Nadere regelgeving:
- Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer
Wmg
WET van 7 juli 2006, houdende regels
inzake marktordening, doelmatigheid en beheerste kostenontwikkeling op
het gebied van de gezondheidszorg (Wet marktordening gezondheidszorg)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is regels te stellen inzake de ontwikkeling en ordening van
markten op het gebied van de gezondheidszorg en het toezicht daarop,
mede met het oog op een doelmatig en doeltreffend stelsel van de zorg en
de beheersing van de kostenontwikkeling van de zorg, en dat het tevens
wenselijk is in verband met de informatieachterstand van de consument en
het machtsverschil tussen partijen in de zorg, de positie van de
consument te beschermen en te bevorderen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
b. zorg:
1°. zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de
Zorgverzekeringswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
2°. handelingen op het gebied van de gezondheidszorg als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de beroepen in
de individuele gezondheidszorg, voor zover uitgevoerd, al dan
niet onder eigen verantwoordelijkheid, door personen,
ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 3 van die
wet of door personen als bedoeld in artikel 34 van die wet en
voor zover die handelingen niet zijn begrepen onder 1°;
c. zorgaanbieder:
1°. de natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of
bedrijfsmatig zorg verleent;
2°. de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor zover deze
tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in
verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als
bedoeld onder 1°;
d. zorgverzekeraar: een zorgverzekeraar als bedoeld in de
Zorgverzekeringswet;
e. AWBZ-verzekeraar: een zorgverzekeraar die zich overeenkomstig
artikel 33 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten als zodanig
heeft aangemeld voor de uitvoering van die wet;
f. ziektekostenverzekeraar:
1°. een zorgverzekeraar;
2°. een AWBZ-verzekeraar;
3°. een particuliere ziektekostenverzekeraar, zijnde een
financiėle onderneming die ingevolge de Wet op het financieel
toezicht in Nederland het bedrijf van verzekeraar mag
uitoefenen;
g. verzekerde: degene die een verzekeringsovereenkomst
betreffende het risico van ziektekosten heeft gesloten met een
ziektekostenverzekeraar dan wel van rechtswege verzekerd is op grond
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
h. verzekeringsplichtige: degene die op grond van artikel 2 van
de Zorgverzekeringswet verplicht is zich krachtens een
zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren;
i. consument: verzekeringsplichtige, verzekerde of patiėnt;
j. prestatie: de levering van zorg door een zorgaanbieder als
bedoeld in onderdeel c, onder 1°;
k. tarief: prijs voor een prestatie, een deel van een prestatie
of geheel van prestaties van een zorgaanbieder;
l. zorgautoriteit: de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in
artikel 3;
m. College zorgverzekeringen: het College voor zorgverzekeringen,
genoemd in de Zorgverzekeringswet;
n. College bouw: het College bouw zorginstellingen, genoemd in de
Wet toelating zorginstellingen;
o. College sanering: het College sanering zorginstellingen,
genoemd in de Wet toelating zorginstellingen;
p. FIOD-ECD: de Belastingdienst/Fiscale Inlichtingen- en
opsporingsdienst en Economische Controledienst van het Ministerie
van Financiėn;
q. Zorgverzekeringsfonds: het fonds, genoemd in artikel 39 van de
Zorgverzekeringswet.
Artikel 2
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien dat voor een
goede uitvoering van deze wet nodig is, werkzaamheden die geheel of
gedeeltelijk liggen op het gebied van de gezondheidszorg of geheel of
gedeeltelijk ten behoeve van de gezondheidszorg worden verricht,
worden aangewezen als zorg in de zin van deze wet.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan een vorm van zorg worden
uitgezonderd van deze wet of een deel daarvan.
Hoofdstuk 2. De Nederlandse Zorgautoriteit
Paragraaf 2.1. Algemene bepalingen
Artikel 3
1.Er is een Nederlandse Zorgautoriteit, die rechtspersoonlijkheid
bezit.
2.De zorgautoriteit is gevestigd in een door Onze Minister te
bepalen plaats.
3.De zorgautoriteit is belast met de taken die haar bij of
krachtens wet zijn opgedragen.
4.De zorgautoriteit stelt bij de uitoefening van haar taken het
algemeen consumentenbelang voorop.
5.De zorgautoriteit wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door
de voorzitter.
Artikel 4
1.De zorgautoriteit bestaat uit ten hoogste drie leden, onder wie
de voorzitter.
2.Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de
overige leden.
3.Benoeming vindt plaats op grond van de deskundigheid die nodig is
voor de uitoefening van de taken van de zorgautoriteit alsmede op
grond van maatschappelijke kennis en ervaring.
4.De leden worden benoemd voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming
kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.
5.Een lid van de zorgautoriteit vervult geen nevenfuncties die
ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van zijn functie of
de handhaving van zijn onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
6.Het lidmaatschap van de zorgautoriteit is onverenigbaar met:
a. het lidmaatschap van het College zorgverzekeringen;
b. het bestuur van De Nederlandsche Bank N.V.;
c. het bestuur van de Stichting Autoriteit Financiėle Markten;
d. de raad van bestuur van de Nederlandse
Mededingingsautoriteit;
e. het hebben van zodanige financiėle of andere belangen bij
instellingen of bedrijven, dat de onpartijdigheid van het
betrokken lid in het geding kan zijn.
7.Bij ministeriėle regeling kunnen andere functies of
werkzaamheden dan die, genoemd in het zesde lid, worden aangewezen,
die niet verenigbaar zijn met het lidmaatschap van de zorgautoriteit.
8.Het lidmaatschap eindigt tussentijds door overlijden, ontslag op
eigen verzoek of ontslag om zwaarwichtige redenen door Onze Minister.
Van een besluit tot benoeming, schorsing of ontslag wordt mededeling
gedaan in de Staatscourant.
9.Onze Minister stelt de bezoldiging en de regels ten aanzien van
de rechtspositie van de leden van de zorgautoriteit vast.
Artikel 5
1.De zorgautoriteit stelt een bestuursreglement vast.
2.Vergaderingen van de zorgautoriteit zijn niet openbaar, behoudens
voor zover in het bestuursreglement anders is bepaald.
3.In het bestuursreglement legt de zorgautoriteit in ieder geval
vast hoe zij voldoet aan de verplichting ingevolge artikel 3:2 van de
Algemene wet bestuursrecht.
4.Het bestuursreglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 6
1.Op de rechtspositie van het personeel van de zorgautoriteit zijn
de regels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij
ministeries van toepassing, met dien verstande dat waar in die regels
een bevoegdheid is toegekend aan een andere minister dan Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, deze bevoegdheid wordt
uitgeoefend door de zorgautoriteit.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van de in
het eerste lid bedoelde regels.
Artikel 7
1.Onze Minister kan de zorgautoriteit een algemene aanwijzing geven
met betrekking tot:
a. de werkwijze en de uitoefening van de taken van de
zorgautoriteit;
b. de onderwerpen waaromtrent de zorgautoriteit ingevolge deze
wet regels heeft vastgesteld of kan vaststellen;
c. de onderwerpen waaromtrent de zorgautoriteit ingevolge deze
wet beleidsregels heeft vastgesteld of kan vaststellen.
2.Onze Minister kan in een aanwijzing als bedoeld in het eerste
lid, onder c, bepalen dat de zorgautoriteit ambtshalve een tarief als
bedoeld in artikel 57, vierde lid, onder a of b, of een
prestatiebeschrijving vaststelt.
3.Een aanwijzing heeft geen betrekking op een individuele
zorgaanbieder, ziektekostenverzekeraar of consument.
Artikel 8
Alvorens Onze Minister overeenkomstig artikel 7, eerste lid, onder c,
een aanwijzing vaststelt, deelt hij de zakelijke inhoud van het
voorgenomen besluit schriftelijk mede aan de beide kamers der
Staten-Generaal. Hij stelt het besluit niet eerder vast dan nadat 30
dagen zijn verstreken na die mededeling. Van de vaststelling doet Onze
Minister mededeling door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 9
1.Een besluit van algemene strekking van de zorgautoriteit kan bij
koninklijk besluit worden vernietigd wegens strijd met het recht of
het belang van de volksgezondheid.
2.Een besluit tot vernietiging wordt genomen binnen acht weken na
bekendmaking van het te vernietigen besluit. Deze termijn kan eenmaal
met vier weken worden verlengd.
3.De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit die zijn ingetreden
voor de vernietiging, blijven in stand tenzij het besluit tot
vernietiging anders bepaalt.
4.Van een besluit tot vernietiging wordt mededeling gedaan door
plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 10
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zonodig in afwijking van
deze wet, tijdelijke voorzieningen worden getroffen voor het geval de
zorgautoriteit haar uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet naar
behoren nakomt.
Paragraaf 2.2. Planning, verslaglegging en financiering
Artikel 11
1.De zorgautoriteit zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze
Minister een jaarplan voor het volgende kalenderjaar.
2.Het jaarplan omvat:
a. een werkprogramma met een beschrijving van de activiteiten
die de zorgautoriteit voornemens is ter uitvoering van haar taken
te verrichten;
b. een begroting van de beheerskosten voor de uitvoering van de
voorgenomen activiteiten; en
c. een meerjarenraming voor de vier kalenderjaren volgend op
het begrotingsjaar.
Artikel 12
1.Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 december het budget voor de
beheerskosten van de zorgautoriteit voor het volgende kalenderjaar
vast.
2.Onze Minister kan besluiten het budget voor de beheerskosten van
de zorgautoriteit te wijzigen.
3.Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of
dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en
lasten, doet de zorgautoriteit daarvan onverwijld mededeling aan Onze
Minister, onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.
4.De zorgautoriteit gaat met betrekking tot de beheerskosten geen
verplichtingen aan en doet geen uitgaven die leiden tot overschrijding
van het vastgestelde budget voor de beheerskosten.
5.Indien het budget voor de beheerskosten niet is vastgesteld voor
1 januari van het kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft,
is de zorgautoriteit bevoegd, teneinde haar activiteiten gaande te
houden, te beschikken over ten hoogste een derde gedeelte van het
budget dat laatstelijk voor haar voor een geheel jaar is vastgesteld.
6.Onze Minister kan besluiten dat de zorgautoriteit in een geval
als bedoeld in het vijfde lid, kan beschikken over meer dan een derde
gedeelte van het budget dat laatstelijk voor haar voor een geheel jaar
is vastgesteld.
7.Het door Onze Minister vastgestelde budget voor de beheerskosten
van de zorgautoriteit wordt gedekt uit s Rijks kas.
Artikel 13
1.De zorgautoriteit zendt jaarlijks voor 15 maart aan Onze Minister
een jaarverantwoording over het afgelopen kalenderjaar, alsmede het
verslag van bevindingen, bedoeld in het zesde lid.
2.De jaarverantwoording omvat:
a. een jaarrekening;
b. een jaarverslag omtrent het door de zorgautoriteit gevoerde
beleid, de doeltreffendheid van dat beleid, de bedrijfsvoering en
de uitvoering van het werkprogramma in het afgelopen kalenderjaar;
en
c. een overzicht van de door de zorgautoriteit veroorzaakte
administratieve lasten, berekend volgens de definities van de
Interdepartementale Projectdirectie Administratieve Lasten (IPAL).
