Nadere regelgeving:
- Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie
en depositogarantie Wft
- Besluit boetes Wft
(vervallen)
- Besluit
bestuurlijke boetes financiële sector
- Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft
- Besluit marktmisbruik Wft
- Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft
- Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft
- Besluit prudentiële regels Wft
- Besluit reikwijdtebepalingen Wft
- Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van
terrorisme
- Vrijstellingsregeling Wft
WET van 28 september 2006, houdende
regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop
(Wet op het financieel toezicht)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de
hervorming van het toezicht op de financiële markten naar een
functioneel ingericht toezicht, herziening van de wetgeving met
betrekking tot dat toezicht noodzakelijk maakt;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1. Algemeen deel
Hoofdstuk 1.1. Inleidende bepalingen
Afdeling 1.1.1. Definities
Artikel 1:1
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt, voorzover niet anders is bepaald, verstaan onder:
aanbieden:
a. het in de uitoefening van een
beroep of bedrijf rechtstreeks of middellijk doen van een
voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een
overeenkomst met een consument inzake een financieel product dat
geen financieel instrument of verzekering is of het in de
uitoefening van een beroep of bedrijf aangaan, beheren of
uitvoeren van een dergelijke overeenkomst;
b. het in de uitoefening van een
beroep of bedrijf rechtstreeks of middellijk doen van een
voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een
overeenkomst inzake een verzekering of het in de uitoefening van
een beroep of bedrijf aangaan, beheren of uitvoeren van een
dergelijke overeenkomst; of
c. het rechtstreeks of middellijk
doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij
aangaan van een overeenkomst inzake een recht van deelneming in
een beleggingsinstelling of het rechtstreeks of middellijk vragen
of verkrijgen van gelden of andere goederen van een cliënt ter
deelneming in een beleggingsinstelling;
aanbieder: degene die aanbiedt;
aangewezen staat: een staat die op
grond van deze wet is aangewezen als staat waar toezicht wordt
uitgeoefend op beleggingsinstellingen, clearinginstellingen
onderscheidenlijk natura-uitvaartverzekeraars dat in voldoende mate
waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te
beschermen;
aanmeldingstermijn: de periode
gedurende welke de effecten waarop een openbaar bod betrekking heeft,
kunnen worden aangemeld;
accountant: een accountant als bedoeld
in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
adviseren:
a. het in de uitoefening van een
beroep of bedrijf aanbevelen van een of meer specifieke
financiële producten, met uitzondering van verzekeringen en
financiële instrumenten, aan een bepaalde consument; of
b. het in de uitoefening van een
beroep of bedrijf aanbevelen van een of meer specifieke
verzekeringen of van een of meer specifieke financiële
instrumenten aan een bepaalde cliënt;
adviseur: degene die adviseert;
Autoriteit Financiële Markten:
Stichting Autoriteit Financiële Markten;
bank: degene die zijn bedrijf maakt van
het buiten besloten kring ter beschikking verkrijgen van opvorderbare
gelden van anderen dan professionele marktpartijen, en van het voor
eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen;
beheerder: een rechtspersoon die het
beheer voert over een of meer beleggingsinstellingen;
beheren van een individueel vermogen:
in de uitoefening van een beroep of bedrijf, anders dan als beheerder,
op discretionaire basis voeren van het beheer over financiële
instrumenten die toebehoren aan een persoon dan wel over aan deze
persoon toebehorende middelen ter belegging in financiële
instrumenten op grond van een door deze persoon gegeven opdracht;
beleggerscompensatiestelsel: een
stelsel omtrent een garantie voor vorderingen van beleggers in verband
met beleggingsverrichtingen op banken, beleggingsondernemingen of
financiële instellingen waaraan het is toegestaan beleggingsdiensten
te verlenen, tegen het risico dat deze financiële ondernemingen hun
verplichtingen met betrekking tot die vorderingen niet kunnen nakomen;
beleggingsfonds: een niet in een
beleggingsmaatschappij ondergebracht vermogen waarin ter collectieve
belegging gevraagde of verkregen gelden of andere goederen zijn of
worden opgenomen teneinde de deelnemers in de opbrengst van de
beleggingen te doen delen;
beleggingsinstelling:
beleggingsmaatschappij of beleggingsfonds;
beleggingsinstelling met zetel in een
niet-aangewezen staat: een beleggingsinstelling met zetel buiten
Nederland in een staat die niet op grond van artikel 2:66, eerste lid,
is aangewezen als staat waar toezicht wordt uitgeoefend op
beleggingsinstellingen dat in voldoende mate waarborgen biedt ten
aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen, niet zijnde
een instelling voor collectieve belegging in effecten;
beleggingsmaatschappij: een
rechtspersoon die gelden of andere goederen ter collectieve belegging
vraagt of verkrijgt teneinde de deelnemers in de opbrengst van de
beleggingen te doen delen;
beleggingsobject:
a. een zaak, een recht op een zaak
of een recht op het al dan niet volledige rendement in geld of een
gedeelte van de opbrengst van een zaak, niet zijnde een product
als bedoeld in de onderdelen b tot en met h van de definitie van
financieel product in dit artikel, welke anders dan om niet wordt
verkregen, bij welke verkrijging aan de verkrijger een rendement
in geld in het vooruitzicht wordt gesteld en waarbij het beheer
van de zaak hoofdzakelijk wordt uitgevoerd door een ander dan de
verkrijger; of
b. een ander bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen recht;
beleggingsonderneming: degene die een
beleggingsdienst verleent of een beleggingsactiviteit verricht;
beleggingsonderneming met systematische
interne afhandeling: beleggingsonderneming die frequent op
georganiseerde, regelmatige en systematische wijze, voor eigen
rekening en buiten een gereglementeerde markt of een multilaterale
handelsfaciliteit om transacties uitvoert door orders van cliënten
met betrekking tot aandelen uit te voeren;
bemiddelaar: degene die bemiddelt;
bemiddelen:
a. alle werkzaamheden in de
uitoefening van een beroep of bedrijf gericht op het als
tussenpersoon tot stand brengen van een overeenkomst inzake een
ander financieel product dan een financieel instrument, krediet of
verzekering tussen een consument en een aanbieder;
b. alle werkzaamheden in de
uitoefening van een beroep of bedrijf gericht op het als
tussenpersoon tot stand brengen van een overeenkomst inzake
krediet tussen een consument en een aanbieder of op het assisteren
bij het beheer en de uitvoering van een dergelijke overeenkomst;
of
c. alle werkzaamheden in de
uitoefening van een beroep of bedrijf gericht op het als
tussenpersoon tot stand brengen van een verzekering tussen een
cliënt en een verzekeraar of op het assisteren bij het beheer en
de uitvoering van een verzekering;
besloten kring: een kring, bestaande
uit personen of vennootschappen waarvan een persoon of vennootschap
opvorderbare gelden ter beschikking verkrijgt,
a. die nauwkeurig is omschreven;
b. waarvan de toetredingscriteria
vooraf zijn bepaald, toetsbaar zijn en niet resulteren in het op
eenvoudige wijze toetreden van niet tot de kring behorende
personen of vennootschappen; en
c. waarbinnen degenen die er deel
van uitmaken in een op het tijdstip van het verkrijgen van de
opvorderbare gelden reeds bestaande rechtsbetrekking staan tot de
persoon of vennootschap die de gelden ter beschikking verkrijgt,
op grond waarvan zij redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn van
diens financiële toestand;
betaaldienst: bedrijfswerkzaamheid als
bedoeld in de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten;
betaaldienstagent: persoon die bij de
uitvoering van betaaldiensten voor rekening van een betaalinstelling
optreedt;
betaaldienstgebruiker: persoon die in
de hoedanigheid van betaler, betalingsbegunstigde of beide van een
betaaldienst gebruik maakt;
betaaldienstverlener: degene die zijn
bedrijf maakt van het verlenen van betaaldiensten;
betaalinstelling: een
betaaldienstverlener waaraan een vergunning als bedoeld in artikel
2:3a is verleend;
betaalinstrument: gepersonaliseerd
instrument of gepersonaliseerde instrumenten of het geheel van
procedures, overeengekomen tussen de betaaldienstgebruiker en de
betaaldienstverlener, waarvan de betaaldienstgebruiker gebruik maakt
om een betaalopdracht te initiëren;
betaalopdracht: door een betaler of
betalingsbegunstigde aan zijn betaaldienstverlener gegeven opdracht om
een betalingstransactie uit te voeren;
betaalrekening: op naam van een of meer
betaaldienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van
betalingstransacties wordt gebruikt;
betaler: persoon die houder is van een
betaalrekening en een betalingstransactie vanaf die betaalrekening
toestaat, hetzij bij ontbreken van een betaalrekening, een persoon die
een betaalopdracht geeft;
betalingsbegunstigde: persoon die de
beoogde ontvanger is van de geldmiddelen waarop een
betalingstransactie betrekking heeft;
betalingssysteem: een
geldovermakingssysteem met formele en gestandaardiseerde regelingen en
gemeenschappelijke regels voor de verwerking, clearing of afwikkeling
van betalingstransacties;
betalingstransactie: door de betaler of
de betalingsbegunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen
worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er
onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de
betalingsbegunstigde zijn;
bewaarder: een rechtspersoon die is
belast met de bewaring van de activa van een beleggingsinstelling;
bewindvoerder: de bewindvoerder,
bedoeld in artikel 3:162, vierde lid, of degene die is aangewezen door
de bestuurlijke of rechterlijke instanties in een andere lidstaat om
saneringsmaatregelen uit te voeren;
bieder: een natuurlijk persoon,
rechtspersoon of vennootschap, dan wel enig naar buitenlands recht
daarmee vergelijkbaar lichaam of samenwerkingsverband, door wie of
namens wie al dan niet tezamen met een of meer andere natuurlijke
personen, rechtspersonen, vennootschappen of daarmee vergelijkbare
lichamen of samenwerkingsverbanden een openbaar bod wordt voorbereid
of uitgebracht, dan wel is uitgebracht;
bijkantoor:
a. duurzaam in een andere staat
dan de staat van de zetel aanwezig onderdeel zonder
rechtspersoonlijkheid van een financiële onderneming die geen
verzekeraar, beleggingsonderneming of betaalinstelling is;
b. duurzame aanwezigheid van
een verzekeraar, met uitzondering van de zetel, beheerd door
eigen personeel van de verzekeraar of door een zelfstandig
persoon die is gemachtigd duurzaam voor de verzekeraar op te
treden;
c. gezamenlijke duurzaam in een
andere staat dan de staat van de zetel aanwezige onderdelen
zonder rechtspersoonlijkheid van een beleggingsonderneming die
beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten of nevendiensten
verlenen; of
d. gezamenlijke duurzaam in een
andere staat dan de staat van de zetel aanwezige onderdelen
zonder rechtspersoonlijkheid van een betaalinstelling;
centrale kredietinstelling: een bank
die met betrekking tot een groep banken tot welke groep die bank zelf
ook behoort, het beleid mede bepaalt;
clearinginstelling: degene die zijn
bedrijf maakt van het sluiten van overeenkomsten betreffende
financiële instrumenten met een centrale tegenpartij die optreedt als
exclusieve wederpartij bij deze overeenkomsten, waarvan de bedingen
die de kern van de prestaties aangeven overeenkomen met de bedingen
die deel uitmaken van overeenkomsten, gesloten door derden of door
hemzelf in zijn hoedanigheid van partij, op een handelsplatform en die
in de laatstbedoelde overeenkomsten de kern van de prestaties
aangeven;
clearinginstelling met zetel in een
niet-aangewezen staat: een clearinginstelling met zetel in een staat
buiten Nederland die niet op grond van artikel 2:6, tweede lid, is
aangewezen als staat waar toezicht op clearinginstellingen wordt
uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de
belangen die deze wet beoogt te beschermen;
communautaire co-assurantie: een
directe schadeverzekering betreffende grote risico’s, in
co-assurantie gesloten, waarbij:
a. de schadeverzekeraar die als
eerste schadeverzekeraar optreedt, zijn verplichtingen uit hoofde
van de schadeverzekering is aangegaan vanuit een vestiging in een
andere lidstaat dan de lidstaat waarin ten minste een van de
overige co-assuradeuren zulks heeft gedaan; en
b. het risico in een lidstaat is
gelegen;
consument: een niet in de uitoefening
van zijn bedrijf of beroep handelende natuurlijke persoon aan wie een
financiële onderneming een financiële dienst verleent;
deelnemer: een aandeelhouder of een
deelgerechtigde in een beleggingsinstelling;
deposito: een tegoed dat wordt gevormd
door op een rekening staande gelden of dat tijdelijk uit normale
banktransacties voortvloeit, en dat een bank onder de toepasselijke
wettelijke en contractuele voorwaarden dient terug te betalen, alsmede
schulden belichaamd in door een bank uitgegeven op naam gestelde
schuldbewijzen, met uitzondering van obligaties die voldoen aan de
voorwaarden van artikel 22, vierde lid, van de richtlijn
beleggingsinstellingen;
depositogarantiestelsel: een stelsel
omtrent een garantie voor vorderingen van depositohouders op banken
tegen het risico dat deze banken hun verplichtingen met betrekking tot
die vorderingen niet kunnen nakomen;
doelvennootschap: de instelling waarvan
effecten zijn uitgegeven waarop een openbaar bod is aangekondigd,
wordt uitgebracht of dient te worden uitgebracht;
duurzame drager: een hulpmiddel dat een
persoon in staat stelt om aan hem persoonlijk gerichte informatie op
te slaan op een wijze die deze informatie toegankelijk maakt voor
toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel
waarvoor de informatie kan dienen, en die een ongewijzigde reproductie
van de opgeslagen informatie mogelijk maakt;
effect:
a. een verhandelbaar aandeel of een
ander daarmee gelijk te stellen verhandelbaar waardebewijs of
recht niet zijnde een appartementsrecht;
b. een verhandelbare obligatie of
een ander verhandelbaar schuldinstrument; of
c. elk ander door een
rechtspersoon, vennootschap of instelling uitgegeven verhandelbaar
waardebewijs waarmee een in onderdeel a of b bedoeld effect door
uitoefening van de daaraan verbonden rechten of door conversie kan
worden verworven of dat in geld wordt afgewikkeld;
effectief kredietvergoedingspercentage:
de bij de uitvoering van een overeenkomst inzake krediet
overeenkomstig de betalingsregeling aan de consument in rekening te
brengen kredietvergoeding, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis
van het uitstaand saldo, berekend op bij ministeriële regeling vast
te stellen wijze;
elektronisch geld: een geldswaarde die
is opgeslagen op een elektronische drager of die op afstand is
opgeslagen in een centrale rekeningadministratie;
elektronische weg: elektronische
apparatuur voor de verwerking, met inbegrip van digitale compressie,
opslag en verzending van gegevens via draden, radio, optische
technologieën of andere elektromagnetische middelen;
elektronischgeldinstelling: degene die,
geen bank zijnde, zijn bedrijf maakt van het ter beschikking
verkrijgen van gelden in ruil waarvoor elektronisch geld wordt
uitgegeven waarmee betalingen kunnen worden verricht ook aan anderen
dan degene die het elektronisch geld uitgeeft;
entiteit voor risico-acceptatie:
instelling, niet zijnde een verzekeraar, die door een verzekeraar
overgedragen risico’s accepteert en de acceptatie van die risico’s
uitsluitend financiert door van derden gelden aan te trekken terzake
waarvan de terugbetalingsverplichtingen zijn achtergesteld bij de
betalingsverplichtingen die ontstaan uit het accepteren van de
overgedragen risico’s;
entiteit voor risico-acceptatie met
zetel in een niet-aangewezen staat: entiteit voor risico-acceptatie
met zetel in een staat die geen lidstaat is die niet op grond van
artikel 2:54d, tweede lid, is aangewezen als staat waar toezicht op
entiteiten voor risico-acceptatie wordt uitgeoefend dat in voldoende
mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt
te beschermen;
Europese beleggingsonderneming:
beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat die aldaar voor
de uitoefening van haar bedrijf een vergunning heeft;
Europese herverzekeraar: herverzekeraar
met zetel in een andere lidstaat die aldaar een vergunning heeft voor
de uitoefening van zijn bedrijf die overeenkomt met die in artikel
2:26a;
Europese kredietinstelling:
kredietinstelling met zetel in een andere lidstaat die aldaar voor de
uitoefening van haar bedrijf een vergunning heeft;
Europese levensverzekeraar of
schadeverzekeraar: levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in
een andere lidstaat die aldaar een vergunning heeft voor de
uitoefening van zijn bedrijf die overeenkomt met de in artikel 2:27
bedoelde vergunning;
financieel instrument:
a. effect;
b. geldmarktinstrument;
c. recht van deelneming in een
beleggingsinstelling, niet zijnde effect;
d. optie, future, swap,
rentetermijncontract of ander derivatencontract dat betrekking
heeft op effecten, valuta, rentevoeten of rendementen, of andere
afgeleide instrumenten, indexen of maatstaven en dat kan worden
afgewikkeld door middel van materiële aflevering of in contanten;
e. optie, future, swap,
rentetermijncontract of ander derivatencontract dat betrekking
heeft op grondstoffen en in contanten moet of mag worden
afgewikkeld naar keuze van een van de partijen, tenzij de reden
het in gebreke blijven is of een andere gebeurtenis die
beëindiging van het contract tot gevolg heeft;
f. optie, future, swap of ander
derivatencontract dat betrekking heeft op grondstoffen, alleen kan
worden afgewikkeld door middel van materiële levering en wordt
verhandeld op een gereglementeerde markt of een multilaterale
handelsfaciliteit;
g. andere optie, future, swap of
termijncontract dan bedoeld onder f of ander derivatencontract dat
betrekking heeft op grondstoffen, kan worden afgewikkeld door
middel van materiële levering en niet voor commerciële
doeleinden bestemd is, en dat de kenmerken van andere afgeleide
financiële instrumenten heeft;
h. afgeleid instrument voor de
overdracht van kredietrisico;
i. financieel contract ter
verrekening van verschillen;
j. optie, future, swap,
termijncontract of ander derivatencontract met betrekking tot
klimaatvariabelen, vrachttarieven, emissierechten,
inflatiepercentages of andere officiële economische statistieken,
en dat contant moet, of, op verzoek van één der partijen, kan
worden afgewikkeld, anderszins dan op grond van een verzuim of een
ander ontbindend element of ander derivatencontract met betrekking
tot activa, rechten, verbintenissen, indices of maatregelen dan
hiervoor vermeld en dat de kenmerken van andere afgeleide
financiële instrumenten bezit;
financieel product:
a. een beleggingsobject;
b. een betaalrekening met inbegrip
van de daaraan verbonden betaalfaciliteiten;
c. elektronisch geld;
d. een financieel instrument;
e. krediet;
f. een spaarrekening met inbegrip
van de daaraan verbonden spaarfaciliteiten;
g. een verzekering die geen
herverzekering is; of
h. een bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen ander product;
financiële dienst:
a. aanbieden;
b. adviseren over andere
financiële producten dan financiële instrumenten;
c. bemiddelen;
d. herverzekeringsbemiddelen;
e. optreden als clearinginstelling;
f. optreden als gevolmachtigde
agent of ondergevolmachtigde agent; of
g. verlenen van een
beleggingsdienst;
h. verrichten van een
beleggingsactiviteit;
financiëledienstverlener: degene die
een ander financieel product dan een financieel instrument aanbiedt,
die adviseert over een ander financieel product dan een financieel
instrument of die bemiddelt, herverzekeringsbemiddelt, optreedt als
gevolmachtigd agent of optreedt als ondergevolmachtigde agent;
financiële instelling: degene die,
geen kredietinstelling zijnde, in hoofdzaak zijn bedrijf maakt van het
verrichten van een of meer van de werkzaamheden, bedoeld onder 2 tot
en met 12 in bijlage I van de herziene richtlijn banken, of van het
verwerven of houden van deelnemingen;
financiële Nederlandse moederholding:
financiële holding met zetel in Nederland die zelf geen
dochteronderneming is van een Nederlandse beleggingsonderneming of
Nederlandse kredietinstelling of van een financiële holding met zetel
in Nederland, waarbij onder dochteronderneming wordt verstaan een
dochteronderneming als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de richtlijn
geconsolideerde jaarrekening, of een onderneming waarop, naar het
oordeel van de Nederlandsche Bank, een moederonderneming feitelijk een
overheersende invloed uitoefent;
financiële onderneming:
a. een beheerder;
b. een beleggingsinstelling;
c. een beleggingsonderneming;
ca. een betaaldienstverlener;
d. een bewaarder;
e. een clearinginstelling;
f. een entiteit voor
risico-acceptatie;
g. een financiëledienstverlener;
h. een financiële instelling;
i. een kredietinstelling; of
j. een verzekeraar;
gecontroleerde onderneming:
a. dochtermaatschappij als bedoeld
in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; of
b. onderneming waarover een persoon
overheersende zeggenschap kan uitoefenen;
gekwalificeerde belegger:
a. rechtspersoon of vennootschap
die een vergunning heeft of anderszins gereglementeerd is om op de
financiële markten actief te mogen zijn;
b. rechtspersoon of vennootschap
die geen vergunning heeft of niet anderszins gereglementeerd is om
op de financiële markten actief te mogen zijn en waarvan het
enige ondernemingsdoel het beleggen in effecten is;
c. nationaal of regionaal
overheidslichaam, centrale bank, internationale of supranationale
financiële organisatie of andere soortgelijke internationale
instelling;
d. rechtspersoon of vennootschap
met zetel in Nederland die:
1°. volgens bij algemene
maatregel van bestuur vast te stellen regels wordt aangemerkt
als kleine onderneming; en
2°. op eigen verzoek door de
Autoriteit Financiële Markten als gekwalificeerde belegger is
geregistreerd;
e. rechtspersoon of vennootschap,
niet zijnde een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in
onderdeel d, aanhef en onder 1°;
f. natuurlijke persoon met
woonplaats in Nederland die voldoet aan bij algemene maatregel van
bestuur te stellen regels en op eigen verzoek door de Autoriteit
Financiële Markten als gekwalificeerde belegger is geregistreerd;
of
g. in een andere lidstaat als
gekwalificeerde belegger aangemerkte natuurlijke persoon of
onderneming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e,
onder iv onderscheidenlijk v, van de richtlijn prospectus;
gekwalificeerde deelneming: een
rechtstreeks of middellijk belang van ten minste tien procent van het
geplaatste kapitaal van een onderneming of het rechtstreeks of
middellijk kunnen uitoefenen van ten minste tien procent van de
stemrechten in een onderneming, of het rechtstreeks of middellijk
kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een
onderneming, waarbij bij het bepalen van het aantal stemrechten dat
iemand in een onderneming heeft, tot diens stemrechten mede worden
gerekend de stemmen waarover hij beschikt of geacht wordt te
beschikken op grond van artikel 5:45;
geldmiddelen: chartaal geld, giraal
geld of elektronisch geld;
gemeentelijke kredietbank: een
aanbieder van krediet, opgericht door een of meer gemeenten;
gereglementeerde markt: multilateraal
systeem dat meerdere koop- en verkoopintenties van derden met
betrekking tot financiële instrumenten – binnen dit systeem en
volgens de niet-discretionaire regels van dit systeem – samenbrengt
of het samenbrengen daarvan vergemakkelijkt op zodanige wijze dat er
een overeenkomst uit voortvloeit met betrekking tot financiële
instrumenten die volgens de regels en de systemen van die markt tot de
handel zijn toegelaten, en dat regelmatig en overeenkomstig de
geldende regels inzake de vergunningverlening en het doorlopende
toezicht werkt;
gereglementeerde informatie: informatie
die een uitgevende instelling of een persoon die zonder toestemming
van de uitgevende instelling de toelating van haar effecten tot de
handel op een gereglementeerde markt heeft aangevraagd, algemeen
verkrijgbaar stelt op grond van artikel 5:25c tot en met 5:25f, 5:25h
of 5:25i;
gevolmachtigde agent: degene die
optreedt als gevolmachtigde agent;
grondstoffenderivaat: een financieel
instrument als bedoeld in de onderdelen e, f en g van de definitie van
financieel instrument;
grote risico’s:
a. de risico’s die behoren tot de
in de bij deze wet behorende Bijlage branches genoemde branches
Casco rollend spoorwegmaterieel, Luchtvaartuigcasco, Casco zee- en
binnenschepen, Vervoerde zaken, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen
en Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen;
b. de risico’s die behoren tot de
in de bij deze wet behorende Bijlage branches genoemde branches
Krediet en Borgtocht, voorzover de verzekeringnemer handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf en het risico daarop
betrekking heeft; of
c. de risico’s die behoren tot de
in de bij deze wet behorende Bijlage branches genoemde branches
Voertuigcasco, Brand en Natuurevenementen, Andere schaden aan
zaken, Aansprakelijkheid motorrijtuigen, Aansprakelijkheid
wegvervoer, Algemene aansprakelijkheid en diverse geldelijke
verliezen, voorzover de verzekeringnemer voldoet aan ten minste
twee van de volgende vereisten:
1°. de waarde van de activa
volgens de balans bedraagt meer dan € 6.200.000;
2°. de netto-omzet over het
voorafgaande boekjaar bedraagt meer dan € 12.800.000;
3°. het gemiddeld aantal
werknemers over het voorafgaande boekjaar bedraagt meer dan
250;
waarbij bovengenoemde vereisten,
indien de verzekeringnemer deel uitmaakt van een groep waarvan de
geconsolideerde jaarrekening overeenkomstig de richtlijn
geconsolideerde jaarrekening wordt opgesteld, worden toegepast op
basis van de geconsolideerde jaarrekening en indien de
verzekeringnemer deel uitmaakt van een samenwerkingsverband,
bovengenoemde vereisten gelden voor de deelnemers in het
samenwerkingsverband gezamenlijk;
handelen voor eigen rekening: met eigen
kapitaal handelen in financiële instrumenten, hetgeen resulteert in
het uitvoeren van transacties;
handelsportefeuille: portefeuille als
bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de herziene richtlijn
kapitaaltoereikendheid;
herverzekeraar: degene die zijn bedrijf
maakt van het sluiten van herverzekeringen voor eigen rekening en het
afwikkelen van die herverzekeringen;
herverzekeraar met zetel in een
niet-aangewezen staat: herverzekeraar met zetel in een staat die geen
lidstaat is die niet op grond van artikel 2:26d, derde lid, is
aangewezen als staat waar toezicht op herverzekeraars wordt
uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de
belangen die deze wet beoogt te beschermen;
herverzekering: verzekering waarbij
risico’s worden geaccepteerd die door een verzekeraar of een
pensioenfonds worden overgedragen;
herverzekeringsbemiddelaar: degene die
herverzekeringsbemiddelt;
herverzekeringsbemiddelen: alle
werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf gericht op
het als tussenpersoon tot stand brengen van een overeenkomst waarbij
risico’s uit overeenkomsten inzake een verzekering worden
overgenomen of op het assisteren bij het beheer en de uitvoering van
een dergelijke overeenkomst;
herziene richtlijn banken: richtlijn
nr. 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van
de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177);
herziene richtlijn
kapitaaltoereikendheid: richtlijn nr. 2006/49/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 inzake de
kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en
kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177);
IAS-verordening: verordening (EG) nr.
1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale
standaarden voor jaarrekeningen (PbEG L 243);
in aanmerking komende tegenpartij:
a. beheerder van een
beleggingsinstelling;
b. beheerder van een pensioenfonds
of van een daarmee vergelijkbare rechtspersoon of vennootschap;
c. beleggingsinstelling;
d. beleggingsonderneming;
e. nationaal of regionaal
overheidslichaam of overheidslichaam die de overheidsschuld
beheert;
f. centrale bank;
g. financiële instelling;
h. internationale of supranationale
publiekrechtelijke organisatie of daarmee vergelijkbare
internationale organisatie;
i. kredietinstelling;
j. marketmaker;
k. pensioenfonds of daarmee
vergelijkbare rechtspersoon of vennootschap;
l. persoon of vennootschap die voor
eigen rekening handelt in grondstoffen en grondstoffenderivaten;
m. plaatselijke onderneming;
n. verzekeraar;
instelling voor collectieve belegging
in effecten: een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1, tweede
lid, van de richtlijn beleggingsinstellingen;
institutionele belegger:
a. beleggingsinstelling;
b. levensverzekeraar; of
c. pensioenfonds;
krediet: geldkrediet of
goederenkrediet, waarbij wordt verstaan onder:
a. geldkrediet: het aan een
consument ter beschikking stellen van een geldsom, ter zake
waarvan de consument gehouden is een of meer betalingen te
verrichten;
b. goederenkrediet:
1°. het aan een consument
verschaffen van het genot van een roerende zaak, financieel
instrument of beleggingsobject, dan wel het aan een consument
of een derde ter beschikking stellen van een geldsom ter zake
van het aan die consument verschaffen van het genot van een
roerende zaak, financieel instrument of beleggingsobject, ter
zake waarvan de consument gehouden is een of meer betalingen
te verrichten; of
2°. het aan een consument
verlenen van een dienst die niet wordt verleend op grond van
een overeenkomst die strekt tot het geregeld verlenen van
diensten en waarbij de consument gehouden is om gedurende de
periode van dienstverlening in termijnen te betalen, dan wel
het aan een consument of een derde ter beschikking stellen van
een geldsom ter zake van het aan die consument verlenen van
een dienst ter zake waarvan de consument gehouden is een of
meer betalingen te verrichten;
kredietinstelling: een bank of
elektronischgeldinstelling;
levensverzekeraar: degene die zijn
bedrijf maakt van het sluiten van levensverzekeringen voor eigen
rekening en het afwikkelen van die levensverzekeringen;
levensverzekering: een
levensverzekering als bedoeld in artikel 975 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat de prestatie van de
levensverzekeraar uitsluitend in geld geschiedt, of een
natura-uitvaartverzekering als bedoeld in dit artikel;
lidstaat: een staat die lid is van de
Europese Unie alsmede een staat, niet zijnde een lidstaat van de
Europese Unie, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte;
limietorder: een order om een
financieel instrument tegen de opgegeven limietkoers of een betere
koers en voor een gespecificeerde omvang te kopen of te verkopen;
marketmaker: persoon die op de
financiële markten doorlopend blijk geeft van de bereidheid voor
eigen rekening te handelen door financiële instrumenten tegen door
hem vastgestelde prijzen te kopen en te verkopen;
marktexploitant: persoon die een
gereglementeerde markt beheert of exploiteert;
moedermaatschappij: een rechtspersoon
die een of meer dochtermaatschappijen heeft als bedoeld in artikel 24a
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
moederonderneming: moederonderneming
als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de richtlijn geconsolideerde
jaarrekening, of een onderneming die, naar het oordeel van de
Nederlandsche Bank, feitelijk een overheersende invloed op een andere
onderneming uitoefent;
multilaterale handelsfaciliteit: door
een beleggingsonderneming geëxploiteerd multilateraal systeem dat
meerdere koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot
financiële instrumenten, binnen dit systeem en volgens de
niet-discretionaire regels, samenbrengt op zodanige wijze dat er een
overeenkomst uit voortvloeit overeenkomstig de geldende regels inzake
de vergunningverlening en het doorlopende toezicht;
natura-uitvaartverzekeraar: degene die,
geen levensverzekeraar zijnde, zijn bedrijf maakt van het sluiten van
natura-uitvaartverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van
die natura-uitvaartverzekeringen;
natura-uitvaartverzekeraar met zetel in
een niet-aangewezen staat: een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in
een staat buiten Nederland die niet op grond van artikel 2:50, tweede
lid, is aangewezen als staat waar toezicht op
natura-uitvaartverzekeraars wordt uitgeoefend dat in voldoende mate
waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te
beschermen;
natura-uitvaartverzekering: een
verzekering in verband met de verzorging van de uitvaart van een
natuurlijke persoon waarbij de verzekeraar zich verbindt tot het
leveren van een prestatie die niet tevens inhoudt het doen van een
geldelijke uitkering;
Nederlandsche Bank: De Nederlandsche
Bank N.V.;
Nederlandse beleggingsonderneming:
beleggingsonderneming met zetel in Nederland die voor de uitoefening
van haar bedrijf een vergunning heeft;
Nederlandse
EU-moederbeleggingsonderneming: moederbeleggingsonderneming met zetel
in Nederland die zelf geen dochteronderneming is van een
beleggingsonderneming, kredietinstelling of van een financiële
holding met zetel in een lidstaat;
Nederlandse EU-moederkredietinstelling:
moederkredietinstelling met zetel in Nederland die zelf geen
dochteronderneming is van een beleggingsonderneming of
kredietinstelling of van een financiële holding met zetel in een
lidstaat;
Nederlandse financiële
EU-moederholding: financiële holding met zetel in Nederland die geen
dochteronderneming is van een beleggingsonderneming of
kredietinstelling of van een financiële holding met zetel in een
lidstaat;
Nederlandse kredietinstelling:
kredietinstelling met zetel in Nederland die voor de uitoefening van
haar bedrijf een vergunning heeft;
Nederlandse herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar: herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland die voor
de uitoefening van zijn bedrijf een vergunning heeft;.
