Nadere regelgeving:
- Geen
RIJKSWET van 20 juni 2002 tot uitvoering
van het Statuut van het Internationaal Strafhof met betrekking tot de
samenwerking met en bijstand aan het Internationaal Strafhof en de
tenuitvoerlegging van zijn vonnissen (Uitvoeringswet Internationaal
Strafhof)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is om ter
uitvoering van het Statuut van het Internationaal Strafhof voorzieningen
te treffen met betrekking tot de samenwerking met en bijstand aan het
Internationaal Strafhof en de tenuitvoerlegging van zijn vonnissen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en
met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut
voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.
Voor de
toepassing van deze rijkswet wordt verstaan onder:
a. Statuut: het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut
van Rome inzake het Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120);
b. Strafhof: het Internationale Strafhof, opgericht bij het
Statuut, respectievelijk elk van zijn organen voor de daaraan
toegewezen taken;
c. consultatie: overleg als bedoeld in artikel 97 van het Statuut,
tussen een staat die partij is bij het Statuut, en het Strafhof;
d. samenwerking: de samenwerking, bedoeld in deel 9 van het
Statuut, tussen het Strafhof en de staten die partij zijn bij het
Statuut;
e. overlevering: de ter
beschikkingstelling van een persoon door Nederland, Aruba, Curaçao of
Sint Maarten aan het Strafhof ten behoeve van een bij het Strafhof
tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek of de tenuitvoerlegging
van een hem door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf;
f. tenuitvoerlegging: de tenuitvoerlegging van uitspraken van het
Strafhof, bedoeld in deel 10 van het Statuut, met inbegrip van de
toepassing van voorlopige maatregelen ten behoeve van die
tenuitvoerlegging;
g. bijstand: de bijstand die Nederland in zijn hoedanigheid van
Gastland aan het Strafhof verleent;
h. doorvoer: het begeleid vervoer over Nederlands grondgebied van
personen, afkomstig van een vreemde staat en met als bestemming het
Strafhof, dan wel afkomstig van het Strafhof en met als bestemming een
vreemde staat;
i. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
j. Wetboek van Strafvordering: het Wetboek van Strafvordering van het
Europese deel van het Koninkrijk.
2. In deze wet wordt mede verstaan onder:
a. Nederlands grondgebied of Nederlands gebied: het grondgebied van
de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
b. in Nederland: in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba;
c. Nederlandse ambtenaren: ambtenaren van de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
d. Nederlands recht: het geldende recht in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
3. Onder officier van justitie, hulpofficier van justitie en
opsporingsambtenaar wordt uitsluitend voor de toepassing van de
artikelen 13 tot en met 19a, mede verstaan de officier van justitie van
het openbaar ministerie bij het gerecht in eerste aanleg van Bonaire,
Sint Eustatius en Saba, de hulpofficier van justitie, bedoeld in artikel
191 van het Wetboek van Strafvordering BES, en de opsporingsambtenaar,
bedoeld in artikel 184 van dat wetboek.
Artikel 2
1. Onverminderd de overige
leden van dit artikel is deze rijkswet van toepassing op Nederland,
Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
2. Indien het verzoek van het
Strafhof inhoudt een verzoek om een handeling, te verrichten door de
autoriteiten van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, wordt het verzoek, in
afwijking van artikel 3, eerste lid, in behandeling genomen door de
Minister van Justitie van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint
Maarten. Deze zendt het verzoek overeenkomstig artikel 3, tweede en
vierde lid, door aan de procureur-generaal van Aruba en aan de
procureur-generaal voor Curaçao, voor Sint Maarten en voor de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
3. In de gevallen, bedoeld in
het tweede lid, zijn, in afwijking van het bepaalde in de hoofdstukken
2, 3 en 4 van deze wet en behoudens strijd met het Statuut, het
Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede het
Wetboek van Strafvordering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint
Maarten van overeenkomstige toepassing.
4. Tegen een uitspraak van de
bevoegde rechter van Aruba, Curaçao of Sint Maarten op of naar
aanleiding van een verzoek van het Strafhof tot overlevering of
tenuitvoerlegging staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 3
1. Een overeenkomstig het Statuut
ontvangen verzoek van het Strafhof om samenwerking, om tenuitvoerlegging
of om vervolging van een misdrijf, gericht tegen de rechtspleging van
het Strafhof, wordt door Onze Minister in behandeling genomen. Zo het
verzoek niet tot Onze Minister is gericht, wordt het door de
geadresseerde onverwijld aan hem doorgezonden.
2. Tenzij Onze Minister het verzoek zelf kan afdoen dan wel van
oordeel is dat eerst aanvullende informatie van het Strafhof is vereist,
en behoudens het derde en vierde lid, zendt hij het verzoek onverwijld
door aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket te
's-Gravenhage.
3. Indien het verzoek betrekking heeft op de tenuitvoerlegging
van een door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf, handelt Onze
Minister daarmee overeenkomstig deartikelen 67 en 68.
4. Indien het verzoek betrekking heeft op de tenuitvoerlegging
van een bevel tot het doen van herstelbetalingen als bedoeld in artikel
75 van het Statuut, treft Onze Minister de maatregelen die naar zijn
oordeel nodig zijn voor een goede uitvoering van het bevel. Indien het
bevel inhoudt een verplichting voor de veroordeelde tot betaling van een
som geld ten behoeve van een of meer begunstigden, zendt Onze Minister
het verzoek onverwijld door aan de officier van justitie bij het
arrondissementsparket te 's-Gravenhage, die daarmee handelt
overeenkomstig de artikelen 72 en 83.
5. Een verzoek om bijstand wordt door Onze Minister of de door
deze daartoe aangewezen autoriteiten in behandeling genomen.
6. Onze Minister licht het Strafhof regelmatig in over de
voortgang van de behandeling van de verzoeken.
Artikel 4
Tot de behandeling, voor zover aan de rechter opgedragen, van
verzoeken van het Strafhof om samenwerking of tenuitvoerlegging, alsmede
van enig beroep, beklag of verzet in verband daarmee, is de rechtbank te
's-Gravenhage bij uitsluiting bevoegd.
Artikel 5
1. Op verzoek van enige Nederlandse autoriteit, belast met de
behandeling van een strafzaak, kan Onze Minister overeenkomstig
artikel 93, tiende lid, van het Statuut, een verzoek om rechtshulp van
en samenwerking met het Strafhof aan het Strafhof richten.
2. Stukken betreffende ambtshandelingen terzake van opsporing en
vervolging die de autoriteiten van het Strafhof hebben opgemaakt en naar
aanleiding van een verzoek overleggen, hebben de bewijskracht die
toekomt aan stukken betreffende overeenkomstige, door Nederlandse
ambtenaren verrichte handelingen, met dien verstande dat hun
bewijskracht niet uitgaat boven die welke zij voor het Strafhof hebben.
Artikel 6
Politiegegevens kunnen ook zonder daartoe strekkend verzoek worden
verstrekt aan het Strafhof indien dit voor de goede uitvoering van zijn
taak noodzakelijk is. De verstrekking vindt plaats door tussenkomst van
het Korps landelijke politiediensten.
Artikel 7
1. Indien Onze Minister van oordeel is dat voor de inwilliging
van een verzoek van het Strafhof om samenwerking of tenuitvoerlegging
belemmeringen of hindernissen bestaan, consulteert deze onverwijld het
Strafhof teneinde deze belemmeringen of hindernissen weg te nemen.
2. Belemmeringen of hindernissen als bedoeld in het eerste lid
kunnen in ieder geval bestaan uit:
a. onvoldoende informatie voor de inwilliging van het verzoek;
b. het feit dat een op verzoek van het Strafhof aan te houden
persoon ondanks uiterste inspanningen niet in Nederland wordt
aangetroffen;
c. het feit dat is gebleken dat een op grond van een
aanhoudingsbevel op verzoek van het Strafhof aangehouden persoon niet
de in het bevel genoemde persoon is;
d. het feit dat inwilliging van het verzoek in zijn huidige vorm
strijd zou meebrengen met een reeds eerder, voorafgaande aan het
verzoek, bestaande verdragsrechtelijke verplichting jegens een andere
staat;
e. het feit dat inwilliging van het verzoek in zijn huidige vorm
zou leiden tot schending van het beginsel van ne bis in idem, bedoeld
in artikel 20 van het Statuut;
f. het feit dat tegen de
opgeëiste persoon wegens dezelfde gedragingen een vervolging in
Nederland gaande of in voorbereiding is;
g. het feit dat de onmiddellijke inwilliging van het verzoek van het
Strafhof een onderzoek of vervolging in een andere zaak dan die waarop
het verzoek betrekking heeft, zou belemmeren;
h. het feit dat de inwilliging van het verzoek de nationale
veiligheidsbelangen van Nederland als bedoeld in artikel 72 van het
Statuut zou schaden;
i. het geval, bedoeld in artikel 25, eerste lid.
3. Indien de officier van justitie, belast met de uitvoering van
een verzoek van het Strafhof, belemmeringen of hindernissen als bedoeld
in dit artikel signaleert, stelt hij Onze Minister hiervan onverwijld in
kennis.
4. Onze Minister verzoekt het Strafhof om binnen een in overleg
vast te stellen redelijke termijn te reageren. Op verzoek van het
Strafhof kan deze termijn worden verlengd.
