Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in
overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de reikwijdte van de Wet
melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996 te
vergroten, alsmede nieuwe regels te stellen met het oog op het vergroten
van de doorzichtigheid van de zeggenschap en van het kapitaalbelang in
effectenuitgevende instellingen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepaling
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voor
zover niet anders is bepaald, verstaan onder:
a. uitgevende instelling: een naamloze vennootschap naar Nederlands
recht waarvan aandelen als bedoeld in onderdeel d, onder 1° of 2°,
zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in
Nederland of in een andere lidstaat, of een rechtspersoon, opgericht
naar het recht van een staat die niet een lidstaat is, waarvan
aandelen als bedoeld in onderdeel d, onder 1° of 2°, zijn toegelaten
tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland;
b. Onze Minister: Onze Minister van Financiėn;
c. kapitaal: het geplaatste kapitaal van de uitgevende instelling;
d. aandelen:
1°. aandelen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek;
2°. certificaten van aandelen of andere met certificaten van
aandelen gelijk te stellen verhandelbare waardebewijzen;
3°. andere verhandelbare waardebewijzen, niet zijnde opties als
bedoeld onder 4°, ter verwerving van de onder 1° bedoelde aandelen
of van de onder 2° bedoelde waardebewijzen;
4°. opties ter verwerving van de onder 1° bedoelde aandelen of
van de onder 2° bedoelde waardebewijzen. Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald wat onder opties wordt verstaan;
e. stemmen: stemmen die op de aandelen kunnen worden uitgebracht,
met inbegrip van rechten ingevolge een overeenkomst tot verkrijging
van stemmen;
f. substantiėle deelneming: vijf procent of meer van de aandelen,
of het kunnen uitbrengen van vijf procent of meer van de stemmen; bij
het bepalen van het aantal stemmen dat een natuurlijke persoon of
rechtspersoon in een uitgevende instelling kan uitbrengen worden tot
zijn stemmen mede gerekend de stemmen waarover hij beschikt of geacht
wordt te beschikken op grond van artikel 13;
g. dochtermaatschappij: een dochtermaatschappij als bedoeld in
artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een rechtspersoon
of vennootschap waarin de rechten en bevoegdheden als bedoeld in
artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kunnen worden
uitgeoefend door een natuurlijk persoon;
h. meldingsplichtige: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die
bij of krachtens deze wet een meldingsplicht heeft;
i. drempelwaarde: een percentage van het kapitaal of de stemmen,
waarvan het bereiken, overschrijden of onderschrijden door degene die
aandelen houdt of verwerft of stemmen kan uitbrengen of verwerft,
leidt tot een meldingsplicht ingevolge deze wet;
j. gereglementeerde markt: een markt als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, onderdeel 14, van richtlijn nr. 2004/39/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april
2004 betreffende markten voor financiėle instrumenten, tot wijziging
van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en Richtlijn
2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende
intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145);
k. lidstaat: een staat die lid is van de Europese Unie alsmede een
staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
l. marketmaker: een persoon als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel 8, van richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende
markten voor financiėle instrumenten, tot wijziging van de
Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/12/EG
van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van
Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145);
m. clearingbedrijf: het als bedrijf sluiten van overeenkomsten van
koop en verkoop van aandelen, met een centrale tegenpartij als bedoeld
in art. 212a, onderdeel c, van de Faillissementswet, van welke
overeenkomsten de hoofdverbintenissen overeenkomen met de
hoofdverbintenissen die voortvloeien uit overeenkomsten, gesloten door
derden, of door de desbetreffende onderneming of instelling zelf in
haar hoedanigheid van partij op een gereglementeerde markt;
n. handelsportefeuille: een portefeuille als bedoeld in artikel 2,
zesde lid, van richtlijn nr. 93/6/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid
van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (PbEG L 141);
o. beheerder: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1, onderdeel
e, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder
uitgevende instelling niet verstaan een beleggingsmaatschappij als
bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet toezicht
beleggingsinstellingen, waarvan de rechten van deelneming op verzoek van
de deelnemers ten laste van de activa van deze beleggingsmaatschappij
direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald.
Hoofdstuk 2. Meldingen betreffende het kapitaal en de stemmen
Artikel 2
1. De uitgevende instelling meldt onverwijld aan Onze Minister
het totaal van de wijzigingen van haar kapitaal waardoor dit kapitaal
ten opzichte van de vorige melding met een procent of meer is
gewijzigd. De uitgevende instelling kan tevens aan Onze Minister op
ieder tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van de in het tweede lid
bedoelde periodieke melding de overige wijzigingen van haar kapitaal
melden.
2. De uitgevende instelling meldt periodiek aan Onze Minister het
totaal van de wijzigingen van haar kapitaal waarvoor geen meldingsplicht
bestaat op grond van het eerste lid, eerste volzin, voor zover zij deze
wijzigingen niet reeds heeft gemeld op grond van het eerste lid, tweede
volzin. Bij algemene maatregel van bestuur worden de periode vastgesteld
waarop de melding betrekking heeft en de termijn waarbinnen de melding
moet hebben plaatsgevonden.
Artikel 3
1. De uitgevende instelling meldt onverwijld aan Onze Minister
iedere wijziging in haar stemmen, voor zover deze wijziging niet
voortvloeit uit wijzigingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid.
Indien een wijziging in de stemmen voortvloeit uit een wijziging als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, tweede volzin, kan de uitgevende
instelling deze wijziging gelijktijdig met die wijziging melden aan
Onze Minister.
