Nadere regelgeving:
- Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie
en depositogarantie Wft
- Besluit boetes Wft
(vervallen)
- Besluit
bestuurlijke boetes financiële sector
- Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft
- Besluit marktmisbruik Wft
- Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft
- Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft
- Besluit prudentiële regels Wft
- Besluit reikwijdtebepalingen Wft
- Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van
terrorisme
- Vrijstellingsregeling Wft
WET van 28 september 2006, houdende
regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop
(Wet op het financieel toezicht)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de
hervorming van het toezicht op de financiële markten naar een
functioneel ingericht toezicht, herziening van de wetgeving met
betrekking tot dat toezicht noodzakelijk maakt;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1.1. Inleidende bepalingen
Afdeling 1.1.1. Definities
Artikel 1:1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voorzover niet
anders is bepaald, verstaan onder:
aanbieden:
a. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf rechtstreeks of
middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als
wederpartij aangaan van een overeenkomst met een consument inzake een
financieel product dat geen financieel instrument of verzekering is of
het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aangaan, beheren of
uitvoeren van een dergelijke overeenkomst;
b. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf rechtstreeks of
middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als
wederpartij aangaan van een overeenkomst inzake een verzekering of het
in de uitoefening van een beroep of bedrijf aangaan, beheren of
uitvoeren van een dergelijke overeenkomst; of
c. het rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald
voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst inzake een
recht van deelneming in een beleggingsinstelling of het rechtstreeks of
middellijk vragen of verkrijgen van gelden of andere goederen van een
cliënt ter deelneming in een beleggingsinstelling;
aanbieder: degene die aanbiedt;
aangewezen staat: een staat die op grond van deze wet is aangewezen als
staat waar toezicht wordt uitgeoefend op beleggingsinstellingen,
clearinginstellingen onderscheidenlijk natura-uitvaartverzekeraars dat
in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze
wet beoogt te beschermen;
aanmeldingstermijn: de periode gedurende welke de effecten waarop een
openbaar bod betrekking heeft, kunnen worden aangemeld;
accountant: een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
adviseren:
a. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aanbevelen van een of
meer specifieke financiële producten, met uitzondering van
verzekeringen en financiële instrumenten, aan een bepaalde consument;
of
b. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aanbevelen van een of
meer specifieke verzekeringen of van een of meer specifieke financiële
instrumenten aan een bepaalde cliënt;
adviseur: degene die adviseert;
Autoriteit Financiële Markten: Stichting Autoriteit Financiële
Markten;
bank: degene die zijn bedrijf maakt van het buiten besloten kring ter
beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van anderen dan
professionele marktpartijen, en van het voor eigen rekening verrichten
van kredietuitzettingen;
beheerder: een rechtspersoon die het beheer voert over een of meer
beleggingsinstellingen;
beheren van een individueel vermogen: in de uitoefening van een beroep
of bedrijf, anders dan als beheerder, op discretionaire basis voeren van
het beheer over financiële instrumenten die toebehoren aan een persoon
dan wel over aan deze persoon toebehorende middelen ter belegging in
financiële instrumenten op grond van een door deze persoon gegeven
opdracht;
beleggerscompensatiestelsel: een stelsel omtrent een garantie voor
vorderingen van beleggers in verband met beleggingsverrichtingen op
banken, beleggingsondernemingen of financiële instellingen waaraan het
is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen, tegen het risico dat deze
financiële ondernemingen hun verplichtingen met betrekking tot die
vorderingen niet kunnen nakomen;
beleggingsfonds: een niet in een beleggingsmaatschappij ondergebracht
vermogen waarin ter collectieve belegging gevraagde of verkregen gelden
of andere goederen zijn of worden opgenomen teneinde de deelnemers in de
opbrengst van de beleggingen te doen delen;
beleggingsinstelling: beleggingsmaatschappij of beleggingsfonds;
beleggingsinstelling met zetel in een niet-aangewezen staat: een
beleggingsinstelling met zetel buiten Nederland in een staat die niet op
grond van artikel 2:66, eerste lid, is aangewezen als staat waar
toezicht wordt uitgeoefend op beleggingsinstellingen dat in voldoende
mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te
beschermen, niet zijnde een instelling voor collectieve belegging in
effecten;
beleggingsmaatschappij: een rechtspersoon die gelden of andere goederen
ter collectieve belegging vraagt of verkrijgt teneinde de deelnemers in
de opbrengst van de beleggingen te doen delen;
beleggingsobject:
a. een zaak, een recht op een zaak of een recht op het al dan niet
volledige rendement in geld of een gedeelte van de opbrengst van een
zaak, niet zijnde een product als bedoeld in de onderdelen b tot en met
h van de definitie van financieel product in dit artikel, welke anders
dan om niet wordt verkregen, bij welke verkrijging aan de verkrijger een
rendement in geld in het vooruitzicht wordt gesteld en waarbij het
beheer van de zaak hoofdzakelijk wordt uitgevoerd door een ander dan de
verkrijger; of
b. een ander bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen recht;
beleggingsonderneming: degene die een beleggingsdienst verleent of een
beleggingsactiviteit verricht;
beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling:
beleggingsonderneming die frequent op georganiseerde, regelmatige en
systematische wijze, voor eigen rekening en buiten een gereglementeerde
markt of een multilaterale handelsfaciliteit om transacties uitvoert
door orders van cliënten met betrekking tot aandelen uit te voeren;
bemiddelaar: degene die bemiddelt;
bemiddelen:
a. alle werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf
gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van een overeenkomst
inzake een ander financieel product dan een financieel instrument,
krediet of verzekering tussen een consument en een aanbieder;
b. alle werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf
gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van een overeenkomst
inzake krediet tussen een consument en een aanbieder of op het
assisteren bij het beheer en de uitvoering van een dergelijke
overeenkomst; of
c. alle werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf
gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van een verzekering
tussen een cliënt en een verzekeraar of op het assisteren bij het
beheer en de uitvoering van een verzekering;
besloten kring: een kring, bestaande uit personen of vennootschappen
waarvan een persoon of vennootschap opvorderbare gelden ter beschikking
verkrijgt,
a. die nauwkeurig is omschreven;
b. waarvan de toetredingscriteria vooraf zijn bepaald, toetsbaar zijn en
niet resulteren in het op eenvoudige wijze toetreden van niet tot de
kring behorende personen of vennootschappen; en
c. waarbinnen degenen die er deel van uitmaken in een op het tijdstip
van het verkrijgen van de opvorderbare gelden reeds bestaande
rechtsbetrekking staan tot de persoon of vennootschap die de gelden ter
beschikking verkrijgt, op grond waarvan zij redelijkerwijs op de hoogte
kunnen zijn van diens financiële toestand;
betaaldienst: bedrijfswerkzaamheid als bedoeld in de bijlage bij de
richtlijn betaaldiensten;
betaaldienstagent: persoon die bij de uitvoering van betaaldiensten voor
rekening van een betaalinstelling optreedt;
betaaldienstgebruiker: persoon die in de hoedanigheid van betaler,
betalingsbegunstigde of beide van een betaaldienst gebruik maakt;
betaaldienstverlener: degene die zijn bedrijf maakt van het verlenen van
betaaldiensten;
betaalinstelling: een betaaldienstverlener waaraan een vergunning als
bedoeld in artikel 2:3a is verleend;
betaalinstrument: gepersonaliseerd instrument of gepersonaliseerde
instrumenten of het geheel van procedures, overeengekomen tussen de
betaaldienstgebruiker en de betaaldienstverlener, waarvan de
betaaldienstgebruiker gebruik maakt om een betaalopdracht te initiëren;
betaalopdracht: door een betaler of betalingsbegunstigde aan zijn
betaaldienstverlener gegeven opdracht om een betalingstransactie uit te
voeren;
betaalrekening: op naam van een of meer betaaldienstgebruikers
aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties
wordt gebruikt;
betaler: persoon die houder is van een betaalrekening en een
betalingstransactie vanaf die betaalrekening toestaat, hetzij bij
ontbreken van een betaalrekening, een persoon die een betaalopdracht
geeft;
betalingsbegunstigde: persoon die de beoogde ontvanger is van de
geldmiddelen waarop een betalingstransactie betrekking heeft;
betalingssysteem: een geldovermakingssysteem met formele en
gestandaardiseerde regelingen en gemeenschappelijke regels voor de
verwerking, clearing of afwikkeling van betalingstransacties;
betalingstransactie: door de betaler of de betalingsbegunstigde
geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd,
overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen
tussen de betaler en de betalingsbegunstigde zijn;
bewaarder: een rechtspersoon die is belast met de bewaring van de activa
van een beleggingsinstelling;
bewindvoerder: de bewindvoerder, bedoeld in artikel 3:162, vierde lid,
of degene die is aangewezen door de bestuurlijke of rechterlijke
instanties in een andere lidstaat om saneringsmaatregelen uit te voeren;
bieder: een natuurlijk persoon, rechtspersoon of vennootschap, dan wel
enig naar buitenlands recht daarmee vergelijkbaar lichaam of
samenwerkingsverband, door wie of namens wie al dan niet tezamen met een
of meer andere natuurlijke personen, rechtspersonen, vennootschappen of
daarmee vergelijkbare lichamen of samenwerkingsverbanden een openbaar
bod wordt voorbereid of uitgebracht, dan wel is uitgebracht;
bijkantoor:
a. duurzaam in een andere staat dan de staat van de zetel aanwezig
onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid van een financiële onderneming
die geen verzekeraar, beleggingsonderneming of betaalinstelling is;
b. duurzame aanwezigheid van een verzekeraar, met uitzondering van de
zetel, beheerd door eigen personeel van de verzekeraar of door een
zelfstandig persoon die is gemachtigd duurzaam voor de verzekeraar op te
treden;
c. gezamenlijke duurzaam in een andere staat dan de staat van de zetel
aanwezige onderdelen zonder rechtspersoonlijkheid van een
beleggingsonderneming die beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten of
nevendiensten verlenen; of
d. gezamenlijke duurzaam in een andere staat dan de staat van de zetel
aanwezige onderdelen zonder rechtspersoonlijkheid van een
betaalinstelling;
centrale kredietinstelling: een bank die met betrekking tot een groep
banken tot welke groep die bank zelf ook behoort, het beleid mede
bepaalt;
clearinginstelling: degene die zijn bedrijf maakt van het sluiten van
overeenkomsten betreffende financiële instrumenten met een centrale
tegenpartij die optreedt als exclusieve wederpartij bij deze
overeenkomsten, waarvan de bedingen die de kern van de prestaties
aangeven overeenkomen met de bedingen die deel uitmaken van
overeenkomsten, gesloten door derden of door hemzelf in zijn
hoedanigheid van partij, op een handelsplatform en die in de
laatstbedoelde overeenkomsten de kern van de prestaties aangeven;
clearinginstelling met zetel in een niet-aangewezen staat: een
clearinginstelling met zetel in een staat buiten Nederland die niet op
grond van artikel 2:6, tweede lid, is aangewezen als staat waar toezicht
op clearinginstellingen wordt uitgeoefend dat in voldoende mate
waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te
beschermen;
communautaire co-assurantie: een directe schadeverzekering betreffende
grote risico’s, in co-assurantie gesloten, waarbij:
a. de schadeverzekeraar die als eerste schadeverzekeraar optreedt, zijn
verplichtingen uit hoofde van de schadeverzekering is aangegaan vanuit
een vestiging in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin ten minste
een van de overige co-assuradeuren zulks heeft gedaan; en
b. het risico in een lidstaat is gelegen;
consument: een niet in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep
handelende natuurlijke persoon aan wie een financiële onderneming een
financiële dienst verleent;
deelnemer: een aandeelhouder of een deelgerechtigde in een
beleggingsinstelling;
deposito: een tegoed dat wordt gevormd door op een rekening staande
gelden of dat tijdelijk uit normale banktransacties voortvloeit, en dat
een bank onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden
dient terug te betalen, alsmede schulden belichaamd in door een bank
uitgegeven op naam gestelde schuldbewijzen, met uitzondering van
obligaties die voldoen aan de voorwaarden van artikel 22, vierde lid,
van de richtlijn beleggingsinstellingen;
depositogarantiestelsel: een stelsel omtrent een garantie voor
vorderingen van depositohouders op banken tegen het risico dat deze
banken hun verplichtingen met betrekking tot die vorderingen niet kunnen
nakomen;
doelvennootschap: de instelling waarvan effecten zijn uitgegeven waarop
een openbaar bod is aangekondigd, wordt uitgebracht of dient te worden
uitgebracht;
duurzame drager: een hulpmiddel dat een persoon in staat stelt om aan
hem persoonlijk gerichte informatie op te slaan op een wijze die deze
informatie toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een
periode die is afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan dienen,
en die een ongewijzigde reproductie van de opgeslagen informatie
mogelijk maakt;
effect:
a. een verhandelbaar aandeel of een ander daarmee gelijk te stellen
verhandelbaar waardebewijs of recht niet zijnde een appartementsrecht;
b. een verhandelbare obligatie of een ander verhandelbaar
schuldinstrument; of
c. elk ander door een rechtspersoon, vennootschap of instelling
uitgegeven verhandelbaar waardebewijs waarmee een in onderdeel a of b
bedoeld effect door uitoefening van de daaraan verbonden rechten of door
conversie kan worden verworven of dat in geld wordt afgewikkeld;
effectief kredietvergoedingspercentage: de bij de uitvoering van een
overeenkomst inzake krediet overeenkomstig de betalingsregeling aan de
consument in rekening te brengen kredietvergoeding, uitgedrukt in een
percentage op jaarbasis van het uitstaand saldo, berekend op bij
ministeriële regeling vast te stellen wijze;
elektronisch geld: een geldswaarde die is opgeslagen op een
elektronische drager of die op afstand is opgeslagen in een centrale
rekeningadministratie;
elektronische weg: elektronische apparatuur voor de verwerking, met
inbegrip van digitale compressie, opslag en verzending van gegevens via
draden, radio, optische technologieën of andere elektromagnetische
middelen;
elektronischgeldinstelling: degene die, geen bank zijnde, zijn bedrijf
maakt van het ter beschikking verkrijgen van gelden in ruil waarvoor
elektronisch geld wordt uitgegeven waarmee betalingen kunnen worden
verricht ook aan anderen dan degene die het elektronisch geld uitgeeft;
entiteit voor risico-acceptatie: instelling, niet zijnde een
verzekeraar, die door een verzekeraar overgedragen risico’s accepteert
en de acceptatie van die risico’s uitsluitend financiert door van
derden gelden aan te trekken terzake waarvan de
terugbetalingsverplichtingen zijn achtergesteld bij de
betalingsverplichtingen die ontstaan uit het accepteren van de
overgedragen risico’s;
entiteit voor risico-acceptatie met zetel in een niet-aangewezen staat:
entiteit voor risico-acceptatie met zetel in een staat die geen lidstaat
is die niet op grond van artikel 2:54d, tweede lid, is aangewezen als
staat waar toezicht op entiteiten voor risico-acceptatie wordt
uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de
belangen die deze wet beoogt te beschermen;
Europese beleggingsonderneming: beleggingsonderneming met zetel in een
andere lidstaat die aldaar voor de uitoefening van haar bedrijf een
vergunning heeft;
Europese herverzekeraar: herverzekeraar met zetel in een andere lidstaat
die aldaar een vergunning heeft voor de uitoefening van zijn bedrijf die
overeenkomt met die in artikel 2:26a;
Europese kredietinstelling: kredietinstelling met zetel in een andere
lidstaat die aldaar voor de uitoefening van haar bedrijf een vergunning
heeft;
Europese levensverzekeraar of schadeverzekeraar: levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die aldaar een
vergunning heeft voor de uitoefening van zijn bedrijf die overeenkomt
met de in artikel 2:27 bedoelde vergunning;
financieel instrument:
a. effect;
b. geldmarktinstrument;
c. recht van deelneming in een beleggingsinstelling, niet zijnde effect;
d. optie, future, swap, rentetermijncontract of ander derivatencontract
dat betrekking heeft op effecten, valuta, rentevoeten of rendementen, of
andere afgeleide instrumenten, indexen of maatstaven en dat kan worden
afgewikkeld door middel van materiële aflevering of in contanten;
e. optie, future, swap, rentetermijncontract of ander derivatencontract
dat betrekking heeft op grondstoffen en in contanten moet of mag worden
afgewikkeld naar keuze van een van de partijen, tenzij de reden het in
gebreke blijven is of een andere gebeurtenis die beëindiging van het
contract tot gevolg heeft;
f. optie, future, swap of ander derivatencontract dat betrekking heeft
op grondstoffen, alleen kan worden afgewikkeld door middel van
materiële levering en wordt verhandeld op een gereglementeerde markt of
een multilaterale handelsfaciliteit;
g. andere optie, future, swap of termijncontract dan bedoeld onder f of
ander derivatencontract dat betrekking heeft op grondstoffen, kan worden
afgewikkeld door middel van materiële levering en niet voor
commerciële doeleinden bestemd is, en dat de kenmerken van andere
afgeleide financiële instrumenten heeft;
h. afgeleid instrument voor de overdracht van kredietrisico;
i. financieel contract ter verrekening van verschillen;
j. optie, future, swap, termijncontract of ander derivatencontract met
betrekking tot klimaatvariabelen, vrachttarieven, emissierechten,
inflatiepercentages of andere officiële economische statistieken, en
dat contant moet, of, op verzoek van één der partijen, kan worden
afgewikkeld, anderszins dan op grond van een verzuim of een ander
ontbindend element of ander derivatencontract met betrekking tot activa,
rechten, verbintenissen, indices of maatregelen dan hiervoor vermeld en
dat de kenmerken van andere afgeleide financiële instrumenten bezit;
financieel product:
a. een beleggingsobject;
b. een betaalrekening met inbegrip van de daaraan verbonden
betaalfaciliteiten;
c. elektronisch geld;
d. een financieel instrument;
e. krediet;
f. een spaarrekening met inbegrip van de daaraan verbonden
spaarfaciliteiten;
g. een verzekering die geen herverzekering is; of
h. een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen ander product;
financiële dienst:
a. aanbieden;
b. adviseren over andere financiële producten dan financiële
instrumenten;
c. bemiddelen;
d. herverzekeringsbemiddelen;
e. optreden als clearinginstelling;
f. optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent; of
g. verlenen van een beleggingsdienst;
h. verrichten van een beleggingsactiviteit;
financiëledienstverlener: degene die een ander financieel product dan
een financieel instrument aanbiedt, die adviseert over een ander
financieel product dan een financieel instrument of die bemiddelt,
herverzekeringsbemiddelt, optreedt als gevolmachtigd agent of optreedt
als ondergevolmachtigde agent;
financiële instelling: degene die, geen kredietinstelling zijnde, in
hoofdzaak zijn bedrijf maakt van het verrichten van een of meer van de
werkzaamheden, bedoeld onder 2 tot en met 12 in bijlage I van de
herziene richtlijn banken, of van het verwerven of houden van
deelnemingen;
financiële Nederlandse moederholding: financiële holding met zetel in
Nederland die zelf geen dochteronderneming is van een Nederlandse
beleggingsonderneming of Nederlandse kredietinstelling of van een
financiële holding met zetel in Nederland, waarbij onder
dochteronderneming wordt verstaan een dochteronderneming als bedoeld in
de artikelen 1 en 2 van de richtlijn geconsolideerde jaarrekening, of
een onderneming waarop, naar het oordeel van de Nederlandsche Bank, een
moederonderneming feitelijk een overheersende invloed uitoefent;
financiële onderneming:
a. een beheerder;
b. een beleggingsinstelling;
c. een beleggingsonderneming;
ca. een betaaldienstverlener;
d. een bewaarder;
e. een clearinginstelling;
f. een entiteit voor risico-acceptatie;
g. een financiëledienstverlener;
h. een financiële instelling;
i. een kredietinstelling; of
j. een verzekeraar;
gecontroleerde onderneming:
a. dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek; of
b. onderneming waarover een persoon overheersende zeggenschap kan
uitoefenen;
gekwalificeerde belegger:
a. rechtspersoon of vennootschap die een vergunning heeft of anderszins
gereglementeerd is om op de financiële markten actief te mogen zijn;
b. rechtspersoon of vennootschap die geen vergunning heeft of niet
anderszins gereglementeerd is om op de financiële markten actief te
mogen zijn en waarvan het enige ondernemingsdoel het beleggen in
effecten is;
c. nationaal of regionaal overheidslichaam, centrale bank,
internationale of supranationale financiële organisatie of andere
soortgelijke internationale instelling;
d. rechtspersoon of vennootschap met zetel in Nederland die:
1°. volgens bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels
wordt aangemerkt als kleine onderneming; en
2°. op eigen verzoek door de Autoriteit Financiële Markten als
gekwalificeerde belegger is geregistreerd;
e. rechtspersoon of vennootschap, niet zijnde een rechtspersoon of
vennootschap als bedoeld in onderdeel d, aanhef en onder 1°;
f. natuurlijke persoon met woonplaats in Nederland die voldoet aan bij
algemene maatregel van bestuur te stellen regels en op eigen verzoek
door de Autoriteit Financiële Markten als gekwalificeerde belegger is
geregistreerd; of
g. in een andere lidstaat als gekwalificeerde belegger aangemerkte
natuurlijke persoon of onderneming als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel e, onder iv onderscheidenlijk v, van de richtlijn prospectus;
gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van
ten minste tien procent van het geplaatste kapitaal van een onderneming
of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van ten minste tien
procent van de stemrechten in een onderneming, of het rechtstreeks of
middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap
in een onderneming, waarbij bij het bepalen van het aantal stemrechten
dat iemand in een onderneming heeft, tot diens stemrechten mede worden
gerekend de stemmen waarover hij beschikt of geacht wordt te beschikken
op grond van artikel 5:45;
geldmiddelen: chartaal geld, giraal geld of elektronisch geld;
gemeentelijke kredietbank: een aanbieder van krediet, opgericht door een
of meer gemeenten;
gereglementeerde markt: multilateraal systeem dat meerdere koop- en
verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten
– binnen dit systeem en volgens de niet-discretionaire regels van dit
systeem – samenbrengt of het samenbrengen daarvan vergemakkelijkt op
zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit met betrekking
tot financiële instrumenten die volgens de regels en de systemen van
die markt tot de handel zijn toegelaten, en dat regelmatig en
overeenkomstig de geldende regels inzake de vergunningverlening en het
doorlopende toezicht werkt;
gereglementeerde informatie: informatie die een uitgevende instelling of
een persoon die zonder toestemming van de uitgevende instelling de
toelating van haar effecten tot de handel op een gereglementeerde markt
heeft aangevraagd, algemeen verkrijgbaar stelt op grond van artikel
5:25c tot en met 5:25f, 5:25h of 5:25i;
gevolmachtigde agent: degene die optreedt als gevolmachtigde agent;
grondstoffenderivaat: een financieel instrument als bedoeld in de
onderdelen e, f en g van de definitie van financieel instrument;
grote risico’s:
a. de risico’s die behoren tot de in de bij deze wet behorende Bijlage
branches genoemde branches Casco rollend spoorwegmaterieel,
Luchtvaartuigcasco, Casco zee- en binnenschepen, Vervoerde zaken,
Aansprakelijkheid luchtvaartuigen en Aansprakelijkheid zee- en
binnenschepen;
b. de risico’s die behoren tot de in de bij deze wet behorende Bijlage
branches genoemde branches Krediet en Borgtocht, voorzover de
verzekeringnemer handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en
het risico daarop betrekking heeft; of
c. de risico’s die behoren tot de in de bij deze wet behorende Bijlage
branches genoemde branches Voertuigcasco, Brand en Natuurevenementen,
Andere schaden aan zaken, Aansprakelijkheid motorrijtuigen,
Aansprakelijkheid wegvervoer, Algemene aansprakelijkheid en diverse
geldelijke verliezen, voorzover de verzekeringnemer voldoet aan ten
minste twee van de volgende vereisten:
1°. de waarde van de activa volgens de balans bedraagt meer dan €
6.200.000;
2°. de netto-omzet over het voorafgaande boekjaar bedraagt meer dan €
12.800.000;
3°. het gemiddeld aantal werknemers over het voorafgaande boekjaar
bedraagt meer dan 250;
waarbij bovengenoemde vereisten, indien de verzekeringnemer deel
uitmaakt van een groep waarvan de geconsolideerde jaarrekening
overeenkomstig de richtlijn geconsolideerde jaarrekening wordt
opgesteld, worden toegepast op basis van de geconsolideerde jaarrekening
en indien de verzekeringnemer deel uitmaakt van een
samenwerkingsverband, bovengenoemde vereisten gelden voor de deelnemers
in het samenwerkingsverband gezamenlijk;
handelen voor eigen rekening: met eigen kapitaal handelen in financiële
instrumenten, hetgeen resulteert in het uitvoeren van transacties;
handelsportefeuille: portefeuille als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
van de herziene richtlijn kapitaaltoereikendheid;
herverzekeraar: degene die zijn bedrijf maakt van het sluiten van
herverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van die
herverzekeringen;
herverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat: herverzekeraar
met zetel in een staat die geen lidstaat is die niet op grond van
artikel 2:26d, derde lid, is aangewezen als staat waar toezicht op
herverzekeraars wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt
ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen;
herverzekering: verzekering waarbij risico’s worden geaccepteerd die
door een verzekeraar of een pensioenfonds worden overgedragen;
herverzekeringsbemiddelaar: degene die herverzekeringsbemiddelt;
herverzekeringsbemiddelen: alle werkzaamheden in de uitoefening van een
beroep of bedrijf gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van
een overeenkomst waarbij risico’s uit overeenkomsten inzake een
verzekering worden overgenomen of op het assisteren bij het beheer en de
uitvoering van een dergelijke overeenkomst;
herziene richtlijn banken: richtlijn nr. 2006/48/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende
de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van
kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177);
herziene richtlijn kapitaaltoereikendheid: richtlijn nr. 2006/49/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006
inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en
kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177);
IAS-verordening: verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 betreffende
de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PbEG L
243);
in aanmerking komende tegenpartij:
a. beheerder van een beleggingsinstelling;
b. beheerder van een pensioenfonds of van een daarmee vergelijkbare
rechtspersoon of vennootschap;
c. beleggingsinstelling;
d. beleggingsonderneming;
e. nationaal of regionaal overheidslichaam of overheidslichaam die de
overheidsschuld beheert;
f. centrale bank;
g. financiële instelling;
h. internationale of supranationale publiekrechtelijke organisatie of
daarmee vergelijkbare internationale organisatie;
i. kredietinstelling;
j. marketmaker;
k. pensioenfonds of daarmee vergelijkbare rechtspersoon of vennootschap;
l. persoon of vennootschap die voor eigen rekening handelt in
grondstoffen en grondstoffenderivaten;
m. plaatselijke onderneming;
n. verzekeraar;
instelling voor collectieve belegging in effecten: een
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de
richtlijn beleggingsinstellingen;
institutionele belegger:
a. beleggingsinstelling;
b. levensverzekeraar; of
c. pensioenfonds;
krediet: geldkrediet of goederenkrediet, waarbij wordt verstaan onder:
a. geldkrediet: het aan een consument ter beschikking stellen van een
geldsom, ter zake waarvan de consument gehouden is een of meer
betalingen te verrichten;
b. goederenkrediet:
1°. het aan een consument verschaffen van het genot van een roerende
zaak, financieel instrument of beleggingsobject, dan wel het aan een
consument of een derde ter beschikking stellen van een geldsom ter zake
van het aan die consument verschaffen van het genot van een roerende
zaak, financieel instrument of beleggingsobject, ter zake waarvan de
consument gehouden is een of meer betalingen te verrichten; of
2°. het aan een consument verlenen van een dienst die niet wordt
verleend op grond van een overeenkomst die strekt tot het geregeld
verlenen van diensten en waarbij de consument gehouden is om gedurende
de periode van dienstverlening in termijnen te betalen, dan wel het aan
een consument of een derde ter beschikking stellen van een geldsom ter
zake van het aan die consument verlenen van een dienst ter zake waarvan
de consument gehouden is een of meer betalingen te verrichten;
kredietinstelling: een bank of elektronischgeldinstelling;
levensverzekeraar: degene die zijn bedrijf maakt van het sluiten van
levensverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van die
levensverzekeringen;
levensverzekering: een levensverzekering als bedoeld in artikel 975 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat de prestatie
van de levensverzekeraar uitsluitend in geld geschiedt, of een
natura-uitvaartverzekering als bedoeld in dit artikel;
lidstaat: een staat die lid is van de Europese Unie alsmede een staat,
niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
limietorder: een order om een financieel instrument tegen de opgegeven
limietkoers of een betere koers en voor een gespecificeerde omvang te
kopen of te verkopen;
marketmaker: persoon die op de financiële markten doorlopend blijk
geeft van de bereidheid voor eigen rekening te handelen door financiële
instrumenten tegen door hem vastgestelde prijzen te kopen en te
verkopen;
marktexploitant: persoon die een gereglementeerde markt beheert of
exploiteert;
moedermaatschappij: een rechtspersoon die een of meer
dochtermaatschappijen heeft als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek;
moederonderneming: moederonderneming als bedoeld in de artikelen 1 en 2
van de richtlijn geconsolideerde jaarrekening, of een onderneming die,
naar het oordeel van de Nederlandsche Bank, feitelijk een overheersende
invloed op een andere onderneming uitoefent;
multilaterale handelsfaciliteit: door een beleggingsonderneming
geëxploiteerd multilateraal systeem dat meerdere koop- en
verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten,
binnen dit systeem en volgens de niet-discretionaire regels, samenbrengt
op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit overeenkomstig
de geldende regels inzake de vergunningverlening en het doorlopende
toezicht;
natura-uitvaartverzekeraar: degene die, geen levensverzekeraar zijnde,
zijn bedrijf maakt van het sluiten van natura-uitvaartverzekeringen voor
eigen rekening en het afwikkelen van die natura-uitvaartverzekeringen;
natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat: een
natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een staat buiten Nederland die
niet op grond van artikel 2:50, tweede lid, is aangewezen als staat waar
toezicht op natura-uitvaartverzekeraars wordt uitgeoefend dat in
voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet
beoogt te beschermen;
natura-uitvaartverzekering: een verzekering in verband met de verzorging
van de uitvaart van een natuurlijke persoon waarbij de verzekeraar zich
verbindt tot het leveren van een prestatie die niet tevens inhoudt het
doen van een geldelijke uitkering;
Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;
Nederlandse beleggingsonderneming: beleggingsonderneming met zetel in
Nederland die voor de uitoefening van haar bedrijf een vergunning heeft;
Nederlandse EU-moederbeleggingsonderneming: moederbeleggingsonderneming
met zetel in Nederland die zelf geen dochteronderneming is van een
beleggingsonderneming, kredietinstelling of van een financiële holding
met zetel in een lidstaat;
Nederlandse EU-moederkredietinstelling: moederkredietinstelling met
zetel in Nederland die zelf geen dochteronderneming is van een
beleggingsonderneming of kredietinstelling of van een financiële
holding met zetel in een lidstaat;
Nederlandse financiële EU-moederholding: financiële holding met zetel
in Nederland die geen dochteronderneming is van een
beleggingsonderneming of kredietinstelling of van een financiële
holding met zetel in een lidstaat;
Nederlandse kredietinstelling: kredietinstelling met zetel in Nederland
die voor de uitoefening van haar bedrijf een vergunning heeft;
Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar:
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in
Nederland die voor de uitoefening van zijn bedrijf een vergunning
heeft;.