3.De zorgautoriteit legt in haar jaarrekening, die zoveel mogelijk
met overeenkomstige toepassing van titel 9 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek wordt ingericht, rekening en verantwoording af over
haar beheerskosten en over de rechtmatigheid en doelmatigheid van het
beheer in het afgelopen kalenderjaar.
4.De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die Onze Minister desgevraagd
inzicht geeft in zijn controlewerkzaamheden.
5.De verklaring heeft mede betrekking op de rechtmatige verkrijging
en besteding van de middelen door de zorgautoriteit.
6.De accountant voegt bij de verklaring een verslag van zijn
bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie voldoen aan
eisen van rechtmatigheid, ordelijkheid, controleerbaarheid en
doelmatigheid.
Artikel 14
1.De onderdelen «werkprogramma» en «begroting» van het
jaarplan, bedoeld in artikel 11, en het onderdeel «jaarrekening» van
de jaarverantwoording, bedoeld in artikel 13, behoeven de goedkeuring
van Onze Minister.
2.Het eerste lid geldt niet voor wijzigingen in een goedgekeurde
begroting, mits:
a. de totale omvang van de begroting geen wijziging ondergaat,
en
b. de wijziging per groep van kostensoorten en baten, gerekend
over het desbetreffende begrotingsjaar, een bedrag van vijf
procent van het in artikel 12 bedoelde budget niet te boven gaat.
3.Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld over de
inhoud en de inrichting van:
a. het jaarplan, bedoeld in artikel 11;
b. de jaarverantwoording, bedoeld in artikel 13;
c. de verklaring, bedoeld in artikel 13, vierde lid, het
verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 13, zesde lid, alsmede
het aan die verklaring en dat verslag ten grondslag liggende
onderzoek.
4.Bij ministeriėle regeling worden regels gesteld over de wijze
waarop en de voorwaarden waaronder het budget, bedoeld in artikel 12
wordt vastgesteld.
5.De zorgautoriteit voegt in overeenstemming met Onze Minister aan
het jaarverslag een plan toe met de strekking, de administratieve
lasten bedoeld in artikel 13, tweede lid, onder c, elk jaar te
beperken; het plan bevat tevens het resultaat van de uitvoering
hiervan over het voorafgaande jaar.
Artikel 15
1.Na de goedkeuring, bedoeld in artikel 14, eerste lid, stelt de
zorgautoriteit het jaarplan en de jaarverantwoording algemeen
verkrijgbaar.
2.Onze Minister brengt zijn oordeel over het functioneren van de
zorgautoriteit ter kennis van beide kamers der Staten-Generaal.
Hoofdstuk 3. Taken en bevoegdheden Nederlandse Zorgautoriteit
Paragraaf 3.1. Algemeen
Artikel 16
De zorgautoriteit is belast met:
a. markttoezicht, marktontwikkeling en tarief- en
prestatieregulering, op het terrein van de gezondheidszorg;
b. toezicht op de rechtmatige uitvoering door de zorgverzekeraars
van hetgeen bij of krachtens de Zorgverzekeringswet is geregeld;
c. toezicht op de rechtmatige afrekening van de bijdragen,
bedoeld in de artikelen 32 tot en met 34 van de Zorgverzekeringswet,
nadat een verzekeraar opgehouden is zorgverzekeringen uit te voeren;
d. toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering door de
AWBZ-verzekeraars en de rechtspersonen, bedoeld in artikel 40 van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, van hetgeen bij of krachtens
die wet en de artikelen 91, tweede lid, tweede volzin, 123 en 124
van de Wet financiering sociale verzekeringen is geregeld;
e. toezicht op de uitvoering van de artikelen 41, 42 en 43;
f. toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering door het
CAK, bedoeld in artikel 1, onderdeel w, van de Zorgverzekeringswet,
van hetgeen bij of krachtens artikel 118a van de Zorgverzekeringswet
en artikel 15 van de Wet maatschappelijke ondersteuning is geregeld.
Artikel 17
1.Met het oog op een effectieve en efficiėnte besluitvorming over
de wijze van behandeling van aangelegenheden van wederzijds belang en
het verzamelen van informatie ten behoeve daarvan worden daarover
afspraken gemaakt tussen de zorgautoriteit en:
a. de Nederlandse Mededingingsautoriteit;
b. het Staatstoezicht op de volksgezondheid;
c. De Nederlandsche Bank;
d. de Stichting Autoriteit Financiėle Markten;
e. het College zorgverzekeringen;
f. het College bouw;
g. het College sanering;
h. de FIOD-ECD;
i. het College van procureurs-generaal van het Openbaar
Ministerie en
j. het College bescherming persoonsgegevens.
2.De afspraken houden in ieder geval in dat een bestuursorgaan aan
derden geen informatie vraagt indien een van de andere genoemde
bestuursorganen de benodigde informatie kan verstrekken.
Artikel 18
1.De zorgautoriteit en de Nederlandse Mededingingsautoriteit,
verder in dit artikel te noemen de mededingingsautoriteit, bevorderen
dat belanghebbenden zich bij aangelegenheden waarbij mogelijk sprake
is van samenloop van bevoegdheden eerst wenden tot de zorgautoriteit.
2.Van samenloop van bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid is
sprake in een situatie waarin de mogelijke uitoefening van
bevoegdheden van de zorgautoriteit op grond van artikel 48 van deze
wet en de mogelijke uitoefening van bevoegdheden van de
Mededingingsautoriteit op grond van de Mededingingswet of Europese
wet- en regelgeving samenvallen dan wel kunnen samenvallen.
3.De zorgautoriteit past bij mogelijke samenloop van bevoegdheden
voor zover mogelijk eerst de bevoegdheden toe die zij op grond van
deze wet heeft, alvorens de mededingingsautoriteit de haar ten dienste
staande bevoegdheden op grond van de Mededingingswet toepast.
4.De zorgautoriteit richt zich naar de uitleg van begrippen die de
mededingingsautoriteit hanteert in het kader van de toepassing van het
mededingingsrecht.
5.Van hetgeen bepaald is in het derde lid kan worden afgeweken
indien de zorgautoriteit en de mededingingsautoriteit in gezamenlijk
overleg tot het oordeel komen dat een aangelegenheid op basis van
effectiviteit van het wettelijke instrumentarium of uit efficiėntie
of andere overwegingen beter door de mededingingsautoriteit of door de
mededingingsautoriteit en de zorgautoriteit gezamenlijk kan worden
behandeld.
Artikel 19
De zorgautoriteit volgt het oordeel van het Staatstoezicht op de
volksgezondheid over de kwaliteit van het handelen van zorgaanbieders.
Artikel 20
1.De zorgautoriteit:
a. geeft voorlichting omtrent de inhoud van haar regels,
beleidsregels, beschikkingen en besluiten en ten algemene over de
uitvoering van haar taken;
b. stelt alle naar haar oordeel relevante informatie over
regels, beleidsregels, beschikkingen en besluiten beschikbaar op
internet;
c. legt haar regels, beleidsregels, beschikkingen en besluiten
voor een ieder ter inzage.
2.De zorgautoriteit doet mededeling in de Staatscourant, onder
vermelding dat deze bij haar ter inzage liggen, van:
a. de vaststelling van regels door plaatsing van die regels;
b. de vaststelling van beleidsregels als bedoeld in artikel 57;
c. de beschikkingen met betrekking tot aanmerkelijke marktmacht
onder vermelding van de opgelegde verplichting en de tijdsduur van
de verplichting;
d. de beschikkingen met betrekking tot tarieven en
prestatiebeschrijvingen.
3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op besluiten en
beschikkingen van de zorgautoriteit ter uitvoering van hoofdstuk 6.
Artikel 21
1.De zorgautoriteit rapporteert desgevraagd aan Onze Minister
omtrent de uitvoerbaarheid, doeltreffendheid en doelmatigheid van
voorgenomen beleid in verband met de uitoefening van haar taken,
genoemd in artikel 16.
2.De zorgautoriteit signaleert gevraagd en ongevraagd aan Onze
Minister feitelijke ontwikkelingen inzake markten op het gebied van de
zorg.
3.De rapportages en signaleringen bevatten geen medische
persoonsgegevens als bedoeld in artikel 60.
Artikel 22
1.De zorgautoriteit verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor
de uitoefening van zijn taak benodigde gegevens en inlichtingen. De
zorgautoriteit verleent aan door Onze Minister aangewezen personen
toegang tot en inzage in alle zakelijke gegevens en bescheiden, voor
zover dat voor de vervulling van diens taak redelijkerwijs nodig is.
2.Onze Minister verstrekt desgevraagd aan de zorgautoriteit de voor
de uitoefening van haar taak benodigde gegevens en inlichtingen.
3.Onze Minister en de zorgautoriteit stellen gezamenlijk een
informatiestatuut vast. Het informatiestatuut bevat inhoudelijke en
procedurele afspraken met betrekking tot de verstrekking van
informatie, bedoeld in het eerste en tweede lid.
4.De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid,
hebben geen betrekking op medische persoonsgegevens als bedoeld in
artikel 60.
Artikel 23
1.Zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars voorzien in hun
reglementen en voorwaarden in de mogelijkheid tot het doen van beklag
over door partijen gebruikte formulieren.
2.Het beklag wordt gedaan bij de zorgautoriteit. Reglementen en
voorwaarden dienen een bepaling te bevatten er toe strekkende dat
uitspraken door de zorgautoriteit de zorgaanbieders,
ziektekostenverzekeraars en consumenten strekken tot bindend advies.
3.Het bindend advies wordt gegeven na ontvangst van het beklag en
kan er toe strekken dat het formulier:
a. overbodig of te ingewikkeld is en niet behoeft te worden
ingevuld;
b. ingewikkeld is en een volgende keer zal worden beoordeeld
als een formulier als bedoeld in onderdeel a, indien het niet
binnen twee weken na het advies is aangepast;
c. geen aanleiding geeft het beklag gegrond te verklaren.
Paragraaf 3.2. Toezicht Zorgverzekeringswet
Artikel 24
1.De zorgautoriteit zendt voor 1 november aan Onze Minister en aan
het College zorgverzekeringen een samenvattend rapport over de
rechtmatigheid van de uitvoering van de Zorgverzekeringswet en de
daarop gebaseerde regelgeving door de zorgverzekeraars in het
voorafgaande kalenderjaar.
2.Onze Minister zendt het rapport aan beide kamers der
Staten-Generaal.
3.De zorgautoriteit stelt het rapport algemeen verkrijgbaar.
4.Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld over de
inhoud en inrichting van het rapport.
Artikel 25
1.De zorgautoriteit maakt, onverminderd haar bevoegdheid tot eigen
onderzoek, bij de uitoefening van haar taken, genoemd in artikel 16,
onder b en c, zoveel mogelijk gebruik van de resultaten van door
anderen verrichte controles.
2.De zorgverzekeraars verstrekken desgevraagd aan de zorgautoriteit
de informatie over de uitgevoerde werkzaamheden van hen die met de
controle zijn belast en lichten haar volledig in over de resultaten
van de controle door overlegging van rapporten of op andere door de
zorgautoriteit aan te geven wijze.