2. De uitgevende instelling meldt periodiek aan Onze Minister het
totaal van de wijzigingen in de stemmen waarvoor geen meldingsplicht
bestaat op grond van het eerste lid, eerste volzin, voor zover zij deze
wijzigingen niet reeds heeft gemeld op grond van het eerste lid, tweede
volzin. Bij algemene maatregel van bestuur wordt de periode vastgesteld
waarop de melding betrekking heeft en de termijn waarbinnen de melding
moet hebben plaatsgevonden.
3. De uitgevende instelling meldt onverwijld aan Onze Minister
elke uitgifte of intrekking met haar medewerking van aandelen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, voor zover
deze betrekking heeft op een procent of meer van haar kapitaal. De
uitgevende instelling kan tevens aan Onze Minister op ieder tijdstip
voorafgaand aan het tijdstip van de in het vierde lid bedoelde
periodieke melding elke overige uitgifte of intrekking van aandelen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, melden.
4. De uitgevende instelling meldt periodiek aan Onze Minister het
totaal van de uitgegeven of ingetrokken aandelen als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel d, onder 2° waarvoor geen meldingsplicht
bestaat op grond van het derde lid, eerste volzin, voor zover zij deze
niet reeds heeft gemeld op grond van het derde lid, tweede volzin. Bij
algemene maatregel van bestuur worden de periode vastgesteld waarop de
melding betrekking heeft en de termijn waarbinnen de melding moet hebben
plaatsgevonden.
Artikel 4
Een naamloze vennootschap naar Nederlands recht of een rechtspersoon,
opgericht naar het recht van een staat die niet een lidstaat is, die een
uitgevende instelling wordt meldt onverwijld aan Onze Minister haar
kapitaal en haar stemmen, alsmede de aandelen, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel d, onder 2°.
Artikel 5
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de gegevens die bij een melding als bedoeld in de
artikelen 2, 3 en 4 dienen te worden verstrekt en met betrekking tot de
wijze van melden.
Hoofdstuk 3. Meldingen betreffende wijzigingen in zeggenschap en
kapitaalbelang
Artikel 6
1. Een ieder die de beschikking krijgt of verliest over
aandelen waardoor, naar hij weet of behoort te weten, het percentage
van het kapitaal waarover hij beschikt een drempelwaarde bereikt,
overschrijdt dan wel onderschrijdt, meldt dat onverwijld aan Onze
Minister.
2. Een ieder die de beschikking krijgt of verliest over stemmen
waardoor, naar hij weet of behoort te weten, het percentage van de
stemmen waarover hij beschikt een drempelwaarde bereikt, overschrijdt
dan wel onderschrijdt, meldt dat onverwijld aan Onze Minister.
3. De drempelwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn:
5 procent, 10 procent, 15 procent, 20 procent, 25 procent, 30 procent,
40 procent, 50 procent, 60 procent, 75 procent en 95 procent.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke
gevallen een meldingsplichtige behoort te weten dat hij een
drempelwaarde bereikt, overschrijdt dan wel onderschrijdt.
Artikel 7
1. Een ieder wiens percentage van het kapitaal of van de
stemmen waarover hij beschikt, naar hij weet of behoort te weten, een
drempelwaarde bereikt, overschrijdt dan wel onderschrijdt als gevolg
van een wijziging die op grond van een melding als bedoeld in artikel
2 of 3 door Onze Minister in het register, bedoeld in artikel 17, is
verwerkt, meldt dat aan Onze Minister. De melding vindt plaats
uiterlijk op de vierde handelsdag na de in de vorige volzin bedoelde
verwerking in het register. Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald wat onder handelsdag wordt verstaan.
2. De drempelwaarden, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin,
zijn: 5 procent, 10 procent, 15 procent, 20 procent, 25 procent, 30
procent, 40 procent, 50 procent, 60 procent, 75 procent en 95 procent.
3. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8
Een ieder die de beschikking krijgt of verliest over een of meer
aandelen met een bijzonder statutair recht inzake de zeggenschap in een
uitgevende instelling, meldt dat onverwijld aan Onze Minister. Aan de
verplichting op grond van de vorige volzin is voldaan, indien terzake
van hetzelfde feit een melding is gedaan op grond van artikel 6, eerste
lid.
Artikel 9
1. Een ieder wiens substantiėle deelneming op 31 december om
24.00 uur ten opzichte van diens vorige melding een afwijkende
samenstelling heeft als gevolg van een omwisseling van:
a. aandelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d,
onder 2°, in aandelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
d, onder 1° of 2°, of omgekeerd, dan wel;
b. aandelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d,
onder 1°, in aandelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
d, 2°, of omgekeerd; meldt dat binnen vier weken na dat tijdstip aan
Onze Minister. Aan de verplichting op grond van de eerste volzin is
voldaan door een bestuurder of commissaris, indien terzake van
hetzelfde feit een melding is gedaan als bedoeld in artikel 16, zesde
of zevende lid.
2. Een ieder wiens substantiėle deelneming op 31 december om
24.00 uur ten opzichte van diens vorige melding een afwijkende
samenstelling heeft als gevolg van de uitoefening van rechten ingevolge
een overeenkomst tot verkrijging van stemmen of omgekeerd, meldt dat
binnen vier weken na dat tijdstip aan Onze Minister. Aan de verplichting
op grond van de eerste volzin is voldaan door een bestuurder of
commissaris, indien terzake van hetzelfde feit een melding is gedaan als
bedoeld in artikel 16, zevende lid.
