In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
b. autoriteit: Voedsel en Waren Autoriteit, ingesteld bij het
Besluit organisatie VWA (Stcrt. 2002, 127);
c. risicobeoordeling: wetenschappelijk gefundeerd proces,
bestaande uit vier stappen, te weten gevareninventarisatie,
gevarenkarakterisatie, blootstellingschatting en
risicokarakterisatie;
d. beoordelingseenheid: afzonderlijke eenheid binnen de
autoriteit, belast met risicobeoordeling.
Hoofdstuk 2. Waarborgen voor onafhankelijke uitoefening van
risicobeoordeling en onderzoek
Artikel 2
1. Deze wet heeft uitsluitend betrekking op de navolgende aan
de autoriteit opgedragen taken:
a. het uitvoeren van risicobeoordelingen op het gebied van voeding
en voedsel en op het gebied van andere consumentenproducten;
b. het verrichten of doen verrichten van wetenschappelijk onderzoek
ten behoeve van de uitvoering van risicobeoordelingen;
c. het gevraagd en ongevraagd verstrekken van adviezen naar
aanleiding van risicobeoordelingen en onderzoek als bedoeld in
onderdeel b.
2. De uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taken
geschiedt door de beoordelingseenheid.
Artikel 3
Ambtenaren van de autoriteit die zijn belast met de uitoefening van
de in artikel 2 bedoelde taken, vervullen geen taken in het kader van de
uitvoering, het toezicht op de naleving, de oplegging van bestuurlijke
boeten of de opsporing op het beleidsterrein van Onze Minister of dat
van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 4
1. De vaststelling van risicobeoordelingen alsmede van de naar
aanleiding daarvan opgestelde adviezen geschiedt door de directeur van
de beoordelingseenheid.
2. De inspecteur-generaal van de autoriteit draagt zorg voor een
onverwijlde en integrale doorzending van de door de directeur
vastgestelde risicobeoordelingen alsmede de daaraan verbonden adviezen
aan Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport.
3. Zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na de in
het tweede lid bedoelde doorzending worden de in dat lid bedoelde
risicobeoordelingen en adviezen door de inspecteur-generaal
openbaargemaakt.
4. Indien risicobeoordelingen en de daarmee verbonden advisering
onderdeel uitmaken van een breder advies van de autoriteit, draagt de
inspecteur-generaal er zorg voor dat het door de directeur vastgestelde
gedeelte integraal en als zodanig herkenbaar in het advies wordt
opgenomen.
Artikel 5
1. Onze Minister legt algemene aanwijzingen aan de in artikel
4, eerste lid, bedoelde directeur met betrekking tot de uitoefening
van de hem in deze wet toegekende taken vast in beleidsregels.
2. De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing
in de Staatscourant.
3. Onze Minister geeft zijn aanwijzingen aan de directeur met
betrekking tot de uitoefening in individuele gevallen van de hem in deze
wet toegekende taken uitsluitend in schriftelijke vorm. De
desbetreffende aanwijzing wordt gevoegd bij de op de zaak betrekking
hebbende stukken.
4. Van aanwijzingen als bedoeld in het derde lid wordt mededeling
gedaan in de Staatscourant.
Hoofdstuk 3. Raad van advies
Artikel 6
1. Er is een Raad van advies, die tot taak heeft:
a. erop toezien dat risicobeoordelingen, onderzoeken en daarmee
verbonden adviezen als bedoeld in artikel 2 op onafhankelijke wijze
tot stand komen;
b. het bewaken van de wetenschappelijke kwaliteit van
risicobeoordelingen.
2. De inspecteur-generaal en de directeur verstrekken aan de Raad
van advies desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die deze voor de
uitoefening van zijn taak nodig heeft.
Artikel 7
1. De Raad van advies bestaat uit vijf leden van wie drie
leden, waaronder de voorzitter, uit de kringen van de wetenschap en
twee leden met deskundigheid op het terrein van voeding en voedsel en
op het terrein van andere consumentenproducten.
2. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat in overeenstemming
met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de voorzitter en
de overige leden van de Raad van advies.
3. Benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier
jaar. Herbenoeming kan eenmaal en voor ten hoogste vier jaar
plaatsvinden.
4. Schorsing en ontslag vinden slechts plaats vanwege
ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie, wegens het
niet naleven van artikel 8, eerste lid, dan wel wegens andere
zwaarwegende redenen dan die gelegen zijn in de persoon van de
betrokkene of verband houden daarmee. Ontslag vindt voorts plaats op
eigen verzoek.
Artikel 8
1. De leden van de Raad van advies vervullen geen
nevenbetrekkingen die ongewenst zijn met het oog op een goede
vervulling van hun functie of de handhaving van hun onafhankelijkheid
of van het vertrouwen in een goede en onafhankelijke
functievervulling.
2. Leden van de Raad van advies melden het voornemen tot het
aanvaarden van een nevenfunctie aan Onze Minister.
3. Nevenfuncties van leden van de Raad van advies worden openbaar
gemaakt door het ter inzage leggen van een opgave van deze nevenfuncties
bij Onze Minister alsmede door een publicatie daarvan in de
Staatscourant.
Artikel 9
1. De Raad van advies zendt jaarlijks voor 1 juni aan Onze
Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een
rapportage over het afgelopen kalenderjaar, met een afschrift aan de
inspecteur-generaal.
2. Onze Minister doet de in het eerste lid bedoelde rapportage
aan beide kamers der Staten-Generaal toekomen.
Hoofdstuk 4. Wijziging andere wetten
Artikel 10
[Wijzigt de Gezondheidswet]
Artikel 11
[Wijzigt de Warenwet]
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 12
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze
wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
praktijk.
Artikel 13
Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde
kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij
wordt geplaatst.
Artikel 14
Deze wet wordt aangehaald als: Wet onafhankelijke risicobeoordeling
Voedsel en Waren Autoriteit.