Artikel 26
1.De zorgautoriteit stelt op verzoek van Onze Minister onderzoek in
bij zorgverzekeraars.
2.De zorgautoriteit kan tevens op verzoek van het College
zorgverzekeringen onderzoek bij zorgverzekeraars instellen.
Artikel 27
De zorgautoriteit kan regels stellen met betrekking tot:
a. de controle door zorgverzekeraars;
b. de inhoud en inrichting van het accountantsverslag, bedoeld in
artikel 38 van de Zorgverzekeringswet, en van het aan dat verslag
ten grondslag liggende onderzoek.
Paragraaf 3.3. Toezicht Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Artikel 28
1.De zorgautoriteit zendt voor 1 december aan Onze Minister en aan
het College zorgverzekeringen een samenvattend rapport over de
rechtmatigheid en de doelmatigheid van de uitvoering van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten en de daarop gebaseerde regelgeving door
de AWBZ-verzekeraars en de rechtspersonen, bedoeld in artikel 40 van
die wet, in het voorafgaande kalenderjaar.
2.Onze Minister zendt het rapport aan beide kamers der
Staten-Generaal.
3.De zorgautoriteit stelt het rapport algemeen verkrijgbaar.
4.Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld over de
inhoud en inrichting van het rapport.
Artikel 29
1.De zorgautoriteit maakt, onverminderd haar bevoegdheid tot eigen
onderzoek, bij de uitoefening van haar taak, genoemd in artikel 16,
onder d, zoveel mogelijk gebruik van de resultaten van door anderen
verrichte controles.
2.De AWBZ-verzekeraars verstrekken desgevraagd aan de
zorgautoriteit de informatie over de uitgevoerde werkzaamheden van hen
die met de controle zijn belast en lichten haar volledig in over de
resultaten van de controle door overlegging van rapporten of op andere
door de zorgautoriteit aan te geven wijze.
Artikel 30
1.De zorgautoriteit stelt op verzoek van Onze Minister onderzoek in
bij AWBZ-verzekeraars en rechtspersonen als bedoeld in artikel 40 van
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
2.De zorgautoriteit kan tevens op verzoek van het College
zorgverzekeringen onderzoek bij de AWBZ-verzekeraars instellen.
Artikel 31
De zorgautoriteit kan regels stellen met betrekking tot:
a. de controle door de AWBZ-verzekeraars;
b. de inhoud en inrichting van de verklaring en van het
accountantsverslag, bedoeld in artikel 36 van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten, en van het daaraan ten grondslag liggende
onderzoek.
Hoofdstuk 4. Marktontwikkeling en -ordening
Paragraaf 4.1. Marktonderzoek
Artikel 32
1.De zorgautoriteit onderzoekt, met inachtneming van artikel 65, de
concurrentieverhoudingen en het marktgedrag op het gebied van de zorg.
2.Het onderzoek kan zich onder meer richten op:
a. de totstandkoming van overeenkomsten met betrekking tot
zorg, tarieven of ziektekostenverzekeringen, naar de voorwaarden
in die overeenkomsten en naar de resultaten daarvan;
b. de marktwerking in de markten voor zorgverlening, zorginkoop
en ziektekostenverzekeringen;
c. de informatieverstrekking door zorgaanbieders en
ziektekostenverzekeraars aan de consumenten en de
doeltreffendheid, juistheid, inzichtelijkheid en vergelijkbaarheid
van die informatie;
d. het presteren van zorgaanbieders en van
ziektekostenverzekeraars, mede met het oog op de onderlinge
vergelijking daarvan;
e. de onderbouwing en ontwikkeling van kosten en prijzen, mede
in relatie tot de kwaliteit, van zorgverlening en
ziektekostenverzekering.
Artikel 33
De zorgautoriteit kan haar bevindingen op grond van het onderzoek,
bedoeld in artikel 32, openbaar maken, met uitzondering van gegevens en
inlichtingen die naar hun aard vertrouwelijk zijn.
Paragraaf 4.2. Algemene verplichtingen van zorgaanbieders en
ziektekostenverzekeraars
Artikel 34
1.Een procedure die een ziektekostenverzekeraar of zorgaanbieder
hanteert als voorwaarde voor het verlenen van diensten of zorg aan een
andere zorgaanbieder of aan een consument mag uitsluitend informatie
verlangen die van rechtstreeks belang is voor het onderwerp waarop die
procedure betrekking heeft.
2.Bij verandering van ziektekostenverzekeraar blijven alle met
betrekking tot de betrokken verzekerde gehanteerde procedures geldig.
3.De zorgautoriteit kan regels stellen over:
a. verrichtingen waarvoor geen procedure mag worden opgelegd;
b. de geldigheid van eenzelfde procedure voor een aantal
handelingen;
c. de eenvormige invulling van procedures, waarbij kan worden
voorgeschreven dat deze uitsluitend langs elektronische weg worden
toegepast.
Artikel 35
1.Het is een zorgaanbieder verboden een tarief in rekening te
brengen:
a. voor een prestatie waarvoor geen prestatiebeschrijving op
grond van artikel 56 is vastgesteld;
b. voor een prestatie waarvoor een andere prestatiebeschrijving
wordt gehanteerd dan op grond van artikel 56 is vastgesteld;
c. dat niet overeenkomt met het tarief dat voor de betrokken
prestatie op grond van artikel 50 of 52 is vastgesteld;
d. dat niet ligt binnen de tariefruimte die op grond van
artikel 54 voor de betrokken prestatie is vastgesteld;
e. anders dan op de wijze die overeenkomstig deze wet is
vastgesteld.
2.Het is een zorgaanbieder verboden een tarief als bedoeld in het
eerste lid, te betalen aan een andere zorgaanbieder of aan derden te
vergoeden.
3.Het is een ziektekostenverzekeraar verboden een tarief als
bedoeld in het eerste lid, te betalen of aan derden te vergoeden.
4.Een zorgaanbieder en een ziektekostenverzekeraar kunnen aan het
aanbieden, overeenkomen of leveren van een prestatie als bedoeld in
het eerste lid, onder a of b, dan wel aan het in rekening brengen,
betalen of aan een derde vergoeden van een tarief als bedoeld in het
eerste lid, geen rechten ontlenen.
5.Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op
een verzekeraar in de zin van de Wet op het financieel toezicht, voor
zover niet begrepen onder artikel 1, onder f, sub 3, van deze wet.
Artikel 36
1.Zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars voeren een
administratie waaruit in ieder geval de overeengekomen en geleverde
prestaties blijken, alsmede wanneer die prestaties zijn geleverd, aan
welke patiėnt onderscheidenlijk aan welke verzekerde die prestaties
door een zorgaanbieder zijn geleverd, de daarvoor in rekening
gebrachte tarieven en de in verband daarmee ontvangen of verrichte
betalingen of vergoedingen aan derden.
2.Zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars voeren op zodanige
wijze een administratie dat te allen tijde mogelijk is elk tarief dat
overeenkomstig artikel 50 of 52 is vastgesteld of dat ligt binnen de
tariefruimte die op grond van artikel 54 is vastgesteld, in rekening
te brengen, te betalen of aan derden te vergoeden.
3.De zorgautoriteit kan, ten behoeve van de vergelijkbaarheid van
gegevens, toepassing van uniforme principes bij de toerekening van
kosten en opbrengsten en bij het registreren van gegevens over
kwaliteit en opbrengsten, nadere regels stellen betreffende de
administratie van:
a. zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars met het oog op de
bevordering van concurrentie, het voorkomen van fraude, de
inzichtelijkheid en toegankelijkheid van die administratie alsmede
het vaststellen van tarieven, en
b. zorgverzekeraars en AWBZ-verzekeraars met het oog op de
bevordering van een goede uitvoering van de Zorgverzekeringswet
onderscheidenlijk de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
4.De in het derde lid bedoelde regels worden ten aanzien van
zorgverzekeraars, AWBZ-verzekeraars of de rechtspersonen, bedoeld in
artikel 40 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, gesteld in
overeenstemming met het College zorgverzekeringen.
Artikel 37
De zorgautoriteit kan regels vaststellen, inhoudende aan wie, door
wie of op welke wijze, onder welke voorwaarden of met inachtneming van
welke voorschriften of beperkingen een tarief in rekening wordt
gebracht.
Artikel 38
1.Zorgaanbieders informeren hun patiėnten tijdig en zorgvuldig
omtrent het voor de prestatie in rekening te brengen tarief.
2.Zorgaanbieders brengen een tarief in rekening onder vermelding
van de daarbijbehorende prestatiebeschrijving.
3.De zorgautoriteit kan nadere regels stellen betreffende het door
zorgaanbieders:
a. bekendmaken van tarieven;
b. specificeren van op verrichte prestaties betrekking hebbende
rekeningen.
4.Zorgaanbieders maken informatie openbaar over de eigenschappen
van aangeboden prestaties en diensten, op een zodanige wijze dat deze
gegevens voor consumenten gemakkelijk vergelijkbaar zijn. Deze
informatie betreft in ieder geval de tarieven en de kwaliteit van de
aangeboden prestaties en diensten.
5.De zorgautoriteit kan, onverminderd de informatieverplichting die
op grond van het vierde lid rust op zorgaanbieders, ten behoeve van de
inzichtelijkheid van de markt periodiek informatie als bedoeld in het
vierde lid openbaar maken.
6.Het vijfde lid geldt niet indien anderen reeds in voldoende mate
in openbaarmaking van de daar bedoelde informatie voorzien.
7.De zorgautoriteit kan regels stellen betreffende de
informatievoorziening, bedoeld in het vierde lid, met het oog op de
doeltreffendheid, juistheid, inzichtelijkheid en vergelijkbaarheid
daarvan.
Artikel 39
1.Zorgaanbieders dragen er zorg voor dat de door of namens hen
verstrekte of beschikbaar gestelde informatie terzake van een product
of dienst, waaronder reclame-uitingen, geen afbreuk doet aan het
bepaalde bij of krachtens deze wet, de Zorgverzekeringswet of de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en niet misleidend is.
2.De zorgautoriteit kan regels stellen betreffende de
informatievoorziening, bedoeld in het eerste lid, met het oog op de
doeltreffendheid, juistheid, inzichtelijkheid en vergelijkbaarheid
daarvan.
3.De in het tweede lid bedoelde regels worden gesteld in
overeenstemming met het Staatstoezicht op de volksgezondheid.
Artikel 40
1.Ziektekostenverzekeraars maken informatie openbaar over de
eigenschappen van aangeboden producten en diensten op zodanige wijze
dat deze gegevens voor consumenten gemakkelijk vergelijkbaar zijn.
Deze informatie betreft in ieder geval de premies en de kwaliteit van
de aangeboden producten en diensten.
2.Zorgverzekeraars maken ten behoeve van de inzichtelijkheid, voor
verzekeringsplichtigen, van de zorgverzekeringsmarkt informatie
openbaar met betrekking tot:
a. de inhoud van de modelovereenkomsten;
b. de wijze van dienstverlening aan verzekerden.