5. Voor de duur van de termijn, bedoeld in het vierde lid, wordt
de behandeling van een verzoek om overlevering van een persoon dan wel
om tenuitvoerlegging van een uitspraak van het Strafhof opgeschort. De
behandeling van een verzoek om enigerlei andere vorm van samenwerking
kan door Onze Minister, onderscheidenlijk door de officier van justitie,
na overleg met Onze Minister, worden opgeschort.
6. Indien Onze Minister of de door deze aangewezen autoriteiten
van oordeel zijn dat een verzoek om bijstand van het Gastland niet kan
worden ingewilligd, pleegt hij onverwijld en met inachtneming van de
zetelovereenkomst, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Statuut, en
de daarop gebaseerde regelingen en overeenkomsten overleg met het
Strafhof teneinde de zaak op te lossen.
Artikel 8
1. Indien en zolang het Strafhof een betwisting van de
ontvankelijkheid van een zaak of de rechtsmacht van het Strafhof
ingevolge artikel 18 of 19 van het Statuut onderzoekt, wordt de
behandeling van een op die zaak betrekking hebbend verzoek om
overlevering van een persoon opgeschort.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, kan de behandeling
van een verzoek om enigerlei andere vorm van samenwerking door Onze
Minister, onderscheidenlijk door de officier van justitie, na overleg
met Onze Minister, worden opgeschort, tenzij het Strafhof heeft bepaald
dat de Aanklager kan voortgaan met het vergaren van het bewijs ingevolge
het genoemde artikel 18 of 19.
Artikel 9
Op betekeningen, kennisgevingen en oproepingen, gedaan krachtens deze
wet, zijn de artikelen 585 tot en met 590 van het Wetboek van
Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10
Voor zover in deze wet niet anders is bepaald, is zij mede van
toepassing op een verzoek van het Strafhof om samenwerking of om
tenuitvoerlegging terzake van een misdrijf, gericht tegen de
rechtspleging van het Strafhof, als bedoeld in artikel 70, eerste lid,
van het Statuut.
Hoofdstuk 2. Overlevering van personen aan het Strafhof
§ 1. Algemeen
Artikel 11
1. Op verzoek van het Strafhof en met
inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk worden personen aan het
Strafhof overgeleverd:
a. ter vervolging en berechting terzake van strafbare feiten, tot
kennisneming waarvan het Strafhof ingevolge het Statuut bevoegd is;
b. ter tenuitvoerlegging van een door het Strafhof opgelegde
gevangenisstraf.
2. De Uitleveringswet is niet van toepassing.
Artikel 12
1. Overlevering wordt niet
toegestaan dan onder de algemene voorwaarde dat de opgeëiste persoon
alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister zal worden
vervolgd, gestraft of op enige andere wijze in zijn persoonlijke
vrijheid beperkt terzake van feiten die voor het tijdstip van zijn
overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd.
2. Overlevering wordt niet
toegestaan dan onder de algemene voorwaarde dat de opgeëiste persoon
alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister door het
Strafhof ter beschikking zal worden gesteld aan de autoriteiten van een
derde staat terzake van feiten die voor het tijdstip van zijn
overlevering zijn begaan. De toestemming kan worden gegeven ten aanzien
van strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon ook door Nederland
aan de derde staat had kunnen worden uitgeleverd.
§ 2. Voorlopige aanhouding
Artikel 13
1. Op verzoek van het Strafhof kan een persoon voorlopig worden
aangehouden.
2. Iedere officier van justitie of hulpofficier is bevoegd de
voorlopige aanhouding te bevelen.
3. Kan het optreden van de officier van justitie of de
hulpofficier niet worden afgewacht, dan is elke opsporingsambtenaar
bevoegd de persoon aan te houden.
4. De aangehouden persoon wordt zo spoedig mogelijk voorgeleid
voor de officier van justitie bij het arrondissementsparket te
's-Gravenhage.
5. Indien de opgeëiste
persoon zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
bevindt, blijft het vierde lid buiten toepassing. De aangehouden persoon
die zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt
wordt zo spoedig mogelijk voorgeleid voor de officier van justitie van
het openbaar ministerie van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
en Saba.
Artikel 14
1. Na de opgeëiste persoon,
met inachtneming van de artikelen 55, tweede lid, en 59, tweede lid, van
het Statuut, te hebben gehoord, kan de officier van justitie bevelen dat
de opgeëiste persoon gedurende drie dagen, te rekenen vanaf het
tijdstip van de voorlopige aanhouding, in verzekering gesteld zal
blijven.
2. Indien de opgeëiste
persoon zich bevindt in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba, wordt het bevel door de officier van justitie van het openbaar
ministerie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, bedoeld in het eerste
lid, gegeven in overleg met de officier van justitie van het
arrondissementsparket te ’s-Gravenhage. Met het oog op de
toepassing van het derde lid kan de termijn van inverzekeringstelling
éénmaal met drie dagen worden verlengd.
3. Indien een opgeëiste
persoon in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
overeenkomstig deze paragraaf in verzekering is gesteld, wordt hij
binnen de termijnen van het eerste lid en tweede lid overgedragen aan de
officier van justitie bij het arrondissementsparket te ’s-Gravenhage.
4. Het derde lid kan buiten
toepassing blijven indien de opgeëiste persoon tegenover de officier
van justitie die hem hoort, heeft verklaard in te stemmen met zijn
onmiddellijke overlevering, de officier van justitie heeft beslist dat
de persoon ter beschikking zal worden gesteld van het Strafhof en de
feitelijke overlevering kan plaatsvinden binnen de termijnen van het
eerste lid en tweede lid.
Artikel 15
1. De rechter-commissaris,
belast met de behandeling van strafzaken, kan op vordering van de
officier van justitie de bewaring van de opgeëiste persoon bevelen.
2. Alvorens een bevel
ingevolge het eerste lid te geven hoort de rechter-commissaris zo
mogelijk de opgeëiste persoon.
Artikel 16
1. Ambtshalve, op de
vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de
opgeëiste persoon of diens raadsman kan de rechter-commissaris bevelen
dat de vrijheidsbeneming krachtens de bepalingen van deze paragraaf
wegens dringende en uitzonderlijke omstandigheden wordt beëindigd of
voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst. De te stellen voorwaarden
strekken in ieder geval ter voorkoming van vlucht.
2. De rechter-commissaris gaat niet over
tot het bevel, bedoeld in het eerste lid, dan nadat het Strafhof,
daartoe door tussenkomst van Onze Minister geconsulteerd, binnen een
door Onze Minister te stellen termijn, aanbevelingen ingevolge artikel
59, vijfde lid, van het Statuut heeft gegeven.
3. De opschorting of schorsing eindigt van rechtswege zodra de
officier van justitie overeenkomstig artikel 32 in kennis is gesteld van
de beslissing van Onze Minister waarbij de overlevering is toegestaan.
4. Op bevelen tot voorwaardelijke opschorting en schorsing,
krachtens het eerste lid gegeven, zijn de artikelen 80, eerste en derde
tot en met vijfde lid, en 81 tot en met 88, met uitzondering van artikel
86, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige
toepassing.
5. De rechter-commissaris kan
ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het
verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman het bevel tot
bewaring opheffen indien binnen zestig dagen na de dag van de voorlopige
aanhouding van het Strafhof geen verzoek tot overlevering, met de
daarbij behorende stukken, is ontvangen.
Artikel 17
Van elke beslissing, genomen krachtens een van de artikelen 13 tot en
met 16, geeft de officier van justitie onverwijld kennis aan Onze
Minister.
§ 3. Aanhouding
Artikel 18
1. De officier van justitie die van Onze
Minister het verzoek tot overlevering heeft ontvangen, is bevoegd de
aanhouding te bevelen, welk bevel in het gehele land ten uitvoer kan
worden gelegd.
2. De persoon wordt na zijn
aanhouding binnen vierentwintig uren voor de officier van justitie
geleid. Na de opgeëiste persoon, met inachtneming van de artikelen 55,
tweede lid, en 59, tweede lid, van het Statuut, te hebben gehoord, kan
de officier van justitie bevelen dat de opgeëiste persoon in
verzekering gesteld zal blijven tot het tijdstip waarop de rechtbank
over zijn gevangenhouding beslist.
Artikel 19
Wanneer de opgeëiste persoon, op de dag waarop de officier van
justitie het verzoek tot overlevering ontvangt, reeds krachtens artikel
14 in verzekering is gesteld, kan de vrijheidsbeneming, in afwijking van
artikel 15, eerste lid, op bevel van de officier van justitie worden
voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding
beslist.
Artikel 19a
1. Nadat de opgeëiste
persoon, met inachtneming van de artikelen 55, tweede lid en 59, tweede
lid, van het Statuut, is gehoord, kan de officier van justitie bij het
parket in eerste aanleg van de openbare lichamen bevelen dat de
opgeëiste persoon gedurende drie dagen, te rekenen vanaf het tijdstip
van voorlopige aanhouding, in verzekering gesteld zal blijven. Hij
overlegt daartoe met de officier van justitie bij het
arrondissementsparket te ’s-Gravenhage.