Artikel 10
Een ieder die ophoudt een dochtermaatschappij te zijn en die beschikt
over een substantiėle deelneming of een of meer aandelen met een
bijzonder statutair recht inzake de zeggenschap in een uitgevende
instelling, meldt dit onverwijld aan Onze Minister.
Artikel 11
1. Een ieder die op het tijdstip waarop een naamloze
vennootschap naar Nederlands recht een uitgevende instelling wordt
naar hij weet of behoort te weten beschikt over een substantiėle
deelneming of een of meer aandelen met een bijzonder statutair recht
inzake de zeggenschap in deze uitgevende instelling, meldt dat
onverwijld aan Onze Minister.
2. Een ieder die op het tijdstip waarop een rechtspersoon,
opgericht naar het recht van een staat, die niet een lidstaat is van de
Europese Unie, een uitgevende instelling wordt naar hij weet of behoort
te weten beschikt over een substantiėle deelneming in deze uitgevende
instelling, meldt dat onverwijld aan Onze Minister.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke
gevallen een meldingsplichtige behoort te weten dat hij beschikt over
een substantiėle deelneming in een uitgevende instelling.
Artikel 12
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de gegevens die bij een melding als bedoeld in de
artikelen 6 tot en met 11 dienen te worden verstrekt en met betrekking
tot de wijze van melden.
Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen en ontheffingen inzake meldingen
betreffende wijzigingen in zeggenschap en kapitaalbelang
Artikel 13
1. Iemand beschikt over de aandelen die hij houdt, alsmede over
de stemmen die hij kan uitbrengen als aandeelhouder.
2. Iemand beschikt over de stemmen die hij, indien toepassing is
gegeven aan artikel 88, derde lid, of artikel 89, derde lid, van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek, als vruchtgebruiker onderscheidenlijk
pandhouder kan uitbrengen.
3. Iemand wordt geacht te beschikken over de aandelen die zijn
dochtermaatschappij houdt, alsmede over de stemmen die zijn
dochtermaatschappij kan uitbrengen. Een dochtermaatschappij wordt geacht
niet te beschikken over aandelen of stemmen.
4. Iemand wordt geacht te beschikken over de aandelen die door
een derde voor zijn rekening worden gehouden, alsmede over de stemmen
die deze derde kan uitbrengen.
5. Iemand wordt geacht te beschikken over de stemmen waarover een
derde beschikt, met wie hij een overeenkomst heeft gesloten die voorziet
in een duurzaam gemeenschappelijk beleid inzake het uitbrengen van de
stemmen.
6. Iemand wordt geacht te beschikken over de stemmen waarover een
derde beschikt, met wie hij een overeenkomst heeft gesloten waarin een
tijdelijke en betaalde overdracht van deze stemmen is geregeld.
7. De beheerder van een beleggingsfonds als bedoeld in artikel 1,
onder b, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen wordt geacht te
beschikken over de aandelen die de bewaarder houdt en de daaraan
verbonden stemmen. De bewaarder van een beleggingsfonds wordt geacht
niet te beschikken over aandelen of stemmen.
8. Aandelen en stemmen die deel uitmaken van een gemeenschap
worden in evenredigheid van hun gerechtigdheid toegerekend aan de
deelgenoten. In afwijking van de vorige volzin worden stemmen die deel
uitmaken van een wettelijke gemeenschap van goederen als bedoeld in
artikel 93 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek toegerekend aan de
echtgenoot van wiens zijde de stemmen in de gemeenschap zijn gevallen
als bedoeld in artikel 97 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
9. Iemand wordt geacht te beschikken over de stemmen die hij als
gevolmachtigde naar eigen goeddunken kan uitbrengen.
10. Het derde lid is volgens bij algemene maatregel van bestuur
te stellen regels niet van toepassing op degene wiens
dochtermaatschappij:
a. een beheerder is die de stemmen die zijn verbonden aan de
aandelen die worden gehouden door de beleggingsinstelling, bedoeld in
artikel 1, onderdeel a, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen,
waarover hij het beheer voert, dan wel de stemmen waarover hij
ingevolge het zevende lid, eerste volzin, wordt geacht te beschikken,
naar eigen goeddunken kan uitbrengen; of
b. een vermogensbeheerder is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c,
van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, die de stemmen die zijn
verbonden aan de aandelen waarover hij het beheer voert naar eigen
goeddunken kan uitbrengen.
Artikel 14
1. De verplichtingen om te melden op grond van de artikelen 6
tot en met 11 zijn, voor zover de aandelen en de daaraan verbonden
stemmen in de regelmatige uitoefening van hun bedrijf en gedurende een
korte periode worden gehouden, niet van toepassing op:
a. ondernemingen of instellingen die het clearingbedrijf uitoefenen
en die geen kredietinstelling zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel
a, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
b. afwikkelende instanties als bedoeld in artikel 212a, onderdeel f,
van de Faillissementswet;
c. nationale centrale banken die onderdeel uitmaken van het
Europees Stelsel van Centrale Banken, bedoeld in artikel 8 van het
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, voorzover de
stemmen niet worden uitgebracht.
