Nader regelgeving:
- Meeteenhedenbesluit 2006
- Meetinstrumentenbesluit I
- Meetinstrumentenbesluit II
- Regeling gebruik en installatie
EU-meetinstrumenten'
WET van 2 februari 2006, houdende regels
omtrent meeteenheden en omtrent het in de handel brengen en het gebruik
van meetinstrumenten (Metrologiewet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de regels met betrekking tot meeteenheden en het in de
handel brengen en het gebruik van meetinstrumenten op een aan de eisen
van deze tijd aangepaste en overzichtelijke wijze vast te stellen,
daarbij onder meer rekening houdend met de implementatie van
EG-regelgeving op het terrein van de metrologie en in het bijzonder van
richtlijn 2004/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van
31 maart 2004 betreffende meetinstrumenten (PbEU L 135);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;
b. EG-besluit: bindend besluit van de Raad van de Europese Unie,
van het Europese Parlement en de Raad gezamenlijk of van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen;
c. meetinstrument: apparaat of systeem met een meetfunctie;
d. onderdeel: apparaat dat onafhankelijk functioneert en dat
samen met andere compatibele onderdelen of een compatibel
meetinstrument, een meetinstrument vormt;
e. geregelde meettaak: meettaak ten behoeve van een specifieke
toepassing, bedoeld in artikel 5, eerste lid;
f. geregeld meetinstrument: meetinstrument bestemd voor een
geregelde meettaak ten aanzien waarvan krachtens artikel 5, eerste
lid, regels zijn gesteld;
g. overeenstemmingsbeoordeling: beoordeling van de
overeenstemming van een meetinstrument of van een onderdeel, met de
gestelde eisen;
h. in de handel brengen: voor het eerst al dan niet tegen
betaling beschikbaar stellen van een voor een eindgebruiker bestemd
meetinstrument;
i. in gebruik nemen: eerste gebruik van een voor een
eindgebruiker bestemd meetinstrument voor het doel waarvoor het was
bestemd;
j. aangewezen instantie: ingevolge artikel 12 aangewezen
instantie;
k. toezichthoudende instantie: op grond van artikel 27, eerste
lid, aangewezen rechtspersoon.
Hoofdstuk 2. Meeteenheden en standaarden
Artikel 2
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor grootheden
meeteenheden worden vastgesteld en kunnen tevens regels worden gesteld
betreffende:
a. het symbool, de aanduiding, de omschrijving en het gebruik van
een meeteenheid;
b. de benaming en de meetstandaard van een grootheid.
Artikel 3
1.Indien krachtens artikel 2 een nationale meetstandaard van een
grootheid wordt verwezenlijkt of beheerd, wijst Onze Minister één in
Nederland gevestigde instelling aan die tot taak heeft zorg te dragen
voor het verwezenlijken en beheren van die nationale meetstandaard.
2.Voor een aanwijzing komt in aanmerking een instelling die
a. wat betreft organisatie, personeel en materieel zodanig is
ingericht dat de verwezenlijking of het beheer van de nationale
meetstandaard van de betrokken grootheid kan worden verricht met
inachtneming van hetgeen terzake door de bevoegde organen van het
op 20 mei 1875 te Parijs gesloten verdrag ter verzekering van de
internationale eenheid en de volmaking van het metrieke stelsel
(Stb. 1929, 219) in het kader van dat verdrag is bepaald of in
overeenstemming met het terzake bepaalde in een EG-besluit en
b. de in het eerste lid bedoelde taak onafhankelijk kan
vervullen.
3.De aanwijzing kan worden ingetrokken indien:
a. de betrokken instelling daarom verzoekt;
b. blijkt dat de instelling de op grond van deze wet gestelde
regels ten aanzien van de meetstandaard niet naleeft;
c. de instelling niet meer voldoet aan de in het tweede lid
bedoelde eisen;
d. de instelling niet voldoet aan andere uit deze wet
voortvloeiende verplichtingen.