Nederlandse moederbeleggingsonderneming:
beleggingsonderneming met zetel in Nederland die een
beleggingsonderneming, kredietinstelling of financiële instelling als
dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in een dergelijke
financiële onderneming en die zelf geen dochteronderneming is van een
andere Nederlandse beleggingsonderneming, Nederlandse
kredietinstelling of financiële holding met zetel in Nederland;
Nederlandse moederkredietinstelling:
kredietinstelling met zetel in Nederland die een
beleggingsonderneming, kredietinstelling of financiële instelling als
dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in een dergelijke
financiële onderneming en die zelf geen dochteronderneming is van een
andere Nederlandse beleggingsonderneming, Nederlandse
kredietinstelling of financiële holding met zetel in Nederland;
nevendienst:
a. bewaring en beheer van
financiële instrumenten voor rekening van cliënten, met inbegrip
van bewaarneming en daarmee samenhangende diensten zoals
contanten- of zekerhedenbeheer;
b. het verstrekken van kredieten of
leningen aan een belegger om deze in staat te stellen een
transactie in financiële instrumenten te verrichten, bij welke
transactie de onderneming die het krediet of de lening verstrekt,
als partij optreedt;
c. advisering aan ondernemingen
inzake kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee
samenhangende aangelegenheden, alsmede advisering en
dienstverrichting op het gebied van fusies en overnames van
ondernemingen;
d. valutawisseldiensten voorzover
deze samenhangen met het verrichten van beleggingsdiensten;
e. onderzoek op beleggingsgebied en
financiële analyse of andere vormen van algemene aanbevelingen in
verband met transacties in financiële instrumenten;
f. dienst in verband met het
overnemen van financiële instrumenten;
g. beleggingsdienst of -activiteit
alsmede nevendienst die verband houden met de onderliggende waarde
van de financiële instrumenten, als bedoeld in de definitie van
financieel instrument onder e, f, g of i voor zover deze in
verband staan met het verlenen van beleggings- of nevendiensten;
niet-Europese beleggingsonderneming:
beleggingsonderneming waaraan een vergunning is verleend in een staat
die geen lidstaat is waar naar het oordeel van de Nederlandsche Bank
het prudentieel toezicht ten minste gelijkwaardig is aan het
prudentieel toezicht op grond van deze wet;
niet-Europese kredietinstelling:
kredietinstelling met zetel in een staat die geen lidstaat is die
aldaar voor de uitoefening van haar bedrijf een vergunning heeft;
niet-Europese herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar: herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen
lidstaat is die aldaar een vergunning heeft voor de uitoefening van
zijn bedrijf;
niet-professionele belegger: een
cliënt die niet een professionele belegger is;
onderbemiddelaar: een bemiddelaar die
bemiddelt voor een andere bemiddelaar;
ondergevolmachtigde agent: degene die
optreedt als ondergevolmachtigde agent;
Onze Minister: Onze Minister van
Financiën;
openbaar bod: een door middel van een
openbare mededeling gedaan aanbod als bedoeld in artikel 217, eerste
lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek op effecten, dan wel een
uitnodiging tot het doen van een aanbod op effecten, waarbij de bieder
het oogmerk heeft deze effecten te verwerven;
optreden als gevolmachtigde agent: het
in de uitoefening van een beroep of bedrijf als gevolmachtigde van een
verzekeraar voor diens rekening sluiten van een verzekering met een
cliënt;
optreden als ondergevolmachtigde agent:
het in de uitoefening van een beroep of bedrijf op grond van een
ondervolmacht afgegeven door een gevolmachtigde agent of door een
ondergevolmachtigde agent als gevolmachtigde van een verzekeraar voor
diens rekening sluiten van een verzekering met een cliënt;
opvanginstelling: een naamloze
vennootschap met zetel in Nederland die uitsluitend tot doel heeft in
opdracht van de Nederlandsche Bank een in problemen verkerende
levensverzekeraar op te vangen door herverzekering of overname van de
portefeuille van de levensverzekeraar;
opvorderbare gelden: gelden die op enig
moment terugbetaald moeten worden, uit welke hoofde dan ook, en
waarvan op voorhand duidelijk is welk nominaal bedrag moet worden
terugbetaald;
overeenkomst op afstand:
a. overeenkomst inzake een
financiële dienst of financieel product tussen een financiële
onderneming en een consument die wordt gesloten in het kader van
een door de financiële onderneming georganiseerd systeem voor
verkoop of dienstverlening op afstand, waarbij tot en met de
totstandkoming van deze overeenkomst uitsluitend gebruik gemaakt
wordt van een of meer technieken voor communicatie op afstand; of
b. overeenkomst die strekt tot
fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van
een natuurlijke persoon die wordt aangegaan tussen een
natura-uitvaartverzekeraar en een consument in het kader van een
door de natura-uitvaartverzekeraar georganiseerd systeem voor
verkoop of dienstverlening op afstand, die voor de
natura-uitvaartverzekeraar geen beleggingsrisico met zich brengt
en waarbij tot en met de totstandkoming van deze overeenkomst
uitsluitend gebruik gemaakt wordt van een of meer technieken voor
communicatie op afstand;
overwegende zeggenschap: het kunnen
uitoefenen van ten minste 30 procent van de stemrechten in een
algemene vergadering van aandeelhouders van een naamloze vennootschap;
personen met wie in onderling overleg
wordt gehandeld: natuurlijke personen, rechtspersonen of
vennootschappen met wie, onderscheidenlijk waarmee wordt samengewerkt
op grond van een overeenkomst met als doel het verwerven van
overwegende zeggenschap in een naamloze vennootschap of, indien de
samenwerking geschiedt met de doelvennootschap, het dwarsbomen van het
welslagen van een aangekondigd openbaar bod op die vennootschap; de
volgende categorieën natuurlijke personen, rechtspersonen of
vennootschappen worden in elk geval geacht in onderling overleg te
handelen:
1°. rechtspersonen of
vennootschappen die met elkaar deel uitmaken van een groep als
bedoeld in artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
2°. natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen en de door hen gecontroleerde
ondernemingen;
persoon: een natuurlijke persoon of
rechtspersoon;
pensioenfonds:
a. een bedrijfstakpensioenfonds als
bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;
b. een ondernemingspensioenfonds
als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet; of
c. een beroepspensioenfonds als
bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
alsmede het pensioenfonds, bedoeld in artikel 113a, eerste lid,
van de Wet op het notarisambt;
plaats van uitvoering: gereglementeerde
markt, multilaterale handelsfaciliteit, beleggingsonderneming met
systematische interne afhandeling, marketmaker of andere
liquiditeitsverschaffer of entiteit die in een derde land een
soortgelijke taak verricht als die van een van de voornoemde partijen;
plaatselijke onderneming: degene die
uitsluitend voor eigen rekening of voor rekening van
beleggingsondernemingen die tot die markten zijn toegelaten, of deze
beleggingsondernemingen een prijs geeft voorzover de uitvoering en
afwikkeling van de transacties geschieden onder de
verantwoordelijkheid van en worden gegarandeerd door een
clearinginstelling met zetel in Nederland, handelt op de markten voor:
a. opties ter verwerving of
vervreemding van financiële instrumenten;
b. rechten op overdracht op termijn
van goederen of gelijkwaardige instrumenten die gericht zijn op
verrekening in geld;
c. andere afgeleide financiële
instrumenten; of
d. financiële instrumenten waarop
de afgeleide financiële instrumenten, bedoeld in de onderdelen a
tot en met c, betrekking hebben, uitsluitend om posities op
markten voor die afgeleide financiële instrumenten af te dekken;
premie: de in geld uitgedrukte
prestatie door de verzekeringnemer te leveren uit hoofde van een
verzekering, daaronder niet begrepen de assurantiebelasting;
professionele belegger:
a. beheerder van een
beleggingsinstelling;
b. beheerder van een pensioenfonds
of van een daarmee vergelijkbare rechtspersoon of vennootschap;
c. beleggingsinstelling;
d. beleggingsonderneming;
e. nationaal of regionaal
overheidslichaam of overheidslichaam dat de overheidsschuld
beheert;
f. centrale bank;
g. financiële instelling;
h. internationale of supranationale
publiekrechtelijke organisatie of daarmee vergelijkbare
internationale organisatie;
i. kredietinstelling;
j. marketmaker;
k. onderneming wiens belangrijkste
activiteit bestaat uit het beleggen in financiële instrumenten,
het verrichten van securitisaties of andere financiële
transacties;
l. pensioenfonds of daarmee
vergelijkbare rechtspersoon of vennootschap;
m. persoon of vennootschap die voor
eigen rekening handelt in grondstoffen en grondstoffenderivaten;
n. plaatselijke onderneming;
o. rechtspersoon of vennootschap
die aan twee van de volgende omvangvereisten voldoet:
1°. een balanstotaal van ten
minste € 20 000 000;
2°. een netto-omzet van ten
minste € 40 000 000;
3°. een eigen vermogen van ten
minste € 2 000 000;
p. verzekeraar;
professionele marktpartij:
a. gekwalificeerde belegger;
b. dochteronderneming van een
gekwalificeerde belegger die wordt betrokken in het toezicht op
geconsolideerde basis op de gekwalificeerde belegger; of
c. andere bij algemene maatregel
van bestuur als professionele marktpartij aangewezen persoon of
vennootschap;
prospectusverordening: verordening (EG)
nr. 809/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29
april 2004 tot uitvoering van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie wat de in het prospectus te
verstrekken informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming
van informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het
prospectus en de verspreiding van advertenties betreft (PbEU L 149);
provisie: beloning of vergoeding, in
welke vorm dan ook, voor het bemiddelen of adviseren ter zake van een
financieel product of het verlenen van een beleggingsdienst of
nevendienst;
raamovereenkomst voor betaaldiensten:
overeenkomst die de uitvoering beheerst van afzonderlijke en
opeenvolgende betalingstransacties en die de verplichtingen en
voorwaarden voor de opening van een betaalrekening kan omvatten;
rechtsbijstandverzekeraar: een
schadeverzekeraar die de branche Rechtsbijstand uitoefent;
reclame-uiting: iedere vorm van
informatieverstrekking die dient ter aanprijzing van of een wervend
karakter kent ter zake van een bepaalde financiële dienst of een
bepaald financieel product;
registerhouder:
a. voorzover het register
betrekking heeft op financiële ondernemingen die werkzaamheden
mogen verrichten ingevolge de afdelingen 2.2.1 tot en met 2.2.4 en
2.3.1 tot en met 2.3.4 en op gegevens die op grond van het Deel
Prudentieel toezicht financiële ondernemingen worden
geregistreerd: de Nederlandsche Bank;
b. voorzover het register
betrekking heeft op financiële ondernemingen die werkzaamheden
mogen verrichten ingevolge de afdelingen 2.2.5 tot en met 2.2.13
en 2.3.5 tot en met 2.3.8 en op gegevens die op grond van het Deel
Gedragstoezicht financiële ondernemingen of het Deel
Gedragstoezicht financiële markten worden geregistreerd: de
Autoriteit Financiële Markten;
richtlijn beleggingsinstellingen:
richtlijn nr. 85/611/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor
collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEG L 375);
richtlijn betaaldiensten: richtlijn nr.
2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt
(PbEU L 319);
richtlijn geconsolideerde jaarrekening:
zevende richtlijn nr. 83/349/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, derde
lid, sub g), van het Verdrag betreffende de geconsolideerde
jaarrekening (PbEG L 193);
richtlijn jaarrekening: vierde
richtlijn nr. 78/660/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g, van het
Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PbEG
L 222);
richtlijn markten voor financiële
instrumenten: richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europese Parlement en
de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten
voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen
85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het
Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn
93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145);
richtlijn marktmisbruik: richtlijn nr.
2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en
marktmanipulatie (PbEU L 96);
richtlijn prospectus: richtlijn nr.
2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet
worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de
handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn nr. 2001/34/EG
(PbEG L 345);
richtlijn transparantie: richtlijn nr.
2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden
voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de
handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging
van Richtlijn 2001/34/EG (PbEU L 390);
richtlijn verzekeringsbemiddeling:
richtlijn nr. 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling
(PbEG L 9);
saneringsmaatregel: de noodregeling,
bedoeld in afdeling 3.5.5, of een maatregel, genomen in een andere
lidstaat, die enigerlei optreden van de aldaar bevoegde instanties
behelst en bestemd is om de financiële positie van een
kredietinstelling of een verzekeraar in stand te houden of te
herstellen, en van dien aard is dat de maatregel bestaande rechten van
derden aantast;
schadeverzekeraar: degene die zijn
bedrijf maakt van het sluiten van schadeverzekeringen voor eigen
rekening en het afwikkelen van die schadeverzekeringen;
schadeverzekering:
a. schadeverzekering als bedoeld in
artikel 944 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, niet zijnde een
natura-uitvaartverzekering;
b. ongevallenverzekering; of
c. sommenverzekering als bedoeld in
artikel 964 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, niet zijnde een
levensverzekering of een financieel instrument,
met dien verstande dat voor de
toepassing van deze wet een verzekering slechts als schadeverzekering
wordt aangemerkt indien sprake is van een uitkeringsplicht ten gevolge
van een onzeker voorval of een onzekere omstandigheid waardoor de
verzekerde in zijn belangen wordt getroffen;
staat waar het risico is gelegen:
a. de staat waar de zaken waarop
een schadeverzekering betrekking heeft zich bevinden, indien de
schadeverzekering betrekking heeft op een onroerende zaak, dan wel
op een onroerende zaak en op de inhoud daarvan, voorzover deze
door dezelfde schadeverzekering wordt gedekt;
b. de staat van registratie, van
voertuigen of vaartuigen van om het even welke aard waarop een
schadeverzekering betrekking heeft;
c. de staat waar een
verzekeringnemer een verzekering heeft gesloten, indien het een
schadeverzekering betreft met een looptijd van vier maanden of
minder die betrekking heeft op tijdens een reis of vakantie
gelopen risico’s, ongeacht de branche;
d. in alle andere gevallen van
schadeverzekering, de staat waar de verzekeringnemer zijn gewone
verblijfplaats heeft, of, indien de verzekeringnemer een
rechtspersoon is, de staat waar zich elke duurzame, vaste
inrichting van deze rechtspersoon bevindt waarop de verzekering
betrekking heeft;
techniek voor communicatie op afstand:
ieder middel dat, zonder gelijktijdige fysieke aanwezigheid van een
financiële onderneming en een consument of cliënt, kan worden
gebruikt voor het verlenen van financiële diensten;
toezichthoudende instantie: een
buitenlandse overheidsinstantie of een buitenlandse van overheidswege
aangewezen instantie, die is belast met het toezicht op financiële
markten of op personen die op die markten werkzaam zijn;
toezichthouder: de Nederlandsche Bank
of de Autoriteit Financiële Markten, ieder voorzover belast met de
uitoefening van het toezicht overeenkomstig artikel 1:24
onderscheidenlijk artikel 1:25;
uitbesteden: het door een financiële
onderneming verlenen van een opdracht aan een derde tot het ten
behoeve van die financiële onderneming verrichten van werkzaamheden:
a. die deel uitmaken van of
voortvloeien uit het uitoefenen van haar bedrijf of het verlenen
van financiële diensten; of
b. die deel uitmaken van de
wezenlijke bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan;
uitgevende instelling: een ieder die
effecten heeft uitgegeven of voornemens is effecten uit te geven;
uitvoeringskosten: uitgaven die
rechtstreeks verband houden met de uitvoering van een order met
betrekking tot een financieel instrument en die ten laste komen van de
cliënt;
uitvoeringsrichtlijn markten voor
financiële instrumenten: richtlijn nr. 2006/73/EG van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen van 10 augustus 2006 tot uitvoering van
Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft
de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische
eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de
definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn (PbEU
L 241);
uitvoeringsverordening markten voor
financiële instrumenten: verordening (EG) nr. 1287/2006 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 augustus 2006 tot
uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europese Parlement en de
Raad wat de voor beleggingsondernemingen geldende verplichtingen
betreffende het bijhouden van gegevens, het melden van transacties, de
markttransparantie, de toelating van financiële instrumenten tot de
handel en de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde
richtlijn betreft (PbEU L 241);
vangnetregeling: het
beleggerscompensatiestelsel of het depositogarantiestelsel;
verbonden agent: persoon die, onder de
volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van slechts één
beleggingsonderneming voor wier rekening hij optreedt de
beleggingsdiensten als bedoeld in de onderdeel a, d of e van de
definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1
verleent en deze diensten of nevendiensten bij cliënten aanbeveelt;
verlenen van een beleggingsdienst:
a. in de uitoefening van een beroep
of bedrijf ontvangen en doorgeven van orders van cliënten met
betrekking tot financiële instrumenten;
b. in de uitoefening van beroep of
bedrijf voor rekening van die cliënten uitvoeren van orders met
betrekking tot financiële instrumenten;
c. beheren van een individueel
vermogen;
d. in de uitoefening van beroep of
bedrijf adviseren over financiële instrumenten;
e. in de uitoefening van beroep of
bedrijf overnemen of plaatsen van financiële instrumenten bij
aanbieding ervan als bedoeld in hoofdstuk 5.1 met
plaatsingsgarantie;
f. in de uitoefening van beroep of
bedrijf plaatsen van financiële instrumenten bij aanbieding ervan
als bedoeld in hoofdstuk 5.1 zonder plaatsingsgarantie;
vermogensbeheerder: degene die een
individueel vermogen beheert;
verrichten van diensten:
a. voor zover het entiteiten voor
risico-acceptatie betreft: het door een entiteit voor
risico-acceptatie accepteren van een risico dat is gelegen in een
andere staat dan de vestiging van waaruit het risico wordt
geaccepteerd;
b. voor zover het verzekeraars
betreft:
1°. het door een
herverzekeraar sluiten van een herverzekering betreffende een
risico dat is gelegen in een andere staat dan die waar de
vestiging van waaruit de verzekering wordt gesloten;
2°. het door een
levensverzekeraar sluiten van een levensverzekering vanuit een
vestiging, gelegen in een andere staat dan die waar de
verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft, of waar
zich, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de
vestiging van deze rechtspersoon bevindt waarop de verzekering
betrekking heeft;
3°. het door een
natura-uitvaartverzekeraar sluiten van een
natura-uitvaartverzekering vanuit een vestiging, gelegen in
een andere staat dan die waar de verzekeringnemer zijn gewone
verblijfplaats heeft;
4°. het door een
schadeverzekeraar sluiten van een schadeverzekering
betreffende een risico dat is gelegen in een andere staat dan
de vestiging van waaruit de verzekering wordt gesloten;
verrichten van een
beleggingsactiviteit:
a. in de uitoefening van beroep of
bedrijf handelen voor eigen rekening;
b. in de uitoefening van een beroep
of bedrijf exploiteren van een multilaterale handelsfaciliteit;
vertegenwoordiger van een verzekeraar:
degene die door een levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of
schadeverzekeraar is aangesteld om hem te vertegenwoordigen in een
andere staat dan de staat van de zetel van die verzekeraar bij de
uitoefening van de bevoegdheden van die verzekeraar en bij de naleving
van de voorschriften die in eerstbedoelde staat voor die verzekeraar
gelden;
verzekeraar: herverzekeraar,
levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar;
verzekering:
a. herverzekering;
b. levensverzekering;
c. natura-uitvaartverzekering; of
d. schadeverzekering;
vestiging: bijkantoor of zetel;
vordering uit hoofde van verzekering:
een vordering, rechtstreeks op de verzekeraar, van een verzekerde,
verzekeringnemer, begunstigde of benadeelde, met inbegrip van de
vordering ter zake van voor deze personen gereserveerde bedragen zo
lang nog niet alle elementen van de vordering bekend zijn, alsmede de
vordering tot teruggave van premies die een verzekeraar heeft
ontvangen in de niet beantwoorde verwachting dat een verzekering zou
worden gesloten dan wel heeft ontvangen op grond van een verzekering
die vervolgens is ontbonden of vernietigd;
zetel: de plaats waar een onderneming
volgens haar statuten of reglementen is gevestigd of, indien zij geen
rechtspersoon is, de plaats waar die onderneming haar hoofdvestiging
heeft.
Afdeling 1.1.2. Reikwijdte met
betrekking tot financiële ondernemingen
§ 1.1.2.1. Algemeen
Artikel 1:2
1. Deze wet, met uitzondering van dit
deel, de hoofdstukken 5.1, 5.1a, 5.3, 5.5 en afdeling 5.4.2, is niet
van toepassing op de Europese Centrale Bank, de centrale banken van
de lidstaten, nationale instellingen van de lidstaten met een
soortgelijke functie, overheidsinstellingen van de lidstaten die
zijn belast met of betrokken bij het beheer van de overheidsschuld,
internationale publiekrechtelijke instellingen waarin of waaraan een
of meer lidstaten deelnemen en instellingen als bedoeld in artikel 2
van de herziene richtlijn banken.
2. In afwijking van het eerste lid is
deze wet van toepassing op het verlenen van betaaldiensten door:
a. de Europese Centrale Bank en
de centrale banken van de lidstaten voor zover zij niet handelen
in hun hoedanigheid van monetaire of andere publieke autoriteit;
b. lidstaten alsmede de regionale
of lokale overheden van de lidstaten voor zover zij niet
handelen in de hoedanigheid van overheidsinstantie.
Artikel 1:3
Voor de toepassing van het ingevolge
deze wet bepaalde wordt onder financiële onderneming mede verstaan de
persoon die behoort tot een van de categorieën van financiële
ondernemingen en die niet tot doel heeft het maken van winst.
Artikel 1:3a
Dit hoofdstuk, de hoofdstukken 1.3,
1.4, 1.5 en afdeling 1.6.3 van deze wet zijn van overeenkomstige
toepassing op het toezicht op de naleving en de handhaving van de
artikelen 7, 8, 17, 24, 27, 29, 36 en 37 van de uitvoeringsverordening
markten voor financiële instrumenten.
§ 1.1.2.2. Betaaldienstverleners,
clearinginstellingen en kredietinstellingen
Artikel 1:4
De Nederlandsche Bank is geen
clearinginstelling en geen kredietinstelling in de zin van deze wet.
Artikel 1:5
1.Met uitzondering van de artikelen
3:35 en 4:31, is deze wet met betrekking tot het uitoefenen van het
bedrijf van elektronischgeldinstelling niet van toepassing op een
elektronischgeldinstelling die elektronisch geld uitgeeft met een
maximum geldswaarde van € 150 per elektronische waardedrager,
indien:
a. de gezamenlijke waarde van de
financiële verplichtingen van de elektronischgeldinstelling die
met de uitgifte van elektronisch geld verband houden nooit hoger
is dan € 6.000.000;
b. het elektronische geld slechts
wordt aanvaard door een onderneming die behoort tot de groep,
waartoe de elektronischgeldinstelling behoort; of
c. het elektronische geld slechts
wordt aanvaard door een beperkt aantal gemakkelijk te
onderscheiden ondernemingen die hetzij hetzelfde gebouw, terrein
of een andere feitelijk begrensde locatie delen, hetzij nauwe
financiële of zakelijke banden hebben met de
elektronischgeldinstelling.
2.Artikel 3:71 en de daarop
gebaseerde bepalingen is van overeenkomstige toepassing op
elektronischgeldinstellingen als bedoeld in het eerste lid. De
jaarrekening vermeldt welk onderdeel van het eerste lid van
toepassing is en de totale waarde van de financiële verplichtingen
die met de uitgifte van elektronisch geld verband houden.
3.Deze wet is niet van toepassing op:
a. financiële diensten met
betrekking tot elektronisch geld waarmee alleen bij de
financiële onderneming die het elektronisch geld uitgeeft,
betalingen kunnen worden verricht;
b. financiële diensten met
betrekking tot elektronisch geld dat wordt uitgegeven door een
elektronischgeldinstelling als bedoeld in het eerste lid die
worden verleend door een ander dan de elektronischgeldinstelling
zelf.
§ 1.1.2.2a. Betaaldiensten
Artikel 1:5a
1. Het in deze wet met betrekking tot
betaaldiensten bepaalde is van toepassing op betaaldiensten
uitgevoerd in de Europese Gemeenschap en de staten die partij zijn
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, met
uitzondering van de ingevolge artikel 4:22 gestelde regels ter
uitvoering van titel III van de richtlijn betaaldiensten, die alleen
van toepassing zijn indien zowel de betaaldienstverlener van de
betaler als de betaaldienstverlener van de betalingsbegunstigde, of
de enige bij de betalingstransactie betrokken betaaldienstverlener
in een lidstaat gevestigd is.
2. Onder het verlenen van
betaaldiensten in de zin van deze wet wordt niet verstaan:
a. het uitsluitend met chartaal
geld en zonder tussenkomst van derden rechtstreeks door de
betaler aan de betalingsbegunstigde verrichten van
betalingstransacties;
b. het verrichten van
betalingstransacties via een handelsagent die gemachtigd is om
voor rekening van de betaler of de betalingsbegunstigde de
verkoop of aankoop van goederen of diensten tot stand te brengen
of te sluiten;
c. het in de uitoefening van een
bedrijf of beroep vervoeren, ophalen, verwerken of leveren van
chartaal geld;
d. het verrichten van
betalingstransacties die bestaan uit het niet in de uitoefening
van een bedrijf of beroep ophalen en leveren van chartaal geld
in het kader van een activiteit zonder winstoogmerk of voor
liefdadigheidsdoeleinden;
e. het verlenen van diensten
waarbij chartaal geld door de begunstigde aan de betaler wordt
verstrekt als onderdeel van een betalingstransactie in de vorm
van een betaling voor de aankoop van goederen of diensten,
indien de betaler vlak voor de uitvoering van die
betalingstransactie om die verstrekking heeft verzocht;
f. het verrichten van
geldwisseltransacties, zijnde transacties verricht met chartaal
geld, waarbij de geldmiddelen niet op een betaalrekening worden
aangehouden;
g. het verrichten van
betalingstransacties met een van de volgende documenten die door
een betaaldienstverlener zijn uitgegeven met de bedoeling
geldmiddelen beschikbaar te stellen aan een
betalingsbegunstigde:
1°. papieren cheques als
bedoeld in het Verdrag van Genève van 19 maart 1931 tot
invoering van een eenvormige wet op cheques;
2°. papieren cheques
vergelijkbaar met de papieren cheques, bedoeld onder 1°,
die vallen onder het recht van lidstaten die geen partij
zijn bij het Verdrag van Genève van 19 maart 1931 tot
invoering van een eenvormige wet op cheques;
3°. papieren wissels als
bedoeld in het Verdrag van Genève van 7 juni 1930 dat
voorziet in een eenvormige wet op wisselbrieven en
orderbriefjes;
4°. papieren wissels
vergelijkbaar met de papieren wissels, bedoeld onder 3°,
die vallen onder het recht van de lidstaten die geen partij
zijn bij het Verdrag van Genève van 7 juni 1930 tot
invoering van een eenvormige wet op wisselbrieven en
orderbriefjes;
5°. papieren tegoedbonnen;
6°. papieren reischeques;
7°. papieren postwissels als
omschreven door de Wereldpostunie, in 1874 opgericht bij het
Verdrag van Bern;
h. het onverminderd artikel 5:88
verrichten van betalingstransacties binnen een betalings- of een
effectenafwikkelingssysteem, of tussen afwikkelondernemingen,
centrale tegenpartijen als bedoeld in artikel 212a, onderdeel c,
van de Faillissementswet, clearinginstellingen, centrale banken
van de lidstaten, andere deelnemers van een van de bedoelde
systemen, en betaaldienstverleners;
i. betalingstransacties in
verband met dienstverlening op effecten, met inbegrip van
uitkeringen van dividend en andere inkomsten in verband met
effecten, en aflossing en verkoop, uitgevoerd door personen als
bedoeld in onderdeel h of door beleggingsondernemingen, banken,
of door andere instellingen aan welke de bewaarneming van
financiële instrumenten is toegestaan;
j. het verlenen van diensten door
technische dienstverleners ter ondersteuning van het verlenen
van betaaldiensten zonder dat de technische dienstverlener op
enig moment in het bezit komt van de over te maken geldmiddelen,
daarbij inbegrepen het verwerken en opslaan van gegevens,
diensten ter bescherming van het vertrouwen en het privéleven,
authenticatie van gegevens en entiteiten, het aanbieden van
informatietechnologie- en communicatienetwerken, en het
aanbieden en onderhouden van voor betaaldiensten gebruikte
automaten en instrumenten;
k. het verrichten van
betalingstransacties ten behoeve van de aankoop van goederen of
diensten die worden uitgevoerd met betaalinstrumenten die
uitsluitend kunnen worden gebruikt:
1°. in de door de uitgevende
instelling gebruikte bedrijfsgebouwen; of
2°. op grond van een
handelsovereenkomst met de uitgevende instelling binnen een
beperkt netwerk van dienstverleners of voor een beperkte
reeks goederen en diensten;
l. het verrichten van
betalingstransacties ten behoeve van de aankoop van goederen of
diensten die worden uitgevoerd via een
telecommunicatie-instrument, digitaal instrument of
informatietechnologie-instrument, mits de aanbieder van dit
instrument niet uitsluitend als tussenpersoon optreedt tussen de
betaaldienstgebruiker en de leverancier van de gekochte goederen
en diensten en voor zover de gekochte goederen of diensten
geleverd worden aan en gebruikt moeten worden via een van de
bedoelde instrumenten;
m. het verrichten van
betalingstransacties die voor eigen rekening worden uitgevoerd
tussen betaaldienstverleners, hun agenten of hun bijkantoren;
n. het verrichten van
betalingstransacties tussen een moederonderneming en haar
dochteronderneming als bedoeld in artikel 3:268, onderdeel c, of
tussen dochternemingen als bedoeld in artikel 3:268, onderdeel
c, van dezelfde moederonderneming, zonder tussenkomst van een
andere betaaldienstverlener dan een tot dezelfde groep behorende
onderneming; of
o. het opnemen van chartaal geld
uit een geldautomaat, voor zover de exploitant van de
geldautomaat geen andere betaaldiensten verleent en handelt
namens een of meer betaaldienstverleners, en voor zover deze
exploitant geen partij is bij de raamovereenkomst voor
betaaldiensten van degene die de geldmiddelen van een
betaalrekening opneemt.
§ 1.1.2.3. Verzekeraars
Artikel 1:6
1.Deze wet is niet van toepassing op:
a. de Sociale Verzekeringsbank;
b. het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. ziekenfondsen die
overeenkomstig de Ziekenfondswet waren toegelaten;
d. onderlinge
waarborgmaatschappijen met zetel in Nederland en ondernemingen
op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland die
uitsluitend schadeverzekeringen aangaan met betrekking tot
schade, veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict,
burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer en
muiterij; en
e. ondernemingen die geen andere
branche uitoefenen dan de branche Hulpverlening en daarbij
uitsluitend dekking verlenen in geval van een ongeval met of een
defect aan een wegvoertuig, indien ingevolge de dekking de hulp
bij een ongeval of defect in Nederland of direct over de grens
beperkt is tot:
1°. technische hulp ter
plaatse, waarvoor de onderneming in de regel eigen personeel
of uitrusting gebruikt;
2°. het vervoer van het
wegvoertuig naar de dichtstbijzijnde of meest geschikte
plaats van reparatie, alsmede het eventuele vervoer van de
bestuurder en passagiers, doorgaans met hetzelfde
hulpmiddel, naar de dichtstbijzijnde plaats vanwaar zij hun
reis met andere middelen kunnen voortzetten;
3°. het vervoer van het
wegvoertuig, eventueel met de bestuurder en passagiers, naar
hun woonplaats, hun plaats van vertrek of hun
oorspronkelijke bestemming binnen Nederland;
en, voorzover de dekking zich
mede uitstrekt tot een ongeval of defect in het buitenland,
indien de hulp beperkt is tot de onder 1° en 2° bedoelde
verrichtingen, de bestuurder of een passagier lid is van de
onderneming en de hulp of het vervoer van het voertuig enkel op
vertoon van een bewijs van lidmaatschap, zonder betaling van
extra premie, wordt uitgevoerd door een soortgelijke, in de
betrokken staat werkzame organisatie die zich hiertoe op basis
van wederkerigheid heeft verplicht.
2.Indien bij een levensverzekering
naast de verplichting tot het doen van geldelijke uitkeringen,
verplichtingen van andere aard worden aanvaard, of bij die
levensverzekering verplichtingen worden aanvaard in verband met
voorvallen waarvan het ontstaan onzeker is en die een natuurlijke
persoon treffen, verliest het bedrijf van levensverzekeraar zijn
karakter niet en worden deze verplichtingen niet beschouwd te zijn
aangegaan in de uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar.
Artikel 1:6a
1.Deze wet, met uitzondering van dit
deel, de hoofdstukken 5.1, 5.3, 5.5 en afdeling 5.4.2, is niet van
toepassing op herverzekeraars die ingevolge het tweede lid zijn
aangewezen.
2.Onze Minister kan, indien hij dit
vanuit maatschappelijk oogpunt noodzakelijk acht, herverzekeraars
aanwijzen die zijn opgericht ingevolge overeenkomsten tussen
levensverzekeraars, schadeverzekeraars of
natura-uitvaartverzekeraars, welke overeenkomsten zijn gericht op
het bundelen van vorderingen uit hoofde van verzekering, zonder
welke overeenkomsten het op de markt niet mogelijk zou zijn voor
bedoelde risico’s een adequate herverzekeringsdekking te
verkrijgen.
3.Het besluit tot aanwijzing kan door
Onze Minister worden ingetrokken indien hij de aanwijzing niet
langer vanuit maatschappelijk oogpunt noodzakelijk acht, de
overeenkomsten niet langer zijn gericht op het bundelen van
vorderingen uit hoofde van verzekering, of het niet langer
onmogelijk is voor bedoelde risico’s ook zonder de desbetreffende
overeenkomsten een adequate risicodekking te verkrijgen.
Artikel 1:7
De herverzekeraars, levensverzekeraars
en schadeverzekeraars, verenigd onder de naam Lloyd’s, te Londen,
Verenigd Koninkrijk, worden voor de toepassing van deze wet tezamen
als een herverzekeraar, een levensverzekeraar of een schadeverzekeraar
beschouwd.
