Hoofdstuk 3.1. Inleidende
bepalingen
Artikel 3:1
Voor de toepassing van dit deel en de
daarop berustende bepalingen wordt:
a. het sluiten van een
overeenkomst die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de
verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon, geacht
te zijn aangegaan in de uitoefening van het bedrijf van
natura-uitvaartverzekeraar, indien de verzekering wordt
aangegaan door een natura-uitvaartverzekeraar en voor deze
natura-uitvaartverzekeraar geen beleggingsrisico met zich
brengt;
b. het beheer over een collectief
pensioenfonds beschouwd als de uitoefening van het bedrijf van
levensverzekeraar, indien het wordt gevoerd door een
levensverzekeraar.
Artikel 3:2
1. Het in dit deel bepaalde met
betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van bank is niet van
toepassing op het, zonder een door de Nederlandsche Bank of door
een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat verleende
vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van bank, buiten
besloten kring ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden
van anderen dan professionele marktpartijen als gevolg van het
aanbieden van effecten in overeenstemming met het ingevolge
hoofdstuk 5.1 bepaalde, voorzover degene die de gelden ter
beschikking verkrijgt zorg draagt voor:
a. een onvoorwaardelijke
garantie voor alle verplichtingen ontstaan door het ter
beschikking verkrijgen van die gelden, welke onvoorwaardelijke
garantie is afgegeven door een onderneming met een
geconsolideerd eigen vermogen dat gedurende de gehele looptijd
van de garantie positief is, van welke onderneming degene die
de gelden ter beschikking verkrijgt dochtermaatschappij is;
b. een overeenkomst, aangegaan
met een onderneming waarvan degene die de gelden ter
beschikking verkrijgt dochtermaatschappij is en die een
geconsolideerd eigen vermogen heeft dat gedurende de gehele
looptijd van de overeenkomst positief is, op grond van welke
overeenkomst de onvoorwaardelijke verplichting bestaat voor
die onderneming om degene die de gelden ter beschikking
verkrijgt steeds van voldoende fondsen te voorzien om aan zijn
verplichtingen te voldoen; of
c. een garantstelling voor alle
verplichtingen ontstaan door het ter beschikking verkrijgen
van die gelden die is verstrekt door:
1°. een bank die een door
de Nederlandsche Bank of een toezichthoudende instantie in
een andere lidstaat verleende vergunning heeft; of
2°. een bank met zetel in
een door Onze Minister aan te wijzen staat die geen
lidstaat is waar toezicht op het uitoefenen van het
bedrijf van bank wordt uitgeoefend dat in voldoende mate
waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die dit deel
beoogt te beschermen.
2. Het eerste lid is slechts van
toepassing voorzover degene die de gelden ter beschikking
verkrijgt, deze voor ten minste 95 procent uitzet binnen het
concern waartoe hij behoort. Onder een concern wordt verstaan de
gezamenlijkheid van een rechtspersoon en haar
dochtermaatschappijen.
3. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd,
ontheffing verlenen van dit artikel, indien de aanvrager aantoont
dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de
doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden
bereikt.
Artikel 3:3
Bij ministeriële regeling kan
vrijstelling worden geregeld van het ingevolge dit deel bepaalde
voor beheerders, beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen,
betaaldienstverleners, bewaarders, elektronischgeldinstellingen en
premiepensioeninstellingen.
Artikel 3:4
1. Een ieder met zetel in Nederland
die, geen bank zijnde, zijn bedrijf maakt van:
a. het van professionele
marktpartijen of binnen besloten kring ter beschikking
verkrijgen van opvorderbare gelden en van het voor eigen
rekening verrichten van kredietuitzettingen; of
b. het ter beschikking
verkrijgen van opvorderbare gelden en van het voor eigen
rekening verrichten van beleggingen, niet zijnde
kredietuitzettingen,
kan een vergunning aanvragen bij de
Nederlandsche Bank voor het uitoefenen van dat bedrijf; bij de
toepassing van artikel 2:12 en 2:13 merkt de Nederlandsche Bank de
werkzaamheden van de aanvrager aan als het uitoefenen van het
bedrijf van bank.