4.Een op grond van het eerste lid aangewezen instelling herleidt de
meetstandaarden van aangewezen instanties en toezichthouders op hun
verzoek naar de nationale meetstandaard van de betrokken grootheid.
5.Onze Minister kan een instelling aanwijzingen geven met
betrekking tot de uitoefening van haar taak.
Artikel 4
1.Er is een Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden
die tot taak heeft:
a. toezicht uit te oefenen op de verwezenlijking en het beheer
van nationale meetstandaarden en omtrent dat toezicht jaarlijks
verslag uit te brengen aan Onze Minister en hem overigens van raad
te dienen;
b. advies uit te brengen over aangelegenheden in verband met de
meetstandaarden van grootheden.
2.De raad wordt door Onze Minister in de gelegenheid gesteld zijn
zienswijze te geven over het voornemen tot een aanwijzing of tot een
intrekking van een aanwijzing op grond van artikel 3.
3.De raad bestaat uit ten hoogste negen leden.
Hoofdstuk 3. Meetinstrumenten
Artikel 5
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen uit hoofde
van openbaar belang, volksgezondheid, openbare veiligheid, openbare
orde, milieubescherming en consumentenbescherming of ten behoeve van
eerlijke handel, van heffing van belastingen of van andere heffingen,
regels worden gesteld omtrent meetinstrumenten met een meettaak ten
behoeve van een specifieke toepassing, onder meer betreffende:
a. de eisen waaraan een meetinstrument, dan wel een onderdeel
van een meetinstrument, moet voldoen;
b. de omstandigheden waaronder een meetinstrument wordt
gebruikt;
c. de aanwijzing van normen die overeenkomen met
geharmoniseerde Europese normen voor een meetinstrument of met
normatieve documenten en lijsten waarvan de referenties binnen de
Europese Unie op de daarvoor geldende wijze zijn bekendgemaakt;
d. de merktekens waaruit blijkt dat een meetinstrument voldoet
aan de gestelde eisen, alsmede andere merktekens en opschriften.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de overeenstemmingsbeoordelingen van
meetinstrumenten, alsmede omtrent het aanbrengen van de merktekens en
opschriften en de aanwijzing van degenen die daartoe bevoegd zijn.
3.In de in het eerste en tweede lid bedoelde regels kan onderscheid
worden gemaakt tussen het in de handel brengen, in gebruik nemen,
verhandelen en het gebruik van meetinstrumenten.
Artikel 6
1.Een geregeld meetinstrument ondergaat een voor dat meetinstrument
op grond van artikel 5 voorgeschreven overeenstemmingsbeoordeling
voordat het in de handel wordt gebracht of in gebruik wordt genomen.
2.Met meetinstrumenten die een in het eerste lid bedoelde
overeenstemmingsbeoordeling hebben ondergaan, worden gelijkgesteld
meetinstrumenten die in een andere lidstaat van de Europese Unie dan
wel in een staat niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die
partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag
dat Nederland bindt, rechtmatig zijn geproduceerd of in de handel zijn
gebracht en die door een gelijkwaardige, door die staat erkende
instantie op hun overeenstemming met de gestelde eisen zijn
beoordeeld, mits bij die beoordeling aan gelijkwaardige eisen is
voldaan.
Artikel 7
Een in gebruik genomen geregeld meetinstrument ondergaat een op grond
van artikel 5 voor dat meetinstrument voorgeschreven
overeenstemmingsbeoordeling:
a. voordat het meetinstrument weer wordt gebruikt na een
reparatie of een verandering die van invloed kan zijn op de
meetfunctie;
b. na schending van de merktekens;
c. op verzoek van de eigenaar of de gebruiker.
Artikel 8
Een meetinstrument dat bij de overeenstemmingsbeoordeling voldoet aan
de aan dat meetinstrument gestelde eisen, wordt overeenkomstig de
krachtens artikel 5 gestelde regels voorzien van de voor dat
meetinstrument vastgestelde merktekens en opschriften.