Artikel 1:8
1.Als de uitoefening van het bedrijf
van levensverzekeraar of het bedrijf van schadeverzekeraar wordt
niet beschouwd het sluiten of afwikkelen van levensverzekeringen
onderscheidenlijk schadeverzekeringen voor eigen rekening door een
pensioenfonds voorzover dat pensioenfonds daarvoor een
pensioenovereenkomst uitvoert als bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet of een beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 1
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
2.Als de uitoefening van het bedrijf
van levensverzekeraar of het bedrijf van schadeverzekeraar wordt
niet beschouwd het sluiten of afwikkelen van levensverzekeringen
onderscheidenlijk schadeverzekeringen voor eigen rekening door
ondernemingen die voor eigen rekening geen andere
levensverzekeringen of schadeverzekeringen sluiten of afwikkelen dan
die welke dienen ter uitvoering van een pensioenovereenkomst met een
directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet.
3.Als de uitoefening van het bedrijf
van herverzekeraar wordt niet beschouwd het sluiten of afwikkelen
van herverzekeringen voor eigen rekening door een pensioenfonds voor
zover dat pensioenfonds risico’s accepteert van andere
pensioenfondsen die door laatstbedoelde pensioenfondsen zijn
geaccepteerd in het kader van het sluiten of afwikkelen van
pensioenovereenkomsten als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet
of beroepspensioenregelingen als bedoeld in artikel 1 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling.
Artikel 1:9
1.Op een verzekeraar die een
vergunning heeft als bedoeld in artikel 2:37, eerste lid, of artikel
2:40 voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar in de
branche Levensverzekering algemeen en op grond daarvan het bedrijf
van natura-uitvaartverzekeraar uitoefent, zijn uitsluitend de
bepalingen inzake de uitoefening van het bedrijf van
levensverzekeraar van toepassing.
2.Op een verzekeraar die een
vergunning als bedoeld in artikel 2:48, eerste lid, of 2:50, eerste
lid, heeft voor de uitoefening van het bedrijf van
natura-uitvaartverzekeraar zijn uitsluitend de bepalingen inzake de
uitoefening van het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar van
toepassing.
Artikel 1:10
Bij algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald welke van de ingevolge deze wet gestelde regels met
betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van schadeverzekeraar en
het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar, onder daarbij te stellen
voorwaarden, niet van toepassing zijn op verzekeraars die behoren tot
een van de volgende categorieën:
a. onderlinge
waarborgmaatschappijen van beperkte omvang met zetel in Nederland
die het bedrijf van schadeverzekeraar uitoefenen en ondernemingen
op onderlinge grondslag van beperkte omvang met zetel buiten
Nederland die het bedrijf van schadeverzekeraar uitoefenen;
b. schadeverzekeraars met zetel in
Nederland die zich beperken tot het sluiten en afwikkelen van
exportkredietverzekeringen voor rekening of met garantie van de
Staat der Nederlanden;
c. verenigingen en onderlinge
waarborgmaatschappijen van beperkte omvang met zetel in Nederland
die het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar uitoefenen.
Artikel 1:11
Voor toepassing van het bij of
krachtens deze wet bepaalde ten aanzien van het bedrijf van
schadeverzekeraar wordt de Zwitserse Bondsstaat aangemerkt als
lidstaat, met dien verstande dat met betrekking tot bepaalde
onderwerpen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur afwijkende
regels kunnen worden gesteld.
§ 1.1.2.4. Beleggingsinstellingen
Artikel 1:12
1.Deze wet, met uitzondering van dit
deel, artikel 3:7 en de hoofdstukken 5.1, 5.3, 5.4 en 5.5, is niet
van toepassing op beleggingsinstellingen die rechten van deelneming
aanbieden aan:
a. minder dan honderd personen
die geen gekwalificeerde belegger zijn; of
b. uitsluitend gekwalificeerde
beleggers.
2.Deze wet, met uitzondering van dit
deel, artikel 3:7 en de hoofdstukken 5.1, 5.3, 5.4 en 5.5, is niet
van toepassing op beheerders en bewaarders voorzover zij
beleggingsinstellingen als bedoeld in het eerste lid beheren of
belast zijn met de bewaring van de activa van die
beleggingsinstellingen.
3.Bij een aanbod van rechten van
deelneming als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a,
niet zijnde verhandelbare rechten van deelneming in een
belegginginstelling die niet op verzoek van de deelnemers ten laste
van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald,
en in reclame-uitingen en documenten waarin een dergelijk aanbod in
het vooruitzicht wordt gesteld, wordt vermeld dat de
beleggingsinstelling niet vergunningplichtig is ingevolge deze wet
en dat op de beleggingsinstelling geen toezicht wordt uitgeoefend op
grond van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen en
het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen.
4.Bij een aanbod van rechten van
deelneming als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b,
niet zijnde verhandelbare rechten van deelneming in een
belegginginstelling die niet op verzoek van de deelnemers ten laste
van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald,
en in reclame-uitingen en documenten waarin een dergelijk aanbod in
het vooruitzicht wordt gesteld, wordt vermeld dat het aanbod
uitsluitend is onderscheidenlijk zal zijn gericht tot
gekwalificeerde beleggers.
5.Het ingevolge deze wet bepaalde ten
aanzien van het aanbieden van rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling is niet van toepassing op het aanbieden door
niet in de uitoefening van hun beroep of bedrijf handelende
natuurlijke personen van rechten van deelneming die deze personen in
eigendom hebben.
Artikel 1:13
1.Het ingevolge deze wet bepaalde ten
aanzien van een beleggingsinstelling die een beleggingsfonds of een
beleggingsmaatschappij met aparte beheerder is, is gericht tot haar
beheerder.
2.Het ingevolge deze wet bepaalde ten
aanzien van een beheerder is van overeenkomstige toepassing op een
beleggingsmaatschappij die geen aparte beheerder heeft, met
uitzondering van de artikelen 1:60, eerste lid, 2:65, eerste lid,
onderdeel a, 2:67, 2:71, 3:57, 3:95, en 4:59.
3.Het ingevolge de artikelen 4:46,
4:49, 4:50 en 4:52 bepaalde ten aanzien van een beheerder is van
overeenkomstige toepassing op een beleggingsinstelling met zetel in
een aangewezen staat die geen aparte beheerder heeft.
4.De zetel van een beleggingsfonds
bevindt zich in de staat van de zetel van zijn beheerder.
5.Het ingevolge deze wet bepaalde met
betrekking tot beleggingsinstellingen die in Nederland rechten van
deelneming aanbieden, beheerders van die beleggingsinstellingen en
aan die beleggingsinstellingen verbonden bewaarders is van
overeenkomstige toepassing op beleggingsinstellingen die in
Nederland rechten van deelneming hebben aangeboden, beheerders van
die beleggingsinstellingen en aan die beleggingsinstellingen
verbonden bewaarders.
Artikel 1:14
Het ingevolge deze wet bepaalde ten
aanzien van instellingen voor collectieve belegging in effecten is
niet van toepassing op:
a. beleggingsinstellingen die op
grond van hun statuten of fondsreglementen leningen aan mogen gaan
boven het door de richtlijn beleggingsinstellingen gestelde
maximum of een beleggingsbeleid kunnen voeren dat ruimer is dan de
uit de richtlijn beleggingsinstellingen voortvloeiende
beperkingen; en
b. beleggingsmaatschappijen die via
dochterondernemingen voornamelijk beleggen in andere objecten dan
financiële instrumenten als bedoel in artikel 4:60, eerste lid.
Afdeling 1.1.3. Reikwijdte met
betrekking tot financiële diensten
§ 1.1.3.1. Algemeen
Artikel 1:15
Deze wet, met uitzondering van dit deel
en het Deel Gedragstoezicht financiële markten, is niet van
toepassing op:
a. het verlenen van financiële
diensten, met uitzondering van het aanbieden van rechten van
deelneming in beleggingsinstellingen, door pensioenfondsen
voorzover zij die financiële diensten verlenen aan de
bedrijfstak, onderneming, dan wel beroepsgroep waarmee zij zijn
verbonden; en
b. het beheren van individuele
vermogens ten behoeve van pensioenfondsen als bedoeld in onderdeel
a of daaraan gelieerde fondsen door personen die zijn verbonden
aan het fonds waaraan deze financiële dienst wordt verleend.
Artikel 1:15a
1.Het ingevolge deze wet bepaalde ten
aanzien van cliënten is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van personen aan wie een financiële onderneming voornemens is een
financiële dienst te verlenen.
2.Het ingevolge deze wet bepaalde ten
aanzien van consumenten is van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van niet in de uitoefening van hun bedrijf of beroep
handelende natuurlijke personen aan wie een financiële onderneming
voornemens is een financiële dienst te verlenen.
§ 1.1.3.2. Diensten van de
informatiemaatschappij
Artikel 1:16
1.Deze wet, met uitzondering van de
artikelen 2:36, tweede tot en met vierde lid, 2:38, 2:39 en 2:46, is
niet van toepassing op financiële diensten die kunnen worden
aangemerkt als dienst van de informatiemaatschappij als bedoeld in
artikel 15d, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en die
worden verleend door een financiële onderneming met zetel in een
andere lidstaat of vanuit een in een andere lidstaat gelegen
bijkantoor door een financiële onderneming met zetel in een staat
die geen lidstaat is.
2.Indien ter bescherming van een van
de belangen, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, van artikel V
van de Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel,
maatregelen noodzakelijk zijn, kan Onze Minister zonodig met
toepassing van het zesde lid van dat artikel besluiten dat het Deel
Gedragstoezicht financiële ondernemingen en de daarop gebaseerde
bepalingen geheel of gedeeltelijk, in afwijking van het eerste lid,
van toepassing is op een bepaalde financiële dienst als bedoeld in
dat lid.
Artikel 1:17
Onder het verlenen van een financiële
dienst in Nederland wordt mede verstaan het verlenen van een
financiële dienst die kan worden aangemerkt als dienst van de
informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 15d, derde lid, van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek in een andere lidstaat door een
financiële onderneming met zetel in Nederland of door een in
Nederland gelegen bijkantoor van een financiële onderneming met zetel
in een staat die geen lidstaat is.
§ 1.1.3.3. Het verlenen van
beleggingsdiensten en verrichten van beleggingsactiviteiten
Artikel 1:18
Deze wet, met uitzondering van het deel
Gedragstoezicht financiële markten, is niet van toepassing op het
verlenen van beleggingsdiensten en het verrichten van
beleggingsactiviteiten voorzover:
a. deze worden verleend aan of
verricht voor de onderneming waarvan de beleggingsonderneming
dochtermaatschappij is, voor haar dochtermaatschappijen of voor
een andere dochtermaatschappij van de onderneming waarvan zij
dochtermaatschappij is;
b. deze bestaan uit het beheren van
een werknemersparticipatieplan met betrekking tot financiële
instrumenten;
c. deze worden verleend of deze
worden verricht door beleggingsondernemingen wier hoofdbedrijf
bestaat in het voor eigen rekening handelen in grondstoffen of
grondstoffenderivaten en die niet deel uitmaken van een groep
waarvan het hoofdbedrijf bestaat in het verlenen van andere
beleggingsdiensten, verrichten van andere beleggingsactiviteiten
of het uitoefenen van het bedrijf van bank;
d. deze worden verleend of verricht
door levensverzekeraars, schadeverzekeraars of herverzekeraars;
e. het beleggingsdiensten betreft
die worden verleend door beleggingsondernemingen die deze
financiële diensten als incidentele activiteit verrichten in het
kader van een andere beroepsactiviteit die aan wettelijke of
bestuursrechtelijke voorschriften of aan een beroepscode is
onderworpen en op grond daarvan niet is verboden;
f. het adviseren betreft inzake
transacties in financiële instrumenten in het kader van het
uitoefenen van een andere beroepsactiviteit en er niet specifiek
voor deze financiële dienst wordt betaald;
g. deze bestaan uit het handelen
voor eigen rekening in financiële instrumenten of het verlenen
van beleggingsdiensten met betrekking tot grondstoffenderivaten of
financiële instrumenten als bedoeld in onderdeel j van de
definitie van financieel instrument in artikel 1:1 aan cliënten
van het hoofdbedrijf van degene die de dienst verleent, indien:
1°. dit handelen of deze
dienst op groepsniveau als nevenactiviteit van zijn
hoofdbedrijf is aan te merken, en
2°. het hoofdbedrijf van de
groep niet bestaat uit het verlenen van beleggingsdiensten,
het verrichten van beleggingsactiviteiten of het uitoefenen
van het bedrijf van bank;
h. het handelen voor eigen rekening
betreft, met uitzondering van handelen voor eigen rekening door
marketmakers of handelaren voor eigen rekening die frequent op een
georganiseerde en systematische wijze buiten een gereglementeerde
markt of multilaterale handelsfaciliteit om optreden door een voor
derden toegankelijk systeem aan te bieden om met hen transacties
te sluiten;
i. deze bestaan uit het uitsluitend
optreden als plaatselijke onderneming.
Artikel 1:19
Het ingevolge deze wet bepaalde met
betrekking tot de onderdelen a en b van de definitie van verlenen van
een beleggingsdienst in artikel 1:1 is niet van toepassing op de
inkoop of verkoop van rechten van deelneming in beleggingsinstellingen
door de beheerders van die beleggingsinstellingen.
§ 1.1.3.4. Financiële diensten met
betrekking tot krediet
Artikel 1:20
Deze wet is niet van toepassing op:
a. het door openbare lichamen ter
uitvoering van een wettelijke taak aanbieden van krediet;
b. financiële diensten die worden
verleend door geregistreerde geldtransactiekantoren als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, van de Wet inzake de
geldtransactiekantoren, voorzover het diensten betreft die zij
mogen verlenen op grond van die wet;
c. financiële diensten met
betrekking tot krediet waarbij het effectief
kredietvergoedingspercentage op het tijdstip van aangaan van de
overeenkomst inzake het krediet niet meer bedraagt dan de
wettelijke rente, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van Boek 6
van het Burgerlijk Wetboek, voorzover het krediet wordt aangeboden
aan minder dan 100 consumenten of wordt aangeboden door een
werkgever aan zijn werknemers;
d. financiële diensten met
betrekking tot krediet bestaande uit een overeenkomst van huur en
verhuur of waartoe een zodanige overeenkomst behoort, tenzij deze
betrekking heeft op bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen zaken en de strekking heeft dat het verschaffen van het
genot van de zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft, al dan
niet door verlenging van die overeenkomst of het aangaan van een
nieuwe overeenkomst, langer dan zes maanden zal duren;
e. financiële diensten met
betrekking tot krediet bestaande uit het in ontvangst nemen van
roerende zaken van een consument tegen het ter beschikking stellen
van een geldsom aan de consument, voorzover de vordering op de
consument tot terugbetaling teniet gaat indien de betreffende
roerende zaken door de financiële onderneming te gelde worden
gemaakt; en
f. financiële diensten met
betrekking tot krediet waarbij is overeengekomen dat geen van de
terzake verschuldigde betalingen van de consument later
plaatsvindt dan drie maanden nadat de geldsom ter beschikking is
gesteld, het genot van een roerende zaak, financieel instrument of
beleggingsobject is verschaft, dan wel een dienst is verleend.
§ 1.1.3.5. Financiële diensten met
betrekking tot verzekeringen
Artikel 1:21
Deze wet is niet van toepassing op:
a. bemiddelen in verzekeringen,
voorzover:
1°. het bemiddelen slechts
kennis vergt van de verzekeringsdekking die geboden wordt;
2°. het een verzekering
betreft die geen levensverzekering is en geen
aansprakelijkheidsrisico’s dekt;
3°. de betreffende bemiddelaar
een andere hoofdberoepswerkzaamheid heeft dan bemiddelen in
verzekeringen;
4°. het een verzekering
betreft die een aanvulling is op de levering van een zaak of
de verlening van een dienst door de betreffende bemiddelaar,
hetgeen het geval is indien de betreffende verzekering het
risico dekt van defect, verlies, of beschadiging van door die
bemiddelaar geleverde zaken dan wel het risico dekt van
beschadiging of verlies van bagage of andere risico’s die
verband houden met een bij die bemiddelaar geboekte reis, ook
indien de verzekering levensverzekering- of
aansprakelijkheidsrisico’s dekt indien dat een bijkomende
dekking is ten opzichte van de hoofddekking betreffende de met
die reis verband houdende risico’s; en
5°. het een verzekering
betreft waarvan het bedrag van de jaarlijkse premie niet hoger
is dan € 500 en de volledige looptijd van de verzekering,
met inbegrip van eventuele verlengingen, niet langer is dan
een periode van vijf jaar; en
b. financiële diensten met
betrekking tot verzekeringen met betrekking tot risico’s en
verplichtingen die zijn gelegen in een staat die geen lidstaat is.
Artikel 1:22
Het bepaalde ingevolge de artikelen
4:9, eerste en tweede lid, 4:10, 4:11, tweede en derde lid, 4:13,
eerste en tweede lid, 4:15, eerste en tweede lid, 4:19, 4:20, eerste
lid, 4:23, eerste tot en met derde lid, en 4:73, eerste tot en met
vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op het bemiddelen in
verzekeringen en het herverzekeringsbemiddelen vanuit Nederland ten
behoeve van cliënten die hun gewone verblijfplaats hebben in een
andere lidstaat.
Afdeling 1.1.4. Aantastbaarheid van
rechtshandelingen
Artikel 1:23
De rechtsgeldigheid van een
privaatrechtelijke rechtshandeling welke is verricht in strijd met de
bij of krachtens deze wet gestelde regels is niet uit dien hoofde
aantastbaar, behalve voorzover in deze wet anders is bepaald.
Hoofdstuk 1.2. Toezichthouders
Afdeling 1.2.1. Algemene bepalingen
§ 1.2.1.1. Taakstelling
Artikel 1:24
1.Prudentieel toezicht is gericht op
de soliditeit van financiële ondernemingen en het bijdragen aan de
stabiliteit van de financiële sector.
2.De Nederlandsche Bank heeft, op de
grondslag van deze wet, tot taak het prudentieel toezicht op
financiële ondernemingen uit te oefenen en te beslissen omtrent de
toelating van financiële ondernemingen tot de financiële markten.
Artikel 1:25
1.Gedragstoezicht is gericht op
ordelijke en transparante financiëlemarktprocessen, zuivere
verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van
cliënten.
2.De Autoriteit Financiële Markten
heeft, op de grondslag van deze wet, tot taak het gedragstoezicht op
financiële markten uit te oefenen en te beslissen omtrent de
toelating van financiële ondernemingen tot die markten.
Artikel 1:25a
1. De raad, bedoeld in artikel 1,
onderdeel c, van de Mededingingswet, heeft, op de grondslag van deze
wet, tot taak het toezicht op de naleving van artikel 5:88 uit te
oefenen.
2. De artikelen 1:49, 1:55, eerste
lid, 1:56, eerste, tweede en vierde lid, 1:58, eerste tot en met
derde lid, 1:59, 1:65, eerste en vijfde lid, 1:68, 1:72 tot en met
1:75, 1:79, 1:80, 1:81, met uitzondering van het derde lid, en
afdeling 1.5.1., met uitzondering van artikel 1:93a, zijn van
overeenkomstige toepassing.
3. Artikel 1:47, eerste en derde lid,
is van overeenkomstige toepassing op het gebruik van de
bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1:75, 1:79 en 1:80, door de
raad, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat zowel de
Nederlandsche Bank als de Autoriteit Financiële Markten hun
zienswijze naar voren kunnen brengen.
§ 1.2.1.2. Institutionele bepalingen
Artikel 1:26
1.Het bestuur van de Autoriteit
Financiële Markten bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf
leden. De voorzitter en de andere leden van het bestuur worden bij
koninklijk besluit benoemd. Elke benoeming geschiedt voor ten
hoogste vier jaren. De raad van toezicht kan voor elke benoeming van
een lid van het bestuur een niet-bindende voordracht bij Onze
Minister indienen. Herbenoeming is onbeperkt mogelijk.
2.De voorzitter en de andere leden
van het bestuur kunnen door Onze Minister worden geschorst of bij
koninklijk besluit worden ontslagen, indien zij niet meer voldoen
aan de eisen voor de uitoefening van hun functie of daarin op
ernstige wijze zijn tekortgeschoten. Ontslag vindt voorts plaats op
eigen verzoek.
3.Onze Minister draagt zorg voor de
mededeling in de Staatscourant van de in dit artikel bedoelde
benoemingen, schorsingen en ontslagen.
4.De salarissen en de regelingen ten
aanzien van pensioen en vergoeding van onkosten van de voorzitter en
de andere leden van het bestuur worden vastgesteld door de raad van
toezicht en behoeven de instemming van Onze Minister.
Artikel 1:27
1.De Autoriteit Financiële Markten
heeft een raad van toezicht.
2.De raad van toezicht ziet toe op
het doelmatig en doeltreffend functioneren van het bestuur, in het
bijzonder ten aanzien van het financieel beheer, en staat het
bestuur met raad terzijde.
3.De raad van toezicht bestaat uit
ten minste drie en ten hoogste vijf leden. De voorzitter en de
andere leden van de raad van toezicht worden door Onze Minister
benoemd. Elke benoeming geschiedt voor ten hoogste vier jaren. De
raad van toezicht kan voor elke benoeming een niet-bindende
voordracht bij Onze Minister indienen. Herbenoeming kan tweemaal en
telkens voor ten hoogste vier jaren plaatsvinden.
4.De voorzitter en de andere leden
van de raad van toezicht kunnen door Onze Minister worden geschorst
en ontslagen wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde
functie dan wel wegens andere zwaarwegende in de persoon van de
betrokkene gelegen redenen. Ontslag vindt voorts plaats op eigen
verzoek.
5.Onze Minister draagt zorg voor de
mededeling in de Staatscourant van de in dit artikel bedoelde
benoemingen, schorsingen en ontslagen.
§ 1.2.1.3. Regelgevende bevoegdheid
Artikel 1:28
1.Indien ingevolge deze wet aan de
toezichthouder de bevoegdheid wordt toegekend om algemeen
verbindende voorschriften vast te stellen, gaat de toezichthouder
daartoe niet over dan nadat hij een daarvoor in aanmerking komende
representatieve vertegenwoordiging van onder zijn toezicht staande
ondernemingen heeft geraadpleegd.
2.In geval van bijzondere
omstandigheden is de Nederlandsche Bank bevoegd tijdelijke algemeen
verbindende voorschriften vast te stellen teneinde bij te dragen aan
de stabiliteit van de financiële sector, bedoeld in artikel 1:24.
Het eerste lid is niet van toepassing.
3.In geval van bijzondere
omstandigheden is de Autoriteit Financiële Markten bevoegd
tijdelijke algemeen verbindende voorschriften vast te stellen ter
bevordering van de ordelijke en transparante
financiëlemarktprocessen, bedoeld in artikel 1:25. Het eerste lid
is niet van toepassing.
4.De toezichthouder stelt Onze
Minister onverwijld in kennis van door hem vastgestelde algemeen
verbindende voorschriften.
Artikel 1:29
1.Indien de door de toezichthouder
vastgestelde algemeen verbindende voorschriften naar het oordeel van
Onze Minister in strijd zijn met de wet, een verdrag of een bindend
besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en de toezichthouder
de geconstateerde onvolkomenheid na overleg niet heeft weggenomen,
stelt Onze Minister bij ministeriële regeling regels voor het
desbetreffende onderwerp, onder gelijktijdige intrekking van de door
de toezichthouder voor het desbetreffende onderwerp vastgestelde
algemeen verbindende voorschriften.
2.Indien de door de toezichthouder
vastgestelde algemeen verbindende voorschriften een onredelijke
belasting voor de financiële markten tot gevolg hebben, en de
toezichthouder de geconstateerde onvolkomenheid na overleg niet
heeft weggenomen, kan Onze Minister bij ministeriële regeling
regels stellen voor het desbetreffende onderwerp, onder
gelijktijdige intrekking van de door de toezichthouder voor het
desbetreffende onderwerp vastgestelde algemeen verbindende
voorschriften.
3.Indien Onze Minister op grond van
het eerste of tweede lid voorschriften vaststelt doet hij zo spoedig
mogelijk een voordracht tot wijziging van de algemene maatregel van
bestuur waarin aan de toezichthouder de bevoegdheid is toegekend
algemeen verbindende voorschriften vast te stellen.
4.Indien de door de toezichthouder
ingevolge artikel 1:28, tweede of derde lid, vastgestelde algemeen
verbindende voorschriften naar het oordeel van Onze Minister in
strijd zijn met de wet, een verdrag, een bindend besluit van een
volkenrechtelijke organisatie of een onredelijke belasting voor de
financiële markten tot gevolg hebben, en de toezichthouder de
geconstateerde onvolkomenheid na overleg niet onverwijld heeft
weggenomen, kan Onze Minister die algemeen verbindende voorschriften
intrekken.
Artikel 1:29a
1.De Nederlandsche Bank maakt de
onderstaande informatie openbaar:
a. het bij of krachtens het Deel
Prudentieel toezicht financiële ondernemingen bepaalde;
b. de wijze waarop in Nederland
gebruik wordt gemaakt van de keuzemogelijkheden in de
richtlijnen van de Europese Unie die specifiek gericht zijn tot
beleggingsondernemingen en kredietinstellingen;
c. de algemene uitgangspunten die
zij hanteert bij het gebruik van de beleidsruimte die zij heeft
ingevolge het bij of krachtens het Deel Prudentieel toezicht
financiële ondernemingen bepaalde;
d. de algemene criteria en
methodieken op basis waarvan de evaluatie, bedoeld in artikel
3:18a, wordt verricht; en
e. de geaggregeerde statistische
gegevens over de voornaamste aspecten van de tenuitvoerlegging
van de prudentiële regels.
2.De op grond van het eerste lid
gepubliceerde informatie is voldoende om een zinvolle vergelijking
te kunnen maken tussen de uitoefening van het prudentieel toezicht
door de toezichthoudende instanties van de verschillende lidstaten.
Afdeling 1.2.2. Rekening en
verantwoording
Artikel 1:30
1.De toezichthouder stelt jaarlijks
een begroting op van de in het daaropvolgende jaar te verwachten
baten en lasten, investeringsuitgaven alsmede inkomsten en uitgaven
met betrekking tot de uitvoering van de ingevolge deze wet
opgedragen taak en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden. De
begroting wordt op een zodanige wijze opgesteld dat de lasten en de
uitgaven structureel worden gedekt door de baten en de inkomsten.
2.De begrotingsposten worden van een
toelichting voorzien.
3.Tenzij de werkzaamheden waarop de
begroting betrekking heeft nog niet eerder werden verricht, bevat de
begroting een vergelijking met de begroting van het lopende jaar en
de laatste jaarrekening of verantwoording waarmee Onze Minister
heeft ingestemd.
4.De toezichthouder zendt de
begroting voor 1 december van het aan het begrotingsjaar
voorafgaande jaar ter instemming aan Onze Minister.
5.De instemming kan worden onthouden
wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Ingeval van
gebleken strijdigheid wordt instemming niet onthouden dan nadat de
toezichthouder in de gelegenheid is gesteld de begroting aan te
passen, binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn.
6.De toezichthouder doet onverwijld
na instemming mededeling van de begroting in de Staatscourant en
houdt deze gedurende een jaar na instemming op elektronische wijze
ter inzage.
7.Wanneer Onze Minister niet voor 1
januari van het jaar waarop deze betrekking heeft met de begroting
heeft ingestemd, kan de toezichthouder, in het belang van een juiste
uitvoering van zijn taak, voor het aangaan van verplichtingen en het
verrichten van uitgaven beschikken over ten hoogste vier twaalfde
gedeelten van de bedragen die bij de overeenkomstige onderdelen in
de begroting van het voorafgaande jaar waren toegestaan.
Artikel 1:31
Indien gedurende het jaar aanmerkelijke
verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en
begrote baten en lasten dan wel inkomsten en uitgaven, doet de
toezichthouder daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister onder
vermelding van de oorzaak van de verschillen.
Artikel 1:32
Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld voor de inrichting van de begroting.
Artikel 1:33
1.De Autoriteit Financiële Markten
stelt jaarlijks een jaarrekening op van de ingevolge deze wet
opgedragen taak en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden.
2.De jaarrekening van de Autoriteit
Financiële Markten, waarin rekening en verantwoording wordt
afgelegd van het financieel beheer en van de geleverde prestaties
over het verstreken boekjaar, wordt zoveel mogelijk met
overeenkomstige toepassing van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek ingericht.
3.De jaarrekening gaat vergezeld van
een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de
Autoriteit Financiële Markten aangewezen accountant.
4.De accountant voegt bij de
verklaring, bedoeld in het derde lid, een verslag van zijn
bevindingen omtrent de rechtmatige inning en besteding van de
middelen door de Autoriteit Financiële Markten uit hoofde van deze
wet.
5.De accountant voegt bij de
verklaring, bedoeld in het derde lid, tevens een verslag van zijn
bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie van de
Autoriteit Financiële Markten uit hoofde van deze wet voldoen aan
eisen van doelmatigheid.
6.De Autoriteit Financiële Markten
zendt de jaarrekening voor 1 mei van het op het boekjaar volgende
jaar ter instemming aan Onze Minister.
7.De instemming kan worden onthouden
wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
8.De Autoriteit Financiële Markten
doet onverwijld na instemming mededeling van de jaarrekening in de
Staatscourant en houdt deze gedurende een jaar na instemming op
elektronische wijze ter inzage.
Artikel 1:34
1.De Nederlandsche Bank stelt
jaarlijks een verantwoording op van de ingevolge deze wet opgedragen
taak en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden.
2.De verantwoording gaat vergezeld
van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door
de Nederlandsche Bank aangewezen accountant.
3.De accountant voegt bij de
verklaring, bedoeld in het tweede lid, een verslag van zijn
bevindingen omtrent de rechtmatige inning en besteding van de
middelen door de Nederlandsche Bank uit hoofde van deze wet.
4.De accountant voegt bij de
verklaring, bedoeld in het tweede lid, tevens een verslag van zijn
bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie van de
Nederlandsche Bank uit hoofde van deze wet voldoen aan eisen van
doelmatigheid.
5.De Nederlandsche Bank zendt de
verantwoording, bedoeld in het eerste lid, voor 1 mei van het op het
boekjaar volgende jaar ter instemming aan Onze Minister.
6.De instemming kan worden onthouden
wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
7.De Nederlandsche Bank doet
onverwijld na instemming mededeling van de verantwoording in de
Staatscourant en houdt deze gedurende een jaar na instemming op
elektronische wijze ter inzage.
Artikel 1:35
1.Het verschil tussen de aan het eind
van een begrotingsjaar gerealiseerde baten van de toezichthouder en
de gerealiseerde lasten van de toezichthouder vormt het
exploitatiesaldo.
2.Indien in enig boekjaar een
exploitatiesaldo ontstaat en de toezichthouder dit exploitatiesaldo
wil betrekken bij de in rekening te brengen kosten als bedoeld in
artikel 1:40, doet de toezichthouder daaromtrent een voorstel in de
jaarrekening of de verantwoording.
Artikel 1:36
1.De toezichthouder stelt jaarlijks
een jaarverslag op. Het jaarverslag beschrijft de taakuitoefening en
het daartoe gevoerde beleid uit hoofde van deze wet in het
voorafgaande jaar. Het jaarverslag beschrijft voorts het gevoerde
beleid met betrekking tot de kwaliteitszorg.
2.De toezichthouder zendt het
jaarverslag voor 1 mei aan Onze Minister. Onze Minister zendt een
afschrift van het jaarverslag aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal.
3.De toezichthouder houdt het
jaarverslag op elektronische wijze ter inzage.
Artikel 1:37
1.De toezichthouder legt een
voorgenomen statutenwijziging ter voorafgaande instemming voor aan
Onze Minister. De artikelen 10:29 tot en met 10:31 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
2.De instemming, bedoeld in het
eerste lid, kan worden geweigerd:
a. indien de statuten na
wijziging onvoldoende zijn afgestemd op het in deze wet
bepaalde;
b. indien de statuten na
wijziging onvoldoende waarborgen bieden voor een onafhankelijke
taakvervulling door de toezichthouder;
c. wegens strijd met het recht of
het algemeen belang.
Artikel 1:38
1.De toezichthouder draagt met
betrekking tot de uitvoering van zijn taak op grond van deze wet
zorg voor:
a. een tijdige voorbereiding en
uitvoering;
b. de kwaliteit van de daarbij
gebruikte procedures;
c. de zorgvuldige behandeling van
een ieder die met hem in aanraking komt;
d. de zorgvuldige behandeling van
bezwaarschriften en klachten die worden ontvangen.
2.De toezichthouder treft
voorzieningen, waardoor een ieder die met hem in aanraking komt in
de gelegenheid is voorstellen tot verbetering van werkwijzen en
procedures te doen.
3.In het jaarverslag, bedoeld in
artikel 1:36, doet de toezichthouder verslag van hetgeen tot
uitvoering van het eerste en het tweede lid is verricht.
Artikel 1:39
1.De toezichthouder organiseert
overleg over:
a. de door de toezichthouder op
te stellen begroting;
b. de door de toezichthouder
gerealiseerde baten en lasten alsmede inkomsten en uitgaven, en
verrichte werkzaamheden;
c. de kosten voor ondernemingen
die verband houden met de uitvoering van zijn taak op grond van
deze wet en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden.
2.Het overleg wordt gevoerd door de
toezichthouder en een daarvoor in aanmerking komende representatieve
vertegenwoordiging van de onder zijn toezicht staande ondernemingen.
De toezichthouder kan tevens daarvoor in aanmerking komende
cliëntenorganisaties toelaten tot het overleg. Onze Minister wijst
ambtenaren aan die namens hem het overleg bijwonen.
3.Het overleg vindt tweemaal per jaar
plaats.