3.Ziektekostenverzekeraars dragen er zorg voor dat de door of
namens hen verstrekte of beschikbaar gestelde informatie ter zake van
een product of dienst, waaronder reclame-uitingen, geen afbreuk doet
aan het bepaalde bij of krachtens deze wet, de Zorgverzekeringswet of
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en niet misleidend is.
4.Artikel 38, vijfde tot en met zevende lid, is ten aanzien van de
informatieverstrekking door ziektekostenverzekeraars van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 41
1.In dit artikel en in de artikelen 42 en 43 wordt verstaan onder:
a. overeenkomst op afstand: een verzekeringsovereenkomst
betreffende het risico van ziektekosten tussen een
ziektekostenverzekeraar en een consument, die wordt gesloten in
het kader van een door de ziektekostenverzekeraar georganiseerd
systeem van verkoop of dienstverrichting op afstand, waarbij tot
en met de totstandkoming van die overeenkomst uitsluitend gebruik
gemaakt wordt van een of meer technieken van communicatie op
afstand;
b. techniek voor communicatie op afstand: ieder middel dat,
zonder gelijktijdige fysieke aanwezigheid van
ziektekostenverzekeraar en consument, kan worden gebruikt voor het
sluiten van een verzekeringsovereenkomst betreffende het risico
van ziektekosten tussen die partijen.
2.Een verzekerde kan een overeenkomst op afstand zonder een boete
verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen ontbinden gedurende
veertien kalenderdagen vanaf de dag waarop die overeenkomst is
aangegaan, dan wel, indien dit later is, gedurende veertien
kalenderdagen vanaf de dag waarop de informatie die de
ziektekostenverzekeraar hem krachtens artikel 43, tweede lid, dient te
verstrekken, door hem is ontvangen.
3.Indien een verzekerde gebruik wenst te maken van het in het
tweede lid bedoelde recht, geeft hij daarvan voor het verstrijken van
de in het tweede lid genoemde termijn kennis aan de
ziektekostenverzekeraar volgens de instructies voor de uitoefening van
dat recht, die hem krachtens artikel 43, tweede lid, zijn gegeven. De
kennisgeving wordt als tijdig aangemerkt indien zij schriftelijk of op
een voor de ontvanger beschikbare en toegankelijke duurzame drager is
verzonden voor het verstrijken van de termijn.
4.Indien aan een overeenkomst op afstand een andere overeenkomst
verbonden is ten aanzien van een zaak of dienst die door de
ziektekostenverzekeraar wordt geleverd of door een derde op grond van
een overeenkomst tussen de ziektekostenverzekeraar en deze derde,
brengt de ontbinding van de overeenkomst op afstand overeenkomstig het
tweede lid, van rechtswege en zonder dat de verzekerde een boete
verschuldigd is, de ontbinding mee van die verbonden overeenkomst.
Artikel 42
1.Met de uitvoering van een overeenkomst op afstand wordt pas na
toestemming van de verzekerde een begin gemaakt.
2.Indien de verzekerde gebruik maakt van zijn in artikel 41, tweede
lid, bedoelde recht, kan de ziektekostenverzekeraar uitsluitend een
vergoeding vragen voor het product dat of dienst die krachtens de
overeenkomst op afstand is geleverd. Deze vergoeding is:
a. niet hoger dan een bedrag dat evenredig is aan de verhouding
tussen het reeds geleverde product of dienst en de volledige
uitvoering van de overeenkomst op afstand; en
b. in geen geval zo hoog dat deze als een boete kan worden
opgevat.
3.De ziektekostenverzekeraar kan slechts betaling van de in het
tweede lid bedoelde vergoeding verlangen indien hij:
a. kan aantonen dat de verzekerde overeenkomstig het bepaalde
krachtens artikel 43, tweede lid, is geļnformeerd over de in het
tweede lid bedoelde vergoeding; en
b. op uitdrukkelijk verzoek van de verzekerde met de uitvoering
van de overeenkomst is begonnen voor het verstrijken van de in
artikel 41, tweede of derde lid, genoemde ontbindingstermijn.
4.De ziektekostenverzekeraar betaalt de consument zo spoedig
mogelijk en uiterlijk binnen 30 kalenderdagen nadat hij de
kennisgeving van de in artikel 41 bedoelde ontbinding heeft ontvangen,
al hetgeen hij krachtens de overeenkomst op afstand van hem ontvangen
heeft terug, verminderd met het in het tweede lid bedoelde bedrag.
5.De consument geeft de ziektekostenverzekeraar onverwijld, en
uiterlijk binnen 30 kalenderdagen nadat hij de kennisgeving van de in
artikel 41 bedoelde ontbinding heeft verzonden, alle zaken terug die
hij van de ziektekostenverzekeraar heeft ontvangen.
Artikel 43
1.Van hetgeen bij of krachtens de artikelen 41 en 42 is bepaald,
kan niet ten nadele van de verzekerde worden afgeweken.
2.Ten aanzien van de informatieverstrekking door
ziektekostenverzekeraars met betrekking tot de overeenkomst op afstand
is het ter zake bepaalde krachtens de artikelen 31, eerste lid, juncto
100, 31, tweede lid, en 35 van de Wet financiėle dienstverlening van
toepassing.
Artikel 44
Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 36 en 38 tot en met 43 is
mede van toepassing ten aanzien van degene die voor een zorgaanbieder of
ziektekostenverzekeraar een administratie voert alsmede ten aanzien van
degene die een administratie voert ten behoeve van of in verband met het
aanbieden, overeenkomen, leveren, in rekening brengen, betalen of
vergoeden aan derden van een prestatie of een tarief of het ontvangen
van een betaling.
Artikel 45
De zorgautoriteit kan, met het oog op de inzichtelijkheid van de
zorgmarkten of de bevordering van de concurrentie, regels stellen
betreffende de wijze van totstandkoming van overeenkomsten met
betrekking tot zorg of tarieven en betreffende de voorwaarden in die
overeenkomsten.
Paragraaf 4.3. Ontwikkeling zorgverzekeringsmarkt,
zorgverleningsmarkt en zorginkoopmarkt
Artikel 46 [Vervallen per 16-07-2008]
Artikel 47
In deze paragraaf wordt onder aanmerkelijke marktmacht verstaan de
positie van een of meer zorgaanbieders of ziektekostenverzekeraars om
alleen dan wel gezamenlijk de ontwikkeling van daadwerkelijke
concurrentie op de Nederlandse markt of een deel daarvan te kunnen
belemmeren door de mogelijkheid zich in belangrijke mate onafhankelijk
te gedragen van:
a. zijn concurrenten;
b. ziektekostenverzekeraars, indien het een zorgaanbieder
betreft;
c. zorgaanbieders, indien het een ziektekostenverzekeraar
betreft, of
d. consumenten.
Artikel 48
1.Indien de zorgautoriteit van oordeel is dat een of meer
zorgaanbieders of een of meer ziektekostenverzekeraars alleen dan wel
gezamenlijk beschikt onderscheidenlijk beschikken over aanmerkelijke
marktmacht op een door de zorgautoriteit volgens de beginselen van het
algemeen mededingingsrecht afgebakende markt, kan de zorgautoriteit
die zorgaanbieder of zorgaanbieders dan wel die
ziektekostenverzekeraar of ziektekostenverzekeraars een of meer van de
volgende verplichtingen opleggen:
a. de verplichting om door de zorgautoriteit te bepalen
categorieėn van informatie aan door de zorgautoriteit te bepalen
categorieėn van belanghebbenden op een door de zorgautoriteit te
bepalen wijze bekend te maken;
b. de verplichting om bij de levering van door de
zorgautoriteit te bepalen diensten, de afnemers van die diensten
in gelijke gevallen gelijk te behandelen;
c. de verplichting om een door de zorgautoriteit te bepalen
dienst los te leveren van andere diensten;
d. de verplichting om de kosten en opbrengsten van door de
zorgautoriteit te bepalen diensten die de zorgaanbieder of
ziektekostenverzekeraar aan zichzelf of aan zijn afnemers
aanbiedt, te scheiden van die van de overige door de zorgaanbieder
of ziektekostenverzekeraar verrichte activiteiten en daartoe een
gescheiden boekhouding te voeren overeenkomstig door de
zorgautoriteit gegeven aanwijzingen;
e. de verplichting om onder redelijke voorwaarden te voldoen
aan elk redelijk verzoek van een zorgaanbieder of
ziektekostenverzekeraar tot het sluiten van een overeenkomst op of
ten behoeve van de zorginkoopmarkt;
f. de verplichting voor een ziektekostenverzekeraar om in zijn
overeenkomsten met zorgaanbieders niet een onredelijk hoge
capaciteit overeen te komen in relatie tot de capaciteit die de
verzekeraar naar verwachting voor zijn verzekerden nodig heeft;
g. de verplichting om voor het medegebruik van door de
zorgautoriteit aan te wijzen categorieėn van zorg, diensten of
faciliteiten een openbaar aanbod te doen en in stand te houden;
h. de verplichting om het onder g bedoelde openbare aanbod
overeenkomstig door de zorgautoriteit gegeven aanwijzingen te
wijzigen;
i. de verplichting om de tarieven van door de zorgautoriteit
aan te wijzen diensten of leveringen vast te stellen
overeenkomstig een door de zorgautoriteit te bepalen
berekeningsmethode;
j. de verplichting om ten behoeve van de vaststelling als
bedoeld onder i een kostentoerekeningssysteem te hanteren dat
voldoet aan door de zorgautoriteit te bepalen
toerekeningsprincipes;
k. de verplichting om op door de zorgautoriteit te bepalen
wijze door middel van een accountantsverklaring of anderszins,
eenmalig of periodiek aan te tonen dat aan de onder i en j
bedoelde verplichting is voldaan;
l. andere, bij ministeriėle regeling aangewezen
verplichtingen.
2.Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
3.De zorgautoriteit neemt bij het opleggen van verplichtingen als
bedoeld in het eerste lid de eisen van proportionaliteit in acht.
4.De zorgautoriteit kan aan de verplichtingen, bedoeld in het
eerste lid, voorschriften en beperkingen verbinden die nodig zijn voor
een goede uitvoering van de verplichtingen.
5.Een verplichting als bedoeld in het eerste lid geldt voor een
periode van ten hoogste drie jaar na de datum waarop deze ingaat. De
zorgautoriteit kan binnen die periode beslissen tot intrekking indien
de verplichting naar haar oordeel niet meer noodzakelijk is. Voorts
kan de zorgautoriteit binnen die periode beslissen tot wijziging of
verlenging van de verplichting, telkens voor een periode van ten
hoogste drie jaar.
Artikel 49
1.Indien de zorgautoriteit een redelijk vermoeden heeft dat zij tot
een oordeel als bedoeld in het eerste lid van artikel 48 zal komen,
kan zij in spoedeisende gevallen vooruitlopen op de toepassing van dat
artikel en de desbetreffende zorgaanbieder of zorgaanbieders dan wel
ziektekostenverzekeraar of ziektekostenverzekeraars een of meer van de
verplichtingen opleggen, genoemd in het eerste lid van artikel 48.
2.Artikel 48, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing op de verplichting, bedoeld in het eerste lid.
3.Artikel 48, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op de
verplichting, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat de
verplichting geldt voor een periode van ten hoogste zes maanden en dat
deze eenmaal met een periode van ten hoogste zes maanden kan worden
verlengd.