2. Indien de opgeëiste
persoon op de dag waarop de officier van justitie het verzoek tot
uitlevering ontvangt reeds krachtens artikel 14 in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verzekering is gesteld, kan de
vrijheidsbeneming – met afwijking van artikel 14
– uitsluitend op bevel van de
officier van justitie bij het arrondissementsparket te ’s-Gravenhage
worden voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over de
gevangenhouding beslist.
3. Indien de opgeëiste
persoon in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in
verzekering is gesteld, wordt hij binnen de termijnen van het eerste lid
overgedragen aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket
te ‘s-Gravenhage.
4. Het derde lid kan buiten
toepassing blijven indien de opgeëiste persoon tegenover de officier
van justitie die hem hoort, heeft verklaard in te stemmen met zijn
onmiddellijke overlevering, de officier van justitie heeft beslist dat
de persoon ter beschikking zal worden gesteld van het Strafhof en de
feitelijke overlevering kan plaatsvinden binnen de termijn van artikel
14.
5. Nadat de opgeëiste persoon
is gehoord, kan de officier van justitie bij het arrondissementsparket
te ’s-Gravenhage in overleg met de officier van justitie bij het
gerecht in eerste aanleg van de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba bevelen dat de vrijheidsbeneming wordt voortgezet tot
het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist.
Artikel 20
1. Ambtshalve, op de
vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de
opgeëiste persoon of diens raadsman kan de rechter-commissaris bevelen
dat de vrijheidsbeneming krachtens de bepalingen van deze paragraaf
wegens dringende en uitzonderlijke omstandigheden wordt beëindigd of
voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst. De te stellen voorwaarden
strekken in ieder geval ter voorkoming van vlucht.
2. Artikel 16, tweede tot en met vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Behandeling en uitspraak door de rechtbank
Artikel 21
1. Nadat hij het verzoek tot overlevering
heeft ontvangen, vordert de officier van justitie zo spoedig mogelijk
dat de rechtbank het verzoek in behandeling zal nemen. Hij legt daarbij
de stukken aan de rechtbank over.
2. Een afschrift van de
krachtens het eerste lid vereiste vordering wordt aan de opgeëiste
persoon betekend. Daarbij wordt hem mededelinggedaan van de feiten
waarvoor zijn overlevering is gevraagd, met vermelding van de tijden en
de plaatsen waarop deze zijn begaan, een en ander zoals bij het verzoek
tot overlevering omschreven, alsmede van het feit dat het een verzoek
tot overlevering aan het Strafhof betreft. De eerste en de tweede volzin
gelden eveneens in het geval dat de officier van justitie naar
aanleiding van een naderhand ontvangen verzoek zijn vordering heeft
aangevuld of gewijzigd. Van de ontvangst van aanvullende stukken, die in
het dossier worden gevoegd, wordt de opgeëiste persoon mededeling
gedaan.
3. Nadat de stukken aan de
rechtbank zijn overgelegd, mag de kennisneming daarvan aan de opgeëiste
persoon en diens raadsman niet worden onthouden. Het bepaalde bij en
krachtens artikel 34 van het Wetboek van Strafvordering is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 22
1. Dadelijk na de ontvangst
van de in artikel 21 bedoelde vordering bepaalt de voorzitter van de
rechtbank, zo veel mogelijk bij voorrang, het tijdstip waarop de
opgeëiste persoon door de rechtbank zal worden gehoord. Hij kan daarbij
diens medebrenging bevelen.
2. De griffier van de
rechtbank doet onverwijld aan de officier van justitie en aan de
opgeëiste persoon mededeling van het voor het verhoor bepaalde
tijdstip. Die mededeling en, zo een bevel tot medebrenging is gegeven,
een afschrift van dat bevel worden aan de opgeëiste persoon betekend.
3. Indien niet blijkt dat de
opgeëiste persoon reeds een raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het
bureau rechtsbijstandvoorziening last tot toevoeging van een raadsman.
Artikel 23
1. Het verhoor van de
opgeëiste persoon geschiedt in het openbaar, tenzij deze een
behandeling van de zaak met gesloten deuren verlangt of de rechtbank op
de vordering van de officier van justitie of ambtshalve om gewichtige,
in het proces-verbaal der zitting te vermelden redenen sluiting der
deuren beveelt.
2. Het verhoor heeft plaats in
tegenwoordigheid van de officier van justitie.
3. Bij zijn verhoor kan de
opgeëiste persoon zich door zijn raadsman doen bijstaan.
4. Is de opgeëiste persoon
niet verschenen en acht de rechtbank zijn aanwezigheid bij het verhoor
wenselijk, dan gelast de rechtbank tegen een door haar te bepalen
tijdstip zijn dagvaarding, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot
medebrenging.
Artikel 24
1. De rechtbank onderzoekt
de identiteit van de opgeëiste persoon, alsmede de ontvankelijkheid van
het verzoek tot overlevering en de mogelijkheid van inwilliging daarvan.
2. De officier van justitie
geeft ter zitting van de rechtbank zijn opvatting over de
toelaatbaarheid van de verzochte overlevering en legt een schriftelijke
samenvatting daaromtrent aan de rechtbank over. De opgeëiste persoon en
diens raadsman worden eveneens in de gelegenheid gesteld tot het maken
van terzake dienende opmerkingen omtrent het verzoek tot overlevering en
de in verband daarmede te nemen beslissingen.
3. Indien de rechtbank zulks met het oog op
het door haar krachtens het eerste lid in te stellen onderzoek
noodzakelijk acht, gelast zij, zo nodig onder bijvoeging van een bevel
tot medebrenging, tegen een door haar te bepalen tijdstip de dagvaarding
of schriftelijke oproeping van getuigen of deskundigen.
Artikel 25
1. De rechtbank schorst het onderzoek met het oog op
consultatie van het Strafhof, indien naar het voorlopig oordeel van de
rechtbank de aan haar voorgeleide persoon niet degene is wiens
overlevering is gevraagd.
2. Omtrent het besluit en de overwegingen van de rechtbank licht
de officier van justitie Onze Minister in.
Artikel 26
1. Op de vordering van de
officier van justitie kan de rechtbank ter zitting de gevangenneming van
de opgeëiste persoon bevelen.
2. Voordat het onderzoek ter
zitting wordt gesloten, beslist de rechtbank ambtshalve omtrent de
gevangenhouding van de opgeëiste persoon, zo deze in bewaring of in
verzekering is gesteld.
3. Ambtshalve, op de vordering
van de officier van justitie of op het verzoek van de opgeëiste persoon
of diens raadsman kan de rechtbank bevelen dat de vrijheidsbeneming
krachtens de bepalingen van deze paragraaf wegens dringende en
uitzonderlijke omstandigheden wordt beëindigd of voorwaardelijk wordt
opgeschort of geschorst. De te stellen voorwaarden strekken in ieder
geval ter voorkoming van vlucht.
4. Artikel 16, tweede tot en met vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 27
1. Zo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter
zitting doet de rechtbank uitspraak omtrent het verzoek tot
overlevering. De uitspraak wordt met redenen omkleed.
2. Indien de rechtbank bevindt dat zich het geval, bedoeld in
artikel 25, eerste lid, voordoet, verklaart zij bij haar uitspraak de
overlevering ontoelaatbaar.
3. In alle andere gevallen verklaart de rechtbank bij haar
uitspraak de overlevering toelaatbaar.
4. Tegen de uitspraak staat geen rechtsmiddel open. De uitspraak
is dadelijk uitvoerbaar.
Artikel 28
1. Indien de opgeëiste
persoon niet bij de voorlezing van de uitspraak van de rechtbank
aanwezig is, wordt de uitspraak aan hem betekend.
2. De rechtbank zendt aan Onze
Minister onverwijld een gewaarmerkt afschrift van haar uitspraak toe.
Indien de overlevering toelaatbaar is verklaard, doet zij het afschrift
vergezeld gaan van haar advies omtrent het aan het verzoek tot
overlevering te geven gevolg. Een afschrift van het advies wordt door de
griffier aan de opgeëiste persoon en diens raadsman ter hand gesteld of
toegezonden.
3. De griffier zendt het verzoek tot
overlevering met de daarbij behorende stukken terug aan Onze Minister.
Artikel 29
1. Ten aanzien van de bijstand van een raadsman, de behandeling
van de zaak door de rechtbank, de beraadslaging en de uitspraak zijn
de artikelen 37 tot en met 39, 45 tot en met 49, 50, eerste lid, 226,
260, eerste lid, 268, 269, vijfde lid, 271, 272, 273, derde lid, 274
tot en met 277, 279, 281, 286, 289, eerste en derde lid, 290 tot en
met 301, 318 tot en met 322, 324 tot en met 327, 328 tot en met 331,
345, eerste en derde lid, 346, 357, 362, 363 en 365 van het Wetboek
van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
2. De in het eerste lid genoemde artikelen vinden geen toepassing
voor zover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet
of slechts ten dele blijkt.
§ 5. Beslissing op het verzoek en feitelijke overlevering
Artikel 30
1. Nadat Onze Minister de stukken
overeenkomstig artikel 28, derde lid, heeft terugontvangen, beslist hij
zo spoedig mogelijk op het verzoek tot overlevering.