Artikel 9
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien
van het in de handel brengen, verhandelen of in gebruik nemen van andere
meetinstrumenten dan geregelde meetinstrumenten, in verband met de
uitvoering van een EG-besluit, regels als bedoeld in artikel 5, eerste
lid, onderdelen a tot en met d, en tweede lid, worden vastgesteld.
Hoofdstuk 4. Toetsende instanties bij overeenstemmingsbeoordelingen
Paragraaf 1. Aangewezen instanties en erkenningen
Artikel 10
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de eisen
vastgesteld waaraan instanties moeten voldoen die een toetsende taak in
het kader van een overeenstemmingsbeoordeling uitvoeren.
Artikel 11
1.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een aangewezen
instantie volgens bij die regeling vastgestelde regels een natuurlijke
persoon of een rechtspersoon een erkenning kan verlenen om bepaalde
werkzaamheden uit te voeren in het kader van een
overeenstemmingsbeoordeling van in gebruik genomen meetinstrumenten.
2.In de in het eerste lid bedoelde regels wordt bepaald op welke
wijze bekendheid wordt gegeven aan een verleende of ingetrokken
erkenning.
Artikel 12
1. Onze Minister wijst de instanties aan die bevoegd zijn tot het
uitvoeren van een toetsende taak in het kader van een
overeenstemmingsbeoordeling van een meetinstrument. Hij kan daarbij
bepalen dat de instantie een bevoegdheid heeft een erkenning als
bedoeld in artikel 11, eerste lid, te verlenen.
2. Voor aanwijzing komt in aanmerking een instantie die een daartoe
strekkende aanvraag doet en die voldoet aan de krachtens artikel 10
gestelde eisen.
3. Aan een aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden.
4. Indien door de Commissie van de Europese Gemeenschappen een
kenmerk of identificatienummer voor de aangewezen instantie is
vastgesteld, wordt dit opgenomen in de aanwijzing. Voorts kan in de
aanwijzing een vastgesteld nationaal kenmerk of identificatienummer
voor de aangewezen instantie worden opgenomen.
5. Onze Minister trekt een aanwijzing in indien:
a. de aangewezen instantie daarom verzoekt;
b. de aangewezen instantie niet langer voldoet aan de krachtens
artikel 10 gestelde eisen;
c. de aangewezen instantie de haar op grond van deze wet
toegekende taken verwaarloost.
Artikel 13
1.Onze Minister doet van de aanwijzing van een instantie mededeling
in de Staatscourant onder vermelding van de procedures van
overeenstemmingsbeoordeling, het meetinstrument waarvoor de
bevoegdheid is verleend en in voorkomend geval van de bevoegdheid een
erkenning als bedoeld in artikel 11, eerste lid, te verlenen.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de intrekking
van een aanwijzing.
Artikel 14
Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de
taakuitoefening en de werkwijze van aangewezen instanties en van
personen aan wie een erkenning als bedoeld in artikel 11 is verleend.
Artikel 15
Onze Minister kan ook na de aanwijzing van een instantie
voorschriften verbinden aan de aanwijzing of de daaraan verbonden
voorschriften wijzigen, indien dat als gevolg van een EG-besluit of de
technische ontwikkeling noodzakelijk is.
Artikel 16
1.Een aangewezen instantie verstrekt Onze Minister alle informatie
die hij nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Onze Minister
kan inzage vorderen van de zakelijke gegevens en bescheiden voor zover
dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
2.Een aangewezen instantie is verplicht Onze Minister of een door
hem daartoe aangezochte deskundige of instelling gelegenheid te geven,
na te gaan of de aangewezen instantie voldoet aan de gestelde eisen en
voorschriften.
Artikel 17
Met een aangewezen instantie als bedoeld in artikel 12 wordt
gelijkgesteld een door een andere lidstaat van de Europese Unie of een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese
Economische Ruimte bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen
aangemelde instantie die bevoegd is tot het uitvoeren van toetsende
werkzaamheden in het kader van dezelfde procedures van
overeenstemmingsbeoordeling van het desbetreffende meetinstrument.