4.De toezichthouder maakt het verslag
van het overleg binnen een redelijke termijn na het overleg
openbaar.
Artikel 1:40
1.De toezichthouder brengt de kosten
van de werkzaamheden die hij verricht in verband met de uitvoering
van zijn taak op grond van deze wet in rekening bij de ondernemingen
ten aanzien waarvan die werkzaamheden worden verricht, voorzover
deze kosten niet ten laste komen van de Rijksbegroting. Tot de
kosten behoren onder meer de kosten die hij ter voorbereiding op de
uitvoering van nieuwe onderdelen van zijn taak heeft gemaakt,
voordat deze aan hem werden opgedragen.
2.De toezichthouder die in het kader
van een aanvraag van een vergunning of instemming op grond van
artikel 1:48 advies vraagt aan de andere toezichthouder kan ten
behoeve van de andere toezichthouder bij de aanvrager kosten in
rekening brengen die betrekking hebben op de werkzaamheden die in
dit kader door laatstgenoemde toezichthouder worden verricht.
3.De kosten worden gebaseerd op de
begroting waarmee Onze Minister heeft ingestemd en op het
exploitatiesaldo indien Onze Minister heeft ingestemd met de
jaarrekening of de verantwoording waarin een voorstel als bedoeld in
artikel 1:35, tweede lid, is opgenomen.
4.Op de begrote kosten worden de
opbrengsten uit boetes en verbeurde dwangsommen, voorzover de
hieraan ten grondslag liggende besluiten van de toezichthouder in
het voorafgaande jaar onherroepelijk zijn geworden, in mindering
gebracht.
5.Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het
eerste tot en met derde lid. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt
tussen incidenteel en jaarlijks in rekening te brengen kosten en kan
tevens worden voorzien in een bevoegdheid voor de toezichthouder om
in bepaalde gevallen kosten niet of niet geheel in rekening te
brengen indien het volledig in rekening brengen van de kosten zou
leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze regels
hebben onder meer betrekking op de toerekening van
toezichthandelingen aan ondernemingen.
6.Bij ministeriële regeling worden
de tarieven vastgesteld op basis waarvan de kosten, bedoeld in het
eerste tot en met het derde lid, worden doorberekend.
Artikel 1:41
De toezichthouder verstrekt Onze
Minister desgevraagd inlichtingen die nodig zijn voor de beoordeling
van de uitvoerbaarheid van algemene beleidsvoornemens en voorgenomen
wettelijke voorschriften, voorzover deze betrekking hebben op het door
de toezichthouder uit te oefenen toezicht ingevolge deze wet.
Artikel 1:42
1.Onze Minister kan aan de
toezichthouder de gegevens of inlichtingen vragen die nodig zijn
voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze
waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd,
indien dat ter wille van het toezicht nodig blijkt.
2.De toezichthouder verstrekt aan
Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of
inlichtingen, tenzij het vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
betreft in de zin van artikel 1:89, eerste lid, die:
a. betrekking hebben op of
herleidbaar zijn tot een afzonderlijke persoon of vennootschap,
met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking
hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke financiële
onderneming:
1°. waaraan een vergunning
op grond van het Deel Markttoegang financiële ondernemingen
is verleend of die een verklaring van ondertoezichtstelling
als bedoeld in artikel 3:110 heeft verkregen of waarvan die
vergunning onderscheidenlijk die verklaring is ingetrokken
of vervallen; en
2°. ten aanzien waarvan
surséance van betaling is verleend, of overeenkomstig
afdeling 3.5.5 de noodregeling is uitgesproken of die in
staat van faillissement is verklaard of op grond van een
rechterlijke uitspraak is ontbonden;
b. betrekking hebben op
ondernemingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging
een financiële onderneming in staat te stellen haar bedrijf
voort te zetten; of
c. zijn ontvangen van een
toezichthoudende instantie of zijn verkregen naar aanleiding van
een verificatie bij een in een andere staat gelegen bijkantoor
van een in Nederland gevestigde financiële onderneming, en niet
de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die
toezichthoudende instantie of van de toezichthoudende instantie
van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.
3.Onze Minister kan een derde
opdragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede
lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen.
Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn opdracht handelt,
machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk
geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.
4.Onze Minister gebruikt de gegevens
of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft
verkregen uitsluitend voor het vormen van zijn oordeel over de
toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichthouder
deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.
5.Onze Minister en degenen die in
zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op
grond van het tweede lid ontvangen gegevens of inlichtingen.
6.Niettegenstaande het vierde en
vijfde lid kan Onze Minister de aan de gegevens of inlichtingen
ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de
beide kamers der Staten-Generaal mededelen en de conclusies in
algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.
7.De Wet openbaarheid van bestuur, de
Wet Nationale Ombudsman, en titel 9.2 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit
artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in
zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.
Artikel 1:43
1.Indien naar het oordeel van Onze
Minister de toezichthouder zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze
Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen.
2.Ter uitvoering van het eerste lid
kan Onze Minister besluiten een of meer onderdelen van de taak van
de toezichthouder zelf uit te voeren of door de andere
toezichthouder te laten uitvoeren. Alsdan komen de desbetreffende
bevoegdheden van de toezichthouder toe aan Onze Minister
onderscheidenlijk aan de andere toezichthouder.
3.De voorzieningen worden,
spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat
de toezichthouder in de gelegenheid is gesteld om binnen een door
Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit
te voeren.
4.Onze Minister stelt de Tweede Kamer
der Staten-Generaal onverwijld in kennis van door hem op grond van
het eerste lid getroffen voorzieningen.
Artikel 1:44
1.Onze Minister zendt drie jaar na
inwerkingtreding van deze wet en vervolgens elke vijf jaar een
verslag aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de
doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de
toezichthouders.
2.Onze Minister zendt drie jaar na
inwerkingtreding van deze wet een verslag aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal over de samenwerking van de toezichthouders
ingevolge deze wet.
3.De toezichthouders verstrekken
desgevraagd aan Onze Minister gegevens en inlichtingen ten behoeve
van deze verslagen.
Artikel 1:45
Tegen besluiten van Onze Minister
inzake instemming met de begroting, de jaarrekening of de
verantwoording kan geen beroep worden ingesteld als bedoeld in artikel
8:1 van de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 1.3. Samenwerking
toezichthouders
Afdeling 1.3.1. Samenwerking
toezichthouders nationaal
Artikel 1:46
1.De toezichthouders werken samen met
het oog op de vaststelling van algemeen verbindende voorschriften en
beleidsregels opdat deze, voorzover zij betrekking hebben op
onderwerpen die zowel tot het prudentieel toezicht als tot het
gedragstoezicht behoren, zoveel mogelijk gelijkluidend zijn.
2.Tot de in het eerste lid bedoelde
onderwerpen worden in elk geval gerekend:
a. het gebruik van de
bevoegdheden, genoemd in afdeling 1.4.2;
b. de betrouwbaarheid, bedoeld in
de artikelen 3:9 en 4:10;
c. de deskundigheid, bedoeld in
de artikelen 3:8 en 4:9;
d. de beheerste en integere
bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 3:17, tweede lid,
onderdelen a en b, en 4:14, tweede lid, onderdelen a en b; en
e. bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen andere onderwerpen.
Artikel 1:47
1.De toezichthouder neemt geen
besluit tot het treffen van een in het tweede lid genoemde maatregel
dan nadat hij aan de andere toezichthouder een redelijke termijn
heeft geboden om daarover zijn zienswijze naar voren te brengen.
2.De maatregelen zijn:
a. de benoeming van een curator
op grond van artikel 1:76;
b. de intrekking van een
vergunning op grond van artikel 1:104, aanhef en onderdeel b, c,
d, e, f of j;
c. het opleggen van het verbod,
bedoeld in artikel 1:58, tweede lid, 1:58a, tweede lid, 1:58b,
tweede lid, 1:58c, derde lid, 1:59, tweede lid, 1:67, eerste
lid, 1:77, eerste lid, derde volzin, 4:4, eerste lid, of 4:4a;
en
d. de aanwijzing op grond van
artikel 1:75, strekkende tot het doen heenzenden van een persoon
die het beleid van een financiële onderneming bepaalt of mede
bepaalt of strekkende tot het doen heenzenden van een persoon
die onderdeel is van een orgaan dat belast is met het toezicht
op het beleid en de algemene gang van zaken van een financiële
onderneming.
3.De zienswijze wordt schriftelijk
naar voren gebracht, tenzij onverwijlde spoed, gelet op de betrokken
belangen, zich daartegen verzet. In dat geval kan worden volstaan
met een mondeling naar voren gebrachte zienswijze, met dien
verstande dat deze zo spoedig mogelijk schriftelijk wordt bevestigd.
Indien de toezichthouder een besluit als bedoeld in het eerste lid
neemt dat afwijkt van de door de andere toezichthouder naar voren
gebrachte zienswijze, wordt zulks met de redenen voor de afwijking
in de motivering van het besluit vermeld. De zienswijze of de
schriftelijke bevestiging van een mondeling gegeven zienswijze vormt
een integraal onderdeel van het besluit tot het treffen van een
toezichtmaatregel.
4.Het eerste en derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing op het aanvragen van het faillissement op
grond van artikel 212k of artikel 213b van de Faillissementswet en
het aanvragen van de noodregeling op grond van afdeling 3.5.5.
Artikel 1:47a
De Autoriteit Financiële Markten
raadpleegt de Nederlandsche Bank alvorens zij een vergunning verleent
aan een beleggingsonderneming die:
a. dochtermaatschappij is van een
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan
in een lidstaat een vergunning is verleend;
b. dochtermaatschappij is van een
moedermaatschappij van een kredietinstelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar waaraan in een lidstaat een vergunning is
verleend;
c. onder zeggenschap staat van een
persoon die tevens zeggenschap uitoefent over een
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan
in een lidstaat een vergunning is verleend.
Artikel 1:48
1. Indien de Nederlandsche Bank in
het kader van de behandeling van een in artikel 2:3b, 2:13, 2:22,
2:32, 2:33, 2:42, 2:43, 3:33 of 3:110, vierde of vijfde lid,
bedoelde aanvraag dient te beoordelen of de aanvrager zal voldoen
aan het bij of krachtens het Deel Gedragstoezicht financiële
ondernemingen bepaalde vraagt zij, alvorens te beslissen op die
aanvraag, daarover advies aan de Autoriteit Financiële Markten.
2. Indien de Autoriteit Financiële
Markten in het kader van de behandeling van een in artikel 2:67,
2:68 of 2:99 bedoelde aanvraag dient te beoordelen of de aanvrager
zal voldoen aan het bij of krachtens het Deel Prudentieel toezicht
financiële ondernemingen bepaalde vraagt zij, alvorens te beslissen
op die aanvraag, daarover advies aan de Nederlandsche Bank.
3. De toezichthouder wiens advies als
bedoeld in het eerste of tweede lid wordt gevraagd, brengt het
advies schriftelijk uit binnen zes weken na het verzoek.
4. Indien de Autoriteit Financiële
Markten in het kader van een aanvraag van instemming als bedoeld in
artikel 2:122, 2:127 of 2:130 of in het kader van een melding van
een wijziging als bedoeld in artikel 4:26, eerste of tweede lid,
dient te beoordelen of de financiële positie van de aanvrager
onderscheidenlijk de betrokken financiële onderneming toereikend
is, vraagt zij daarover advies aan de Nederlandsche Bank. De
Nederlandsche Bank brengt het advies schriftelijk uit binnen drie
weken na het verzoek.
5. Indien de toezichthouder die het
advies heeft gevraagd overweegt af te wijken van het advies stelt
hij de toezichthouder die het advies heeft gegeven in de gelegenheid
om het advies mondeling toe te lichten.
6. Het advies, bedoeld in het eerste,
tweede of vierde lid, maakt deel uit van het besluit ten aanzien van
de vergunning of instemming.
Artikel 1:49
1.Indien een toezichthouder
constateert dat de betrouwbaarheid van een persoon die het beleid
bepaalt of mede bepaalt van een financiële onderneming waaraan door
de andere toezichthouder een vergunning is verleend of die onderdeel
is van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de
algemene gang van zaken van een zodanige onderneming, niet of niet
langer buiten twijfel staat, stelt hij de andere toezichthouder
daarvan in kennis en doet hij daarbij een aanbeveling voor een te
treffen maatregel als bedoeld in afdeling 1.4.2.
2.Indien een toezichthouder
constateert dat een persoon die het dagelijks beleid bepaalt van een
financiële onderneming waaraan door de andere toezichthouder een
vergunning is verleend, niet of niet langer over de ingevolge deze
wet vereiste deskundigheid beschikt, stelt hij de andere
toezichthouder daarvan in kennis en doet hij daarbij een aanbeveling
voor een te treffen maatregel als bedoeld in afdeling 1.4.2.
3.De kennisgeving en aanbeveling
worden schriftelijk gedaan, tenzij onverwijlde spoed, gelet op de
betrokken belangen, zich daartegen verzet. In dat geval kan worden
volstaan met een mondelinge kennisgeving en aanbeveling, met dien
verstande dat deze zo spoedig mogelijk schriftelijk worden
bevestigd.
4.De andere toezichthouder bericht de
toezichthouder die de kennisgeving en de aanbeveling heeft gedaan
binnen een redelijke termijn gemotiveerd of hij naar aanleiding van
de kennisgeving en de aanbeveling overgaat tot het treffen van een
maatregel als bedoeld in afdeling 1.4.2.
5.Indien de andere toezichthouder
naar aanleiding van de kennisgeving en de aanbeveling een maatregel
als bedoeld in afdeling 1.4.2 treft, is artikel 1:47 niet van
toepassing.
6.Indien op basis van de kennisgeving
wordt overgegaan tot het treffen van een maatregel als bedoeld in
afdeling 1.4.2 vormen de kennisgeving en de aanbeveling een
integraal onderdeel van het besluit tot het treffen van de
toezichtmaatregel.
Artikel 1:50
1.Indien de Autoriteit Financiële
Markten toezicht houdt op een financiële onderneming die deel
uitmaakt van een financieel conglomeraat als bedoeld in artikel
3:290, is artikel 1:54, eerste tot en met vierde lid, van
overeenkomstige toepassing op de Autoriteit Financiële Markten.
2.Artikel 1:54, eerste tot en met
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de samenwerking
tussen de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten
bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in afdeling 3.6.4.
Afdeling 1.3.2. Samenwerking met andere
lidstaten algemeen
§ 1.3.2.1. Samenwerking en
uitwisseling van gegevens en inlichtingen
Artikel 1:51
1.De toezichthouder werkt samen met
toezichthoudende instanties van andere lidstaten, indien dat voor
het vervullen van zijn taak op grond van deze wet of voor de
vervulling van de taak van die toezichthoudende instanties nodig is.
2.De toezichthouder verstrekt op
verzoek aan een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat,
met inachtneming van het derde lid en artikel 1:90, eerste tot en
met derde lid, alle gegevens en inlichtingen die voor de vervulling
van de taak van die toezichthoudende instantie nodig zijn.
3.Indien het verzoek betrekking heeft
op een beleggingsonderneming, kan de Autoriteit Financiële Markten
slechts besluiten de verstrekking van gegevens of inlichtingen
achterwege te laten, indien:
a. de verstrekking van de
gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de
Nederlandse soevereiniteit, nationale veiligheid of openbare
orde;
b. voor hetzelfde feit en tegen
dezelfde persoon in Nederland reeds een gerechtelijke procedure
aanhangig is gemaakt;
c. tegen dezelfde persoon en voor
hetzelfde feit in Nederland reeds een onherroepelijke vonnis is
gewezen.
4.De Autoriteit Financiële Markten
stelt de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat van haar
met redenen omklede besluit, bedoeld in het derde lid, in kennis.
5.De Autoriteit Financiële Markten
verstrekt op verzoek aan een toezichthoudende instantie van een
andere lidstaat waar een marktexploitant waaraan een vergunning als
bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, is verleend, passende
voorzieningen treft om de toegang tot de handel in zijn systeem voor
in die lidstaat gevestigde leden of deelnemers op afstand te
faciliteren, binnen een redelijke termijn de namen van de leden van
of deelnemers aan de desbetreffende gereglementeerde markt.
Artikel 1:51a
1.De Nederlandsche Bank werkt ten
behoeve van het toezicht, bedoeld in afdeling 3.6.2, samen met de
betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten. In het
kader daarvan verstrekt de Nederlandsche Bank aan die
toezichthoudende instantie desgevraagd, met inachtneming van artikel
1:90, eerste tot en met derde lid, alle relevante informatie.
2.De Nederlandsche Bank verstrekt
eigener beweging aan de betrokken toezichthoudende instanties van
andere lidstaten alle essentiële informatie voor de vervulling van
hun taak ten behoeve van het toezicht, bedoeld in afdeling 3.6.2.
3.Onder essentiële informatie als
bedoeld in het tweede lid, worden in elk geval verstaan gegevens
over:
a. de structuur van de groep, de
belangrijke beleggingsondernemingen en kredietinstellingen van
de groep, alsmede de toezichthoudende instanties van andere
lidstaten die toezicht houden op de beleggingsondernemingen en
kredietinstellingen van de groep;
b. procedures voor de verzameling
van informatie bij de beleggingsondernemingen en
kredietinstellingen van de groep, alsmede voor de verificatie
van deze informatie;
c. ontwikkelingen bij
beleggingsondernemingen, kredietinstellingen of andere
ondernemingen van de groep die ernstige nadelige gevolgen voor
de beleggingsondernemingen of kredietinstellingen zouden kunnen
hebben;
d. belangrijke sancties en
bijzondere maatregelen die de Nederlandsche Bank of de
toezichthoudende instanties van andere lidstaten ten aanzien van
de in afdeling 3.6.2 bedoelde financiële ondernemingen hebben
getroffen.
4.Indien de Nederlandsche Bank
toezicht houdt op een Nederlandse beleggingsonderneming of
Nederlandse kredietinstelling die een dochteronderneming is van een
EU-moederbeleggingsonderneming of een EU-moederkredietinstelling en
informatie nodig heeft over de invoering van benaderingen of
methodieken zoals beschreven ingevolge deze wet en die informatie
reeds is verstrekt aan de toezichthoudende instantie die toezicht
houdt op die EU-moederbeleggingsonderneming of
EU-moederkredietinstelling richt zij zich eerst tot deze
toezichthoudende instantie.
5.De Nederlandsche Bank overlegt,
voordat zij een besluit neemt dat van belang is voor de
toezichthoudende taken als bedoeld in afdeling 3.6.2 van een andere
betrokken toezichthoudende instantie, met die instantie over:
a. veranderingen in het
aandeelhouderschap, de organisatie of de bestuursstructuur van
beleggingsondernemingen en kredietinstellingen in de groep; en
b. belangrijke sancties of
bijzondere maatregelen.
6.De Nederlandsche Bank vraagt advies
aan de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat die
toezicht houdt op geconsolideerde basis, voordat zij een besluit
neemt over het opleggen van een sanctie of maatregel als bedoeld in
het vijfde lid, onderdeel b.
7.De Nederlandsche Bank kan het
inwinnen van advies als bedoeld in het zesde lid in spoedeisende
gevallen achterwege laten. In dat geval deelt zij de
toezichthoudende instanties van andere lidstaten haar besluit
onverwijld mede.
Artikel 1:52
1.De toezichthouder kan ten behoeve
van de uitvoering van zijn taak op grond van deze paragraaf van een
ieder inlichtingen vorderen, indien dat voor de vervulling van de
taak van een toezichthoudende instantie in een andere lidstaat nodig
is.
2.De artikelen 5:13 en 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:53
1.Indien een Nederlandse
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar en een
Europese herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met
elkaar zijn verbonden als bedoeld in artikel 3:268, eerste lid,
onderdeel i, stelt de Nederlandsche Bank, met inachtneming van
artikel 1:90, eerste tot en met derde lid, eigener beweging de
toezichthoudende instantie in iedere andere betrokken lidstaat in
kennis van alle informatie die essentieel lijkt voor het door die
toezichthoudende instantie uit te oefenen toezicht.
2.Indien een Nederlandse
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar en een
beleggingsonderneming of een kredietinstelling met zetel in een
andere lidstaat met elkaar zijn verbonden als bedoeld in artikel
3:268, onderdeel i, verstrekt de Nederlandsche Bank, met
inachtneming van artikel 1:90, eerste tot en met derde lid, aan de
toezichthoudende instanties die belast zijn met het toezicht op die
andere financiële ondernemingen alle informatie die de vervulling
van hun taak kan vergemakkelijken.
Artikel 1:54
1.De Nederlandsche Bank werkt ten
behoeve van het toezicht, bedoeld in afdeling 3.6.4, samen met de
betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten. In het
kader daarvan verstrekt de Nederlandsche Bank aan die
toezichthoudende instanties, met inachtneming van artikel 1:90,
eerste tot en met derde lid, desgevraagd alle relevante informatie
en verstrekt zij hun eigener beweging alle essentiële informatie.
2.De in het eerste lid bedoelde
samenwerking behelst ten minste het vergaren en uitwisselen van
informatie met betrekking tot de volgende aspecten:
a. de structuur van de groep,
bedoeld in artikel 3:289, onderdeel e, alle belangrijke
ondernemingen die tot het financiële conglomeraat behoren en de
toezichthoudende instanties van andere lidstaten die
verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de gereglementeerde
entiteiten, bedoeld in artikel 3:289, onderdeel d, in de groep;
b. de door het financiële
conglomeraat gevolgde strategie;
c. de financiële situatie van
het financiële conglomeraat, in het bijzonder de
kapitaaltoereikendheid, de transacties binnen de groep, de
risicoconcentratie, bedoeld in artikel 3:289, onderdeel l, en de
winstgevendheid;
d. de belangrijkste
aandeelhouders en het bestuur van het financiële conglomeraat;
e. de bedrijfsvoering op het
niveau van het financiële conglomeraat;
f. de procedures voor de
verzameling van informatie bij de ondernemingen in het
financiële conglomeraat en de verificatie van deze informatie;
g. ontwikkelingen bij
gereglementeerde entiteiten of bij andere groepsleden van het
financiële conglomeraat die ernstige nadelige gevolgen voor de
gereglementeerde entiteiten kunnen hebben;
h. belangrijke sancties en
buitengewone maatregelen die de toezichthoudende instanties van
andere lidstaten ten aanzien van het financieel conglomeraat of
onderdelen daarvan hebben getroffen.
3.De Nederlandsche Bank pleegt,
voordat zij een besluit neemt in verband met de hierna vermelde
aangelegenheden, overleg met de toezichthoudende instanties van
andere lidstaten die zijn belast met het toezicht op
gereglementeerde entiteiten in het financiële conglomeraat, indien
dat besluit van belang is voor de toezichthoudende taken van die
toezichthoudende instanties:
a. veranderingen in het
aandeelhouderschap, de organisatie of de bestuursstructuur van
een gereglementeerde entiteit die haar goedkeuring behoeven;
b. belangrijke sancties of
buitengewone maatregelen ten aanzien van een gereglementeerde
entiteit.
4.De Nederlandsche Bank kan,
onverminderd het in het derde lid bedoelde overleg in spoedeisende
gevallen, of indien dat overleg de doeltreffendheid van haar
besluiten in gevaar kan brengen, achterwege laten. In dat geval
stelt zij de toezichthoudende instanties van andere lidstaten van
haar besluit onverwijld in kennis.
5.Op verzoek van de coördinator,
bedoeld in artikel 3:293, eerste lid, wint de Nederlandsche Bank bij
de moederonderneming met zetel in Nederland die, alleen of samen met
een andere onderneming, aan het hoofd staat van de groep waartoe een
gereglementeerde entiteit behoort, alle inlichtingen in die relevant
zijn voor de uitoefening van de taken van de coördinator.
6.Indien de Nederlandsche Bank geen
coördinator is en de coördinator het nodig acht dat met het oog op
het toezicht, bedoeld in afdeling 3.6.4, maatregelen worden
getroffen tegen een gemengde financiële holding met zetel in
Nederland, neemt zij op verzoek van de coördinator de
redelijkerwijs noodzakelijke maatregelen tegen die gemengde
financiële holding, met gebruikmaking van de haar ingevolge deze
wet toekomende bevoegdheden.
Artikel 1:54a
Indien een marktexploitant waaraan een
vergunning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, is verleend in een
andere lidstaat voorzieningen heeft getroffen waardoor het voor
deelnemers of leden van de gereglementeerde markt mogelijk is om
vanuit die lidstaat daarop te handelen, en de werkzaamheden van de
gereglementeerde markt van aanzienlijk belang zijn voor de werking van
de effectenmarkten en de bescherming van de beleggers in die lidstaat,
maakt de Autoriteit Financiële Markten, onverminderd artikel 1:51,
afspraken met de relevante toezichthoudende instanties in die lidstaat
over de uitoefening van haar toezicht.
§ 1.3.2.2. Samenwerking in het kader
van toezicht op de naleving
Artikel 1:55
1. Indien een beheerder,
beleggingsonderneming, betaalinstelling, herverzekeraar,
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel
in Nederland een bijkantoor heeft in een andere lidstaat, kan de
toezichthouder ten behoeve van het toezicht op de naleving van deze
wet door die financiële onderneming:
a. de toezichthoudende instantie
van de andere lidstaat verzoeken om bij het bijkantoor gegevens
of inlichtingen te verifiëren; of
b. na kennisgeving aan de
toezichthoudende instantie van de andere lidstaat zelf bij het
bijkantoor gegevens of inlichtingen verifiëren of doen
verifiëren.
2. Indien de Nederlandsche Bank ten
behoeve van het toezicht op geconsolideerde basis als bedoeld in
hoofdstuk 3.6 gegevens of inlichtingen wenst te verifiëren bij een
in een andere lidstaat gevestigde onderneming, kan zij ten behoeve
van dat toezicht:
a. de toezichthoudende instantie
van de andere lidstaat verzoeken om bij die onderneming gegevens
of inlichtingen te verifiëren;
b. na kennisgeving aan de
toezichthoudende instantie van de andere lidstaat zelf bij die
onderneming gegevens of inlichtingen verifiëren of doen
verifiëren.
3. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van betaaldienstagenten en
personen aan wie werkzaamheden zijn uitbesteed door
betaalinstellingen.
Artikel 1:56
1. Indien een beheerder,
beleggingsonderneming, betaaldienstverlener, herverzekeraar,
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel
in een andere lidstaat een bijkantoor heeft in Nederland, kan de
toezichthoudende instantie van die andere lidstaat, na de
toezichthouder in kennis te hebben gesteld, bij het bijkantoor
gegevens of inlichtingen verifiëren die nodig zijn voor de
uitoefening van het toezicht op die beheerder,
beleggingsonderneming, betaaldienstverlener, herverzekeraar,
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar.
2. De toezichthoudende instantie van
de andere lidstaat kan voorts de toezichthouder verzoeken bij het
bijkantoor gegevens of inlichtingen te verifiëren die nodig zijn
voor de uitoefening van het toezicht op die beheerder,
beleggingsonderneming, betaaldienstverlener, herverzekeraar,
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar. De
toezichthouder geeft aan dit verzoek gevolg, of stelt de
toezichthoudende instantie van de andere lidstaat in de gelegenheid
om bij het bijkantoor gegevens of inlichtingen te verifiëren of te
doen verifiëren.
3. Indien een toezichthoudende
instantie van een andere lidstaat ten behoeve van het toezicht op
geconsolideerde basis op een kredietinstelling met zetel in die
lidstaat gegevens of inlichtingen wenst te verifiëren bij een in
Nederland gevestigde onderneming, kan zij de Nederlandsche Bank
verzoeken dat te doen. De Nederlandsche Bank geeft aan dit verzoek
gevolg, of geeft de toezichthoudende instantie gelegenheid om de
gegevens of inlichtingen te verifiëren of te doen verifiëren.
4. De toezichthouder kan ten behoeve
van een verificatie als bedoeld in het eerste of tweede lid bij het
bijkantoor onderscheidenlijk bij de onderneming inlichtingen
vorderen. De artikelen 5:13, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Het eerste, tweede en vierde lid
zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
betaaldienstagenten van betaaldienstverleners met zetel in een
andere lidstaat, die beschikken over een door de toezichthoudende
instantie van die lidstaat verleende vergunning voor het verlenen
van betaaldiensten, en personen aan wie werkzaamheden zijn
uitbesteed door betaaldienstverleners met zetel in een andere
lidstaat, die beschikken over een door de toezichthoudende instantie
van die lidstaat verleende vergunning voor het verlenen van
betaaldiensten.
Artikel 1:56a
1.Indien een beleggingsonderneming
met zetel in een andere lidstaat een bijkantoor heeft in Nederland,
kan de Autoriteit Financiële Markten, op verzoek van de
toezichthoudende instantie van die andere lidstaat, bij het
bijkantoor door een deskundige gegevens of inlichtingen doen
verifiëren of een onderzoek doen verrichten.
2.Indien een beleggingsonderneming
met zetel in Nederland een lid op afstand is van een
gereglementeerde markt waaraan in een andere lidstaat een vergunning
is verleend, kan de toezichthoudende instantie van die andere
lidstaat, na kennisgeving aan de Autoriteit Financiële Markten,
zelf bij dit lid gegevens of inlichtingen verifiëren of doen
verifiëren of een onderzoek verrichten.
Artikel 1:56b
1.De Autoriteit Financiële Markten
kan slechts weigeren te voldoen aan een verzoek om samenwerking bij
het verrichten van een onderzoek of aan een verzoek, als bedoeld in
artikel 1:56, voor zover het betreft een verzoek met betrekking tot
een beleggingsonderneming, of artikel 1:56a, indien:
a. het onderzoek of de
verificatie van gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen
met de Nederlandse soevereiniteit, de nationale veiligheid of de
openbare orde;
b. voor hetzelfde feit en tegen
dezelfde persoon in Nederland reeds een gerechtelijke procedure
aanhangig is gemaakt;
c. tegen dezelfde persoon en voor
hetzelfde feit in Nederland reeds een onherroepelijke vonnis is
gewezen.
2.De Autoriteit Financiële Markten
stelt de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat van haar
met redenen omklede besluit in kennis.
Artikel 1:57
1.Indien een toezichthoudende
instantie van een andere lidstaat ten behoeve van het toezicht,
bedoeld in afdeling 3.6.4, verzoekt gegevens of inlichtingen te
verifiëren betreffende een groepslid als bedoeld in artikel 3:289,
onderdeel f, met zetel in Nederland, geeft de Nederlandsche Bank aan
dit verzoek gevolg of stelt zij de betrokken toezichthoudende
instantie in de gelegenheid om de gegevens of inlichtingen te
verifiëren of te doen verifiëren.
2.De Nederlandsche Bank kan ten
behoeve van een verificatie als bedoeld in het eerste lid
inlichtingen vorderen. De artikelen 5:13, 5:17 en 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 1.3.2.3. Samenwerking in het kader
van handhaving
Artikel 1:58
1. Indien een beheerder van een
instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in een
andere lidstaat of een kredietinstelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die vanuit een
bijkantoor in Nederland zijn onderscheidenlijk haar bedrijf
uitoefent of financiële diensten verleent dan wel diensten verricht
naar Nederland, geen gevolg geeft aan een door de toezichthouder
gegeven aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75, stelt de
toezichthouder de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat
daarvan in kennis.
2. De toezichthouder kan,
onverminderd de artikelen 1:79 en 1:80, en na de toezichthoudende
instantie van de lidstaat waar de financiële onderneming haar zetel
heeft daarvan in kennis te hebben gesteld, het besluit nemen dat de
betrokken financiële onderneming geen nieuwe overeenkomsten in
Nederland mag afsluiten, indien deze niet voldoet aan hetgeen bij of
krachtens deze wet is bepaald:
a. in weerwil van de maatregelen,
getroffen door de toezichthoudende instantie van de lidstaat
waar de financiële onderneming haar zetel heeft;
b. in het geval deze maatregelen
ontoereikend zijn; of
c. in het geval de
toezichthoudende instantie, bedoeld in onderdeel a, geen
maatregelen heeft getroffen.
3. De toezichthouder doet van een op
grond van het tweede lid genomen besluit mededeling in de
Staatscourant zodra de beroepstermijn is verstreken of, indien
beroep is ingesteld, zodra onherroepelijk op het beroep is beslist.
4. Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing op:
a. bemiddelaars in verzekeringen
met zetel in een andere lidstaat;
b. financiëledienstverleners met
zetel in een andere lidstaat die het bedrijf van financiële
instelling, kredietinstelling of verzekeraar uitoefenen; en
c. herverzekeringsbemiddelaars
met zetel in een andere lidstaat.
5. Het eerste tot en met derde lid is
van overeenkomstige toepassing op betaaldienstverleners, met dien
verstande dat onder bijkantoor mede wordt verstaan betaaldienstagent
of persoon aan wie werkzaamheden zijn uitbesteed.
Artikel 1:58a
1.Indien een beleggingsonderneming
met zetel in een andere lidstaat die door middel van
dienstverrichting of vanuit een bijkantoor in Nederland
beleggingsdiensten verleent of beleggingsactiviteiten verricht in
Nederland niet voldoet aan de op grond van het Deel Gedragstoezicht
Financiële Ondernemingen of het Deel Gedragstoezicht Financiële
Markten opgelegde verplichtingen, stelt de toezichthouder de
toezichthoudende instantie van de andere lidstaat daarvan in kennis.
2.De toezichthouder kan, onverminderd
de artikelen 1:79 en 1:80, en na de toezichthoudende instantie van
de lidstaat waar de beleggingsonderneming haar zetel heeft daarvan
in kennis te hebben gesteld, het besluit nemen dat de
beleggingsonderneming geen nieuwe overeenkomsten in Nederland mag
afsluiten, indien zij blijft handelen op een wijze die de belangen
van beleggers of de ordelijke werking van de financiële markten
kennelijk schaadt:
a. in weerwil van de maatregelen,
getroffen door de toezichthoudende instantie van de lidstaat
waar zij haar zetel heeft;
b. in het geval deze maatregelen
ontoereikend zijn; of
c. in het geval de
toezichthoudende instantie, bedoeld in onderdeel a, geen
maatregelen heeft getroffen.