2. Indien de overlevering toelaatbaar is verklaard en Onze
Minister nadere informatie van het Strafhof nodig acht voor een
verantwoorde beslissing, kan hij de beslissing aanhouden en het Strafhof
consulteren. Indien de consultatie van het Strafhof daartoe aanleiding
geeft, kan hij het dossier van de zaak opnieuw toezenden aan de officier
van justitie die het verzoek tot overlevering heeft behandeld, waarna de
artikelen 21 tot en met 29 opnieuw toepassing vinden.
3. Indien tegen de opgeëiste
persoon wegens hetzelfde feit een strafvervolging in Nederland gaande
is, geeft Onze Minister bij zijn beslissing tot inwilliging van het
verzoek tevens opdracht de vervolging te staken.
4. Indien en voor zover de overlevering
ontoelaatbaar is verklaard, wordt op het verzoek afwijzend beschikt.
Artikel 31
Indien het Strafhof en een of meer staten de overlevering
onderscheidenlijk uitlevering van dezelfde persoon hebben gevraagd,
beslist Onze Minister met inachtneming van artikel 90 van het Statuut.
Artikel 32
Van zijn beslissing op het verzoek tot overlevering geeft Onze
Minister onverwijld kennis aan de officier van justitie en het Strafhof.
Artikel 33
1. Binnen tien dagen na de
beslissing van Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inwilliging van
het verzoek om overlevering wordt de opgeëiste persoon op een door Onze
Minister in overleg met het Strafhof vastgestelde tijd en plaats ter
beschikking van het Strafhof gesteld.
2. Een overeenkomstig artikel 26 bevolen
vrijheidsbeneming kan tot de feitelijke overlevering worden voortgezet.
3. Na een afwijzende
beslissing van Onze Minister gelast de officier van justitie de
beëindiging van de vrijheidsbeneming zodra hij kennis heeft gekregen
van die beslissing.
Artikel 34
1. Indien zulks voor de
toepassing van artikel 33, eerste lid, of 35, tweede lid, noodzakelijk
is, wordt de opgeëiste persoon op bevel van de daartoe door Onze
Minister aangeschreven officier van justitie aangehouden voor ten
hoogste drie dagen. Indien de overlevering niet binnen de termijn van
drie dagen heeft kunnen plaatsvinden, kan het bevel tot aanhouding door
de officier van justitie eenmaal voor ten hoogste drie dagen worden
verlengd.
2. Na verlenging van de in het eerste lid
bedoelde termijn door de officier van justitie, kan deze uitsluitend op
vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris met
vier dagen worden verlengd. Deze verlenging kan slechts geschieden
wanneer de overlevering door bijzondere omstandigheden niet binnen de
termijn van zes dagen heeft kunnen plaatsvinden.
Artikel 35
1. In afwijking van de
artikelen 33, eerste lid, en 34 kan de beslissing omtrent de tijd en de
plaats van overlevering worden aangehouden, indien en zolang tegen de
opgeëiste persoon een strafrechtelijke vervolging in Nederland gaande
is of een door een Nederlandse rechter tegen hem gewezen strafvonnis nog
geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar is.
2. In gevallen als voorzien in
het eerste lid kan Onze Minister, zo hij daarvoor termen aanwezig acht,
bepalen dat de opgeëiste persoon, ten behoeve van diens berechting door
het Strafhof, reeds aanstonds ter beschikking van het Strafhof wordt
gesteld.
3. Ondergaat de opgeëiste
persoon, te wiens aanzien het tweede lid wordt toegepast, een
vrijheidsstraf, dan komt de tijd gedurende welke hij ter beschikking is
gesteld van het Strafhof, in mindering op zijn straftijd.
§ 6. Verkorte procedure
Artikel 36
1. De persoon wiens voorlopige aanhouding of overlevering
vanwege het Strafhof is verzocht, wordt voorafgaand aan ieder verhoor
gewezen op de mogelijkheid te verklaren dat hij instemt met
onmiddellijke overlevering.
2. Tot de aanvang van de zitting kan hij een verklaring als
bedoeld in het eerste lid afleggen ten overstaan van de
rechter-commissaris. Tijdens de zitting kan hij de verklaring afleggen
ten overstaan van de rechtbank.
3. De opgeëiste persoon kan
zich bij het afleggen van de verklaring doen bijstaan door een raadsman.
Hierop wordt, zo hij zonder raadsman verschijnt, zijn aandacht gevestigd
door de rechter-commissaris.
4. Voordat hij de verklaring
aflegt, wordt de opgeëiste persoon over de mogelijke gevolgen daarvan
ingelicht. Van de verklaring wordt proces-verbaal opgemaakt.
5. De rechter-commissaris zendt het
proces-verbaal aan de officier van justitie.
Artikel 37
1. Nadat een verklaring
overeenkomstig artikel 36 is afgelegd, kan de officier van justitie
beslissen dat de opgeëiste persoon ter beschikking zal worden gesteld
van het Strafhof.
2. Het eerste lid blijft
buiten toepassing indien blijkt dat tegen de opgeëiste persoon in
Nederland een strafrechtelijke vervolging gaande is of dat tegen hem
door een Nederlandse rechter een nog geheel of ten dele voor
tenuitvoerlegging vatbaar strafvonnis is gewezen. In dat geval doet de
officier van justitie een vordering als bedoeld in artikel 21.
3. Van elke beslissing, genomen krachtens
het eerste of tweede lid, geeft de officier van justitie onverwijld
kennis aan Onze Minister.
Artikel 38
1. Indien de officier van
justitie overeenkomstig artikel 37, eerste lid, heeft beslist dat de
opgeëiste persoon ter beschikking zal worden gesteld van het Strafhof,
blijft artikel 21 buiten toepassing.
2. Is de in artikel 21 bedoelde vordering
reeds bij de rechtbank ingediend, dan wordt deze onverwijld ingetrokken.
De griffier van de rechtbank stelt alsdan het verzoek tot overlevering,
met de daarbij behorende stukken, weder in handen van de officier van
justitie.
3. Van het intrekken van de
vordering geeft de officier van justitie kennis aan de opgeëiste
persoon.
Artikel 39
1. Binnen tien dagen nadat
de officier van justitie een beslissing heeft genomen als bedoeld in
artikel 37, eerste lid, wordt de opgeëiste persoon op een door Onze
Minister in overleg met het Strafhof vastgesteld moment ter beschikking
van het Strafhof gesteld. De opgeëiste persoon kan tot dan toe in
bewaring of in verzekering gesteld blijven.
2. De officier van justitie
kan, zo nodig, met het oog op de overlevering krachtens de bepalingen
van deze paragraaf, de aanhouding van de opgeëiste persoon bevelen.
Artikel 34 is verder van overeenkomstige toepassing.
Artikel 40
In geval van overlevering krachtens deze paragraaf is artikel 12,
eerste lid, niet van toepassing.
§ 7. Overige bepalingen
Artikel 41
1. Voorwerpen, aangetroffen in het bezit
van degene wiens overlevering of voorlopige aanhouding krachtens het
Statuut is gevraagd, kunnen op verzoek van het Strafhof in beslag worden
genomen. De inbeslagneming geschiedt door of op last van de officier of
hulpofficier van justitie, bevoegd tot het geven van een bevel tot
aanhouding of voorlopige aanhouding.
2. Bij de in artikel 21 bedoelde vordering legt de officier van
justitie een lijst van de in beslag genomen voorwerpen aan de rechtbank
voor.
Artikel 42
1. De rechtbank beslist bij haar uitspraak omtrent het verzoek
tot overlevering tevens over de afgifte, dan wel de teruggave, van de
in beslag genomen voorwerpen. Afgifte van die voorwerpen aan het
Strafhof kan alleen worden bevolen voor het geval van inwilliging van
het verzoek tot overlevering.
2. Met het oog op mogelijke rechten van derden kan de rechtbank
ten aanzien van bepaalde voorwerpen beslissen, dat afgifte aan het
Strafhof slechts mag geschieden onder het beding, dat die voorwerpen
onmiddellijk zullen worden teruggezonden nadat daarvan het voor de
strafvordering nodige gebruik zal zijn gemaakt.
3. Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 116 tot en met 119,
552a en 552c tot en met 552e van het Wetboek van Strafvordering is van
overeenkomstige toepassing.
4. In geval van overlevering
overeenkomstig de bepalingen van § 6 van dit hoofdstuk beslist de
officier van justitie over de afgifte, dan wel de teruggave, van de in
beslag genomen voorwerpen, behoudens de bevoegdheden van de rechtbank
krachtens het derde lid.
Artikel 43
Ten aanzien van de bevelen tot vrijheidsbeneming, gegeven krachtens
dit hoofdstuk, zijn de artikelen 52 tot en met 55 en 57 van de
Uitleveringswet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 44
1. In gevallen waarin de
overlevering bij rechterlijk gewijsde ontoelaatbaar is verklaard, kan de
rechtbank te 's-Gravenhage, op verzoek van de opgeëiste persoon, hem
een vergoeding ten laste van de staat toekennen voor de schade die hij
heeft geleden ten gevolge van de vrijheidsbeneming, bevolen krachtens
deze wet. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in
vermogensschade bestaat. De artikelen 89, derde, vierde en zesde lid,
90, 91 en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
2. In gevallen als bedoeld in
het eerste lid vinden de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van
Strafvordering overeenkomstige toepassing op de vergoeding van kosten en
schaden voor de opgeëiste persoon of diens erfgenamen. In de plaats van
het in artikel 591, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering
bedoelde gerecht treedt de rechtbank te 's-Gravenhage.