Paragraaf 2. Aanwijzing ingevolge wederzijdse erkenningsovereenkomst
Artikel 18
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent het aanwijzen van instanties in verband met de
uitvoering van een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en een
derde land betreffende de wederzijdse erkenning van
overeenstemmingsbeoordelingen van meetinstrumenten.
2.De in het eerste lid bedoelde regels kunnen onder meer betreffen:
a. de eisen waaraan instanties voor aanwijzing moeten voldoen;
b. de gronden voor schorsing of intrekking van een aanwijzing;
c. de door instanties te hanteren tarieven;
d. het toezicht op de instanties;
e. de vergoeding van kosten van aanwijzing en toezicht.
Paragraaf 3. Tarieven en jaarverslag
Artikel 19
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake de
vergoeding door de aangewezen instantie van de kosten voor de
werkzaamheden voortvloeiende uit de toepassing van de artikelen 12 en
16, tweede lid.
Artikel 20
1. Onze Minister kan tarieven vaststellen die de aangewezen
instanties ten hoogste mogen berekenen voor de door hen verrichte
werkzaamheden in het kader van de overeenstemmingsbeoordeling van een
meetinstrument. Daarbij kunnen voor verschillende werkzaamheden
verschillende tarieven worden vastgesteld.
2. Onze Minister kan tarieven vaststellen die de aangewezen
instanties ten hoogste mogen berekenen voor hun werkzaamheden in
verband met het verlenen van een erkenning als bedoeld in artikel 11.
Artikel 21
1.Een aangewezen instantie zendt jaarlijks voor 1 juni een verslag
van de werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar aan Onze Minister.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan
het verslag.
Hoofdstuk 5. Verboden
Paragraaf 1. Verboden
Artikel 22
1. Het is verboden:
a. een grootheid uit te drukken in een andere meeteenheid dan
de meeteenheid die krachtens artikel 2 voor die grootheid is
vastgesteld;
b. voor een grootheid een benaming te bezigen in strijd met de
krachtens artikel 2 gestelde regels.
2. Bij ministeriële regeling kunnen gevallen of omstandigheden
worden bepaald waarin het in het eerste lid bedoelde verbod niet
geldt.
Artikel 23
1.Het is verboden een geregeld meetinstrument in de handel te
brengen, in gebruik te nemen of voordat het in gebruik is genomen
verder te verhandelen, indien het niet overeenstemt met de eisen die
terzake aan dat instrument krachtens artikel 5, eerste lid, onderdeel
a, zijn gesteld.
2.Het is verboden een geregeld meetinstrument in de handel te
brengen, in gebruik te nemen of voordat het in gebruik is genomen,
verder te verhandelen indien dat niet is voorzien van de merktekens
waaruit de overeenstemming met de aan dat instrument krachtens artikel
5, eerste lid, onderdeel a, terzake gestelde eisen blijkt.
3.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat in daarbij
aangegeven gevallen of omstandigheden een vrijstelling geldt van het
in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid, opgenomen verbod.
4.Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
onderscheidenlijk, het tweede lid, opgenomen verbod.
5.Een vrijstelling of ontheffing kan onder beperkingen worden
verleend. Aan een vrijstelling of een ontheffing kunnen voorschriften
worden verbonden.
6.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake de
vergoeding van de kosten voor de behandeling van een aanvraag om
ontheffing, alsmede omtrent de wijze van betaling.
Artikel 24
1.Het is verboden een meetinstrument te gebruiken, te bezitten of
voorhanden te hebben voor een geregelde meettaak indien dat
meetinstrument:
a. niet een geregeld meetinstrument is dat overeenstemt met de
eisen die terzake krachtens artikel 5, eerste lid, onderdeel a,
aan dat meetinstrument zijn gesteld of
b. niet is voorzien van de vereiste merktekens.
2.Het is verboden een meetinstrument te gebruiken voor een
geregelde meettaak indien dat meetinstrument
a. is voorzien van een afkeurmerkteken als bedoeld in artikel
34 of
b. ingevolge artikel 7, onderdelen a of b, een
overeenstemmingsbeoordeling moet ondergaan.
