WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de
inwerkingtreding van de Wet militaire strafrechtspraak wenselijk is een
voorziening te treffen met betrekking tot de rechtspositie van enige
militair-rechtelijke ambtenaren;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en
met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut
voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Aan de leden van de gewone rechterlijke macht en de leden
van het openbaar ministerie bij de gewone rechterlijke macht in
Nederland en in de Nederlandse Antillen en Aruba die op grond van de
Wet van 3 april 1968 (Stb. 180), houdende regeling van de
bezoldiging van de militair-rechterlijke ambtenaren, een
salarisvermeerdering hebben genoten tot het tijdstip waarop die wet
buiten werking treedt, wordt met ingang van dat tijdstip per maand een
salarisvermeerdering toegekend, gelijk aan de salarisvermeerdering die
de betrokkenen op grond van die wet zouden hebben genoten.
2. Indien de bezoldiging van de in het eerste lid bedoelde
personen op of na het tijdstip waarop de in dat lid bedoelde wet buiten
werking treedt, wordt verhoogd als gevolg van de aanvaarding van een
hoger bezoldigde functie binnen de rechterlijke macht, dan wel als
gevolg van een salarisvermeerdering als bedoeld in de artikelen 3 en 5
van de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren (Stb.
1972, 464), wordt het verschil in bezoldiging verrekend met de
salarisvermeerdering die deze personen op grond van het eerste lid
ontvangen. Deze verrekening geschiedt aldus, dat de laatstbedoelde
salarisvermeerdering vervalt indien het verschil gelijk is aan of groter
is dan deze salarisvermeerdering en dat de salarisvermeerdering wordt
verminderd met het verschil, indien dit kleiner is dan deze
salarisvermeerdering.
Artikel 2
De militair-rechterlijke ambtenaren die op grond van artikel 2 van de
Wet van 3 april 1968, houdende regeling van de bezoldiging van de
militair-rechterlijke ambtenaren, in bezoldiging waren gelijkgesteld met
de rechterlijke ambtenaren, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel
F, van de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren, blijven
in bezoldiging gelijkgesteld met de in dat artikel genoemde rechterlijke
ambtenaren, indien en voor zolang zij ingevolge een opvolgende benoeming
tot rechterlijke ambtenaar een lagere bezoldiging ontvangen.
Artikel 3
Deze Rijkswet treedt in werking met ingang van de een en dertigste
dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst, en werkt wat artikel 1, eerste lid, betreft terug tot en met
het tijdstip waarop de Wet van 3 april 1968, houdende regeling van de
bezoldiging van de militair-rechterlijke ambtenaren, buiten werking
treedt en wat artikel 2 betreft tot en met het tijdstip waarop een
opvolgende benoeming als bedoeld in dat artikel heeft plaatsgevonden,
indien dat tijdstip is gelegen vσσr het tijdstip waarop de Wet van 3
april, houdende regeling van de bezoldiging van de militair-rechterlijke
ambtenaren, buiten werking is getreden.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 22 januari 1992
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de zesde februari 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin