Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 16 februari 2006 tot uitvoering van het op 19 oktober
1996 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bevoegdheid,
het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de
samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en
maatregelen ter bescherming van kinderen alsmede van de Verordening (EG)
nr. 2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003
betreffende de bevoegdheid en de erkenning van beslissingen in
huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot
intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (PbEU L 338), en wijziging
van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
en de Uitvoeringswet EG-executieverordening (Uitvoeringswet
internationale kinderbescherming)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om
wettelijke voorzieningen te treffen ter uitvoering van het op
19 oktober 1996 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake
de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de
tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke
verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Trb.
1997, 299) alsmede van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van
de Europese Unie van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en
de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en
inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van
Verordening (EG) nr. 1347/2000 (PbEU L 338) en mede tot wijziging van
het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en
de Uitvoeringswet EG-executieverordening;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
– het verdrag: het op 19 oktober 1996 te ’s-Gravenhage tot
stand gekomen verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke
recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het
gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter
bescherming van kinderen (Trb. 1997, 299);
– de verordening: deVerordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad
van de Europese Unie van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid
en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in
huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot
intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (PbEU L 338).
Artikel 2
Dehoofdstukken 1, 2, 4, 7 en 8 zijn mede van toepassing op
internationale kwesties van ouderlijke verantwoordelijkheid en
maatregelen ter bescherming van kinderen die niet door het verdrag of de
verordening worden beheerst.
Artikel 3
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1, onder a, van het op 20
mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese verdrag betreffende
de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag
over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (Trb.
1981, 10), artikel 4 van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot
stand gekomen verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van
internationale ontvoering van kinderen (Trb. 1987, 139) en artikel 2
van de Wet van 2 mei 1990 tot uitvoering van die verdragen (Stb. 202),
is deze wet van toepassing op kinderen die de leeftijd van achttien
jaren nog niet hebben bereikt.
2.Bereikt een kind ten aanzien waarvan een verzoek op grond van het
verdrag, van de verordening of van deze wet in behandeling is, de
leeftijd van achttien jaren, dan wordt de behandeling van dat verzoek
ambtshalve gestaakt. Hetzelfde geldt voor maatregelen ter uitvoering
van een beslissing op een verzoek.
Hoofdstuk 2. Taak en bevoegdheden van de centrale autoriteit
Artikel 4
1.Onze Minister van Justitie wordt voor Nederland aangewezen als
centrale autoriteit, bedoeld in artikel 29 van het verdrag en in
artikel 53 van de verordening.
2.De centrale autoriteit is belast met de in hoofdstuk V van het
verdrag, onderscheidenlijk hoofdstuk IV van de verordening omschreven
taken van de centrale autoriteit. Deze centrale autoriteit is als
zodanig tevens belast met de behandeling van verzoeken om tussenkomst
in internationale kwesties betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid
en maatregelen ter bescherming van kinderen, wanneer deze niet door
het verdrag of de verordening worden beheerst. Bij de behandeling van
deze verzoeken worden de bepalingen van hoofdstuk V van het verdrag
zoveel mogelijk in acht genomen.
3.In het bijzonder neemt de centrale autoriteit alle passende
maatregelen teneinde te bevorderen dat in de omstandigheden waarin het
verdrag, de verordening of deze wet van toepassing is, minnelijke
schikkingen tot stand komen met betrekking tot de bescherming van de
persoon of het vermogen van het kind.
4.De aanwijzing van de centrale autoriteit staat er niet aan in de
weg dat een persoon zich rechtstreeks tot de rechter of andere
autoriteiten wendt teneinde de erkenning van de ouderlijke
verantwoordelijkheid over een kind, het herstel van die
verantwoordelijkheid over een kind te bereiken, of de vaststelling of
wijziging van een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid
dan wel een maatregel ter bescherming van een kind te verkrijgen.
Artikel 5
1. De centrale autoriteit is bevoegd, zonodig ook zonder
uitdrukkelijke volmacht van degene die zich met een verzoek tot haar
heeft gewend, namens hem, anders dan in rechte, op te treden.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 5, derde lid, van het op 20
mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese verdrag betreffende
de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag
over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (Trb.
1981, 10) en artikel 26 van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage
tot stand gekomen verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van
internationale ontvoering van kinderen (Trb. 1987, 139), draagt de
centrale autoriteit zelf alle kosten die aan de uitvoering van haar
taak zijn verbonden.
Artikel 6
De centrale autoriteit kan de uitvoering van bepaalde handelingen,
overeenkomstig door haar te geven aanwijzingen opdragen aan de raad voor
de kinderbescherming. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn mede van
toepassing ten aanzien van de raad.
Artikel 7
De gemeentebesturen en de ambtenaren van de burgerlijke stand
verschaffen de centrale autoriteit kosteloos alle inlichtingen en
verstrekken haar kosteloos en vrij van zegel alle afschriften en
uittreksels uit hun registers die deze autoriteit van hen vraagt in
verband met de uitvoering van haar taak.
Artikel 8
1. Indien de centrale autoriteit voor het vinden van de
verblijfplaats van een kind in Nederland medewerking behoeft van
dienaren van de openbare macht, kan zij zich voor het verkrijgen
daarvan wenden tot de officier van justitie in het arrondissement waar
het kind vermoedelijk verblijft, of anders in het arrondissement ’s-Gravenhage.
De officier van justitie kan de zaak overeenkomstig door hem te geven
aanwijzingen overdragen aan een officier van justitie in een ander
arrondissement, indien de opsporing vermoedelijk in dat arrondissement
moet geschieden.
2. De in het eerste lid bedoelde officier van justitie behandelt
een verzoek om medewerking van de centrale autoriteit met voorrang.
3. De ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, die is aangewezen om zijn medewerking te verlenen aan de
opsporing van de verblijfplaats van een kind, mag daartoe elke plaats
betreden, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van die
taak nodig is.
Hoofdstuk 3. Procedure in geval van plaatsing van een kind vanuit
Nederland in een andere staat en in geval van plaatsing van een kind
vanuit een andere staat in Nederland
Artikel 9
1.De beslissing tot plaatsing van, of tot verstrekking van zorg aan
een uit Nederland afkomstig kind in een pleeggezin of in een
instelling in een andere staat ingevolge artikel 33 van het verdrag
dan wel artikel 56 van de verordening, wordt in Nederland genomen door
de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid.
2.De centrale autoriteit zendt een gemotiveerd verzoek, vergezeld
van een rapport betreffende het kind, toe aan de centrale autoriteit
dan wel de andere bevoegde autoriteit van de staat waar de plaatsing
of de verstrekking van zorg dient plaats te vinden. Zij treedt met
deze autoriteit in overleg.
3.De in het eerste lid bedoelde beslissing wordt eerst genomen
nadat de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, de
volgende bescheiden heeft ontvangen:
a. een schriftelijke verklaring van de personen of de
instelling bij welke de plaatsing of de verstrekking van zorg
dient plaats te vinden, waaruit hun instemming blijkt;
b. indien gewenst, een door de centrale autoriteit of de andere
bevoegde autoriteit in het land van plaatsing opgesteld rapport
waaruit de geschiktheid van de pleegouder tot het verstrekken van
pleegzorg aan het kind blijkt;
c. de instemming, bedoeld in artikel 33, tweede lid, van het
verdrag, dan wel artikel 56, tweede lid, van de verordening;
d. indien toepasselijk, bescheiden waaruit blijkt dat het kind
vergunning heeft of zal verkrijgen om de staat waar de plaatsing
of de verstrekking van zorg zal plaatsvinden, binnen te komen en
met het oog op de plaatsing of de verstrekking van zorg een
verblijfsrecht in die staat heeft of zal verkrijgen.
Artikel 10
1.In geval van plaatsing van een kind vanuit een andere staat in
Nederland of verstrekking van zorg aan een zodanig kind in een
pleeggezin of in een instelling in Nederland ingevolge artikel 33 van
het verdrag dan wel artikel 56 van de verordening, dient de
instemming, bedoeld in de genoemde artikelen, te worden gegeven door
de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid.
2.De instemming, bedoeld in het eerste lid, wordt eerst gegeven
nadat de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de
bevoegde autoriteit van de staat van herkomst van het kind een
gemotiveerd verzoek heeft ontvangen, vergezeld van een rapport
betreffende het kind, en nadat zij de volgende bescheiden heeft
ontvangen, welke bescheiden zij toezendt aan de bevoegde autoriteit
van het land van herkomst van het kind:
a. een schriftelijke verklaring van de personen of de
instelling bij welke de plaatsing of de verstrekking van zorg
dient plaats te vinden, waaruit hun instemming blijkt;
b. indien gewenst, een rapport waaruit de geschiktheid van de
pleegouder tot het verstrekken van pleegzorg aan het kind blijkt;
c. indien van toepassing, bescheiden waaruit blijkt dat het
kind vergunning heeft of zal verkrijgen om Nederland binnen te
komen en met het oog op de plaatsing of de verstrekking van zorg
een verblijfsrecht in Nederland heeft of zal verkrijgen.
3.Kennisgevingen van buitenlandse autoriteiten, als bedoeld in
artikel 56, vierde lid, van de verordening, worden aan de centrale
autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, gericht. Deze zendt
afschriften van deze kennisgevingen toe aan de raad voor de
kinderbescherming en aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Artikel 11
1.Indien de voorschriften van artikel 10 niet in acht zijn genomen,
kan de officier van justitie of de centrale autoriteit de
kinderrechter verzoeken een stichting als bedoeld in artikel 1, onder
f, van de Wet op de jeugdzorg te belasten met de voorlopige voogdij
over het kind. Dit verzoek kan ook worden gedaan door de raad voor de
kinderbescherming. Tenzij de kinderrechter een langere termijn van
verval van de voorlopige voogdij heeft bepaald, wendt de raad zich
binnen zes weken na de beslissing over de voorlopige voogdij tot de
rechter ten einde een voorziening in het gezag over de minderjarige te
verkrijgen. Artikel 241, vierde, vijfde en zesde lid, alsmede artikel
306a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige
toepassing. Artikel 813, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
2.De voorlopige voogdij eindigt, behoudens eerdere opheffing, op
het tijdstip waarop hetzij de voogdij over het kind, dan wel diens
plaatsing bij andere personen of een andere instelling, een aanvang
neemt, of zijn terugkeer naar het land van herkomst is geregeld.
3.De kosten die de voogdij-instelling ten behoeve van het kind moet
maken, komen ten laste van degene bij wie het kind in strijd met
artikel 10 is geplaatst. De artikelen 69 tot en met 76 van de Wet op
de jeugdzorg zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 4. Rechtspleging ter zake van ouderlijke
verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen
Artikel 12
1. Onverminderd de bevoegdheid van de voorzieningenrechter in kort
geding, is de rechtbank bevoegd tot kennisneming van alle zaken met
betrekking tot de regeling en de uitoefening van ouderlijke
verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen in
internationale gevallen, behoudens voor zover het betreft de
erkenning, de niet-erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse
beslissingen.
2. De rechtbank is bevoegd tot kennisneming van een zaak als
bedoeld in het eerste lid indien het kind binnen haar rechtsgebied
gewone verblijfplaats heeft. In gevallen waarin het verdrag of de
verordening een bevoegdheid toekent aan de autoriteiten van de
verdragsstaat waar het kind niet zijn gewone verblijfplaats heeft,
maar zich bevindt, is tot kennisneming daarvan bevoegd de rechtbank
binnen wier rechtsgebied het kind zich bevindt. In gevallen waarin het
verdrag of de verordening een bevoegdheid toekent aan de autoriteiten
van een staat waar het kind noch zijn gewone verblijfplaats heeft noch
zich bevindt, is tot kennisneming daarvan bevoegd de rechtbank Den
Haag.
Artikel 13
De zaken tot kennisneming waarvan de rechtbank op grond van artikel
12, eerste lid, bevoegd is, worden ingeleid met een verzoekschrift. Het
verzoekschrift wordt ingediend door een advocaat. Het verzoekschrift
houdt tevens in de keuze van een woonplaats binnen het arrondissement
van de rechtbank.
Artikel 14
Artikel 14 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering
(Stb. 1990, 202) is van overeenkomstige toepassing in gevallen die door
het verdrag, de verordening of deze wet worden bestreken.
Hoofdstuk 5. Erkenning, niet-erkenning en tenuitvoerlegging van
beslissingen op grond van het verdrag
Artikel 15
1. De voorzieningenrechter van de rechtbank is bevoegd tot
kennisneming van alle verzoeken die betrekking hebben op de erkenning,
de niet-erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake
ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van
kinderen die op grond van het verdrag zijn gegeven, voor zover de
erkenning, de niet-erkenning en de tenuitvoerlegging daarvan niet door
de verordening worden beheerst. Ten aanzien van het verlof tot
tenuitvoerlegging zijn de artikelen 985 tot en met 990 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing.
2. In de zaken, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd de
voorzieningenrechter van de rechtbank binnen wier rechtsgebied de
persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, dan wel een
kind waarop het verzoek betrekking heeft, gewone verblijfplaats heeft.
Indien geen van deze personen gewone verblijfplaats in Nederland
heeft, is bevoegd de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen wier
rechtsgebied de tenuitvoerlegging dient plaats te vinden. Kan de
bevoegdheid niet worden gebaseerd op de in dit artikellid genoemde
gronden, dan is bevoegd de voorzieningenrechter van de rechtbank Den
Haag.
3. Een beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste lid,
wordt gevraagd bij verzoekschrift. Het wordt ingediend door een
advocaat. Het verzoekschrift houdt tevens in de keuze van een
woonplaats binnen het arrondissement van de rechtbank.
Artikel 16
1.De voorzieningenrechter bij wie een verzoek als bedoeld in
artikel 15, eerste lid, is ingediend, doet daarover onverwijld
uitspraak.
2.Het verlof tot tenuitvoerlegging is uitvoerbaar bij voorraad.
Artikel 17
1.De rechtbank waarvan de voorzieningenrechter op een verzoek als
bedoeld in artikel 15, eerste lid, heeft beschikt, neemt kennis van
het hoger beroep van die beschikking. Alleen de partijen kunnen hoger
beroep tegen de beschikking instellen.
2.Het hoger beroep tegen een beschikking waarbij een verzoek als
bedoeld in artikel 15, eerste lid, is ingewilligd, moet worden
ingesteld binnen een maand na de betekening van de beschikking. Indien
de partij tegen wie tenuitvoerlegging wordt gevraagd, haar gewone
verblijfplaats heeft in het buitenland, bedraagt de termijn voor het
instellen van hoger beroep twee maanden, te rekenen vanaf de datum van
de betekening aan deze partij in persoon of aan zijn adres. De termijn
kan niet op grond van de afstand worden verlengd.
3.Indien hoger beroep wordt ingesteld door de verzoeker en is
gericht tegen de weigering om een verzoek als bedoeld in artikel 15,
eerste lid, in te willigen, wordt het ingesteld binnen een maand na de
dagtekening van de beschikking.
4.De rechtbank bij welke hoger beroep is ingesteld, doet daarover
onverwijld uitspraak.
5.Tegen de in hoger beroep gegeven beschikking kan slechts beroep
in cassatie worden ingesteld.
6.De rechtbank bij welke hoger beroep is ingesteld,
onderscheidenlijk de Hoge Raad bij welke beroep in cassatie is
ingesteld, kan op verzoek van de partij tegen wie tenuitvoerlegging
wordt gevraagd, zijn uitspraak aanhouden indien in de staat van
herkomst van de beslissing een gewoon rechtsmiddel is ingesteld of de
termijn daartoe nog niet is verstreken. In dit laatste geval kan de
rechtbank, onderscheidenlijk de Hoge Raad, een termijn vaststellen
binnen welke het rechtsmiddel moet worden ingesteld.
7.Indien in de beslissing uitspraak is gedaan over meer dan een
onderdeel van het verzoek en de tenuitvoerlegging niet voor het geheel
kan worden toegestaan, wordt de tenuitvoerlegging voor één of meer
van die onderdelen toegestaan.
8.De verzoeker kan om gedeeltelijke tenuitvoerlegging vragen.
Hoofdstuk 6. Erkenning, niet-erkenning en tenuitvoerlegging van
beslissingen op grond van de verordening
Artikel 18
1. De voorzieningenrechter van de rechtbank is bevoegd tot
kennisneming van de verzoeken, bedoeld in de artikelen 21, derde lid,
28 en 48, eerste lid, van de verordening. Ten aanzien van het verlof
tot tenuitvoerlegging zijn de artikelen 985 tot en met 990 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing.
2. Artikel 29, tweede lid, van de verordening is van
overeenkomstige toepassing op de relatieve bevoegdheid van de
voorzieningenrechter in de zaken, bedoeld in artikel 21, derde lid,
van de verordening. Kan de bevoegdheid van deze rechter niet worden
gebaseerd op de daar genoemde gronden, dan is bevoegd de
voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag.
3. Een beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste lid,
wordt gevraagd bij verzoekschrift. Het wordt ingediend door een
advocaat. Het verzoekschrift houdt tevens in de keuze van een
woonplaats binnen het arrondissement van de rechtbank.
4. Onverminderd het bepaalde bij artikel 38, eerste lid, van de
verordening, wordt bij ongenoegzaamheid van de bij het verzoekschrift
overgelegde stukken aan de verzoeker de gelegenheid tot aanvulling
gegeven met het stuk, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder a, van
de verordening.
Artikel 19
1.De persoon tegen wie tenuitvoerlegging wordt gevraagd en andere
belanghebbenden worden in de procedure over een verzoek als bedoeld in
artikel 18, eerste lid, niet opgeroepen.
2.Inwilliging van het verzoek, bedoeld in artikel 28 van de
verordening, door de voorzieningenrechter geschiedt in de vorm van een
eenvoudig verlof, dat op de overgelegde expeditie van de ten uitvoer
te leggen beslissing wordt gesteld.
3.Het verlof tot tenuitvoerlegging is uitvoerbaar bij voorraad.
Artikel 20
1.De rechtbank waarvan de voorzieningenrechter op een verzoek als
bedoeld in artikel 18, eerste lid, heeft beschikt, neemt kennis van
het rechtsmiddel, bedoeld in artikel 33 van de verordening.
2.Het rechtsmiddel, bedoeld in artikel 33 van de verordening,
wordt, indien het wordt ingesteld door de verzoeker en is gericht
tegen een weigering om een verzoek als bedoeld in artikel 18, eerste
lid, in te willigen, ingesteld binnen een maand na de dagtekening van
de beschikking.
3.De rechtbank bij welke hoger beroep is ingesteld, doet daarover
onverwijld uitspraak.
Artikel 21
1.De procedure van artikel 26 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek
is niet van toepassing ten aanzien van het op artikel 21, derde lid,
van de verordening gegronde verzoek om een beslissing houdende
erkenning of niet-erkenning van een in een andere lidstaat gegeven
beslissing ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of
nietigverklaring van het huwelijk.
2.Artikel 26e van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is van
overeenkomstige toepassing op een beslissing als bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 22
In het in artikel 41, derde lid, laatste zin, van de verordening
bedoelde geval wordt het verzoek om een certificaat betreffende een
beslissing inzake het omgangsrecht bij verzoekschrift door tussenkomst
van een advocaat ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank
van welke de kinderrechter de beslissing heeft gegeven. De
voorzieningenrechter beslist onverwijld op het verzoek. Artikel 19,
eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23
Artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van
overeenkomstige toepassing op de procedure, bedoeld in artikel 43 van de
verordening, indien het certificaat door een Nederlandse rechter is
afgegeven.
Hoofdstuk 7. Internationale samenwerking van gerechten
Artikel 24
1.De Raad voor de Rechtspraak wijst een of meer kinderrechters aan,
die in het bijzonder belast zijn met het faciliteren van contacten van
rechters in Nederland bij wie op grond van het verdrag, de verordening
of deze wet procedures aanhangig zijn met rechters in het buitenland
die terzake bevoegd zijn, alsmede contacten van rechters in het
buitenland bij wie zodanige procedures aanhangig zijn, met rechters in
Nederland die terzake bevoegd zijn.
2.Indien een rechter in Nederland in verband met een procedure in
het eerste lid een rechter in het buitenland wenst te consulteren, kan
hij gebruik maken van de tussenkomst van de in het eerste lid bedoelde
rechter.
3.De in het tweede lid bedoelde tussenkomst wordt ook verleend aan
een rechter in het buitenland die in verband met een bij hem
aanhangige procedure als bedoeld in het eerste lid een rechter in
Nederland wenst te consulteren.
4.Indien in verband met een consultatie als bedoeld in het tweede
of het derde lid stukken dienen te worden vertaald of indien daarvoor
de bijstand van een tolk nodig is, draagt de in het eerste lid
bedoelde rechter hiervoor zorg.
5.Voordat een consultatie als bedoeld in het tweede lid
plaatsvindt, stelt de rechter bij wie de procedure aanhangig is, de
partijen hiervan in kennis. Nadat de consultatie heeft plaatsgevonden,
doet hij partijen verslag van de consultatie.
6.De overdracht van verzoeken als bedoeld in de artikelen 8 en 9
van het verdrag en artikel 15 van de verordening, geschiedt door
tussenkomst van de in het eerste lid bedoelde rechter. De rechter die
een verzoek heeft overgedragen, stelt partijen hiervan in kennis.
Hoofdstuk 8. Verklaring inzake ouderlijke verantwoordelijkheid
Artikel 25
1.Tot de afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 40, van
het verdrag, is bevoegd de notaris.
2.De verklaring wordt afgegeven op een bij besluit van Onze
Minister van Justitie vast te stellen formulier.
Hoofdstuk 9. Samenloop met andere internationale regelingen
Artikel 26
In de betrekkingen tussen Nederland en andere staten die partij zijn
zowel bij het in artikel 1 bedoelde verdrag als bij het op 20 mei 1980
te Luxemburg tot stand gekomen Europese verdrag betreffende de erkenning
en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen
en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (Trb. 1981, 10)
gaat het in artikel 1 bedoelde verdrag voor.
Hoofdstuk 10. Wijziging van andere wetten
Artikel 27
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1]
Artikel 28
[Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering]
Artikel 29
[Wijzigt de Uitvoeringswet EG-executieverordening]
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Artikel 30
1. Artikel 28, onderdeel B, van deze wet is van toepassing op
procedures inzake echtscheiding, scheiding van tafel en bed en
ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed,
nietigverklaring alsmede nietigheid en geldigheid van het huwelijk die
worden ingesteld op of na 1 maart 2005.
2. Het in artikel 1 bedoelde verdrag is niet van toepassing in
procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid of maatregelen ter
bescherming van kinderen, die vóór zijn inwerkingtreding in
Nederland zijn ingesteld en waarin na zijn inwerkingtreding een
beslissing wordt genomen.
3. De inwerkingtreding in Nederland van het in artikel 1 bedoelde
verdrag laat ouderlijke verantwoordelijkheid die voordien van
rechtswege aan een persoon is toegekomen, onverlet.
4. Vanaf het tijdstip van de inwerkingtreding in Nederland van het
in artikel 1 bedoelde verdrag wordt het van rechtswege ontstaan van
ouderlijke verantwoordelijkheid van een persoon die deze niet reeds
heeft, door dat verdrag beheerst.
Artikel 31
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 32
Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet internationale
kinderbescherming.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 16 februari 2006
BEATRIX
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de zevende maart 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|