3.Het is verboden anders dan overeenkomstig de krachtens artikel 5,
eerste lid, onderdeel b, gestelde regels gebruik te maken van een
geregeld meetinstrument voor de geregelde meettaak waarvoor het is
bestemd.
4.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat voor een
meetinstrument, al dan niet in daarbij aangegeven gevallen of
omstandigheden, zonodig onder beperkingen, een vrijstelling geldt of
een ontheffing kan worden verleend van het in het eerste, tweede, of
derde lid, opgenomen verbod. Aan een vrijstelling of een ontheffing
kunnen voorschriften worden verbonden.
5.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake de
vergoeding van de kosten voor de behandeling van een aanvraag om
ontheffing, alsmede omtrent de wijze van betaling.
Artikel 25
1.Het is verboden een meetinstrument van een merkteken te voorzien
in strijd met artikel 8 en de krachtens artikel 5, eerste en tweede
lid, of, in voorkomend geval krachtens artikel 9, ten aanzien van dat
instrument gestelde regels.
2.Het is verboden een meetinstrument te voorzien van een merkteken
of opschrift dat kan leiden tot verwarring met krachtens de artikelen
5, eerste lid, onderdeel d, of 9 voorgeschreven merktekens en
opschriften.
Artikel 26
De in artikel 9 bedoelde regels kunnen een verbod inhouden om
meetinstrumenten die niet aan de daarin gestelde eisen voldoen, in de
handel te brengen, in gebruik te nemen of te verhandelen.
Hoofdstuk 6. Toezicht en maatregelen
Paragraaf 1. Toezichthoudende instantie
Artikel 27
1. Onze Minister wijst een in Nederland gevestigde rechtspersoon
aan die tot taak heeft zorg te dragen voor de uitoefening van het
toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 5
en artikel 39. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van
toepassing, met uitzondering van artikel 22 van die wet.
2. De aan te wijzen rechtspersoon voldoet aan de volgende eisen:
a. hij is wat betreft organisatie, personeel en materieel in
staat de in het eerste lid bedoelde taak naar behoren te
vervullen;
b. hij beschikt over standaarden die herleidbaar zijn naar
nationale meetstandaarden van grootheden of naar andere
meetstandaarden van grootheden die worden beheerd of verwezenlijkt
met inachtneming van hetgeen terzake door de bevoegde organen van
het in artikel 3, tweede lid, bedoelde verdrag in het kader van
dat verdrag is bepaald;
c. hij is niet een aangewezen instantie als bedoeld in artikel
12;
d. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige
besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke
vervulling van de taak, alsmede naleving van de in deze wet
neergelegde verplichtingen, is gewaarborgd.
3. Wijziging van de statuten van de rechtspersoon behoeft de
goedkeuring van Onze Minister. Onze Minister onthoudt zijn goedkeuring
indien de statuten na de wijziging onvoldoende zouden zijn afgestemd
op het uitoefenen van het toezicht en op de in het tweede lid gestelde
eisen. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Een aanwijzing kan worden ingetrokken indien:
a. de rechtspersoon daarom verzoekt;
b. de rechtspersoon zijn taak niet naar behoren uitoefent of
zijn verplichtingen op grond van deze wet niet naleeft;
c. de rechtspersoon niet meer voldoet aan de in het tweede lid
opgenomen eisen.
5. Van een beschikking tot aanwijzing of tot intrekking van een
aanwijzing wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 28
1. Onze Minister kan, in voorkomend geval na overleg met Onze
Minister wie het mede aangaat, ten aanzien van een meetinstrument of
ten behoeve van een meettaak in plaats van de in artikel 27 bedoelde
rechtspersoon een andere instelling belasten met de zorg voor een of
meer onderdelen van het toezicht, bedoeld in artikel 27, eerste lid.
2. De artikelen 29 tot en met 34, 35, eerste lid, en 36 zijn van
overeenkomstige toepassing.