2. De verplichtingen om te melden op grond van de artikelen 6 tot
en met 11 zijn, voor zover de aandelen en de daaraan verbonden stemmen
worden gehouden in de regelmatige uitoefening van hun bedrijf, niet van
toepassing op:
a. bewaarnemers van aandelen, voorzover deze de aan deze aandelen
verbonden stemmen niet naar eigen goeddunken kunnen uitbrengen;
b. marketmakers die de beschikking krijgen of verliezen over
aandelen en de daaraan verbonden stemmen waardoor, naar zij weten of
behoren te weten, het percentage van het kapitaal of de stemmen
waarover zij beschikken de drempelwaarde van 5 procent bereikt,
overschrijdt of onderschrijdt, voor zover deze geen invloed uitoefenen
in het bestuur van de desbetreffende uitgevende instelling en in hun
lidstaat van herkomst een vergunning hebben als bedoeld in richtlijn
nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 21 april 2004 betreffende markten voor financiėle
instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG
van de Raad en Richtlijn 2000/39/EG van het Europees Parlement en de
Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PbEU
L 145).
3. Voor zover de aandelen en de daaraan verbonden stemmen tot de
handelsportefeuille behoren en de drempelwaarde van vijf procent niet
overschrijden, en indien de stemmen niet worden uitgebracht en niet
anderszins invloed wordt uitgeoefend in het bestuur van de
desbetreffende uitgevende instellingen, zijn de verplichtingen om te
melden op grond van de artikelen 6 tot en met 11, niet van toepassing
op:
a. instellingen die beschikken over een vergunning als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en
instellingen die beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel
6 of 38 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 dan wel een verklaring
van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45 van die wet;
b. instellingen die in een andere lidstaat zijn gevestigd en van de
toezichthoudende autoriteit van die lidstaat een vergunning hebben
verkregen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, eerste volzin, van
richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten voor
financiėle instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG
en 93/6/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/12/EG van het Europees
Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG
van de Raad (PbEU L 145);
c. kredietinstellingen die in een andere lidstaat zijn gevestigd en
van de toezichthoudende autoriteit van die andere lidstaat een
vergunning hebben verkregen als bedoeld in artikel 1, onderdeel 2, van
richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de
uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 126);
d. in een andere lidstaat gevestigde financiėle instellingen als
bedoeld in artikel 1, onderdeel 5, van richtlijn nr. 2000/12/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de
werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 126).
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot het eerste, tweede of derde lid.
5. Indien een in het eerste, tweede of derde lid bedoelde
onderneming of instelling op het tijdstip waarop de toepasselijkheid van
het eerste, tweede of derde lid eindigt de aandelen nog houdt dan wel de
stemmen nog kan uitbrengen, wordt zij geacht op dat tijdstip de
beschikking te hebben verkregen over deze aandelen en stemmen.
Artikel 15
Met betrekking tot aandelen of stemmen in een rechtspersoon,
opgericht naar het recht van een staat die niet een lidstaat is, waarvan
aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in
Nederland en voor welke aandelen Nederland lidstaat van ontvangst is als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel j, van richtlijn nr.
2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die
gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot
de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging
van Richtlijn 2001/34/EG (PbEU L 390):
a. zijn de artikelen 8, 9 en 10 niet van toepassing;
b. gelden, in afwijking van artikel 6, derde lid, voor de in
artikel 6, eerste en tweede lid, genoemde meldingsplichten de
drempelwaarden 5 procent en 10 procent, voor zover de
meldingsplichtige een uitgevende instelling is die meldingsplichtig
is als gevolg van het verkrijgen of verliezen van de beschikking
over haar eigen aandelen;
c. gelden voor de in de artikelen 6 en 7 genoemde
meldingsplichten de drempelwaarden 5 procent, 10 procent, 15
procent, 20 procent, 25 procent, 30 procent, 50 procent en 75
procent.
Hoofdstuk 5. Meldingen betreffende zeggenschap en kapitaalbelang door
bestuurders en commissarissen
Artikel 16
1. In dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt, in
afwijking van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder uitgevende
instelling verstaan: een naamloze vennootschap naar Nederlands recht
waarvan aandelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d,
onder 1° en 2°, zijn toegelaten tot de handel op een
gereglementeerde markt in Nederland of in een andere lidstaat.
2. In dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder
gelieerde uitgevende instelling verstaan: iedere andere uitgevende
instelling:
1°. waarmee de uitgevende instelling in een groep is verbonden of
waarin de uitgevende instelling een deelneming heeft als bedoeld in
artikel 24c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien de meest
recent vastgestelde omzet van die andere uitgevende instelling
tenminste tien procent van de geconsolideerde omzet van de uitgevende
instelling bedraagt; of
2°. die rechtstreeks of middellijk meer dan vijfentwintig procent
van het kapitaal van de uitgevende instelling verschaft.
3. Een bestuurder of commissaris van een uitgevende instelling
meldt aan Onze Minister de aandelen en stemmen in de uitgevende
instelling en de gelieerde uitgevende instellingen waarover hij
beschikt. Deze meldingen worden gedaan binnen twee weken na de
aanwijzing of benoeming als bestuurder of commissaris.
4. Een bestuurder of commissaris van een naamloze vennootschap
die een uitgevende instelling wordt in de zin van het eerste lid, meldt
onverwijld aan Onze Minister de aandelen en stemmen in de uitgevende
instelling en de gelieerde uitgevende instellingen waarover hij
beschikt. Aan de verplichting op grond van de vorige volzin is voldaan,
indien terzake van hetzelfde feit een melding is gedaan op grond van
artikel 11, eerste lid.