3.Artikel 1:58, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:58b
1.Indien een beleggingsonderneming
met zetel in een andere lidstaat die vanuit een bijkantoor in
Nederland beleggingsdiensten verleent of beleggingsactiviteiten
verricht geen gevolg geeft aan een door de toezichthouder gegeven
aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75, stelt de toezichthouder de
toezichthoudende instantie van de andere lidstaat daarvan in kennis.
2.In het geval, bedoeld in het eerste
lid, kan de toezichthouder tevens het besluit nemen dat de betrokken
beleggingsonderneming geen nieuwe overeenkomsten in Nederland mag
afsluiten, onverminderd de artikelen 1:79 en 1:80.
3.Artikel 1:58, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:58c
1.Indien een marktexploitant met
zetel in een andere lidstaat die zijn voorzieningen ter beschikking
stelt voor in Nederland gevestigde leden of deelnemers op afstand
niet voldoet aan de op grond van het Deel Gedragstoezicht
Financiële Ondernemingen of het Deel Gedragstoezicht Financiële
Markten opgelegde verplichtingen, stelt de toezichthouder de
toezichthoudende instantie van de andere lidstaat daarvan in kennis.
2.Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op een beleggingsonderneming met zetel in
een andere lidstaat die in Nederland een multilaterale
handelsfaciliteit exploiteert.
3.De toezichthouder kan, onverminderd
de artikelen 1:79 en 1:80, en na de toezichthoudende instantie van
de lidstaat waar de beleggingsonderneming of de marktexploitant haar
onderscheidenlijk zijn zetel heeft daarvan in kennis te hebben
gesteld, het besluit nemen dat de betrokken beleggingsonderneming of
marktexploitant haar onderscheidenlijk zijn voorzieningen niet
beschikbaar mag stellen voor in Nederland gevestigde leden of
deelnemers op afstand, indien zij onderscheidenlijk hij blijft
handelen op een wijze die de belangen van beleggers, of de ordelijke
werking van de financiële markten kennelijk schaadt:
a. in weerwil van de maatregelen,
getroffen door de toezichthoudende instantie van de lidstaat
waar zij onderscheidenlijk hij haar zetel heeft;
b. in het geval deze maatregelen
ontoereikend zijn; of
c. in het geval de
toezichthoudende instantie, bedoeld in onderdeel a, geen
maatregelen heeft getroffen.
4.Artikel 1:58, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:58d
1.Indien de toezichthouder een
aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75 geeft aan een herverzekeraar
met zetel in een andere lidstaat die vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor zijn bedrijf uitoefent of diensten verricht naar
Nederland, stelt de toezichthouder tegelijkertijd de
toezichthoudende instantie van de andere lidstaat daarvan in kennis.
2.Artikel 1:58, tweede en derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:59
1. Indien een beheerder,
beleggingsonderneming, betaalinstelling, herverzekeraar,
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel
in Nederland die vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat zijn
onderscheidenlijk haar bedrijf uitoefent of financiële diensten
verleent dan wel diensten verricht naar een andere lidstaat niet
voldoet aan in die andere lidstaat geldende wettelijke
voorschriften, geeft de toezichthouder na daartoe een kennisgeving
van de toezichthoudende instantie van die andere lidstaat te hebben
ontvangen, zo spoedig mogelijk een aanwijzing aan de betrokken
beheerder, beleggingsonderneming, betaalinstelling, herverzekeraar,
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar om binnen
een door de toezichthouder gestelde redelijke termijn de in de
aanwijzingsbeschikking bepaalde gedragslijn te volgen, ten einde de
strijdigheid met de in die andere lidstaat geldende wettelijke
voorschriften te beëindigen.
2. Indien niet of onvoldoende gevolg
is gegeven aan de aanwijzing, kan de toezichthouder, na die
toezichthoudende instantie daarvan in kennis te hebben gesteld, het
besluit nemen dat de betrokken beheerder, beleggingsonderneming,
betaalinstelling, herverzekeraar, kredietinstelling,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar geen nieuwe overeenkomsten in
die andere lidstaat mag afsluiten.
3. De toezichthouder doet aan de
toezichthoudende instantie van de andere lidstaat mededeling van de
maatregelen genomen op grond van het eerste of tweede lid.
4. Het eerste tot en met derde lid
zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
betaaldienstagenten en personen aan wie werkzaamheden zijn
uitbesteed door een betaalinstelling.
§ 1.3.2.4. Raadplegen in het kader van
overige procedures en kennis geven van bepaalde besluiten
Artikel 1:60
1.De Autoriteit Financiële Markten
raadpleegt de toezichthoudende instantie van de desbetreffende
lidstaat alvorens een vergunning wordt verleend aan een beheerder
die:
a. een dochtermaatschappij is van
een beheerder, beleggingsonderneming, herverzekeraar,
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar
waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend;
b. een dochtermaatschappij is van
een moedermaatschappij van een beheerder, beleggingsonderneming,
herverzekeraar, kredietinstelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning
is verleend;
c. onder zeggenschap staat van
een persoon die tevens zeggenschap uitoefent over een beheerder,
beleggingsonderneming, herverzekeraar, kredietinstelling,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een andere
lidstaat een vergunning is verleend.
2.De Autoriteit Financiële Markten
raadpleegt de toezichthoudende instantie van de desbetreffende
lidstaat alvorens een vergunning wordt verleend aan een
beleggingsonderneming die:
a. een dochtermaatschappij is van
een beleggingsonderneming, herverzekeraar, kredietinstelling,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een andere
lidstaat een vergunning is verleend;
b. een dochtermaatschappij is van
een moedermaatschappij van een beleggingsonderneming,
herverzekeraar, kredietinstelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning
is verleend;
c. onder zeggenschap staat van
een persoon die tevens zeggenschap uitoefent over een
beleggingsonderneming, herverzekeraar, kredietinstelling,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een andere
lidstaat een vergunning is verleend.
3.De Nederlandsche Bank raadpleegt de
toezichthoudende instantie van de desbetreffende lidstaat alvorens
een vergunning wordt verleend aan een kredietinstelling die:
a. een dochtermaatschappij is van
een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een
vergunning is verleend;
b. een dochtermaatschappij is van
een moedermaatschappij van een kredietinstelling waaraan in een
andere lidstaat een vergunning is verleend;
c. onder zeggenschap staat van
een persoon die tevens zeggenschap uitoefent over een
kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning
is verleend.
4.De Nederlandsche Bank raadpleegt de
toezichthoudende instantie van de desbetreffende lidstaat alvorens
een vergunning wordt verleend aan een herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar die:
a. een dochtermaatschappij is van
een beleggingsonderneming, herverzekeraar, kredietinstelling,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een andere
lidstaat een vergunning is verleend;
b. een dochtermaatschappij is van
een moedermaatschappij van een beleggingsonderneming,
herverzekeraar, kredietinstelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar waaraan in de andere lidstaat een vergunning
is verleend;
c. onder zeggenschap staat van
een natuurlijke persoon of rechtspersoon die tevens zeggenschap
uitoefent over een beleggingsonderneming, herverzekeraar,
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar
waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend.
Artikel 1:61
1.De toezichthouder stelt de
toezichthoudende instanties van de lidstaten waar een financiële
onderneming met zetel in Nederland vanuit een bijkantoor haar
bedrijf uitoefent of financiële diensten verleent dan wel waarnaar
een financiële onderneming diensten verricht in kennis van de
intrekking van de aan die financiële onderneming verleende
vergunning, bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, 2:27, eerste lid,
2:65 of 2:96.
2.Indien een financiële onderneming
met zetel in een andere lidstaat vanuit een bijkantoor in Nederland
haar bedrijf uitoefent of financiële diensten verleent dan wel
diensten verricht naar Nederland en de toezichthoudende instantie
van die lidstaat de toezichthouder in kennis heeft gesteld van de
intrekking van de vergunning van die financiële onderneming door
die toezichthoudende instantie, maakt de toezichthouder deze
kennisgeving openbaar.
Artikel 1:62
De Nederlandsche Bank stelt de
toezichthoudende instantie van de desbetreffende lidstaat in de
gelegenheid advies uit te brengen alvorens zij een verklaring van geen
bezwaar als bedoeld in artikel 3:95 verleent of een mededeling als
bedoeld in artikel 3:108, vierde lid, doet, indien de
beleggingsonderneming of kredietinstelling waarin de aanvrager een
gekwalificeerde deelneming wil houden ten gevolge van de
gekwalificeerde deelneming dochtermaatschappij zou worden of
anderszins onder de zeggenschap zou komen van de aanvrager, en de
aanvrager:
a. een beleggingsonderneming,
herverzekeraar, kredietinstelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar of beheerder van een instelling voor collectieve
belegging in effecten is waaraan in een andere lidstaat een
vergunning is verleend;
b. de moedermaatschappij is van een
beleggingsonderneming, herverzekeraar, kredietinstelling,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar of beheerder van een
instelling voor collectieve belegging in effecten waaraan in een
andere lidstaat een vergunning is verleend; of
c. een persoon is die anderszins
zeggenschap heeft over een beleggingsonderneming, herverzekeraar,
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar of
beheerder van een instelling voor collectieve belegging in
effecten waaraan in een andere lidstaat een vergunning is
verleend.
Artikel 1:63
1.De Nederlandsche Bank stelt de
toezichthoudende instantie van de lidstaat, bedoeld in artikel 3:60,
eerste lid, in de gelegenheid advies uit te brengen alvorens zij een
ontheffing als bedoeld in dat artikel verleent aan een
levensverzekeraar of schadeverzekeraar.
2.Alvorens een ontheffing als bedoeld
in artikel 3:60, eerste lid, in te trekken, verzoekt de
Nederlandsche Bank de toezichthoudende instantie van de
desbetreffende lidstaat die aan dezelfde financiële onderneming een
overeenkomstige ontheffing heeft verleend, deze ontheffing in te
trekken op het door de toezichthouder voorgestelde tijdstip.
3.Indien de toezichthoudende
instantie van de lidstaat, bedoeld in artikel 3:60, eerste lid,
hierom verzoekt, trekt de Nederlandsche Bank een ontheffing als
bedoeld in dat artikel in op het door die toezichthoudende instantie
voorgestelde tijdstip.
Artikel 1:64
Indien een financiële instelling met
zetel in Nederland die een verklaring van ondertoezichtstelling heeft
niet langer voldoet aan artikel 3:110, derde tot en met zesde lid,
stelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instanties van andere
lidstaten waar die financiële instelling vanuit een bijkantoor haar
bedrijf uitoefent of financiële diensten verleent, dan wel waarnaar
zij diensten verricht, daarvan in kennis.
§ 1.3.2.5. Informatieverstrekking door
de Nederlandsche Bank aan toezichthoudende instanties van andere
lidstaten in verband met herverzekeraars met zetel in een staat die
geen lidstaat is
Artikel 1:64a
De Nederlandsche Bank stelt de
desbetreffende toezichthoudende instanties van de andere lidstaten in
kennis van een vergunning die ingevolge deze wet voor het uitoefenen
van het bedrijf van herverzekeraar is verleend aan een
dochtermaatschappij van een onderneming waarop het recht van
toepassing is van een staat die geen lidstaat is.
Artikel 1:64b
De Nederlandsche Bank stelt de
desbetreffende toezichthoudende instanties van de andere lidstaten in
kennis van een verleende verklaring van geen bezwaar als bedoeld in
artikel 3:95 voor een gekwalificeerde deelneming in een
herverzekeraar, indien door de gekwalificeerde deelneming de
herverzekeraar een dochteronderneming wordt van een onderneming waarop
het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is.
Afdeling 1.3.3. Samenwerking met
toezichthoudende instanties van staten die geen lidstaat zijn
Artikel 1:65
1.De toezichthouder kan aan een
toezichthoudende instantie van een staat die geen lidstaat is
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verstrekken, indien met
betrekking tot de gegevens en inlichtingen volgens het recht in die
staat ten minste gelijkwaardige waarborgen gelden ten aanzien van
geheimhouding als op grond van artikel 1:90, eerste lid, en voor
zover de uitwisseling ten behoeve van de uitoefening van toezicht
door de desbetreffende toezichthoudende instantie geschiedt. Artikel
1:90, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2.De Autoriteit Financiële Markten
kan vertrouwelijke gegevens of inlichtingen met betrekking tot een
beleggingsonderneming, een multilaterale handelsfaciliteit of een
marktexploitant verstrekken aan de volgende personen of instanties
in een staat die geen lidstaat is:
a. een persoon die in die staat
is belast met de wettelijke controle van de jaarrekening van
financiële ondernemingen, of met het beheer van
compensatiestelsels, voorzover de verstrekking geschiedt ten
behoeve van de uitoefening van de taken van de desbetreffende
persoon;
b. een instantie die in die staat
is belast met het toezicht op personen die zijn belast met de
wettelijke controle van de jaarrekening van een financiële
onderneming;
c. een persoon die in die staat
is betrokken bij de liquidatie en het faillissement van een
beleggingsonderneming of een soortgelijke procedure;
d. een instantie die in die staat
is belast met het toezicht op personen die zijn betrokken bij de
liquidatie en het faillissement van beleggingsondernemingen en
andere soortgelijke procedures.
3.De Autoriteit Financiële Markten
kan slechts toepassing geven aan het tweede lid indien met
betrekking tot de gegevens en inlichtingen volgens het recht van de
desbetreffende staat ten minste gelijkwaardige waarborgen gelden ten
aanzien van geheimhouding als op grond van artikel 1:90, eerste lid,
en voor zover de uitwisseling ten behoeve van de uitoefening van de
taken door de desbetreffende persoon of instantie geschiedt.
4.Voor zover de gegevens en
inlichtingen, als bedoeld in het tweede lid, zijn verkregen van een
toezichthoudende instantie van een staat die geen lidstaat is,
verstrekt de Autoriteit Financiële Markten deze niet aan een
persoon of instantie als bedoeld in het tweede lid, tenzij de
toezichthoudende instantie waarvan de gegevens en inlichtingen zijn
verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de
gegevens en inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met
het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens en
inlichtingen zijn verstrekt.
5.De toezichthouder zendt onverwijld
nadat met inachtneming van het eerste of tweede lid met een
toezichthoudende instantie van een staat die geen lidstaat is of een
persoon of instantie als bedoeld in het tweede lid, een overeenkomst
is gesloten ten einde gegevens en inlichtingen te kunnen uitwisselen
een afschrift van de overeenkomst aan Onze Minister.
Artikel 1:66
1.Indien een herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die
geen lidstaat is bij het verrichten van diensten naar Nederland
vanuit een andere lidstaat geen gevolg geeft aan een door de
Nederlandsche Bank gegeven aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75,
stelt deze de toezichthoudende instantie van die lidstaat daarvan in
kennis.
2.Artikel 1:58, tweede en derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:67
1.Indien een clearinginstelling of
natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een andere staat geen gevolg
geeft aan een door de toezichthouder gegeven aanwijzing als bedoeld
in artikel 1:75, kan de toezichthouder indien dat noodzakelijk is,
het besluit nemen dat de betrokken clearinginstelling of
natura-uitvaartverzekeraar geen nieuwe overeenkomsten in Nederland
mag afsluiten door middel van het verrichten van diensten,
onverminderd de artikelen 1:79 en 1:80.
2.Artikel 1:58, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:68
1.De toezichthouder kan voor de
uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens of
inlichtingen, dan wel voor de uitvoering van met toezichthoudende
instanties gesloten overeenkomsten tot uitwisseling van gegevens of
inlichtingen als bedoeld in artikel 1:65, van een ieder inlichtingen
vorderen.
2.De artikelen 5:13 en 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 1.3.4. Informatieverstrekking
door toezichthouder aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen
Artikel 1:69
De Nederlandsche Bank stelt de
Commissie van de Europese Gemeenschappen in kennis van een vergunning
die ingevolge deze wet:
a. voor het uitoefenen van het
bedrijf van kredietinstelling is verleend;
b. voor het uitoefenen van het
bedrijf van herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar
is verleend aan een dochtermaatschappij van een financiële
onderneming waarop het recht van toepassing is van een staat die
geen lidstaat is.
Artikel 1:69a
De Autoriteit Financiële Markten stelt
de Commissie van de Europese Gemeenschappen desgevraagd in kennis van
een vergunning die ingevolge deze wet voor het uitoefenen van het
bedrijf van beleggingsonderneming is verleend aan een
dochtermaatschappij van een financiële onderneming waarop het recht
van toepassing is van een staat die geen lidstaat is, indien zich ten
aanzien van die staat een situatie voordoet als bedoeld in artikel 15,
tweede of derde lid, van de richtlijn markten in financiële
instrumenten.
Artikel 1:70
De Nederlandsche Bank stelt de
Commissie van de Europese Gemeenschappen in kennis van:
a. een verleende verklaring van
geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95 voor een gekwalificeerde
deelneming in een bank, beleggingsonderneming, herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar, indien door de
gekwalificeerde deelneming de bank, beleggingsonderneming,
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar een
dochteronderneming wordt van een financiële onderneming waarop
het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is; en
b. een gedane mededeling als
bedoeld in artikel 3:108, vierde lid, indien door de
gekwalificeerde deelneming de elektronischgeldinstelling een
dochteronderneming wordt van een financiële onderneming waarop
het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is;
c. een besluit tot instemming als
bedoeld in artikel 3:275, zesde of achtste lid.
Artikel 1:71
1.De toezichthouder stelt de
Commissie van de Europese Gemeenschappen in kennis van:
a. de algemene moeilijkheden die
beheerders, beleggingsondernemingen, herverzekeraars,
kredietinstellingen, levensverzekeraars of schadeverzekeraars
met zetel in Nederland ondervinden bij het uitoefenen van hun
bedrijf of het verlenen van financiële diensten vanuit een
bijkantoor in een staat die geen lidstaat is of het verrichten
van diensten naar een staat die geen lidstaat is;
b. het aantal en de aard van de
gevallen waarin de toezichthouder een door een beheerder,
beleggingsonderneming of kredietinstelling gedane aanvraag van
instemming met het voornemen als bedoeld in artikel 2:108, 2:122
of 2:127 heeft geweigerd;
c. het aantal en de aard van de
gevallen waarin hij een besluit heeft genomen als bedoeld in
artikel 1:58, tweede lid, ten aanzien van een beheerder,
beleggingsonderneming of kredietinstelling die een bijkantoor in
Nederland heeft.
2.De toezichthouder stelt de
Commissie van de Europese Gemeenschappen onverwijld in kennis van de
gevallen waarin hij ten aanzien van een beleggingsonderneming of een
marktexploitant een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel
1:58a, tweede lid, 1:58b, tweede lid, onderscheidenlijk artikel
1:58c, derde lid.
Hoofdstuk 1.4. Toezicht en handhaving
Afdeling 1.4.1. Toezicht op de naleving
Artikel 1:72
1.Met het toezicht op de naleving van
de bij en krachtens deze wet gestelde regels zijn belast de bij
besluit van de toezichthouder aangewezen personen.
2.Van een besluit als bedoeld in het
eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
Artikel 1:73
1.De personen, bedoeld in artikel
1:72, eerste lid, beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in
de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Voorzover de door de Autoriteit
Financiële Markten op grond van artikel 1:72 aangewezen personen
voor het uitoefenen van het gedragstoezicht ten aanzien van
financiële ondernemingen waaraan de Nederlandsche Bank een
vergunning heeft verleend, gegevens nodig hebben over aspecten van
de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel a
of b, maken deze personen geen gebruik van hun bevoegdheden op grond
van de artikelen 5:15, 5:16 of 5:17 van de Algemene wet
bestuursrecht, dan nadat de Nederlandsche Bank is verzocht deze
gegevens te verstrekken en is gebleken dat de Nederlandsche Bank
niet aan dit verzoek tegemoet kan komen.
3.Voorzover de door de Nederlandsche
Bank op grond van artikel 1:72 aangewezen personen voor het
uitoefenen van het prudentieel toezicht ten aanzien van financiële
ondernemingen waaraan de Autoriteit Financiële Markten een
vergunning heeft verleend, gegevens nodig hebben over aspecten van
de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 4:14, tweede lid,
onderdeel a of b, maken de door de Nederlandsche Bank op grond van
artikel 1:72 aangewezen personen geen gebruik van hun bevoegdheden
op grond van de artikelen 5:15, 5:16 of 5:17 van de Algemene wet
bestuursrecht, dan nadat de Autoriteit Financiële Markten is
verzocht deze gegevens te verstrekken en is gebleken dat de
Autoriteit Financiële Markten niet aan dit verzoek tegemoet kan
komen.
4.Van het tweede en derde lid kan, na
overleg met de andere toezichthouder, worden afgeweken indien sprake
is van een redelijk vermoeden van een overtreding van het bij of
krachtens deze wet gestelde en onverwijlde spoed, gelet op de
betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 1:74
1.De toezichthouder kan ten behoeve
van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet
gestelde regels van een ieder inlichtingen vorderen.
2.De artikelen 5:13 en 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Voorzover de Autoriteit Financiële
Markten voor het uitoefenen van het gedragstoezicht ten aanzien van
financiële ondernemingen waaraan de Nederlandsche Bank een
vergunning heeft verleend, gegevens nodig heeft over aspecten van de
bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel a en
b, vordert de Autoriteit Financiële Markten geen inlichtingen, dan
nadat de Nederlandsche Bank is verzocht deze gegevens te verstrekken
en is gebleken dat de Nederlandsche Bank niet aan dit verzoek
tegemoet kan komen.
4.Voorzover de Nederlandsche Bank
voor het uitoefenen van het prudentieel toezicht ten aanzien van
financiële ondernemingen waaraan de Autoriteit Financiële Markten
een vergunning heeft verleend, gegevens nodig heeft over aspecten
van de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 4:14, tweede lid,
onderdeel a of b,vordert de Nederlandsche Bank geen inlichtingen,
dan nadat de Autoriteit Financiële Markten is verzocht deze
gegevens te verstrekken en is gebleken dat de Autoriteit Financiële
Markten niet aan dit verzoek tegemoet kan komen.
5.Van het derde en vierde lid kan, na
overleg met de andere toezichthouder, worden afgeweken indien sprake
is van een redelijk vermoeden van een overtreding van de regels bij
of krachtens deze wet gesteld en onverwijlde spoed, gelet op de
betrokken belangen, dat vereist.
Afdeling 1.4.2. Handhaving
Artikel 1:75
1.De toezichthouder kan een hierna
bedoelde persoon die niet voldoet aan hetgeen bij of krachtens deze
wet is bepaald, door middel van het geven van een aanwijzing
verplichten om binnen een door de toezichthouder gestelde redelijke
termijn ten aanzien van in de aanwijzingsbeschikking aan te geven
punten een bepaalde gedragslijn te volgen:
a. een financiële onderneming;
b. een vertegenwoordiger van een
verzekeraar;
c. een houder van een verklaring
van geen bezwaar, ingevolge artikel 3:95, 3:96 of 5:32d;
d. een ieder die in of vanuit
Nederland bedrijfsmatig buiten besloten kring opvorderbare
gelden van anderen dan professionele marktpartijen aantrekt, ter
beschikking verkrijgt of ter beschikking heeft;
e. een ieder die in Nederland of
vanuit Nederland in een andere lidstaat als dienst van de
informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 15d, derde lid,
van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in de uitoefening van een
beroep of bedrijf als tussenpersoon werkzaamheden verricht ten
behoeve van het buiten besloten kring aantrekken of ter
beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van anderen dan
professionele marktpartijen;
f. een marktexploitant.
2.De Nederlandsche Bank kan een
aanwijzing als bedoeld in het eerste lid eveneens aan een
financiële onderneming geven indien hij tekenen ontwaart van een
ontwikkeling die het eigen vermogen, de solvabiliteit of de
liquiditeit van die financiële onderneming in gevaar kunnen
brengen.
3.Een op grond van het eerste of
tweede lid aan een persoon gegeven aanwijzing strekt niet tot
aantasting van overeenkomsten tussen die persoon en derden.
Artikel 1:76
1.De toezichthouder kan besluiten een
of meer personen te benoemen als curator ten aanzien van alle of
bepaalde organen of vertegenwoordigers van een financiële
onderneming indien die financiële onderneming niet voldoet aan
hetgeen ingevolge deze wet is bepaald.
2.Het besluit ingevolge het eerste
lid wordt slechts genomen:
a. nadat door de financiële
onderneming niet of niet volledig binnen de gestelde termijn aan
een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75, eerste lid, gevolg
is gegeven; of
b. indien de in het eerste lid
bedoelde overtreding een adequate functionering van de
financiële onderneming ernstig in gevaar brengt en die
financiële onderneming voorafgaand in de gelegenheid is gesteld
haar zienswijze naar voren te brengen over het voorgenomen
besluit; of
c. indien de in het eerste lid
bedoelde overtreding de belangen van consumenten of, indien het
financiële instrumenten of verzekeringen betreft, de belangen
van cliënten met uitzondering van professionele beleggers
ernstig in gevaar brengt en die financiële onderneming
voorafgaand in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar
voren te brengen over het voorgenomen besluit.
3.Onverminderd het eerste en tweede
lid kan de Nederlandsche Bank besluiten een of meer personen te
benoemen als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen of
vertegenwoordigers van een financiële onderneming indien hij bij
die financiële onderneming tekenen ontwaart van een ontwikkeling
die het eigen vermogen, de solvabiliteit, of de liquiditeit van die
financiële onderneming in gevaar kunnen brengen.
4.Het besluit ingevolge het derde lid
wordt slechts genomen:
a. nadat door de financiële
onderneming niet of niet volledig binnen de gestelde termijn aan
een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75, tweede lid, gevolg
is gegeven; of
b. indien onverwijld ingrijpen
noodzakelijk is en de financiële onderneming voorafgaand in de
gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen
over het voorgenomen besluit.
5.Het benoemingsbesluit bevat onder
meer een beschrijving van de belangen waardoor de curator zich dient
te laten leiden. De toezichthouder benoemt de curator voor ten
hoogste twee jaren, met de mogelijkheid om deze termijn telkens voor
ten hoogste een jaar te verlengen; de verlenging wordt terstond van
kracht. Met ingang van het tijdstip waarop het besluit tot benoeming
van de curator aan de financiële onderneming is bekendgemaakt mogen
de desbetreffende organen of vertegenwoordigers hun bevoegdheden
slechts uitoefenen na goedkeuring door de curator en met
inachtneming van de opdrachten van de curator.
6.Na de benoeming van een curator:
a. verlenen de organen en de
vertegenwoordigers van de financiële onderneming de curator
alle medewerking;
b. kan de toezichthouder de
betrokken organen of vertegenwoordigers van de financiële
onderneming toestaan bepaalde rechtshandelingen zonder
goedkeuring te verrichten;
c. kan de toezichthouder te allen
tijde de door hem aangewezen curator vervangen;
d. is voor schade ten gevolge van
handelingen, die zijn verricht in strijd met een besluit als
bedoeld in het eerste of derde lid, elke persoon die deel
uitmaakt van het orgaan van de financiële onderneming dat deze
handelingen verrichtte, hoofdelijk aansprakelijk tegenover de
financiële onderneming, tenzij het verrichten van deze
handelingen niet aan hem is te verwijten en hij niet nalatig is
geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af
te wenden;
e. zijn de handelingen, bedoeld
in onderdeel d, voorzover deze rechtshandelingen zijn,
vernietigbaar, indien de wederpartij wist of behoorde te weten
dat de vereiste goedkeuring ontbrak.
7.Zodra de omstandigheid, bedoeld in
het eerste of derde lid niet langer aanwezig is, trekt de
toezichthouder het besluit tot benoeming van de curator in. De
toezichthouder maakt het besluit tot intrekking onverwijld bekend
aan de financiële onderneming.
8.Het eerste, tweede en vijfde tot en
met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing op een ieder die
in of vanuit Nederland bedrijfsmatig buiten besloten kring
opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen
aantrekt, ter beschikking verkrijgt of ter beschikking heeft.
Artikel 1:77
1.Indien een financiële onderneming
ten aanzien waarvan de toezichthouder heeft ingestemd met een
voornemen als bedoeld in artikel 2:107, 2:108, 2:111, 2:112, 2:115,
2:117, 2:118, 2:121, 2:122, 2:127, of 2:130 van de toezichthouder
een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75 heeft gekregen met
betrekking tot de bedrijfsvoering of haar financiële positie, en
die financiële onderneming hieraan niet of onvoldoende gevolg heeft
gegeven, kan de toezichthouder besluiten er niet langer mee in te
stemmen dat die financiële onderneming vanuit het bijkantoor of
door middel van het verrichten van diensten haar bedrijf uitoefent
of financiële diensten verleent in de andere lidstaat. De
toezichthouder doet mededeling van dit besluit aan de
toezichthoudende instantie van de betrokken lidstaat. Vanaf het
tijdstip van deze mededeling is het de financiële onderneming
verboden nog langer vanuit het bijkantoor of door middel van het
verrichten van diensten haar bedrijf uit te oefenen of diensten te
verlenen in de andere lidstaat.
2.Indien een verzekeraar een
aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75 heeft gekregen met betrekking
tot de betrouwbaarheid of deskundigheid van de vertegenwoordiger van
de verzekeraar of van een persoon die het dagelijks beleid van die
verzekeraar bepaalt, en de verzekeraar hieraan niet of onvoldoende
gevolg heeft gegeven, is het eerste lid van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 1:78
1.Indien een accountant of actuaris
niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze zijn taak met
betrekking tot de financiële onderneming naar behoren zal kunnen
vervullen, kan de toezichthouder ten aanzien van deze accountant of
actuaris bepalen dat hij niet langer bevoegd is de in deze wet
bedoelde verklaringen met betrekking tot die financiële onderneming
af te leggen.
2.De toezichthouder maakt het
besluit, bedoeld in het eerste lid, bekend aan de financiële
onderneming.
Artikel 1:79
1. De toezichthouder kan een last
onder dwangsom opleggen terzake van een overtreding van:
a. voorschriften, gesteld
ingevolge de in de bijlage bij dit artikel genoemde artikelen;
b. de prospectusverordening;
c. verordening (EG) nr. 2560/2001
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
19 december 2001 betreffende grensoverschrijdende betalingen in
euro (PbEG L 344); en
d. artikel 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de uitoefening van de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 1:80
1. De toezichthouder kan een
bestuurlijke boete opleggen terzake van overtreding van:
a. voorschriften, gesteld
ingevolge de in de bijlage bij dit artikel genoemde artikelen;
b. de prospectusverordening;
c. verordening (EG) nr. 2560/2001
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
19 december 2001 betreffende grensoverschrijdende betalingen in
euro (PbEG L 344); en
d. artikel 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht.
2. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de uitoefening van
de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 1:81
1. Het bedrag van de bestuurlijke
boete wordt bepaald bij algemene maatregel van bestuur, met dien
verstande dat de bestuurlijke boete voor een afzonderlijke
overtreding ten hoogste € 4 000 000 bedraagt. Indien tijdens het
plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert
het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake
van eenzelfde overtreding, wordt het bedrag van de bestuurlijke
boete, bedoeld in de eerste volzin, voor een afzonderlijke
overtreding verdubbeld.
2. De algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in het eerste lid, bepaalt bij elke daarin omschreven
overtreding het bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke
boete. De overtredingen worden gerangschikt in categorieën naar
zwaarte van de overtreding met de daarbij behorende basisbedragen,
minimumbedragen en maximumbedragen. Daarbij wordt de volgende
indeling gebruikt:
|
Categorie |
Basisbedrag |
Minimumbedrag |
Maximumbedrag |
|
1 |
€ 10 000,– |
€ 0,– |
€ 10 000,– |
|
2 |
€ 500 000,– |
€ 0,– |
€ 1 000 000,– |
|
3 |
€ 2 000 000,– |
€ 0,– |
€ 4 000 000,– |
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid kan de toezichthouder de hoogte van de bestuurlijke
boete vaststellen op ten hoogste twee keer het bedrag van het
voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen
indien diens voordeel groter is dan € 2 000 000.
Artikel 1:82 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 1:83 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 1:84 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 1:85
1. Indien tegen een besluit tot het
opleggen van een bestuurlijke boete bezwaar of beroep wordt
aangetekend, schorst dit de verplichting tot betaling van de boete
totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is
ingesteld, op het beroep is beslist.
2. De schorsing van de verplichting
tot betaling schorst niet de berekening van de wettelijke rente.
Artikel 1:86 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 1:87 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 1:88 [Vervallen per 01-07-2009]
Hoofdstuk 1.5. Geheimhoudingsplicht,
uitzonderingen dienaangaande en publicatiemogelijkheden
Afdeling 1.5.1. Geheimhoudingsplicht en
uitzonderingen dienaangaande
Artikel 1:89
1.Het is een ieder die uit hoofde van
de toepassing van deze wet of van ingevolge deze wet genomen
besluiten enige taak vervult of heeft vervuld, verboden van
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die ingevolge deze wet dan
wel ingevolge afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn
verstrekt of verkregen of van een persoon of instantie als bedoeld
in artikel 1:90, eerste lid, onderscheidenlijk 1:91, eerste lid,
zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder
of anders bekendheid te geven dan voor de uitvoering van zijn taak
of door deze wet wordt geëist.
2.In afwijking van het eerste lid kan
de toezichthouder met gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen verkregen bij de uitvoering van zijn taak op grond van
deze wet, mededelingen doen, indien deze niet kunnen worden herleid
tot afzonderlijke personen.