Hoofdstuk 3. Samenwerking als bedoeld in artikel 93 van het Statuut
§ 1. Algemeen
Artikel 45
1. Aan verzoeken van het Strafhof om
enigerlei vorm van samenwerking als bedoeld in artikel 93 van het
Statuut wordt zo veel mogelijk het verlangde gevolg gegeven, met
inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk.
2. Aan verzoeken van het Strafhof om samenwerking als bedoeld in
artikel 93, eerste lid, onder l, van het Statuut wordt zo spoedig
mogelijk het verlangde gevolg gegeven, tenzij de inwilliging ervan
strijdt met de wet.
Artikel 46
1. Aan een verzoek om samenwerking als bedoeld in dit hoofdstuk
wordt zo veel mogelijk voldaan op de wijze die in het verzoek is
aangegeven, met inbegrip van het volgen van de daarin uiteengezette
procedures en het toestaan aan in het verzoek vermelde personen om
aanwezig te zijn en te helpen bij de uitvoering.
2. De met de uitvoering van verzoeken om samenwerking belaste
Nederlandse autoriteiten zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van
daarbij betrokken personen en zijn te dien einde bevoegd voorwaarden te
stellen aan de wijze waarop aan verzoeken om samenwerking uitvoering
wordt gegeven.
Artikel 47
Het betekenen en uitreiken van stukken aan derden, ter voldoening aan
een verzoek om samenwerking, geschiedt met overeenkomstige toepassing
van de wettelijke voorschriften betreffende het betekenen en uitreiken
van Nederlandse stukken van vergelijkbare strekking.
Artikel 48
1. Onze Minister kan toestaan dat personen die in Nederland
rechtens van hun vrijheid zijn beroofd, tijdelijk ter beschikking van
het Strafhof worden gesteld voor identificatiedoeleinden, ter
verkrijging van getuigenverklaringen of met het oog op andere vormen
van samenwerking. De betrokken persoon wordt slechts ter beschikking
van het Strafhof gesteld, indien hij vrijelijk zijn toestemming
daarvoor geeft na omtrent de gevolgen daarvan behoorlijk te zijn
ingelicht.
2. Ondergaat de ter beschikking te stellen persoon, te wiens
aanzien het eerste lid wordt toegepast, een vrijheidsstraf, dan komt de
tijd gedurende welke hij ter beschikking is gesteld van het Strafhof, in
mindering op zijn straftijd.
§ 2. Optreden van de officier van justitie en de rechter-commissaris
Artikel 49
De officier van justitie die het verzoek om samenwerking heeft
ontvangen, beslist onverwijld omtrent het daaraan te geven gevolg. De
officier van justitie roept voor de uitvoering ervan zo nodig de
tussenkomst in van het openbaar ministerie in andere arrondissementen of
van de procureur-generaal voor Curaçao, voor Sint Maarten en voor de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In het belang van een
spoedige en doelmatige afdoening kan hij het verzoek overdragen aan zijn
ambtgenoot in een ande r arrondissement.
Artikel 50
1. De officier van justitie stelt het verzoek om samenwerking
in handen van de rechter-commissaris:
a. indien het strekt tot het horen van personen die niet bereid
zijn vrijwillig te verschijnen en de gevraagde verklaring af te
leggen;
b. indien het strekt tot het meewerken aan een verhoor door het
Strafhof van een getuige of deskundige per videoconferentie;
c. indien uitdrukkelijk is
gevraagd om een beëdigde verklaring of om een verklaring, afgelegd
ten overstaan van een rechter;
d. indien het met het oog op het verlangde gevolg nodig is dat
stukken van overtuiging in beslag worden genomen.
2. In andere dan de in het eerste lid voorziene gevallen kan de
officier van justitie het verzoek van het Strafhof in handen van de
rechter-commissaris stellen.
3. De overlegging van het verzoek geschiedt bij een schriftelijke
vordering, waarin wordt omschreven welke verrichtingen van de
rechter-commissaris worden verlangd.
4. De vordering, bedoeld in het derde lid, kan te allen tijde
worden ingetrokken.
Artikel 51
1. De in artikel 50, derde lid, bedoelde vordering heeft
dezelfde rechtsgevolgen als een vordering tot het instellen van een
gerechtelijk vooronderzoek, zulks voor wat betreft:
a. de bevoegdheden van de rechter-commissaris ten aanzien van de
door hem te horen verdachten, getuigen en deskundigen, alsmede die tot
het bevelen van de uitlevering of overbrenging van stukken van
overtuiging, het nemen van maatregelen in het belang van het
onderzoek, het laten verrichten van een DNA-onderzoek alsmede het
daartoe bevelen van het afnemen van celmateriaal, het betreden van
plaatsen, het doorzoeken van plaatsen, het in beslag nemen van stukken
van overtuiging en het onderzoeken van gegevens in geautomatiseerde
werken;
b. de bevoegdheden van de officier van justitie;
c. de rechten en verplichtingen van de door de rechter-commissaris
te horen personen;
d. de bijstand van een raadsman;
e. de verrichtingen van de griffier.
2. In afwijking van het eerste lid heeft een vordering als
bedoeld in artikel 50, derde lid, welke is gedaan met het oog op de
voldoening aan een verzoek tot het meewerken aan een verhoor door het
Strafhof van een getuige of deskundige per videoconferentie, dezelfde
rechtsgevolgen als een vordering tot het instellen van een gerechtelijk
vooronderzoek, voor zover het betreft de toepassing van de artikelen
190, eerste en vierde lid, 191, eerste en vierde lid, 210, eerste lid,
tweede volzin, 213, 215, 217 tot en met 219a, 221 tot en met 225, 226a,
eerste lid, 226c, eerste lid, 226f en 236 van het Wetboek van
Strafvordering.
3. Ter voldoening aan een verzoek van het Strafhof om
samenwerking kan, anders dan overeenkomstig het eerste en tweede lid,
geen gebruik van dwangmiddelen worden gemaakt.
Artikel 52
1. Voor zover het verzoek van het Strafhof om samenwerking
strekt tot:
a. onderzoek van telecommunicatie,
b. stelselmatige observatie van personen,
c. infiltratie,
d. pseudo-koop of -dienstverlening,
e. het stelselmatig inwinnen van informatie omtrent de persoon
tegen wie een onderzoek loopt,
f. het heimelijk betreden van een besloten plaats,
g. het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch
hulpmiddel,
h. een verkennend onderzoek, kan de officier van justitie de hem in
de titels IVa, V, Va en Vc van het Eerste Boek van het Wetboek van
Strafvordering met het oog daarop toegekende bevoegdheden uitoefenen.
Voor zover het verzoek daartoe strekt, kan eveneens toepassing worden
gegeven aan artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering.
2. Ter voldoening aan een verzoek van het Strafhof om
samenwerking kan geen gebruik van de in het eerste lid bedoelde
bevoegdheden worden gemaakt en kan aan artikel 126ff van het Wetboek van
Strafvordering geen toepassing worden gegeven, anders dan overeenkomstig
het eerste lid.
3. Processen-verbaal en andere voorwerpen, verkregen door
toepassing van een van de bevoegdheden tot het onderzoeken van
telecommunicatie of het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een
technisch hulpmiddel, kunnen worden afgegeven aan het Strafhof voor
zover de rechtbank daartoe verlof verleent. De artikelen 21 tot en met
25 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
4. De artikelen 126aa, tweede lid, alsmede 126bb tot en met 126dd
van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126cc is slechts van toepassing voor zover de betreffende
processen-verbaal en andere voorwerpen niet aan het Strafhof zijn
afgegeven. De officier van justitie draagt er zorg voor dat een
betrokkene de processen-verbaal en andere voorwerpen die op hem
betrekking hebben, op enig moment kan inzien.
Artikel 53
1. De rechter-commissaris doet het verzoek om samenwerking, na
bijvoeging van de processen-verbaal van de door hem afgenomen verhoren
en van die van zijn verdere verrichtingen, zo spoedig mogelijk
teruggaan naar de officier van justitie.
2. De door de rechter-commissaris in beslag genomen stukken van
overtuiging en onder hem berustende gegevensdragers waarop gegevens zijn
opgenomen die zijn vergaard met gebruikmaking van enige strafvorderlijke
bevoegdheid worden ter beschikking van de officier van justitie gesteld,
voor zover de rechtbank daartoe verlof verleent. De artikelen 21 tot en
met 25 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
3. Tenzij aannemelijk is dat de rechthebbenden op de in beslag
genomen stukken van overtuiging niet in Nederland verblijf houden, wordt
het krachtens het tweede lid vereiste verlof slechts verleend onder het
voorbehoud, dat bij de afgifte aan het Strafhof wordt bedongen, dat de
stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de
strafvordering nodige gebruik is gemaakt.
4. Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 116 tot en met 119,
552a, 552ca, 552d, eerste lid, en 552e van het Wetboek van
Strafvordering is ten aanzien van het gestelde in het eerste tot en met
derde lid van overeenkomstige toepassing. In de plaats van het volgens
die artikelen bevoegde gerecht treedt de rechtbank die bevoegd is tot
het verlenen van het krachtens het tweede lid van dit artikel vereiste
verlof.