5. Een bestuurder of commissaris van een uitgevende instelling
ten opzichte waarvan een andere naamloze vennootschap een gelieerde
uitgevende instelling wordt in de zin van het tweede lid, meldt
onverwijld aan Onze Minister de aandelen en stemmen in deze gelieerde
uitgevende instelling waarover hij beschikt. Aan de verplichting op
grond van de vorige volzin is voldaan, indien terzake van deze aandelen
of stemmen een melding is gedaan op grond van de artikelen 6, eerste of
tweede lid, 7, eerste lid, 8 of 11.
6. Een bestuurder of commissaris van een uitgevende instelling
meldt onverwijld aan Onze Minister iedere wijziging in de aandelen in de
uitgevende instelling en de gelieerde uitgevende instellingen waarover
hij beschikt. Aan de verplichting op grond van de vorige volzin is
voldaan, indien terzake van hetzelfde feit een melding is gedaan op
grond van artikel 6, eerste lid, of 8.
7. Een bestuurder of commissaris van een uitgevende instelling
meldt onverwijld aan Onze Minister iedere wijziging in de stemmen in de
uitgevende instelling en de gelieerde uitgevende instellingen waarover
hij beschikt. Aan de verplichting op grond van de vorige volzin is
voldaan, indien terzake van hetzelfde feit een melding is gedaan op
grond van artikel 6, tweede lid.
8. Een uitgevende instelling meldt het feit dat een bestuurder of
commissaris niet langer in functie is onverwijld aan Onze Minister.
9. Indien een bestuurder van een uitgevende instelling een
rechtspersoon is, zijn het derde tot en met het achtste lid van
overeenkomstige toepassing op de natuurlijke personen die het dagelijks
beleid van deze rechtspersoon bepalen, alsmede op de natuurlijke
personen die toezicht houden op het beleid van het bestuur en de
algemene gang van zaken in deze rechtspersoon.
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de gegevens die bij een melding als bedoeld in dit
artikel dienen te worden verstrekt en met betrekking tot de wijze van
melden.
Hoofdstuk 6. Het register
Artikel 17
1. Onze Minister houdt een register met de gegevens die worden
gemeld op grond van deze wet. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting en de
werking van het register.
2. Onze Minister houdt de gegevens in het register voor een ieder
kosteloos ter inzage.
3. Behoudens het bepaalde in het vijfde lid, doet Onze Minister,
nadat hij een melding heeft ontvangen, onverwijld mededeling van deze
melding aan de desbetreffende uitgevende instelling en aan de
meldingsplichtige. De in de eerste volzin bedoelde mededeling strekt
voor de meldingsplichtige tot bewijs dat deze aan zijn verplichting tot
het doen van een melding heeft voldaan.
4. Behoudens het bepaalde in het vijfde lid, verwerkt Onze
Minister binnen een werkdag volgend op de werkdag waarop hij een melding
heeft ontvangen, de daarin opgenomen gegevens, voor zover van
toepassing, in het register. Onze Minister doet onverwijld na de in de
vorige volzin bedoelde verwerking mededeling van de inhoud van de
melding aan de desbetreffende uitgevende instelling.
5. Indien Onze Minister de verwerking van een melding in het
register heeft opgeschort op grond van artikel 19, zesde lid, verwerkt
hij de in het vierde lid bedoelde gegevens in het register in elk geval
binnen een werkdag volgend op de werkdag waarop de gevorderde
inlichtingen zijn verkregen dan wel, indien de gevorderde inlichtingen
niet zijn verkregen, zodra hij verwerking in het register mogelijk acht.
Onze Minister doet in dat geval onverwijld na de in de vorige volzin
bedoelde verwerking mededeling van de melding aan de meldingsplichtige
en mededeling van de inhoud van de melding aan de desbetreffende
uitgevende instelling. De in de tweede volzin bedoelde mededeling strekt
voor de meldingsplichtige tot bewijs dat deze aan zijn verplichting tot
het doen van een melding heeft voldaan.
Hoofdstuk 7. Toezicht en inlichtingen
Artikel 18
Indien een uitgevende instelling, op grond van een mededeling
betreffende een melding als bedoeld in artikel 17, vierde lid, tweede
volzin, of vijfde lid, tweede volzin, vermoedt dat een onjuiste melding
is gedaan, stelt zij Onze Minister daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 19
1. Onze Minister kan degene die een onjuiste melding heeft
gedaan of ten onrechte geen melding heeft gedaan in de gelegenheid
stellen alsnog een juiste melding te doen.
2. Ter bevordering van de juistheid van het register, kan Onze
Minister, onverminderd het derde lid, inlichtingen inwinnen of doen
inwinnen bij:
a. de meldingsplichtige, indien Onze Minister het redelijk
vermoeden heeft dat deze een onjuiste melding heeft gedaan;
b. effecteninstellingen, effectenbewaarbedrijven en houders van een
effectenbeurs als bedoeld in de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
c. de uitgevende instelling die aandelen heeft uitgegeven en waarop
het kapitaalbelang of de stemmen van de meldingsplichtige betrekking
hebben;
d. de houder van een substantiėle deelneming.
3. Indien Onze Minister door toepassing van zijn bevoegdheden als
bedoeld in het tweede lid het redelijk vermoeden heeft dat ten onrechte
geen melding is gedaan, kan hij inlichtingen inwinnen of doen inwinnen
bij degene van wie wordt vermoed dat deze meldingsplichtig is.
4. Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het tweede en derde
lid, worden verlangd, verstrekt deze binnen de door Onze Minister te
stellen termijn.
5. Ten aanzien van de personen die ingevolge het tweede en derde
lid door Onze Minister zijn belast met het inwinnen of doen inwinnen van
inlichtingen zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:16 en 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van de
personen die ingevolge het tweede lid, onder a en b, en derde lid door
Onze Minister zijn belast met het inwinnen of doen inwinnen van
inlichtingen is, in aanvulling op de eerste volzin, artikel 5:17 van de
Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien
van de personen die ingevolge het tweede lid, onder b, door Onze
Minister zijn belast met het inwinnen of doen inwinnen van inlichtingen
is, in aanvulling op de eerste en tweede volzin, artikel 5:15 van de
Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Indien een
onderzoek als bedoeld in artikel 22, eerste lid, wordt ingesteld, is
degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze
wet onder toezicht staat, slechts gehouden tot het verlenen van inzage
in zakelijke gegevens en bescheiden.
6. Onze Minister kan de verwerking van een melding in het
register voor de duur van het inwinnen of doen inwinnen van inlichtingen
als bedoeld in het tweede en derde lid opschorten. Hij stelt de
uitgevende instelling en de meldingsplichtige van een opschorting in
kennis.
7. De meldingsplichtige verstrekt desgevraagd aan Onze Minister,
binnen een door de Minister te stellen termijn, nadere gegevens op grond
waarvan de melding is gedaan.
8. Indien een melding naar het oordeel van Onze Minister onjuist
is en de melding is niet hersteld, of indien een melding ten onrechte
niet is gedaan en de juiste melding blijft achterwege, kan Onze Minister
de naar zijn oordeel juiste gegevens in het register opnemen, nadat hij
daarvan aan de betrokken uitgevende instelling en de meldingsplichtige
mededeling heeft gedaan.
Hoofdstuk 8. Bijzondere bepalingen
Artikel 20
1. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van
deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak
vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet
verstrekt of van een instantie als bedoeld in artikel 21, eerste lid,
verkregen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van
zakelijke gegevens en bescheiden verkregen, verder of anders
bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze
wet wordt geėist.
2. Het in het eerste lid bepaalde laat, ten aanzien van degene op
wie het eerste lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van
de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 21
1. In afwijking van artikel 20, eerste lid, kan Onze Minister
gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling van de hem
ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan Nederlandse of
buitenlandse overheidsinstanties dan wel aan Nederlandse of
buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn
met het toezicht op financiėle markten of op natuurlijke personen,
rechtspersonen en vennootschappen die op die markten werkzaam zijn,
tenzij:
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden
gebruikt onvoldoende is bepaald;
b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in
het kader van het toezicht op financiėle markten of op natuurlijke
personen, rechtspersonen en vennootschappen die op die markten
werkzaam zijn;
c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou
verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in
voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs
in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt
te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet
zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden
verstrekt.
2. Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste
lid, zijn verkregen van een buitenlandse overheidsinstantie dan wel van
een buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie, die is belast
met het toezicht op financiėle markten of op natuurlijke personen en
rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, verstrekt Onze Minister
deze niet aan een Nederlandse of buitenlandse instantie als bedoeld in
het eerste lid, tenzij de buitenlandse instantie waarvan de gegevens of
inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de
verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval
heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de
gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
3. Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste of
tweede lid aan Onze Minister verzoekt om de gegevens of inlichtingen die
op grond van dat lid zijn verstrekt te mogen gebruiken voor een ander
doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, wordt dat verzoek slechts
ingewilligd:
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste lid;
of
b. indien die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in
deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor
geldende procedures voor dat andere doel de beschikking over die
gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen.
4. Indien het in het derde lid bedoelde verzoek betrekking heeft
op een onderzoek naar strafbare feiten, wordt dit niet ingewilligd dan
na toestemming van Onze Minister van Justitie.
Artikel 22
1. Ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens
of inlichtingen dan wel ter uitvoering van bindende besluiten van
volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot het toezicht op
financiėle markten of op natuurlijke personen, rechtspersonen en
vennootschappen die op die markten werkzaam zijn, kan Onze Minister
ten behoeve van een instantie die werkzaam is in een Staat die met
Nederland partij is bij een verdrag of die met Nederland valt onder
eenzelfde bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en
die in die Staat is belast met de uitvoering van wettelijke regelingen
inzake het toezicht op het effectenverkeer, inlichtingen vragen aan of
een onderzoek instellen of doen instellen bij een ieder die ingevolge
deze wet onder zijn toezicht valt dan wel bij een ieder waarvan
redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of
inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de uitvoering
van de wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld.
2. Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het
eerste lid worden gevraagd, verstrekt deze gegevens of inlichtingen
binnen een door Onze Minister te stellen termijn.
Artikel 23
1. Onze Minister kan toestaan dat een functionaris van een
buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 22, eerste lid,
deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als bedoeld in dat lid.
2. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 22, eerste
lid, wordt ingesteld, verleent aan de in het eerste lid bedoelde
functionaris alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van
dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt
ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts
is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en
bescheiden.
3. De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de
aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het verzoek is
belast.
Artikel 24
Onze Minister kan de kosten die voor de uitvoering van deze wet
worden gemaakt volgens door Onze Minister te stellen regels in rekening
brengen bij de uitgevende instellingen.