Artikel 1:90
1.De toezichthouder kan, in afwijking
van artikel 1:89, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen verkregen bij de uitvoering van zijn taak op grond van
deze wet, verstrekken aan de andere toezichthouder of een
toezichthoudende instantie in een andere lidstaat, tenzij:
a. het doel waarvoor de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt
onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet past in het kader
van het toezicht op financiële markten of op personen die op
die markten werkzaam zijn;
c. de verstrekking van de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen
met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate
is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd
is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te
beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat
de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet zullen worden
gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
2.Voorzover de gegevens of
inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn verkregen van een
toezichthoudende instantie in een andere lidstaat, verstrekt de
toezichthouder deze niet aan de andere toezichthouder of aan een
andere toezichthoudende instantie in een andere lidstaat, tenzij de
toezichthoudende instantie in een andere lidstaat waarvan de
gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft
ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in
voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel
dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
3.Indien een toezichthoudende
instantie in een andere lidstaat aan de toezichthouder die de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond van het eerste of
tweede lid heeft verstrekt, verzoekt om die vertrouwelijke gegevens
of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor
zij zijn verstrekt, willigt de toezichthouder dat verzoek slechts
in:
a. indien het beoogde gebruik
niet in strijd is met het eerste of tweede lid; of
b. voorzover die toezichthoudende
instantie op een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit
Nederland met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke
procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens
of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en
c. na overleg met Onze Minister
van Justitie indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking
heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.
4.De Autoriteit Financiële Markten
dan wel het organisatieonderdeel van de Nederlandsche Bank dat is
belast met de in artikel 1:24 genoemde taak kan vertrouwelijke
informatie of gegevens verstrekken aan het organisatieonderdeel van
de Nederlandsche Bank dat is belast met het vervullen van haar
monetaire taak, voorzover de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
dienstig zijn voor de uitoefening van die taak.
5.Het eerste tot en met derde lid is
van overeenkomstige toepassing op het uitwisselen van vertrouwelijke
gegevens of inlichtingen tussen de met verschillende taken belaste
organisatieonderdelen van de toezichthouder. De toezichthouder
waarborgt dat bovenstaande informatie-uitwisseling plaatsvindt met
inachtneming van het geheimhoudingsregime dat ingevolge Europese
richtlijnen op de desbetreffende gegevens of inlichtingen van
toepassing is.
Artikel 1:91
1.De toezichthouder kan, in afwijking
van artikel 1:89, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen verkregen bij de uitvoering van de hem ingevolge deze
wet opgedragen taak, verstrekken aan een persoon als bedoeld in de
onderdelen a, b, c, d, e, of f voorzover de gegevens of inlichtingen
dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taak:
a. een rechter-commissaris die
ingevolge artikel 3:162, vierde lid, is benoemd;
b. een bewindvoerder die
ingevolge artikel 3:162, vierde lid, is benoemd;
c. een rechter-commissaris die
ingevolge artikel 223a van de Faillissementswet is benoemd;
d. een bewindvoerder die
ingevolge artikel 215, tweede lid, van de Faillissementswet is
benoemd;
e. een rechter-commissaris die
ingevolge artikel 14 van de Faillissementswet is benoemd;
f. een curator die ingevolge
artikel 14 van de Faillissementswet is aangesteld.
2.De toezichthouder verstrekt geen
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste
lid:
a. indien de verstrekking van de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd
is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te
beschermen;
b. indien de vertrouwelijke
gegevens of inlichtingen zijn verkregen van de andere
toezichthouder of een toezichthoudende instantie, en deze andere
toezichthouder of die toezichthoudende instantie niet instemt
met het verstrekken van de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen.
3.De curator die is aangesteld in het
faillissement van een beleggingsonderneming of marktexploitant kan,
in afwijking van artikel 1:89, eerste lid, vertrouwelijke gegevens
of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid verstrekken aan de
rechtbank, voorzover die geen betrekking hebben op derden en dit
voor de afwikkeling van het faillissement nodig is.
4.De curator die is aangesteld in het
faillissement van een financiële onderneming, niet zijnde een
beleggingsonderneming of marktexploitant, kan, in afwijking van
artikel 1:89, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
als bedoeld in het eerste lid verstrekken aan de rechtbank,
voorzover die geen betrekking hebben op een onderneming die
betrokken is of betrokken is geweest bij een poging de failliete
onderneming in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten.
5.Artikel 1:89, eerste lid, laat
onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering welke betrekking hebben op het als
getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als
deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent
gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn
ingevolge deze wet opgedragen taak, voorzover het gaat om
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen omtrent een financiële
onderneming die in staat van faillissement is verklaard of op grond
van een rechterlijke uitspraak is ontbonden.
6.Bij een faillissement of
gerechtelijke ontbinding van een beleggingsonderneming of
marktexploitant is het vijfde lid niet van toepassing op
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op
derden. Bij een faillissement of gerechtelijke ontbinding van een
financiële onderneming, niet zijnde een beleggingsonderneming of
marktexploitant, is het vijfde lid niet van toepassing op
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op een
onderneming die betrokken is of betrokken is geweest bij een poging
de desbetreffende onderneming in staat te stellen haar bedrijf voort
te zetten.
Artikel 1:92
1.De toezichthouder kan, in afwijking
van artikel 1:89, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen verkregen bij de uitvoering van de hem ingevolge deze
wet opgedragen taak, verstrekken aan een instantie die is belast met
de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden of aan een
deskundige die door een dergelijke instantie met een opdracht is
belast, voorzover de verlangde gegevens of inlichtingen noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van die opdracht.
2.Indien de instantie, bedoeld in het
eerste lid, het voornemen heeft toepassing te geven aan de
bevoegdheid tot het bij de toezichthouder vorderen van de
uitlevering van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp of aan de
bevoegdheid tot het vorderen van de inzage of een afschrift van
bescheiden als bedoeld in artikel 96a, 105 of 126a van het Wetboek
van Strafvordering, of artikel 18 of 19 van de Wet op de economische
delicten, en de vordering betreft vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen als bedoeld in artikel 1:89, eerste lid, stelt die
instantie voorafgaand aan de uitoefening van haar bevoegdheid de
toezichthouder in de gelegenheid zijn zienswijze hierover kenbaar te
maken.
Artikel 1:93
1.De toezichthouder kan, in afwijking
van artikel 1:89, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze
wet opgedragen taak, verstrekken aan:
a. de Europese Centrale Bank, een
buitenlandse nationale centrale bank of een andere buitenlandse
instantie die is belast met een soortgelijke taak, handelend in
haar hoedanigheid van monetaire autoriteit, voorzover de
gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van
haar monetaire taak;
b. een accountant die is belast
met de wettelijke controle van de jaarrekening van een
financiële onderneming, voorzover de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen betrekking hebben op die financiële onderneming en
noodzakelijk zijn voor de controle;
c. een actuaris die is belast met
de wettelijke controle van een financiële onderneming,
voorzover de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen betrekking
hebben op die financiële onderneming en noodzakelijk zijn voor
de controle;
d. de marktexploitant, de
beleggingsonderneming die een multilaterale handelsfaciliteit
exploiteert of de houder van een met een gereglementeerde markt
of een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit
een staat die geen lidstaat is met het oog op de controle op de
naleving van de voor die markt te hanteren regels; of
e. de Nederlandse Zorgautoriteit,
voorzover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de
uitoefening van haar wettelijke taken.
2.De toezichthouder verstrekt geen
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond van het eerste lid
indien:
a. het doel waarvoor de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt
onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet past in het kader
van het toezicht op financiële markten of op personen die op
die markten werkzaam zijn;
c. de verstrekking van de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen
met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate
is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd
is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te
beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat
de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet zullen worden
gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
3.Voorzover de gegevens of
inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn verkregen van een
toezichthoudende instantie, verstrekt de toezichthouder deze niet
aan de andere toezichthouder of aan een andere toezichthoudende
instantie, tenzij de toezichthoudende instantie waarvan de gegevens
of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de
verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval
heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de
gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
4.Indien een instantie of persoon als
bedoeld in het eerste lid aan de toezichthouder die de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond van dat lid heeft
verstrekt, verzoekt om die vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn
verstrekt, willigt de toezichthouder dat verzoek slechts in:
a. indien het beoogde gebruik
niet in strijd is met het eerste, tweede of derde lid; of
b. voorzover die instantie of
persoon op een andere wijze dan in deze wet voorzien met
inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke procedures voor
dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen
zou kunnen verkrijgen; en
c. na overleg met Onze Minister
van Justitie indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking
heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.
Artikel 1:93a
Indien de Nederlandsche Bank ingevolge
afdeling 3.6.2 toezicht houdt op geconsolideerde basis op een
Nederlandse beleggingsonderneming of Nederlandse kredietinstelling
brengt zij Onze Minister en de instanties, bedoeld in artikel 1:93,
eerste lid, onderdeel a, voor zover betrokken, onverwijld op de hoogte
van noodsituaties met betrekking tot financiële ondernemingen die in
het geconsolideerde toezicht zijn betrokken die de stabiliteit van het
financiële stelsel in de lidstaat waar deze laatste ondernemingen hun
zetel hebben, kunnen aantasten.
Artikel 1:93b
1.De Autoriteit Financiële Markten
kan, indien zij is aangewezen als contactpunt als bedoeld in artikel
56, eerste lid, derde volzin, van de richtlijn markten voor
financiële instrumenten, in afwijking van artikel 1:90, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering
van haar taak als contactpunt, verstrekken aan de Nederlandsche
Bank.
2.Voorzover de gegevens of
inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn verkregen van een
toezichthoudende instantie in een andere lidstaat, verstrekt de
Autoriteit Financiële Markten deze niet aan instanties of personen
als bedoeld in artikel 1:91, eerste lid, onderdelen a tot en met f,
artikel 1:92, eerste lid, en 1:93, eerste lid, onderdelen a tot en
met e, tenzij de desbetreffende toezichthoudende instantie waarvan
de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft
ingestemd met de verstrekking van de gegevens en in voorkomend geval
heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de
gegevens of inlichtingen zijn verstrekt. De Autoriteit Financiële
Markten kan de gegevens of inlichtingen in naar behoren gemotiveerde
omstandigheden ook zonder de uitdrukkelijke instemming van de
desbetreffende toezichthoudende instantie voor een ander doel dan
waarvoor zij zijn verstrekt, verstrekken aan de in de vorige volzin
bedoelde personen of instanties. In dit laatste geval stelt de
Autoriteit Financiële Markten de toezichthoudende instantie waarvan
de gegevens of inlichtingen zijn verkregen hiervan terstond in
kennis.
Afdeling 1.5.2. Publicatiemogelijkheden
van de toezichthouders
Artikel 1:94
De toezichthouder kan een openbare
waarschuwing uitvaardigen, indien nodig onder vermelding van de
overwegingen die tot die waarschuwing hebben geleid, bij overtreding
van een verbodsbepaling uit deze wet of van artikel 1:58, tweede lid,
1:58a, tweede lid, 1:58b, tweede lid, 1:58c, derde lid, 1:59, tweede
lid, 1:67, eerste lid, 1:77, eerste lid, derde volzin, 4:4, eerste
lid, of 4:4a.
Artikel 1:95
1.De toezichthouder stelt, indien hij
besluit een openbare waarschuwing uit te zullen vaardigen als
bedoeld in artikel 1:94 de betrokken persoon in kennis van het
besluit.
2.Het besluit vermeldt in ieder geval
de geconstateerde overtreding, de inhoud van de openbaarmaking, de
gronden waarop het besluit berust alsmede de wijze waarop en de
termijn waarna de openbare waarschuwing zal worden uitgevaardigd.
3.Onverminderd het bepaalde in
artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht kan de toezichthouder
de toepassing van artikel 4:8 van die wet achterwege laten, indien
van de betrokken persoon geen adres bekend is en het adres ook niet
met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
Artikel 1:96
1.Het uitvaardigen van een openbare
waarschuwing als bedoeld in artikel 1:94 geschiedt niet eerder dan
nadat vijf werkdagen zijn verstreken na de dag waarop de betrokken
persoon overeenkomstig artikel 1:95 in kennis is gesteld van het
besluit.
2.Indien wordt verzocht om een
voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene
wet bestuursrecht, wordt de werking van het besluit opgeschort
totdat er een uitspraak is van de voorzieningenrechter.
3.Indien bescherming van de belangen
die deze wet beoogt te beschermen geen uitstel toelaat, kan de
toezichthouder, in afwijking van de voorgaande leden, onverwijld een
openbare waarschuwing uitvaardigen.
Artikel 1:97
1. De toezichthouder maakt een
besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete ingevolge deze
wet na bekendmaking openbaar, indien de bestuurlijke boete is
opgelegd terzake overtreding van:
a. een verbodsbepaling uit deze
wet of ingevolge artikel 1:58, tweede lid, 1:58a, tweede lid,
1:58b, tweede lid, 1:58c, derde lid, 1:59, tweede lid, 1:67,
eerste lid, 1:77, eerste lid, derde volzin, 4:4, eerste lid, of
4:4a;
b. een overige bepaling die in de
algemene maatregel van bestuur op basis van artikel 1:81, eerste
lid, beboetbaar is gesteld met tariefnummer 3; of
c. artikel 2:10, vierde lid,
2:15, tweede lid, 2:18, tweede lid, 2:25, tweede lid, 2:26,
2:36, vijfde lid, 2:45, vierde lid, 2:54, vierde lid, 2:100,
tweede lid, 2:103, 2:107, eerste lid, 3:5, vierde lid, 3:8, 3:9,
eerste lid, 3:35, 3:39, eerste lid, 3:47, eerste lid, 3:53,
eerste lid, 3:57, eerste lid, 3:57, vijfde lid, 3:63, eerste
lid, 3:63, derde lid, 3:67, eerste tot en met derde lid, 3:68,
eerste en derde lid, 3:69, eerste lid, 3:72, vijfde lid, 3:99,
eerste lid, 3:111a, eerste lid en tweede lid, 3:135, eerste lid,
3:138, eerste lid, 3:139, eerste lid, 3:141, eerste lid, 3:144,
eerste lid, 3:145, eerste lid, 3:146, eerste lid, 3:148, eerste
lid, 3:153, 3:259 eerste en tweede lid, 3:271, 3:272, eerste
lid, 3:285, eerste en tweede lid, 3:286, eerste en tweede lid,
3:296, eerste en derde lid, 4:4, eerste lid, 4:9, eerste lid,
4:10, eerste lid, 4:19, 4:20, 4:22, 4:23, 4:24, 4:31, eerste
lid, 4:42, 4:49, eerste lid, 4:50, tweede lid, 4:53, 4:56,
eerste lid, 4:59, tweede lid, 4:60, vijfde lid, 4:87, 4:94,
derde lid, 4:95, derde lid, 4:96, eerste en tweede lid, 4:100,
derde lid, 5:26, eerste lid, 5:34, eerste en tweede lid, 5:35,
eerste tot en met vierde lid, 5:38, eerste en tweede lid, 5:39,
eerste lid, 5:40, 5:41, eerste en tweede lid, 5:42, 5:43, eerste
en tweede lid, 5:48, derde tot en met achtste lid, 5:60, eerste
lid, 5:62, eerste lid, of 5:64, eerste lid.
2. De openbaarmaking van het besluit
tot het opleggen van een bestuurlijke boete geschiedt niet eerder
dan nadat vijf werkdagen zijn verstreken na de dag waarop het
besluit aan de betrokken persoon bekend is gemaakt.
3. Indien wordt verzocht om een
voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene
wet bestuursrecht, wordt de openbaarmaking van het besluit
opgeschort totdat er een uitspraak is van de voorzieningenrechter.
4. Indien de openbaarmaking van het
besluit in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het door
de toezichthouder uit te oefenen toezicht op de naleving van deze
wet blijft deze achterwege.
Artikel 1:98
Onverminderd artikel 1:97 maakt de
toezichthouder een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete
ingevolge deze wet openbaar, nadat het rechtens onaantastbaar is
geworden, tenzij de openbaarmaking van het besluit in strijd is of zou
kunnen komen met het doel van het door de toezichthouder uit te
oefenen toezicht op de naleving van deze wet.
Artikel 1:99
1.De toezichthouder maakt een besluit
tot het opleggen van een last onder dwangsom ingevolge deze wet
openbaar wanneer een dwangsom wordt verbeurd, tenzij de
openbaarmaking van het besluit in strijd is of zou kunnen komen met
het doel van het door de toezichthouder uit te oefenen toezicht op
de naleving van deze wet.
2.Indien wordt verzocht om een
voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene
wet bestuursrecht, wordt de openbaarmaking van het besluit
opgeschort totdat er een uitspraak is van de voorzieningenrechter.
Artikel 1:100
Indien bescherming van de belangen die
deze wet beoogt te beschermen geen uitstel toelaat, kan de
toezichthouder, in afwijking van artikel 1:97, tweede en derde lid,
1:98, of 1:99, eerste en tweede lid, onverwijld overgaan tot
openbaarmaking van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke
boete onderscheidenlijk een last onder dwangsom.
Artikel 1:101
1.Indien wordt verzocht om een
voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene
wet bestuursrecht tegen een besluit als bedoeld in de artikelen
1:94, 1:97, eerste lid, en 1:99, eerste lid, vindt het onderzoek ter
zitting plaats met gesloten deuren.
2.Indien de voorzieningenrechter een
publicatieverbod van een besluit als bedoeld in de artikelen 1:94,
1:97, eerste lid, en 1:99, eerste lid, heeft opgelegd, vindt het
horen van belanghebbenden terzake van het bezwaar niet in het
openbaar plaats.
3.Indien de voorzieningenrechter een
publicatieverbod van een besluit als bedoeld in de artikelen 1:94,
1:97, eerste lid, en 1:99, eerste lid, heeft opgelegd, en beroep
wordt ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar tegen dat
besluit, vindt het onderzoek ter zitting plaats met gesloten deuren.
Hoofdstuk 1.6. Procedures
Afdeling 1.6.1. Vergunningen
Artikel 1:102
1.Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop
de aanvraag wordt ingediend.
2.Aan de vergunning kunnen
voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld met het
oog op de belangen die het desbetreffende deel beoogt te beschermen.
3.De toezichthouder beslist binnen
dertien weken na ontvangst op de aanvraag.
4.De toezichthouder bericht de
aanvrager onverwijld van de ontvangst van de aanvraag.
Artikel 1:103
1.In afwijking van artikel 1:102,
derde lid, houdt de toezichthouder de beslissing op een aanvraag tot
het verlenen van een vergunning aan, indien er tevens een aanvraag
tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in
artikel 3:95, eerste lid, onderdeel b of c, is ingediend, uiterlijk
tot zes weken na het tijdstip waarop de beschikking inzake de
verklaring van geen bezwaar is bekendgemaakt. Indien binnen die
termijn een verzoek om voorlopige voorziening terzake van die
beschikking is gedaan, houdt de toezichthouder de beslissing aan tot
twee weken na het tijdstip waarop op dat verzoek is beslist.
2.Ongeacht of toepassing is gegeven
aan het eerste lid, neemt de toezichthouder in elk geval binnen zes
maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit omtrent de
vergunning.
Artikel 1:104
1. De toezichthouder kan een door hem
verleende vergunning wijzigen, geheel of gedeeltelijk intrekken of
beperken, dan wel daaraan nadere voorschriften verbinden, indien:
a. de vergunninghouder daartoe
een aanvraag heeft ingediend;
b. de vergunninghouder, naar
later blijkt, bij de aanvraag van de vergunning onjuiste of
onvolledige gegevens heeft verstrekt, en kennis omtrent de
juiste en volledige gegevens tot een andere beslissing zou
hebben geleid;
c. de vergunninghouder
omstandigheden of feiten heeft verzwegen op grond waarvan, zo
zij voor het tijdstip waarop de vergunning werd verleend zich
hadden voorgedaan of bekend waren geweest, de vergunning zou
zijn geweigerd;
d. de vergunninghouder niet meer
voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel
niet meer voldoet aan de aan de vergunning verbonden
voorschriften of gestelde beperkingen;
e. de vergunninghouder geen
gebruik van de vergunning heeft gemaakt binnen een termijn van
twaalf maanden na vergunningverlening;
f. de vergunninghouder de
vergunningplichtige activiteit heeft beëindigd, een
beleggingsonderneming of een betaalinstelling is die haar
bedrijf gedurende meer dan zes maanden heeft gestaakt of een
entiteit voor risico-acceptatie is die haar bedrijf waarvoor zij
een vergunning heeft, gedurende meer dan zes maanden heeft
gestaakt, een levensverzekeraar dan wel schadeverzekeraar is die
zijn bedrijf in een branche waarvoor hij een vergunning heeft,
gedurende meer dan zes maanden heeft gestaakt, een
natura-uitvaartverzekeraar is die zijn bedrijf waarvoor hij een
vergunning heeft, gedurende meer dan zes maanden heeft gestaakt
of een herverzekeraar is die zijn bedrijf in een
herverzekeringsactiviteit waarvoor hij een vergunning heeft,
gedurende meer dan zes maanden heeft gestaakt;
g. de vergunninghouder de
onderneming ten behoeve waarvan de vergunning is verleend,
geheel of gedeeltelijk overdraagt;
h. de vergunninghouder overlijdt
indien het een natuurlijke persoon betreft of wordt ontbonden
indien het een rechtspersoon of personenvennootschap betreft;
i. uit de verklaring omtrent de
getrouwheid, deel uitmakende van de overige gegevens, bedoeld in
artikel 3:71, eerste lid, of de verklaring, bedoeld in de
artikelen 3:72, zevende lid, 3:81, derde lid, of 3:86, eerste of
tweede lid, niet blijkt dat de jaarrekening of de staten bedoeld
in artikel 3:72, eerste of derde lid, een getrouw beeld geeft of
geven van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de
onderneming en van het resultaat over het desbetreffende
boekjaar;
j. de vergunninghouder in staat
van faillissement is komen te verkeren of ten aanzien van hem de
schuldsanering natuurlijke personen van toepassing is verklaard,
indien door een rechterlijke beschikking een of meer goederen
van de vergunninghouder onder bewind zijn gesteld als bedoeld in
artikel 380, 409 of 431 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of
indien de ondercuratelestelling van de vergunninghouder is
uitgesproken;
k. de vergunninghouder een
betaalinstelling is die uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven
haar bedrijf niet of niet langer te zullen uitoefenen; of
l. de vergunninghouder een
betaalinstelling is die door de voortzetting van het uitoefenen
van haar bedrijf een bedreiging vormt voor de stabiliteit van
het betalingssysteem.
2. De toezichthouder trekt de door
hem verleende vergunning in indien:
a. een machtiging bedoeld in
artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel b, is verleend,
op het tijdstip waarop die machtiging is verleend, of zo spoedig
mogelijk daarna, voorzover de onderneming onmiddellijk
voorafgaand aan dat tijdstip nog een vergunning had;
b. een machtiging bedoeld in
artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel c, is verleend,
op het tijdstip waarop tijdens de noodregeling voor de eerste
keer activa van de onderneming te gelde worden gemaakt met het
oogmerk de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers,
aandeelhouders of leden, of zo spoedig mogelijk na bedoeld
tijdstip, voorzover de onderneming onmiddellijk voorafgaand aan
het voor de eerste keer te gelde maken nog een vergunning had;
of
c. hij heeft ingestemd met een
portefeuilleoverdracht als bedoeld in de artikelen 3:112, 3:113
en 3:114.
3. De toezichthouder kan bij het
besluit tot intrekking van een vergunning tevens bepalen dat de
financiële onderneming binnen een door de toezichthouder te stellen
termijn het bedrijf geheel of gedeeltelijk afwikkelt. Bij een
afwikkeling, al dan niet bepaald door de toezichthouder, wordt de
financiële onderneming of de curator in faillissement van de
financiële onderneming aangemerkt als vergunninghoudende
onderneming.
Artikel 1:105
1.Het bij of krachtens deze afdeling
met betrekking tot een vergunning bepaalde is van overeenkomstige
toepassing op:
a. een verklaring van
ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110;
b. een verklaring van geen
bezwaar als bedoeld in de artikelen 3:95, 3:96 en 5:32;
c. een ontheffing als bedoeld in
de artikelen 2:23, 2:55, 2:60, 2:65, 2:75, 2:80, 2:86, 2:92,
2:96, 3:5, 3:6, 3:7, 4:3, 5:26 en 5:81, voor zover het een
ontheffing betreft van artikel 5:74, eerste lid, of artikel
5:79, met dien verstande dat de ontheffing ook geheel of
gedeeltelijk kan worden verleend; en
d. een instemming als bedoeld in
artikel 3:116 met dien verstande dat indien een toezichthoudende
instantie van een andere lidstaat advies of instemming over de
voorgenomen overdracht geeft, de beslistermijn wordt opgeschort
met maximaal de termijn die die toezichthoudende instantie ter
beschikking staat ingevolge artikel 3:118, vijfde lid.
2.Op een andere ontheffing dan
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is artikel 1:102, eerste
lid, van overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de voorschriften die
aan deze ontheffing kunnen worden verbonden. Deze ontheffing kan
worden ingetrokken.
Artikel 1:106
1.Ter uitvoering van een daartoe
strekkend bindend besluit van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen of van de Raad van de Europese Unie met betrekking
tot een staat die geen lidstaat is, schort de toezichthouder
respectievelijk Onze Minister, in afwijking van artikel 1:102,
geheel of gedeeltelijk op:
a. de behandeling van aanvragen
van een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van
kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar of
voor het verlenen van financiële diensten als beheerder of
beleggingsonderneming, die rechtstreeks of middellijk zijn
ingediend door financiële ondernemingen waarop het recht van
toepassing is van een staat die geen lidstaat is;
b. de behandeling van aanvragen
van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95
die rechtstreeks of middellijk zijn ingediend door financiële
ondernemingen waarop het recht van toepassing is van een staat
die geen lidstaat is;
c. de behandeling van
kennisgevingen als bedoeld in artikel 3:103 die rechtstreeks of
middellijk zijn ingediend door financiële ondernemingen waarop
het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing op:
a. aanvragen van een vergunning
ten behoeve van het oprichten van dochtermaatschappijen die
tevens dochtermaatschappijen zijn van een financiële
onderneming die in een lidstaat een vergunning heeft voor het
uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling,
levensverzekeraar, schadeverzekeraar of voor het verlenen van
financiële diensten als beheerder of beleggingsonderneming;
b. aanvragen voor een verklaring
van geen bezwaar voor gekwalificeerde deelnemingen die tevens
gekwalificeerde deelnemingen zijn van een financiële
onderneming die in een lidstaat een vergunning heeft voor het
uitoefenen van een bedrijf van kredietinstelling,
levensverzekeraar, schadeverzekeraar of voor het verlenen van
financiële diensten als beheerder of beleggingsonderneming;
c. kennisgevingen van een
voornemen van een gekwalificeerde deelneming in een
elektronischgeldinstelling die tevens gekwalificeerde
deelnemingen zijn van een financiële onderneming die in een
lidstaat een vergunning heeft voor het uitoefenen van een
bedrijf van kredietinstelling, levensverzekeraar,
schadeverzekeraar of voor het verlenen van financiële diensten
als beheerder of beleggingsonderneming.
3.Indien in een staat die geen
lidstaat is de markttoegang en de concurrentiemogelijkheden voor
financiële ondernemingen met zetel in een lidstaat beperkter zijn
dan voor financiële ondernemingen met een zetel in een staat die
geen lidstaat is, stelt de toezichthouder de Commissie van de
Europese Gemeenschappen desgevraagd in kennis van:
a. aanvragen voor een vergunning
voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling,
levensverzekeraar, schadeverzekeraar of voor het verlenen van
financiële diensten als beheerder of beleggingsonderneming, die
rechtstreeks of middellijk zijn ingediend door een financiële
onderneming waarop het recht van toepassing is van de staat die
geen lidstaat is;
b. aanvragen voor een verklaring
van geen bezwaar voor gekwalificeerde deelnemingen in een bank,
beheerder of beleggingsonderneming, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar die rechtstreeks of middellijk zijn ingediend
door financiële ondernemingen waarop het recht van toepassing
is van de staat die geen lidstaat is, ten gevolge waarvan die
bank, beleggingsonderneming, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar dochtermaatschappij zou worden van de
aanvrager.
Afdeling 1.6.2. Registratie
Artikel 1:107
1. Er is een openbaar register dat
wordt gehouden door de registerhouder en in ieder geval wordt
gepubliceerd op een daartoe geschikte website. De registerhouder
draagt zorg voor het goed functioneren van het register en verricht
de inschrijving en doorhaling daarin op zodanige wijze dat uit het
register is op te maken vanaf welk tijdstip, welke activiteiten de
ingeschreven financiële ondernemingen mogen verrichten, met
inbegrip van de eventueel gestelde beperkingen, alsmede de staat van
de zetel.
2. De registerhouder draagt
onverwijld zorg voor de inschrijving van:
a. financiële ondernemingen:
1°. waaraan een vergunning
ingevolge deze wet of een ontheffing als bedoeld in artikel
2:23, 2:55, 2:60, 2:65, 2:75, 2:80, 2:86, 2:92, 2:96, 3:5,
3:6, 3:7, 4:3, 5:26, of 5:81, voor zover het een ontheffing
betreft van artikel 5:74, eerste lid, of artikel 5:79, is
verleend;
2°. waarop een vrijstelling
van toepassing is, indien zij ingevolge een voorschrift dat
aan die vrijstelling is verbonden de toezichthouder in
kennis hebben gesteld van hun voornemen om de desbetreffende
diensten te verlenen;
3°. waaraan het anderszins
ingevolge deze wet is toegestaan vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor of door middel van dienstverrichting naar
Nederland, hun bedrijf uit te oefenen of financiële
diensten te verlenen;
4°. waaraan een verklaring
van ondertoezichtstelling is verleend;
5°. waaraan een verbod
ingevolge artikel 1:58, tweede lid, 1:58a, tweede lid,
1:58b, tweede lid, 1:58c, derde lid, 1:59, tweede lid, 1:67,
eerste lid, 1:77, eerste lid, derde volzin, 4:4, eerste lid,
of 4:4a is opgelegd;
6°. die aangesloten
onderneming zijn als bedoeld in artikel 2:105;
7°. waarop de
vangnetregeling, bedoeld in afdeling 3.5.6, van toepassing
is;
8°. die worden beheerd door
beheerders waaraan een vergunning is verleend; deze
financiële ondernemingen worden in het register opgenomen
bij de beheerder die het beheer over hen voert;
9°. die zich hebben gemeld
als beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal;
10°. die zijn aangemeld
overeenkomstig artikel 2:81, tweede lid, onderdeel b; deze
worden in het register opgenomen bij de betrokken aanbieder
of aanbieders;
11°. die ingevolge artikel
2:99 of 4:26 aan de Autoriteit Financiële Markten hebben
gemeld voornemens te zijn het bedrijf van
beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling
uit te oefenen;
12°. die zijn aangemeld
overeenkomstig artikel 2:97, vijfde lid, aanhef en onderdeel
b; deze worden in het register opgenomen bij de betrokken
beleggingsonderneming;
13°. die hun bedrijf
afwikkelen overeenkomstig artikel 1:104, derde lid; en
14°. waarop overeenkomstig
artikel 1:10, onderdeel a, de ingevolge deze wet gestelde
regels niet van toepassing zijn;
b. marktexploitanten waaraan een
vergunning of een ontheffing ingevolge deze wet is verleend;
c. kredietbeoordelingsbureaus
waaraan ingevolge artikel 3:57, tweede lid, een erkenning is
verleend.
3. Onverminderd het eerste lid draagt
de toezichthouder onverwijld zorg voor de inschrijving van:
a. de naam en woonplaats van de
vertegenwoordiger in Nederland van een verzekeraar met
bijkantoor in Nederland of die diensten verricht naar Nederland;
b. de aard van de overeenkomsten
van levensverzekering voorzover het levensverzekeraars betreft
die door middel van dienstverrichting hun bedrijf in Nederland
uitoefenen, dan wel de aard van de risico’s van
schadeverzekering voorzover het entiteiten voor
risicoacceptatie, herverzekeraars of schadeverzekeraars betreft
die door middel van dienstverrichting hun bedrijf in Nederland
uitoefenen;
c. de gegevens die moeten worden
gemeld op grond van:
1°. hoofdstuk 5.3, met dien
verstande dat deze gegevens worden ingeschreven binnen een
werkdag volgend op de werkdag waarop de registerhouder de
betreffende melding heeft ontvangen en met uitzondering van
adresgegevens van meldingsplichtige natuurlijke personen;
2°. artikel 5:25i, tweede of
vijfde lid, met inbegrip van het tijdstip waarop de
informatie door de uitgevende instelling openbaar is
gemaakt; en
3°. artikel 5:60, met
uitzondering van de adresgegevens van de meldingsplichtigen;
d. prospectussen die op grond van
artikel 5:9 zijn goedgekeurd;
e. de namen van de staten die
Onze Minister heeft aangewezen ingevolge de artikelen 2:6, 2:50
en 2:66;
f. de lidstaten waarin een
ingeschreven bemiddelaar in verzekeringen bevoegd is
bemiddelingswerkzaamheden te verrichten en de namen van de
natuurlijke personen die het beleid van de bemiddelaar bepalen;
g. de naam van de verzekeraar
voor wie de volmacht van een ingeschreven gevolmachtigde agent
of ondergevolmachtigde agent geldt en de namen van de
natuurlijke personen die het beleid van de gevolmachtigde agent
of de ondergevolmachtigde agent bepalen;
h. de financiële producten ten
aanzien waarvan een ingeschreven financiëledienstverlener
ingevolge deze wet diensten mag verlenen, alsmede de aard van de
desbetreffende diensten;
i. de marktexploitant of de
beleggingsonderneming waaraan het ingevolge een besluit als
bedoeld in artikel 1:58c, derde lid, niet is toegestaan hun
voorzieningen in Nederland beschikbaar te stellen voor in
Nederland gevestigde leden of deelnemers op afstand;
j. betaaldienstagenten en de
bijkantoren van een betaalinstelling.