Paragraaf 4.4. Tariefregulering van vormen van zorg
Artikel 50
1.Indien een zorgaanbieder met een ziektekostenverzekeraar een
tarief is overeengekomen, vragen zij de zorgautoriteit dat tarief vast
te stellen.
2.Een op een in het eerste lid bedoelde aanvraag gedane
vaststelling geldt voor alle gevallen waarin de zorgaanbieder het
tarief in rekening brengt aan de ziektekostenverzekeraar of aan degene
die bij deze voor de prestatie waarop het tarief van toepassing is, is
verzekerd.
Artikel 51
1.Een aanvraag als bedoeld artikel 50, eerste lid, bevat een
voorstel voor:
a. de toe te passen prestatiebeschrijving;
b. het voor de prestatie in rekening te brengen tarief.
2.Indien de zorgautoriteit geen regels heeft vastgesteld als
bedoeld in artikel 37 bevat de aanvraag voorts een voorstel voor:
a. degene aan wie het tarief in rekening wordt gebracht;
b. degene door wie het tarief in rekening wordt gebracht;
c. de wijze waarop het tarief in rekening wordt gebracht.
Artikel 52
1.Indien de zorgautoriteit op een ingevolge artikel 50 gedane
aanvraag afwijzend beslist, stelt zij op aanvraag van partijen of van
een van hen dan wel ambtshalve een tarief vast. Artikel 50, tweede
lid, is met betrekking tot dat tarief van overeenkomstige toepassing.
2.Op aanvraag van een zorgaanbieder of van een
ziektekostenverzekeraar stelt de zorgautoriteit voorts een tarief
vast, indien een overeenkomst als bedoeld in artikel 50 niet tot stand
komt. Daarbij wordt bepaald in welke gevallen het vastgestelde tarief
geldt.
3.Op aanvraag van een zorgaanbieder dan wel ambtshalve stelt de
zorgautoriteit een tarief vast voor alle gevallen waarin het in
rekening wordt gebracht aan iemand die voor de prestatie waarop het
tarief van toepassing is, niet is verzekerd bij een
ziektekostenverzekeraar. Daarbij kunnen met betrekking tot de kring
van hen aan wie het tarief rechtsgeldig in rekening kan worden
gebracht, beperkingen worden gesteld.
4.Indien een aanvraag als bedoeld in artikel 50 of het eerste tot
en met derde lid van het onderhavige artikel, niet voldoet aan het bij
of krachtens deze paragraaf bepaalde kan de zorgautoriteit ambtshalve
een tarief vaststellen.
5.In gevallen waarin een beleidsregel als bedoeld in artikel 57 dat
vordert, stelt de zorgautoriteit ambtshalve een tarief vast.
6.Een beschikking op grond van dit artikel bevat in ieder geval de
onderwerpen, genoemd in artikel 51, voor zover van toepassing.
7.De zorgautoriteit kan aan een beschikking voorschriften of
beperkingen verbinden.
Artikel 53
1.De zorgautoriteit beslist afwijzend op een aanvraag als bedoeld
in artikel 50, eerste lid, indien de daarbij voorgestelde
prestatiebeschrijving, bedoeld in artikel 51, eerste lid, onder a, in
strijd is met het recht of met het belang van de volksgezondheid.
2.Indien de zorgautoriteit op een ingevolge artikel 50 gedane
aanvraag op grond van het eerste lid van dit artikel afwijzend
beslist, stelt zij op aanvraag van partijen of van een van hen dan wel
ambtshalve een prestatiebeschrijving en een tarief vast. Artikel 50,
tweede lid, is met betrekking tot die prestatiebeschrijving en dat
tarief van overeenkomstige toepassing.
3.Op aanvraag van een zorgaanbieder of van een
ziektekostenverzekeraar stelt de zorgautoriteit voorts een
prestatiebeschrijving en een tarief vast, indien een overeenkomst als
bedoeld in artikel 50 niet tot stand komt. Daarbij wordt bepaald in
welke gevallen de vastgestelde prestatiebeschrijving en het
vastgestelde tarief geldt.
4.Op aanvraag van een zorgaanbieder dan wel ambtshalve stelt de
zorgautoriteit een prestatiebeschrijving en een tarief vast voor alle
gevallen waarin het in rekening wordt gebracht aan iemand die voor de
prestatie waarop het tarief van toepassing is, niet is verzekerd bij
een ziektekostenverzekeraar. Daarbij kunnen met betrekking tot de
kring van hen aan wie het tarief rechtsgeldig in rekening kan worden
gebracht, beperkingen worden gesteld.
5.Indien een aanvraag als bedoeld in artikel 50 of in het tweede
tot en met vierde lid van het onderhavige artikel, niet voldoet aan
het bij of krachtens deze paragraaf bepaalde kan de zorgautoriteit
ambtshalve een prestatiebeschrijving en een tarief vaststellen.
6.In gevallen waarin een beleidsregel als bedoeld in artikel 57 dat
vordert, stelt de zorgautoriteit ambtshalve een tarief vast.
7.Een beschikking op grond van dit artikel bevat in ieder geval de
onderwerpen, genoemd in artikel 51, voor zover van toepassing.
8.De zorgautoriteit kan aan een beschikking voorschriften of
beperkingen verbinden.
Artikel 54
1.In afwijking van de artikelen 50 en 51, eerste lid, onder b, kan
een aanvraag als in die artikelen bedoeld, de vaststelling betreffen
van het bedrag dat ten minste of ten hoogste als tarief voor de
prestatie in rekening wordt gebracht.
2.Artikel 52, eerste, vierde, zesde en zevende lid, en artikel 53
zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in het
eerste lid.
3.Een aanvraag of een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het
tweede, derde en vijfde lid van artikel 52 of in het derde, vierde en
zesde lid van artikel 53 kan ook de vaststelling betreffen van het
bedrag dat ten minste of ten hoogste als tarief voor een prestatie in
rekening wordt gebracht.
4.Bij toepassing van het derde lid bevat de beschikking van de
zorgautoriteit, in afwijking van artikel 52, zesde lid, juncto artikel
51, eerste lid, onder b, of artikel 53, zevende lid, juncto artikel
51, aanhef en onder b, het bedrag dat ten minste of ten hoogste als
tarief voor de prestatie in rekening wordt gebracht.
Artikel 55
1.Voordat de zorgautoriteit een beschikking neemt op een aanvraag
tot vaststelling van een tarief, stelt zij de naar haar oordeel
betrokken zorgaanbieder en betrokken ziektekostenverzekeraar in de
gelegenheid te worden gehoord, indien dezen of een van hen daarom
hebben verzocht.
2.De zorgautoriteit doet van haar voornemen een aanvraag in
behandeling te nemen tijdig mededeling aan de in het eerste lid
bedoelde betrokkenen.
3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de
vaststelling van een tarief op grond van artikel 52, eerste lid, en
artikel 53, tweede lid.
Paragraaf 4.5. Prestatieregulering van vormen van zorg
Artikel 56
1.Een zorgaanbieder of een ziektekostenverzekeraar kan de
zorgautoriteit vragen een prestatiebeschrijving vast te stellen met
betrekking tot een prestatie waarvoor de zorgautoriteit op grond van
het bepaalde bij of krachtens artikel 2, tweede lid, artikel 57,
vierde lid, onder c, dan wel artikel 58, vierde lid, geen tarief
behoeft vast te stellen.
2.Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid bevat een voorstel
voor de toe te passen prestatiebeschrijving.
3.Indien de zorgautoriteit geen regels heeft vastgesteld als
bedoeld in artikel 37 bevat de aanvraag voorts een voorstel voor:
a. degene aan wie het tarief voor de prestatie in rekening
wordt gebracht;
b. degene door wie het tarief voor die prestatie in rekening
wordt gebracht en
c. de wijze waarop het tarief in rekening wordt gebracht.
4.De artikelen 52, derde tot en met vijfde lid en zevende lid, en
53, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de vaststelling
van een prestatiebeschrijving. Bij zodanige vaststelling bevat een
beschikking in ieder geval de onderwerpen, genoemd in het tweede en
derde lid, voor zover van toepassing.
Paragraaf 4.6. Beleidsregels
Artikel 57
1.De zorgautoriteit stelt beleidsregels vast met betrekking tot:
a. het uitoefenen van de bevoegdheid om verplichtingen op te
leggen op grond van de artikelen 48 en 49;
b. het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven vast te
stellen op grond van de artikelen 50 en 52;
c. het uitoefenen van de bevoegdheid tot het vaststellen van
prestatiebeschrijvingen op grond van artikel 56.
2.De beleidsregels, bedoeld in het eerste lid, onder b en c, kunnen
inhouden op welke wijze, waaronder schriftelijk of elektronisch, onder
welke voorwaarden of met inachtneming van welke voorschriften of
beperkingen een aanvraag als bedoeld in die artikelen moet worden
ingediend. De beperkingen kunnen mede inhouden dat de aanvraag alleen
gedaan kan worden door een zorgaanbieder met een
ziektekostenverzekeraar gezamenlijk of dat een aanvraag moet worden
gedaan binnen een bepaalde termijn.
3.De beleidsregels kunnen inhouden welke prestatiebeschrijving moet
worden gehanteerd bij het in rekening brengen van een tarief.
4.De beleidsregels kunnen inhouden dat met betrekking tot het in
rekening te brengen tarief sprake is van:
a. een vast tarief;
b. een bedrag dat ten minste of ten hoogste als tarief in
rekening wordt gebracht;
c. een tarief waarop de artikelen 35, eerste lid, onder c en d,
en 50 tot en met 55 niet van toepassing zijn.
5.De beleidsregels kunnen inhouden dat de zorgautoriteit ambtshalve
een tarief danwel een bedrag dat ten minste of ten hoogste als tarief
in rekening wordt gebracht of een prestatiebeschrijving vaststelt.
6.De beleidsregels kunnen inhouden onder welke voorwaarden of met
inachtneming van welke voorschriften en beperkingen voor in die regel
te onderscheiden delen van een prestatie of geheel van prestaties
daarbij nader aangegeven beleidsregels van toepassing zijn.
Artikel 58
1.Indien de zorgautoriteit in een beleidsregel als bedoeld in
artikel 57 de mogelijkheid opneemt van een experiment, neemt zij de in
dit artikel bedoelde bepalingen in acht.
2.In de beleidsregel kan de zorgautoriteit opnemen onder welke
voorwaarden of met inachtneming van welke in die beleidsregel
aangegeven voorschriften of beperkingen kan worden afgeweken van
andere, in die beleidsregel genoemde beleidsregels als bedoeld in
artikel 57, of van in die beleidsregel genoemde, door haar gestelde
algemeen verbindende regels.
3.De beperkingen, bedoeld in het tweede lid, kunnen inhouden dat de
werking van de desbetreffende beleidsregel is beperkt tot een bepaald
gebied, tot een bepaalde categorie of een deel van een categorie van
zorgaanbieders, van ziektekostenverzekeraars, van patiėnten of van
prestaties, of tot een beperkt aantal zorgaanbieders,
ziektekostenverzekeraars, patiėnten of prestaties.