Artikel 54
1. Na beëindiging van zijn
werkzaamheden ter voldoening aan het verzoek om samenwerking zendt de
officier van justitie het verzoek met de daarbij behorende stukken zo
spoedig mogelijk terug aan Onze Minister.
2. Onze Minister stelt het Strafhof
onverwijld in kennis van de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het
verzoek, alsmede van de resultaten daarvan.
Hoofdstuk 4. Tenuitvoerlegging van straffen
§ 1. Algemeen
Artikel 55
Op verzoek van het Strafhof en met inachtneming van de bepalingen van
dit hoofdstuk kunnen door het Strafhof bij onherroepelijke uitspraak
opgelegde straffen in Nederland ten uitvoer worden gelegd.
Artikel 56
1. Terzake van gevangenisstraffen die door het Strafhof zijn
opgelegd wegens een of meer van de misdrijven, bedoeld in artikel 5
van het Statuut, en waarvan de tenuitvoerlegging in Nederland
plaatsvindt, kan geen gratie worden verzocht en verleend. Een
verzoekschrift om vermindering of kwijtschelding van zodanige straf
wordt door Onze Minister onverwijld doorgezonden aan het Strafhof.
2. Op een daartoe strekkend verzoek van het Strafhof maakt Onze
Minister aan het Strafhof zijn zienswijze bekend met betrekking tot de
heroverweging van een straf als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig
artikel 110 van het Statuut. Met het oog daarop kan Onze Minister het
advies inwinnen van de rechtbank te 's-Gravenhage en kan hij overigens
bij derden alle inlichtingen inwinnen die hij nodig acht.
3. Terzake van gevangenisstraffen die door het Strafhof zijn
opgelegd wegens een misdrijf gericht tegen de rechtspleging van het
Strafhof als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het Statuut, alsmede
terzake van overige door het Strafhof opgelegde straffen, kan, indien de
tenuitvoerlegging in Nederland plaatsvindt, overeenkomstig artikel 558
van het Wetboek van Strafvordering gratie worden verzocht en verleend.
Alvorens omtrent de gratieverlening wordt beslist, consulteert Onze
Minister het Strafhof teneinde diens zienswijze te vernemen.
Artikel 57
Ten aanzien van de bevelen tot voorlopige vrijheidsbeneming, gegeven
krachtens dit hoofdstuk, zijn de artikelen 61 tot en met 64a en 66 van
de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 58
1. De door het Strafhof overeenkomstig artikel 75 van het
Statuut gegeven burgerrechtelijke beslissingen worden in Nederland
erkend en kunnen er ten uitvoer worden gelegd, nadat zij er op verzoek
van een belanghebbende uitvoerbaar zijn verklaard.
2. Erkenning en tenuitvoerlegging vinden niet plaats indien:
a. de erkenning of tenuitvoerlegging kennelijk strijdig is met de
Nederlandse openbare orde;
b. het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk niet
regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was,
aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend of is
medegedeeld, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen
rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was;
c. de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen
in het Koninkrijk gegeven beslissing;
d. de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in
een andere staat tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil
dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits
deze laatste beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in
Nederland.
3. De bevoegdheid van het Strafhof wordt door de rechter niet
getoetst. De bevoegdheidsregels van het Strafhof betreffen niet de
openbare orde als bedoeld in het tweede lid, onder a.
4. In geen geval zal worden overgegaan tot een onderzoek van de
juistheid van de door het Strafhof gegeven beslissing.
5. Alleen beslissingen van het Strafhof waartegen geen gewoon
rechtsmiddel meer openstaat, komen in aanmerking voor tenuitvoerlegging.
6. Beslissingen van het
Strafhof die tot vergoedingen leiden welke de werkelijk geleden
materiële en immateriële schade te boven gaan, worden niet erkend
voorzover zij buitensporig zijn.
7. Verzoeken als bedoeld in het eerste en
het zesde lid worden gericht tot de voorzieningenrechter van de
rechtbank te 's-Gravenhage.
8. Voor zover daarvan in dit artikel niet wordt afgeweken, zijn
op het verzoek de bepalingen van de artikelen 985 tot en met 992 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Voorlopige maatregelen
Artikel 59
De officier van justitie die een verzoek van het Strafhof als bedoeld
in artikel 60, eerste lid, 61, eerste lid, 62, eerste lid, of 63, eerste
lid, heeft ontvangen, beslist onverwijld omtrent het daaraan te geven
gevolg. Artikel 49, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 60
1. Op verzoek van het Strafhof kan de persoon die door het
Strafhof is veroordeeld tot een gevangenisstraf en zich in vrijheid
bevindt, voorlopig worden aangehouden, indien gegronde redenen bestaan
voor de verwachting dat deze straf in Nederland ten uitvoer zal worden
gelegd.
2. De artikelen 13 tot en met 17 zijn van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat:
a. de bewaring wordt bevolen voor een termijn van ten hoogste
dertig dagen en op vordering van de officier van justitie telkens met
een termijn van ten hoogste dertig dagen kan worden verlengd, totdat
de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf overeenkomstig artikel 67,
vierde lid, of artikel 68, tweede lid, een aanvang neemt;
b. de in artikel 16, vijfde lid, genoemde termijn dertig dagen
bedraagt.
Artikel 61
1. Naar aanleiding van een verzoek van het Strafhof om
samenwerking of om tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring kan,
overeenkomstig de bepalingen van de negende afdeling van titel IV van
het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering, een
strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld dat is gericht
op de bepaling van hier te lande aanwezig of verworven voordeel dat
wederrechtelijk is verkregen door een persoon die aan onderzoek door
het Strafhof is onderworpen. Onder wederrechtelijk verkregen voordeel
worden mede verstaan voorwerpen die, middellijk of onmiddellijk, zijn
verkregen door middel van het misdrijf waarvan die persoon wordt
verdacht.
2. Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek kan
inbeslagneming van voorwerpen overeenkomstig artikel 94, tweede lid, en
artikel 94a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering slechts
plaatsvinden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat te
dier aanzien vanwege het Strafhof een verzoek om tenuitvoerlegging van
een verbeurdverklaring zal worden gedaan dan wel artikel 82, vierde lid,
zal worden toegepast.
3. De officier van justitie doet van de instelling
onderscheidenlijk de sluiting van een strafrechtelijk financieel
onderzoek onverwijld mededeling aan Onze Minister. Daarbij doet hij
tevens mededeling van alle voor het Strafhof dienstige inlichtingen.
Artikel 62
1. Naar aanleiding van een verzoek van het Strafhof kunnen
voorwerpen in beslag worden genomen:
a. ten aanzien waarvan door het Strafhof een bevel tot
verbeurdverklaring kan worden gegeven,
b. tot bewaring van het recht tot verhaal voor een overeenkomstig
artikel 82, vierde lid, op te leggen verplichting tot betaling van een
geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen
voordeel, of
c. die kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te
tonen.
2. Inbeslagneming als bedoeld in het eerste lid, onder a en b,
kan slechts plaatsvinden indien:
a. inbeslagneming naar Nederlands recht is toegestaan en
b. gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat ten aanzien van
de voorwerpen vanwege het Strafhof een verzoek om tenuitvoerlegging
van een verbeurdverklaring zal worden gedaan dan wel artikel 82,
vierde lid, zal worden toegepast.
Artikel 63
1. Op verzoek van het Strafhof kunnen voorwerpen in beslag
worden genomen ten aanzien waarvan door het Strafhof een bevel tot
verbeurdverklaring is gegeven.
2. Inbeslagneming als bedoeld in het eerste lid kan slechts
plaatsvinden indien:
a. inbeslagneming naar Nederlands recht is toegestaan en
b. gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat het in het
eerste lid bedoelde bevel op korte termijn in Nederland ten uitvoer
zal worden gelegd.
Artikel 64
1. Tot inbeslagneming als bedoeld in de artikelen 62 en 63 zijn
bevoegd de rechter-commissaris en, voor zover die bevoegdheid niet aan
de rechter-commissaris is voorbehouden, de officier van justitie en de
hulpofficier. Op vordering van de officier van justitie kan de
rechter-commissaris de bevoegdheden uitoefenen welke hem uit hoofde
van een gerechtelijk vooronderzoek toekomen.
2. De artikelen 94b tot en met 94d, 96 tot en met 119, 552a,
552c, 552ca, 552e en 556 van het Wetboek van Strafvordering zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 65
1. Bij de overeenkomstige toepassing van de artikelen 552a,
onderscheidenlijk 552c van het Wetboek van Strafvordering treedt de
rechter niet in een nieuw onderzoek naar de rechten van
belanghebbenden, indien daarover in verband met een bevel tot
verbeurdverklaring door het Strafhof een vaststelling is gedaan. De
rechter kan slechts in een dergelijk nieuw onderzoek treden indien:
a. die vaststelling betrekking heeft op rechten terzake van in
Nederland gelegen onroerende goederen of in Nederland te boek gestelde
registergoederen;
b. die vaststelling betreft de geldigheid, de nietigheid of de
ontbinding van in Nederland gevestigde rechtspersonen of de besluiten
van hun organen;
c. die vaststelling is gedaan zonder dat de belanghebbende die niet
is verschenen, tijdig tevoren van het geding in kennis was gesteld;
d. die vaststelling onverenigbaar is met een terzake eerder in
Nederland gegeven rechterlijke beslissing;
e. erkenning van die vaststelling onverenigbaar zou zijn met de
Nederlandse openbare orde.