4. Indien van toepassing wordt bij
doorhaling vermeld dat het desbetreffende besluit nog niet
onherroepelijk is.
Artikel 1:108
1.De registerhouder houdt de in
artikel 1:107 bedoelde gegevens gedurende ten minste vijf jaar voor
een ieder kosteloos ter inzage in het register. De registerhouder
verstrekt aan een ieder desgevraagd, tegen betaling van de
kostprijs, afschriften uit het register.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting en werking
van het register.
Artikel 1:109
1.De Autoriteit Financiële Markten
houdt een register van de personen die hebben verzocht om, met
inachtneming van de in de definitie van gekwalificeerde belegger in
artikel 1:1 bedoelde algemene maatregel van bestuur, te worden
geregistreerd als gekwalificeerde belegger.
2.Aan beheerders,
beleggingsinstellingen, uitgevende instellingen, dan wel degenen die
voornemens zijn in de uitoefening van een bedrijf opvorderbare
gelden aan te trekken of ter beschikking te stellen, of degenen die
werkzaamheden verrichten als bedoeld in artikel 4:3, eerste lid,
wordt desgevraagd, tegen betaling van ten hoogste de kostprijs,
inzage verleend in het register of een afschrift verstrekt uit het
register.
3.De Autoriteit Financiële Markten
draagt onverwijld zorg voor de doorhaling in het register van een
inschrijving, indien een ingeschrevene, rechtsopvolger of erfgenaam
daarvan, daarom verzoekt.
4.Met het oog op de adequate werking
van de financiële markten kan de Autoriteit Financiële Markten een
inschrijving in het register doorhalen.
Artikel 1:109a
De Autoriteit Financiële Markten houdt
een lijst bij van gereglementeerde markten waarvoor Onze Minister een
vergunning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, heeft verleend en
zendt deze lijst aan de overige lidstaten en aan de Commissie van de
Europese Gemeenschappen.
Afdeling 1.6.3. Beroep
Artikel 1:110
1.Indien beroep wordt ingesteld tegen
een besluit op grond van deze wet of indien om een voorlopige
voorziening wordt verzocht ingevolge deze wet is, in afwijking van
artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtbank te
Rotterdam bevoegd.
2.Ten aanzien van een besluit
ingevolge hoofdstuk 5.1, artikel 5:77, eerste lid, of artikel 5:81,
derde lid, of terzake van het ingevolge artikel 5:76, tweede lid of
artikel 5:80b, vijfde lid, bepaalde, met uitzondering van een
besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in
artikel 1:80, blijft artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht
buiten toepassing.
3.In afwijking van het eerste lid is
voor beroepen tegen besluiten als bedoeld in het tweede lid, met
uitzondering van besluiten tot het opleggen van een bestuurlijke
boete, het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevoegd.
2. Deel Markttoegang Financiële
Ondernemingen
Hoofdstuk 2.1. Inleidende bepalingen
Artikel 2:1
Vergunningen en ontheffingen, verleend
ingevolge deze wet, zijn persoonlijk en niet overdraagbaar.
Artikel 2:2
Indien de toezichthouder bij de
verlening van een vergunning een ontheffing als bedoeld in artikel
2:5, derde lid, 2:7, derde lid, 2:12, zesde lid, 2:17, derde lid,
2:21, derde lid, 2:26b, vijfde lid, 2:26e, derde lid, 2:31, vijfde
lid, 2:32, derde lid, 2:37, derde lid, 2:41, derde lid, 2:42, derde
lid, 2:49, derde lid, 2:51, derde lid, 2:54b, vierde lid, 2:54e, derde
lid, 2:58, derde lid, 2:63, derde lid, 2:67, vijfde lid, 2:68, vierde
lid, 2:78, derde lid, 2:83, derde lid, 2:89, derde lid, 2:94, derde
lid, of 2:99, zesde lid, verleent, geldt die ontheffing tevens als een
ontheffing van de dienovereenkomstige regels ingevolge het Deel
Prudentieel toezicht financiële ondernemingen onderscheidenlijk het
Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen.
Artikel 2:3
Indien, onverminderd artikel 2:2, de
Autoriteit Financiële Markten bij de verlening van een
vergunning,waarbij ingevolge artikel 1:48 advies aan de Nederlandsche
Bank is gevraagd, tevens een ontheffing als bedoeld in artikel 2:67,
vijfde lid. 2:68, vierde lid, of 2:99, zesde lid, verleent, is de
Autoriteit Financiële Markten bevoegd tegelijkertijd ontheffing te
verlenen van de dienovereenkomstige regels ingevolge het Deel
Prudentieel toezicht financiële ondernemingen, indien het advies
daartoe aanleiding geeft. In die gevallen worden de door de
Nederlandsche Bank eventueel geadviseerde voorschriften verbonden aan
die ontheffing. Die ontheffing wordt geacht te zijn verleend door de
Nederlandsche Bank voorzover betrekking hebbend op regels ingevolge
het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen.
Hoofdstuk 2.2. Toegang tot de
nederlandse financiële markten
Afdeling 2.2.0. Uitoefenen van bedrijf
van betaaldienstverlener
§ 2.2.0.1. Vergunningplicht en -eisen
voor betaaldienstverleners met zetel in Nederland
Artikel 2:3a
1. Het is een ieder met zetel in
Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank
verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van
betaaldienstverlener.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op financiële ondernemingen die voor het uitoefenen van
het bedrijf van kredietinstelling een door de Nederlandsche Bank op
grond van dit deel verleende vergunning hebben, voor zover het aan
hen ingevolge die vergunning is toegestaan betaaldiensten te
verlenen.
Artikel 2:3b
1. De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van
betaaldienstverlener indien de aanvrager aantoont dat zal worden
voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot
de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot
de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of
mede bepalen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de
integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:15, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het
dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun
werkzaamheden verrichten;
e. artikel 3:16, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
f. artikel 3:17, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
g. artikel 3:29a met betrekking
tot het veiligstellen van ontvangen middelen uit betaaldiensten,
voor zover van toepassing;
h. artikel 3:53, eerste en derde
lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
2. De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gegevens.
3. De Nederlandsche Bank beslist op
de aanvraag binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag, of,
indien de aanvraag onvolledig is, binnen drie maanden na ontvangst
van alle voor het nemen van de beslissing benodigde gegevens.
4. De artikelen 4:14 van de Algemene
wet bestuursrecht en 1:102, derde lid, zijn niet van toepassing.
Artikel 2:3c
1. Een betaalinstelling die
voornemens is betaaldiensten te verlenen door tussenkomst van een
betaaldienstagent, stelt de Nederlandsche Bank hiervan in kennis
onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen gegevens.
2. Indien de Nederlandsche Bank
overeenkomstig het eerste lid de gegevens heeft ontvangen en zij er
van overtuigd is dat de gegevens correct zijn, schrijft zij de agent
in in het register, bedoeld in artikel 1:107.
§ 2.2.0.2. Vrijstelling
Artikel 2:3d
Bij ministeriële regeling kan geheel
of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 2:3a, eerste
lid. Aan deze gehele of gedeeltelijke vrijstelling kunnen
voorschriften worden verbonden.
§ 2.2.0.3. Bijkantoren en
betaaldienstagenten van en verrichten van diensten door
betaaldienstverleners met zetel in een andere lidstaat
Artikel 2:3e
1. Een betaaldienstverlener met zetel
in een andere lidstaat kan overgaan tot het verrichten van haar
werkzaamheden vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door
tussenkomst van een in Nederland werkzaam zijnde betaaldienstagent,
dan wel door middel van het verrichten van diensten naar Nederland,
indien hij een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat
daartoe verleende vergunning heeft.
2. Artikel 1:107, tweede lid, is niet
van toepassing.
§ 2.2.0.4. Betaaldienstverleners met
zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 2:3f
1. Het is een ieder met zetel in een
staat die geen lidstaat is verboden:
a. in Nederland het bedrijf van
betaaldienstverlener uit te oefenen;
b. vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor het bedrijf van betaaldienstverlener uit te
oefenen in een andere lidstaat.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op financiële ondernemingen die voor het uitoefenen van
het bedrijf van kredietinstelling een door de Nederlandsche Bank op
grond van dit deel verleende vergunning hebben, voor zover het aan
hen ingevolge die vergunning is toegestaan betaaldiensten te
verlenen.
Afdeling 2.2.1. Uitoefenen van bedrijf
van clearinginstelling
§ 2.2.1.1. Vergunningplicht en -eisen
voor clearinginstellingen met zetel in Nederland
Artikel 2:4
1.Het is een ieder met zetel in
Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank
verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van
clearinginstelling.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing op financiële ondernemingen met zetel in Nederland die
voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de
Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning
hebben.
Artikel 2:5
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid,
indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde
ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot
de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot
de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de
integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:15, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het
dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun
werkzaamheden verrichten;
e. artikel 3:16 met betrekking
tot de zeggenschapsstructuur;
f. artikel 3:17, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
g. artikel 3:19, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het minimum aantal leden van de raad van
commissarissen of het daarmee vergelijkbaar orgaan als bedoeld
in artikel 3:19, tweede lid;
h. artikel 3:53, eerste en derde
lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
i. artikel 3:57, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
j. artikel 3:63, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de liquiditeit.
2.De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gegevens.
3.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste
lid, aanhef en onderdeel c, d, f, g, h, i, of j, indien de aanvrager
aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat
de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te
bereiken anderszins worden bereikt.
§ 2.2.1.2. Bijkantoor en verrichten
van diensten door clearinginstellingen met zetel buiten Nederland
Artikel 2:6
1.Het is een ieder met zetel buiten
Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank
verleende vergunning vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor het
bedrijf van clearinginstelling uit te oefenen.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing op clearinginstellingen met zetel in een door Onze
Minister aan te wijzen staat waar toezicht op het uitoefenen van het
bedrijf van clearinginstelling wordt uitgeoefend dat in voldoende
mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet
beoogt te beschermen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van
staten. Het besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden
ingetrokken.
3.Een besluit tot aanwijzing van een
staat, bedoeld in het tweede lid, en de intrekking daarvan, worden
bekend gemaakt in de Staatscourant.
4.Het eerste lid is niet van
toepassing op financiële ondernemingen met zetel in een andere
lidstaat die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door
de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning
hebben, tenzij de vergunning anders vermeldt. Artikel 2:15 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 2:7
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:6, eerste lid,
indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde
ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot
de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot
de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede
lid, met betrekking tot beleid met betrekking tot de integere
bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:17, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
e. artikel 3:21 met betrekking
tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid van het
bijkantoor bepaalt en de plaats van waaruit zij hun
werkzaamheden verrichten;
f. artikel 3:53, eerste en derde
lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
g. artikel 3:57, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
h. artikel 3:63, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de liquiditeit,
met dien verstande dat voor de
toepassing van de onderdelen a tot en met d en f tot en met h in de
genoemde artikelen voor «een clearinginstelling met zetel in
Nederland» telkens moet worden gelezen: «het bijkantoor in
Nederland van een clearinginstelling met zetel in een
niet-aangewezen staat», en dat voor de toepassing van onderdeel e
in het genoemde artikel voor «kredietinstelling met zetel in een
staat die geen lidstaat is», moet worden gelezen:
«clearinginstelling met zetel in een niet-aangewezen staat».
2.De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gegevens.
3.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste
lid, aanhef en onderdeel c, d, f, g of h, indien de aanvrager
aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat
de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te
bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:8
1.Het is een ieder met zetel buiten
Nederland verboden het bedrijf van clearinginstelling door middel
van het verrichten van diensten naar Nederland uit te oefenen,
tenzij hij de Nederlandsche Bank van het voornemen daartoe kennis
heeft gegeven en hij ervoor zorgt en aantoont dat zal worden voldaan
aan hetgeen ingevolge artikel 3:57 is bepaald.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing op clearinginstellingen met zetel in een door Onze
Minister ingevolge artikel 2:6, tweede lid, aan te wijzen staat.
3.Het eerste lid is niet van
toepassing op clearinginstellingen met zetel in een andere lidstaat
die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat
verleende vergunning hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van
bank, tenzij de vergunning anders vermeldt. Artikel 2:18 is van
overeenkomstige toepassing.
4.Voor de toepassing van het eerste
lid oefenen clearinginstellingen met zetel buiten Nederland het
bedrijf van clearinginstelling uit door middel van het verrichten
van diensten naar Nederland indien zulks geschiedt op een
gereglementeerde markt waarvoor een vergunning als bedoeld in
artikel 5:26, eerste lid, is verleend, een multilaterale
handelsfaciliteit waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel
2:96 is verleend of een beleggingsonderneming met systematische
interne afhandeling.
5.Indien de Nederlandsche Bank een
kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt
zij de ontvangst hiervan onverwijld mede aan de financiële
onderneming die de kennisgeving heeft gedaan.
Artikel 2:9
1.De kennisgeving, bedoeld in artikel
2:8, eerste lid, geschiedt onder opgave van bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
2.De clearinginstelling, bedoeld in
artikel 2:8, eerste lid, kan overgaan tot het verrichten van
diensten nadat zij de mededeling, bedoeld in artikel 2:8, vijfde
lid, van de Nederlandsche Bank heeft ontvangen.
Artikel 2:10
1.Een clearinginstelling als bedoeld
in artikel 2:6, tweede lid, of artikel 2:8, tweede lid, die
voornemens is vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door
middel van het verrichten van diensten naar Nederland het bedrijf
van clearinginstelling uit te oefenen, geeft aan de Nederlandsche
Bank kennis van dat voornemen. De clearinginstelling legt daarbij
een door de toezichthoudende instantie van die aangewezen staat
afgegeven verklaring over waaruit blijkt dat zij in die staat
bevoegd is tot het uitoefenen van het bedrijf van
clearinginstelling.
2.De clearinginstelling kan overgaan
tot het uitoefenen van het voorgenomen bedrijf door middel van het
verrichten van diensten naar Nederland nadat de kennisgeving is
gedaan en de verklaring is afgegeven tenzij de Nederlandsche Bank
mededeelt dat het voornemen of de beoogde wijze van uitoefening in
strijd is met deze wet.
3.Indien de Nederlandsche Bank een
kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt
zij de betrokken clearinginstelling onverwijld deze ontvangst mede.
4.De Nederlandsche Bank kan binnen
twee maanden na ontvangst van de kennisgeving de clearinginstelling
mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de
clearinginstelling in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen
van haar bedrijf vanuit het in Nederland gelegen bijkantoor.
Afdeling 2.2.2. Uitoefenen van bedrijf
van kredietinstelling en financiële instelling
§ 2.2.2.1. Vergunningplicht en -eisen
voor kredietinstellingen met zetel in Nederland
Artikel 2:11
1.Het is een ieder met zetel in
Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank
verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van bank of
elektronischgeldinstelling.
2.Het eerste lid is voorzover het
betreft het uitoefenen van het bedrijf van
elektronischgeldinstelling niet van toepassing op financiële
ondernemingen met zetel in Nederland die voor het uitoefenen van het
bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank op grond van dit
deel verleende vergunning hebben.
3.Het eerste lid is niet van
toepassing op degene die gelden ter beschikking verkrijgt als
bedoeld in artikel 3:2.
Artikel 2:12
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid,
indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde
ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot
de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot
de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de
integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:15, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het
dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun
werkzaamheden verrichten;
e. artikel 3:16 met betrekking
tot de zeggenschapsstructuur;
f. artikel 3:17, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
g. artikel 3:19, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het minimum aantal leden van een raad
van commissarissen of een daarmee vergelijkbaar orgaan als
bedoeld in artikel 3:19, tweede lid;
h. artikel 3:31 met betrekking
tot geconsolideerd toezicht;
i. artikel 3:53, eerste en derde
lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
j. artikel 3:57, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
k. artikel 3:63, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de liquiditeit.
2.Indien de aanvraag een bank met
zetel in Nederland betreft waarin een gekwalificeerde deelneming
wordt gehouden, verleent de Nederlandsche Bank, onverminderd het
eerste lid, een vergunning indien de houder van de gekwalificeerde
deelneming een verklaring van geen bezwaar overeenkomstig artikel
3:95, tweede lid, heeft aangevraagd, en de Nederlandsche Bank van
oordeel is dat voldaan is aan het bepaalde ingevolge de artikelen
3:99 tot en met 3:101 met betrekking tot de verklaring van geen
bezwaar.
3.Indien de aanvraag een bank met
zetel in Nederland betreft waarin een gekwalificeerde deelneming
wordt gehouden waarop artikel 3:97 van toepassing is, verleent de
Nederlandsche Bank, onverminderd het eerste lid en in afwijking van
het tweede lid, een vergunning tenzij de deelneming zou kunnen
leiden of zou leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de
financiële sector of naar het oordeel van de Nederlandsche Bank een
van de overwegingen, bedoeld in artikel 3:100, aanhef, onderdeel a
of b, of 3:101, aanhef, onderdeel a of b, aan de verlening van een
verklaring van geen bezwaar in de weg staat.
4.Indien de aanvraag een
elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland betreft waarin een
gekwalificeerde deelneming wordt gehouden, verleent de Nederlandsche
Bank, onverminderd het eerste lid, een vergunning tenzij het
voornemen, bedoeld in artikel 3:108, eerste lid, zou kunnen leiden
of zou leiden tot een invloed op de betrokken
elektronischgeldinstelling waardoor de financiële soliditeit van de
elektronischgeldinstelling in gevaar komt.
5.De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gegevens.
6.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste
lid, aanhef en onderdeel c, f, g, i, j of k, indien de aanvrager
aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat
de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te
bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:13
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 aan een bank die
naast de uitoefening van het bedrijf van bank voornemens is tevens
beleggingdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te
verrichten in Nederland, indien de aanvrager, onverminderd artikel
2:12, aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 4:14, tweede lid,
onderdeel c, onder 1° tot en met 6°, met betrekking tot de
inrichting van de bedrijfsvoering;
b. artikel 4:87 met betrekking
tot het treffen van adequate maatregelen ter bescherming van
rechten van cliënten; en
c. artikel 4:91a met betrekking
tot de regels die gelden voor het handelsproces en de
afhandeling van transacties in een multilaterale
handelsfaciliteit indien de aanvrager voornemens is een
multilaterale handelsfaciliteit te exploiteren.
2.De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gegevens.
§ 2.2.2.2. Bijkantoor en verrichten
van diensten door kredietinstellingen met zetel in een andere lidstaat
Artikel 2:14
1.Indien de Nederlandsche Bank een
mededeling van het voornemen van een kredietinstelling met zetel in
een andere lidstaat tot het uitoefenen van haar bedrijf vanuit een
in Nederland gelegen bijkantoor heeft ontvangen van een
toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, deelt zij de
betrokken kredietinstelling onverwijld deze ontvangst mede.
2.De Nederlandsche Bank kan binnen
twee maanden na ontvangst van de mededeling de toezichthoudende
instantie van de andere lidstaat mededelen welke voorwaarden om
redenen van algemeen belang door de kredietinstelling in acht moeten
worden genomen bij het uitoefenen van haar bedrijf vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor. De Nederlandsche Bank zendt hiervan
een afschrift aan de kredietinstelling.
Artikel 2:15
1.Een kredietinstelling met zetel in
een andere lidstaat die een vergunning heeft voor het uitoefenen van
haar bedrijf, verleend door de toezichthoudende instantie van die
lidstaat, en voornemens is haar bedrijf uit te oefenen vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor kan daartoe overgaan twee maanden na
ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, of
onmiddellijk na ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel
2:14, tweede lid.
2.Het is de kredietinstelling
toegestaan de werkzaamheden, genoemd in bijlage I van de herziene
richtlijn banken, te verrichten, tenzij in de mededeling, bedoeld in
artikel 2:14, eerste lid, uitdrukkelijk anders is bepaald of die
mededeling het verrichten van die werkzaamheden niet vermeldt.
Artikel 2:16
1.Het is een ieder met zetel in een
andere lidstaat die naar het recht van de lidstaat van de zetel geen
door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende
vergunning behoeft te hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van
kredietinstelling en een dergelijke vergunning niet op vrijwillige
basis heeft verkregen, verboden zonder een daartoe door de
Nederlandsche Bank verleende vergunning vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen.
2.Het eerste lid is voorzover het
betreft het uitoefenen van het bedrijf van
elektronischgeldinstelling niet van toepassing op financiële
ondernemingen met zetel in een andere lidstaat die een door de
toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning
hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van bank, tenzij deze
vergunning anders vermeldt.
3.Het is een ieder met zetel in een
andere lidstaat die naar het recht van de lidstaat van de zetel geen
door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende
vergunning behoeft te hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van
kredietinstelling en een dergelijke vergunning niet op vrijwillige
basis heeft verkregen, verboden het bedrijf van bank uit te oefenen
door middel van het verrichten van diensten naar Nederland tenzij
hij hiervan kennis geeft aan de Nederlandsche Bank en aantoont dat
zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge artikel 3:57. Indien
ingevolge artikel 3:57, tweede lid, bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens
aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat bij die
algemene maatregel van bestuur is bepaald.
4.Het eerste en derde lid zijn niet
van toepassing op:
a. degene die opvorderbare gelden
ter beschikking verkrijgt, bedoeld in artikel 3:2; en
b. degene, die opvorderbare
gelden ter beschikking verkrijgt of ter beschikking heeft als
gevolg van het aanbieden van effecten, bedoeld in hoofdstuk 5.1
Artikel 2:17
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:16, eerste lid,
indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde
ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot
de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot
de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de
integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:17, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
e. artikel 3:21 met betrekking
tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid van het
bijkantoor bepaalt en de plaats van waaruit zij hun
werkzaamheden verrichten;
f. artikel 3:46 met betrekking
tot geconsolideerd toezicht;
g. artikel 3:53, eerste en derde
lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
h. artikel 3:57, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de solvabiliteit;
i. artikel 3:63, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de liquiditeit; en
j. artikel 3:75 met betrekking
tot een afzonderlijke boekhouding,
met dien verstande dat voor de
toepassing van de onderdelen a tot en met d en g tot en met i in de
genoemde artikelen voor «een kredietinstelling in Nederland»
telkens moet worden gelezen: «het bijkantoor in Nederland van een
kredietinstelling met zetel in een andere lidstaat».
2.De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gegevens.
3.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste
lid, aanhef en onderdeel c, d, g, h of i, indien de aanvrager
aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat
de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te
bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:18
1. Een bank met zetel in een andere
lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat
verleende vergunning heeft voor het uitoefenen van haar bedrijf en
voornemens is voor de eerste maal door middel van het verrichten van
diensten naar Nederland haar bedrijf uit te oefenen, kan daartoe
overgaan nadat zij de toezichthoudende instantie van de lidstaat
waar zij haar zetel heeft, kennis heeft gegeven van het voornemen.
2. Het is de bank toegestaan de
werkzaamheden, genoemd in bijlage I van de herziene richtlijn
banken, te verrichten, tenzij de Nederlandsche Bank van de
toezichthoudende instantie van de lidstaat van de zetel van de
desbetreffende bank een mededeling heeft ontvangen waarin
uitdrukkelijk anders is bepaald of die mededeling, het verrichten
van die werkzaamheden niet vermeldt.
Artikel 2:19
Een elektronischgeldinstelling met
zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende
instantie van die lidstaat verleende vergunning heeft voor het
uitoefenen van haar bedrijf en voornemens is voor de eerste maal door
middel van het verrichten van diensten naar Nederland haar bedrijf uit
te oefenen, kan daartoe overgaan nadat zij de toezichthoudende
instantie van de lidstaat waar zij haar zetel heeft, kennis heeft
gegeven van het voornemen.
§ 2.2.2.3. Vergunningplicht en -eisen
voor kredietinstellingen met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 2:20
1.Het is een ieder met zetel in een
staat die geen lidstaat is verboden zonder een daartoe door de
Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen
van bank of elektronischgeldinstelling vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor.
2.Het eerste lid is voorzover het
betreft het uitoefenen van het bedrijf van
elektronischgeldinstelling niet van toepassing op financiële
ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die voor
het uitoefenen van het bedrijf van bank vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor een door de Nederlandsche Bank op grond van dit
deel verleende vergunning hebben.
Artikel 2:21
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid,
indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde
ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot
de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot
de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de
integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:17, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
e. artikel 3:21 met betrekking
tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid van het
bijkantoor bepaalt en de plaats van waaruit zij hun
werkzaamheden verrichten;
f. artikel 3:46 met betrekking
tot geconsolideerd toezicht;
g. artikel 3:53, eerste en derde
lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
h. artikel 3:57, eerste lid en
tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit;
i. artikel 3:63, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de liquiditeit; en
j. artikel 3:75 met betrekking
tot een afzonderlijke boekhouding,
met dien verstande dat voor de
toepassing van de onderdelen a tot en met d en g tot en met i in de
genoemde artikelen voor «een kredietinstelling in Nederland»
telkens moet worden gelezen: «het bijkantoor in Nederland van een
kredietinstelling met zetel in een staat die geen lidstaat is».
2.De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gegevens.
3.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste
lid, aanhef en onderdeel c, d, g, h of i, indien de aanvrager
aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat
de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te
bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:22
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:20 aan een
kredietinstelling die naast de uitoefening van het bedrijf van
kredietinstelling voornemens is een beleggingsdienst te verlenen of
een beleggingsactiviteit te verrichten, indien de aanvrager,
onverminderd artikel 2:21, aantoont dat zal worden voldaan aan het
bepaalde ingevolge:
a. artikel 4:14, tweede lid,
onderdeel c, onder 1° tot en met 6° met betrekking tot de
inrichting van de bedrijfsvoering;
b. artikel 4:87 met betrekking
tot het treffen van adequate maatregelen ter bescherming van de
rechten van cliënten; en
c. artikel 4:91a met betrekking
tot de regels die gelden voor het handelsproces en de
afhandeling van transacties in een multilaterale
handelsfaciliteit indien de aanvrager voornemens is een
multilaterale handelsfaciliteit te exploiteren.
2.De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gegevens.
Artikel 2:23
1.Het is een ieder met zetel in een
staat die geen lidstaat is verboden het bedrijf van
elektronischgeldinstelling uit te oefenen door middel van het
verrichten van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in een
staat die geen lidstaat is.
2.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager
aantoont dat de belangen die dit deel en het Deel Prudentieel
toezicht financiële ondernemingen beogen te beschermen anderszins
voldoende worden beschermd.
§ 2.2.2.4. Bijkantoor en verrichten
van diensten door financiële instellingen met zetel in een andere
lidstaat
Artikel 2:24
1.Indien de Nederlandsche Bank een
mededeling van het voornemen van een financiële instelling met
zetel in een andere lidstaat tot het uitoefenen van haar bedrijf
vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het
verrichten van diensten naar Nederland heeft ontvangen van een
toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, deelt zij de
betrokken financiële instelling onverwijld deze ontvangst mede.
2.De Nederlandsche Bank kan binnen
twee maanden na ontvangst van de mededeling die betrekking heeft op
het voornemen tot het uitoefenen van het bedrijf vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor, de toezichthoudende instantie van de
andere lidstaat mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen
belang door de financiële instelling in acht moeten worden genomen
bij het uitoefenen van haar bedrijf of het verlenen van financiële
diensten in Nederland. De Nederlandsche Bank zendt hiervan een
afschrift aan de financiële instelling.
Artikel 2:25
1.Een financiële instelling met
zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende
instantie van die lidstaat verleende verklaring heeft voor het
uitoefenen van haar bedrijf die overeenkomt met de verklaring van
ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 3:110 en die voornemens is
haar bedrijf uit te oefenen vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor, kan daartoe overgaan twee maanden na de datum waarop de
Nederlandsche Bank de mededeling, bedoeld in artikel 2:24, eerste
lid, heeft ontvangen of onmiddellijk na ontvangst van de mededeling,
bedoeld in artikel 2:24, tweede lid.
2.Het is de financiële instelling
toegestaan de werkzaamheden, genoemd in bijlage I, onderdelen 2 tot
en met 14, van de herziene richtlijn banken, te verrichten, tenzij
in de aan haar verleende verklaring, bedoeld in het eerste lid,
uitdrukkelijk anders is bepaald of de mededeling, bedoeld in artikel
2:24, eerste lid, het verrichten van die werkzaamheden niet
vermeldt.
Artikel 2:26
Het is een financiële instelling met
zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende
instantie van die lidstaat verleende verklaring heeft voor het
uitoefenen van haar bedrijf die overeenkomt met de verklaring van
ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 3:110, en die haar bedrijf
uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland,
toegestaan de werkzaamheden genoemd in bijlage I, onderdelen 2 tot en
met 14, van de herziene richtlijn banken te verrichten, tenzij in de
in die lidstaat verleende verklaring, die overeenkomt met de
verklaring van ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 3:110,
uitdrukkelijk anders is bepaald dan wel zij van de werkzaamheden die
zij voornemens is door middel van het verrichten van diensten naar
Nederland uit te oefenen geen kennis heeft gegeven aan de
toezichthoudende instantie van de lidstaat waar zij haar zetel heeft.
Afdeling 2.2.2a. Uitoefenen van bedrijf
van herverzekeraar
§ 2.2.2a.1. Vergunningplicht en -eisen
voor herverzekeraars met zetel in Nederland
Artikel 2:26a
1.Het is een ieder met zetel in
Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank
verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van herverzekeraar.
2.Het bedrijf van herverzekeraar
wordt onderscheiden in de activiteiten levensherverzekering,
natura-uitvaartherverzekering en schadeherverzekering.
3.Het eerste lid is niet van
toepassing op levensverzekeraars, natura-uitvaartverzekeraars of
schadeverzekeraars voor zover zij het bedrijf van herverzekeraar
uitoefenen in de activiteit levensherverzekering,
natura-uitvaartherverzekering, onderscheidenlijk
schadeherverzekering.
Artikel 2:26b
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:26a, eerste lid,
indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde
ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot
de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot
de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de
integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:15, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het
dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun
werkzaamheden verrichten;
e. artikel 3:16, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
f. artikel 3:17, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
g. artikel 3:19, eerste lid, met
betrekking tot het minimum aantal leden van de raad van
commissarissen;
h. artikel 3:20, met betrekking
tot de rechtsvorm;
i. artikel 3:53, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
j. artikel 3:57, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
k. artikel 3:70 met betrekking
tot het boekjaar.
2.Indien de aanvraag een
herverzekeraar met zetel in Nederland betreft waarin een
gekwalificeerde deelneming wordt gehouden, verleent de Nederlandsche
Bank, onverminderd het eerste lid, een vergunning indien de houder
van de gekwalificeerde deelneming een verklaring van geen bezwaar
overeenkomstig artikel 3:95, tweede lid, heeft aangevraagd, en de
Nederlandsche Bank van oordeel is dat voldaan is aan het bepaalde
ingevolge de artikelen 3:99 tot en met 3:101 met betrekking tot de
verklaring van geen bezwaar.
3.Indien de aanvraag een
herverzekeraar met zetel in Nederland betreft waarin een
gekwalificeerde deelneming wordt gehouden waarop artikel 3:97 van
toepassing is, verleent de Nederlandsche Bank, onverminderd het
eerste lid en in afwijking van het tweede lid, een vergunning tenzij
de deelneming zou kunnen leiden of zou leiden tot een ongewenste
ontwikkeling van de financiële sector of naar het oordeel van de
Nederlandsche Bank een van de overwegingen, bedoeld in artikel
3:100, aanhef, onderdeel a of b, of 3:101, aanhef, onderdeel a of b,
aan de verlening van een verklaring van geen bezwaar in de weg
staat.
4.De aanvraag geschiedt onder
vermelding van de herverzekeringsactiviteit, en onder opgave van bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
5.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste
lid, aanhef en onderdeel c, d, f, g of k, indien de aanvrager
aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat
de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te
bereiken anderszins worden bereikt.
§ 2.2.2a.2. Bijkantoren van en
verrichting van diensten door herverzekeraars met zetel in een andere
lidstaat
Artikel 2:26c
1.Een herverzekeraar met zetel in een
andere lidstaat kan overgaan tot het uitoefenen van zijn bedrijf
vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het
verrichten van diensten naar Nederland indien hij een door de
toezichthoudende instantie van die lidstaat daartoe verleende
vergunning heeft.
2.Artikel 1:107, tweede lid, is niet
van toepassing.
§ 2.2.2a.3. Bijkantoor en verrichten
van diensten door herverzekeraars met zetel in een staat die geen
lidstaat is
Artikel 2:26d
1.Het is een ieder met zetel in een
staat die geen lidstaat is verboden zonder een daartoe door de
Nederlandsche Bank verleende vergunning vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor het bedrijf van herverzekeraar uit te oefenen.
2.Het bedrijf van herverzekeraar
wordt onderscheiden in de activiteiten levensherverzekering,
natura-uitvaartherverzekering en schadeherverzekering.
3.Het eerste lid is niet van
toepassing op herverzekeraars met zetel in een door Onze Minister
aan te wijzen staat waar toezicht op het uitoefenen van het bedrijf
van herverzekeraar wordt uitgeoefend dat in voldoende mate
waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te
beschermen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van staten. Het
besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken.