4.De beleidsregel kan inhouden dat onder in die beleidsregel
gestelde voorwaarden of met inachtneming van in die beleidsregel
aangegeven voorschriften of beperkingen:
a. artikel 35 niet van toepassing is op het tarief voor de bij
het experiment betrokken prestaties;
b. artikel 35, eerste lid, onder a en b, niet van toepassing is
op de prestatiebeschrijving van de bij het experiment betrokken
prestaties;
c. artikel 12, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet of
artikel 15 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten niet van
toepassing is op het tarief voor de bij het experiment betrokken
prestaties;
d. artikel 12, tweede of derde lid, van de Zorgverzekeringswet
dan wel artikel 16b, eerste lid, of 16c, eerste lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten niet van toepassing is op het
tarief voor de bij het experiment betrokken prestaties.
5.Een beleidsregel als bedoeld in het eerste lid bepaalt de
maximale duur van het experiment, die ten hoogste vijf jaren bedraagt.
De zorgautoriteit kan besluiten de gevolgen van het experiment geheel
of gedeeltelijk in stand te laten tot het einde van het boekjaar
volgend op het boekjaar waarin het experiment is geėindigd.
6.De zorgautoriteit evalueert het experiment tijdig en tijdens zijn
uitvoering.
7.De zorgautoriteit rapporteert over de uitslag van een experiment
aan Onze Minister in ieder geval binnen drie maanden na afloop van het
experiment.
Artikel 59
1.De zorgautoriteit stelt met betrekking tot een vorm van zorg
waarvoor nog geen beleidsregel geldt als bedoeld in artikel 57, vierde
lid, zon beleidsregel niet vast dan na een aanwijzing van Onze
Minister op grond van artikel 7.
2.De zorgautoriteit wijzigt een beleidsregel als bedoeld in
onderdeel a, b of c, van artikel 57, vierde lid, niet in die zin dat
het bij die beleidsregel betrokken tarief onder een ander onderdeel
van dat lid komt te vallen, dan na een aanwijzing van Onze Minister op
grond van artikel 7.
3.De zorgautoriteit stelt met betrekking tot een experiment als
bedoeld in artikel 58 een beleidsregel niet vast dan na een aanwijzing
van Onze Minister op grond van artikel 7.
Hoofdstuk 5. Informatie
Artikel 60
1.In dit hoofdstuk worden persoonsgegevens onderscheiden in:
a. identificerende persoonsgegevens,
b. medische persoonsgegevens,
c. strafrechtelijke persoonsgegevens.
2.Onder identificerende persoonsgegevens wordt verstaan:
a. naam, adres, woonplaats, postadres;
b. geboortedatum en geslacht;
c. administratieve gegevens, zoals nummers van bank-, giro- en
creditcard, inschrijvingsgegevens van de gemeentelijke
basisadministratie en registratie ingevolge de Wet op de beroepen
in de individuele gezondheidszorg.
3.Onder medische persoonsgegevens wordt in het kader van deze wet
verstaan de persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in
artikel 21 van de Wet bescherming persoonsgegevens.
4.Onder strafrechtelijke persoonsgegevens wordt verstaan
persoonsgegevens als bedoeld in artikel 22 van de Wet bescherming
persoonsgegevens en persoonsgegevens betreffende onrechtmatig of
hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding
van dat gedrag.
Artikel 61
1.Een ieder is gehouden desgevraagd aan de zorgautoriteit of aan
een daartoe door deze aangewezen persoon, verder in dit artikel aan te
duiden als vrager, kosteloos en met inachtneming van het bepaalde
krachtens artikel 65:
a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke
redelijkerwijs voor de uitvoering van deze wet van belang kunnen
zijn;
b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud
daarvan zulks ter keuze van de vrager waarvan de
raadpleging redelijkerwijs van belang kan zijn voor de
vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de
uitvoering van deze wet, voor dit doel beschikbaar te stellen.
2.Ingeval deze wet aangelegenheden van een derde aanmerkt als
aangelegenheden van degene die op grond van het eerste lid
inlichtingenplichtig is, gelden, voor zover het deze aangelegenheden
betreft, gelijke verplichtingen voor de derde.
3.De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde verplichting geldt
onverminderd voor een derde bij wie zich gegevensdragers bevinden van
degene die gehouden is deze, of de inhoud daarvan, aan de vrager voor
raadpleging beschikbaar te stellen.
4.De vrager stelt degene wiens gegevensdragers hij bij een derde
voor raadpleging vordert, gelijktijdig hiervan in kennis.
5.De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder
voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere
wijze zulks ter keuze van de vrager en binnen een door de
vrager te stellen termijn.
6.Toegelaten moet worden dat kopieėn, leesbare afdrukken of
uittreksels worden gemaakt van de voor raadpleging beschikbaar
gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan.
7.De verplichting van het eerste of tweede lid geldt niet indien de
betrokkene de gevraagde gegevens of inlichtingen reeds aan een ander
bestuursorgaan heeft verstrekt en zij door dat bestuursorgaan aan de
zorgautoriteit verstrekt kunnen worden.
Artikel 62
1.De zorgautoriteit kan, met inachtneming van het bepaalde
krachtens artikel 65, regels stellen, inhoudende welke gegevens en
inlichtingen regelmatig moeten worden verstrekt door de
zorgaanbieders, ziektekostenverzekeraars en degenen, bedoeld in
artikel 44.
2.Het eerste lid is mede van toepassing ten aanzien van degene die
gegevens verzamelt, bewaart en bewerkt ten behoeve van zorgaanbieders
of ziektekostenverzekeraars, alsmede ten aanzien van de groep in de
zin van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien
zorgaanbieders of ziektekostenverzekeraars daartoe behoren.
Artikel 63
De in dit hoofdstuk bedoelde gegevens en inlichtingen dienen volledig
en naar waarheid te worden verstrekt.
Artikel 64
Op het opvragen van gegevens en inlichtingen, bedoeld in de artikelen
61 en 62, is afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht van
overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 5:11, 5:12
en 5:20.
Artikel 65
Onze Minister geeft bij ministeriėle regeling aan:
a. welke van de in artikel 60 onderscheiden categorieėn van
persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de in die
regeling aangewezen taken en bevoegdheden van de zorgautoriteit;
b. welke van de in artikel 60 onderscheiden categorieėn van
persoonsgegevens de zorgautoriteit mag verstrekken aan de in artikel
70 genoemde instanties ten behoeve van de uitoefening van hun taken
en bevoegdheden.
Artikel 66
1.Zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars zijn verplicht op
verzoek henzelf betreffende identificerende gegevens alsmede, met
inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 65, de in artikel 60
bedoelde identificerende persoonsgegevens en medische persoonsgegevens
aan de zorgautoriteit en de FIOD-ECD te verstrekken ten behoeve van
het toezicht op de naleving en de handhaving van de artikelen 35, 36
en 38, waaronder begrepen de uitvoering van de Wet op de economische
delicten.
2.Zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars zijn niet verplicht op
verzoek medische persoonsgegevens te verstrekken ten behoeve van de
uitvoering van een verplichting die het eerste lid oplegt aan anderen.
3.Het eerste lid is mede van toepassing op degene bedoeld in
artikel 44.
Artikel 67
1.Voor degene die op grond van deze wet gegevens en inlichtingen
ontvangt, gelden dezelfde wettelijke voorschriften inzake
geheimhouding van die gegevens en inlichtingen als voor degene die ze
heeft verstrekt.
2.De gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 70, tweede lid,
worden door de zorgautoriteit verstrekt mits:
a. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen in
voldoende mate is gewaarborgd, en
b. voldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen
niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij
worden verstrekt.
3.Het eerste lid laat onverlet de bevoegdheden van de Algemene
Rekenkamer ingevolge artikel 91 van de Comptabiliteitswet 2001. De
Algemene Rekenkamer is bij het doen van mededelingen als bedoeld in
artikel 91, elfde tot en met veertiende lid, van die wet verplicht tot
geheimhouding voorzover het betreft gegevens en inlichtingen die haar
ingevolge de eerste volzin bekend zijn geworden.
Artikel 68
1.De zorgautoriteit kan, met inachtneming van het bepaalde
krachtens artikel 65, regels stellen, inhoudende aan wie daarbij te
bepalen gegevens en inlichtingen als bedoeld in de artikelen 61 en 62,
moeten worden verstrekt, het tijdstip en de wijze waarop en de vorm
waarin de gegevens en inlichtingen moeten worden verstrekt of door wie
en de wijze waarop de gegevens moeten worden bewerkt of door wie en de
wijze waarop de gegevens dan wel de bewerkingen van die gegevens
moeten worden bekendgemaakt, alsmede dat een accountant als bedoeld in
artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek de juistheid van de
verstrekte gegevens en inlichtingen bevestigt.
2.De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen ook inhouden de
wijze waarop, de vorm waarin of door wie daarbij te bepalen gegevens
en inlichtingen, waaronder medische persoonsgegevens, moeten worden
bewerkt alvorens de bewerking moet worden verstrekt.
Artikel 68a
1.Een zorgaanbieder die aan een verzekerde zorg heeft verleend, en
die daarvoor krachtens een door hem met de ziektekostenverzekeraar
gesloten overeenkomst rechtstreeks een tarief bij die
ziektekostenverzekeraar in rekening brengt, verstrekt die
ziektekostenverzekeraar of een door die ziektekostenverzekeraar
aangewezen persoon de persoonsgegevens van de verzekerde, waaronder
persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van de ziektekostenverzekering of van de wet, dan wel stelt hem deze
gegevens voor dit doel voor inzage of het nemen van afschrift ter
beschikking.
2.Een zorgaanbieder die aan een verzekerde zorg heeft verleend en
die daarvoor bij de verzekerde een tarief in rekening brengt,
verstrekt hem de persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens
betreffende zijn gezondheid als bedoeld in de Wet bescherming
persoonsgegevens, die voor zijn ziektekostenverzekeraar noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van de ziektekostenverzekering of van de wet.
3.Behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen mededeling
toestaat, zijn personen werkzaam bij een ziektekostenverzekeraar, bij
een door de ziektekostenverzekeraar aangewezen persoon of bij een door
Onze Minister aangewezen persoon als bedoeld in artikel 53, eerste of
derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of artikel 87,
derde lid, van de Zorgverzekeringswet, voor wie niet reeds uit hoofde
van ambt of beroep een geheimhoudingsplicht geldt, verplicht tot
geheimhouding van persoonsgegevens van een verzekerde, waaronder
persoonsgegevens betreffende zijn gezondheid als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens, die voor een ziektekostenverzekeraar
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een ziektekostenverzekering.