3. Een instelling als bedoeld in het eerste lid verstrekt
desgevraagd aan Onze Minister alle voor de uitoefening van diens taak
benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van alle
zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van
zijn taak redelijkerwijs nodig is.
4. Onze Minister oefent zijn bevoegdheden ten aanzien van de
instelling, bedoeld in het eerste lid, uit na overleg met Onze
Minister onder wiens verantwoordelijkheid de instelling ressorteert.
Artikel 29
1.De toezichthoudende instantie wijst werknemers aan die zijn
belast met het toezicht, bedoeld in artikel 27, eerste lid.
2.Een besluit tot aanwijzing van werknemers als bedoeld in het
eerste lid wordt door de aangewezen rechtspersoon aan Onze Minister
medegedeeld en in de Staatscourant geplaatst.
Artikel 30
1.De op grond van artikel 29, eerste lid, aangewezen werknemers
oefenen zonodig de in artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht
genoemde bevoegdheid uit met behulp van de sterke arm.
2.De op grond van artikel 29, eerste lid, aangewezen werknemers
mogen bij het toezicht in hun oordeel betrekken de bevindingen van
personen, die in de uitoefening van een beroep of bedrijf
meetinstrumenten controleren of onderhouden, indien de
toezichthoudende instantie zich er van heeft verzekerd dat die
personen over de vereiste deskundigheid beschikken en de
onafhankelijkheid van het toezicht niet in het geding is.
Artikel 31
Onze Minister kan, indien een EG-besluit daartoe noodzaakt, de
toezichthoudende instantie opdragen gebruik te maken van haar
bevoegdheden om de naleving van deze wet af te dwingen.
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 33
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de
gegevensverstrekking door de toezichthoudende instantie aan aangewezen
instanties en aan de instanties die in andere lidstaten van de Europese
Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de
Europese Economische Ruimte belast zijn met het toezicht op de naleving
van regels op het terrein van de metrologie die voortvloeien uit een
EG-besluit.
Paragraaf 2. Maatregelen
Artikel 34
1.De op grond van artikel 29 aangewezen werknemers van de
toezichthoudende instantie zijn bevoegd geregelde meetinstrumenten die
bij het onderzoek bedoeld in artikel 5:18 van de Algemene wet
bestuursrecht, niet aan de krachtens artikel 5, eerste lid, gestelde
eisen voldoen, te voorzien van een afkeurmerkteken.
2.Het model van het in het eerste lid bedoelde afkeurmerkteken
wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
Artikel 35
1. De toezichthoudende instantie is bevoegd tot oplegging van een
last onder bestuursdwang ter handhaving van de artikelen 22 tot en met
25 en de krachtens artikel 26 gestelde regels.
2. De te betalen geldsom van een verbeurde dwangsom komt toe aan de
Staat.
Artikel 36
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ten aanzien van te nemen maatregelen en te volgen
procedures ingeval sprake is van overtreding van de artikelen 23 of 24
of van een krachtens artikel 26 vastgesteld verbod bij alle of een
deel van de meetinstrumenten van een specifiek model, waarvoor
ingevolge een EG-besluit regels krachtens artikel 5 of artikel 9 zijn
gesteld.
2.De toezichthoudende instantie stelt Onze Minister onverwijld in
kennis van overtredingen als bedoeld in het eerste lid. Zij vermeldt
daarbij tevens welke maatregelen zij heeft genomen of voornemens is te
nemen ter voorkoming van verdere overtredingen.
Hoofdstuk 7. Rechtsbescherming
Artikel 37
Beslissingen van een aangewezen instantie of van een natuurlijke
persoon of een rechtspersoon aan wie op grond van artikel 11 een
erkenning is verleend, bij de uitvoering van toetsende werkzaamheden in
het kader van een overeenstemmingsbeoordeling van een meetinstrument,
die als gevolg of als strekking hebben dat het instrument niet voldoet
aan de gestelde eisen, worden aan de betrokkenen schriftelijk en onder
opgave van redenen medegedeeld.