2. Indien en zolang terzake van de rechten van een belanghebbende
een procedure voor het Strafhof aanhangig is, is deze in zijn
klaagschrift of vordering niet ontvankelijk.
§ 3. Tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen
Artikel 66
Deze paragraaf is van toepassing op een verzoek van het Strafhof tot
tenuitvoerlegging van een door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf:
a. indien Nederland zich bereid heeft verklaard veroordeelden te
aanvaarden en het Strafhof Nederland overeenkomstig artikel 103,
eerste lid, onderdeel a, van het Statuut aanwijst;
b. indien Nederland als Gastland overeenkomstig artikel 103,
vierde lid, van het Statuut gehouden is de gevangenisstraf ten
uitvoer te leggen.
Artikel 67
1. In het geval, bedoeld in artikel 66, onder a, beslist Onze
Minister of aan de aanwijzing van het Strafhof gevolg wordt gegeven.
2. Op de beslissing van Onze Minister, bedoeld in het eerste lid,
is artikel 10 van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing.
3. Onze Minister deelt het Strafhof zo spoedig mogelijk zijn
beslissing mee.
4. De tenuitvoerlegging geschiedt op voordracht van de officier
van justitie bij het arrondissementsparket te 's-Gravenhage door Onze
Minister.
Artikel 68
1. In het geval, bedoeld in artikel 66, onder b, wordt de door
het Strafhof opgelegde gevangenisstraf op aanwijzing van Onze Minister
in Nederland ten uitvoer gelegd of verder ten uitvoer gelegd,
overeenkomstig de voorwaarden vermeld in de zetelovereenkomst, bedoeld
in artikel 3, tweede lid, van het Statuut. Op de beslissing van Onze
Minister is artikel 10 van het Wetboek van Strafrecht niet van
toepassing.
2. Artikel 67, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 69
1. De tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 67, vierde lid,
of artikel 68, tweede lid, van een door het Strafhof opgelegde
gevangenisstraf geschiedt met inachtneming van het bij of krachtens
het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de
Penitentiaire beginselenwet of enige bijzondere strafwet betreffende
de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen bepaalde.
2. De artikelen 15 tot en met 15l van het Wetboek van Strafrecht
zijn niet van toepassing, behoudens ten aanzien van een gevangenisstraf
die door het Strafhof is opgelegd wegens een misdrijf gericht tegen de
rechtspleging van het Strafhof als bedoeld in artikel 70, eerste lid,
van het Statuut.
Artikel 70
1. Indien het Strafhof overeenkomstig artikel 104 van het
Statuut besluit de veroordeelde over te brengen naar een andere staat,
wordt de betrokkene zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld van de
autoriteiten van die staat, zulks op een door Onze Minister, na
overleg met die autoriteiten, te bepalen tijd en plaats.
2. Op het moment dat de betrokkene ter beschikking van de in het
eerste lid bedoelde autoriteiten wordt gesteld, eindigt de
tenuitvoerlegging in Nederland van de hem opgelegde gevangenisstraf van
rechtswege.
Artikel 71
1. Mededelingen, gewisseld tussen de veroordeelde en het
Strafhof, worden niet belemmerd en zijn vertrouwelijk. De indiening
door de veroordeelde van een verzoekschrift of enig ander geschrift
kan door tussenkomst van de directeur van de inrichting waarin de
veroordeelde verblijft, geschieden. De directeur draagt in dat geval
zorg dat het geschrift, voorzien van een dagtekening, onverwijld aan
het Strafhof wordt gezonden.
2. Daartoe door het Strafhof aangewezen personen hebben
overeenkomstig artikel 38, zevende lid, tweede tot en met vierde volzin,
van de Penitentiaire beginselenwet, toegang tot de veroordeelde in de
inrichting waarin hij verblijft.
3. Verzoeken van het Strafhof om informatie die het Strafhof
nodig heeft voor de uitoefening van zijn toezichthoudende taak
overeenkomstig artikel 106 van het Statuut, worden door Onze Minister zo
veel mogelijk ingewilligd.
4. Op verzoek van het Strafhof wordt de veroordeelde die daarmee
instemt, tijdelijk ter beschikking van het Strafhof gesteld met het oog
op enig door het Strafhof te verrichten onderzoek in verband met de
tenuitvoerlegging.
§ 4. Tenuitvoerlegging van overige straffen en bevelen
Artikel 72
Deze paragraaf is van toepassing op een verzoek van het Strafhof tot
tenuitvoerlegging van een of meer van de volgende straffen en bevelen,
door het Strafhof opgelegd onderscheidenlijk uitgevaardigd:
a. een geldboete;
b. een bevel tot verbeurdverklaring van opbrengsten, goederen en
vermogensbestanddelen die direct of indirect door het misdrijf zijn
verkregen;
c. een bevel als bedoeld in artikel 75 van het Statuut, inhoudend
een verplichting voor de veroordeelde tot betaling van een som geld
ten behoeve van een of meer begunstigden.
Artikel 73
De officier van justitie vordert binnen twee weken na de dag waarop
hij het verzoek met de daarbij behorende stukken heeft ontvangen, dat de
rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging. Bij zijn vordering legt
de officier van justitie de stukken aan de rechtbank over. Een afschrift
van de vordering wordt aan de veroordeelde betekend.
Artikel 74
1. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de in artikel 73
bedoelde vordering bepaalt de voorzitter van de rechtbank het tijdstip
waarop de rechtbank een aanvang zal maken met de behandeling van de
vordering. Tussen de dag waarop de mededeling om ter zitting te
verschijnen aan de veroordeelde is betekend en die der zitting moet
een termijn van ten minste tien dagen verlopen.
2. Met toestemming van de veroordeelde kan deze termijn worden
verkort, mits van deze toestemming uit een schriftelijke verklaring
blijkt.
Artikel 75
De griffier van de rechtbank doet onverwijld aan de officier van
justitie en aan de veroordeelde mededeling van het tijdstip dat voor de
behandeling van de vordering is bepaald. Daarbij wordt de veroordeelde,
indien niet blijkt dat hij reeds een raadsman heeft, opmerkzaam gemaakt
op zijn bevoegdheid een of meer raadslieden te kiezen en op de
mogelijkheden tot toevoeging van een raadsman, alsmede op zijn recht op
kennisneming van de processtukken.
Artikel 76
1. De officier van justitie en de veroordeelde zijn bevoegd ten
behoeve van het onderzoek dat de rechtbank ingevolge deze paragraaf
heeft te verrichten en de beslissingen die zij heeft te nemen,
getuigen en deskundigen te doen oproepen.
2. De officier van justitie kan bij met redenen omklede
beslissing weigeren getuigen of deskundigen op te roepen, indien
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze door de veroordeelde zijn
opgegeven teneinde ter zitting verklaringen af te leggen ter betwisting
van feiten, als bedoeld in artikel 78, derde lid. De beslissing wordt
onverwijld schriftelijk ter kennis van de veroordeelde gebracht. Hij
wordt daarbij opmerkzaam gemaakt op het bepaalde in artikel 78, vijfde
lid.
Artikel 77
1. De behandeling van de vordering heeft plaats in
tegenwoordigheid van de officier van justitie. De veroordeelde wordt
in de gelegenheid gesteld daarbij aanwezig te zijn en kan zich door
zijn raadsman doen bijstaan.
2. De behandeling van de vordering geschiedt in het openbaar,
tenzij de rechtbank op verzoek van de veroordeelde of om gewichtige, in
het proces-verbaal van de zitting te vermelden redenen sluiting der
deuren beveelt.
3. Indien de veroordeelde rechtens van zijn vrijheid is beroofd
op last van het Strafhof of van de autoriteiten van een vreemde staat,
kan hij voor het bijwonen van de zitting naar de rechtbank worden
overgebracht.
Artikel 78
1. De rechtbank onderzoekt de identiteit van de veroordeelde,
de ontvankelijkheid van de officier van justitie, alsmede de
mogelijkheid van tenuitvoerlegging in Nederland van de beslissing van
het Strafhof en de feiten en omstandigheden die voor haar beslissing
van belang zijn.
2. De officier van justitie en de veroordeelde en diens raadsman
worden in de gelegenheid gesteld ter zitting van de rechtbank te worden
gehoord.
3. De rechtbank is gebonden aan de vaststelling van de feiten die
het Strafhof kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd.
Zij treedt niet in een nieuw onderzoek naar deze feiten.
4. De artikelen 260, eerste lid, 268, 269, vijfde lid, 271,
eerste lid, 272, 273, derde lid, 274 tot en met 277, 278, tweede lid,
279, 280,281, 286, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, 293, 299, 300,
301, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 310, 311, tweede tot en met
vierde lid, 315 tot en met 317, 319, 320, 322, eerste en tweede lid,
324, 326, 327, 328 tot en met 331, 345, eerste tot en met derde lid, 346
en 347 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
5. Indien de officier van justitie overeenkomstig artikel 76,
tweede lid, heeft geweigerd een getuige te doen oproepen kan de
veroordeelde de rechtbank verzoeken alsnog de oproeping van de getuige
te bevelen. De rechtbank gaat hiertoe over indien zij van oordeel is dat
de officier van justitie in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft
kunnen komen.