Nederlandse moederbeleggingsonderneming: beleggingsonderneming met zetel
in Nederland die een beleggingsonderneming, kredietinstelling of
financiële instelling als dochteronderneming heeft of die een
deelneming heeft in een dergelijke financiële onderneming en die zelf
geen dochteronderneming is van een andere Nederlandse
beleggingsonderneming, Nederlandse kredietinstelling of financiële
holding met zetel in Nederland;
Nederlandse moederkredietinstelling: kredietinstelling met zetel in
Nederland die een beleggingsonderneming, kredietinstelling of
financiële instelling als dochteronderneming heeft of die een
deelneming heeft in een dergelijke financiële onderneming en die zelf
geen dochteronderneming is van een andere Nederlandse
beleggingsonderneming, Nederlandse kredietinstelling of financiële
holding met zetel in Nederland;
nevendienst:
a. bewaring en beheer van financiële instrumenten voor rekening van
cliënten, met inbegrip van bewaarneming en daarmee samenhangende
diensten zoals contanten- of zekerhedenbeheer;
b. het verstrekken van kredieten of leningen aan een belegger om deze in
staat te stellen een transactie in financiële instrumenten te
verrichten, bij welke transactie de onderneming die het krediet of de
lening verstrekt, als partij optreedt;
c. advisering aan ondernemingen inzake kapitaalstructuur,
bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden, alsmede
advisering en dienstverrichting op het gebied van fusies en overnames
van ondernemingen;
d. valutawisseldiensten voorzover deze samenhangen met het verrichten
van beleggingsdiensten;
e. onderzoek op beleggingsgebied en financiële analyse of andere vormen
van algemene aanbevelingen in verband met transacties in financiële
instrumenten;
f. dienst in verband met het overnemen van financiële instrumenten;
g. beleggingsdienst of -activiteit alsmede nevendienst die verband
houden met de onderliggende waarde van de financiële instrumenten, als
bedoeld in de definitie van financieel instrument onder e, f, g of i
voor zover deze in verband staan met het verlenen van beleggings- of
nevendiensten;
niet-Europese beleggingsonderneming: beleggingsonderneming waaraan een
vergunning is verleend in een staat die geen lidstaat is waar naar het
oordeel van de Nederlandsche Bank het prudentieel toezicht ten minste
gelijkwaardig is aan het prudentieel toezicht op grond van deze wet;
niet-Europese kredietinstelling: kredietinstelling met zetel in een
staat die geen lidstaat is die aldaar voor de uitoefening van haar
bedrijf een vergunning heeft;
niet-Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar:
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een
staat die geen lidstaat is die aldaar een vergunning heeft voor de
uitoefening van zijn bedrijf;
niet-professionele belegger: een cliënt die niet een professionele
belegger is;
onderbemiddelaar: een bemiddelaar die bemiddelt voor een andere
bemiddelaar;
ondergevolmachtigde agent: degene die optreedt als ondergevolmachtigde
agent;
Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
openbaar bod: een door middel van een openbare mededeling gedaan aanbod
als bedoeld in artikel 217, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk
Wetboek op effecten, dan wel een uitnodiging tot het doen van een aanbod
op effecten, waarbij de bieder het oogmerk heeft deze effecten te
verwerven;
optreden als gevolmachtigde agent: het in de uitoefening van een beroep
of bedrijf als gevolmachtigde van een verzekeraar voor diens rekening
sluiten van een verzekering met een cliënt;
optreden als ondergevolmachtigde agent: het in de uitoefening van een
beroep of bedrijf op grond van een ondervolmacht afgegeven door een
gevolmachtigde agent of door een ondergevolmachtigde agent als
gevolmachtigde van een verzekeraar voor diens rekening sluiten van een
verzekering met een cliënt;
opvanginstelling: een naamloze vennootschap met zetel in Nederland die
uitsluitend tot doel heeft in opdracht van de Nederlandsche Bank een in
problemen verkerende levensverzekeraar op te vangen door herverzekering
of overname van de portefeuille van de levensverzekeraar;
opvorderbare gelden: gelden die op enig moment terugbetaald moeten
worden, uit welke hoofde dan ook, en waarvan op voorhand duidelijk is
welk nominaal bedrag moet worden terugbetaald;
overeenkomst op afstand:
a. overeenkomst inzake een financiële dienst of financieel product
tussen een financiële onderneming en een consument die wordt gesloten
in het kader van een door de financiële onderneming georganiseerd
systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand, waarbij tot en met
de totstandkoming van deze overeenkomst uitsluitend gebruik gemaakt
wordt van een of meer technieken voor communicatie op afstand; of
b. overeenkomst die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de
verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon die wordt
aangegaan tussen een natura-uitvaartverzekeraar en een consument in het
kader van een door de natura-uitvaartverzekeraar georganiseerd systeem
voor verkoop of dienstverlening op afstand, die voor de
natura-uitvaartverzekeraar geen beleggingsrisico met zich brengt en
waarbij tot en met de totstandkoming van deze overeenkomst uitsluitend
gebruik gemaakt wordt van een of meer technieken voor communicatie op
afstand;
overwegende zeggenschap: het kunnen uitoefenen van ten minste 30 procent
van de stemrechten in een algemene vergadering van aandeelhouders van
een naamloze vennootschap;
personen met wie in onderling overleg wordt gehandeld: natuurlijke
personen, rechtspersonen of vennootschappen met wie, onderscheidenlijk
waarmee wordt samengewerkt op grond van een overeenkomst met als doel
het verwerven van overwegende zeggenschap in een naamloze vennootschap
of, indien de samenwerking geschiedt met de doelvennootschap, het
dwarsbomen van het welslagen van een aangekondigd openbaar bod op die
vennootschap; de volgende categorieën natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen worden in elk geval geacht in
onderling overleg te handelen:
1°. rechtspersonen of vennootschappen die met elkaar deel uitmaken van
een groep als bedoeld in artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek;
2°. natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen en de door
hen gecontroleerde ondernemingen;
persoon: een natuurlijke persoon of rechtspersoon;
pensioenfonds:
a. een bedrijfstakpensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet;
b. een ondernemingspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet; of
c. een beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling alsmede het pensioenfonds, bedoeld in
artikel 113a, eerste lid, van de Wet op het notarisambt;
plaats van uitvoering: gereglementeerde markt, multilaterale
handelsfaciliteit, beleggingsonderneming met systematische interne
afhandeling, marketmaker of andere liquiditeitsverschaffer of entiteit
die in een derde land een soortgelijke taak verricht als die van een van
de voornoemde partijen;
plaatselijke onderneming: degene die uitsluitend voor eigen rekening of
voor rekening van beleggingsondernemingen die tot die markten zijn
toegelaten, of deze beleggingsondernemingen een prijs geeft voorzover de
uitvoering en afwikkeling van de transacties geschieden onder de
verantwoordelijkheid van en worden gegarandeerd door een
clearinginstelling met zetel in Nederland, handelt op de markten voor:
a. opties ter verwerving of vervreemding van financiële instrumenten;
b. rechten op overdracht op termijn van goederen of gelijkwaardige
instrumenten die gericht zijn op verrekening in geld;
c. andere afgeleide financiële instrumenten; of
d. financiële instrumenten waarop de afgeleide financiële
instrumenten, bedoeld in de onderdelen a tot en met c, betrekking
hebben, uitsluitend om posities op markten voor die afgeleide
financiële instrumenten af te dekken;
premie: de in geld uitgedrukte prestatie door de verzekeringnemer te
leveren uit hoofde van een verzekering, daaronder niet begrepen de
assurantiebelasting;
professionele belegger:
a. beheerder van een beleggingsinstelling;
b. beheerder van een pensioenfonds of van een daarmee vergelijkbare
rechtspersoon of vennootschap;
c. beleggingsinstelling;
d. beleggingsonderneming;
e. nationaal of regionaal overheidslichaam of overheidslichaam dat de
overheidsschuld beheert;
f. centrale bank;
g. financiële instelling;
h. internationale of supranationale publiekrechtelijke organisatie of
daarmee vergelijkbare internationale organisatie;
i. kredietinstelling;
j. marketmaker;
k. onderneming wiens belangrijkste activiteit bestaat uit het beleggen
in financiële instrumenten, het verrichten van securitisaties of andere
financiële transacties;
l. pensioenfonds of daarmee vergelijkbare rechtspersoon of vennootschap;
m. persoon of vennootschap die voor eigen rekening handelt in
grondstoffen en grondstoffenderivaten;
n. plaatselijke onderneming;
o. rechtspersoon of vennootschap die aan twee van de volgende
omvangvereisten voldoet:
1°. een balanstotaal van ten minste € 20 000 000;
2°. een netto-omzet van ten minste € 40 000 000;
3°. een eigen vermogen van ten minste € 2 000 000;
p. verzekeraar;
professionele marktpartij:
a. gekwalificeerde belegger;
b. dochteronderneming van een gekwalificeerde belegger die wordt
betrokken in het toezicht op geconsolideerde basis op de gekwalificeerde
belegger; of
c. andere bij algemene maatregel van bestuur als professionele
marktpartij aangewezen persoon of vennootschap;
prospectusverordening: verordening (EG) nr. 809/2004 van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004 tot uitvoering van
Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie wat de in het prospectus te verstrekken informatie, de
vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel
van verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van
advertenties betreft (PbEU L 149);
provisie: beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, voor het
bemiddelen of adviseren ter zake van een financieel product of het
verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst;
raamovereenkomst voor betaaldiensten: overeenkomst die de uitvoering
beheerst van afzonderlijke en opeenvolgende betalingstransacties en die
de verplichtingen en voorwaarden voor de opening van een betaalrekening
kan omvatten;
rechtsbijstandverzekeraar: een schadeverzekeraar die de branche
Rechtsbijstand uitoefent;
reclame-uiting: iedere vorm van informatieverstrekking die dient ter
aanprijzing van of een wervend karakter kent ter zake van een bepaalde
financiële dienst of een bepaald financieel product;
registerhouder:
a. voorzover het register betrekking heeft op financiële ondernemingen
die werkzaamheden mogen verrichten ingevolge de afdelingen 2.2.1 tot en
met 2.2.4 en 2.3.1 tot en met 2.3.4 en op gegevens die op grond van het
Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen worden
geregistreerd: de Nederlandsche Bank;
b. voorzover het register betrekking heeft op financiële ondernemingen
die werkzaamheden mogen verrichten ingevolge de afdelingen 2.2.5 tot en
met 2.2.13 en 2.3.5 tot en met 2.3.8 en op gegevens die op grond van het
Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen of het Deel
Gedragstoezicht financiële markten worden geregistreerd: de Autoriteit
Financiële Markten;
richtlijn beleggingsinstellingen: richtlijn nr. 85/611/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van
de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde
instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEG L
375);
richtlijn betaaldiensten: richtlijn nr. 2007/64/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 november 2007
betreffende betalingsdiensten in de interne markt (PbEU L 319);
richtlijn geconsolideerde jaarrekening: zevende richtlijn nr. 83/349/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juni 1983 op de
grondslag van artikel 54, derde lid, sub g), van het Verdrag betreffende
de geconsolideerde jaarrekening (PbEG L 193);
richtlijn jaarrekening: vierde richtlijn nr. 78/660/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel
54, lid 3, sub g, van het Verdrag betreffende de jaarrekening van
bepaalde vennootschapsvormen (PbEG L 222);
richtlijn markten voor financiële instrumenten: richtlijn nr.
2004/39/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot
wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van
Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende
intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145);
richtlijn marktmisbruik: richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2003
betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (PbEU L 96);
richtlijn prospectus: richtlijn nr. 2003/71/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 november 2003
betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten
aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en
tot wijziging van richtlijn nr. 2001/34/EG (PbEG L 345);
richtlijn transparantie: richtlijn nr. 2004/109/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 2004
betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over
uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een
gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn
2001/34/EG (PbEU L 390);
richtlijn verzekeringsbemiddeling: richtlijn nr. 2002/92/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 december 2002
betreffende verzekeringsbemiddeling (PbEG L 9);
saneringsmaatregel: de noodregeling, bedoeld in afdeling 3.5.5, of een
maatregel, genomen in een andere lidstaat, die enigerlei optreden van de
aldaar bevoegde instanties behelst en bestemd is om de financiële
positie van een kredietinstelling of een verzekeraar in stand te houden
of te herstellen, en van dien aard is dat de maatregel bestaande rechten
van derden aantast;
schadeverzekeraar: degene die zijn bedrijf maakt van het sluiten van
schadeverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van die
schadeverzekeringen;
schadeverzekering:
a. schadeverzekering als bedoeld in artikel 944 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, niet zijnde een natura-uitvaartverzekering;
b. ongevallenverzekering; of
c. sommenverzekering als bedoeld in artikel 964 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, niet zijnde een levensverzekering of een financieel
instrument,
met dien verstande dat voor de toepassing van deze wet een verzekering
slechts als schadeverzekering wordt aangemerkt indien sprake is van een
uitkeringsplicht ten gevolge van een onzeker voorval of een onzekere
omstandigheid waardoor de verzekerde in zijn belangen wordt getroffen;
staat waar het risico is gelegen:
a. de staat waar de zaken waarop een schadeverzekering betrekking heeft
zich bevinden, indien de schadeverzekering betrekking heeft op een
onroerende zaak, dan wel op een onroerende zaak en op de inhoud daarvan,
voorzover deze door dezelfde schadeverzekering wordt gedekt;
b. de staat van registratie, van voertuigen of vaartuigen van om het
even welke aard waarop een schadeverzekering betrekking heeft;
c. de staat waar een verzekeringnemer een verzekering heeft gesloten,
indien het een schadeverzekering betreft met een looptijd van vier
maanden of minder die betrekking heeft op tijdens een reis of vakantie
gelopen risico’s, ongeacht de branche;
d. in alle andere gevallen van schadeverzekering, de staat waar de
verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft, of, indien de
verzekeringnemer een rechtspersoon is, de staat waar zich elke duurzame,
vaste inrichting van deze rechtspersoon bevindt waarop de verzekering
betrekking heeft;
techniek voor communicatie op afstand: ieder middel dat, zonder
gelijktijdige fysieke aanwezigheid van een financiële onderneming en
een consument of cliënt, kan worden gebruikt voor het verlenen van
financiële diensten;
toezichthoudende instantie: een buitenlandse overheidsinstantie of een
buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie, die is belast met
het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten
werkzaam zijn;
toezichthouder: de Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële
Markten, ieder voorzover belast met de uitoefening van het toezicht
overeenkomstig artikel 1:24 onderscheidenlijk artikel 1:25;
uitbesteden: het door een financiële onderneming verlenen van een
opdracht aan een derde tot het ten behoeve van die financiële
onderneming verrichten van werkzaamheden:
a. die deel uitmaken van of voortvloeien uit het uitoefenen van haar
bedrijf of het verlenen van financiële diensten; of
b. die deel uitmaken van de wezenlijke bedrijfsprocessen ter
ondersteuning daarvan;
uitgevende instelling: een ieder die effecten heeft uitgegeven of
voornemens is effecten uit te geven;
uitvoeringskosten: uitgaven die rechtstreeks verband houden met de
uitvoering van een order met betrekking tot een financieel instrument en
die ten laste komen van de cliënt;
uitvoeringsrichtlijn markten voor financiële instrumenten: richtlijn
nr. 2006/73/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10
augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees
Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht
te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de
bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de
toepassing van genoemde richtlijn (PbEU L 241);
uitvoeringsverordening markten voor financiële instrumenten:
verordening (EG) nr. 1287/2006 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn
2004/39/EG van het Europese Parlement en de Raad wat de voor
beleggingsondernemingen geldende verplichtingen betreffende het
bijhouden van gegevens, het melden van transacties, de
markttransparantie, de toelating van financiële instrumenten tot de
handel en de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde
richtlijn betreft (PbEU L 241);
vangnetregeling: het beleggerscompensatiestelsel of het
depositogarantiestelsel;
verbonden agent: persoon die, onder de volledige en onvoorwaardelijke
verantwoordelijkheid van slechts één beleggingsonderneming voor wier
rekening hij optreedt de beleggingsdiensten als bedoeld in de onderdeel
a, d of e van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in
artikel 1:1 verleent en deze diensten of nevendiensten bij cliënten
aanbeveelt;
verlenen van een beleggingsdienst:
a. in de uitoefening van een beroep of bedrijf ontvangen en doorgeven
van orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten;
b. in de uitoefening van beroep of bedrijf voor rekening van die
cliënten uitvoeren van orders met betrekking tot financiële
instrumenten;
c. beheren van een individueel vermogen;
d. in de uitoefening van beroep of bedrijf adviseren over financiële
instrumenten;
e. in de uitoefening van beroep of bedrijf overnemen of plaatsen van
financiële instrumenten bij aanbieding ervan als bedoeld in hoofdstuk
5.1 met plaatsingsgarantie;
f. in de uitoefening van beroep of bedrijf plaatsen van financiële
instrumenten bij aanbieding ervan als bedoeld in hoofdstuk 5.1 zonder
plaatsingsgarantie;
vermogensbeheerder: degene die een individueel vermogen beheert;
verrichten van diensten:
a. voor zover het entiteiten voor risico-acceptatie betreft: het door
een entiteit voor risico-acceptatie accepteren van een risico dat is
gelegen in een andere staat dan de vestiging van waaruit het risico
wordt geaccepteerd;
b. voor zover het verzekeraars betreft:
1°. het door een herverzekeraar sluiten van een herverzekering
betreffende een risico dat is gelegen in een andere staat dan die waar
de vestiging van waaruit de verzekering wordt gesloten;
2°. het door een levensverzekeraar sluiten van een levensverzekering
vanuit een vestiging, gelegen in een andere staat dan die waar de
verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft, of waar zich, indien
de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de vestiging van deze
rechtspersoon bevindt waarop de verzekering betrekking heeft;
3°. het door een natura-uitvaartverzekeraar sluiten van een
natura-uitvaartverzekering vanuit een vestiging, gelegen in een andere
staat dan die waar de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft;
4°. het door een schadeverzekeraar sluiten van een schadeverzekering
betreffende een risico dat is gelegen in een andere staat dan de
vestiging van waaruit de verzekering wordt gesloten;
verrichten van een beleggingsactiviteit:
a. in de uitoefening van beroep of bedrijf handelen voor eigen rekening;
b. in de uitoefening van een beroep of bedrijf exploiteren van een
multilaterale handelsfaciliteit;
vertegenwoordiger van een verzekeraar: degene die door een
levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar is
aangesteld om hem te vertegenwoordigen in een andere staat dan de staat
van de zetel van die verzekeraar bij de uitoefening van de bevoegdheden
van die verzekeraar en bij de naleving van de voorschriften die in
eerstbedoelde staat voor die verzekeraar gelden;
verzekeraar: herverzekeraar, levensverzekeraar,
natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar;
verzekering:
a. herverzekering;
b. levensverzekering;
c. natura-uitvaartverzekering; of
d. schadeverzekering;
vestiging: bijkantoor of zetel;
vordering uit hoofde van verzekering: een vordering, rechtstreeks op de
verzekeraar, van een verzekerde, verzekeringnemer, begunstigde of
benadeelde, met inbegrip van de vordering ter zake van voor deze
personen gereserveerde bedragen zo lang nog niet alle elementen van de
vordering bekend zijn, alsmede de vordering tot teruggave van premies
die een verzekeraar heeft ontvangen in de niet beantwoorde verwachting
dat een verzekering zou worden gesloten dan wel heeft ontvangen op grond
van een verzekering die vervolgens is ontbonden of vernietigd;
zetel: de plaats waar een onderneming volgens haar statuten of
reglementen is gevestigd of, indien zij geen rechtspersoon is, de plaats
waar die onderneming haar hoofdvestiging heeft.
Afdeling 1.1.2. Reikwijdte met betrekking tot financiële ondernemingen
§ 1.1.2.1. Algemeen
Artikel 1:2
1. Deze wet, met uitzondering van dit deel, de hoofdstukken 5.1, 5.1a,
5.3, 5.5 en afdeling 5.4.2, is niet van toepassing op de Europese
Centrale Bank, de centrale banken van de lidstaten, nationale
instellingen van de lidstaten met een soortgelijke functie,
overheidsinstellingen van de lidstaten die zijn belast met of betrokken
bij het beheer van de overheidsschuld, internationale publiekrechtelijke
instellingen waarin of waaraan een of meer lidstaten deelnemen en
instellingen als bedoeld in artikel 2 van de herziene richtlijn banken.
2. In afwijking van het eerste lid is deze wet van toepassing op het
verlenen van betaaldiensten door:
a. de Europese Centrale Bank en de centrale banken van de lidstaten voor
zover zij niet handelen in hun hoedanigheid van monetaire of andere
publieke autoriteit;
b. lidstaten alsmede de regionale of lokale overheden van de lidstaten
voor zover zij niet handelen in de hoedanigheid van overheidsinstantie.
Artikel 1:3
Voor de toepassing van het ingevolge deze wet bepaalde wordt onder
financiële onderneming mede verstaan de persoon die behoort tot een van
de categorieën van financiële ondernemingen en die niet tot doel heeft
het maken van winst.
Artikel 1:3a
Dit hoofdstuk, de hoofdstukken 1.3, 1.4, 1.5 en afdeling 1.6.3 van deze
wet zijn van overeenkomstige toepassing op het toezicht op de naleving
en de handhaving van de artikelen 7, 8, 17, 24, 27, 29, 36 en 37 van de
uitvoeringsverordening markten voor financiële instrumenten.
§ 1.1.2.2. Betaaldienstverleners, clearinginstellingen en
kredietinstellingen
Artikel 1:4
De Nederlandsche Bank is geen clearinginstelling en geen
kredietinstelling in de zin van deze wet.
Artikel 1:5
1.Met uitzondering van de artikelen 3:35 en 4:31, is deze wet met
betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van
elektronischgeldinstelling niet van toepassing op een
elektronischgeldinstelling die elektronisch geld uitgeeft met een
maximum geldswaarde van € 150 per elektronische waardedrager, indien:
a. de gezamenlijke waarde van de financiële verplichtingen van de
elektronischgeldinstelling die met de uitgifte van elektronisch geld
verband houden nooit hoger is dan € 6.000.000;
b. het elektronische geld slechts wordt aanvaard door een onderneming
die behoort tot de groep, waartoe de elektronischgeldinstelling behoort;
of
c. het elektronische geld slechts wordt aanvaard door een beperkt aantal
gemakkelijk te onderscheiden ondernemingen die hetzij hetzelfde gebouw,
terrein of een andere feitelijk begrensde locatie delen, hetzij nauwe
financiële of zakelijke banden hebben met de elektronischgeldinstelling.
2.Artikel 3:71 en de daarop gebaseerde bepalingen is van overeenkomstige
toepassing op elektronischgeldinstellingen als bedoeld in het eerste
lid. De jaarrekening vermeldt welk onderdeel van het eerste lid van
toepassing is en de totale waarde van de financiële verplichtingen die
met de uitgifte van elektronisch geld verband houden.
3.Deze wet is niet van toepassing op:
a. financiële diensten met betrekking tot elektronisch geld waarmee
alleen bij de financiële onderneming die het elektronisch geld
uitgeeft, betalingen kunnen worden verricht;
b. financiële diensten met betrekking tot elektronisch geld dat wordt
uitgegeven door een elektronischgeldinstelling als bedoeld in het eerste
lid die worden verleend door een ander dan de elektronischgeldinstelling
zelf.
§ 1.1.2.2a. Betaaldiensten
Artikel 1:5a
1. Het in deze wet met betrekking tot betaaldiensten bepaalde is van
toepassing op betaaldiensten uitgevoerd in de Europese Gemeenschap en de
staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte, met uitzondering van de ingevolge artikel 4:22
gestelde regels ter uitvoering van titel III van de richtlijn
betaaldiensten, die alleen van toepassing zijn indien zowel de
betaaldienstverlener van de betaler als de betaaldienstverlener van de
betalingsbegunstigde, of de enige bij de betalingstransactie betrokken
betaaldienstverlener in een lidstaat gevestigd is.
2. Onder het verlenen van betaaldiensten in de zin van deze wet wordt
niet verstaan:
a. het uitsluitend met chartaal geld en zonder tussenkomst van derden
rechtstreeks door de betaler aan de betalingsbegunstigde verrichten van
betalingstransacties;
b. het verrichten van betalingstransacties via een handelsagent die
gemachtigd is om voor rekening van de betaler of de betalingsbegunstigde
de verkoop of aankoop van goederen of diensten tot stand te brengen of
te sluiten;
c. het in de uitoefening van een bedrijf of beroep vervoeren, ophalen,
verwerken of leveren van chartaal geld;
d. het verrichten van betalingstransacties die bestaan uit het niet in
de uitoefening van een bedrijf of beroep ophalen en leveren van chartaal
geld in het kader van een activiteit zonder winstoogmerk of voor
liefdadigheidsdoeleinden;
e. het verlenen van diensten waarbij chartaal geld door de begunstigde
aan de betaler wordt verstrekt als onderdeel van een betalingstransactie
in de vorm van een betaling voor de aankoop van goederen of diensten,
indien de betaler vlak voor de uitvoering van die betalingstransactie om
die verstrekking heeft verzocht;
f. het verrichten van geldwisseltransacties, zijnde transacties verricht
met chartaal geld, waarbij de geldmiddelen niet op een betaalrekening
worden aangehouden;
g. het verrichten van betalingstransacties met een van de volgende
documenten die door een betaaldienstverlener zijn uitgegeven met de
bedoeling geldmiddelen beschikbaar te stellen aan een
betalingsbegunstigde:
1°. papieren cheques als bedoeld in het Verdrag van Genève van 19
maart 1931 tot invoering van een eenvormige wet op cheques;
2°. papieren cheques vergelijkbaar met de papieren cheques, bedoeld
onder 1°, die vallen onder het recht van lidstaten die geen partij zijn
bij het Verdrag van Genève van 19 maart 1931 tot invoering van een
eenvormige wet op cheques;
3°. papieren wissels als bedoeld in het Verdrag van Genève van 7 juni
1930 dat voorziet in een eenvormige wet op wisselbrieven en
orderbriefjes;
4°. papieren wissels vergelijkbaar met de papieren wissels, bedoeld
onder 3°, die vallen onder het recht van de lidstaten die geen partij
zijn bij het Verdrag van Genève van 7 juni 1930 tot invoering van een
eenvormige wet op wisselbrieven en orderbriefjes;
5°. papieren tegoedbonnen;
6°. papieren reischeques;
7°. papieren postwissels als omschreven door de Wereldpostunie, in 1874
opgericht bij het Verdrag van Bern;
h. het onverminderd artikel 5:88 verrichten van betalingstransacties
binnen een betalings- of een effectenafwikkelingssysteem, of tussen
afwikkelondernemingen, centrale tegenpartijen als bedoeld in artikel
212a, onderdeel c, van de Faillissementswet, clearinginstellingen,
centrale banken van de lidstaten, andere deelnemers van een van de
bedoelde systemen, en betaaldienstverleners;
i. betalingstransacties in verband met dienstverlening op effecten, met
inbegrip van uitkeringen van dividend en andere inkomsten in verband met
effecten, en aflossing en verkoop, uitgevoerd door personen als bedoeld
in onderdeel h of door beleggingsondernemingen, banken, of door andere
instellingen aan welke de bewaarneming van financiële instrumenten is
toegestaan;
j. het verlenen van diensten door technische dienstverleners ter
ondersteuning van het verlenen van betaaldiensten zonder dat de
technische dienstverlener op enig moment in het bezit komt van de over
te maken geldmiddelen, daarbij inbegrepen het verwerken en opslaan van
gegevens, diensten ter bescherming van het vertrouwen en het
privéleven, authenticatie van gegevens en entiteiten, het aanbieden van
informatietechnologie- en communicatienetwerken, en het aanbieden en
onderhouden van voor betaaldiensten gebruikte automaten en instrumenten;
k. het verrichten van betalingstransacties ten behoeve van de aankoop
van goederen of diensten die worden uitgevoerd met betaalinstrumenten
die uitsluitend kunnen worden gebruikt:
1°. in de door de uitgevende instelling gebruikte bedrijfsgebouwen; of
2°. op grond van een handelsovereenkomst met de uitgevende instelling
binnen een beperkt netwerk van dienstverleners of voor een beperkte
reeks goederen en diensten;
l. het verrichten van betalingstransacties ten behoeve van de aankoop
van goederen of diensten die worden uitgevoerd via een
telecommunicatie-instrument, digitaal instrument of
informatietechnologie-instrument, mits de aanbieder van dit instrument
niet uitsluitend als tussenpersoon optreedt tussen de
betaaldienstgebruiker en de leverancier van de gekochte goederen en
diensten en voor zover de gekochte goederen of diensten geleverd worden
aan en gebruikt moeten worden via een van de bedoelde instrumenten;
m. het verrichten van betalingstransacties die voor eigen rekening
worden uitgevoerd tussen betaaldienstverleners, hun agenten of hun
bijkantoren;
n. het verrichten van betalingstransacties tussen een moederonderneming
en haar dochteronderneming als bedoeld in artikel 3:268, onderdeel c, of
tussen dochternemingen als bedoeld in artikel 3:268, onderdeel c, van
dezelfde moederonderneming, zonder tussenkomst van een andere
betaaldienstverlener dan een tot dezelfde groep behorende onderneming;
of
o. het opnemen van chartaal geld uit een geldautomaat, voor zover de
exploitant van de geldautomaat geen andere betaaldiensten verleent en
handelt namens een of meer betaaldienstverleners, en voor zover deze
exploitant geen partij is bij de raamovereenkomst voor betaaldiensten
van degene die de geldmiddelen van een betaalrekening opneemt.