Artikel 38
Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een
belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
Hoofdstuk 8. Overige bepalingen
Artikel 39
Indien krachtens artikel 5 regels zijn gesteld ten aanzien van een
onderdeel van een meetinstrument, zijn de hoofdstukken 3, 4, 5 en 6 van
overeenkomstige toepassing op dat onderdeel.
Artikel 40
1. Onze Minister zendt elke vier jaar aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid van het functioneren van de
aangewezen instanties en in voorkomend geval van een krachtens artikel
28 aangewezen instelling.
2. In afwijking van artikel 39, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, zendt Onze Minister elke vier jaar een
verslag aan de beide kamers der Staten-Generaal ten behoeve van de
beoordeling van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het
functioneren van de toezichthoudende instantie.
Hoofdstuk 9. Wijziging andere wetten
Artikel 41
[Wijzigt de Wet op de economische delicten.]
Artikel 42
[Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994.]
Artikel 43
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.]
Artikel 44
De IJkwet wordt ingetrokken.
Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 1. Overgangsbepalingen
Artikel 45
1.In afwijking van artikel 23 mogen geregelde meetinstrumenten
waarop richtlijn 2004/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van
31 maart 2004 betreffende meetinstrumenten van toepassing is, in de
handel worden gebracht, in gebruik worden genomen of voor
ingebruikneming verder worden verhandeld, indien uiterlijk 29 oktober
2006 overeenkomstig artikel 11a van de IJkwet een model van die
instrumenten is toegelaten en zij voldoen aan de regels die op die
datum bij of krachtens de IJkwet ten behoeve van het in de handel
brengen of in gebruik nemen van toepassing waren op die instrumenten.
2.Het eerste lid is van toepassing tot de datum waarop de
geldigheidsduur van de op grond van artikel 11a van de IJkwet
afgegeven verklaring inzake de toelating van het model van het
meetinstrument is verstreken, dan wel bij gebreke daaraan, tot 1
november 2016 of een door Onze Minister te bepalen eerdere datum.
3.Indien voor een meetinstrument als bedoeld in het eerste lid op
grond van artikel 21b van de IJkwet een vrijstelling of ontheffing is
verleend, blijft deze vrijstelling of ontheffing geldig tot 1 november
2016.
Artikel 46
1.In afwijking van artikel 23 mogen andere geregelde
meetinstrumenten dan bedoeld in artikel 45 in de handel worden
gebracht, in gebruik worden genomen of voor ingebruikneming verder
worden verhandeld indien uiterlijk 29 oktober 2006 overeenkomstig
artikel 11a van de IJkwet een model van die instrumenten is toegelaten
en zij voldoen aan de regels die op die datum bij of krachtens de
IJkwet ten behoeve van het in de handel brengen of in gebruik nemen
van toepassing waren op die instrumenten.
2.Indien voor een ander geregeld meetinstrument dan bedoeld in
artikel 45, eerste lid, regels worden gesteld, worden daarbij de
verkregen rechten uit een op grond van artikel 21b of 21c, van de
IJkwet verleende ontheffing voor het desbetreffende meetinstrument die
onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 44 geldig
was, geëerbiedigd.
Artikel 47
1.Indien krachtens artikel 5 regels gelden inzake het gebruik van
een meetinstrument wordt bij de toepassing van artikel 24, eerste lid,
onderdelen a en b, een voor de desbetreffende meettaak bestemd
meetinstrument, dat onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding
van artikel 44 voldeed aan de bij of krachtens de IJkwet gestelde
regels betreffende het gebruik, beschouwd als een geregeld
meetinstrument dat voldoet aan de krachtens artikel 5 gestelde regels.
2.Het eerste lid geldt tenzij bij een overeenstemmingsbeoordeling
op grond van artikel 7 of anderszins blijkt dat het instrument niet
aan de bij of krachtens de IJkwet gestelde regels voldoet.
3.Bij ministeriële regeling kan voor een meetinstrument worden
bepaald dat het eerste lid na een daarbij te bepalen termijn niet meer
geldt.