4.Bij ministeriėle regeling kan worden bepaald:
a. tot welke gegevens en tot welke categorie van
ziektekostenverzekeraars als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, de
verplichting, bedoeld in het eerste of tweede lid, zich in ieder
geval uitstrekt;
b. op welke wijze gegevens, bedoeld in het eerste of tweede
lid, worden verwerkt;
c. volgens welke technische standaarden gegevensverwerking
plaatsvindt;
d. aan welke beveiligingseisen gegevensverwerking voldoet;
e. in welke gevallen gegevens, bedoeld in het eerste of tweede
lid, verder worden verwerkt met het oog op de uitvoering van
ziektekostenverzekeringen, voor zover deze gegevens niet worden
gebruikt voor het beoordelen en accepteren van een
aspirant-verzekerde door een ziektekostenverzekeraar als bedoeld
in artikel 1, onderdeel f, onder 3°, en bovendien noodzakelijk
zijn voor:
1°. de betaling aan een zorgaanbieder of de vergoeding van
zorgkosten aan een verzekerde,
2°. de vaststelling van eigen bijdragen, nog openstaand
eigen risico of een no-claimteruggave aan de verzekerde,
3°. het uitoefenen van het verhaalsrecht, of
4°. het verrichten van controle of fraudeonderzoek.
Artikel 69
1.Onverminderd de verplichting van zorgaanbieders en
ziektekostenverzekeraars om gegevens en inlichtingen te verstrekken
als bedoeld in de artikelen 61 en 62, kan de zorgautoriteit bij het
uitoefenen van aan haar opgedragen taken eigen informatie gebruiken
indien de in die artikelen bedoelde gegevens en inlichtingen niet of
niet volledig worden verstrekt.
2.De zorgautoriteit is bevoegd alle gegevens en inlichtingen, die
zij heeft verzameld op grond van alle haar daartoe ten dienste staande
wettelijke bevoegdheden, te gebruiken voor alle aan haar opgedragen
taken.
3.Bij het gebruik door de zorgautoriteit van informatie, gegevens
en inlichtingen als bedoeld in het eerste en tweede lid, is het
bepaalde krachtens artikel 65 met betrekking tot het verwerken van
persoonsgegevens van overeenkomstige toepassing.
Artikel 70
1.De zorgautoriteit, het College zorgverzekeringen, het College
bouw, het College sanering en het Staatstoezicht op de volksgezondheid
verstrekken elkaar die gegevens en inlichtingen die van belang kunnen
zijn voor de uitoefening van hun wettelijke taken.
2.De zorgautoriteit verstrekt desgevraagd aan de Nederlandse
Mededingingsautoriteit, De Nederlandsche Bank, de Stichting Autoriteit
Financiėle Markten, het College bescherming persoonsgegevens, de
Consumentenautoriteit en de FIOD-ECD die gegevens en inlichtingen die
van belang kunnen zijn voor de uitoefening van hun wettelijke taken.
3.De zorgautoriteit verstrekt desgevraagd aan de Gezondheidsraad,
het Rijksinstituut voor de volksgezondheid en milieu, de Raad voor de
Volksgezondheid en Zorg, de Raad voor gezondheidsonderzoek, het
Centraal Planbureau, het Centraal Bureau voor de Statistiek en het
Sociaal Cultureel Planbureau in verband met de beperking van
administratieve lasten die gegevens en inlichtingen die van belang
kunnen zijn voor de uitoefening van hun wettelijke taken.
4.Bij de verstrekkingen als bedoeld in het eerste tot en met derde
lid wordt het bepaalde krachtens artikel 65 in acht genomen.
5.De zorgautoriteit maakt bij de toepassing van het eerste tot en
met derde lid geen gebruik van haar bevoegdheden, bedoeld in de
artikelen 61 en 64.
Artikel 71
De griffiers of secretarissen van de in de Wet op de rechterlijke
organisatie bedoelde gerechten, van de Centrale Raad van Beroep, van het
College van Beroep voor het bedrijfsleven en van de tuchtcolleges,
bedoeld in artikel 47, derde lid, van de Wet op de beroepen in de
individuele gezondheidszorg, verstrekken aan Onze Minister, aan de
zorgautoriteit, aan de FIOD-ECD of aan een krachtens artikel 72
aangewezen persoon vrij van alle kosten alle gegevens en uittreksels uit
of afschriften van vonnissen, arresten, uitspraken, registers, en andere
stukken, die ten behoeve van de uitvoering van deze wet van hen worden
verlangd.
Hoofdstuk 6. Handhaving
Paragraaf 6.1. Algemeen
Artikel 72
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast:
a. de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren;
b. de bij besluit van de zorgautoriteit aangewezen medewerkers
van de zorgautoriteit;
c. de ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid;
en
d. de medewerkers van de FIOD-ECD.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a of b,
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 73
Degenen die ingevolge artikel 72 belast zijn met toezicht op de
naleving en degenen die ingevolge artikel 17 van de Wet op de
economische delicten belast zijn met de opsporing van hetgeen bij of
krachtens deze wet is bepaald of strafbaar is gesteld, verstrekken
elkaar alle gegevens en inlichtingen voor zover dat noodzakelijk is voor
de uitoefening van hun taak.
Artikel 74
De zorgautoriteit heeft een meldpunt voor het ontvangen van gegevens
en inlichtingen omtrent feiten en omstandigheden die mogelijk niet in
overeenstemming zijn met het bij of krachtens de wet bepaalde.
Artikel 75
De zorgautoriteit maakt openbaar op welke wijze zij van plan is
uitvoering te geven aan de in dit hoofdstuk aan haar toegekende taken en
bevoegdheden.
Paragraaf 6.2. Aanwijzingen
Artikel 76
De zorgautoriteit is bevoegd ter handhaving van het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 23, 25, tweede lid, 27, 34, 35 tot en met 45, 48,
49, 61, 62 en 68 een aanwijzing te geven, erop gericht dat aan het
bepaalde bij of krachtens die artikelen wordt voldaan.
Artikel 77
De zorgautoriteit kan uit hoofde van haar taak, bedoeld in artikel
16, onder b en c, een aanwijzing geven aan een zorgverzekeraar, dan wel
aan een verzekeraar die verzekeringen als zorgverzekering aanbiedt of
uitvoert die niet aan het bepaalde bij of krachtens de
Zorgverzekeringswet voldoen.
Artikel 78
De zorgautoriteit kan uit hoofde van haar taak, bedoeld in artikel
16, onder d, een aanwijzing geven aan een AWBZ-verzekeraar of een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 40 van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten, die niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens die
wet.
Artikel 79
1.De zorgautoriteit geeft geen aanwijzing als bedoeld in artikel
76, 77 of 78 omtrent de beoordeling of behandeling van individuele
gevallen door degene tot wie de aanwijzing is gericht.
2.Bij de aanwijzing stelt de zorgautoriteit een termijn waarbinnen
de betrokkene aan de aanwijzing voldoet.
Artikel 80
1. Indien een zorgverzekeraar of een verzekeraar als bedoeld in
artikel 77, dan wel een AWBZ-verzekeraar, hierna te noemen:
betrokkene, niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 79, tweede lid,
aan een krachtens artikel 77 onderscheidenlijk 78 gegeven aanwijzing
voldoet, is de zorgautoriteit bevoegd:
a. een last onder bestuursdwang op te leggen, of
b. ter openbare kennis te brengen, zo nodig onder vermelding
van de overwegingen die tot die kennisgeving hebben geleid:
1°. dat de betrokkene verzekeringen als zorgverzekering
aanbiedt of uitvoert die niet aan het bij of krachtens de
Zorgverzekeringswet geregelde voldoen;
2°. dat de zorgverzekeraar in strijd handelt met een of
meer door de zorgautoriteit genoemde, bij of krachtens de
Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
geregelde bepalingen;
3°. dat aan de betrokkene een aanwijzing is gegeven dan
wel een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete is
opgelegd.
2. De zorgautoriteit stelt, indien zij voornemens is een feit ter
openbare kennis te brengen, de betrokkene daarvan in kennis onder
vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
3. In afwijking van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht
is de zorgautoriteit niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te
stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de
betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een
redelijke inspanning kan worden verkregen.
4. De beschikking om een feit ter openbare kennis te brengen,
vermeldt in ieder geval het feit dat ter openbare kennis wordt
gebracht alsmede de wijze en de termijn waarop dit zal geschieden.
5. Het ter openbare kennis brengen geschiedt niet eerder dan nadat
vijf werkdagen zijn verstreken na de bekendmaking, bedoeld in het
tweede lid, aan de betrokkene.
6. Indien de betrokkene verzoekt een voorlopige voorziening als
bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht te treffen,
wordt de werking van de beschikking opgeschort totdat er een uitspraak
is van de voorzieningenrechter.
7. Indien het adequaat functioneren van de verzekeringsmarkt of de
positie van de verzekeraars op die markt geen uitstel toelaat, kan de
zorgautoriteit, in afwijking van het tweede tot en met zesde lid, het
feit onverwijld ter openbare kennis brengen.
8. Indien de betrokkene na een publicatie als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b, alsnog voldoet aan de aanwijzing, doet de
zorgautoriteit hiervan op dezelfde wijze mededeling als bij de
voorafgaande publicatie.
Artikel 81
1. Indien een zorgaanbieder of een ziektekostenverzekeraar,
voorzover niet bedoeld in artikel 80, eerste lid, hierna te noemen:
betrokkene, niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 79, aan een
krachtens artikel 76 gegeven aanwijzing voldoet, is de zorgautoriteit
bevoegd:
a. een last onder bestuursdwang op te leggen, of
b. ter openbare kennis te brengen, zo nodig onder vermelding
van de overwegingen die tot die kennisgeving hebben geleid:
1°. dat de betrokkene in strijd handelt met een of meer
door de zorgautoriteit genoemde, bij of krachtens deze wet
geregelde bepalingen;
2°. dat aan de betrokkene een aanwijzing is gegeven dan
wel een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete is
opgelegd.
2. Indien het adequaat functioneren van de zorgverlenings- of
zorginkoopmarkt of de positie van zorgaanbieders op die markt geen
uitstel toelaat, kan de zorgautoriteit het feit onverwijld ter
openbare kennis brengen.
3. Het tweede tot en met achtste lid van artikel 80 zijn van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste en tweede
lid.
Paragraaf 6.3. Bestuursdwang en last onder dwangsom
Artikel 82
De zorgautoriteit is ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens
de artikelen 25, tweede lid, 35 tot en met 45, 48, 49, 61, 62, 68, 68a
of 79, tweede lid, bevoegd tot het opleggen van een last onder
bestuursdwang dan wel het opleggen van een last onder dwangsom.
Artikel 83
1. De zorgautoriteit kan een zorgverzekeraar een last onder
dwangsom opleggen ter zake van overtreding van de voorschriften
gesteld bij of krachtens de artikelen 3, 4, tweede tot en met vijfde
lid, 5, derde lid, 9, 25, derde lid, 28, 29, eerste en tweede lid, 35,
tweede lid, 37, 38, eerste en vierde lid, 64, tweede lid, 68, tweede
lid, 86, 87, vijfde of zesde lid, 89, eerste, tweede en vijfde lid,
90, 92, 96, vijfde lid, 114 of 118a, derde lid, van de
Zorgverzekeringswet.
2. De zorgautoriteit kan een verzekeraar onderscheidenlijk
rechtspersoon een last onder dwangsom opleggen ter zake van
overtreding van de artikelen 25, eerste en tweede lid, respectievelijk
30 van de Zorgverzekeringswet.
3. De zorgautoriteit kan een verzekeraar die verzekeringen als
zorgverzekering aanbiedt of uitvoert die niet aan het bij of krachtens
de Zorgverzekeringswet geregelde voldoen, een last onder dwangsom
opleggen.