Hoofdstuk 9. Overdracht van toezicht
Artikel 25
1. Met uitzondering van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 24,
om regels te stellen voor het verhaal van kosten, de bevoegdheid,
bedoeld in het vijfde lid, eerste volzin, en de bevoegdheid, bedoeld
in de artikelen 28, derde lid en 29, derde lid, kunnen taken en
bevoegdheden die Onze Minister op grond van deze wet heeft bij
algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan een of meer
rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet
jegens Onze Minister, met uitzondering van de verplichting op grond
van het vijfde lid, eerste volzin, als verplichtingen jegens de
desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.
2. Een overdracht vindt slechts plaats indien de betrokken
rechtspersoon aan de volgende eisen voldoet:
a. hij dient in staat te zijn de overgedragen taken en bevoegdheden
naar behoren uit te oefenen; en
b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige
besluitvorming binnen de betrokken rechtspersoon dat een
onafhankelijke uitoefening van de overgedragen taken en bevoegdheden
zoveel mogelijk is gewaarborgd.
3. Aan de overdracht kunnen beperkingen worden gesteld en
voorschriften worden verbonden.
4. De rechtspersoon stelt eenmaal per jaar, uiterlijk op 1
september, het beleid vast met betrekking tot de uitoefening van de
overgedragen taken en bevoegdheden in het komende kalenderjaar. Dit
beleid wordt door de zorg van Onze Minister openbaar gemaakt.
5. De rechtspersoon brengt eenmaal per jaar, uiterlijk op 1 mei,
verslag uit aan Onze Minister over de uitoefening van de overgedragen
taken en bevoegdheden in het voorgaande kalenderjaar. Dit verslag wordt
door de zorg van Onze Minister openbaar gemaakt, met dien verstande dat
gegevens met betrekking tot afzonderlijke uitgevende instellingen en
degenen op wie een meldingsplicht rust niet worden opgenomen in het
register, tenzij het gaat om gegevens die door Onze Minister reeds in
het register zijn opgenomen.
Hoofdstuk 10. Vorderingen en beroep
Artikel 26
1. Indien een melding waartoe deze wet verplicht niet
overeenkomstig deze wet is gedaan, kan de rechtbank van de plaats waar
de betrokken uitgevende instelling is gevestigd, op vordering van
degene die krachtens het tweede lid daartoe bevoegd is, de in het
vierde lid genoemde maatregelen treffen. Indien een melding betrekking
heeft op een vennootschap die buiten Nederland is gevestigd, is de
rechtbank te s-Gravenhage bevoegd.
2. Tot het instellen van een vordering zijn bevoegd:
a. een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk
beschikken over een substantiėle deelneming;
b. een houder van een of meer aandelen met een bijzonder statutair
recht inzake de zeggenschap in een uitgevende instelling;
c. een uitgevende instelling.
3. De bevoegdheid om de vordering in te stellen vervalt door
verloop van drie maanden vanaf de dag waarop degene die bevoegd is de
vordering in te stellen van de overtreding kennis heeft genomen of heeft
kunnen nemen.
4. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn:
a. veroordeling van de meldingsplichtige tot melding overeenkomstig
deze wet;
b. schorsing van het uitbrengen van de stemmen waarover de
meldingsplichtige beschikt gedurende een door de rechtbank te bepalen
periode van ten hoogste drie jaren;
c. schorsing van een besluit van de algemene vergadering van
aandeelhouders van de uitgevende instelling totdat over een maatregel
als bedoeld in onderdeel d onherroepelijk is beslist;
d. vernietiging van een besluit van de algemene vergadering van
aandeelhouders van de uitgevende instelling voor zover aannemelijk is
dat dit besluit niet zou zijn genomen indien de stemmen waarover de
meldingsplichtige beschikt niet zouden zijn uitgeoefend;
e. een bevel aan de meldingsplichtige om zich gedurende een door de
rechtbank te bepalen periode van ten hoogste vijf jaren te onthouden
van het verkrijgen van de beschikking over aandelen of stemmen.
5. Een maatregel als bedoeld in het vierde lid, onderdelen b en e,
geldt niet voor aandelen die ten titel van beheer worden gehouden door
een ander dan de meldingsplichtige, tenzij de meldingsplichtige bevoegd
is om zich deze aandelen te verschaffen of te bepalen hoe de daaraan
verbonden stemmen worden uitgeoefend.
6. De rechtbank regelt zo nodig de gevolgen van de door haar
getroffen maatregelen.
7. De rechtbank kan op vordering van degene die de
oorspronkelijke vordering heeft ingesteld of van degene tegen wie de
maatregel is gericht de periode, bedoeld in het vierde lid, onderdelen b
en e, verkorten.
8. Een maatregel als bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, kan
niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
9. Indien de vordering, bedoeld in het eerste lid, betrekking
heeft op aandelen die niet door de meldingsplichtige zelf worden
gehouden of op stemmen die hij niet zelf als aandeelhouder, pandhouder
of vruchtgebruiker kan uitbrengen, roept de eiser de desbetreffende
houder, pandhouder of vruchtgebruiker in het geding op, zo die aan de
eiser bekend is.
10. Een onmiddellijke voorziening bij voorraad kan slechts worden
gevorderd bij de president van de rechtbank die op grond van het eerste
lid bevoegd is. De vordering kan slechts betrekking hebben op de
maatregelen, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a, b, c en e. Het
vijfde en negende lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 27
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is
voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te
Rotterdam bevoegd.