Artikel 48
1.Bij de toepassing van de artikelen 45, 46 en 47 worden de in
artikel 22, eerste lid, onderdeel a, van de IJkwet bedoelde taken en
bevoegdheden van de ijkinstelling uitgevoerd door een aangewezen
instantie als bedoeld in artikel 12, die bevoegd is tot het verrichten
van toetsende werkzaamheden ten aanzien van het desbetreffende
meetinstrument, tenzij krachtens artikel 51 anders is bepaald.
2.De op grond van artikel 27 aangewezen rechtspersoon draagt zorg
voor het toezicht op de naleving van de artikelen 45, 46 en 47.
Artikel 49
1.Een erkenning als bedoeld in artikel 26 van de IJkwet van een
bevoegdheid tot het verrichten van werkzaamheden met betrekking tot
een meetinstrument blijft geldig tot uiterlijk een jaar na
inwerkingtreding van artikel 44.
2.De artikelen 26c tot en met 26g van de IJkwet en de daaruit
voortvloeiende voorschriften en beperkingen blijven gedurende de
periode bedoeld in het eerste lid van toepassing en Onze Minister
wijst één aangewezen instantie aan die de in die artikelen bedoelde
taken en bevoegdheden van de ijkinstelling uitoefent.
3.De ijkbevoegde, die beschikt over een erkenning als bedoeld in
artikel 26 van de IJkwet is gedurende de in het eerste lid bedoelde
periode bevoegd de werkzaamheden die ingevolge de IJkwet tot zijn
bevoegdheid behoorden, ten aanzien van de in artikel 45, eerste lid,
bedoelde meetinstrumenten voordat deze in de handel worden gebracht of
in gebruik worden genomen, slechts uit te oefenen voorzover deze
volgens de regels en voorschriften van de IJkwet worden beoordeeld.
4.De in het derde lid bedoelde ijkbevoegde die beschikt over een
krachtens artikel 11 verleende erkenning, is bevoegd:
a. de in het derde lid bedoelde werkzaamheden tot 1 november
2016 te verrichten;
b. de werkzaamheden die ingevolge de IJkwet tot zijn
bevoegdheid behoorden ten aanzien van de in artikel 47 bedoelde
meetinstrumenten te verrichten.
5.De rechtspersoon die op grond van artikel 22 van de IJkwet was
aangewezen als ijkinstelling draagt ten behoeve van de uitvoering van
dit artikel of op verzoek van de ijkbevoegde, de archiefbescheiden
inzake een erkenning op grond van artikel 26 van de IJkwet over aan de
aangewezen instantie, bedoeld in het tweede lid, of aan de aangewezen
instantie bij wie degene die over de erkenning beschikte een aanvraag
tot erkenning als bedoeld in artikel 11 doet.
Artikel 50
1.Op aanvragen om een toelating van een model als bedoeld in
artikel 11a, van de IJkwet, verzoeken om ontheffing als bedoeld in de
artikelen 21b en 21c van die wet en aanvragen om erkenning van
ijkbevoegdheid als bedoeld in artikel 26 van die wet, waarop nog geen
besluit is genomen op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel
44, wordt beslist met toepassing van het recht zoals dat gold
onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip.
2.Ten aanzien van bezwaarschriftprocedures, beroepsprocedures en
andere gerechtelijke procedures waarin op het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 44 nog geen definitief bindende
beslissing is genomen, blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk
voorafgaand aan dat tijdstip van toepassing.
3.De op grond van artikel 22 van de IJkwet aangewezen rechtspersoon
blijft voor de toepassing van dit artikel fungeren als ijkinstelling.
Artikel 51
Indien een of meer van de artikelen 1 tot en met 42 eerder in werking
treden dan artikel 44, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur regels worden gesteld met het oog op de afstemming van uit de
IJkwet en uit deze wet voortvloeiende taken, rechten en verplichtingen.
Paragraaf 2. Slotbepalingen
Artikel 52
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 53
Deze wet wordt aangehaald als: Metrologiewet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 2 februari 2006
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
L.J. Brinkhorst
Uitgegeven de zestiende maart 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|