2. Op het verlenen van een
vergunning na een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, en op
degene die naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het
eerste lid een vergunning heeft verkregen van de Nederlandsche
Bank, is hetgeen is bepaald ingevolge deze wet met betrekking tot
het uitoefenen van het bedrijf van bank van overeenkomstige
toepassing, met uitzondering van afdeling 3.5.5.
Hoofdstuk 3.2. Aantrekken van
opvorderbare gelden
Artikel 3:5
1. Het is een ieder verboden in
Nederland in de uitoefening van een bedrijf buiten besloten kring
opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen
aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking
te hebben.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op:
a. banken die een door de
Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben als bedoeld in
artikel 2:11, eerste lid, of2:20, en banken met zetel in een
andere lidstaat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten
van diensten naar Nederland en die hebben voldaan aan het in
artikel 2:15 of 2:16 bepaalde met betrekking tot het
verrichten van de werkzaamheden, genoemd onder 1 in bijlage I
van de herziene richtlijn banken;
b. banken met zetel in een
andere lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van
die lidstaat verleende vergunning hebben voor het uitoefenen
van hun bedrijf en die hebben voldaan aan de in die andere
lidstaat geldende verplichtingen voor het verrichten van
diensten naar een andere lidstaat;
c. de lidstaten, alsmede de
regionale of lokale overheden van de lidstaten;
d. degenen die opvorderbare
gelden aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter
beschikking hebben als gevolg van het aanbieden van effecten
in overeenstemming met het ingevolge hoofdstuk 5.1 bepaalde;
en
e. entiteiten voor
risico-acceptatie.
3. Bij ministeriële regeling kan
vrijstelling worden geregeld van het eerste lid.
4. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van
het eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat de belangen die
dit deel beoogt te beschermen voldoende worden beschermd. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld waaraan de houder van een ontheffing dient te voldoen en
met betrekking tot het verlenen van de ontheffing.
Hoofdstuk 3.2A. Optreden als
waarborg- of garantiefonds
Artikel 3:6
1. Het is een ieder verboden zonder
een vergunning van de Nederlandsche Bank of van een
toezichthoudende instantie van een andere lidstaat voor het
uitoefenen van het bedrijf van schadeverzekeraar in Nederland op
te treden als waarborg- of garantiefonds.
2. Het eerste lid en het overige
ingevolge dit deel bepaalde met betrekking tot het uitoefenen van
het bedrijf van schadeverzekeraar is niet van toepassing op
waarborg- of garantiefondsen die:
a. onder overheidstoezicht
staan of een beroep kunnen doen op een van overheidswege
verstrekte garantie; of
b. slechts waarborgen of
garanties bieden ten behoeve van natuurlijke personen binnen
een besloten kring:
1°. die nauwkeurig is
omschreven;
2°. waarvan de
toetredingscriteria vooraf zijn bepaald, toetsbaar zijn en
niet resulteren in het op eenvoudige wijze toetreden van
niet tot de kring behorende natuurlijke personen; en
3°. waarbinnen degenen die
er deel van uitmaken in een op het tijdstip van het bieden
van waarborgen of garanties reeds bestaande
rechtsbetrekking staan tot het waarborg- of garantiefonds
waardoor de waarborgen of garanties worden geboden, op
grond waarvan zij redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn
van diens financiële toestand.
3. Bij ministeriële regeling kan
vrijstelling worden geregeld van het eerste lid en het ingevolge
dit deel bepaalde met betrekking tot het uitoefenen van het
bedrijf van schadeverzekeraar door waarborg- of garantiefondsen.
4. De Nederlandsche Bank kan, al
dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste
lid en het ingevolge dit deel bepaalde met betrekking tot het
uitoefenen van het bedrijf van schadeverzekeraar door waarborg- of
garantiefondsen, indien de aanvrager aantoont dat de belangen die
dit deel beoogt te beschermen voldoende worden beschermd. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld waaraan de houder van een ontheffing dient te voldoen en
met betrekking tot het verlenen van de ontheffing.