§ 1.1.2.3. Verzekeraars
Artikel 1:6
1.Deze wet is niet van toepassing op:
a. de Sociale Verzekeringsbank;
b. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. ziekenfondsen die overeenkomstig de Ziekenfondswet waren toegelaten;
d. onderlinge waarborgmaatschappijen met zetel in Nederland en
ondernemingen op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland die
uitsluitend schadeverzekeringen aangaan met betrekking tot schade,
veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog,
opstand, binnenlandse onlusten, oproer en muiterij; en
e. ondernemingen die geen andere branche uitoefenen dan de branche
Hulpverlening en daarbij uitsluitend dekking verlenen in geval van een
ongeval met of een defect aan een wegvoertuig, indien ingevolge de
dekking de hulp bij een ongeval of defect in Nederland of direct over de
grens beperkt is tot:
1°. technische hulp ter plaatse, waarvoor de onderneming in de regel
eigen personeel of uitrusting gebruikt;
2°. het vervoer van het wegvoertuig naar de dichtstbijzijnde of meest
geschikte plaats van reparatie, alsmede het eventuele vervoer van de
bestuurder en passagiers, doorgaans met hetzelfde hulpmiddel, naar de
dichtstbijzijnde plaats vanwaar zij hun reis met andere middelen kunnen
voortzetten;
3°. het vervoer van het wegvoertuig, eventueel met de bestuurder en
passagiers, naar hun woonplaats, hun plaats van vertrek of hun
oorspronkelijke bestemming binnen Nederland;
en, voorzover de dekking zich mede uitstrekt tot een ongeval of defect
in het buitenland, indien de hulp beperkt is tot de onder 1° en 2°
bedoelde verrichtingen, de bestuurder of een passagier lid is van de
onderneming en de hulp of het vervoer van het voertuig enkel op vertoon
van een bewijs van lidmaatschap, zonder betaling van extra premie, wordt
uitgevoerd door een soortgelijke, in de betrokken staat werkzame
organisatie die zich hiertoe op basis van wederkerigheid heeft
verplicht.
2.Indien bij een levensverzekering naast de verplichting tot het doen
van geldelijke uitkeringen, verplichtingen van andere aard worden
aanvaard, of bij die levensverzekering verplichtingen worden aanvaard in
verband met voorvallen waarvan het ontstaan onzeker is en die een
natuurlijke persoon treffen, verliest het bedrijf van levensverzekeraar
zijn karakter niet en worden deze verplichtingen niet beschouwd te zijn
aangegaan in de uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar.
Artikel 1:6a
1.Deze wet, met uitzondering van dit deel, de hoofdstukken 5.1, 5.3, 5.5
en afdeling 5.4.2, is niet van toepassing op herverzekeraars die
ingevolge het tweede lid zijn aangewezen.
2.Onze Minister kan, indien hij dit vanuit maatschappelijk oogpunt
noodzakelijk acht, herverzekeraars aanwijzen die zijn opgericht
ingevolge overeenkomsten tussen levensverzekeraars, schadeverzekeraars
of natura-uitvaartverzekeraars, welke overeenkomsten zijn gericht op het
bundelen van vorderingen uit hoofde van verzekering, zonder welke
overeenkomsten het op de markt niet mogelijk zou zijn voor bedoelde
risico’s een adequate herverzekeringsdekking te verkrijgen.
3.Het besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken
indien hij de aanwijzing niet langer vanuit maatschappelijk oogpunt
noodzakelijk acht, de overeenkomsten niet langer zijn gericht op het
bundelen van vorderingen uit hoofde van verzekering, of het niet langer
onmogelijk is voor bedoelde risico’s ook zonder de desbetreffende
overeenkomsten een adequate risicodekking te verkrijgen.
Artikel 1:7
De herverzekeraars, levensverzekeraars en schadeverzekeraars, verenigd
onder de naam Lloyd’s, te Londen, Verenigd Koninkrijk, worden voor de
toepassing van deze wet tezamen als een herverzekeraar, een
levensverzekeraar of een schadeverzekeraar beschouwd.
Artikel 1:8
1.Als de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of het
bedrijf van schadeverzekeraar wordt niet beschouwd het sluiten of
afwikkelen van levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen
voor eigen rekening door een pensioenfonds voorzover dat pensioenfonds
daarvoor een pensioenovereenkomst uitvoert als bedoeld in artikel 1 van
de Pensioenwet of een beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 1
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
2.Als de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of het
bedrijf van schadeverzekeraar wordt niet beschouwd het sluiten of
afwikkelen van levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen
voor eigen rekening door ondernemingen die voor eigen rekening geen
andere levensverzekeringen of schadeverzekeringen sluiten of afwikkelen
dan die welke dienen ter uitvoering van een pensioenovereenkomst met een
directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet.
3.Als de uitoefening van het bedrijf van herverzekeraar wordt niet
beschouwd het sluiten of afwikkelen van herverzekeringen voor eigen
rekening door een pensioenfonds voor zover dat pensioenfonds risico’s
accepteert van andere pensioenfondsen die door laatstbedoelde
pensioenfondsen zijn geaccepteerd in het kader van het sluiten of
afwikkelen van pensioenovereenkomsten als bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet of beroepspensioenregelingen als bedoeld in artikel 1 van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Artikel 1:9
1.Op een verzekeraar die een vergunning heeft als bedoeld in artikel
2:37, eerste lid, of artikel 2:40 voor de uitoefening van het bedrijf
van levensverzekeraar in de branche Levensverzekering algemeen en op
grond daarvan het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar uitoefent, zijn
uitsluitend de bepalingen inzake de uitoefening van het bedrijf van
levensverzekeraar van toepassing.
2.Op een verzekeraar die een vergunning als bedoeld in artikel 2:48,
eerste lid, of 2:50, eerste lid, heeft voor de uitoefening van het
bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar zijn uitsluitend de bepalingen
inzake de uitoefening van het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar van
toepassing.
Artikel 1:10
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke van de ingevolge
deze wet gestelde regels met betrekking tot het uitoefenen van het
bedrijf van schadeverzekeraar en het bedrijf van
natura-uitvaartverzekeraar, onder daarbij te stellen voorwaarden, niet
van toepassing zijn op verzekeraars die behoren tot een van de volgende
categorieën:
a. onderlinge waarborgmaatschappijen van beperkte omvang met zetel in
Nederland die het bedrijf van schadeverzekeraar uitoefenen en
ondernemingen op onderlinge grondslag van beperkte omvang met zetel
buiten Nederland die het bedrijf van schadeverzekeraar uitoefenen;
b. schadeverzekeraars met zetel in Nederland die zich beperken tot het
sluiten en afwikkelen van exportkredietverzekeringen voor rekening of
met garantie van de Staat der Nederlanden;
c. verenigingen en onderlinge waarborgmaatschappijen van beperkte omvang
met zetel in Nederland die het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar
uitoefenen.
Artikel 1:11
Voor toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde ten aanzien
van het bedrijf van schadeverzekeraar wordt de Zwitserse Bondsstaat
aangemerkt als lidstaat, met dien verstande dat met betrekking tot
bepaalde onderwerpen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
afwijkende regels kunnen worden gesteld.
§ 1.1.2.4. Beleggingsinstellingen
Artikel 1:12
1.Deze wet, met uitzondering van dit deel, artikel 3:7 en de
hoofdstukken 5.1, 5.3, 5.4 en 5.5, is niet van toepassing op
beleggingsinstellingen die rechten van deelneming aanbieden aan:
a. minder dan honderd personen die geen gekwalificeerde belegger zijn;
of
b. uitsluitend gekwalificeerde beleggers.
2.Deze wet, met uitzondering van dit deel, artikel 3:7 en de
hoofdstukken 5.1, 5.3, 5.4 en 5.5, is niet van toepassing op beheerders
en bewaarders voorzover zij beleggingsinstellingen als bedoeld in het
eerste lid beheren of belast zijn met de bewaring van de activa van die
beleggingsinstellingen.
3.Bij een aanbod van rechten van deelneming als bedoeld in het eerste
lid, aanhef en onderdeel a, niet zijnde verhandelbare rechten van
deelneming in een belegginginstelling die niet op verzoek van de
deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht
of terugbetaald, en in reclame-uitingen en documenten waarin een
dergelijk aanbod in het vooruitzicht wordt gesteld, wordt vermeld dat de
beleggingsinstelling niet vergunningplichtig is ingevolge deze wet en
dat op de beleggingsinstelling geen toezicht wordt uitgeoefend op grond
van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen en het Deel
Gedragstoezicht financiële ondernemingen.
4.Bij een aanbod van rechten van deelneming als bedoeld in het eerste
lid, aanhef en onderdeel b, niet zijnde verhandelbare rechten van
deelneming in een belegginginstelling die niet op verzoek van de
deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht
of terugbetaald, en in reclame-uitingen en documenten waarin een
dergelijk aanbod in het vooruitzicht wordt gesteld, wordt vermeld dat
het aanbod uitsluitend is onderscheidenlijk zal zijn gericht tot
gekwalificeerde beleggers.
5.Het ingevolge deze wet bepaalde ten aanzien van het aanbieden van
rechten van deelneming in een beleggingsinstelling is niet van
toepassing op het aanbieden door niet in de uitoefening van hun beroep
of bedrijf handelende natuurlijke personen van rechten van deelneming
die deze personen in eigendom hebben.
Artikel 1:13
1.Het ingevolge deze wet bepaalde ten aanzien van een
beleggingsinstelling die een beleggingsfonds of een
beleggingsmaatschappij met aparte beheerder is, is gericht tot haar
beheerder.
2.Het ingevolge deze wet bepaalde ten aanzien van een beheerder is van
overeenkomstige toepassing op een beleggingsmaatschappij die geen aparte
beheerder heeft, met uitzondering van de artikelen 1:60, eerste lid,
2:65, eerste lid, onderdeel a, 2:67, 2:71, 3:57, 3:95, en 4:59.
3.Het ingevolge de artikelen 4:46, 4:49, 4:50 en 4:52 bepaalde ten
aanzien van een beheerder is van overeenkomstige toepassing op een
beleggingsinstelling met zetel in een aangewezen staat die geen aparte
beheerder heeft.
4.De zetel van een beleggingsfonds bevindt zich in de staat van de zetel
van zijn beheerder.
5.Het ingevolge deze wet bepaalde met betrekking tot
beleggingsinstellingen die in Nederland rechten van deelneming
aanbieden, beheerders van die beleggingsinstellingen en aan die
beleggingsinstellingen verbonden bewaarders is van overeenkomstige
toepassing op beleggingsinstellingen die in Nederland rechten van
deelneming hebben aangeboden, beheerders van die beleggingsinstellingen
en aan die beleggingsinstellingen verbonden bewaarders.
Artikel 1:14
Het ingevolge deze wet bepaalde ten aanzien van instellingen voor
collectieve belegging in effecten is niet van toepassing op:
a. beleggingsinstellingen die op grond van hun statuten of
fondsreglementen leningen aan mogen gaan boven het door de richtlijn
beleggingsinstellingen gestelde maximum of een beleggingsbeleid kunnen
voeren dat ruimer is dan de uit de richtlijn beleggingsinstellingen
voortvloeiende beperkingen; en
b. beleggingsmaatschappijen die via dochterondernemingen voornamelijk
beleggen in andere objecten dan financiële instrumenten als bedoel in
artikel 4:60, eerste lid.
Afdeling 1.1.3. Reikwijdte met betrekking tot financiële diensten
§ 1.1.3.1. Algemeen
Artikel 1:15
Deze wet, met uitzondering van dit deel en het Deel Gedragstoezicht
financiële markten, is niet van toepassing op:
a. het verlenen van financiële diensten, met uitzondering van het
aanbieden van rechten van deelneming in beleggingsinstellingen, door
pensioenfondsen voorzover zij die financiële diensten verlenen aan de
bedrijfstak, onderneming, dan wel beroepsgroep waarmee zij zijn
verbonden; en
b. het beheren van individuele vermogens ten behoeve van pensioenfondsen
als bedoeld in onderdeel a of daaraan gelieerde fondsen door personen
die zijn verbonden aan het fonds waaraan deze financiële dienst wordt
verleend.
Artikel 1:15a
1.Het ingevolge deze wet bepaalde ten aanzien van cliënten is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van personen aan wie een
financiële onderneming voornemens is een financiële dienst te
verlenen.
2.Het ingevolge deze wet bepaalde ten aanzien van consumenten is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van niet in de uitoefening van
hun bedrijf of beroep handelende natuurlijke personen aan wie een
financiële onderneming voornemens is een financiële dienst te
verlenen.
§ 1.1.3.2. Diensten van de informatiemaatschappij
Artikel 1:16
1.Deze wet, met uitzondering van de artikelen 2:36, tweede tot en met
vierde lid, 2:38, 2:39 en 2:46, is niet van toepassing op financiële
diensten die kunnen worden aangemerkt als dienst van de
informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 15d, derde lid, van Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek en die worden verleend door een financiële
onderneming met zetel in een andere lidstaat of vanuit een in een andere
lidstaat gelegen bijkantoor door een financiële onderneming met zetel
in een staat die geen lidstaat is.
2.Indien ter bescherming van een van de belangen, bedoeld in het zesde
lid, onderdeel a, van artikel V van de Aanpassingswet richtlijn inzake
elektronische handel, maatregelen noodzakelijk zijn, kan Onze Minister
zonodig met toepassing van het zesde lid van dat artikel besluiten dat
het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen en de daarop
gebaseerde bepalingen geheel of gedeeltelijk, in afwijking van het
eerste lid, van toepassing is op een bepaalde financiële dienst als
bedoeld in dat lid.
Artikel 1:17
Onder het verlenen van een financiële dienst in Nederland wordt mede
verstaan het verlenen van een financiële dienst die kan worden
aangemerkt als dienst van de informatiemaatschappij als bedoeld in
artikel 15d, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in een
andere lidstaat door een financiële onderneming met zetel in Nederland
of door een in Nederland gelegen bijkantoor van een financiële
onderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is.
§ 1.1.3.3. Het verlenen van beleggingsdiensten en verrichten van
beleggingsactiviteiten
Artikel 1:18
Deze wet, met uitzondering van het deel Gedragstoezicht financiële
markten, is niet van toepassing op het verlenen van beleggingsdiensten
en het verrichten van beleggingsactiviteiten voorzover:
a. deze worden verleend aan of verricht voor de onderneming waarvan de
beleggingsonderneming dochtermaatschappij is, voor haar
dochtermaatschappijen of voor een andere dochtermaatschappij van de
onderneming waarvan zij dochtermaatschappij is;
b. deze bestaan uit het beheren van een werknemersparticipatieplan met
betrekking tot financiële instrumenten;
c. deze worden verleend of deze worden verricht door
beleggingsondernemingen wier hoofdbedrijf bestaat in het voor eigen
rekening handelen in grondstoffen of grondstoffenderivaten en die niet
deel uitmaken van een groep waarvan het hoofdbedrijf bestaat in het
verlenen van andere beleggingsdiensten, verrichten van andere
beleggingsactiviteiten of het uitoefenen van het bedrijf van bank;
d. deze worden verleend of verricht door levensverzekeraars,
schadeverzekeraars of herverzekeraars;
e. het beleggingsdiensten betreft die worden verleend door
beleggingsondernemingen die deze financiële diensten als incidentele
activiteit verrichten in het kader van een andere beroepsactiviteit die
aan wettelijke of bestuursrechtelijke voorschriften of aan een
beroepscode is onderworpen en op grond daarvan niet is verboden;
f. het adviseren betreft inzake transacties in financiële instrumenten
in het kader van het uitoefenen van een andere beroepsactiviteit en er
niet specifiek voor deze financiële dienst wordt betaald;
g. deze bestaan uit het handelen voor eigen rekening in financiële
instrumenten of het verlenen van beleggingsdiensten met betrekking tot
grondstoffenderivaten of financiële instrumenten als bedoeld in
onderdeel j van de definitie van financieel instrument in artikel 1:1
aan cliënten van het hoofdbedrijf van degene die de dienst verleent,
indien:
1°. dit handelen of deze dienst op groepsniveau als nevenactiviteit van
zijn hoofdbedrijf is aan te merken, en
2°. het hoofdbedrijf van de groep niet bestaat uit het verlenen van
beleggingsdiensten, het verrichten van beleggingsactiviteiten of het
uitoefenen van het bedrijf van bank;
h. het handelen voor eigen rekening betreft, met uitzondering van
handelen voor eigen rekening door marketmakers of handelaren voor eigen
rekening die frequent op een georganiseerde en systematische wijze
buiten een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit om
optreden door een voor derden toegankelijk systeem aan te bieden om met
hen transacties te sluiten;
i. deze bestaan uit het uitsluitend optreden als plaatselijke
onderneming.
Artikel 1:19
Het ingevolge deze wet bepaalde met betrekking tot de onderdelen a en b
van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 is
niet van toepassing op de inkoop of verkoop van rechten van deelneming
in beleggingsinstellingen door de beheerders van die
beleggingsinstellingen.
§ 1.1.3.4. Financiële diensten met betrekking tot krediet
Artikel 1:20
Deze wet is niet van toepassing op:
a. het door openbare lichamen ter uitvoering van een wettelijke taak
aanbieden van krediet;
b. financiële diensten die worden verleend door geregistreerde
geldtransactiekantoren als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet
inzake de geldtransactiekantoren, voorzover het diensten betreft die zij
mogen verlenen op grond van die wet;
c. financiële diensten met betrekking tot krediet waarbij het effectief
kredietvergoedingspercentage op het tijdstip van aangaan van de
overeenkomst inzake het krediet niet meer bedraagt dan de wettelijke
rente, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk
Wetboek, voorzover het krediet wordt aangeboden aan minder dan 100
consumenten of wordt aangeboden door een werkgever aan zijn werknemers;
d. financiële diensten met betrekking tot krediet bestaande uit een
overeenkomst van huur en verhuur of waartoe een zodanige overeenkomst
behoort, tenzij deze betrekking heeft op bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen zaken en de strekking heeft dat het verschaffen
van het genot van de zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft, al
dan niet door verlenging van die overeenkomst of het aangaan van een
nieuwe overeenkomst, langer dan zes maanden zal duren;
e. financiële diensten met betrekking tot krediet bestaande uit het in
ontvangst nemen van roerende zaken van een consument tegen het ter
beschikking stellen van een geldsom aan de consument, voorzover de
vordering op de consument tot terugbetaling teniet gaat indien de
betreffende roerende zaken door de financiële onderneming te gelde
worden gemaakt; en
f. financiële diensten met betrekking tot krediet waarbij is
overeengekomen dat geen van de terzake verschuldigde betalingen van de
consument later plaatsvindt dan drie maanden nadat de geldsom ter
beschikking is gesteld, het genot van een roerende zaak, financieel
instrument of beleggingsobject is verschaft, dan wel een dienst is
verleend.
§ 1.1.3.5. Financiële diensten met betrekking tot verzekeringen
Artikel 1:21
Deze wet is niet van toepassing op:
a. bemiddelen in verzekeringen, voorzover:
1°. het bemiddelen slechts kennis vergt van de verzekeringsdekking die
geboden wordt;
2°. het een verzekering betreft die geen levensverzekering is en geen
aansprakelijkheidsrisico’s dekt;
3°. de betreffende bemiddelaar een andere hoofdberoepswerkzaamheid
heeft dan bemiddelen in verzekeringen;
4°. het een verzekering betreft die een aanvulling is op de levering
van een zaak of de verlening van een dienst door de betreffende
bemiddelaar, hetgeen het geval is indien de betreffende verzekering het
risico dekt van defect, verlies, of beschadiging van door die
bemiddelaar geleverde zaken dan wel het risico dekt van beschadiging of
verlies van bagage of andere risico’s die verband houden met een bij
die bemiddelaar geboekte reis, ook indien de verzekering
levensverzekering- of aansprakelijkheidsrisico’s dekt indien dat een
bijkomende dekking is ten opzichte van de hoofddekking betreffende de
met die reis verband houdende risico’s; en
5°. het een verzekering betreft waarvan het bedrag van de jaarlijkse
premie niet hoger is dan € 500 en de volledige looptijd van de
verzekering, met inbegrip van eventuele verlengingen, niet langer is dan
een periode van vijf jaar; en
b. financiële diensten met betrekking tot verzekeringen met betrekking
tot risico’s en verplichtingen die zijn gelegen in een staat die geen
lidstaat is.
Artikel 1:22
Het bepaalde ingevolge de artikelen 4:9, eerste en tweede lid, 4:10,
4:11, tweede en derde lid, 4:13, eerste en tweede lid, 4:15, eerste en
tweede lid, 4:19, 4:20, eerste lid, 4:23, eerste tot en met derde lid,
en 4:73, eerste tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing
op het bemiddelen in verzekeringen en het herverzekeringsbemiddelen
vanuit Nederland ten behoeve van cliënten die hun gewone verblijfplaats
hebben in een andere lidstaat.
Afdeling 1.1.4. Aantastbaarheid van rechtshandelingen
Artikel 1:23
De rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling welke is
verricht in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels is
niet uit dien hoofde aantastbaar, behalve voorzover in deze wet anders
is bepaald.
Hoofdstuk 1.2. Toezichthouders
Afdeling 1.2.1. Algemene bepalingen
§ 1.2.1.1. Taakstelling
Artikel 1:24
1.Prudentieel toezicht is gericht op de soliditeit van financiële
ondernemingen en het bijdragen aan de stabiliteit van de financiële
sector.
2.De Nederlandsche Bank heeft, op de grondslag van deze wet, tot taak
het prudentieel toezicht op financiële ondernemingen uit te oefenen en
te beslissen omtrent de toelating van financiële ondernemingen tot de
financiële markten.
Artikel 1:25
1.Gedragstoezicht is gericht op ordelijke en transparante
financiëlemarktprocessen, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en
zorgvuldige behandeling van cliënten.
2.De Autoriteit Financiële Markten heeft, op de grondslag van deze wet,
tot taak het gedragstoezicht op financiële markten uit te oefenen en te
beslissen omtrent de toelating van financiële ondernemingen tot die
markten.
Artikel 1:25a
1. De raad, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Mededingingswet,
heeft, op de grondslag van deze wet, tot taak het toezicht op de
naleving van artikel 5:88 uit te oefenen.
2. De artikelen 1:49, 1:55, eerste lid, 1:56, eerste, tweede en vierde
lid, 1:58, eerste tot en met derde lid, 1:59, 1:65, eerste en vijfde
lid, 1:68, 1:72 tot en met 1:75, 1:79, 1:80, 1:81, met uitzondering van
het derde lid, en afdeling 1.5.1., met uitzondering van artikel 1:93a,
zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Artikel 1:47, eerste en derde lid, is van overeenkomstige toepassing
op het gebruik van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1:75, 1:79
en 1:80, door de raad, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat
zowel de Nederlandsche Bank als de Autoriteit Financiële Markten hun
zienswijze naar voren kunnen brengen.
§ 1.2.1.2. Institutionele bepalingen
Artikel 1:26
1.Het bestuur van de Autoriteit Financiële Markten bestaat uit ten
minste drie en ten hoogste vijf leden. De voorzitter en de andere leden
van het bestuur worden bij koninklijk besluit benoemd. Elke benoeming
geschiedt voor ten hoogste vier jaren. De raad van toezicht kan voor
elke benoeming van een lid van het bestuur een niet-bindende voordracht
bij Onze Minister indienen. Herbenoeming is onbeperkt mogelijk.
2.De voorzitter en de andere leden van het bestuur kunnen door Onze
Minister worden geschorst of bij koninklijk besluit worden ontslagen,
indien zij niet meer voldoen aan de eisen voor de uitoefening van hun
functie of daarin op ernstige wijze zijn tekortgeschoten. Ontslag vindt
voorts plaats op eigen verzoek.
3.Onze Minister draagt zorg voor de mededeling in de Staatscourant van
de in dit artikel bedoelde benoemingen, schorsingen en ontslagen.
4.De salarissen en de regelingen ten aanzien van pensioen en vergoeding
van onkosten van de voorzitter en de andere leden van het bestuur worden
vastgesteld door de raad van toezicht en behoeven de instemming van Onze
Minister.
Artikel 1:27
1.De Autoriteit Financiële Markten heeft een raad van toezicht.
2.De raad van toezicht ziet toe op het doelmatig en doeltreffend
functioneren van het bestuur, in het bijzonder ten aanzien van het
financieel beheer, en staat het bestuur met raad terzijde.
3.De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf
leden. De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht worden
door Onze Minister benoemd. Elke benoeming geschiedt voor ten hoogste
vier jaren. De raad van toezicht kan voor elke benoeming een
niet-bindende voordracht bij Onze Minister indienen. Herbenoeming kan
tweemaal en telkens voor ten hoogste vier jaren plaatsvinden.
4.De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht kunnen door
Onze Minister worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid of
onbekwaamheid voor de vervulde functie dan wel wegens andere
zwaarwegende in de persoon van de betrokkene gelegen redenen. Ontslag
vindt voorts plaats op eigen verzoek.
5.Onze Minister draagt zorg voor de mededeling in de Staatscourant van
de in dit artikel bedoelde benoemingen, schorsingen en ontslagen.
§ 1.2.1.3. Regelgevende bevoegdheid
Artikel 1:28
1.Indien ingevolge deze wet aan de toezichthouder de bevoegdheid wordt
toegekend om algemeen verbindende voorschriften vast te stellen, gaat de
toezichthouder daartoe niet over dan nadat hij een daarvoor in
aanmerking komende representatieve vertegenwoordiging van onder zijn
toezicht staande ondernemingen heeft geraadpleegd.
2.In geval van bijzondere omstandigheden is de Nederlandsche Bank
bevoegd tijdelijke algemeen verbindende voorschriften vast te stellen
teneinde bij te dragen aan de stabiliteit van de financiële sector,
bedoeld in artikel 1:24. Het eerste lid is niet van toepassing.
3.In geval van bijzondere omstandigheden is de Autoriteit Financiële
Markten bevoegd tijdelijke algemeen verbindende voorschriften vast te
stellen ter bevordering van de ordelijke en transparante
financiëlemarktprocessen, bedoeld in artikel 1:25. Het eerste lid is
niet van toepassing.
4.De toezichthouder stelt Onze Minister onverwijld in kennis van door
hem vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.
Artikel 1:29
1.Indien de door de toezichthouder vastgestelde algemeen verbindende
voorschriften naar het oordeel van Onze Minister in strijd zijn met de
wet, een verdrag of een bindend besluit van een volkenrechtelijke
organisatie, en de toezichthouder de geconstateerde onvolkomenheid na
overleg niet heeft weggenomen, stelt Onze Minister bij ministeriële
regeling regels voor het desbetreffende onderwerp, onder gelijktijdige
intrekking van de door de toezichthouder voor het desbetreffende
onderwerp vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.
2.Indien de door de toezichthouder vastgestelde algemeen verbindende
voorschriften een onredelijke belasting voor de financiële markten tot
gevolg hebben, en de toezichthouder de geconstateerde onvolkomenheid na
overleg niet heeft weggenomen, kan Onze Minister bij ministeriële
regeling regels stellen voor het desbetreffende onderwerp, onder
gelijktijdige intrekking van de door de toezichthouder voor het
desbetreffende onderwerp vastgestelde algemeen verbindende
voorschriften.
3.Indien Onze Minister op grond van het eerste of tweede lid
voorschriften vaststelt doet hij zo spoedig mogelijk een voordracht tot
wijziging van de algemene maatregel van bestuur waarin aan de
toezichthouder de bevoegdheid is toegekend algemeen verbindende
voorschriften vast te stellen.
4.Indien de door de toezichthouder ingevolge artikel 1:28, tweede of
derde lid, vastgestelde algemeen verbindende voorschriften naar het
oordeel van Onze Minister in strijd zijn met de wet, een verdrag, een
bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie of een onredelijke
belasting voor de financiële markten tot gevolg hebben, en de
toezichthouder de geconstateerde onvolkomenheid na overleg niet
onverwijld heeft weggenomen, kan Onze Minister die algemeen verbindende
voorschriften intrekken.
Artikel 1:29a
1.De Nederlandsche Bank maakt de onderstaande informatie openbaar:
a. het bij of krachtens het Deel Prudentieel toezicht financiële
ondernemingen bepaalde;
b. de wijze waarop in Nederland gebruik wordt gemaakt van de
keuzemogelijkheden in de richtlijnen van de Europese Unie die specifiek
gericht zijn tot beleggingsondernemingen en kredietinstellingen;
c. de algemene uitgangspunten die zij hanteert bij het gebruik van de
beleidsruimte die zij heeft ingevolge het bij of krachtens het Deel
Prudentieel toezicht financiële ondernemingen bepaalde;
d. de algemene criteria en methodieken op basis waarvan de evaluatie,
bedoeld in artikel 3:18a, wordt verricht; en
e. de geaggregeerde statistische gegevens over de voornaamste aspecten
van de tenuitvoerlegging van de prudentiële regels.
2.De op grond van het eerste lid gepubliceerde informatie is voldoende
om een zinvolle vergelijking te kunnen maken tussen de uitoefening van
het prudentieel toezicht door de toezichthoudende instanties van de
verschillende lidstaten.