4.Het eerste lid is niet van
toepassing op:
a. levensverzekeraars die een
vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:40 voor de
uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor, voor zover zij het bedrijf van
herverzekeraar uitoefenen in de activiteit levensherverzekering;
b. natura-uitvaartverzekeraars
met zetel in een aangewezen staat of die een vergunning hebben
als bedoeld in artikel 2:50 voor de uitoefening van het bedrijf
van natura-uitvaartverzekeraar, voor zover zij het bedrijf van
herverzekeraar uitoefenen in de activiteit
natura-uitvaartherverzekering; en
c. schadeverzekeraars die een
vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:40 voor de
uitoefening van schadeverzekeraar vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor, voor zover zij het bedrijf van
herverzekeraar uitoefenen in de activiteit van
schadeherverzekering.
5.Een besluit tot aanwijzing van een
staat, bedoeld in het derde lid, en de intrekking daarvan, worden
bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 2:26e
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:26d, eerste lid,
indien de aanvrager aantoont dat met betrekking tot het bijkantoor
zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot
de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot
de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de
integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:16, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
e. artikel 3:17, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
f. artikel 3:53, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
g. artikel 3:57, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
h. artikel 3:70 met betrekking
tot het boekjaar,
alsmede dat de aanvrager voldoet aan
artikel 3:24, met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid, de
bevoegdheid tot uitoefening van het bedrijf van herverzekeraar, en
de uitoefening van die bevoegdheid, met dien verstande dat voor de
toepassing van de onderdelen a tot en met h in de in die onderdelen
genoemde artikelen voor «een verzekeraar» telkens moet worden
gelezen: «het in Nederland gelegen bijkantoor van een
herverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat».
2.De aanvraag geschiedt onder opgave
van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen
gegevens.
3.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste
lid, aanhef en onderdeel c, e, of h, indien de aanvrager aantoont
dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de
doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te
bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:26f
1.Het is een ieder met zetel in een
staat die geen lidstaat is verboden door middel van het verrichten
van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in een staat die
geen lidstaat is het bedrijf van herverzekeraar uit te oefenen,
tenzij hij de Nederlandsche Bank hiervan kennis geeft en aantoont
dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 3:24 met betrekking
tot de rechtspersoonlijkheid, de bevoegdheid tot uitoefening van
het bedrijf van herverzekeraar en de uitoefening van die
bevoegdheid; en
b. artikel 3:57, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit, met dien
verstande dat voor de toepassing van dit onderdeel in dat
artikel voor «verzekeraar met zetel in Nederland» moet worden
gelezen: «een herverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen
staat».
De herverzekeraar legt daarbij een
door de toezichthoudende instantie van de staat waar hij zijn zetel
heeft afgegeven verklaring over waaruit blijkt dat hij in die staat
bevoegd is tot het uitoefenen van het bedrijf van herverzekeraar.
2.De kennisgeving geschiedt onder
opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen gegevens.
3.De herverzekeraar kan overgaan tot
het uitoefenen van zijn bedrijf door middel van het verrichten van
diensten naar Nederland na de mededeling, bedoeld in artikel 2:47,
en nadat de verklaring, bedoeld in het eerste lid, is afgegeven.
4.De herverzekeraar, bedoeld in het
eerste lid, oefent zijn bedrijf door middel van het verrichten van
diensten naar Nederland uitsluitend uit in de activiteit tot het
uitoefenen waarvan hij in de staat waar hij zijn zetel heeft bevoegd
is.
5.Het eerste lid is niet van
toepassing op herverzekeraars die hun bedrijf uitoefenen vanuit een
vestiging in een op grond van artikel 2:26d, derde lid, door Onze
Minister aangewezen staat.
Artikel 2:26g
1.Een herverzekeraar met zetel in een
niet-aangewezen staat kan vanuit een bijkantoor in een andere
lidstaat overgaan tot het uitoefenen van zijn bedrijf door middel
van het verrichten van diensten naar Nederland, indien hij een door
de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning
heeft voor het uitoefenen van zijn bedrijf vanuit dat bijkantoor.
2.Een herverzekeraar met zetel in een
op grond van artikel 2:26d, derde lid, door Onze Minister aangewezen
staat kan vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat overgaan tot
het uitoefenen van zijn bedrijf door middel van het verrichten van
diensten naar Nederland.
3.Artikel 1:107, tweede lid, is niet
van toepassing op herverzekeraars als bedoeld in het eerste en
tweede lid.
Afdeling 2.2.3. Uitoefenen van bedrijf
van levensverzekeraar en schadeverzekeraar
§ 2.2.3.1. Vergunningplicht en -eisen
voor levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in Nederland
Artikel 2:27
1.Het is een ieder met zetel in
Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank
verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van
levensverzekeraar of schadeverzekeraar.
2.Het bedrijf van levensverzekeraar
en het bedrijf van schadeverzekeraar worden onderscheiden in de
branches die zijn genoemd in de bij deze wet behorende Bijlage
branches.
3.Het eerste lid is wat betreft het
verbod op uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar niet van
toepassing op financiële ondernemingen die uitsluitend het bedrijf
van natura-uitvaartverzekeraar uitoefenen met een vergunning als
bedoeld in artikel 2:48, eerste lid.
Artikel 2:28
1.Aan degene die een vergunning voor
de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar heeft, wordt
geen vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van
schadeverzekeraar verleend.
2.Aan degene die een vergunning voor
de uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar heeft, wordt
geen vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van
levensverzekeraar verleend.
3.Aan degene die een vergunning voor
de uitoefening van het bedrijf van herverzekeraar in de activiteit
levensherverzekering of natura-uitvaartherverzekering heeft, wordt
geen vergunning verleend voor de uitoefening van het bedrijf van
schadeverzekeraar.
4.Aan degene die een vergunning voor
de uitoefening van het bedrijf van herverzekeraar in de activiteit
schadeherverzekering heeft, wordt geen vergunning verleend voor de
uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of
natura-uitvaartverzekeraar.
Artikel 2:29
1.De levensverzekeraar die een
vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar
in de branche Permanent health insurance heeft, komt niet in
aanmerking voor een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf
van levensverzekeraar in een andere branche.
2.De levensverzekeraar die een
vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar
in een andere branche dan de branche Permanent health insurance
heeft, komt niet in aanmerking voor een vergunning voor de
uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar in de branche
Permanent health insurance.
Artikel 2:30
De Nederlandsche Bank verleent,
onverminderd artikel 2:31, een levensverzekeraar met zetel in
Nederland slechts een vergunning voor de branche
Kapitalisatieverrichtingen of voor de branche Beheer over collectieve
pensioenfondsen indien de aanvrager een vergunning heeft voor de
branche Levensverzekering algemeen en ervoor zorgt en aantoont dat
hij:
a. de werkzaamheden in de genoemde
branche Kapitalisatieverrichtingen onderscheidenlijk in de branche
Beheer over collectieve pensioenfondsen in zodanige mate uitoefent
dat zij voor zijn gehele bedrijf van ondergeschikte betekenis
zijn; en
b. in geval van een aanvraag voor
de branche Beheer over collectieve pensioenfondsen voldoet aan
overige regels die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
kunnen worden gesteld.
Artikel 2:31
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid,
indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde
ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot
de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot
de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de
integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:15, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het
dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun
werkzaamheden verrichten;
e. artikel 3:16, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
f. artikel 3:17, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
g. artikel 3:19, eerste lid, met
betrekking tot het minimum aantal leden van de raad van
commissarissen;
h. artikel 3:20 met betrekking
tot de rechtsvorm;
i. artikel 3:53, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
j. artikel 3:57, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
k. artikel 3:70, eerste lid, met
betrekking tot het boekjaar.
2.Indien de aanvraag een verzekeraar
met zetel in Nederland betreft waarin een gekwalificeerde deelneming
wordt gehouden, verleent de Nederlandsche Bank, onverminderd het
eerste lid, een vergunning indien de houder van de gekwalificeerde
deelneming een verklaring van geen bezwaar overeenkomstig artikel
3:95, tweede lid, heeft aangevraagd, en de Nederlandsche Bank van
oordeel is dat voldaan is aan het bepaalde ingevolge de artikelen
3:99 tot en met 3:101 met betrekking tot de verklaring van geen
bezwaar.
3.Indien de aanvraag een verzekeraar
met zetel in Nederland betreft waarin een gekwalificeerde deelneming
wordt gehouden waarop artikel 3:97 van toepassing is, verleent de
Nederlandsche Bank, onverminderd het eerste lid en in afwijking van
het tweede lid, een vergunning tenzij de deelneming zou kunnen
leiden of zou leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de
financiële sector of naar het oordeel van de Nederlandsche Bank een
van de overwegingen, bedoeld in artikel 3:100, aanhef, onderdeel a
of b, of 3:101, aanhef, onderdeel a of b, aan de verlening van een
verklaring van geen bezwaar in de weg staat.
4.De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder vermelding van de branche of branches waarvoor de
vergunning wordt aangevraagd en onder opgave van bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
5.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste
lid, aanhef en onderdeel c, d, f, g of k, indien de aanvrager
aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat
de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te
bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:32
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van
schadeverzekeraar in de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen
indien de aanvrager, onverminderd artikel 2:31, aantoont dat zal
worden voldaan aan het bepaalde in:
a. artikel 4:70, eerste lid,
onderdelen a en b, met betrekking tot de uit de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen voortvloeiende
verplichtingen; en
b. artikel 4:70, tweede lid, met
betrekking tot de schaderegelaar.
2.De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gegevens.
Artikel 2:33
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van
schadeverzekeraar in de branche Rechtsbijstand indien de aanvrager,
onverminderd artikel 2:31, aantoont dat zal worden voldaan aan het
bepaalde in artikel 4:65 met betrekking tot het voorkomen van
belangenconflicten.
2.De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gegevens.
§ 2.2.3.2. Bijkantoor en verrichten
van diensten door levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel
in een andere lidstaat
Artikel 2:34
1.Indien de Nederlandsche Bank een
mededeling van het voornemen van een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat tot het
uitoefenen van zijn bedrijf vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar
Nederland heeft ontvangen van een toezichthoudende instantie van een
andere lidstaat, deelt zij de betrokken levensverzekeraar of
schadeverzekeraar onverwijld deze ontvangst mede.
2.De Nederlandsche Bank kan binnen
twee maanden na ontvangst van de mededeling die betrekking heeft op
het voornemen tot het uitoefenen van het bedrijf vanuit een
bijkantoor, de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat
mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de
levensverzekeraar of schadeverzekeraar in acht moeten worden genomen
bij het uitoefenen van zijn bedrijf in Nederland. De Nederlandsche
Bank zendt hiervan een afschrift aan de levensverzekeraar of
schadeverzekeraar.
Artikel 2:35
Een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die een door de
toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning heeft
voor het uitoefenen van zijn bedrijf en voornemens is zijn bedrijf uit
te oefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, kan daartoe
overgaan twee maanden na de ontvangst van de mededeling, bedoeld in
artikel 2:34, eerste lid, of onmiddellijk na ontvangst van de
mededeling, bedoeld in artikel 2:34, tweede lid.
Artikel 2:36
1.Het is een ieder met zetel in een
andere lidstaat die naar het recht van de lidstaat van de zetel geen
door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende
vergunning behoeft te hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van
levensverzekeraar of schadeverzekeraar en een dergelijke vergunning
niet op vrijwillige basis heeft verkregen, verboden zonder een
daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning vanuit een
in Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf uit te oefenen van
levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar.
2.Het is een ieder met zetel in een
andere lidstaat die naar het recht van de lidstaat van de zetel geen
door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende
vergunning behoeft te hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van
levensverzekeraar of schadeverzekeraar en een dergelijke vergunning
niet op vrijwillige basis heeft verkregen, verboden het bedrijf van
levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar uit te oefenen
door middel van het verrichten van diensten naar Nederland tenzij
hij de Nederlandsche Bank hiervan kennis heeft gegeven en aantoont
dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 3:24 met betrekking
tot de rechtspersoonlijkheid, de bevoegdheid tot uitoefening van
het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk
schadeverzekeraar en de uitoefening van die bevoegdheid; en
b. artikel 3:57, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot solvabiliteit, met dien
verstande dat voor de toepassing van dit onderdeel in dat
artikel voor «een verzekeraar met zetel in Nederland» moet
worden gelezen: «een verzekeraar met zetel in een staat die
geen lidstaat is».
Indien ingevolge artikel 3:57, tweede
lid, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn
gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan
die regels, voorzover dat bij die algemene maatregel van bestuur is
bepaald.
3.De kennisgeving, bedoeld in het
tweede lid, geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
4.De verzekeraar kan overgaan tot het
uitoefenen van zijn bedrijf vanuit het in Nederland gelegen
bijkantoor twee maanden na de ontvangst van de mededeling, bedoeld
in artikel 2:34, eerste lid.
5.De verzekeraar oefent zijn bedrijf
door middel van het verrichten van diensten naar Nederland
uitsluitend uit in de branches tot het uitoefenen waarvan hij in de
staat waar hij zijn zetel heeft bevoegd is.
Artikel 2:37
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:36, eerste lid,
indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde
ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot
de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot
de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de
integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:17, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
e. artikel 3:47, eerste tot en
met derde en vijfde tot en met achtste lid, met betrekking tot
de vertegenwoordiger van een verzekeraar;
f. artikel 3:53, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
g. artikel 3:57, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
h. artikel 3:70, eerste lid, met
betrekking tot het boekjaar,
alsmede dat de aanvrager zal
voldoen aan artikel 3:24 met betrekking tot de
rechtspersoonlijkheid, de bevoegdheid tot uitoefening van het
bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk
schadeverzekeraar en de uitoefening van die bevoegdheid, met
dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en
met d, f en g in de in die onderdelen genoemde artikelen voor
«verzekeraar met zetel in Nederland» telkens wordt gelezen
«het in Nederland gelegen bijkantoor van een verzekeraar met
zetel in een andere lidstaat».
2.De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gegevens.
3.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste
lid, aanhef en onderdeel c, d, e of h, indien de aanvrager aantoont
dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de
doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te
bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:38
1.Een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die een door de
toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning
heeft voor het uitoefenen van zijn bedrijf en voornemens is voor de
eerste maal door middel van het verrichten van diensten naar
Nederland vanuit een vestiging in een andere lidstaat zijn bedrijf
uit te oefenen, kan daartoe overgaanna de ontvangst van de
mededeling, bedoeld in artikel 2:34, eerste lid.
2.De verzekeraar oefent zijn bedrijf
door middel van het verrichten van diensten naar Nederland
uitsluitend uit in de branches tot het uitoefenen waarvan hij in de
lidstaat waar hij zijn zetel heeft bevoegd is.
3.In geval van communautaire
co-assurantie zijn het eerste en tweede lid slechts van toepassing
op schadeverzekeraars die als eerste schadeverzekeraar optreden.
Artikel 2:39
1.Een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die een door de
toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning
heeft voor het uitoefenen van zijn bedrijf, en die voornemens is
voor de eerste maal vanuit een in een staat die geen lidstaat is
gelegen bijkantoor diensten te verrichten naar Nederland, geeft,
alvorens met het verrichten van diensten aan te vangen, de
Nederlandsche Bank daarvan kennis onder vermelding van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
2.Indien de Nederlandsche Bank een
kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt
hij de ontvangst hiervan onverwijld mede aan de verzekeraar die de
kennisgeving heeft gedaan. De verzekeraar kan overgaan tot de
uitoefening van zijn bedrijf door middel van het verrichten van
diensten naar Nederland na ontvangst van de mededeling.
3.In geval van communautaire
co-assurantie zijn het eerste en tweede lid slechts van toepassing
op schadeverzekeraars die als eerste schadeverzekeraar optreden.
§ 2.2.3.3. Bijkantoor en verrichten
van diensten door levensverzekeraars of schadeverzekeraars met zetel
in een staat die geen lidstaat is
Artikel 2:40
1.Het is een ieder met zetel in een
staat die geen lidstaat is verboden zonder een daartoe door de
Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen
van levensverzekeraar of schadeverzekeraar vanuit een bijkantoor in
Nederland.
2.Het bedrijf van levensverzekeraar
en het bedrijf van schadeverzekeraar worden onderscheiden in de
branches die zijn genoemd in de bij deze wet behorende Bijlage
branches.
Artikel 2:41
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:40 indien de
aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde
ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot
de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot
de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de
integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:17, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
e. artikel 3:47, eerste tot en
met derde en vijfde tot en met achtste lid, met betrekking tot
de vertegenwoordiger van een verzekeraar;
f. artikel 3:53, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
g. artikel 3:57, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
h. artikel 3:70, eerste lid, met
betrekking tot het boekjaar,
alsmede dat de aanvrager zal
voldoen aan artikel 3:24 met betrekking tot de
rechtspersoonlijkheid, de bevoegdheid tot uitoefening van het
bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk
schadeverzekeraar en de uitoefening van die bevoegdheid, met
dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en
met d, f en g in de in die onderdelen genoemde artikelen voor
«verzekeraar met zetel in Nederland» telkens wordt gelezen
«het in Nederland gelegen bijkantoor van een verzekeraar met
zetel in een staat die geen lidstaat is».
2.De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gegevens.
3.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste
lid, aanhef en onderdeel c, d, e of h, indien de aanvrager aantoont
dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de
doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te
bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:42
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:40 aan de aanvrager
die de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen wil uitoefenen
indien de aanvrager, onverminderd artikel 2:41, aantoont dat zal
worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 4:70, eerste lid,
onderdelen a en b, met betrekking tot de uit de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen voortvloeiende
verplichtingen; en
b. artikel 4:70, tweede lid, met
betrekking tot de schaderegelaar.
2.De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gegevens.
Artikel 2:43
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:40 aan de aanvrager
die de branche Rechtsbijstand wil uitoefenen indien de aanvrager,
onverminderd artikel 2:41, aantoont dat zal worden voldaan aan het
bepaalde ingevolge artikel 4:65 met betrekking tot het voorkomen van
belangenconflicten.
2.De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gegevens.
Artikel 2:44
1.Degene die in een staat die geen
lidstaat is zowel het bedrijf van schadeverzekeraar als het bedrijf
van levensverzekeraar uitoefent, komt slechts in aanmerking voor een
vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van
schadeverzekeraar.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing op verzekeraars die sedert 15 maart 1979 vanuit in
Nederland gelegen bijkantoren uitsluitend het bedrijf van
levensverzekeraar uitoefenen.
Artikel 2:45
1.Het is een ieder met zetel in een
staat die geen lidstaat is verboden door middel van het verrichten
van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in een staat die
geen lidstaat is het bedrijf van levensverzekeraar of
schadeverzekeraar uit te oefenen, tenzij hij de Nederlandsche Bank
hiervan kennis geeft en aantoont dat zal worden voldaan aan het
bepaalde ingevolge:
a. artikel 3:24 met betrekking
tot de rechtspersoonlijkheid, de bevoegdheid tot uitoefening van
het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk
schadeverzekeraar en de uitoefening van die bevoegdheid; en
b. artikel 3:57, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit, met dien
verstande dat voor de toepassing van dit onderdeel in dat
artikel voor «een verzekeraar met zetel in Nederland» moet
worden gelezen: «een verzekeraar met zetel in een staat die
geen lidstaat is».
2.De kennisgeving geschiedt onder
opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen gegevens.
3.De levensverzekeraar of
schadeverzekeraar kan overgaan tot het uitoefenen van zijn bedrijf
door middel van het verrichten van diensten naar Nederland na de
mededeling, bedoeld in artikel 2:47.
4.De levensverzekeraar of
schadeverzekeraar, bedoeld in het eerste lid, oefent zijn bedrijf
door middel van het verrichten van diensten naar Nederland
uitsluitend uit in de branches tot het uitoefenen waarvan hij in de
staat waar hij zijn zetel heeft bevoegd is.
Artikel 2:45a
1.Indien de persoon, bedoeld in
artikel 2:45, eerste lid, de branche Aansprakelijkheid
motorrijtuigen wil uitoefenen, toont hij tevens aan dat zal worden
voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 4:70, eerste lid,
onderdelen a en b, met betrekking tot deze uit de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen voortvloeiende
verplichtingen;
b. artikel 4:70, tweede lid, met
betrekking tot de schaderegelaar; en
c. artikel 4:71, eerste lid,
onderdeel e, met betrekking tot de schade-afhandelaar.
2.Artikel 2:45, tweede tot en met
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2:46
1.Het is een ieder met zetel in een
staat die geen lidstaat is verboden door middel van het verrichten
van diensten naar Nederland vanuit een bijkantoor in een andere
lidstaat het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar uit
te oefenen, tenzij hij hiervan kennis geeft aan de Nederlandsche
Bank.
2.De kennisgeving geschiedt onder
opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen gegevens.
3.De levensverzekeraar of
schadeverzekeraar kan overgaan tot het uitoefenen van zijn bedrijf
door middel van het verrichten van diensten vanuit het bijkantoor
naar Nederland na ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel
2:47.
4.In geval van communautaire
co-assurantie zijn het eerste en tweede lid slechts van toepassing
op schadeverzekeraars die als eerste schadeverzekeraar optreden.
Artikel 2:47
Indien de Nederlandsche Bank een
kennisgeving als bedoeld in 2:26f, eerste lid, 2:45, eerste lid, 2:46,
eerste lid, of 2:54f, eerste lid, heeft ontvangen, deelt zij de
ontvangst hiervan onverwijld mede aan de entiteit voor
risico-aansprakelijkheid, herverzekeraar, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar die de kennisgeving heeft gedaan.
Afdeling 2.2.4. Uitoefenen van bedrijf
van natura-uitvaartverzekeraar
§ 2.2.4.1. Vergunningplicht en -eisen
voor natura-uitvaartverzekeraars met zetel in Nederland
Artikel 2:48
1.Het is een ieder met zetel in
Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank
verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van
natura-uitvaartverzekeraar.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing op financiële ondernemingen met zetel in Nederland die
voor het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar een door
de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning
hebben.
Artikel 2:49
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:48 indien de
aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde
ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot
de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot
de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de
integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:15, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het
dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun
werkzaamheden verrichten;
e. artikel 3:16, derde lid, met
betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
f. artikel 3:17, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
g. artikel 3:19, eerste lid, met
betrekking tot het minimum aantal leden van de raad van
commissarissen;
h. artikel 3:20 met betrekking
tot de rechtsvorm;
i. artikel 3:53, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
j. artikel 3:57, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
k. artikel 3:70, eerste lid, met
betrekking tot het boekjaar.
2.De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gegevens.
3.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste
lid, aanhef en onderdeel c, d, f, g of k, indien de aanvrager
aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat
de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te
bereiken anderszins worden bereikt.
§ 2.2.4.2. Vergunningplicht en -eisen
voor natura-uitvaartverzekeraars met zetel buiten Nederland
Artikel 2:50
1.Het is een ieder met zetel buiten
Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank
verleende vergunning het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar uit
te oefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een door Onze
Minister aan te wijzen staat waar toezicht op het uitoefenen van het
bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar wordt uitgeoefend dat in
voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze
wet beoogt te beschermen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van
staten. Het besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden
ingetrokken.
3.Het eerste lid is niet van
toepassing op levensverzekeraars die een vergunning als bedoeld in
artikel 2:36 of 2:40 hebben voor de branche Levensverzekering
algemeen.
Artikel 2:51
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:50 indien de
aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde
ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot
de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot
de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de
integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:17, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
e. artikel 3:47, eerste tot en
met derde en vijfde tot en met achtste lid, met betrekking tot
de vertegenwoordiger van een verzekeraar;
f. artikel 3:53, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
g. artikel 3:57, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
h. artikel 3:70, eerste lid, met
betrekking tot het boekjaar,
alsmede dat de aanvrager zal
voldoen aan artikel 3:24 met betrekking tot de
rechtspersoonlijkheid, de bevoegdheid tot uitoefening van het
bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar en de uitoefening van die
bevoegdheid, met dien verstande dat voor de toepassing van de
onderdelen a tot en met d, f en g in de in die onderdelen
genoemde artikelen voor «verzekeraar met zetel in Nederland»
of «levensverzekeraar met zetel in Nederland onderscheidenlijk
schadeverzekeraar met zetel in Nederland» telkens wordt gelezen
«het in Nederland gelegen bijkantoor van een verzekeraar met
zetel in een staat die geen lidstaat is» onderscheidenlijk
«het in Nederland gelegen bijkantoor van een
natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een staat die geen
lidstaat is».
2.De aanvraag van de vergunning
geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gegevens.
3.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste
lid, aanhef en onderdeel c en d tot en met h, indien de aanvrager
aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat
de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te
bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:52
1.Het is een ieder met zetel buiten
Nederland verboden het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar door
middel van het verrichten van diensten naar Nederland uit te
oefenen, tenzij hij de Nederlandsche Bank van dit voornemen kennis
heeft gegeven.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een door Onze
Minister ingevolge artikel 2:50 aan te wijzen staat.
3.Het eerste lid is niet van
toepassing op levensverzekeraars met zetel in een andere lidstaat
die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat
verleende vergunning hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van
levensverzekeraar.
4.Indien de Nederlandsche Bank een
kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt
zij de ontvangst hiervan onverwijld mede aan de financiële
onderneming die de kennisgeving heeft gedaan.
Artikel 2:53
1.De kennisgeving, bedoeld in artikel
2:52, eerste lid, geschiedt onder opgave van bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
2.De natura-uitvaartverzekeraar,
bedoeld in artikel 2:52, eerste lid, kan overgaan tot het verrichten
van diensten nadat hij de mededeling, bedoeld in artikel 2:52,
vierde lid, van de Nederlandsche Bank heeft ontvangen.
Artikel 2:54
1.Een natura-uitvaartverzekeraar,
bedoeld in artikel 2:50, tweede lid, of artikel 2:52, tweede lid,
die voornemens is vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door
middel van het verrichten van diensten naar Nederland het bedrijf
van natura-uitvaartverzekeraar uit te oefenen, geeft aan de
Nederlandsche Bank kennis van dat voornemen. De
natura-uitvaartverzekeraar legt daarbij een door de toezichthoudende
instantie van die aangewezen staat afgegeven verklaring over waaruit
blijkt dat hij in die staat bevoegd is tot het uitoefenen van het
bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar.
2.De natura-uitvaartverzekeraar kan
overgaan tot het uitoefenen van het voorgenomen bedrijf door middel
van het verrichten van diensten naar Nederland nadat de kennisgeving
is gedaan en de verklaring is afgegeven tenzij de Nederlandsche Bank
mededeelt dat het voornemen in strijd is met deze wet.
3.Indien de Nederlandsche Bank een
kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt
zij de ontvangst hiervan onverwijld mede aan de
natura-uitvaartverzekeraar die de kennisgeving heeft gedaan.
4.De Nederlandsche Bank kan binnen
twee maanden na ontvangst van de kennisgeving van de
natura-uitvaartverzekeraar mededelen welke voorwaarden om redenen
van algemeen belang door de natura-uitvaartverzekeraar in acht
moeten worden genomen bij het uitoefenen van zijn bedrijf vanuit het
in Nederland gelegen bijkantoor.
Afdeling 2.2.4a. Uitoefenen van bedrijf
van entiteit voor risico-acceptatie
§ 2.2.4a.1. Vergunningplicht en -eisen
voor entiteiten voor risico-acceptatie met zetel in Nederland
Artikel 2:54a
1.Het is een ieder met zetel in
Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank
verleende vergunning de werkzaamheden van een entiteit voor
risico-acceptatie te verrichten.
2.In een vergunning als bedoeld in
het eerste lid wordt de soort herverzekeringsactiviteit vermeld
waarvoor de vergunning wordt verleend.
Artikel 2:54b
1.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:54a, eerste lid,
indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde
ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot
de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot
de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de
integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:16, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
e. artikel 3:17, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
f. artikel 3:19, eerste lid, met
betrekking tot het minimum aantal leden van de raad van
commissarissen;
g. artikel 3:53, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
h. artikel 3:57, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
i. artikel 3:70, eerste lid, met
betrekking tot het boekjaar.
2.Indien de aanvraag een entiteit
voor risico-acceptatie met zetel in Nederland betreft waarin een
gekwalificeerde deelneming wordt gehouden, verleent de Nederlandsche
Bank, onverminderd het eerste lid, een vergunning indien de houder
van de gekwalificeerde deelneming een verklaring van geen bezwaar
overeenkomstig artikel 3:95, tweede lid, heeft aangevraagd, en de
Nederlandsche Bank van oordeel is dat voldaan is aan het bepaalde
ingevolge de artikelen 3:99 tot en met 3:101 met betrekking tot de
verklaring van geen bezwaar.
3.De aanvraag geschiedt onder
vermelding van de herverzekeringsactiviteit, en onder opgave van bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
4.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste
lid, aanhef en onderdeel c, e, f, h of i, indien de aanvrager
aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat
de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te
bereiken anderszins worden bereikt.
§ 2.2.4a.2. Bijkantoren van en
verrichten van diensten door entiteiten voor risico-acceptatie met
zetel in een andere lidstaat
Artikel 2:54c
1.Een entiteit voor risico-acceptatie
met zetel in een andere lidstaat kan overgaan tot het verrichten van
haar werkzaamheden vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of
door middel van het verrichten van diensten naar Nederland indien
zij een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat daartoe
verleende vergunning heeft.
2.Artikel 1:107, tweede lid, is niet
van toepassing.
§ 2.2.4a.3. Bijkantoren van en
verrichten van diensten door entiteiten voor risico-acceptatie met
zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 2:54d
1. Het is een ieder met zetel in een
staat die geen lidstaat is verboden zonder een daartoe door de
Nederlandsche Bank verleende vergunning vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor de werkzaamheden van een entiteit voor
risico-acceptatie te verrichten.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op entiteiten voor risico-acceptatie met zetel in een
door Onze Minister aan te wijzen staat die geen lidstaat is waar
toezicht op het verrichten van werkzaamheden van een entiteit voor
risico-acceptatie wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen
biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot het aanwijzen van staten. Het besluit tot
aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken.
3. Een besluit tot aanwijzing van een
staat, bedoeld in het tweede lid, en de intrekking daarvan, worden
bekend gemaakt in de Staatscourant.
Artikel 2:54e
1. De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:54d, eerste lid,
indien de aanvrager aantoont dat met betrekking tot het bijkantoor
zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 3:8 met betrekking tot
de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 3:9 met betrekking tot
de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;
c. artikel 3:10, eerste en tweede
lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de
integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:16, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;
e. artikel 3:17, eerste en tweede
lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;
f. artikel 3:53, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;
g. artikel 3:57, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en
h. artikel 3:70, eerste lid, met
betrekking tot het boekjaar,
alsmede dat de aanvrager voldoet aan
artikel 3:24, met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid, de
bevoegdheid tot uitoefening van de werkzaamheden van een entiteit
voor risico-acceptatie, en de uitoefening van die bevoegdheid, met
dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en met
h de in die onderdelen genoemde artikelen voor «verzekeraar met
zetel in Nederland» telkens moet worden gelezen: «het in Nederland
gelegen bijkantoor van een entiteit voor risico-acceptatie met zetel
in een niet-aangewezen staat».
2. De aanvraag geschiedt onder opgave
van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen
gegevens.
3. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste
lid, aanhef en onderdeel c, e, g of h, indien de aanvrager aantoont
dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de
doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te
bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:54f
1.Het is een ieder met zetel in een
niet-aangewezen staat verboden door middel van het verrichten van
diensten naar Nederland het bedrijf van entiteit voor
risico-acceptatie uit te oefenen, tenzij hij de Nederlandsche Bank
hiervan kennis geeft en aantoont dat zal worden voldaan aan het
bepaalde ingevolge:
a. artikel 3:24 met betrekking
tot de rechtspersoonlijkheid, de bevoegdheid tot uitoefening van
het bedrijf van entiteit voor risico-acceptatie en de
uitoefening van die bevoegdheid; en
b. artikel 3:57, eerste tot en
met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit, met dien
verstande dat voor de toepassing van dit onderdeel in dat
artikel voor «een verzekeraar met zetel in Nederland» moet
worden gelezen: «een entiteit voor risico-acceptatie met zetel
in een niet-aangewezen staat».
De entiteit voor risico-acceptatie
legt daarbij een door de toezichthoudende instantie van die
niet-aangewezen staat afgegeven verklaring over waaruit blijkt dat
hij in die staat bevoegd is tot de uitoefening van de werkzaamheden
van een entiteit voor risico-acceptatie.
2.De kennisgeving geschiedt onder
opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen gegevens.
3.De entiteit voor risico-acceptatie
kan overgaan tot het uitoefenen van haar bedrijf door middel van het
verrichten van diensten naar Nederland na de mededeling, bedoeld in
artikel 2:47, en nadat de verklaring, bedoeld in het eerste lid, is
afgegeven.
4.De entiteit voor risico-acceptatie,
bedoeld in het eerste lid, oefent haar bedrijf door middel van het
verrichten van diensten naar Nederland uitsluitend uit in de
activiteit tot het uitoefenen waarvan zij in de staat waar zij haar
zetel heeft bevoegd is.
Afdeling 2.2.5. Aanbieden van
beleggingsobjecten
§ 2.2.5.1. Vergunningplicht en -eisen
Artikel 2:55
1.Het is verboden in Nederland zonder
een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende
vergunning beleggingsobjecten aan te bieden.
2.De Autoriteit Financiële Markten
kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen
van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat de belangen die
dit deel en het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen
beogen te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.
3.Het eerste lid is niet van
toepassing op het aanbieden van beleggingsobjecten, voor zover het
betreft overeenkomsten die voor 1 januari 2007 zijn aangegaan met
betrekking tot beleggingsobjecten die op dat tijdstip geen
beleggingsobject waren als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de
Wfd of ingevolge onderdeel m, onder 8°, van dat artikel waren
aangew |