Hoofdstuk 3.3. Regels voor het
werkzaam zijn op de financiële markten
Afdeling 3.3.1. Verbod gebruik van
het woord «bank»
Artikel 3:7
1. Het is een ieder verboden het
woord «bank» of vertalingen of vormen daarvan te bezigen in zijn
naam of bij de uitoefening van zijn bedrijf, tenzij zulks in
zodanige samenhang geschiedt, dat daaruit duidelijk blijkt, dat
hij niet werkzaam is op de financiële markten.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op:
a. financiële instellingen die
een verklaring van ondertoezichtstelling hebben als bedoeld in
artikel 3:110 of die hebben voldaan aan het in artikel 2:25 of
2:26 bepaalde met betrekking tot het verrichten van
werkzaamheden als bedoeld in bijlage I van de herziene
richtlijn banken vanuit een bijkantoor onderscheidenlijk door
middel van het verrichten van diensten;
b. banken die een vergunning
hebben als bedoeld in artikel 2:11, 2:16 of2:20 of die een
door de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat
verleende vergunning hebben voor het uitoefenen van het
bedrijf van bank; en
c. vertegenwoordigende
organisaties van onder toezicht staande banken of financiële
instellingen.
3. Bij ministeriële regeling kan
vrijstelling worden geregeld van het eerste lid.
4. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van
het eerste lid, indien de doeleinden die dit artikel beoogt te
bereiken anderszins worden bereikt. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld waaraan de
houder van een ontheffing dient te voldoen en met betrekking tot
het verlenen van de ontheffing.
Afdeling 3.3.2. Deskundigheid,
betrouwbaarheid en integriteit
§ 3.3.2.1. Financiële ondernemingen
met zetel in Nederland
Artikel 3:8
Het dagelijks beleid van een
betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling,
entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of
verzekeraar met zetel in Nederland wordt bepaald door personen die
deskundig zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van de
financiële onderneming.
Artikel 3:9
1. Het beleid van een
betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling,
entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of
verzekeraar met zetel in Nederland wordt bepaald of mede bepaald
door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Indien
binnen de financiële onderneming een orgaan is belast met
toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de
financiële onderneming, wordt dit toezicht gehouden door personen
wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat.
2. De betrouwbaarheid van een
persoon als bedoeld in het eerste lid staat buiten twijfel wanneer
dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van deze
wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante
feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een
nieuwe beoordeling.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
wijze waarop wordt vastgesteld of de betrouwbaarheid van een
persoon als bedoeld in het eerste lid buiten twijfel staat en
welke feiten en omstandigheden daarbij in aanmerking worden
genomen.
Artikel 3:10
1. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar
met zetel in Nederland voert een adequaat beleid dat een integere
uitoefening van haar onderscheidenlijk zijn bedrijf waarborgt.
Hieronder wordt verstaan dat:
a. belangenverstrengeling wordt
tegengegaan;
b. wordt tegengegaan dat de
financiële onderneming of haar werknemers strafbare feiten of
andere wetsovertredingen begaan die het vertrouwen in de
financiële onderneming of in de financiële markten kunnen
schaden;
c. wordt tegengegaan dat wegens
haar cliënten het vertrouwen in de financiële onderneming of
in de financiële markten kan worden geschaad; en
d. wordt tegengegaan dat andere
handelingen door de financiële onderneming of haar werknemers
worden verricht die op een dusdanige wijze ingaan tegen
hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk
verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in de financiële
onderneming of in de financiële markten ernstig kan worden
geschaad.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de minimumvoorwaarden waaraan het beleid, bedoeld in het
eerste lid, moet voldoen.
3. Een financiële onderneming als
bedoeld in het eerste lid verstrekt aan de Nederlandsche Bank bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen informatie over
incidenten die verband houden met de onderwerpen, bedoeld in het
eerste lid.
4. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd,
ontheffing verlenen van het op grond van het tweede lid bepaalde
indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan
worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te
bereiken anderszins worden bereikt.
§ 3.3.2.2. Financiële ondernemingen
met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:11
De artikelen 3:8, 3:9 en 3:10 zijn
van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren
van banken met zetel in een staat die geen lidstaat is.
Artikel 3:12
Artikel 3:10 is van overeenkomstige
toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van
levensverzekeraars of schadeverzekeraars met zetel in een staat die
geen lidstaat is.
§ 3.3.2.2a. Financiële
ondernemingen met zetel in een aangewezen staat [Treedt in werking
per 01-07-2012]
Artikel 3:12a [Treedt in werking per
01-07-2012]
De artikelen 3:9 en 3:10 zijn van
overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van
wisselinstellingen met zetel in een aangewezen staat.