Afdeling 1.2.2. Rekening en verantwoording
Artikel 1:30
1.De toezichthouder stelt jaarlijks een begroting op van de in het
daaropvolgende jaar te verwachten baten en lasten, investeringsuitgaven
alsmede inkomsten en uitgaven met betrekking tot de uitvoering van de
ingevolge deze wet opgedragen taak en de daaruit voortvloeiende
werkzaamheden. De begroting wordt op een zodanige wijze opgesteld dat de
lasten en de uitgaven structureel worden gedekt door de baten en de
inkomsten.
2.De begrotingsposten worden van een toelichting voorzien.
3.Tenzij de werkzaamheden waarop de begroting betrekking heeft nog niet
eerder werden verricht, bevat de begroting een vergelijking met de
begroting van het lopende jaar en de laatste jaarrekening of
verantwoording waarmee Onze Minister heeft ingestemd.
4.De toezichthouder zendt de begroting voor 1 december van het aan het
begrotingsjaar voorafgaande jaar ter instemming aan Onze Minister.
5.De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het
algemeen belang. Ingeval van gebleken strijdigheid wordt instemming niet
onthouden dan nadat de toezichthouder in de gelegenheid is gesteld de
begroting aan te passen, binnen een door Onze Minister te stellen
redelijke termijn.
6.De toezichthouder doet onverwijld na instemming mededeling van de
begroting in de Staatscourant en houdt deze gedurende een jaar na
instemming op elektronische wijze ter inzage.
7.Wanneer Onze Minister niet voor 1 januari van het jaar waarop deze
betrekking heeft met de begroting heeft ingestemd, kan de
toezichthouder, in het belang van een juiste uitvoering van zijn taak,
voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven
beschikken over ten hoogste vier twaalfde gedeelten van de bedragen die
bij de overeenkomstige onderdelen in de begroting van het voorafgaande
jaar waren toegestaan.
Artikel 1:31
Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen
te ontstaan tussen de werkelijke en begrote baten en lasten dan wel
inkomsten en uitgaven, doet de toezichthouder daarvan onverwijld
mededeling aan Onze Minister onder vermelding van de oorzaak van de
verschillen.
Artikel 1:32
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de
inrichting van de begroting.
Artikel 1:33
1.De Autoriteit Financiële Markten stelt jaarlijks een jaarrekening op
van de ingevolge deze wet opgedragen taak en de daaruit voortvloeiende
werkzaamheden.
2.De jaarrekening van de Autoriteit Financiële Markten, waarin rekening
en verantwoording wordt afgelegd van het financieel beheer en van de
geleverde prestaties over het verstreken boekjaar, wordt zoveel mogelijk
met overeenkomstige toepassing van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek ingericht.
3.De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een door de Autoriteit Financiële Markten
aangewezen accountant.
4.De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het derde lid, een
verslag van zijn bevindingen omtrent de rechtmatige inning en besteding
van de middelen door de Autoriteit Financiële Markten uit hoofde van
deze wet.
5.De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het derde lid,
tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en
de organisatie van de Autoriteit Financiële Markten uit hoofde van deze
wet voldoen aan eisen van doelmatigheid.
6.De Autoriteit Financiële Markten zendt de jaarrekening voor 1 mei van
het op het boekjaar volgende jaar ter instemming aan Onze Minister.
7.De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het
algemeen belang.
8.De Autoriteit Financiële Markten doet onverwijld na instemming
mededeling van de jaarrekening in de Staatscourant en houdt deze
gedurende een jaar na instemming op elektronische wijze ter inzage.
Artikel 1:34
1.De Nederlandsche Bank stelt jaarlijks een verantwoording op van de
ingevolge deze wet opgedragen taak en de daaruit voortvloeiende
werkzaamheden.
2.De verantwoording gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een door de Nederlandsche Bank aangewezen
accountant.
3.De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede lid, een
verslag van zijn bevindingen omtrent de rechtmatige inning en besteding
van de middelen door de Nederlandsche Bank uit hoofde van deze wet.
4.De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede lid,
tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en
de organisatie van de Nederlandsche Bank uit hoofde van deze wet voldoen
aan eisen van doelmatigheid.
5.De Nederlandsche Bank zendt de verantwoording, bedoeld in het eerste
lid, voor 1 mei van het op het boekjaar volgende jaar ter instemming aan
Onze Minister.
6.De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het
algemeen belang.
7.De Nederlandsche Bank doet onverwijld na instemming mededeling van de
verantwoording in de Staatscourant en houdt deze gedurende een jaar na
instemming op elektronische wijze ter inzage.
Artikel 1:35
1.Het verschil tussen de aan het eind van een begrotingsjaar
gerealiseerde baten van de toezichthouder en de gerealiseerde lasten van
de toezichthouder vormt het exploitatiesaldo.
2.Indien in enig boekjaar een exploitatiesaldo ontstaat en de
toezichthouder dit exploitatiesaldo wil betrekken bij de in rekening te
brengen kosten als bedoeld in artikel 1:40, doet de toezichthouder
daaromtrent een voorstel in de jaarrekening of de verantwoording.
Artikel 1:36
1.De toezichthouder stelt jaarlijks een jaarverslag op. Het jaarverslag
beschrijft de taakuitoefening en het daartoe gevoerde beleid uit hoofde
van deze wet in het voorafgaande jaar. Het jaarverslag beschrijft voorts
het gevoerde beleid met betrekking tot de kwaliteitszorg.
2.De toezichthouder zendt het jaarverslag voor 1 mei aan Onze Minister.
Onze Minister zendt een afschrift van het jaarverslag aan de Tweede
Kamer der Staten-Generaal.
3.De toezichthouder houdt het jaarverslag op elektronische wijze ter
inzage.
Artikel 1:37
1.De toezichthouder legt een voorgenomen statutenwijziging ter
voorafgaande instemming voor aan Onze Minister. De artikelen 10:29 tot
en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige
toepassing.
2.De instemming, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd:
a. indien de statuten na wijziging onvoldoende zijn afgestemd op het in
deze wet bepaalde;
b. indien de statuten na wijziging onvoldoende waarborgen bieden voor
een onafhankelijke taakvervulling door de toezichthouder;
c. wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Artikel 1:38
1.De toezichthouder draagt met betrekking tot de uitvoering van zijn
taak op grond van deze wet zorg voor:
a. een tijdige voorbereiding en uitvoering;
b. de kwaliteit van de daarbij gebruikte procedures;
c. de zorgvuldige behandeling van een ieder die met hem in aanraking
komt;
d. de zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften en klachten die
worden ontvangen.
2.De toezichthouder treft voorzieningen, waardoor een ieder die met hem
in aanraking komt in de gelegenheid is voorstellen tot verbetering van
werkwijzen en procedures te doen.
3.In het jaarverslag, bedoeld in artikel 1:36, doet de toezichthouder
verslag van hetgeen tot uitvoering van het eerste en het tweede lid is
verricht.
Artikel 1:39
1.De toezichthouder organiseert overleg over:
a. de door de toezichthouder op te stellen begroting;
b. de door de toezichthouder gerealiseerde baten en lasten alsmede
inkomsten en uitgaven, en verrichte werkzaamheden;
c. de kosten voor ondernemingen die verband houden met de uitvoering van
zijn taak op grond van deze wet en de daaruit voortvloeiende
werkzaamheden.
2.Het overleg wordt gevoerd door de toezichthouder en een daarvoor in
aanmerking komende representatieve vertegenwoordiging van de onder zijn
toezicht staande ondernemingen. De toezichthouder kan tevens daarvoor in
aanmerking komende cliëntenorganisaties toelaten tot het overleg. Onze
Minister wijst ambtenaren aan die namens hem het overleg bijwonen.
3.Het overleg vindt tweemaal per jaar plaats.
4.De toezichthouder maakt het verslag van het overleg binnen een
redelijke termijn na het overleg openbaar.
Artikel 1:40
1.De toezichthouder brengt de kosten van de werkzaamheden die hij
verricht in verband met de uitvoering van zijn taak op grond van deze
wet in rekening bij de ondernemingen ten aanzien waarvan die
werkzaamheden worden verricht, voorzover deze kosten niet ten laste
komen van de Rijksbegroting. Tot de kosten behoren onder meer de kosten
die hij ter voorbereiding op de uitvoering van nieuwe onderdelen van
zijn taak heeft gemaakt, voordat deze aan hem werden opgedragen.
2.De toezichthouder die in het kader van een aanvraag van een vergunning
of instemming op grond van artikel 1:48 advies vraagt aan de andere
toezichthouder kan ten behoeve van de andere toezichthouder bij de
aanvrager kosten in rekening brengen die betrekking hebben op de
werkzaamheden die in dit kader door laatstgenoemde toezichthouder worden
verricht.
3.De kosten worden gebaseerd op de begroting waarmee Onze Minister heeft
ingestemd en op het exploitatiesaldo indien Onze Minister heeft
ingestemd met de jaarrekening of de verantwoording waarin een voorstel
als bedoeld in artikel 1:35, tweede lid, is opgenomen.
4.Op de begrote kosten worden de opbrengsten uit boetes en verbeurde
dwangsommen, voorzover de hieraan ten grondslag liggende besluiten van
de toezichthouder in het voorafgaande jaar onherroepelijk zijn geworden,
in mindering gebracht.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld met betrekking tot het eerste tot en met derde lid. Daarbij kan
onderscheid worden gemaakt tussen incidenteel en jaarlijks in rekening
te brengen kosten en kan tevens worden voorzien in een bevoegdheid voor
de toezichthouder om in bepaalde gevallen kosten niet of niet geheel in
rekening te brengen indien het volledig in rekening brengen van de
kosten zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze
regels hebben onder meer betrekking op de toerekening van
toezichthandelingen aan ondernemingen.
6.Bij ministeriële regeling worden de tarieven vastgesteld op basis
waarvan de kosten, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid,
worden doorberekend.
Artikel 1:41
De toezichthouder verstrekt Onze Minister desgevraagd inlichtingen die
nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van algemene
beleidsvoornemens en voorgenomen wettelijke voorschriften, voorzover
deze betrekking hebben op het door de toezichthouder uit te oefenen
toezicht ingevolge deze wet.
Artikel 1:42
1.Onze Minister kan aan de toezichthouder de gegevens of inlichtingen
vragen die nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze
wet of de wijze waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft
uitgevoerd, indien dat ter wille van het toezicht nodig blijkt.
2.De toezichthouder verstrekt aan Onze Minister de in het eerste lid
bedoelde gegevens of inlichtingen, tenzij het vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen betreft in de zin van artikel 1:89, eerste lid, die:
a. betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke
persoon of vennootschap, met uitzondering van gegevens of inlichtingen
die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke
financiële onderneming:
1°. waaraan een vergunning op grond van het Deel Markttoegang
financiële ondernemingen is verleend of die een verklaring van
ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 heeft verkregen of
waarvan die vergunning onderscheidenlijk die verklaring is ingetrokken
of vervallen; en
2°. ten aanzien waarvan surséance van betaling is verleend, of
overeenkomstig afdeling 3.5.5 de noodregeling is uitgesproken of die in
staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke
uitspraak is ontbonden;
b. betrekking hebben op ondernemingen die betrokken zijn of zijn geweest
bij een poging een financiële onderneming in staat te stellen haar
bedrijf voort te zetten; of
c. zijn ontvangen van een toezichthoudende instantie of zijn verkregen
naar aanleiding van een verificatie bij een in een andere staat gelegen
bijkantoor van een in Nederland gevestigde financiële onderneming, en
niet de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die toezichthoudende
instantie of van de toezichthoudende instantie van de staat waar de
verificatie ter plaatse is verricht.
3.Onze Minister kan een derde opdragen de gegevens of inlichtingen die
hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem
verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn
opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te
winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige
toepassing zijn.
4.Onze Minister gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge
het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend voor het vormen van
zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de
toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.
5.Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht
tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid ontvangen gegevens
of inlichtingen.
6.Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de
gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken
conclusies aan de beide kamers der Staten-Generaal mededelen en de
conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.
7.De Wet openbaarheid van bestuur, de Wet Nationale Ombudsman, en titel
9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing met
betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die
Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.
Artikel 1:43
1.Indien naar het oordeel van Onze Minister de toezichthouder zijn taak
ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen
treffen.
2.Ter uitvoering van het eerste lid kan Onze Minister besluiten een of
meer onderdelen van de taak van de toezichthouder zelf uit te voeren of
door de andere toezichthouder te laten uitvoeren. Alsdan komen de
desbetreffende bevoegdheden van de toezichthouder toe aan Onze Minister
onderscheidenlijk aan de andere toezichthouder.
3.De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet
eerder getroffen dan nadat de toezichthouder in de gelegenheid is
gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn
taak naar behoren uit te voeren.
4.Onze Minister stelt de Tweede Kamer der Staten-Generaal onverwijld in
kennis van door hem op grond van het eerste lid getroffen voorzieningen.
Artikel 1:44
1.Onze Minister zendt drie jaar na inwerkingtreding van deze wet en
vervolgens elke vijf jaar een verslag aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het
functioneren van de toezichthouders.
2.Onze Minister zendt drie jaar na inwerkingtreding van deze wet een
verslag aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de samenwerking van
de toezichthouders ingevolge deze wet.
3.De toezichthouders verstrekken desgevraagd aan Onze Minister gegevens
en inlichtingen ten behoeve van deze verslagen.
Artikel 1:45
Tegen besluiten van Onze Minister inzake instemming met de begroting, de
jaarrekening of de verantwoording kan geen beroep worden ingesteld als
bedoeld in artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 1.3. Samenwerking toezichthouders
Afdeling 1.3.1. Samenwerking toezichthouders nationaal
Artikel 1:46
1.De toezichthouders werken samen met het oog op de vaststelling van
algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels opdat deze,
voorzover zij betrekking hebben op onderwerpen die zowel tot het
prudentieel toezicht als tot het gedragstoezicht behoren, zoveel
mogelijk gelijkluidend zijn.
2.Tot de in het eerste lid bedoelde onderwerpen worden in elk geval
gerekend:
a. het gebruik van de bevoegdheden, genoemd in afdeling 1.4.2;
b. de betrouwbaarheid, bedoeld in de artikelen 3:9 en 4:10;
c. de deskundigheid, bedoeld in de artikelen 3:8 en 4:9;
d. de beheerste en integere bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen
3:17, tweede lid, onderdelen a en b, en 4:14, tweede lid, onderdelen a
en b; en
e. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen.
Artikel 1:47
1.De toezichthouder neemt geen besluit tot het treffen van een in het
tweede lid genoemde maatregel dan nadat hij aan de andere toezichthouder
een redelijke termijn heeft geboden om daarover zijn zienswijze naar
voren te brengen.
2.De maatregelen zijn:
a. de benoeming van een curator op grond van artikel 1:76;
b. de intrekking van een vergunning op grond van artikel 1:104, aanhef
en onderdeel b, c, d, e, f of j;
c. het opleggen van het verbod, bedoeld in artikel 1:58, tweede lid,
1:58a, tweede lid, 1:58b, tweede lid, 1:58c, derde lid, 1:59, tweede
lid, 1:67, eerste lid, 1:77, eerste lid, derde volzin, 4:4, eerste lid,
of 4:4a; en
d. de aanwijzing op grond van artikel 1:75, strekkende tot het doen
heenzenden van een persoon die het beleid van een financiële
onderneming bepaalt of mede bepaalt of strekkende tot het doen
heenzenden van een persoon die onderdeel is van een orgaan dat belast is
met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van een
financiële onderneming.
3.De zienswijze wordt schriftelijk naar voren gebracht, tenzij
onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zich daartegen
verzet. In dat geval kan worden volstaan met een mondeling naar voren
gebrachte zienswijze, met dien verstande dat deze zo spoedig mogelijk
schriftelijk wordt bevestigd. Indien de toezichthouder een besluit als
bedoeld in het eerste lid neemt dat afwijkt van de door de andere
toezichthouder naar voren gebrachte zienswijze, wordt zulks met de
redenen voor de afwijking in de motivering van het besluit vermeld. De
zienswijze of de schriftelijke bevestiging van een mondeling gegeven
zienswijze vormt een integraal onderdeel van het besluit tot het treffen
van een toezichtmaatregel.
4.Het eerste en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op het
aanvragen van het faillissement op grond van artikel 212k of artikel
213b van de Faillissementswet en het aanvragen van de noodregeling op
grond van afdeling 3.5.5.
Artikel 1:47a
De Autoriteit Financiële Markten raadpleegt de Nederlandsche Bank
alvorens zij een vergunning verleent aan een beleggingsonderneming die:
a. dochtermaatschappij is van een kredietinstelling, levensverzekeraar
of schadeverzekeraar waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend;
b. dochtermaatschappij is van een moedermaatschappij van een
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een
lidstaat een vergunning is verleend;
c. onder zeggenschap staat van een persoon die tevens zeggenschap
uitoefent over een kredietinstelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend.
Artikel 1:48
1. Indien de Nederlandsche Bank in het kader van de behandeling van een
in artikel 2:3b, 2:13, 2:22, 2:32, 2:33, 2:42, 2:43, 3:33 of 3:110,
vierde of vijfde lid, bedoelde aanvraag dient te beoordelen of de
aanvrager zal voldoen aan het bij of krachtens het Deel Gedragstoezicht
financiële ondernemingen bepaalde vraagt zij, alvorens te beslissen op
die aanvraag, daarover advies aan de Autoriteit Financiële Markten.
2. Indien de Autoriteit Financiële Markten in het kader van de
behandeling van een in artikel 2:67, 2:68 of 2:99 bedoelde aanvraag
dient te beoordelen of de aanvrager zal voldoen aan het bij of krachtens
het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen bepaalde vraagt
zij, alvorens te beslissen op die aanvraag, daarover advies aan de
Nederlandsche Bank.
3. De toezichthouder wiens advies als bedoeld in het eerste of tweede
lid wordt gevraagd, brengt het advies schriftelijk uit binnen zes weken
na het verzoek.
4. Indien de Autoriteit Financiële Markten in het kader van een
aanvraag van instemming als bedoeld in artikel 2:122, 2:127 of 2:130 of
in het kader van een melding van een wijziging als bedoeld in artikel
4:26, eerste of tweede lid, dient te beoordelen of de financiële
positie van de aanvrager onderscheidenlijk de betrokken financiële
onderneming toereikend is, vraagt zij daarover advies aan de
Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank brengt het advies schriftelijk
uit binnen drie weken na het verzoek.
5. Indien de toezichthouder die het advies heeft gevraagd overweegt af
te wijken van het advies stelt hij de toezichthouder die het advies
heeft gegeven in de gelegenheid om het advies mondeling toe te lichten.
6. Het advies, bedoeld in het eerste, tweede of vierde lid, maakt deel
uit van het besluit ten aanzien van de vergunning of instemming.
Artikel 1:49
1.Indien een toezichthouder constateert dat de betrouwbaarheid van een
persoon die het beleid bepaalt of mede bepaalt van een financiële
onderneming waaraan door de andere toezichthouder een vergunning is
verleend of die onderdeel is van een orgaan dat belast is met het
toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van een zodanige
onderneming, niet of niet langer buiten twijfel staat, stelt hij de
andere toezichthouder daarvan in kennis en doet hij daarbij een
aanbeveling voor een te treffen maatregel als bedoeld in afdeling 1.4.2.
2.Indien een toezichthouder constateert dat een persoon die het
dagelijks beleid bepaalt van een financiële onderneming waaraan door de
andere toezichthouder een vergunning is verleend, niet of niet langer
over de ingevolge deze wet vereiste deskundigheid beschikt, stelt hij de
andere toezichthouder daarvan in kennis en doet hij daarbij een
aanbeveling voor een te treffen maatregel als bedoeld in afdeling 1.4.2.
3.De kennisgeving en aanbeveling worden schriftelijk gedaan, tenzij
onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zich daartegen
verzet. In dat geval kan worden volstaan met een mondelinge kennisgeving
en aanbeveling, met dien verstande dat deze zo spoedig mogelijk
schriftelijk worden bevestigd.
4.De andere toezichthouder bericht de toezichthouder die de kennisgeving
en de aanbeveling heeft gedaan binnen een redelijke termijn gemotiveerd
of hij naar aanleiding van de kennisgeving en de aanbeveling overgaat
tot het treffen van een maatregel als bedoeld in afdeling 1.4.2.
5.Indien de andere toezichthouder naar aanleiding van de kennisgeving en
de aanbeveling een maatregel als bedoeld in afdeling 1.4.2 treft, is
artikel 1:47 niet van toepassing.
6.Indien op basis van de kennisgeving wordt overgegaan tot het treffen
van een maatregel als bedoeld in afdeling 1.4.2 vormen de kennisgeving
en de aanbeveling een integraal onderdeel van het besluit tot het
treffen van de toezichtmaatregel.
Artikel 1:50
1.Indien de Autoriteit Financiële Markten toezicht houdt op een
financiële onderneming die deel uitmaakt van een financieel
conglomeraat als bedoeld in artikel 3:290, is artikel 1:54, eerste tot
en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing op de Autoriteit
Financiële Markten.
2.Artikel 1:54, eerste tot en met vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing op de samenwerking tussen de Nederlandsche Bank en de
Autoriteit Financiële Markten bij de uitoefening van het toezicht,
bedoeld in afdeling 3.6.4.
Afdeling 1.3.2. Samenwerking met andere lidstaten algemeen
§ 1.3.2.1. Samenwerking en uitwisseling van gegevens en inlichtingen
Artikel 1:51
1.De toezichthouder werkt samen met toezichthoudende instanties van
andere lidstaten, indien dat voor het vervullen van zijn taak op grond
van deze wet of voor de vervulling van de taak van die toezichthoudende
instanties nodig is.
2.De toezichthouder verstrekt op verzoek aan een toezichthoudende
instantie van een andere lidstaat, met inachtneming van het derde lid en
artikel 1:90, eerste tot en met derde lid, alle gegevens en inlichtingen
die voor de vervulling van de taak van die toezichthoudende instantie
nodig zijn.
3.Indien het verzoek betrekking heeft op een beleggingsonderneming, kan
de Autoriteit Financiële Markten slechts besluiten de verstrekking van
gegevens of inlichtingen achterwege te laten, indien:
a. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou
verdragen met de Nederlandse soevereiniteit, nationale veiligheid of
openbare orde;
b. voor hetzelfde feit en tegen dezelfde persoon in Nederland reeds een
gerechtelijke procedure aanhangig is gemaakt;
c. tegen dezelfde persoon en voor hetzelfde feit in Nederland reeds een
onherroepelijke vonnis is gewezen.
4.De Autoriteit Financiële Markten stelt de toezichthoudende instantie
van de andere lidstaat van haar met redenen omklede besluit, bedoeld in
het derde lid, in kennis.
5.De Autoriteit Financiële Markten verstrekt op verzoek aan een
toezichthoudende instantie van een andere lidstaat waar een
marktexploitant waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 5:26,
eerste lid, is verleend, passende voorzieningen treft om de toegang tot
de handel in zijn systeem voor in die lidstaat gevestigde leden of
deelnemers op afstand te faciliteren, binnen een redelijke termijn de
namen van de leden van of deelnemers aan de desbetreffende
gereglementeerde markt.
Artikel 1:51a
1.De Nederlandsche Bank werkt ten behoeve van het toezicht, bedoeld in
afdeling 3.6.2, samen met de betrokken toezichthoudende instanties van
andere lidstaten. In het kader daarvan verstrekt de Nederlandsche Bank
aan die toezichthoudende instantie desgevraagd, met inachtneming van
artikel 1:90, eerste tot en met derde lid, alle relevante informatie.
2.De Nederlandsche Bank verstrekt eigener beweging aan de betrokken
toezichthoudende instanties van andere lidstaten alle essentiële
informatie voor de vervulling van hun taak ten behoeve van het toezicht,
bedoeld in afdeling 3.6.2.
3.Onder essentiële informatie als bedoeld in het tweede lid, worden in
elk geval verstaan gegevens over:
a. de structuur van de groep, de belangrijke beleggingsondernemingen en
kredietinstellingen van de groep, alsmede de toezichthoudende instanties
van andere lidstaten die toezicht houden op de beleggingsondernemingen
en kredietinstellingen van de groep;
b. procedures voor de verzameling van informatie bij de
beleggingsondernemingen en kredietinstellingen van de groep, alsmede
voor de verificatie van deze informatie;
c. ontwikkelingen bij beleggingsondernemingen, kredietinstellingen of
andere ondernemingen van de groep die ernstige nadelige gevolgen voor de
beleggingsondernemingen of kredietinstellingen zouden kunnen hebben;
d. belangrijke sancties en bijzondere maatregelen die de Nederlandsche
Bank of de toezichthoudende instanties van andere lidstaten ten aanzien
van de in afdeling 3.6.2 bedoelde financiële ondernemingen hebben
getroffen.
4.Indien de Nederlandsche Bank toezicht houdt op een Nederlandse
beleggingsonderneming of Nederlandse kredietinstelling die een
dochteronderneming is van een EU-moederbeleggingsonderneming of een
EU-moederkredietinstelling en informatie nodig heeft over de invoering
van benaderingen of methodieken zoals beschreven ingevolge deze wet en
die informatie reeds is verstrekt aan de toezichthoudende instantie die
toezicht houdt op die EU-moederbeleggingsonderneming of
EU-moederkredietinstelling richt zij zich eerst tot deze
toezichthoudende instantie.
5.De Nederlandsche Bank overlegt, voordat zij een besluit neemt dat van
belang is voor de toezichthoudende taken als bedoeld in afdeling 3.6.2
van een andere betrokken toezichthoudende instantie, met die instantie
over:
a. veranderingen in het aandeelhouderschap, de organisatie of de
bestuursstructuur van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen in
de groep; en
b. belangrijke sancties of bijzondere maatregelen.
6.De Nederlandsche Bank vraagt advies aan de toezichthoudende instantie
van een andere lidstaat die toezicht houdt op geconsolideerde basis,
voordat zij een besluit neemt over het opleggen van een sanctie of
maatregel als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b.
7.De Nederlandsche Bank kan het inwinnen van advies als bedoeld in het
zesde lid in spoedeisende gevallen achterwege laten. In dat geval deelt
zij de toezichthoudende instanties van andere lidstaten haar besluit
onverwijld mede.
Artikel 1:52
1.De toezichthouder kan ten behoeve van de uitvoering van zijn taak op
grond van deze paragraaf van een ieder inlichtingen vorderen, indien dat
voor de vervulling van de taak van een toezichthoudende instantie in een
andere lidstaat nodig is.
2.De artikelen 5:13 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:53
1.Indien een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar en een Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met elkaar zijn verbonden als bedoeld in artikel
3:268, eerste lid, onderdeel i, stelt de Nederlandsche Bank, met
inachtneming van artikel 1:90, eerste tot en met derde lid, eigener
beweging de toezichthoudende instantie in iedere andere betrokken
lidstaat in kennis van alle informatie die essentieel lijkt voor het
door die toezichthoudende instantie uit te oefenen toezicht.
2.Indien een Nederlandse herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar en een beleggingsonderneming of een kredietinstelling
met zetel in een andere lidstaat met elkaar zijn verbonden als bedoeld
in artikel 3:268, onderdeel i, verstrekt de Nederlandsche Bank, met
inachtneming van artikel 1:90, eerste tot en met derde lid, aan de
toezichthoudende instanties die belast zijn met het toezicht op die
andere financiële ondernemingen alle informatie die de vervulling van
hun taak kan vergemakkelijken.
Artikel 1:54
1.De Nederlandsche Bank werkt ten behoeve van het toezicht, bedoeld in
afdeling 3.6.4, samen met de betrokken toezichthoudende instanties van
andere lidstaten. In het kader daarvan verstrekt de Nederlandsche Bank
aan die toezichthoudende instanties, met inachtneming van artikel 1:90,
eerste tot en met derde lid, desgevraagd alle relevante informatie en
verstrekt zij hun eigener beweging alle essentiële informatie.
2.De in het eerste lid bedoelde samenwerking behelst ten minste het
vergaren en uitwisselen van informatie met betrekking tot de volgende
aspecten:
a. de structuur van de groep, bedoeld in artikel 3:289, onderdeel e,
alle belangrijke ondernemingen die tot het financiële conglomeraat
behoren en de toezichthoudende instanties van andere lidstaten die
verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de gereglementeerde
entiteiten, bedoeld in artikel 3:289, onderdeel d, in de groep;
b. de door het financiële conglomeraat gevolgde strategie;
c. de financiële situatie van het financiële conglomeraat, in het
bijzonder de kapitaaltoereikendheid, de transacties binnen de groep, de
risicoconcentratie, bedoeld in artikel 3:289, onderdeel l, en de
winstgevendheid;
d. de belangrijkste aandeelhouders en het bestuur van het financiële
conglomeraat;
e. de bedrijfsvoering op het niveau van het financiële conglomeraat;
f. de procedures voor de verzameling van informatie bij de ondernemingen
in het financiële conglomeraat en de verificatie van deze informatie;
g. ontwikkelingen bij gereglementeerde entiteiten of bij andere
groepsleden van het financiële conglomeraat die ernstige nadelige
gevolgen voor de gereglementeerde entiteiten kunnen hebben;
h. belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de
toezichthoudende instanties van andere lidstaten ten aanzien van het
financieel conglomeraat of onderdelen daarvan hebben getroffen.
3.De Nederlandsche Bank pleegt, voordat zij een besluit neemt in verband
met de hierna vermelde aangelegenheden, overleg met de toezichthoudende
instanties van andere lidstaten die zijn belast met het toezicht op
gereglementeerde entiteiten in het financiële conglomeraat, indien dat
besluit van belang is voor de toezichthoudende taken van die
toezichthoudende instanties:
a. veranderingen in het aandeelhouderschap, de organisatie of de
bestuursstructuur van een gereglementeerde entiteit die haar goedkeuring
behoeven;
b. belangrijke sancties of buitengewone maatregelen ten aanzien van een
gereglementeerde entiteit.