Hoofdstuk 11. Dwangsom en bestuurlijke boete
Artikel 28
1. Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen terzake
van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel
19, eerste, vierde, vijfde en zevende lid.
2. De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot
en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
3. Onze Minister kan regels stellen terzake van de uitoefening
van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 29
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen terzake
van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de
artikelen 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 15, 16, 18, 19, eerste,
vierde, vijfde en zevende lid, 58, 59 en 60.
2. De bestuurlijke boete komt toe aan de Staat. Voor zover Onze
Minister met toepassing van artikel 25, eerste lid, de bevoegdheid tot
het opleggen van een bestuurlijke boete heeft overgedragen aan een
rechtspersoon, komt de boete toe aan die rechtspersoon.
3. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, kan regels stellen terzake van de uitoefening van de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 30
1. Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze als
voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een
afzonderlijke overtreding ten hoogste 900 000 bedraagt.
2. De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het
bedrag van de deswege op te leggen boete.
3. De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden
gewijzigd.
4. Onze Minister kan het bedrag van de boete lager stellen dan in
de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald
geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is.
Artikel 31
Degene jegens wie door Onze Minister een handeling is verricht
waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem
wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht
terzake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in
kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
Artikel 32
1. Indien Onze Minister voornemens is een boete op te leggen,
geeft hij de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden
waarop het voornemen berust.
2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet
bestuursrecht, stelt Onze Minister de betrokkene in de gelegenheid om
naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te
brengen voordat de boete wordt opgelegd, tenzij het een overtreding
betreft die in de bijlage, bedoeld in artikel 30, is aangewezen.
Artikel 33
1. Onze Minister legt de boete op bij beschikking.
2. De beschikking vermeldt in ieder geval:
a. het feit terzake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het
overtreden voorschrift;
b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit
bedrag is bepaald; en
c. de termijn, bedoeld in artikel 35, eerste lid, waarbinnen de
boete moet worden betaald.
Artikel 34
1. De werking van de beschikking tot oplegging van een boete
wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien
beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de
beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op
grond van artikel 32, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de
bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het
bezwaar is beslist.
Artikel 35
1. De boete wordt betaald binnen zes weken na de
inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.
2. De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen
vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken
zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van
artikel 32, tweede lid, is aangewezen.
3. Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister
schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met
de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de
aanzegging, dat de boete, voor zover deze niet binnen de gestelde
termijn wordt betaald, overeenkomstig het vierde lid zal worden
ingevorderd.
4. Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister de boete,
verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij
dwangbevel invorderen.
5. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij
deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de
zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet
tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de rechtspersoon die de
boete heeft opgelegd.
7. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de
president van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders beslist.
8. Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de boete
ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 36
1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt indien terzake
van de overtreding een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek
ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, alsmede het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van
Strafrecht.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een
overtreding als bedoeld in artikel 29 vervalt, indien Onze Minister
terzake van die overtreding reeds een boete heeft opgelegd.
Artikel 37
1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt drie jaren na
de dag waarop de overtreding is begaan.
2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd.
Artikel 38
De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van
een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest
bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande
onderzoek.
Artikel 39
Met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of
de positie van de beleggers op die markten, kan Onze Minister,
onverminderd artikel 20, eerste lid, het feit terzake waarvan de last
onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden
voorschrift, alsmede de naam, het adres en de woonplaats van degene aan
wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, ter
openbare kennis brengen.
Hoofdstuk 12. Openbaarmaking van overtredingen
Artikel 40
Onze Minister kan, in afwijking van artikel 20, eerste lid, teneinde
de naleving van deze wet te bevorderen, het feit dat een
meldingsplichtige naar zijn oordeel een onjuiste melding heeft gedaan of
ten onrechte geen melding heeft gedaan ter openbare kennis brengen.
Artikel 41
Degene jegens wie door Onze Minister een handeling is verricht
waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat Onze
Minister zijn handelen of nalaten op grond van artikel 40 ter openbare
kennis zal brengen, is niet verplicht terzake daarvan enige verklaring
af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling
om informatie wordt gevraagd.
Artikel 42
De beschikking om op grond van artikel 40 een feit ter openbare
kennis te brengen vermeldt in ieder geval:
a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;
b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht;
en
c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.
Artikel 43
Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel
toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 40
een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de
beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist.
Artikel 44
In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht
treedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare
kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de
beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt
opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres
ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
Artikel 45
1. De bevoegdheid om op grond van artikel 40 een feit ter
openbare kennis te brengen vervalt indien terzake van het feit een
strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
aanvang heeft genomen, alsmede het recht tot strafvordering is
vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als
bedoeld in artikel 40 vervalt, indien Onze Minister het feit reeds ter
openbare kennis heeft gebracht.
Artikel 46
1. De bevoegdheid om op grond van artikel 40 een feit ter
openbare kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het
feit heeft plaats gehad.
2. De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis
wordt gebracht.
Artikel 47
De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 40 ter
openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die
niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het
daaraan voorafgaande onderzoek.
Hoofdstuk 13. Wijzigingen van andere wetten
Artikel 48
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.]
Artikel 49
[Wijzigt de Wet op de economische delicten.]
Artikel 50
[Wijzigt de Handelsregisterwet 1996.]
Artikel 51
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2.]