Artikel 84
De zorgautoriteit kan een AWBZ-verzekeraar onderscheidenlijk een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 40 van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding
van de voorschriften, gesteld bij of krachtens die wet of de Wet
financiering sociale verzekeringen.
Paragraaf 6.4. Bestuurlijke boete
Artikel 85
1. De zorgautoriteit kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake
van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 23, 34
tot en met 45, 48, eerste lid, 49, 61, 62 of 68.
2. De bestuurlijke boete voor een afzonderlijke overtreding
bedraagt ten hoogste 500 000 of, indien dat meer is, tien procent
van de omzet van de onderneming in Nederland.
3. De berekening van de omzet, bedoeld in het tweede lid, geschiedt
op de voet van hetgeen artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek bepaalt voor de netto-omzet.
Artikel 86
1. De zorgautoriteit kan aan een zorgverzekeraar een bestuurlijke
boete opleggen ter zake van overtreding van het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 3, 25, derde lid, 28, of 29, eerste en tweede
lid, van de Zorgverzekeringswet.
2. De zorgautoriteit kan aan een verzekeraar of rechtspersoon een
bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van de
voorschriften, gesteld bij de artikelen 25, eerste en tweede lid, of
30 van de Zorgverzekeringswet.
3. De bestuurlijke boete voor een afzonderlijke overtreding
bedraagt ten hoogste 500 000.
Artikel 87
1. De zorgautoriteit kan een bestuurlijke boete opleggen aan een
zorgverzekeraar die het College zorgverzekeringen of een door hem
aangewezen persoon onjuiste of onvolledige informatie verschaft met
betrekking tot de aantallen bij hem verzekerde verzekeringsplichtigen,
hun verzekerdenkenmerken of zijn zorgkosten, noodzakelijk voor de
vaststelling van de bijdragen, bedoeld in de artikelen 32 tot en met
34 van de Zorgverzekeringswet.
2. De bestuurlijke boete voor een afzonderlijke overtreding
bedraagt ten hoogste 10 000 000.
Artikel 88
1. De zorgautoriteit kan aan een zorgverzekeraar een bestuurlijke
boete opleggen ter zake van overtreding van de voorschriften gesteld
bij of krachtens de artikelen 4, tweede tot en met vijfde lid, 5,
derde lid, 9, 35, tweede lid, 37, 38, eerste en vierde lid, 64, tweede
lid, 68, tweede lid, 86, 90, 92, 114 of 118a, derde lid, van de
Zorgverzekeringswet.
2. De bestuurlijke boete voor een afzonderlijke overtreding
bedraagt ten hoogste 100 000.
Artikel 89
1. De zorgautoriteit kan een bestuurlijke bestuurlijke boete
opleggen aan degene die niet voldoet aan een hem bij of krachtens
artikel 68a van deze wet of artikel 87, vijfde of zesde lid, 88 of 89
van de Zorgverzekeringswet opgelegde verplichting.
2. De bestuurlijke boete voor een afzonderlijke overtreding
bedraagt ten hoogste 2 250.
Paragraaf 6.5. Afdracht dwangsommen en boetes
Artikel 104
1.De zorgautoriteit draagt de op grond van de artikelen 82 en 85
ingevorderde dwangsommen en bestuurlijke boetes af aan s Rijks kas.
2.De zorgautoriteit draagt de op grond van de artikelen 83 en 86
tot en met 89 ingevorderde dwangsommen en bestuurlijke boetes af aan
het Zorgverzekeringsfonds.
3.De zorgautoriteit draagt de op grond van artikel 84 ingevorderde
dwangsommen af aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.
Paragraaf 6.6. Rechtsbescherming
Artikel 105
1.Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een
belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
2.Met betrekking tot besluiten waarbij consumenten of patiėnten
belanghebbend kunnen zijn, worden voor de toepassing van het eerste
lid op landelijk niveau werkzaam zijnde consumenten- en
patiėntenorganisaties als belanghebbenden aangemerkt.
Artikel 106
In afwijking van artikel 105 van deze wet en van artikel 8:7, tweede
lid, van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen
beschikkingen van de zorgautoriteit als bedoeld in paragraaf 4 van dit
hoofdstuk de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
Artikel 107
In afwijking van artikel 45 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie
neemt de Rechtbank te Rotterdam in eerste aanleg kennis van strafzaken
en economische delicten in de zin van deze wet.
Hoofdstuk 7. Wijzigingen in andere wetten
Artikel 108
[Wijzigt de Zorgverzekeringswet]
Artikel 109
[Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten]
Artikel 110
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 111
[Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen]
Artikel 112
[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen]
Artikel 113
[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers]
Artikel 114
[Wijzigt de Wet werk en bijstand]
Artikel 115
[Wijzigt de Wet werk en inkomen kunstenaars]
Artikel 116
[Wijzigt de Ambtenarenwet]
Artikel 117
[Wijzigt de Wet toelating zorginstellingen]
Artikel 118
[Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg]
Artikel 119
[Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet]
Artikel 120
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie]
Artikel 121
[Wijzigt de Mededingingswet]
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 122
In afwijking van artikel 4 kan de zorgautoriteit gedurende vier jaar,
te rekenen vanaf de inwerkingtreding van artikel 4 van deze wet, uit ten
hoogste vier leden bestaan.
Artikel 123
1.De Wet tarieven gezondheidszorg wordt ingetrokken.
2.Een tarief dat onmiddellijk voor het tijdstip waarop deze wet in
werking treedt, rechtsgeldig in rekening placht te worden gebracht aan
ziektekostenverzekeraars of aan degenen die bij deze voor de prestatie
waarop het tarief van toepassing is, zijn verzekerd of niet zijn
verzekerd, wordt in alle gevallen waarin het aan degene die tot die
zelfde groep behoort, of aan een derde in rekening wordt gebracht,
aangemerkt als een tarief dat ingevolge deze wet is tot stand gekomen.
3.Een ingevolge de Wet tarieven gezondheidszorg gedaan verzoek om
goedkeuring of vaststelling van een tarief door een orgaan voor
gezondheidszorg of een ziektekostenverzekeraar wordt gelijkgesteld met
een ingevolge deze wet gedane aanvraag tot vaststelling van een
tarief.
4.Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op
een prestatiebeschrijving van een vorm van zorg waarvoor een tarief in
rekening wordt gebracht.
5.Een ingevolge de Wet tarieven gezondheidszorg goedgekeurde
beleidsregel wordt gelijkgesteld met een ingevolge deze wet
vastgestelde beleidsregel.
6.Een ingevolge de Wet tarieven gezondheidszorg door het College
tarieven gezondheidszorg vastgestelde regel wordt gelijkgesteld met
een ingevolge deze wet door de zorgautoriteit vastgestelde regel.
7.Een ingevolge de Wet tarieven gezondheidszorg goedgekeurde
beleidsregel inhoudende aan wie, door wie en op welke wijze en met
inachtneming van welke voorwaarden, voorschriften of beperkingen een
tarief in rekening wordt gebracht, wordt gelijkgesteld met een
ingevolge deze wet door de zorgautoriteit vastgestelde regel als
bedoeld in artikel 37.
8.Een beleidsregel als bedoeld in artikel 13 van de Wet tarieven
gezondheidszorg zoals die wet luidde onmiddellijk voor het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet wordt gelijkgesteld met een
aanwijzing als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c.
Artikel 124
1.Het College tarieven gezondheidszorg, genoemd in artikel 18 van
de Wet tarieven gezondheidszorg, en het College van toezicht op de
zorgverzekeringen, genoemd in artikel 77, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet, zoals die wetten luidden onmiddellijk voor het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, vormen gezamenlijk één
rechtspersoon, en wel de zorgautoriteit. Besluiten van het College
tarieven gezondheidszorg of het College van toezicht op de
zorgverzekeringen worden na inwerkingtreding van deze wet aangemerkt
als besluiten van de zorgautoriteit.
2.De vaststelling door de zorgautoriteit van een bestuursreglement
als bedoeld in artikel 5 onderscheidenlijk een «werkprogramma» en
een «begroting» als bedoeld in artikel 11, vindt plaats zo spoedig
mogelijk onderscheidenlijk vindt voor het eerst plaats ten aanzien van
het kalenderjaar na dat waarin deze wet in het Staatsblad is
geplaatst.
3.Onze Minister stelt voor de zorgautoriteit een voorlopig
bestuursreglement vast. Het voorlopig reglement geldt totdat het
bestuursreglement van de zorgautoriteit de goedkeuring van Onze
Minister heeft verkregen.
4.Voor zover het eerste tot en met derde lid daarin niet voorzien,
stelt Onze Minister regels met betrekking tot de gevolgen van de
inwerkingtreding van deze wet. Deze regels gelden tot en met 31
december van het kalenderjaar na dat waarin zij in werking zijn
getreden. Van het vaststellen van deze regels wordt kennis gegeven aan
de beide kamers der Staten-Generaal.
5.Voorzover de regels, bedoeld in het vierde lid betrekking hebben
op onderwerpen waarover de zorgautoriteit regels kan stellen, gelden
zij tot inwerkingtreding van die regels van de zorgautoriteit.
6.In afwijking van artikel 6 van deze wet zijn de regels voor
ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries gedurende een periode
van vier jaren, te rekenen vanaf de datum waarop de Invoerings- en
aanpassingswet Zorgverzekeringswet in werking is getreden, niet van
toepassing op de rechtspositie van het personeel van de
zorgautoriteit. Gedurende die periode wordt de rechtspositie van dat
personeel geregeld door de zorgautoriteit.
7.Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn de
personeelsleden van het College tarieven gezondheidszorg en het
College van toezicht op de zorgverzekeringen in dienst van de
zorgautoriteit aangesteld. Daarbij worden hun arbeidsvoorwaarden als
geheel zoveel mogelijk op een gelijk niveau gesteld met de
arbeidsvoorwaarden die verbonden waren aan hun dienstbetrekking bij
het College tarieven gezondheidszorg, onderscheidenlijk het College
van toezicht op de zorgverzekeringen. Bij ministeriėle regeling
kunnen regels worden gesteld omtrent het in dit lid bepaalde.
Artikel 125
[Wijzigt de Mededingingswet]
Artikel 126
[Wijzigt deze wet]
Artikel 127
1.Onze Minister zendt voor 1 januari 2009 een verslag aan de
Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet
in de praktijk. Hierin wordt in ieder geval aandacht besteed aan:
a. de manier waarop de beslissingen van de zorgautoriteit
hebben bijgedragen aan het bereiken van de doelstelling van de
wet;
b. het vaststellen van de aanmerkelijke marktmacht;
c. de mate waarin de wet heeft bijgedragen aan het terugdringen
van de bureaucratie;
d. de effectiviteit en wenselijkheid van tariefsregulering;
e. de taken die betrekking hebben op het mededingingsrecht.
2.Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van
deze wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren
van de zorgautoriteit. De zorgautoriteit is gehouden aan deze
evaluatie medewerking te verlenen.
Artikel 128
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 129
Deze wet wordt aangehaald als: Wet marktordening gezondheidszorg.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te s-Gravenhage, 7 juli 2006
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de eenentwintigste september 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|