4.De Nederlandsche Bank kan, onverminderd het in het derde lid bedoelde
overleg in spoedeisende gevallen, of indien dat overleg de
doeltreffendheid van haar besluiten in gevaar kan brengen, achterwege
laten. In dat geval stelt zij de toezichthoudende instanties van andere
lidstaten van haar besluit onverwijld in kennis.
5.Op verzoek van de coördinator, bedoeld in artikel 3:293, eerste lid,
wint de Nederlandsche Bank bij de moederonderneming met zetel in
Nederland die, alleen of samen met een andere onderneming, aan het hoofd
staat van de groep waartoe een gereglementeerde entiteit behoort, alle
inlichtingen in die relevant zijn voor de uitoefening van de taken van
de coördinator.
6.Indien de Nederlandsche Bank geen coördinator is en de coördinator
het nodig acht dat met het oog op het toezicht, bedoeld in afdeling
3.6.4, maatregelen worden getroffen tegen een gemengde financiële
holding met zetel in Nederland, neemt zij op verzoek van de coördinator
de redelijkerwijs noodzakelijke maatregelen tegen die gemengde
financiële holding, met gebruikmaking van de haar ingevolge deze wet
toekomende bevoegdheden.
Artikel 1:54a
Indien een marktexploitant waaraan een vergunning als bedoeld in artikel
5:26, eerste lid, is verleend in een andere lidstaat voorzieningen heeft
getroffen waardoor het voor deelnemers of leden van de gereglementeerde
markt mogelijk is om vanuit die lidstaat daarop te handelen, en de
werkzaamheden van de gereglementeerde markt van aanzienlijk belang zijn
voor de werking van de effectenmarkten en de bescherming van de
beleggers in die lidstaat, maakt de Autoriteit Financiële Markten,
onverminderd artikel 1:51, afspraken met de relevante toezichthoudende
instanties in die lidstaat over de uitoefening van haar toezicht.
§ 1.3.2.2. Samenwerking in het kader van toezicht op de naleving
Artikel 1:55
1. Indien een beheerder, beleggingsonderneming, betaalinstelling,
herverzekeraar, kredietinstelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in Nederland een bijkantoor heeft in een
andere lidstaat, kan de toezichthouder ten behoeve van het toezicht op
de naleving van deze wet door die financiële onderneming:
a. de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat verzoeken om bij
het bijkantoor gegevens of inlichtingen te verifiëren; of
b. na kennisgeving aan de toezichthoudende instantie van de andere
lidstaat zelf bij het bijkantoor gegevens of inlichtingen verifiëren of
doen verifiëren.
2. Indien de Nederlandsche Bank ten behoeve van het toezicht op
geconsolideerde basis als bedoeld in hoofdstuk 3.6 gegevens of
inlichtingen wenst te verifiëren bij een in een andere lidstaat
gevestigde onderneming, kan zij ten behoeve van dat toezicht:
a. de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat verzoeken om bij
die onderneming gegevens of inlichtingen te verifiëren;
b. na kennisgeving aan de toezichthoudende instantie van de andere
lidstaat zelf bij die onderneming gegevens of inlichtingen verifiëren
of doen verifiëren.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
betaaldienstagenten en personen aan wie werkzaamheden zijn uitbesteed
door betaalinstellingen.
Artikel 1:56
1. Indien een beheerder, beleggingsonderneming, betaaldienstverlener,
herverzekeraar, kredietinstelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat een bijkantoor heeft
in Nederland, kan de toezichthoudende instantie van die andere lidstaat,
na de toezichthouder in kennis te hebben gesteld, bij het bijkantoor
gegevens of inlichtingen verifiëren die nodig zijn voor de uitoefening
van het toezicht op die beheerder, beleggingsonderneming,
betaaldienstverlener, herverzekeraar, kredietinstelling,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar.
2. De toezichthoudende instantie van de andere lidstaat kan voorts de
toezichthouder verzoeken bij het bijkantoor gegevens of inlichtingen te
verifiëren die nodig zijn voor de uitoefening van het toezicht op die
beheerder, beleggingsonderneming, betaaldienstverlener, herverzekeraar,
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar. De
toezichthouder geeft aan dit verzoek gevolg, of stelt de
toezichthoudende instantie van de andere lidstaat in de gelegenheid om
bij het bijkantoor gegevens of inlichtingen te verifiëren of te doen
verifiëren.
3. Indien een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat ten
behoeve van het toezicht op geconsolideerde basis op een
kredietinstelling met zetel in die lidstaat gegevens of inlichtingen
wenst te verifiëren bij een in Nederland gevestigde onderneming, kan
zij de Nederlandsche Bank verzoeken dat te doen. De Nederlandsche Bank
geeft aan dit verzoek gevolg, of geeft de toezichthoudende instantie
gelegenheid om de gegevens of inlichtingen te verifiëren of te doen
verifiëren.
4. De toezichthouder kan ten behoeve van een verificatie als bedoeld in
het eerste of tweede lid bij het bijkantoor onderscheidenlijk bij de
onderneming inlichtingen vorderen. De artikelen 5:13, 5:17 en 5:20 van
de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Het eerste, tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van betaaldienstagenten van betaaldienstverleners met zetel
in een andere lidstaat, die beschikken over een door de toezichthoudende
instantie van die lidstaat verleende vergunning voor het verlenen van
betaaldiensten, en personen aan wie werkzaamheden zijn uitbesteed door
betaaldienstverleners met zetel in een andere lidstaat, die beschikken
over een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende
vergunning voor het verlenen van betaaldiensten.
Artikel 1:56a
1.Indien een beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat een
bijkantoor heeft in Nederland, kan de Autoriteit Financiële Markten, op
verzoek van de toezichthoudende instantie van die andere lidstaat, bij
het bijkantoor door een deskundige gegevens of inlichtingen doen
verifiëren of een onderzoek doen verrichten.
2.Indien een beleggingsonderneming met zetel in Nederland een lid op
afstand is van een gereglementeerde markt waaraan in een andere lidstaat
een vergunning is verleend, kan de toezichthoudende instantie van die
andere lidstaat, na kennisgeving aan de Autoriteit Financiële Markten,
zelf bij dit lid gegevens of inlichtingen verifiëren of doen
verifiëren of een onderzoek verrichten.
Artikel 1:56b
1.De Autoriteit Financiële Markten kan slechts weigeren te voldoen aan
een verzoek om samenwerking bij het verrichten van een onderzoek of aan
een verzoek, als bedoeld in artikel 1:56, voor zover het betreft een
verzoek met betrekking tot een beleggingsonderneming, of artikel 1:56a,
indien:
a. het onderzoek of de verificatie van gegevens of inlichtingen zich
niet zou verdragen met de Nederlandse soevereiniteit, de nationale
veiligheid of de openbare orde;
b. voor hetzelfde feit en tegen dezelfde persoon in Nederland reeds een
gerechtelijke procedure aanhangig is gemaakt;
c. tegen dezelfde persoon en voor hetzelfde feit in Nederland reeds een
onherroepelijke vonnis is gewezen.
2.De Autoriteit Financiële Markten stelt de toezichthoudende instantie
van de andere lidstaat van haar met redenen omklede besluit in kennis.
Artikel 1:57
1.Indien een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat ten
behoeve van het toezicht, bedoeld in afdeling 3.6.4, verzoekt gegevens
of inlichtingen te verifiëren betreffende een groepslid als bedoeld in
artikel 3:289, onderdeel f, met zetel in Nederland, geeft de
Nederlandsche Bank aan dit verzoek gevolg of stelt zij de betrokken
toezichthoudende instantie in de gelegenheid om de gegevens of
inlichtingen te verifiëren of te doen verifiëren.
2.De Nederlandsche Bank kan ten behoeve van een verificatie als bedoeld
in het eerste lid inlichtingen vorderen. De artikelen 5:13, 5:17 en 5:20
van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 1.3.2.3. Samenwerking in het kader van handhaving
Artikel 1:58
1. Indien een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in
effecten met zetel in een andere lidstaat of een kredietinstelling,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat
die vanuit een bijkantoor in Nederland zijn onderscheidenlijk haar
bedrijf uitoefent of financiële diensten verleent dan wel diensten
verricht naar Nederland, geen gevolg geeft aan een door de
toezichthouder gegeven aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75, stelt de
toezichthouder de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat
daarvan in kennis.
2. De toezichthouder kan, onverminderd de artikelen 1:79 en 1:80, en na
de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de financiële
onderneming haar zetel heeft daarvan in kennis te hebben gesteld, het
besluit nemen dat de betrokken financiële onderneming geen nieuwe
overeenkomsten in Nederland mag afsluiten, indien deze niet voldoet aan
hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald:
a. in weerwil van de maatregelen, getroffen door de toezichthoudende
instantie van de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel
heeft;
b. in het geval deze maatregelen ontoereikend zijn; of
c. in het geval de toezichthoudende instantie, bedoeld in onderdeel a,
geen maatregelen heeft getroffen.
3. De toezichthouder doet van een op grond van het tweede lid genomen
besluit mededeling in de Staatscourant zodra de beroepstermijn is
verstreken of, indien beroep is ingesteld, zodra onherroepelijk op het
beroep is beslist.
4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op:
a. bemiddelaars in verzekeringen met zetel in een andere lidstaat;
b. financiëledienstverleners met zetel in een andere lidstaat die het
bedrijf van financiële instelling, kredietinstelling of verzekeraar
uitoefenen; en
c. herverzekeringsbemiddelaars met zetel in een andere lidstaat.
5. Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op
betaaldienstverleners, met dien verstande dat onder bijkantoor mede
wordt verstaan betaaldienstagent of persoon aan wie werkzaamheden zijn
uitbesteed.
Artikel 1:58a
1.Indien een beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat die
door middel van dienstverrichting of vanuit een bijkantoor in Nederland
beleggingsdiensten verleent of beleggingsactiviteiten verricht in
Nederland niet voldoet aan de op grond van het Deel Gedragstoezicht
Financiële Ondernemingen of het Deel Gedragstoezicht Financiële
Markten opgelegde verplichtingen, stelt de toezichthouder de
toezichthoudende instantie van de andere lidstaat daarvan in kennis.
2.De toezichthouder kan, onverminderd de artikelen 1:79 en 1:80, en na
de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de
beleggingsonderneming haar zetel heeft daarvan in kennis te hebben
gesteld, het besluit nemen dat de beleggingsonderneming geen nieuwe
overeenkomsten in Nederland mag afsluiten, indien zij blijft handelen op
een wijze die de belangen van beleggers of de ordelijke werking van de
financiële markten kennelijk schaadt:
a. in weerwil van de maatregelen, getroffen door de toezichthoudende
instantie van de lidstaat waar zij haar zetel heeft;
b. in het geval deze maatregelen ontoereikend zijn; of
c. in het geval de toezichthoudende instantie, bedoeld in onderdeel a,
geen maatregelen heeft getroffen.
3.Artikel 1:58, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:58b
1.Indien een beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat die
vanuit een bijkantoor in Nederland beleggingsdiensten verleent of
beleggingsactiviteiten verricht geen gevolg geeft aan een door de
toezichthouder gegeven aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75, stelt de
toezichthouder de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat
daarvan in kennis.
2.In het geval, bedoeld in het eerste lid, kan de toezichthouder tevens
het besluit nemen dat de betrokken beleggingsonderneming geen nieuwe
overeenkomsten in Nederland mag afsluiten, onverminderd de artikelen
1:79 en 1:80.
3.Artikel 1:58, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:58c
1.Indien een marktexploitant met zetel in een andere lidstaat die zijn
voorzieningen ter beschikking stelt voor in Nederland gevestigde leden
of deelnemers op afstand niet voldoet aan de op grond van het Deel
Gedragstoezicht Financiële Ondernemingen of het Deel Gedragstoezicht
Financiële Markten opgelegde verplichtingen, stelt de toezichthouder de
toezichthoudende instantie van de andere lidstaat daarvan in kennis.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een
beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat die in Nederland
een multilaterale handelsfaciliteit exploiteert.
3.De toezichthouder kan, onverminderd de artikelen 1:79 en 1:80, en na
de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de
beleggingsonderneming of de marktexploitant haar onderscheidenlijk zijn
zetel heeft daarvan in kennis te hebben gesteld, het besluit nemen dat
de betrokken beleggingsonderneming of marktexploitant haar
onderscheidenlijk zijn voorzieningen niet beschikbaar mag stellen voor
in Nederland gevestigde leden of deelnemers op afstand, indien zij
onderscheidenlijk hij blijft handelen op een wijze die de belangen van
beleggers, of de ordelijke werking van de financiële markten kennelijk
schaadt:
a. in weerwil van de maatregelen, getroffen door de toezichthoudende
instantie van de lidstaat waar zij onderscheidenlijk hij haar zetel
heeft;
b. in het geval deze maatregelen ontoereikend zijn; of
c. in het geval de toezichthoudende instantie, bedoeld in onderdeel a,
geen maatregelen heeft getroffen.
4.Artikel 1:58, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:58d
1.Indien de toezichthouder een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75
geeft aan een herverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die vanuit
een in Nederland gelegen bijkantoor zijn bedrijf uitoefent of diensten
verricht naar Nederland, stelt de toezichthouder tegelijkertijd de
toezichthoudende instantie van de andere lidstaat daarvan in kennis.
2.Artikel 1:58, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:59
1. Indien een beheerder, beleggingsonderneming, betaalinstelling,
herverzekeraar, kredietinstelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in Nederland die vanuit een bijkantoor in
een andere lidstaat zijn onderscheidenlijk haar bedrijf uitoefent of
financiële diensten verleent dan wel diensten verricht naar een andere
lidstaat niet voldoet aan in die andere lidstaat geldende wettelijke
voorschriften, geeft de toezichthouder na daartoe een kennisgeving van
de toezichthoudende instantie van die andere lidstaat te hebben
ontvangen, zo spoedig mogelijk een aanwijzing aan de betrokken
beheerder, beleggingsonderneming, betaalinstelling, herverzekeraar,
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar om binnen een
door de toezichthouder gestelde redelijke termijn de in de
aanwijzingsbeschikking bepaalde gedragslijn te volgen, ten einde de
strijdigheid met de in die andere lidstaat geldende wettelijke
voorschriften te beëindigen.
2. Indien niet of onvoldoende gevolg is gegeven aan de aanwijzing, kan
de toezichthouder, na die toezichthoudende instantie daarvan in kennis
te hebben gesteld, het besluit nemen dat de betrokken beheerder,
beleggingsonderneming, betaalinstelling, herverzekeraar,
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar geen nieuwe
overeenkomsten in die andere lidstaat mag afsluiten.
3. De toezichthouder doet aan de toezichthoudende instantie van de
andere lidstaat mededeling van de maatregelen genomen op grond van het
eerste of tweede lid.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van betaaldienstagenten en personen aan wie werkzaamheden
zijn uitbesteed door een betaalinstelling.
§ 1.3.2.4. Raadplegen in het kader van overige procedures en kennis
geven van bepaalde besluiten
Artikel 1:60
1.De Autoriteit Financiële Markten raadpleegt de toezichthoudende
instantie van de desbetreffende lidstaat alvorens een vergunning wordt
verleend aan een beheerder die:
a. een dochtermaatschappij is van een beheerder, beleggingsonderneming,
herverzekeraar, kredietinstelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning is
verleend;
b. een dochtermaatschappij is van een moedermaatschappij van een
beheerder, beleggingsonderneming, herverzekeraar, kredietinstelling,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat
een vergunning is verleend;
c. onder zeggenschap staat van een persoon die tevens zeggenschap
uitoefent over een beheerder, beleggingsonderneming, herverzekeraar,
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een
andere lidstaat een vergunning is verleend.
2.De Autoriteit Financiële Markten raadpleegt de toezichthoudende
instantie van de desbetreffende lidstaat alvorens een vergunning wordt
verleend aan een beleggingsonderneming die:
a. een dochtermaatschappij is van een beleggingsonderneming,
herverzekeraar, kredietinstelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning is
verleend;
b. een dochtermaatschappij is van een moedermaatschappij van een
beleggingsonderneming, herverzekeraar, kredietinstelling,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat
een vergunning is verleend;
c. onder zeggenschap staat van een persoon die tevens zeggenschap
uitoefent over een beleggingsonderneming, herverzekeraar,
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een
andere lidstaat een vergunning is verleend.
3.De Nederlandsche Bank raadpleegt de toezichthoudende instantie van de
desbetreffende lidstaat alvorens een vergunning wordt verleend aan een
kredietinstelling die:
a. een dochtermaatschappij is van een kredietinstelling waaraan in een
andere lidstaat een vergunning is verleend;
b. een dochtermaatschappij is van een moedermaatschappij van een
kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is
verleend;
c. onder zeggenschap staat van een persoon die tevens zeggenschap
uitoefent over een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een
vergunning is verleend.
4.De Nederlandsche Bank raadpleegt de toezichthoudende instantie van de
desbetreffende lidstaat alvorens een vergunning wordt verleend aan een
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar die:
a. een dochtermaatschappij is van een beleggingsonderneming,
herverzekeraar, kredietinstelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning is
verleend;
b. een dochtermaatschappij is van een moedermaatschappij van een
beleggingsonderneming, herverzekeraar, kredietinstelling,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in de andere lidstaat een
vergunning is verleend;
c. onder zeggenschap staat van een natuurlijke persoon of rechtspersoon
die tevens zeggenschap uitoefent over een beleggingsonderneming,
herverzekeraar, kredietinstelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning is
verleend.
Artikel 1:61
1.De toezichthouder stelt de toezichthoudende instanties van de
lidstaten waar een financiële onderneming met zetel in Nederland vanuit
een bijkantoor haar bedrijf uitoefent of financiële diensten verleent
dan wel waarnaar een financiële onderneming diensten verricht in kennis
van de intrekking van de aan die financiële onderneming verleende
vergunning, bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, 2:27, eerste lid, 2:65
of 2:96.
2.Indien een financiële onderneming met zetel in een andere lidstaat
vanuit een bijkantoor in Nederland haar bedrijf uitoefent of financiële
diensten verleent dan wel diensten verricht naar Nederland en de
toezichthoudende instantie van die lidstaat de toezichthouder in kennis
heeft gesteld van de intrekking van de vergunning van die financiële
onderneming door die toezichthoudende instantie, maakt de toezichthouder
deze kennisgeving openbaar.
Artikel 1:62
De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instantie van de
desbetreffende lidstaat in de gelegenheid advies uit te brengen alvorens
zij een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95 verleent
of een mededeling als bedoeld in artikel 3:108, vierde lid, doet, indien
de beleggingsonderneming of kredietinstelling waarin de aanvrager een
gekwalificeerde deelneming wil houden ten gevolge van de gekwalificeerde
deelneming dochtermaatschappij zou worden of anderszins onder de
zeggenschap zou komen van de aanvrager, en de aanvrager:
a. een beleggingsonderneming, herverzekeraar, kredietinstelling,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar of beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten is waaraan in een andere lidstaat
een vergunning is verleend;
b. de moedermaatschappij is van een beleggingsonderneming,
herverzekeraar, kredietinstelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar of beheerder van een instelling voor collectieve
belegging in effecten waaraan in een andere lidstaat een vergunning is
verleend; of
c. een persoon is die anderszins zeggenschap heeft over een
beleggingsonderneming, herverzekeraar, kredietinstelling,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar of beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten waaraan in een andere lidstaat
een vergunning is verleend.
Artikel 1:63
1.De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instantie van de
lidstaat, bedoeld in artikel 3:60, eerste lid, in de gelegenheid advies
uit te brengen alvorens zij een ontheffing als bedoeld in dat artikel
verleent aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar.
2.Alvorens een ontheffing als bedoeld in artikel 3:60, eerste lid, in te
trekken, verzoekt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instantie
van de desbetreffende lidstaat die aan dezelfde financiële onderneming
een overeenkomstige ontheffing heeft verleend, deze ontheffing in te
trekken op het door de toezichthouder voorgestelde tijdstip.
3.Indien de toezichthoudende instantie van de lidstaat, bedoeld in
artikel 3:60, eerste lid, hierom verzoekt, trekt de Nederlandsche Bank
een ontheffing als bedoeld in dat artikel in op het door die
toezichthoudende instantie voorgestelde tijdstip.
Artikel 1:64
Indien een financiële instelling met zetel in Nederland die een
verklaring van ondertoezichtstelling heeft niet langer voldoet aan
artikel 3:110, derde tot en met zesde lid, stelt de Nederlandsche Bank
de toezichthoudende instanties van andere lidstaten waar die financiële
instelling vanuit een bijkantoor haar bedrijf uitoefent of financiële
diensten verleent, dan wel waarnaar zij diensten verricht, daarvan in
kennis.
§ 1.3.2.5. Informatieverstrekking door de Nederlandsche Bank aan
toezichthoudende instanties van andere lidstaten in verband met
herverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 1:64a
De Nederlandsche Bank stelt de desbetreffende toezichthoudende
instanties van de andere lidstaten in kennis van een vergunning die
ingevolge deze wet voor het uitoefenen van het bedrijf van
herverzekeraar is verleend aan een dochtermaatschappij van een
onderneming waarop het recht van toepassing is van een staat die geen
lidstaat is.
Artikel 1:64b
De Nederlandsche Bank stelt de desbetreffende toezichthoudende
instanties van de andere lidstaten in kennis van een verleende
verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95 voor een
gekwalificeerde deelneming in een herverzekeraar, indien door de
gekwalificeerde deelneming de herverzekeraar een dochteronderneming
wordt van een onderneming waarop het recht van toepassing is van een
staat die geen lidstaat is.
Afdeling 1.3.3. Samenwerking met toezichthoudende instanties van staten
die geen lidstaat zijn
Artikel 1:65
1.De toezichthouder kan aan een toezichthoudende instantie van een staat
die geen lidstaat is vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
verstrekken, indien met betrekking tot de gegevens en inlichtingen
volgens het recht in die staat ten minste gelijkwaardige waarborgen
gelden ten aanzien van geheimhouding als op grond van artikel 1:90,
eerste lid, en voor zover de uitwisseling ten behoeve van de uitoefening
van toezicht door de desbetreffende toezichthoudende instantie
geschiedt. Artikel 1:90, eerste tot en met derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2.De Autoriteit Financiële Markten kan vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen met betrekking tot een beleggingsonderneming, een
multilaterale handelsfaciliteit of een marktexploitant verstrekken aan
de volgende personen of instanties in een staat die geen lidstaat is:
a. een persoon die in die staat is belast met de wettelijke controle van
de jaarrekening van financiële ondernemingen, of met het beheer van
compensatiestelsels, voorzover de verstrekking geschiedt ten behoeve van
de uitoefening van de taken van de desbetreffende persoon;
b. een instantie die in die staat is belast met het toezicht op personen
die zijn belast met de wettelijke controle van de jaarrekening van een
financiële onderneming;
c. een persoon die in die staat is betrokken bij de liquidatie en het
faillissement van een beleggingsonderneming of een soortgelijke
procedure;
d. een instantie die in die staat is belast met het toezicht op personen
die zijn betrokken bij de liquidatie en het faillissement van
beleggingsondernemingen en andere soortgelijke procedures.
3.De Autoriteit Financiële Markten kan slechts toepassing geven aan het
tweede lid indien met betrekking tot de gegevens en inlichtingen volgens
het recht van de desbetreffende staat ten minste gelijkwaardige
waarborgen gelden ten aanzien van geheimhouding als op grond van artikel
1:90, eerste lid, en voor zover de uitwisseling ten behoeve van de
uitoefening van de taken door de desbetreffende persoon of instantie
geschiedt.
4.Voor zover de gegevens en inlichtingen, als bedoeld in het tweede lid,
zijn verkregen van een toezichthoudende instantie van een staat die geen
lidstaat is, verstrekt de Autoriteit Financiële Markten deze niet aan
een persoon of instantie als bedoeld in het tweede lid, tenzij de
toezichthoudende instantie waarvan de gegevens en inlichtingen zijn
verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de
gegevens en inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het
gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens en inlichtingen
zijn verstrekt.
5.De toezichthouder zendt onverwijld nadat met inachtneming van het
eerste of tweede lid met een toezichthoudende instantie van een staat
die geen lidstaat is of een persoon of instantie als bedoeld in het
tweede lid, een overeenkomst is gesloten ten einde gegevens en
inlichtingen te kunnen uitwisselen een afschrift van de overeenkomst aan
Onze Minister.
Artikel 1:66
1.Indien een herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met
zetel in een staat die geen lidstaat is bij het verrichten van diensten
naar Nederland vanuit een andere lidstaat geen gevolg geeft aan een door
de Nederlandsche Bank gegeven aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75,
stelt deze de toezichthoudende instantie van die lidstaat daarvan in
kennis.
2.Artikel 1:58, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:67
1.Indien een clearinginstelling of natura-uitvaartverzekeraar met zetel
in een andere staat geen gevolg geeft aan een door de toezichthouder
gegeven aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75, kan de toezichthouder
indien dat noodzakelijk is, het besluit nemen dat de betrokken
clearinginstelling of natura-uitvaartverzekeraar geen nieuwe
overeenkomsten in Nederland mag afsluiten door middel van het verrichten
van diensten, onverminderd de artikelen 1:79 en 1:80.
2.Artikel 1:58, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:68
1.De toezichthouder kan voor de uitvoering van verdragen tot
uitwisseling van gegevens of inlichtingen, dan wel voor de uitvoering
van met toezichthoudende instanties gesloten overeenkomsten tot
uitwisseling van gegevens of inlichtingen als bedoeld in artikel 1:65,
van een ieder inlichtingen vorderen.
2.De artikelen 5:13 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 1.3.4. Informatieverstrekking door toezichthouder aan de
Commissie van de Europese Gemeenschappen
Artikel 1:69
De Nederlandsche Bank stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen
in kennis van een vergunning die ingevolge deze wet:
a. voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling is
verleend;
b. voor het uitoefenen van het bedrijf van herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar is verleend aan een
dochtermaatschappij van een financiële onderneming waarop het recht van
toepassing is van een staat die geen lidstaat is.
Artikel 1:69a
De Autoriteit Financiële Markten stelt de Commissie van de Europese
Gemeenschappen desgevraagd in kennis van een vergunning die ingevolge
deze wet voor het uitoefenen van het bedrijf van beleggingsonderneming
is verleend aan een dochtermaatschappij van een financiële onderneming
waarop het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is,
indien zich ten aanzien van die staat een situatie voordoet als bedoeld
in artikel 15, tweede of derde lid, van de richtlijn markten in
financiële instrumenten.
Artikel 1:70
De Nederlandsche Bank stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen
in kennis van:
a. een verleende verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95
voor een gekwalificeerde deelneming in een bank, beleggingsonderneming,
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, indien door de
gekwalificeerde deelneming de bank, beleggingsonderneming,
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar een
dochteronderneming wordt van een financiële onderneming waarop het
recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is; en
b. een gedane mededeling als bedoeld in artikel 3:108, vierde lid,
indien door de gekwalificeerde deelneming de elektronischgeldinstelling
een dochteronderneming wordt van een financiële onderneming waarop het
recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is;
c. een besluit tot instemming als bedoeld in artikel 3:275, zesde of
achtste lid.
Artikel 1:71
1.De toezichthouder stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen in
kennis van:
a. de algemene moeilijkheden die beheerders, beleggingsondernemingen,
herverzekeraars, kredietinstellingen, levensverzekeraars of
schadeverzekeraars met zetel in Nederland ondervinden bij het uitoefenen
van hun bedrijf of het verlenen van financiële diensten vanuit een
bijkantoor in een staat die geen lidstaat is of het verrichten van
diensten naar een staat die geen lidstaat is;
b. het aantal en de aard van de gevallen waarin de toezichthouder een
door een beheerder, beleggingsonderneming of kredietinstelling gedane
aanvraag van instemming met het voornemen als bedoeld in artikel 2:108,
2:122 of 2:127 heeft geweigerd;
c. het aantal en de aard van de gevallen waarin hij een besluit heeft
genomen als bedoeld in artikel 1:58, tweede lid, ten aanzien van een
beheerder, beleggingsonderneming of kredietinstelling die een bijkantoor
in Nederland heeft.
2.De toezichthouder stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen
onverwijld in kennis van de gevallen waarin hij ten aanzien van een
beleggingsonderneming of een marktexploitant een besluit heeft genomen
als bedoeld in artikel 1:58a, tweede lid, 1:58b, tweede lid,
onderscheidenlijk artikel 1:58c, derde lid.
Hoofdstuk 1.4. Toezicht en handhaving
Afdeling 1.4.1. Toezicht op de naleving
Artikel 1:72
1.Met het toezicht op de naleving van de bij en krachtens deze wet
gestelde regels zijn belast de bij besluit van de toezichthouder
aangewezen personen.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan
door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 1:73
1.De personen, bedoeld in artikel 1:72, eerste lid, beschikken niet over
de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene
wet bestuursrecht.
2.Voorzover de door de Autoriteit Financiële Markten op grond van
artikel 1:72 aangewezen personen voor het uitoefenen van het
gedragstoezicht ten aanzien van financiële ondernemingen waaraan de
Nederlandsche Bank een vergunning heeft verleend, gegevens nodig hebben
over aspecten van de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:17, tweede
lid, onderdeel a of b, maken deze personen geen gebruik van hun
bevoegdheden op grond van de artikelen 5:15, 5:16 of 5:17 van de
Algemene wet bestuursrecht, dan nadat de Nederlandsche Bank is verzocht
deze gegevens te verstrekken en is gebleken dat de Nederlandsche Bank
niet aan dit verzoek tegemoet kan komen.
3.Voorzover de door de Nederlandsche Bank op grond van artikel 1:72
aangewezen personen voor het uitoefenen van het prudentieel toezicht ten
aanzien van financiële ondernemingen waaraan de Autoriteit Financiële
Markten een vergunning heeft verleend, gegevens nodig hebben over
aspecten van de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 4:14, tweede lid,
onderdeel a of b, maken de door de Nederlandsche Bank op grond van
artikel 1:72 aangewezen personen geen gebruik van hun bevoegdheden op
grond van de artikelen 5:15, 5:16 of 5:17 van de Algemene wet
bestuursrecht, dan nadat de Autoriteit Financiële Markten is verzocht
deze gegevens te verstrekken en is gebleken dat de Autoriteit
Financiële Markten niet aan dit verzoek tegemoet kan komen.
