidenten met militaire
schepen als bedoeld in artikel 93.
Artikel 92
Archiefbescheiden van de Nederlandse Marineraad betreffende zaken die
zijn afgedaan, worden overgedragen aan de Staat, voor zover zij niet
overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een
archiefbewaarplaats.
Artikel 93
Onderzoeken naar ongevallen of incidenten met Nederlandse
oorlogsvaartuigen als bedoeld in de Marinescheepsongevallenwet 1935
(Stb. 531) of militaire luchtvaartuigen, die zijn gestart voor de datum
van inwerkingtreding van artikel 2, worden afgehandeld overeenkomstig de
voor die datum op die onderzoeken toepasselijke regelgeving.
Artikel 94
[Wijzigt de Schepenwet]
Artikel 95
[Wijzigt deze wet]
Artikel 96
1. In verband met internationale verdragen en besluiten van
volkenrechtelijke organisaties kunnen bij of krachtens algemene
maatregel van rijksbestuur of algemene maatregel van bestuur nadere
regels met betrekking tot de raad, zijn taak en de uitoefening daarvan
worden gesteld.
2. De in het eerste lid bedoelde regels, gesteld bij algemene
maatregel van rijksbestuur of algemene maatregel van bestuur, kunnen
afwijken van de voorschriften van deze rijkswet. Indien dit het geval
is wordt een voorstel van rijkswet tot regeling van het betrokken
onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Indien
het voorstel wordt ingetrokken of indien een van beide Kamers der
Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de
algemene maatregel van bestuur of algemene maatregel van rijksbestuur
onverwijld ingetrokken. Indien het voorstel tot rijkswet wordt
verheven, vervalt de algemene maatregel van bestuur of algemene
maatregel van rijksbestuur op het tijdstip waarop die rijkswet in
werking treedt.
Artikel 97
1. Deze rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat deze
rijkswet op een later tijdstip in werking treedt ten aanzien van het
onderzoek naar ongevallen en incidenten met een zeeschip dat niet in
gebruik is bij Onze Minister van Defensie of een buitenlandse
krijgsmacht.
2. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 april 2003 ingediende
voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer, de Wet
openbaarheid van bestuur en enige andere wetten (Wet uitvoering
Verdrag van Aarhus, Kamerstukken II, 2002–2003, 28 835, nrs. 1 en
2), nadat het tot wet is verheven, op een later tijdstip in werking
treedt dan deze rijkswet, treedt, in afwijking van het eerste lid,
artikel 57, derde tot en met het negende lid, in werking op hetzelfde
tijdstip als dat waarop die wet in werking treedt.
Artikel 98
Deze rijkswet wordt aangehaald als: Rijkswet Onderzoeksraad voor
veiligheid.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het
Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal
worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 2 december 2004
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.W. Remkes
Uitgegeven de drieëntwintigste december 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|