6. De in het vierde lid genoemde artikelen vinden geen toepassing
voor zover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet
of slechts ten dele blijkt.
7. De officier van justitie legt, na voorlezing, een conclusie
aan de rechtbank over. Indien zijn conclusie strekt tot bewilliging in
de tenuitvoerlegging, omschrijft de officier van justitie de straf of
maatregel die naar zijn oordeel in plaats van de door het Strafhof
opgelegde straf behoort te worden opgelegd.
8. De officier van justitie kan, zolang het onderzoek ter zitting
niet is gesloten, zijn vordering, bedoeld in artikel 73, intrekken. Van
het intrekken van de vordering stelt hij de veroordeelde terstond in
kennis.
Artikel 79
1. De rechtbank verleent verlof tot tenuitvoerlegging van de
beslissing van het Strafhof en legt, met inachtneming van het
daaromtrent in het Statuut voorgeschrevene, de straf of maatregel op
die op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. De
uitspraak van de rechtbank wordt met redenen omkleed. De artikelen 353
en 357 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
2. In geen geval is de rechtbank bevoegd een zwaardere straf of
maatregel op te leggen dan door het Strafhof is vastgesteld.
3. Tegen de uitspraak staat geen rechtsmiddel open. De uitspraak
is dadelijk uitvoerbaar.
4. De rechtbank zendt aan Onze Minister onverwijld een
gewaarmerkt afschrift van haar uitspraak toe.
5. De artikelen 363 en 365 van het Wetboek van Strafvordering
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 80
Op de tenuitvoerlegging van een op grond van artikel 79 opgelegde
straf of maatregel is artikel 69, eerste lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 81
1. Onverminderd de overige bepalingen van deze paragraaf is dit
artikel van toepassing op een verzoek van het Strafhof om
tenuitvoerlegging van een geldboete.
2. Op de oplegging, overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van
een geldboete is artikel 23, derde, vierde, zevende en achtste lid, van
het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing.
3. Bij oplegging van een geldboete blijft een bevel als bedoeld
in artikel 24c, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht achterwege.
4. Indien de veroordeelde onwillig blijkt om het verschuldigde
bedrag te betalen en volledig verhaal onmogelijk is gebleken of daarvan
door het openbaar ministerie is afgezien, zendt de officier van justitie
het verzoek met de daarbij behorende stukken zo spoedig mogelijk terug
aan Onze Minister, die het Strafhof in kennis stelt.
5. Indien het Strafhof in het geval, bedoeld in het vierde lid,
de duur van de aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf verlengt en
die gevangenisstraf in Nederland ten uitvoer wordt gelegd, zijn de
artikelen 67 en 68 ten aanzien van het extra deel van de gevangenisstraf
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 82
1. Onverminderd de overige bepalingen van deze paragraaf is dit
artikel van toepassing op een verzoek van het Strafhof om
tenuitvoerlegging van een bevel tot verbeurdverklaring.
2. Bij zijn vordering, bedoeld in artikel 73, legt de officier
van justitie tevens een lijst van voorwerpen of vorderingen over die
ingevolge de artikelen 61 tot en met 63 in beslag zijn genomen.
3. Ingeval de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging van
een bevel tot verbeurdverklaring, spreekt zij de verbeurdverklaring uit
van de desbetreffende voorwerpen. Indien verbeurdverklaring van een of
meer van de voorwerpen niet mogelijk is, kan de rechtbank overeenkomstig
de artikelen 36b tot en met 36d van het Wetboek van Strafrecht de
onttrekking aan het verkeer van de desbetreffende voorwerpen uitspreken.
4. Indien verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van
een of meer van de voorwerpen niet mogelijk is, legt de rechtbank aan de
veroordeelde de verplichting op tot betaling van een geldbedrag aan de
staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Met
inachtneming van de beslissing van het Strafhof stelt zij het bedrag
vast op het bedrag van de voorwerpen of het gedeelte daarvan waarvan de
verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer niet mogelijk is.
5. Op uitspraken, voor zover houdende een verbeurdverklaring of
onttrekking aan het verkeer, zijn de artikelen 552b, 552e en 552g van
het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
6. Op uitspraken, voor zover houdende de oplegging van een
verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming
van wederrechtelijk verkregen voordeel, is artikel 577b van het Wetboek
van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
7. Artikel 65 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 83
1. Onverminderd de overige bepalingen van deze paragraaf is dit
artikel van toepassing op een verzoek van het Strafhof om
tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 75 van het
Statuut, inhoudend een verplichting voor de veroordeelde tot betaling
van een som geld ten behoeve van een of meer begunstigden.
2. De officier van justitie doet de begunstigde of begunstigden
van het bevel oproepen, tenzij oproeping redelijkerwijs niet mogelijk
is.
3. De begunstigde heeft recht op kennisneming van de stukken.
4. De begunstigde kan zich doen bijstaan. Hij kan zich ook doen
vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze verklaart daartoe
bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of door een daartoe bij bijzondere
volmacht door hem schriftelijk gemachtigde.
5. Ter zitting wordt de begunstigde in de gelegenheid gesteld het
woord te voeren over de vordering van de officier van justitie.
6. Ingeval de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging van
het bevel bedoeld in het tweede lid, legt zij aan de veroordeelde
overeenkomstig artikel 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht
de verplichting op tot betaling aan de staat van een som geld ten
behoeve van de begunstigde of begunstigden.
7. In geen geval is de rechtbank bevoegd de som geld op een hoger
bedrag te bepalen dan door het Strafhof is vastgesteld. De rechtbank
treedt niet in een nieuw onderzoek naar de rechten van belanghebbenden,
tenzij erkenning van de beslissing van het Strafhof daaromtrent
onverenigbaar zou zijn met de Nederlandse openbare orde.
8. De staat keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan de door
het Strafhof aangewezen personen of instellingen.
9. Het vierde tot en met zesde lid van artikel 36f van het
Wetboek van Strafrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 84
Al hetgeen wordt verkregen uit straffen en bevelen als bedoeld in
artikel 72 komt ten bate van het Strafhof, onverminderd artikel 83,
achtste lid.
Hoofdstuk 5. Bijstand van het gastland
Artikel 85
1. Doorvoer van personen die als verdachten door de
autoriteiten van een vreemde staat aan het Strafhof worden
overgeleverd, geschiedt in opdracht van het Strafhof door en onder de
bewaking van door Onze Minister aangewezen Nederlandse ambtenaren.
2. Doorvoer van andere personen die op verzoek van het Strafhof
naar Nederland zijn overgebracht of gekomen, geschiedt in opdracht van
het Strafhof door en onder de bewaking van door Onze Minister aangewezen
Nederlandse ambtenaren.
3. Het transport in Nederland buiten de onder het gezag van het
Strafhof staande ruimten van personen aan wie op last van het Strafhof
hun vrijheid is ontnomen, geschiedt in opdracht van het Strafhof door en
onder de bewaking van door Onze Minister aangewezen Nederlandse
ambtenaren.
4. De in dit artikel bedoelde ambtenaren zijn bevoegd alle
dienstige maatregelen te nemen ter beveiliging van de betrokken personen
en ter voorkoming van hun ontvluchting.
Artikel 86
1. Doorvoer van personen die door het Strafhof aan de
autoriteiten van een vreemde staat worden overgedragen, geschiedt in
opdracht van het Strafhof door en onder de bewaking van door Onze
Minister aangewezen Nederlandse ambtenaren.
2. De in dit artikel bedoelde ambtenaren zijn bevoegd alle
dienstige maatregelen te nemen ter beveiliging van de betrokken personen
en ter voorkoming van hun ontvluchting.
Artikel 87
1. Ingeval getuigen, deskundigen, slachtoffers of andere
personen die aanwezig dienen te zijn op de zetel van het Strafhof, van
welke nationaliteit ook, naar Nederland komen ten vervolge op een
dagvaarding of oproeping dan wel een bevel tot medebrenging van het
Strafhof of ten vervolge op een verzoek van het Strafhof aan Nederland
om toelating overeenkomstig de voorwaarden vermeld in de
zetelovereenkomst, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Statuut
kunnen zij in Nederland niet worden vervolgd, aangehouden of aan enige
andere vrijheidsbeperkende maatregel worden onderworpen voor feiten of
veroordelingen die voorafgingen aan hun aankomst in Nederland.
2. De in het eerste lid bedoelde immuniteit vervalt indien de
desbetreffende persoon, hoewel hij gedurende vijftien achtereenvolgende
dagen na het tijdstip waarop zijn aanwezigheid niet meer door het
Strafhof werd vereist, de mogelijkheid had Nederland te verlaten, hier
te lande is gebleven of in Nederland is teruggekeerd na het te hebben
verlaten.
Artikel 88
De Nederlandse wet is niet van toepassing op vrijheidsontneming
ondergaan op last van het Strafhof binnen in Nederland aan het Strafhof
ter beschikking gestelde ruimten.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 89
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 90
Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet Internationaal
Strafhof.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het
Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal
worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 20 juni 2002
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de zevenentwintigste juni 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|