4.Van het tweede en derde lid kan, na overleg met de andere
toezichthouder, worden afgeweken indien sprake is van een redelijk
vermoeden van een overtreding van het bij of krachtens deze wet gestelde
en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 1:74
1.De toezichthouder kan ten behoeve van het toezicht op de naleving van
de bij of krachtens deze wet gestelde regels van een ieder inlichtingen
vorderen.
2.De artikelen 5:13 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.Voorzover de Autoriteit Financiële Markten voor het uitoefenen van
het gedragstoezicht ten aanzien van financiële ondernemingen waaraan de
Nederlandsche Bank een vergunning heeft verleend, gegevens nodig heeft
over aspecten van de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:17, tweede
lid, onderdeel a en b, vordert de Autoriteit Financiële Markten geen
inlichtingen, dan nadat de Nederlandsche Bank is verzocht deze gegevens
te verstrekken en is gebleken dat de Nederlandsche Bank niet aan dit
verzoek tegemoet kan komen.
4.Voorzover de Nederlandsche Bank voor het uitoefenen van het
prudentieel toezicht ten aanzien van financiële ondernemingen waaraan
de Autoriteit Financiële Markten een vergunning heeft verleend,
gegevens nodig heeft over aspecten van de bedrijfsvoering, bedoeld in
artikel 4:14, tweede lid, onderdeel a of b,vordert de Nederlandsche Bank
geen inlichtingen, dan nadat de Autoriteit Financiële Markten is
verzocht deze gegevens te verstrekken en is gebleken dat de Autoriteit
Financiële Markten niet aan dit verzoek tegemoet kan komen.
5.Van het derde en vierde lid kan, na overleg met de andere
toezichthouder, worden afgeweken indien sprake is van een redelijk
vermoeden van een overtreding van de regels bij of krachtens deze wet
gesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
Afdeling 1.4.2. Handhaving
Artikel 1:75
1.De toezichthouder kan een hierna bedoelde persoon die niet voldoet aan
hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, door middel van het geven
van een aanwijzing verplichten om binnen een door de toezichthouder
gestelde redelijke termijn ten aanzien van in de aanwijzingsbeschikking
aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen:
a. een financiële onderneming;
b. een vertegenwoordiger van een verzekeraar;
c. een houder van een verklaring van geen bezwaar, ingevolge artikel
3:95, 3:96 of 5:32d;
d. een ieder die in of vanuit Nederland bedrijfsmatig buiten besloten
kring opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen
aantrekt, ter beschikking verkrijgt of ter beschikking heeft;
e. een ieder die in Nederland of vanuit Nederland in een andere lidstaat
als dienst van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 15d,
derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in de uitoefening van
een beroep of bedrijf als tussenpersoon werkzaamheden verricht ten
behoeve van het buiten besloten kring aantrekken of ter beschikking
verkrijgen van opvorderbare gelden van anderen dan professionele
marktpartijen;
f. een marktexploitant.
2.De Nederlandsche Bank kan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid
eveneens aan een financiële onderneming geven indien hij tekenen
ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de solvabiliteit
of de liquiditeit van die financiële onderneming in gevaar kunnen
brengen.
3.Een op grond van het eerste of tweede lid aan een persoon gegeven
aanwijzing strekt niet tot aantasting van overeenkomsten tussen die
persoon en derden.
Artikel 1:76
1.De toezichthouder kan besluiten een of meer personen te benoemen als
curator ten aanzien van alle of bepaalde organen of vertegenwoordigers
van een financiële onderneming indien die financiële onderneming niet
voldoet aan hetgeen ingevolge deze wet is bepaald.
2.Het besluit ingevolge het eerste lid wordt slechts genomen:
a. nadat door de financiële onderneming niet of niet volledig binnen de
gestelde termijn aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75, eerste
lid, gevolg is gegeven; of
b. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding een adequate
functionering van de financiële onderneming ernstig in gevaar brengt en
die financiële onderneming voorafgaand in de gelegenheid is gesteld
haar zienswijze naar voren te brengen over het voorgenomen besluit; of
c. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding de belangen van
consumenten of, indien het financiële instrumenten of verzekeringen
betreft, de belangen van cliënten met uitzondering van professionele
beleggers ernstig in gevaar brengt en die financiële onderneming
voorafgaand in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te
brengen over het voorgenomen besluit.
3.Onverminderd het eerste en tweede lid kan de Nederlandsche Bank
besluiten een of meer personen te benoemen als curator ten aanzien van
alle of bepaalde organen of vertegenwoordigers van een financiële
onderneming indien hij bij die financiële onderneming tekenen ontwaart
van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de solvabiliteit, of de
liquiditeit van die financiële onderneming in gevaar kunnen brengen.
4.Het besluit ingevolge het derde lid wordt slechts genomen:
a. nadat door de financiële onderneming niet of niet volledig binnen de
gestelde termijn aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75, tweede
lid, gevolg is gegeven; of
b. indien onverwijld ingrijpen noodzakelijk is en de financiële
onderneming voorafgaand in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze
naar voren te brengen over het voorgenomen besluit.
5.Het benoemingsbesluit bevat onder meer een beschrijving van de
belangen waardoor de curator zich dient te laten leiden. De
toezichthouder benoemt de curator voor ten hoogste twee jaren, met de
mogelijkheid om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te
verlengen; de verlenging wordt terstond van kracht. Met ingang van het
tijdstip waarop het besluit tot benoeming van de curator aan de
financiële onderneming is bekendgemaakt mogen de desbetreffende organen
of vertegenwoordigers hun bevoegdheden slechts uitoefenen na goedkeuring
door de curator en met inachtneming van de opdrachten van de curator.
6.Na de benoeming van een curator:
a. verlenen de organen en de vertegenwoordigers van de financiële
onderneming de curator alle medewerking;
b. kan de toezichthouder de betrokken organen of vertegenwoordigers van
de financiële onderneming toestaan bepaalde rechtshandelingen zonder
goedkeuring te verrichten;
c. kan de toezichthouder te allen tijde de door hem aangewezen curator
vervangen;
d. is voor schade ten gevolge van handelingen, die zijn verricht in
strijd met een besluit als bedoeld in het eerste of derde lid, elke
persoon die deel uitmaakt van het orgaan van de financiële onderneming
dat deze handelingen verrichtte, hoofdelijk aansprakelijk tegenover de
financiële onderneming, tenzij het verrichten van deze handelingen niet
aan hem is te verwijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen
van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden;
e. zijn de handelingen, bedoeld in onderdeel d, voorzover deze
rechtshandelingen zijn, vernietigbaar, indien de wederpartij wist of
behoorde te weten dat de vereiste goedkeuring ontbrak.
7.Zodra de omstandigheid, bedoeld in het eerste of derde lid niet langer
aanwezig is, trekt de toezichthouder het besluit tot benoeming van de
curator in. De toezichthouder maakt het besluit tot intrekking
onverwijld bekend aan de financiële onderneming.
8.Het eerste, tweede en vijfde tot en met zevende lid zijn van
overeenkomstige toepassing op een ieder die in of vanuit Nederland
bedrijfsmatig buiten besloten kring opvorderbare gelden van anderen dan
professionele marktpartijen aantrekt, ter beschikking verkrijgt of ter
beschikking heeft.
Artikel 1:77
1.Indien een financiële onderneming ten aanzien waarvan de
toezichthouder heeft ingestemd met een voornemen als bedoeld in artikel
2:107, 2:108, 2:111, 2:112, 2:115, 2:117, 2:118, 2:121, 2:122, 2:127, of
2:130 van de toezichthouder een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75
heeft gekregen met betrekking tot de bedrijfsvoering of haar financiële
positie, en die financiële onderneming hieraan niet of onvoldoende
gevolg heeft gegeven, kan de toezichthouder besluiten er niet langer mee
in te stemmen dat die financiële onderneming vanuit het bijkantoor of
door middel van het verrichten van diensten haar bedrijf uitoefent of
financiële diensten verleent in de andere lidstaat. De toezichthouder
doet mededeling van dit besluit aan de toezichthoudende instantie van de
betrokken lidstaat. Vanaf het tijdstip van deze mededeling is het de
financiële onderneming verboden nog langer vanuit het bijkantoor of
door middel van het verrichten van diensten haar bedrijf uit te oefenen
of diensten te verlenen in de andere lidstaat.
2.Indien een verzekeraar een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75
heeft gekregen met betrekking tot de betrouwbaarheid of deskundigheid
van de vertegenwoordiger van de verzekeraar of van een persoon die het
dagelijks beleid van die verzekeraar bepaalt, en de verzekeraar hieraan
niet of onvoldoende gevolg heeft gegeven, is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:78
1.Indien een accountant of actuaris niet of niet meer de nodige
waarborgen biedt dat deze zijn taak met betrekking tot de financiële
onderneming naar behoren zal kunnen vervullen, kan de toezichthouder ten
aanzien van deze accountant of actuaris bepalen dat hij niet langer
bevoegd is de in deze wet bedoelde verklaringen met betrekking tot die
financiële onderneming af te leggen.
2.De toezichthouder maakt het besluit, bedoeld in het eerste lid, bekend
aan de financiële onderneming.
Artikel 1:79
1. De toezichthouder kan een last onder dwangsom opleggen terzake van
een overtreding van:
a. voorschriften, gesteld ingevolge de in de bijlage bij dit artikel
genoemde artikelen;
b. de prospectusverordening;
c. verordening (EG) nr. 2560/2001 van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 19 december 2001 betreffende
grensoverschrijdende betalingen in euro (PbEG L 344); en
d. artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 1:80
1. De toezichthouder kan een bestuurlijke boete opleggen terzake van
overtreding van:
a. voorschriften, gesteld ingevolge de in de bijlage bij dit artikel
genoemde artikelen;
b. de prospectusverordening;
c. verordening (EG) nr. 2560/2001 van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 19 december 2001 betreffende
grensoverschrijdende betalingen in euro (PbEG L 344); en
d. artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 1:81
1. Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald bij algemene
maatregel van bestuur, met dien verstande dat de bestuurlijke boete voor
een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 4 000 000 bedraagt. Indien
tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen
sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter
zake van eenzelfde overtreding, wordt het bedrag van de bestuurlijke
boete, bedoeld in de eerste volzin, voor een afzonderlijke overtreding
verdubbeld.
2. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, bepaalt
bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te
leggen bestuurlijke boete. De overtredingen worden gerangschikt in
categorieën naar zwaarte van de overtreding met de daarbij behorende
basisbedragen, minimumbedragen en maximumbedragen. Daarbij wordt de
volgende indeling gebruikt:
|
Categorie
|
Basisbedrag
|
Minimumbedrag
|
Maximumbedrag
|
|
1
|
€ 10 000,–
|
€ 0,–
|
€ 10 000,–
|
|
2
|
€ 500 000,–
|
€ 0,–
|
€ 1 000 000,–
|
|
3
|
€ 2 000 000,–
|
€ 0,–
|
€ 4 000 000,–
|
3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de toezichthouder de
hoogte van de bestuurlijke boete vaststellen op ten hoogste twee keer
het bedrag van het voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft
verkregen indien diens voordeel groter is dan € 2 000 000.
Artikel 1:82 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 1:83 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 1:84 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 1:85
1. Indien tegen een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete
bezwaar of beroep wordt aangetekend, schorst dit de verplichting tot
betaling van de boete totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien
beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2. De schorsing van de verplichting tot betaling schorst niet de
berekening van de wettelijke rente.
Artikel 1:86 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 1:87 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 1:88 [Vervallen per 01-07-2009]
Hoofdstuk 1.5. Geheimhoudingsplicht, uitzonderingen dienaangaande en
publicatiemogelijkheden
Afdeling 1.5.1. Geheimhoudingsplicht en uitzonderingen dienaangaande
Artikel 1:89
1.Het is een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van
ingevolge deze wet genomen besluiten enige taak vervult of heeft
vervuld, verboden van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die
ingevolge deze wet dan wel ingevolge afdeling 5.2 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn verstrekt of verkregen of van een persoon of
instantie als bedoeld in artikel 1:90, eerste lid, onderscheidenlijk
1:91, eerste lid, zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of
daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitvoering van
zijn taak of door deze wet wordt geëist.
2.In afwijking van het eerste lid kan de toezichthouder met
gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij
de uitvoering van zijn taak op grond van deze wet, mededelingen doen,
indien deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke personen.
Artikel 1:90
1.De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 1:89, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van
zijn taak op grond van deze wet, verstrekken aan de andere
toezichthouder of een toezichthoudende instantie in een andere lidstaat,
tenzij:
a. het doel waarvoor de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zullen
worden gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op
personen die op die markten werkzaam zijn;
c. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zich
niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet
in voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze
wet beoogt te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan
waarvoor deze worden verstrekt.
2.Voorzover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn
verkregen van een toezichthoudende instantie in een andere lidstaat,
verstrekt de toezichthouder deze niet aan de andere toezichthouder of
aan een andere toezichthoudende instantie in een andere lidstaat, tenzij
de toezichthoudende instantie in een andere lidstaat waarvan de gegevens
of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de
verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval
heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de
gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
3.Indien een toezichthoudende instantie in een andere lidstaat aan de
toezichthouder die de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond
van het eerste of tweede lid heeft verstrekt, verzoekt om die
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een
ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de toezichthouder
dat verzoek slechts in:
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste of tweede
lid; of
b. voorzover die toezichthoudende instantie op een andere wijze dan in
deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor
geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over
die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en
c. na overleg met Onze Minister van Justitie indien het in de aanhef
bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare
feiten.
4.De Autoriteit Financiële Markten dan wel het organisatieonderdeel van
de Nederlandsche Bank dat is belast met de in artikel 1:24 genoemde taak
kan vertrouwelijke informatie of gegevens verstrekken aan het
organisatieonderdeel van de Nederlandsche Bank dat is belast met het
vervullen van haar monetaire taak, voorzover de vertrouwelijke gegevens
of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van die taak.
5.Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op
het uitwisselen van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen tussen de
met verschillende taken belaste organisatieonderdelen van de
toezichthouder. De toezichthouder waarborgt dat bovenstaande
informatie-uitwisseling plaatsvindt met inachtneming van het
geheimhoudingsregime dat ingevolge Europese richtlijnen op de
desbetreffende gegevens of inlichtingen van toepassing is.
Artikel 1:91
1.De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 1:89, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van
de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan een persoon
als bedoeld in de onderdelen a, b, c, d, e, of f voorzover de gegevens
of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taak:
a. een rechter-commissaris die ingevolge artikel 3:162, vierde lid, is
benoemd;
b. een bewindvoerder die ingevolge artikel 3:162, vierde lid, is
benoemd;
c. een rechter-commissaris die ingevolge artikel 223a van de
Faillissementswet is benoemd;
d. een bewindvoerder die ingevolge artikel 215, tweede lid, van de
Faillissementswet is benoemd;
e. een rechter-commissaris die ingevolge artikel 14 van de
Faillissementswet is benoemd;
f. een curator die ingevolge artikel 14 van de Faillissementswet is
aangesteld.
2.De toezichthouder verstrekt geen vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen als bedoeld in het eerste lid:
a. indien de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze
wet beoogt te beschermen;
b. indien de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zijn verkregen van
de andere toezichthouder of een toezichthoudende instantie, en deze
andere toezichthouder of die toezichthoudende instantie niet instemt met
het verstrekken van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen.
3.De curator die is aangesteld in het faillissement van een
beleggingsonderneming of marktexploitant kan, in afwijking van artikel
1:89, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen als bedoeld in
het eerste lid verstrekken aan de rechtbank, voorzover die geen
betrekking hebben op derden en dit voor de afwikkeling van het
faillissement nodig is.
4.De curator die is aangesteld in het faillissement van een financiële
onderneming, niet zijnde een beleggingsonderneming of marktexploitant,
kan, in afwijking van artikel 1:89, eerste lid, vertrouwelijke gegevens
of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid verstrekken aan de
rechtbank, voorzover die geen betrekking hebben op een onderneming die
betrokken is of betrokken is geweest bij een poging de failliete
onderneming in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten.
5.Artikel 1:89, eerste lid, laat onverlet de toepasselijkheid van de
bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering welke
betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van
partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een
verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling
van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voorzover het gaat om
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen omtrent een financiële
onderneming die in staat van faillissement is verklaard of op grond van
een rechterlijke uitspraak is ontbonden.
6.Bij een faillissement of gerechtelijke ontbinding van een
beleggingsonderneming of marktexploitant is het vijfde lid niet van
toepassing op vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die betrekking
hebben op derden. Bij een faillissement of gerechtelijke ontbinding van
een financiële onderneming, niet zijnde een beleggingsonderneming of
marktexploitant, is het vijfde lid niet van toepassing op vertrouwelijke
gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op een onderneming die
betrokken is of betrokken is geweest bij een poging de desbetreffende
onderneming in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten.
Artikel 1:92
1.De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 1:89, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van
de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan een instantie
die is belast met de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden of
aan een deskundige die door een dergelijke instantie met een opdracht is
belast, voorzover de verlangde gegevens of inlichtingen noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van die opdracht.
2.Indien de instantie, bedoeld in het eerste lid, het voornemen heeft
toepassing te geven aan de bevoegdheid tot het bij de toezichthouder
vorderen van de uitlevering van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp
of aan de bevoegdheid tot het vorderen van de inzage of een afschrift
van bescheiden als bedoeld in artikel 96a, 105 of 126a van het Wetboek
van Strafvordering, of artikel 18 of 19 van de Wet op de economische
delicten, en de vordering betreft vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen als bedoeld in artikel 1:89, eerste lid, stelt die
instantie voorafgaand aan de uitoefening van haar bevoegdheid de
toezichthouder in de gelegenheid zijn zienswijze hierover kenbaar te
maken.
Artikel 1:93
1.De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 1:89, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van
de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan:
a. de Europese Centrale Bank, een buitenlandse nationale centrale bank
of een andere buitenlandse instantie die is belast met een soortgelijke
taak, handelend in haar hoedanigheid van monetaire autoriteit, voorzover
de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van haar
monetaire taak;
b. een accountant die is belast met de wettelijke controle van de
jaarrekening van een financiële onderneming, voorzover de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen betrekking hebben op die
financiële onderneming en noodzakelijk zijn voor de controle;
c. een actuaris die is belast met de wettelijke controle van een
financiële onderneming, voorzover de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen betrekking hebben op die financiële onderneming en
noodzakelijk zijn voor de controle;
d. de marktexploitant, de beleggingsonderneming die een multilaterale
handelsfaciliteit exploiteert of de houder van een met een
gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit
vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is met het oog op
de controle op de naleving van de voor die markt te hanteren regels; of
e. de Nederlandse Zorgautoriteit, voorzover de gegevens of inlichtingen
dienstig zijn voor de uitoefening van haar wettelijke taken.
2.De toezichthouder verstrekt geen vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen op grond van het eerste lid indien:
a. het doel waarvoor de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zullen
worden gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op
personen die op die markten werkzaam zijn;
c. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zich
niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet
in voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze
wet beoogt te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan
waarvoor deze worden verstrekt.
3.Voorzover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn
verkregen van een toezichthoudende instantie, verstrekt de
toezichthouder deze niet aan de andere toezichthouder of aan een andere
toezichthoudende instantie, tenzij de toezichthoudende instantie waarvan
de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd
met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend
geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor
de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
4.Indien een instantie of persoon als bedoeld in het eerste lid aan de
toezichthouder die de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond
van dat lid heeft verstrekt, verzoekt om die vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij
zijn verstrekt, willigt de toezichthouder dat verzoek slechts in:
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste, tweede
of derde lid; of
b. voorzover die instantie of persoon op een andere wijze dan in deze
wet voorzien met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke
procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of
inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en
c. na overleg met Onze Minister van Justitie indien het in de aanhef
bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare
feiten.
Artikel 1:93a
Indien de Nederlandsche Bank ingevolge afdeling 3.6.2 toezicht houdt op
geconsolideerde basis op een Nederlandse beleggingsonderneming of
Nederlandse kredietinstelling brengt zij Onze Minister en de instanties,
bedoeld in artikel 1:93, eerste lid, onderdeel a, voor zover betrokken,
onverwijld op de hoogte van noodsituaties met betrekking tot financiële
ondernemingen die in het geconsolideerde toezicht zijn betrokken die de
stabiliteit van het financiële stelsel in de lidstaat waar deze laatste
ondernemingen hun zetel hebben, kunnen aantasten.
Artikel 1:93b
1.De Autoriteit Financiële Markten kan, indien zij is aangewezen als
contactpunt als bedoeld in artikel 56, eerste lid, derde volzin, van de
richtlijn markten voor financiële instrumenten, in afwijking van
artikel 1:90, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
verkregen bij de uitvoering van haar taak als contactpunt, verstrekken
aan de Nederlandsche Bank.
2.Voorzover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn
verkregen van een toezichthoudende instantie in een andere lidstaat,
verstrekt de Autoriteit Financiële Markten deze niet aan instanties of
personen als bedoeld in artikel 1:91, eerste lid, onderdelen a tot en
met f, artikel 1:92, eerste lid, en 1:93, eerste lid, onderdelen a tot
en met e, tenzij de desbetreffende toezichthoudende instantie waarvan de
gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd
met de verstrekking van de gegevens en in voorkomend geval heeft
ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens
of inlichtingen zijn verstrekt. De Autoriteit Financiële Markten kan de
gegevens of inlichtingen in naar behoren gemotiveerde omstandigheden ook
zonder de uitdrukkelijke instemming van de desbetreffende
toezichthoudende instantie voor een ander doel dan waarvoor zij zijn
verstrekt, verstrekken aan de in de vorige volzin bedoelde personen of
instanties. In dit laatste geval stelt de Autoriteit Financiële Markten
de toezichthoudende instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn
verkregen hiervan terstond in kennis.
Afdeling 1.5.2. Publicatiemogelijkheden van de toezichthouders
Artikel 1:94
De toezichthouder kan een openbare waarschuwing uitvaardigen, indien
nodig onder vermelding van de overwegingen die tot die waarschuwing
hebben geleid, bij overtreding van een verbodsbepaling uit deze wet of
van 1:58, tweede lid, 1:58a, tweede lid, 1:58b, tweede lid, 1:58c, derde
lid, 1:59, tweede lid, 1:67, eerste lid, 1:77, eerste lid, derde volzin,
4:4, eerste lid, of 4:4a.
Artikel 1:95
1.De toezichthouder stelt, indien hij besluit een openbare waarschuwing
uit te zullen vaardigen als bedoeld in artikel 1:94 de betrokken persoon
in kennis van het besluit.
2.Het besluit vermeldt in ieder geval de geconstateerde overtreding, de
inhoud van de openbaarmaking, de gronden waarop het besluit berust
alsmede de wijze waarop en de termijn waarna de openbare waarschuwing
zal worden uitgevaardigd.
3.Onverminderd het bepaalde in artikel 4:11 van de Algemene wet
bestuursrecht kan de toezichthouder de toepassing van artikel 4:8 van
die wet achterwege laten, indien van de betrokken persoon geen adres
bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden
verkregen.
Artikel 1:96
1.Het uitvaardigen van een openbare waarschuwing als bedoeld in artikel
1:94 geschiedt niet eerder dan nadat vijf werkdagen zijn verstreken na
de dag waarop de betrokken persoon overeenkomstig artikel 1:95 in kennis
is gesteld van het besluit.
2.Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de werking van het
besluit opgeschort totdat er een uitspraak is van de
voorzieningenrechter.
3.Indien bescherming van de belangen die deze wet beoogt te beschermen
geen uitstel toelaat, kan de toezichthouder, in afwijking van de
voorgaande leden, onverwijld een openbare waarschuwing uitvaardigen.
Artikel 1:97
1. De toezichthouder maakt een besluit tot het opleggen van een
bestuurlijke boete ingevolge deze wet na bekendmaking openbaar, indien
de bestuurlijke boete is opgelegd terzake overtreding van:
a. een verbodsbepaling uit deze wet of ingevolge artikel 1:58, tweede
lid, 1:58a, tweede lid, 1:58b, tweede lid, 1:58c, derde lid, 1:59,
tweede lid, 1:67, eerste lid, 1:77, eerste lid, derde volzin, 4:4,
eerste lid, of 4:4a;
b. een overige bepaling die in de algemene maatregel van bestuur op
basis van artikel 1:81, eerste lid, beboetbaar is gesteld met
tariefnummer 3; of
c. artikel 2:10, vierde lid, 2:15, tweede lid, 2:18, tweede lid, 2:25,
tweede lid, 2:26, 2:36, vijfde lid, 2:45, vierde lid, 2:54, vierde lid,
2:100, tweede lid, 2:103, 2:107, eerste lid, 3:5, vierde lid, 3:8, 3:9,
eerste lid, 3:35, 3:39, eerste lid, 3:47, eerste lid, 3:53, eerste lid,
3:57, eerste lid, 3:57, vijfde lid, 3:63, eerste lid, 3:63, derde lid,
3:67, eerste tot en met derde lid, 3:68, eerste en derde lid, 3:69,
eerste lid, 3:72, vijfde lid, 3:99, eerste lid, 3:111a, eerste lid en
tweede lid, 3:135, eerste lid, 3:138, eerste lid, 3:139, eerste lid,
3:141, eerste lid, 3:144, eerste lid, 3:145, eerste lid, 3:146, eerste
lid, 3:148, eerste lid, 3:153, 3:259 eerste en tweede lid, 3:271, 3:272,
eerste lid, 3:285, eerste en tweede lid, 3:286, eerste en tweede lid,
3:296, eerste en derde lid, 4:4, eerste lid, 4:9, eerste lid, 4:10,
eerste lid, 4:19, 4:20, 4:22, 4:23, 4:24, 4:31, eerste lid, 4:42, 4:49,
eerste lid, 4:50, tweede lid, 4:53, 4:56, eerste lid, 4:59, tweede lid,
4:60, vijfde lid, 4:87, 4:94, derde lid, 4:95, derde lid, 4:96, eerste
en tweede lid, 4:100, derde lid, 5:26, eerste lid, 5:34, eerste en
tweede lid, 5:35, eerste tot en met vierde lid, 5:38, eerste en tweede
lid, 5:39, eerste lid, 5:40, 5:41, eerste en tweede lid, 5:42, 5:43,
eerste en tweede lid, 5:48, derde tot en met achtste lid, 5:60, eerste
lid, 5:62, eerste lid, of 5:64, eerste lid.
2. De openbaarmaking van het besluit tot het opleggen van een
bestuurlijke boete geschiedt niet eerder dan nadat vijf werkdagen zijn
verstreken na de dag waarop het besluit aan de betrokken persoon bekend
is gemaakt.
3. Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de openbaarmaking
van het besluit opgeschort totdat er een uitspraak is van de
voorzieningenrechter.
4. Indien de openbaarmaking van het besluit in strijd is of zou kunnen
komen met het doel van het door de toezichthouder uit te oefenen
toezicht op de naleving van deze wet blijft deze achterwege.
Artikel 1:98
Onverminderd artikel 1:97 maakt de toezichthouder een besluit tot het
opleggen van een bestuurlijke boete ingevolge deze wet openbaar, nadat
het rechtens onaantastbaar is geworden, tenzij de openbaarmaking van het
besluit in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het door de
toezichthouder uit te oefenen toezicht op de naleving van deze wet.
Artikel 1:99
1.De toezichthouder maakt een besluit tot het opleggen van een last
onder dwangsom ingevolge deze wet openbaar wanneer een dwangsom wordt
verbeurd, tenzij de openbaarmaking van het besluit in strijd is of zou
kunnen komen met het doel van het door de toezichthouder uit te oefenen
toezicht op de naleving van deze wet.
2.Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de openbaarmaking
van het besluit opgeschort totdat er een uitspraak is van de
voorzieningenrechter.
Artikel 1:100
Indien bescherming van de belangen die deze wet beoogt te beschermen
geen uitstel toelaat, kan de toezichthouder, in afwijking van artikel
1:97, tweede en derde lid, 1:98, of 1:99, eerste en tweede lid,
onverwijld overgaan tot openbaarmaking van een besluit tot het opleggen
van een bestuurlijke boete onderscheidenlijk een last onder dwangsom.
Artikel 1:101
1.Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht tegen een besluit als
bedoeld in de artikelen 1:94, 1:97, eerste lid, en 1:99, eerste lid,
vindt het onderzoek ter zitting plaats met gesloten deuren.
2.Indien de voorzieningenrechter een publicatieverbod van een besluit
als bedoeld in de artikelen 1:94, 1:97, eerste lid, en 1:99, eerste lid,
heeft opgelegd, vindt het horen van belanghebbenden terzake van het
bezwaar niet in het openbaar plaats.
3.Indien de voorzieningenrechter een publicatieverbod van een besluit
als bedoeld in de artikelen 1:94, 1:97, eerste lid, en 1:99, eerste lid,
heeft opgelegd, en beroep wordt ingesteld tegen de beslissing op het
bezwaar tegen dat besluit, vindt het onderzoek ter zitting plaats met
gesloten deuren.
Hoofdstuk 1.6. Procedures
Afdeling 1.6.1. Vergunningen
Artikel 1:102
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de wijze waarop de aanvraag wordt ingediend.
2.Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen
worden gesteld met het oog op de belangen die het desbetreffende deel
beoogt te beschermen.
3.De toezichthouder beslist binnen dertien weken na ontvangst op de
aanvraag.
4.De toezichthouder bericht de aanvrager onverwijld van de ontvangst van
de aanvraag.
Artikel 1:103
1.In afwijking van artikel 1:102, derde lid, houdt de toezichthouder de
beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een vergunning aan,
indien er tevens een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen
bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, onderdeel b of c, is
ingediend, uiterlijk tot zes weken na het tijdstip waarop de beschikking
inzake de verklaring van geen bezwaar is bekendgemaakt. Indien binnen
die termijn een verzoek om voorlopige voorziening terzake van die
beschikking is gedaan, houdt de toezichthouder de beslissing aan tot
twee weken na het tijdstip waarop op dat verzoek is beslist.
