| |
|
|
|
|
vorige
RIJKSWET
OP DE CONSULAIRE TARIEVEN
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Regeling op de consulaire
tarieven
- Rijksbesluit
op de consulaire tarieven
RIJKSWET van 18 april 2002, houdende
bepalingen omtrent de tarieven voor consulaire dienstverlening
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
bepalingen betreffende de heffing van kanselarijrechten die zijn
neergelegd in de Wet op de Kanselarijrechten 1948 te vervangen door een
vereenvoudigd tariefstelsel;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord en
met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut
voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
1°. Onze Minister: Onze Minister van Buitenlandse Zaken,
2°. de Gevolmachtigde Minister: de Gevolmachtigde Minister van
Aruba, Curaçao of Sint Maarten in Nederland.
Artikel 2
1.De belanghebbende is aan Onze Minister dan wel indien dat bij
algemene maatregel van rijksbestuur is bepaald aan de Gevolmachtigde
Minister een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur te
bepalen vergoeding verschuldigd voor het verlenen van de bij of
krachtens algemene maatregel van rijksbestuur aangeduide diensten met
betrekking tot:
a. de uitoefening van de bij of krachtens de Consulaire Wet aan
consulaire ambtenaren verleende bevoegdheden,
b. het verstrekken van consulaire verklaringen met het oog op
het vervoeren van een stoffelijk overschot of een urn,
c. het verstrekken van verklaringen omtrent de burgerlijke
staat en andere de persoon betreffende gegevens die tot bewijs
strekken,
d. het verlenen van bijstand, zoals bemiddeling bij het
oplossen van financiële en andere de belanghebbende betreffende
problemen die verband houden met het verblijf in het buitenland,
e. het verschaffen van informatie en het bemiddelen bij het
verkrijgen daarvan anders dan in het kader van de toepassing van
de Wet openbaarheid van bestuur,
f. het legaliseren en verifiëren van documenten en het
bemiddelen bij het doen legaliseren en verifiëren van documenten,
g. het bemiddelen met het oog op het verrichten van
rechtshandelingen en het verstrekken van verklaringen en andere
documenten ten behoeve van belanghebbende door de bevoegde
instanties van andere mogendheden,
h. de verlening van visa en
i. overige diensten verleend door Onze Minister dan wel de
Gevolmachtigde Minister.
2.De bepaling van de onderscheiden vergoedingen op grond van het
eerste lid geschiedt zoveel mogelijk op grondslag van de werkelijke
kosten die de gebruikelijke dienstverrichting meebrengt.
3.In afwijking van het eerste lid kunnen de diensten en de daarvoor
in rekening te brengen vergoeding bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden aangeduid respectievelijk vastgesteld, indien Onze
Minister de dienst in Nederland verricht.
Artikel 3
De vergoeding op grond van artikel 2 wordt verhoogd met een
vergoeding voor:
a. reis- en verblijfskosten indien de dienst is verricht buiten
de daartoe door Onze Minister dan wel de Gevolmachtigde Minister
bestemde gebouwen en plaatsen,
b. kosten die niet zijn begrepen in de gebruikelijke
dienstverrichting en
c. kosten die voortvloeien uit de inschakeling van derden bij het
verrichten van de dienst.
Artikel 4
De vergoeding op grond van de artikelen 2 en 3 is verschuldigd, ook
als de dienst door omstandigheden die niet aan Onze Minister dan wel de
Gevolmachtigde Minister kunnen worden toegerekend niet is voltooid of de
dienst niet tot het beoogde resultaat heeft geleid.
Artikel 5
Onze Minister dan wel de Gevolmachtigde Minister kan bepalen dat de
vergoeding op grond van de artikelen 2 en 3 niet of niet geheel
verschuldigd is, op verzoek van de belanghebbende die voor aanvang van
de dienstverrichting zijn onvermogen aannemelijk maakt.
Artikel 6
1.De vergoeding wordt vastgesteld en is verschuldigd in de valuta,
waarin de bedragen bij of krachtens algemene maatregel van
rijksbestuur dan wel algemene maatregel van bestuur op grond van
artikel 2 zijn uitgedrukt.
2.In afwijking van het eerste lid kan de vergoeding worden betaald
in de valuta van het land waar de dienstverrichting heeft
plaatsgevonden.
3.Indien de omstandigheden in een land daartoe aanleiding geven,
kan bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden
bepaald dat de vergoeding wordt betaald in andere valuta dan de
valuta, bedoeld in het tweede lid.
4.De omrekening uit of naar de valuta, waarin de bedragen bij of
krachtens algemene maatregel van rijksbestuur op grond van artikel 2
zijn uitgedrukt, geschiedt overeenkomstig de bij de vaststelling van
de vergoeding bepaalde wisselkoers. Deze wisselkoers wordt zo veel
mogelijk op grondslag van de koers van de dag bepaald.
Artikel 7
1.De vergoeding op grond van artikel 2 is bij vooruitbetaling
verschuldigd.
2.De vergoeding op grond van artikel 3 wordt vastgesteld na
beëindiging van de dienstverrichting. Onze Minister dan wel de
Gevolmachtigde Minister kan verlangen dat voor de aanvang van de
dienstverrichting zekerheid wordt gesteld en kan betaling van een of
meer voorschotten vorderen.
Artikel 8
Nadere voorschriften voor de vaststelling en de betaling van de
vergoeding kunnen worden vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel
van rijksbestuur dan wel, indien toepassing is gegeven aan artikel 2,
derde lid, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
Artikel 9
Onze Minister zendt binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze wet
aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid,
doelmatigheid en de effecten van de toepassing van deze wet en de daarop
berustende bepalingen.
Artikel 10
De Wet op de kanselarijrechten 1948 wordt ingetrokken.
Artikel 11
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 12
Deze wet wordt aangehaald als: Rijkswet op de consulaire tarieven.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het
Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal
worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 18 april 2002
BEATRIX
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J.J. van Aartsen
Uitgegeven de vierde juni 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|