2.Ongeacht of toepassing is gegeven aan het eerste lid, neemt de
toezichthouder in elk geval binnen zes maanden na ontvangst van de
aanvraag een besluit omtrent de vergunning.
Artikel 1:104
1. De toezichthouder kan een door hem verleende vergunning wijzigen,
geheel of gedeeltelijk intrekken of beperken, dan wel daaraan nadere
voorschriften verbinden, indien:
a. de vergunninghouder daartoe een aanvraag heeft ingediend;
b. de vergunninghouder, naar later blijkt, bij de aanvraag van de
vergunning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, en kennis
omtrent de juiste en volledige gegevens tot een andere beslissing zou
hebben geleid;
c. de vergunninghouder omstandigheden of feiten heeft verzwegen op grond
waarvan, zo zij voor het tijdstip waarop de vergunning werd verleend
zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest, de vergunning zou zijn
geweigerd;
d. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze
wet gestelde regels dan wel niet meer voldoet aan de aan de vergunning
verbonden voorschriften of gestelde beperkingen;
e. de vergunninghouder geen gebruik van de vergunning heeft gemaakt
binnen een termijn van twaalf maanden na vergunningverlening;
f. de vergunninghouder de vergunningplichtige activiteit heeft
beëindigd, een beleggingsonderneming of een betaalinstelling is die
haar bedrijf gedurende meer dan zes maanden heeft gestaakt of een
entiteit voor risico-acceptatie is die haar bedrijf waarvoor zij een
vergunning heeft, gedurende meer dan zes maanden heeft gestaakt, een
levensverzekeraar dan wel schadeverzekeraar is die zijn bedrijf in een
branche waarvoor hij een vergunning heeft, gedurende meer dan zes
maanden heeft gestaakt, een natura-uitvaartverzekeraar is die zijn
bedrijf waarvoor hij een vergunning heeft, gedurende meer dan zes
maanden heeft gestaakt of een herverzekeraar is die zijn bedrijf in een
herverzekeringsactiviteit waarvoor hij een vergunning heeft, gedurende
meer dan zes maanden heeft gestaakt;
g. de vergunninghouder de onderneming ten behoeve waarvan de vergunning
is verleend, geheel of gedeeltelijk overdraagt;
h. de vergunninghouder overlijdt indien het een natuurlijke persoon
betreft of wordt ontbonden indien het een rechtspersoon of
personenvennootschap betreft;
i. uit de verklaring omtrent de getrouwheid, deel uitmakende van de
overige gegevens, bedoeld in artikel 3:71, eerste lid, of de verklaring,
bedoeld in de artikelen 3:72, zevende lid, 3:81, derde lid, of 3:86,
eerste of tweede lid, niet blijkt dat de jaarrekening of de staten
bedoeld in artikel 3:72, eerste of derde lid, een getrouw beeld geeft of
geven van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de
onderneming en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;
j. de vergunninghouder in staat van faillissement is komen te verkeren
of ten aanzien van hem de schuldsanering natuurlijke personen van
toepassing is verklaard, indien door een rechterlijke beschikking een of
meer goederen van de vergunninghouder onder bewind zijn gesteld als
bedoeld in artikel 380, 409 of 431 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek
of indien de ondercuratelestelling van de vergunninghouder is
uitgesproken;
k. de vergunninghouder een betaalinstelling is die uitdrukkelijk te
kennen heeft gegeven haar bedrijf niet of niet langer te zullen
uitoefenen; of
l. de vergunninghouder een betaalinstelling is die door de voortzetting
van het uitoefenen van haar bedrijf een bedreiging vormt voor de
stabiliteit van het betalingssysteem.
2. De toezichthouder trekt de door hem verleende vergunning in indien:
a. een machtiging bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, is verleend, op het tijdstip waarop die machtiging is
verleend, of zo spoedig mogelijk daarna, voorzover de onderneming
onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip nog een vergunning had;
b. een machtiging bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en
onderdeel c, is verleend, op het tijdstip waarop tijdens de noodregeling
voor de eerste keer activa van de onderneming te gelde worden gemaakt
met het oogmerk de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers,
aandeelhouders of leden, of zo spoedig mogelijk na bedoeld tijdstip,
voorzover de onderneming onmiddellijk voorafgaand aan het voor de eerste
keer te gelde maken nog een vergunning had; of
c. hij heeft ingestemd met een portefeuilleoverdracht als bedoeld in de
artikelen 3:112, 3:113 en 3:114.
3. De toezichthouder kan bij het besluit tot intrekking van een
vergunning tevens bepalen dat de financiële onderneming binnen een door
de toezichthouder te stellen termijn het bedrijf geheel of gedeeltelijk
afwikkelt. Bij een afwikkeling, al dan niet bepaald door de
toezichthouder, wordt de financiële onderneming of de curator in
faillissement van de financiële onderneming aangemerkt als
vergunninghoudende onderneming.
Artikel 1:105
1.Het bij of krachtens deze afdeling met betrekking tot een vergunning
bepaalde is van overeenkomstige toepassing op:
a. een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel
3:110;
b. een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in de artikelen 3:95,
3:96 en 5:32;
c. een ontheffing als bedoeld in de artikelen 2:23, 2:55, 2:60, 2:65,
2:75, 2:80, 2:86, 2:92, 2:96, 3:5, 3:6, 3:7, 4:3, 5:26 en 5:81, voor
zover het een ontheffing betreft van artikel 5:74, eerste lid, of
artikel 5:79, met dien verstande dat de ontheffing ook geheel of
gedeeltelijk kan worden verleend; en
d. een instemming als bedoeld in artikel 3:116 met dien verstande dat
indien een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat advies of
instemming over de voorgenomen overdracht geeft, de beslistermijn wordt
opgeschort met maximaal de termijn die die toezichthoudende instantie
ter beschikking staat ingevolge artikel 3:118, vijfde lid.
2.Op een andere ontheffing dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
is artikel 1:102, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Bij
ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot
de voorschriften die aan deze ontheffing kunnen worden verbonden. Deze
ontheffing kan worden ingetrokken.
Artikel 1:106
1.Ter uitvoering van een daartoe strekkend bindend besluit van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen of van de Raad van de Europese
Unie met betrekking tot een staat die geen lidstaat is, schort de
toezichthouder respectievelijk Onze Minister, in afwijking van artikel
1:102, geheel of gedeeltelijk op:
a. de behandeling van aanvragen van een vergunning voor het uitoefenen
van het bedrijf van kredietinstelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar of voor het verlenen van financiële diensten als
beheerder of beleggingsonderneming, die rechtstreeks of middellijk zijn
ingediend door financiële ondernemingen waarop het recht van toepassing
is van een staat die geen lidstaat is;
b. de behandeling van aanvragen van een verklaring van geen bezwaar als
bedoeld in artikel 3:95 die rechtstreeks of middellijk zijn ingediend
door financiële ondernemingen waarop het recht van toepassing is van
een staat die geen lidstaat is;
c. de behandeling van kennisgevingen als bedoeld in artikel 3:103 die
rechtstreeks of middellijk zijn ingediend door financiële ondernemingen
waarop het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. aanvragen van een vergunning ten behoeve van het oprichten van
dochtermaatschappijen die tevens dochtermaatschappijen zijn van een
financiële onderneming die in een lidstaat een vergunning heeft voor
het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling, levensverzekeraar,
schadeverzekeraar of voor het verlenen van financiële diensten als
beheerder of beleggingsonderneming;
b. aanvragen voor een verklaring van geen bezwaar voor gekwalificeerde
deelnemingen die tevens gekwalificeerde deelnemingen zijn van een
financiële onderneming die in een lidstaat een vergunning heeft voor
het uitoefenen van een bedrijf van kredietinstelling, levensverzekeraar,
schadeverzekeraar of voor het verlenen van financiële diensten als
beheerder of beleggingsonderneming;
c. kennisgevingen van een voornemen van een gekwalificeerde deelneming
in een elektronischgeldinstelling die tevens gekwalificeerde
deelnemingen zijn van een financiële onderneming die in een lidstaat
een vergunning heeft voor het uitoefenen van een bedrijf van
kredietinstelling, levensverzekeraar, schadeverzekeraar of voor het
verlenen van financiële diensten als beheerder of
beleggingsonderneming.
3.Indien in een staat die geen lidstaat is de markttoegang en de
concurrentiemogelijkheden voor financiële ondernemingen met zetel in
een lidstaat beperkter zijn dan voor financiële ondernemingen met een
zetel in een staat die geen lidstaat is, stelt de toezichthouder de
Commissie van de Europese Gemeenschappen desgevraagd in kennis van:
a. aanvragen voor een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van
kredietinstelling, levensverzekeraar, schadeverzekeraar of voor het
verlenen van financiële diensten als beheerder of
beleggingsonderneming, die rechtstreeks of middellijk zijn ingediend
door een financiële onderneming waarop het recht van toepassing is van
de staat die geen lidstaat is;
b. aanvragen voor een verklaring van geen bezwaar voor gekwalificeerde
deelnemingen in een bank, beheerder of beleggingsonderneming,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar die rechtstreeks of middellijk
zijn ingediend door financiële ondernemingen waarop het recht van
toepassing is van de staat die geen lidstaat is, ten gevolge waarvan die
bank, beleggingsonderneming, levensverzekeraar of schadeverzekeraar
dochtermaatschappij zou worden van de aanvrager.
Afdeling 1.6.2. Registratie
Artikel 1:107
1. Er is een openbaar register dat wordt gehouden door de registerhouder
en in ieder geval wordt gepubliceerd op een daartoe geschikte website.
De registerhouder draagt zorg voor het goed functioneren van het
register en verricht de inschrijving en doorhaling daarin op zodanige
wijze dat uit het register is op te maken vanaf welk tijdstip, welke
activiteiten de ingeschreven financiële ondernemingen mogen verrichten,
met inbegrip van de eventueel gestelde beperkingen, alsmede de staat van
de zetel.
2. De registerhouder draagt onverwijld zorg voor de inschrijving van:
a. financiële ondernemingen:
1°. waaraan een vergunning ingevolge deze wet of een ontheffing als
bedoeld in artikel 2:23, 2:55, 2:60, 2:65, 2:75, 2:80, 2:86, 2:92, 2:96,
3:5, 3:6, 3:7, 4:3, 5:26, of 5:81, voor zover het een ontheffing betreft
van artikel 5:74, eerste lid, of artikel 5:79, is verleend;
2°. waarop een vrijstelling van toepassing is, indien zij ingevolge een
voorschrift dat aan die vrijstelling is verbonden de toezichthouder in
kennis hebben gesteld van hun voornemen om de desbetreffende diensten te
verlenen;
3°. waaraan het anderszins ingevolge deze wet is toegestaan vanuit een
in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van dienstverrichting
naar Nederland, hun bedrijf uit te oefenen of financiële diensten te
verlenen;
4°. waaraan een verklaring van ondertoezichtstelling is verleend;
5°. waaraan een verbod ingevolge artikel 1:58, tweede lid, 1:58a,
tweede lid, 1:58b, tweede lid, 1:58c, derde lid, 1:59, tweede lid, 1:67,
eerste lid, 1:77, eerste lid, derde volzin, 4:4, eerste lid, of 4:4a is
opgelegd;
6°. die aangesloten onderneming zijn als bedoeld in artikel 2:105;
7°. waarop de vangnetregeling, bedoeld in afdeling 3.5.6, van
toepassing is;
8°. die worden beheerd door beheerders waaraan een vergunning is
verleend; deze financiële ondernemingen worden in het register
opgenomen bij de beheerder die het beheer over hen voert;
9°. die zich hebben gemeld als beleggingsmaatschappij met veranderlijk
kapitaal;
10°. die zijn aangemeld overeenkomstig artikel 2:81, tweede lid,
onderdeel b; deze worden in het register opgenomen bij de betrokken
aanbieder of aanbieders;
11°. die ingevolge artikel 2:99 of 4:26 aan de Autoriteit Financiële
Markten hebben gemeld voornemens te zijn het bedrijf van
beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling uit te
oefenen;
12°. die zijn aangemeld overeenkomstig artikel 2:97, vijfde lid, aanhef
en onderdeel b; deze worden in het register opgenomen bij de betrokken
beleggingsonderneming;
13°. die hun bedrijf afwikkelen overeenkomstig artikel 1:104, derde
lid; en
14°. waarop overeenkomstig artikel 1:10, onderdeel a, de ingevolge deze
wet gestelde regels niet van toepassing zijn;
b. marktexploitanten waaraan een vergunning of een ontheffing ingevolge
deze wet is verleend;
c. kredietbeoordelingsbureaus waaraan ingevolge artikel 3:57, tweede
lid, een erkenning is verleend.
3. Onverminderd het eerste lid draagt de toezichthouder onverwijld zorg
voor de inschrijving van:
a. de naam en woonplaats van de vertegenwoordiger in Nederland van een
verzekeraar met bijkantoor in Nederland of die diensten verricht naar
Nederland;
b. de aard van de overeenkomsten van levensverzekering voorzover het
levensverzekeraars betreft die door middel van dienstverrichting hun
bedrijf in Nederland uitoefenen, dan wel de aard van de risico’s van
schadeverzekering voorzover het entiteiten voor risicoacceptatie,
herverzekeraars of schadeverzekeraars betreft die door middel van
dienstverrichting hun bedrijf in Nederland uitoefenen;
c. de gegevens die moeten worden gemeld op grond van:
1°. hoofdstuk 5.3, met dien verstande dat deze gegevens worden
ingeschreven binnen een werkdag volgend op de werkdag waarop de
registerhouder de betreffende melding heeft ontvangen en met
uitzondering van adresgegevens van meldingsplichtige natuurlijke
personen;
2°. artikel 5:25i, tweede of vijfde lid, met inbegrip van het tijdstip
waarop de informatie door de uitgevende instelling openbaar is gemaakt;
en
3°. artikel 5:60, met uitzondering van de adresgegevens van de
meldingsplichtigen;
d. prospectussen die op grond van artikel 5:9 zijn goedgekeurd;
e. de namen van de staten die Onze Minister heeft aangewezen ingevolge
de artikelen 2:6, 2:50 en 2:66;
f. de lidstaten waarin een ingeschreven bemiddelaar in verzekeringen
bevoegd is bemiddelingswerkzaamheden te verrichten en de namen van de
natuurlijke personen die het beleid van de bemiddelaar bepalen;
g. de naam van de verzekeraar voor wie de volmacht van een ingeschreven
gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent geldt en de namen van
de natuurlijke personen die het beleid van de gevolmachtigde agent of de
ondergevolmachtigde agent bepalen;
h. de financiële producten ten aanzien waarvan een ingeschreven
financiëledienstverlener ingevolge deze wet diensten mag verlenen,
alsmede de aard van de desbetreffende diensten;
i. de marktexploitant of de beleggingsonderneming waaraan het ingevolge
een besluit als bedoeld in artikel 1:58c, derde lid, niet is toegestaan
hun voorzieningen in Nederland beschikbaar te stellen voor in Nederland
gevestigde leden of deelnemers op afstand;
j. betaaldienstagenten en de bijkantoren van een betaalinstelling.
4. Indien van toepassing wordt bij doorhaling vermeld dat het
desbetreffende besluit nog niet onherroepelijk is.
Artikel 1:108
1.De registerhouder houdt de in artikel 1:107 bedoelde gegevens
gedurende ten minste vijf jaar voor een ieder kosteloos ter inzage in
het register. De registerhouder verstrekt aan een ieder desgevraagd,
tegen betaling van de kostprijs, afschriften uit het register.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de inrichting en werking van het register.
Artikel 1:109
1.De Autoriteit Financiële Markten houdt een register van de personen
die hebben verzocht om, met inachtneming van de in de definitie van
gekwalificeerde belegger in artikel 1:1 bedoelde algemene maatregel van
bestuur, te worden geregistreerd als gekwalificeerde belegger.
2.Aan beheerders, beleggingsinstellingen, uitgevende instellingen, dan
wel degenen die voornemens zijn in de uitoefening van een bedrijf
opvorderbare gelden aan te trekken of ter beschikking te stellen, of
degenen die werkzaamheden verrichten als bedoeld in artikel 4:3, eerste
lid, wordt desgevraagd, tegen betaling van ten hoogste de kostprijs,
inzage verleend in het register of een afschrift verstrekt uit het
register.
3.De Autoriteit Financiële Markten draagt onverwijld zorg voor de
doorhaling in het register van een inschrijving, indien een
ingeschrevene, rechtsopvolger of erfgenaam daarvan, daarom verzoekt.
4.Met het oog op de adequate werking van de financiële markten kan de
Autoriteit Financiële Markten een inschrijving in het register
doorhalen.
Artikel 1:109a
De Autoriteit Financiële Markten houdt een lijst bij van
gereglementeerde markten waarvoor Onze Minister een vergunning als
bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, heeft verleend en zendt deze lijst
aan de overige lidstaten en aan de Commissie van de Europese
Gemeenschappen.
Afdeling 1.6.3. Beroep
Artikel 1:110
1.Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit op grond van deze wet
of indien om een voorlopige voorziening wordt verzocht ingevolge deze
wet is, in afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht,
de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
2.Ten aanzien van een besluit ingevolge hoofdstuk 5.1, artikel 5:77,
eerste lid, of artikel 5:81, derde lid, of terzake van het ingevolge
artikel 5:76, tweede lid of artikel 5:80b, vijfde lid, bepaalde, met
uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete
als bedoeld in artikel 1:80, blijft artikel 7:1 van de Algemene wet
bestuursrecht buiten toepassing.
3.In afwijking van het eerste lid is voor beroepen tegen besluiten als
bedoeld in het tweede lid, met uitzondering van besluiten tot het
opleggen van een bestuurlijke boete, het College van Beroep voor het
bedrijfsleven bevoegd.
2. Deel Markttoegang Financiële Ondernemingen
Hoofdstuk 2.1. Inleidende bepalingen
Artikel 2:1
Vergunningen en ontheffingen, verleend ingevolge deze wet, zijn
persoonlijk en niet overdraagbaar.
Artikel 2:2
Indien de toezichthouder bij de verlening van een vergunning een
ontheffing als bedoeld in artikel 2:5, derde lid, 2:7, derde lid, 2:12,
zesde lid, 2:17, derde lid, 2:21, derde lid, 2:26b, vijfde lid, 2:26e,
derde lid, 2:31, vijfde lid, 2:32, derde lid, 2:37, derde lid, 2:41,
derde lid, 2:42, derde lid, 2:49, derde lid, 2:51, derde lid, 2:54b,
vierde lid, 2:54e, derde lid, 2:58, derde lid, 2:63, derde lid, 2:67,
vijfde lid, 2:68, vierde lid, 2:78, derde lid, 2:83, derde lid, 2:89,
derde lid, 2:94, derde lid, of 2:99, zesde lid, verleent, geldt die
ontheffing tevens als een ontheffing van de dienovereenkomstige regels
ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen
onderscheidenlijk het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen.
Artikel 2:3
Indien, onverminderd artikel 2:2, de Autoriteit Financiële Markten bij
de verlening van een vergunning,waarbij ingevolge artikel 1:48 advies
aan de Nederlandsche Bank is gevraagd, tevens een ontheffing als bedoeld
in artikel 2:67, vijfde lid. 2:68, vierde lid, of 2:99, zesde lid,
verleent, is de Autoriteit Financiële Markten bevoegd tegelijkertijd
ontheffing te verlenen van de dienovereenkomstige regels ingevolge het
Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen, indien het advies
daartoe aanleiding geeft. In die gevallen worden de door de
Nederlandsche Bank eventueel geadviseerde voorschriften verbonden aan
die ontheffing. Die ontheffing wordt geacht te zijn verleend door de
Nederlandsche Bank voorzover betrekking hebbend op regels ingevolge het
Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen.
Hoofdstuk 2.2. Toegang tot de nederlandse financiële markten
Afdeling 2.2.0. Uitoefenen van bedrijf van betaaldienstverlener
§ 2.2.0.1. Vergunningplicht en -eisen voor betaaldienstverleners met
zetel in Nederland
Artikel 2:3a
1. Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe
door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te
oefenen van betaaldienstverlener.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen
die voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling een door
de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben,
voor zover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan
betaaldiensten te verlenen.
Artikel 2:3b
1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning voor het
uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener indien de aanvrager
aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel
bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die
het beleid bepalen of mede bepalen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met
betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum
aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van
waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
e. artikel 3:16, eerste en tweede lid, met betrekking tot de
zeggenschapsstructuur;
f. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting
van de bedrijfsvoering;
g. artikel 3:29a met betrekking tot het veiligstellen van ontvangen
middelen uit betaaldiensten, voor zover van toepassing;
h. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum
eigen vermogen;
2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
3. De Nederlandsche Bank beslist op de aanvraag binnen drie maanden na
ontvangst van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen
drie maanden na ontvangst van alle voor het nemen van de beslissing
benodigde gegevens.
4. De artikelen 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht en 1:102, derde
lid, zijn niet van toepassing.
Artikel 2:3c
1. Een betaalinstelling die voornemens is betaaldiensten te verlenen
door tussenkomst van een betaaldienstagent, stelt de Nederlandsche Bank
hiervan in kennis onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te bepalen gegevens.
2. Indien de Nederlandsche Bank overeenkomstig het eerste lid de
gegevens heeft ontvangen en zij er van overtuigd is dat de gegevens
correct zijn, schrijft zij de agent in in het register, bedoeld in
artikel 1:107.
§ 2.2.0.2. Vrijstelling
Artikel 2:3d
Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling
worden geregeld van artikel 2:3a, eerste lid. Aan deze gehele of
gedeeltelijke vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.
§ 2.2.0.3. Bijkantoren en betaaldienstagenten van en verrichten van
diensten door betaaldienstverleners met zetel in een andere lidstaat
Artikel 2:3e
1. Een betaaldienstverlener met zetel in een andere lidstaat kan
overgaan tot het verrichten van haar werkzaamheden vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor of door tussenkomst van een in Nederland
werkzaam zijnde betaaldienstagent, dan wel door middel van het
verrichten van diensten naar Nederland, indien hij een door de
toezichthoudende instantie van die lidstaat daartoe verleende vergunning
heeft.
2. Artikel 1:107, tweede lid, is niet van toepassing.
§ 2.2.0.4. Betaaldienstverleners met zetel in een staat die geen
lidstaat is
Artikel 2:3f
1. Het is een ieder met zetel in een staat die geen lidstaat is
verboden:
a. in Nederland het bedrijf van betaaldienstverlener uit te oefenen;
b. vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van
betaaldienstverlener uit te oefenen in een andere lidstaat.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen
die voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling een door
de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben,
voor zover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan
betaaldiensten te verlenen.
Afdeling 2.2.1. Uitoefenen van bedrijf van clearinginstelling
§ 2.2.1.1. Vergunningplicht en -eisen voor clearinginstellingen met
zetel in Nederland
Artikel 2:4
1.Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe
door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te
oefenen van clearinginstelling.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen met
zetel in Nederland die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een
door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning
hebben.
Artikel 2:5
1.De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld
in artikel 2:4, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden
voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel
bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat
artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met
betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum
aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van
waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
e. artikel 3:16 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
f. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting
van de bedrijfsvoering;
g. artikel 3:19, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum
aantal leden van de raad van commissarissen of het daarmee vergelijkbaar
orgaan als bedoeld in artikel 3:19, tweede lid;
h. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum
eigen vermogen;
i. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de
solvabiliteit; en
j. artikel 3:63, eerste en tweede lid, met betrekking tot de
liquiditeit.
2.De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
3.De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk
ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, d, f, g,
h, i, of j, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet
kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid
genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
§ 2.2.1.2. Bijkantoor en verrichten van diensten door
clearinginstellingen met zetel buiten Nederland
Artikel 2:6
1.Het is een ieder met zetel buiten Nederland verboden zonder een
daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van clearinginstelling uit te
oefenen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op clearinginstellingen met
zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat waar toezicht op het
uitoefenen van het bedrijf van clearinginstelling wordt uitgeoefend dat
in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze
wet beoogt te beschermen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van
staten. Het besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden
ingetrokken.
3.Een besluit tot aanwijzing van een staat, bedoeld in het tweede lid,
en de intrekking daarvan, worden bekend gemaakt in de Staatscourant.
4.Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen met
zetel in een andere lidstaat die voor het uitoefenen van het bedrijf van
bank een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende
vergunning hebben, tenzij de vergunning anders vermeldt. Artikel 2:15 is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2:7
1.De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld
in artikel 2:6, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden
voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel
bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat
artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot beleid met
betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting
van de bedrijfsvoering;
e. artikel 3:21 met betrekking tot het minimum aantal personen dat het
dagelijks beleid van het bijkantoor bepaalt en de plaats van waaruit zij
hun werkzaamheden verrichten;
f. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum
eigen vermogen;
g. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de
solvabiliteit; en
h. artikel 3:63, eerste en tweede lid, met betrekking tot de
liquiditeit,
met dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en met
d en f tot en met h in de genoemde artikelen voor «een
clearinginstelling met zetel in Nederland» telkens moet worden gelezen:
«het bijkantoor in Nederland van een clearinginstelling met zetel in
een niet-aangewezen staat», en dat voor de toepassing van onderdeel e
in het genoemde artikel voor «kredietinstelling met zetel in een staat
die geen lidstaat is», moet worden gelezen: «clearinginstelling met
zetel in een niet-aangewezen staat».
2.De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
3.De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk
ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, d, f, g
of h, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan
worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde
artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:8
1.Het is een ieder met zetel buiten Nederland verboden het bedrijf van
clearinginstelling door middel van het verrichten van diensten naar
Nederland uit te oefenen, tenzij hij de Nederlandsche Bank van het
voornemen daartoe kennis heeft gegeven en hij ervoor zorgt en aantoont
dat zal worden voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:57 is bepaald.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op clearinginstellingen met
zetel in een door Onze Minister ingevolge artikel 2:6, tweede lid, aan
te wijzen staat.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op clearinginstellingen met
zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende instantie
van die lidstaat verleende vergunning hebben voor het uitoefenen van het
bedrijf van bank, tenzij de vergunning anders vermeldt. Artikel 2:18 is
van overeenkomstige toepassing.
4.Voor de toepassing van het eerste lid oefenen clearinginstellingen met
zetel buiten Nederland het bedrijf van clearinginstelling uit door
middel van het verrichten van diensten naar Nederland indien zulks
geschiedt op een gereglementeerde markt waarvoor een vergunning als
bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, is verleend, een multilaterale
handelsfaciliteit waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is
verleend of een beleggingsonderneming met systematische interne
afhandeling.
5.Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het
eerste lid heeft ontvangen, deelt zij de ontvangst hiervan onverwijld
mede aan de financiële onderneming die de kennisgeving heeft gedaan.
Artikel 2:9
1.De kennisgeving, bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, geschiedt onder
opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen
gegevens.
2.De clearinginstelling, bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, kan
overgaan tot het verrichten van diensten nadat zij de mededeling,
bedoeld in artikel 2:8, vijfde lid, van de Nederlandsche Bank heeft
ontvangen.
Artikel 2:10
1.Een clearinginstelling als bedoeld in artikel 2:6, tweede lid, of
artikel 2:8, tweede lid, die voornemens is vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar
Nederland het bedrijf van clearinginstelling uit te oefenen, geeft aan
de Nederlandsche Bank kennis van dat voornemen. De clearinginstelling
legt daarbij een door de toezichthoudende instantie van die aangewezen
staat afgegeven verklaring over waaruit blijkt dat zij in die staat
bevoegd is tot het uitoefenen van het bedrijf van clearinginstelling.
2.De clearinginstelling kan overgaan tot het uitoefenen van het
voorgenomen bedrijf door middel van het verrichten van diensten naar
Nederland nadat de kennisgeving is gedaan en de verklaring is afgegeven
tenzij de Nederlandsche Bank mededeelt dat het voornemen of de beoogde
wijze van uitoefening in strijd is met deze wet.
3.Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het
eerste lid heeft ontvangen, deelt zij de betrokken clearinginstelling
onverwijld deze ontvangst mede.
4.De Nederlandsche Bank kan binnen twee maanden na ontvangst van de
kennisgeving de clearinginstelling mededelen welke voorwaarden om
redenen van algemeen belang door de clearinginstelling in acht moeten
worden genomen bij het uitoefenen van haar bedrijf vanuit het in
Nederland gelegen bijkantoor.
Afdeling 2.2.2. Uitoefenen van bedrijf van kredietinstelling en
financiële instelling
§ 2.2.2.1. Vergunningplicht en -eisen voor kredietinstellingen met
zetel in Nederland
Artikel 2:11
1.Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe
door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te
oefenen van bank of elektronischgeldinstelling.
2.Het eerste lid is voorzover het betreft het uitoefenen van het bedrijf
van elektronischgeldinstelling niet van toepassing op financiële
ondernemingen met zetel in Nederland die voor het uitoefenen van het
bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel
verleende vergunning hebben.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op degene die gelden ter
beschikking verkrijgt als bedoeld in artikel 3:2.
Artikel 2:12
1.De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld
in artikel 2:11, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden
voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel
bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat
artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met
betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum
aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van
waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
e. artikel 3:16 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
f. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting
van de bedrijfsvoering;
g. artikel 3:19, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum
aantal leden van een raad van commissarissen of een daarmee
vergelijkbaar orgaan als bedoeld in artikel 3:19, tweede lid;
h. artikel 3:31 met betrekking tot geconsolideerd toezicht;
i. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum
eigen vermogen;
j. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de
solvabiliteit; en
k. artikel 3:63, eerste en tweede lid, met betrekking tot de
liquiditeit.
2.Indien de aanvraag een bank met zetel in Nederland betreft waarin een
gekwalificeerde deelneming wordt gehouden, verleent de Nederlandsche
Bank, onverminderd het eerste lid, een vergunning indien de houder van
de gekwalificeerde deelneming een verklaring van geen bezwaar
overeenkomstig artikel 3:95, tweede lid, heeft aangevraagd, en de
Nederlandsche Bank van oordeel is dat voldaan is aan het bepaalde
ingevolge de artikelen 3:99 tot en met 3:101 met betrekking tot de
verklaring van geen bezwaar.
3.Indien de aanvraag een bank met zetel in Nederland betreft waarin een
gekwalificeerde deelneming wordt gehouden waarop artikel 3:97 van
toepassing is, verleent de Nederlandsche Bank, onverminderd het eerste
lid en in afwijking van het tweede lid, een vergunning tenzij de
deelneming zou kunnen leiden of zou leiden tot een ongewenste
ontwikkeling van de financiële sector of naar het oordeel van de
Nederlandsche Bank een van de overwegingen, bedoeld in artikel 3:100,
aanhef, onderdeel a of b, of 3:101, aanhef, onderdeel a of b, aan de
verlening van een verklaring van geen bezwaar in de weg staat.
4.Indien de aanvraag een elektronischgeldinstelling met zetel in
Nederland betreft waarin een gekwalificeerde deelneming wordt gehouden,
verleent de Nederlandsche Bank, onverminderd het eerste lid, een
vergunning tenzij het voornemen, bedoeld in artikel 3:108, eerste lid,
zou kunnen leiden of zou leiden tot een invloed op de betrokken
elektronischgeldinstelling waardoor de financiële soliditeit van de
elektronischgeldinstelling in gevaar komt.
5.De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
6.De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk
ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, f, g, i,
j of k, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan
worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde
artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:13
1.De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld
in artikel 2:11 aan een bank die naast de uitoefening van het bedrijf
van bank voornemens is tevens beleggingdiensten te verlenen of
beleggingsactiviteiten te verrichten in Nederland, indien de aanvrager,
onverminderd artikel 2:12, aantoont dat zal worden voldaan aan het
bepaalde ingevolge:
a. artikel 4:14, tweede lid, onderdeel c, onder 1° tot en met 6°, met
betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
b. artikel 4:87 met betrekking tot het treffen van adequate maatregelen
ter bescherming van rechten van cliënten; en
c. artikel 4:91a met betrekking tot de regels die gelden voor het
handelsproces en de afhandeling van transacties in een multilaterale
handelsfaciliteit indien de aanvrager voornemens is een multilaterale
handelsfaciliteit te exploiteren.
2.De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
§ 2.2.2.2. Bijkantoor en verrichten van diensten door
kredietinstellingen met zetel in een andere lidstaat
Artikel 2:14
1.Indien de Nederlandsche Bank een mededeling van het voornemen van een
kredietinstelling met zetel in een andere lidstaat tot het uitoefenen
van haar bedrijf vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor heeft
ontvangen van een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat,
deelt zij de betrokken kredietinstelling onverwijld deze ontvangst mede.
2.De Nederlandsche Bank kan binnen twee maanden na ontvangst van de
mededeling de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat
mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de
kredietinstelling in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van
haar bedrijf vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor. De
Nederlandsche Bank zendt hiervan een afschrift aan de kredietinstelling.
Artikel 2:15
1.Een kredietinstelling met zetel in een andere lidstaat die een
vergunning heeft voor het uitoefenen van haar bedrijf, verleend door de
toezichthoudende instantie van die lidstaat, en voornemens is haar
bedrijf uit te oefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor kan
daartoe overgaan twee maanden na ontvangst van de mededeling, bedoeld in
artikel 2:14, eerste lid, of onmiddellijk na ontvangst van de
mededeling, bedoeld in artikel 2:14, tweede lid.
2.Het is de kredietinstelling toegestaan de werkzaamheden, genoemd in
bijlage I van de herziene richtlijn banken, te verrichten, tenzij in de
mededeling, bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, uitdrukkelijk anders is
bepaald of die mededeling het verrichten van die werkzaamheden niet
vermeldt.
Artikel 2:16
1.Het is een ieder met zetel in een andere lidstaat die naar het recht
van de lidstaat van de zetel geen door de toezichthoudende instantie van
die lidstaat verleende vergunning behoeft te hebben voor het uitoefenen
van het bedrijf van kredietinstelling en een dergelijke vergunning niet
op vrijwillige basis heeft verkregen, verboden zonder een daartoe door
de Nederlandsche Bank verleende vergunning vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen.
2.Het eerste lid is voorzover het betreft het uitoefenen van het bedrijf
van elektronischgeldinstelling niet van toepassing op financiële
ondernemingen met zetel in een andere lidstaat die een door de
toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning hebben
voor het uitoefenen van het bedrijf van bank, tenzij deze vergunning
anders vermeldt.
3.Het is een ieder met zetel in een andere lidstaat die naar het recht
van de lidstaat van de zetel geen door de toezichthoudende instantie van
die lidstaat verleende vergunning behoeft te hebben voor het uitoefenen
van het bedrijf van kredietinstelling en een dergelijke vergunning niet
op vrijwillige basis heeft verkregen, verboden het bedrijf van bank uit
te oefenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland
tenzij hij hiervan kennis geeft aan de Nederlandsche Bank en aantoont
dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge artikel 3:57. Indien
ingevolge artikel 3:57, tweede lid, bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal
worden voldaan aan die regels, voorzover dat bij die algemene maatregel
van bestuur is bepaald.
4.Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op:
a. degene die opvorderbare gelden ter beschikking verkrijgt, bedoeld in
artikel 3:2; en
b. degene, die opvorderbare gelden ter beschikking verkrijgt of ter
beschikking heeft als gevolg van het aanbieden van effecten, bedoeld in
hoofdstuk 5.1
Artikel 2:17
1.De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld
in artikel 2:16, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden
voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel
bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat
artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met
betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting
van de bedrijfsvoering;
e. artikel 3:21 met betrekking tot het minimum aantal personen dat het
dagelijks beleid van het bijkantoor bepaalt en de plaats van waaruit zij
hun werkzaamheden verrichten;
f. artikel 3:46 met betrekking tot geconsolideerd toezicht;
g. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum
eigen vermogen;
h. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de
solvabiliteit;
i. artikel 3:63, eerste en tweede lid, met betrekking tot de
liquiditeit; en
j. artikel 3:75 met betrekking tot een afzonderlijke boekhouding,
met dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en met
d en g tot en met i in de genoemde artikelen voor «een
kredietinstelling in Nederland» telkens moet worden gelezen: «het
bijkantoor in Nederland van een kredietinstelling met zetel in een
andere lidstaat».
2.De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
3.De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk
ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, d, g, h
of i, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan
worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde
artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:18
1. Een bank met zetel in een andere lidstaat die een door de
toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning heeft
voor het uitoefenen van haar bedrijf en voornemens is voor de eerste
maal door middel van het verrichten van diensten naar Nederland haar
bedrijf uit te oefenen, kan daartoe overgaan nadat zij de
toezichthoudende instantie van de lidstaat waar zij haar zetel heeft,
kennis heeft gegeven van het voornemen.
2. Het is de bank toegestaan de werkzaamheden, genoemd in bijlage I van
de herziene richtlijn banken, te verrichten, tenzij de Nederlandsche
Bank van de toezichthoudende instantie van de lidstaat van de zetel van
de desbetreffende bank een mededeling heeft ontvangen waarin
uitdrukkelijk anders is bepaald of die mededeling, het verrichten van
die werkzaamheden niet vermeldt.
Artikel 2:19
Een elektronischgeldinstelling met zetel in een andere lidstaat die een
door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning
heeft voor het uitoefenen van haar bedrijf en voornemens is voor de
eerste maal door middel van het verrichten van diensten naar Nederland
haar bedrijf uit te oefenen, kan daartoe overgaan nadat zij de
toezichthoudende instantie van de lidstaat waar zij haar zetel heeft,
kennis heeft gegeven van het voornemen.
§ 2.2.2.3. Vergunningplicht en -eisen voor kredietinstellingen met
zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 2:20
1.Het is een ieder met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden
zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het
bedrijf uit te oefenen van bank of elektronischgeldinstelling vanuit een
in Nederland gelegen bijkantoor.
2.Het eerste lid is voorzover het betreft het uitoefenen van het bedrijf
van elektronischgeldinstelling niet van toepassing op financiële
ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die voor het
uitoefenen van het bedrijf van bank vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel
verleende vergunning hebben.
Artikel 2:21
1.De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld
in artikel 2:20, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden
voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel
bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat
artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met
betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting
van de bedrijfsvoering;
e. artikel 3:21 met betrekking tot het minimum aantal personen dat het
dagelijks beleid van het bijkantoor bepaalt en de plaats van waaruit zij
hun werkzaamheden verrichten;
f. artikel 3:46 met betrekking tot geconsolideerd toezicht;
g. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum
eigen vermogen;
h. artikel 3:57, eerste lid en tweede lid, met betrekking tot de
solvabiliteit;
i. artikel 3:63, eerste en tweede lid, met betrekking tot de
liquiditeit; en
j. artikel 3:75 met betrekking tot een afzonderlijke boekhouding,
met dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en met
d en g tot en met i in de genoemde artikelen voor «een
kredietinstelling in Nederland» telkens moet worden gelezen: «het
bijkantoor in Nederland van een kredietinstelling met zetel in een staat
die geen lidstaat is».
2.De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
3.De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk
ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, d, g, h
of i, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan
worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde
artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:22
1.De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld
in artikel 2:20 aan een kredietinstelling die naast de uitoefening van
het bedrijf van kredietinstelling voornemens is een beleggingsdienst te
verlenen of een beleggingsactiviteit te verrichten, indien de aanvrager,
onverminderd artikel 2:21, aantoont dat zal worden voldaan aan het
bepaalde ingevolge:
a. artikel 4:14, tweede lid, onderdeel c, onder 1° tot en met 6° met
betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
b. artikel 4:87 met betrekking tot het treffen van adequate maatregelen
ter bescherming van de rechten van cliënten; en
c. artikel 4:91a met betrekking tot de regels die gelden voor het
handelsproces en de afhandeling van transacties in een multilaterale
handelsfaciliteit indien de aanvrager voornemens is een multilaterale
handelsfaciliteit te exploiteren.
2.De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
Artikel 2:23
1.Het is een ieder met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden
het bedrijf van elektronischgeldinstelling uit te oefenen door middel
van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in
een staat die geen lidstaat is.
2.De Nederlandsche Bank kan op aanvraag ontheffing verlenen van het
eerste lid indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel en
het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen beogen te
beschermen anderszins voldoende worden beschermd.
§ 2.2.2.4. Bijkantoor en verrichten van diensten door financiële
instellingen met zetel in een andere lidstaat
Artikel 2:24
1.Indien de Nederlandsche Bank een mededeling van het voornemen van een
financiële instelling met zetel in een andere lidstaat tot het
uitoefenen van haar bedrijf vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor
of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland heeft
ontvangen van een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat,
deelt zij de betrokken financiële instelling onverwijld deze ontvangst
mede.
2.De Nederlandsche Bank kan binnen twee maanden na ontvangst van de
mededeling die betrekking heeft op het voornemen tot het uitoefenen van
het bedrijf vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, de
toezichthoudende instantie van de andere lidstaat mededelen welke
voorwaarden om redenen van algemeen belang door de financiële
instelling in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van haar
bedrijf of het verlenen van financiële diensten in Nederland. De
Nederlandsche Bank zendt hiervan een afschrift aan de financiële
instelling.
Artikel 2:25
1.Een financiële instelling met zetel in een andere lidstaat die een
door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende verklaring
heeft voor het uitoefenen van haar bedrijf die overeenkomt met de
verklaring van ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 3:110 en die
voornemens is haar bedrijf uit te oefenen vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor, kan daartoe overgaan twee maanden na de datum waarop
de Nederlandsche Bank de mededeling, bedoeld in artikel 2:24, eerste
lid, heeft ontvangen of onmiddellijk na ontvangst van de mededeling,
bedoeld in artikel 2:24, tweede lid.
2.Het is de financiële instelling toegestaan de werkzaamheden, genoemd
in bijlage I, onderdelen 2 tot en met 14, van de herziene richtlijn
banken, te verrichten, tenzij in de aan haar verleende verklaring,
bedoeld in het eerste lid, uitdrukkelijk anders is bepaald of de
mededeling, bedoeld in artikel 2:24, eerste lid, het verrichten van die
werkzaamheden niet vermeldt.
Artikel 2:26
Het is een financiële instelling met zetel in een andere lidstaat die
een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende
verklaring heeft voor het uitoefenen van haar bedrijf die overeenkomt
met de verklaring van ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 3:110,
en die haar bedrijf uitoefent door middel van het verrichten van
diensten naar Nederland, toegestaan de werkzaamheden genoemd in bijlage
I, onderdelen 2 tot en met 14, van de herziene richtlijn banken te
verrichten, tenzij in de in die lidstaat verleende verklaring, die
overeenkomt met de verklaring van ondertoezichtstelling, bedoeld in
artikel 3:110, uitdrukkelijk anders is bepaald dan wel zij van de
werkzaamheden die zij voornemens is door middel van het verrichten van
diensten naar Nederland uit te oefenen geen kennis heeft gegeven aan de
toezichthoudende instantie van de lidstaat waar zij haar zetel heeft.
Afdeling 2.2.2a. Uitoefenen van bedrijf van herverzekeraar
§ 2.2.2a.1. Vergunningplicht en -eisen voor herverzekeraars met zetel
in Nederland
Artikel 2:26a
1.Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe
door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te
oefenen van herverzekeraar.
2.Het bedrijf van herverzekeraar wordt onderscheiden in de activiteiten
levensherverzekering, natura-uitvaartherverzekering en
schadeherverzekering.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op levensverzekeraars,
natura-uitvaartverzekeraars of schadeverzekeraars voor zover zij het
bedrijf van herverzekeraar uitoefenen in de activiteit
levensherverzekering, natura-uitvaartherverzekering, onderscheidenlijk
schadeherverzekering.
Artikel 2:26b
1.De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld
in artikel 2:26a, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal
worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel
bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat
artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met
betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum
aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van
waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
e. artikel 3:16, eerste en tweede lid, met betrekking tot de
zeggenschapsstructuur;
f. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting
van de bedrijfsvoering;
g. artikel 3:19, eerste lid, met betrekking tot het minimum aantal leden
van de raad van commissarissen;
h. artikel 3:20, met betrekking tot de rechtsvorm;
i. artikel 3:53, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot het
minimum eigen vermogen;
j. artikel 3:57, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot de
solvabiliteit; en
k. artikel 3:70 met betrekking tot het boekjaar.
2.Indien de aanvraag een herverzekeraar met zetel in Nederland betreft
waarin een gekwalificeerde deelneming wordt gehouden, verleent de
Nederlandsche Bank, onverminderd het eerste lid, een vergunning indien
de houder van de gekwalificeerde deelneming een verklaring van geen
bezwaar overeenkomstig artikel 3:95, tweede lid, heeft aangevraagd, en
de Nederlandsche Bank van oordeel is dat voldaan is aan het bepaalde
ingevolge de artikelen 3:99 tot en met 3:101 met betrekking tot de
verklaring van geen bezwaar.
3.Indien de aanvraag een herverzekeraar met zetel in Nederland betreft
waarin een gekwalificeerde deelneming wordt gehouden waarop artikel 3:97
van toepassing is, verleent de Nederlandsche Bank, onverminderd het
eerste lid en in afwijking van het tweede lid, een vergunning tenzij de
deelneming zou kunnen leiden of zou leiden tot een ongewenste
ontwikkeling van de financiële sector of naar het oordeel van de
Nederlandsche Bank een van de overwegingen, bedoeld in artikel 3:100,
aanhef, onderdeel a of b, of 3:101, aanhef, onderdeel a of b, aan de
verlening van een verklaring van geen bezwaar in de weg staat.
4.De aanvraag geschiedt onder vermelding van de
herverzekeringsactiviteit, en onder opgave van bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
5.De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk
ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, d, f, g
of k, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan
worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde
artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
§ 2.2.2a.2. Bijkantoren van en verrichting van diensten door
herverzekeraars met zetel in een andere lidstaat
Artikel 2:26c
1.Een herverzekeraar met zetel in een andere lidstaat kan overgaan tot
het uitoefenen van zijn bedrijf vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland
indien hij een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat
daartoe verleende vergunning heeft.
2.Artikel 1:107, tweede lid, is niet van toepassing.
§ 2.2.2a.3. Bijkantoor en verrichten van diensten door herverzekeraars
met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 2:26d
1.Het is een ieder met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden
zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning
vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van
herverzekeraar uit te oefenen.
2.Het bedrijf van herverzekeraar wordt onderscheiden in de activiteiten
levensherverzekering, natura-uitvaartherverzekering en
schadeherverzekering.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op herverzekeraars met zetel in
een door Onze Minister aan te wijzen staat waar toezicht op het
uitoefenen van het bedrijf van herverzekeraar wordt uitgeoefend dat in
voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet
beoogt te beschermen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van staten. Het
besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken.
4.Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. levensverzekeraars die een vergunning hebben als bedoeld in artikel
2:40 voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar vanuit
een in Nederland gelegen bijkantoor, voor zover zij het bedrijf van
herverzekeraar uitoefenen in de activiteit levensherverzekering;
b. natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een aangewezen staat of die
een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:50 voor de uitoefening
van het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar, voor zover zij het
bedrijf van herverzekeraar uitoefenen in de activiteit
natura-uitvaartherverzekering; en
c. schadeverzekeraars die een vergunning hebben als bedoeld in artikel
2:40 voor de uitoefening van schadeverzekeraar vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor, voor zover zij het bedrijf van herverzekeraar
uitoefenen in de activiteit van schadeherverzekering.
5.Een besluit tot aanwijzing van een staat, bedoeld in het derde lid, en
de intrekking daarvan, worden bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 2:26e
1.De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld
in artikel 2:26d, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat met
betrekking tot het bijkantoor zal worden voldaan aan het bepaalde
ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel
bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat
artikel bedoelde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met
betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:16, eerste en tweede lid, met betrekking tot de
zeggenschapsstructuur;
e. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting
van de bedrijfsvoering;
f. artikel 3:53, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot het
minimum eigen vermogen;
g. artikel 3:57, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot de
solvabiliteit; en
h. artikel 3:70 met betrekking tot het boekjaar,
alsmede dat de aanvrager voldoet aan artikel 3:24, met betrekking tot de
rechtspersoonlijkheid, de bevoegdheid tot uitoefening van het bedrijf
van herverzekeraar, en de uitoefening van die bevoegdheid, met dien
verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en met h in de
in die onderdelen genoemde artikelen voor «een verzekeraar» telkens
moet worden gelezen: «het in Nederland gelegen bijkantoor van een
herverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat».
2.De aanvraag geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
3.De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk
ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, e, of h,
indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden
voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen
beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:26f
1.Het is een ieder met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden
door middel van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een
vestiging in een staat die geen lidstaat is het bedrijf van
herverzekeraar uit te oefenen, tenzij hij de Nederlandsche Bank hiervan
kennis geeft en aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde
ingevolge:
a. artikel 3:24 met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid, de
bevoegdheid tot uitoefening van het bedrijf van herverzekeraar en de
uitoefening van die bevoegdheid; en
b. artikel 3:57, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot de
solvabiliteit, met dien verstande dat voor de toepassing van dit
onderdeel in dat artikel voor «verzekeraar met zetel in Nederland»
moet worden gelezen: «een herverzekeraar met zetel in een
niet-aangewezen staat».
De herverzekeraar legt daarbij een door de toezichthoudende instantie
van de staat waar hij zijn zetel heeft afgegeven verklaring over waaruit
blijkt dat hij in die staat bevoegd is tot het uitoefenen van het
bedrijf van herverzekeraar.
2.De kennisgeving geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
3.De herverzekeraar kan overgaan tot het uitoefenen van zijn bedrijf
door middel van het verrichten van diensten naar Nederland na de
mededeling, bedoeld in artikel 2:47, en nadat de verklaring, bedoeld in
het eerste lid, is afgegeven.
4.De herverzekeraar, bedoeld in het eerste lid, oefent zijn bedrijf door
middel van het verrichten van diensten naar Nederland uitsluitend uit in
de activiteit tot het uitoefenen waarvan hij in de staat waar hij zijn
zetel heeft bevoegd is.
5.Het eerste lid is niet van toepassing op herverzekeraars die hun
bedrijf uitoefenen vanuit een vestiging in een op grond van artikel
2:26d, derde lid, door Onze Minister aangewezen staat.
Artikel 2:26g
1.Een herverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat kan vanuit
een bijkantoor in een andere lidstaat overgaan tot het uitoefenen van
zijn bedrijf door middel van het verrichten van diensten naar Nederland,
indien hij een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat
verleende vergunning heeft voor het uitoefenen van zijn bedrijf vanuit
dat bijkantoor.
2.Een herverzekeraar met zetel in een op grond van artikel 2:26d, derde
lid, door Onze Minister aangewezen staat kan vanuit een bijkantoor in
een andere lidstaat overgaan tot het uitoefenen van zijn bedrijf door
middel van het verrichten van diensten naar Nederland.
3.Artikel 1:107, tweede lid, is niet van toepassing op herverzekeraars
als bedoeld in het eerste en tweede lid.
Afdeling 2.2.3. Uitoefenen van bedrijf van levensverzekeraar en
schadeverzekeraar
§ 2.2.3.1. Vergunningplicht en -eisen voor levensverzekeraars en
schadeverzekeraars met zetel in Nederland
Artikel 2:27
1.Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe
door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te
oefenen van levensverzekeraar of schadeverzekeraar.
2.Het bedrijf van levensverzekeraar en het bedrijf van schadeverzekeraar
worden onderscheiden in de branches die zijn genoemd in de bij deze wet
behorende Bijlage branches.
3.Het eerste lid is wat betreft het verbod op uitoefening van het
bedrijf van levensverzekeraar niet van toepassing op financiële
ondernemingen die uitsluitend het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar
uitoefenen met een vergunning als bedoeld in artikel 2:48, eerste lid.
Artikel 2:28
1.Aan degene die een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van
levensverzekeraar heeft, wordt geen vergunning voor de uitoefening van
het bedrijf van schadeverzekeraar verleend.
2.Aan degene die een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van
schadeverzekeraar heeft, wordt geen vergunning voor de uitoefening van
het bedrijf van levensverzekeraar verleend.
3.Aan degene die een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van
herverzekeraar in de activiteit levensherverzekering of
natura-uitvaartherverzekering heeft, wordt geen vergunning verleend voor
de uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar.
4.Aan degene die een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van
herverzekeraar in de activiteit schadeherverzekering heeft, wordt geen
vergunning verleend voor de uitoefening van het bedrijf van
levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar.
Artikel 2:29
1.De levensverzekeraar die een vergunning voor de uitoefening van het
bedrijf van levensverzekeraar in de branche Permanent health insurance
heeft, komt niet in aanmerking voor een vergunning voor de uitoefening
van het bedrijf van levensverzekeraar in een andere branche.
2.De levensverzekeraar die een vergunning voor de uitoefening van het
bedrijf van levensverzekeraar in een andere branche dan de branche
Permanent health insurance heeft, komt niet in aanmerking voor een
vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar in
de branche Permanent health insurance.
Artikel 2:30
De Nederlandsche Bank verleent, onverminderd artikel 2:31, een
levensverzekeraar met zetel in Nederland slechts een vergunning voor de
branche Kapitalisatieverrichtingen of voor de branche Beheer over
collectieve pensioenfondsen indien de aanvrager een vergunning heeft
voor de branche Levensverzekering algemeen en ervoor zorgt en aantoont
dat hij:
a. de werkzaamheden in de genoemde branche Kapitalisatieverrichtingen
onderscheidenlijk in de branche Beheer over collectieve pensioenfondsen
in zodanige mate uitoefent dat zij voor zijn gehele bedrijf van
ondergeschikte betekenis zijn; en
b. in geval van een aanvraag voor de branche Beheer over collectieve
pensioenfondsen voldoet aan overige regels die bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen worden gesteld.
Artikel 2:31
1.De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld
in artikel 2:27, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden
voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel
bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat
artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met
betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum
aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van
waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;
e. artikel 3:16, eerste en tweede lid, met betrekking tot de
zeggenschapsstructuur;
f. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting
van de bedrijfsvoering;
g. artikel 3:19, eerste lid, met betrekking tot het minimum aantal leden
van de raad van commissarissen;
h. artikel 3:20 met betrekking tot de rechtsvorm;
i. artikel 3:53, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot het
minimum eigen vermogen;
j. artikel 3:57, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot de
solvabiliteit; en
k. artikel 3:70, eerste lid, met betrekking tot het boekjaar.
2.Indien de aanvraag een verzekeraar met zetel in Nederland betreft
waarin een gekwalificeerde deelneming wordt gehouden, verleent de
Nederlandsche Bank, onverminderd het eerste lid, een vergunning indien
de houder van de gekwalificeerde deelneming een verklaring van geen
bezwaar overeenkomstig artikel 3:95, tweede lid, heeft aangevraagd, en
de Nederlandsche Bank van oordeel is dat voldaan is aan het bepaalde
ingevolge de artikelen 3:99 tot en met 3:101 met betrekking tot de
verklaring van geen bezwaar.
3.Indien de aanvraag een verzekeraar met zetel in Nederland betreft
waarin een gekwalificeerde deelneming wordt gehouden waarop artikel 3:97
van toepassing is, verleent de Nederlandsche Bank, onverminderd het
eerste lid en in afwijking van het tweede lid, een vergunning tenzij de
deelneming zou kunnen leiden of zou leiden tot een ongewenste
ontwikkeling van de financiële sector of naar het oordeel van de
Nederlandsche Bank een van de overwegingen, bedoeld in artikel 3:100,
aanhef, onderdeel a of b, of 3:101, aanhef, onderdeel a of b, aan de
verlening van een verklaring van geen bezwaar in de weg staat.
4.De aanvraag van de vergunning geschiedt onder vermelding van de
branche of branches waarvoor de vergunning wordt aangevraagd en onder
opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen
gegevens.
5.De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk
ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, d, f, g
of k, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan
worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde
artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:32
1.De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning voor de
uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar in de branche
Aansprakelijkheid motorrijtuigen indien de aanvrager, onverminderd
artikel 2:31, aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:
a. artikel 4:70, eerste lid, onderdelen a en b, met betrekking tot de
uit de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen voortvloeiende
verplichtingen; en
b. artikel 4:70, tweede lid, met betrekking tot de schaderegelaar.
2.De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
Artikel 2:33
1.De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning voor de
uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar in de branche
Rechtsbijstand indien de aanvrager, onverminderd artikel 2:31, aantoont
dat zal worden voldaan aan het bepaalde in artikel 4:65 met betrekking
tot het voorkomen van belangenconflicten.
2.De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
§ 2.2.3.2. Bijkantoor en verrichten van diensten door
levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een andere
lidstaat
Artikel 2:34
1.Indien de Nederlandsche Bank een mededeling van het voornemen van een
levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat
tot het uitoefenen van zijn bedrijf vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland
heeft ontvangen van een toezichthoudende instantie van een andere
lidstaat, deelt zij de betrokken levensverzekeraar of schadeverzekeraar
onverwijld deze ontvangst mede.
2.De Nederlandsche Bank kan binnen twee maanden na ontvangst van de
mededeling die betrekking heeft op het voornemen tot het uitoefenen van
het bedrijf vanuit een bijkantoor, de toezichthoudende instantie van de
andere lidstaat mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen
belang door de levensverzekeraar of schadeverzekeraar in acht moeten
worden genomen bij het uitoefenen van zijn bedrijf in Nederland. De
Nederlandsche Bank zendt hiervan een afschrift aan de levensverzekeraar
of schadeverzekeraar.
Artikel 2:35
Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere
lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat
verleende vergunning heeft voor het uitoefenen van zijn bedrijf en
voornemens is zijn bedrijf uit te oefenen vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor, kan daartoe overgaan twee maanden na de ontvangst
van de mededeling, bedoeld in artikel 2:34, eerste lid, of onmiddellijk
na ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 2:34, tweede lid.
Artikel 2:36
1.Het is een ieder met zetel in een andere lidstaat die naar het recht
van de lidstaat van de zetel geen door de toezichthoudende instantie van
die lidstaat verleende vergunning behoeft te hebben voor het uitoefenen
van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar en een
dergelijke vergunning niet op vrijwillige basis heeft verkregen,
verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende
vergunning vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf uit te
oefenen van levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar.
2.Het is een ieder met zetel in een andere lidstaat die naar het recht
van de lidstaat van de zetel geen door de toezichthoudende instantie van
die lidstaat verleende vergunning behoeft te hebben voor het uitoefenen
van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar en een
dergelijke vergunning niet op vrijwillige basis heeft verkregen,
verboden het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk
schadeverzekeraar uit te oefenen door middel van het verrichten van
diensten naar Nederland tenzij hij de Nederlandsche Bank hiervan kennis
heeft gegeven en aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde
ingevolge:
a. artikel 3:24 met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid, de
bevoegdheid tot uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar
onderscheidenlijk schadeverzekeraar en de uitoefening van die
bevoegdheid; en
b. artikel 3:57, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot
solvabiliteit, met dien verstande dat voor de toepassing van dit
onderdeel in dat artikel voor «een verzekeraar met zetel in Nederland»
moet worden gelezen: «een verzekeraar met zetel in een staat die geen
lidstaat is».
Indien ingevolge artikel 3:57, tweede lid, bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan
dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat bij die algemene
maatregel van bestuur is bepaald.
3.De kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, geschiedt onder opgave van
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
4.De verzekeraar kan overgaan tot het uitoefenen van zijn bedrijf vanuit
het in Nederland gelegen bijkantoor twee maanden na de ontvangst van de
mededeling, bedoeld in artikel 2:34, eerste lid.
5.De verzekeraar oefent zijn bedrijf door middel van het verrichten van
diensten naar Nederland uitsluitend uit in de branches tot het
uitoefenen waarvan hij in de staat waar hij zijn zetel heeft bevoegd is.
Artikel 2:37
1.De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld
in artikel 2:36, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden
voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel
bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat
artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met
betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting
van de bedrijfsvoering;
e. artikel 3:47, eerste tot en met derde en vijfde tot en met achtste
lid, met betrekking tot de vertegenwoordiger van een verzekeraar;
f. artikel 3:53, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot het
minimum eigen vermogen;
g. artikel |