§ 3.3.2.3. Financiële ondernemingen
met zetel in een niet-aangewezen staat
Artikel 3:13
De artikelen 3:8, 3:9 en 3:10 zijn
van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren
van clearinginstellingen met zetel in een niet-aangewezen staat, van
entiteiten voor risico-acceptatie met zetel in een niet-aangewezen
staat en van herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
Artikel 3:14
Artikel 3:10 is van overeenkomstige
toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een
niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland
gelegen bijkantoren.
Afdeling 3.3.3. Structurering en
inrichting
§ 3.3.3.1. Financiële ondernemingen
met zetel in Nederland
Artikel 3:15
1. Ten minste twee natuurlijke
personen bepalen het dagelijks beleid van een betaalinstelling,
een clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank,
premiepensioeninstelling of verzekeraar met zetel in Nederland.
2. De personen die het dagelijks
beleid van een financiële onderneming als bedoeld in het eerste
lid bepalen, verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee
vanuit Nederland.
3. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd,
ontheffing verlenen van het eerste lid aan een clearinginstelling
of verzekeraar indien de aanvrager aantoont dat daaraan
redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die
het eerste lid beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 3:16
1. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar
met zetel in Nederland is niet met personen verbonden in een
formele of feitelijke zeggenschapsstructuur die in zodanige mate
ondoorzichtig is dat deze een belemmering vormt of kan vormen voor
het adequaat uitoefenen van toezicht op die financiële
onderneming.
2. De betaalinstelling, bank,
elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie,
herverzekeraar, levensverzekeraar, premiepensioeninstelling,
schadeverzekeraar is niet met personen verbonden in een formele of
feitelijke zeggenschapsstructuur indien het recht van een staat
die geen lidstaat is, dat op die personen van toepassing is, een
belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van
toezicht op die financiële onderneming.
3. De clearinginstelling of
natura-uitvaartverzekeraar is niet met personen verbonden in een
formele of feitelijke zeggenschapsstructuur indien het recht van
een andere staat, dat op die personen van toepassing is, een
belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van
toezicht op die financiële onderneming.
Artikel 3:17
1. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar
met zetel in Nederland richt de bedrijfsvoering zodanig in dat
deze een beheerste en integere uitoefening van haar
onderscheidenlijk zijn bedrijf waarborgt.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het
eerste lid. Deze regels hebben betrekking op:
a. het beheersen van
bedrijfsprocessen en bedrijfsrisico’s;
b. integriteit, waaronder wordt
verstaan het tegengaan van:
1°.
belangenverstrengeling;
2°. het begaan van
strafbare feiten of andere wetsovertredingen door de
financiële onderneming of haar werknemers, die het
vertrouwen in de financiële onderneming of in de
financiële markten kunnen schaden;
3°. relaties met cliënten
die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de
financiële markten kunnen schaden; en
4°. andere handelingen
door de financiële onderneming of haar werknemers die op
een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het
ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt,
dat hierdoor het vertrouwen in de financiële onderneming
of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad;
c. de soliditeit van de
financiële onderneming, waaronder wordt verstaan:
1°. het beheersen van
financiële risico’s;
2°. het beheersen van
andere risico’s die de soliditeit van de financiële
onderneming kunnen aantasten;
3°. het zorgen voor de
instandhouding van de vereiste financiële waarborgen; en
4°. andere bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen onderwerpen;
d. met betrekking tot banken,
beleggingsondernemingen en financiële instellingen die een
verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel
3:110 hebben, een administratie die zodanig is dat, in geval
van toepassing van het depositogarantiestelsel of het
beleggerscompensatiestelsel, deze geen belemmering vormt of
kan vormen voor de uitbetaling van de vergoeding binnen de
ingevolge artikel 3:261, tweede lid, bepaalde termijn.
3. Onverminderdartikel 4:14 is het
tweede lid, aanhef en onderdeel c, van overeenkomstige toepassing
op beheerders van een beleggingsinstelling, niet zijnde een
instelling voor collectieve belegging in effecten, met zetel in
Nederland die rechten van deelneming in Nederland aanbiedt,
beheerders met zetel in Nederland van een instelling voor
collectieve belegging in effecten, beleggingsinstellingen met
zetel in Nederland die rechten van deelneming in Nederland
aanbieden, beleggingsondernemingen met zetel in Nederland die
beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten
in Nederland en bewaarders die zijn verbonden aan een
beleggingsinstelling met zetel in Nederland die rechten van
deelneming in Nederland aanbiedt.
4. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd,
ontheffing verlenen van het op grond van het tweede lid bepaalde
indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan
worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te
bereiken anderszins worden bereikt, tenzij het op grond van het
tweede lid bepaalde betrekking heeft op het verlenen van een
beleggingsdienst of verrichten van een beleggingsactiviteit of
nevendienst.
Artikel 3:18
1. Indien een financiële
onderneming met zetel in Nederland werkzaamheden uitbesteedt aan
een derde, draagt de financiële onderneming er zorg voor dat deze
derde de ingevolge dit deel met betrekking tot die werkzaamheden
op de uitbestedende financiële onderneming van toepassing zijnde
regels naleeft.
2. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar
besteedt bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
werkzaamheden niet uit.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur:
a. worden in verband met het
toezicht op de naleving van het ingevolge dit deel bepaalde,
regels gesteld met betrekking tot het uitbesteden van
werkzaamheden door financiële ondernemingen;
b. worden regels gesteld met
betrekking tot de beheersing van risico’s die verband houden
met het uitbesteden van werkzaamheden door betaalinstellingen,
clearinginstellingen, elektronischgeldinstellingen, entiteiten
voor risico-acceptatie, banken, premiepensioeninstellingen of
verzekeraars; en
c. worden regels gesteld met
betrekking tot de tussen een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of
verzekeraar en de derde te sluiten overeenkomst met betrekking
tot het uitbesteden van werkzaamheden.
Artikel 3:18a
1. De Nederlandsche Bank evalueert
periodiek volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
te stellen regels de strategieën, procedures en maatregelen
ingevolge artikel 3:17, de liquiditeit en het toetsingsvermogen
van een bank of beleggingsonderneming met zetel in Nederland gelet
op de omvang en de aard van haar huidige en mogelijk toekomstige
risico’s.
2. Op grond van de evaluatie,
bedoeld in het eerste lid, bepaalt de Nederlandsche Bank of de
strategieën, procedures en maatregelen en de door de bank of
beleggingsonderneming aangehouden liquiditeit of het
toetsingsvermogen een degelijk beheer en een solide dekking van de
risico’s waarborgen.
3. De Nederlandsche Bank stemt de
frequentie en de omvang van de evaluatie af op de aard, omvang en
complexiteit van de bank of beleggingsonderneming en het belang
van de werkzaamheden van de desbetreffende financiële onderneming
voor het financiële stelsel.
4. De Nederlandsche Bank
actualiseert de evaluatie ten minste een keer per jaar.
Artikel 3:19
1. Een clearinginstelling of bank
met zetel in Nederland die een naamloze vennootschap of een
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, dan wel
een verzekeraar met zetel in Nederland die een naamloze
vennootschap of Europese vennootschap is, heeft een uit ten minste
drie leden bestaande raad van commissarissen als bedoeld in de
artikelen 140, onderscheidenlijk 250, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
2. Een clearinginstelling of bank
met zetel in Nederland die geen naamloze vennootschap of een
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, heeft een
uit ten minste drie leden bestaand orgaan dat een met die van een
raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft.
3. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd,
ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid indien de
aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden
voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken
anderszins worden bereikt.
Artikel 3:19a
Een premiepensioeninstelling met
zetel in Nederland heeft de rechtsvorm van naamloze vennootschap,
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, stichting of
Europese naamloze vennootschap.
Artikel 3:20
Een verzekeraar met zetel in
Nederland heeft de rechtsvorm van naamloze vennootschap, onderlinge
waarborgmaatschappij of Europese vennootschap.
§ 3.3.3.1a. Financiële
ondernemingen met zetel in een andere lidstaat
Artikel 3:20a
1. Een betaaldienstverlener met
zetel in een andere lidstaat of een elektronischgeldinstelling met
zetel in een andere lidstaat die zijn bedrijf uitoefent vanuit een
in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten
van diensten naar Nederland dan wel betaaldiensten verleent door
tussenkomst van een in Nederland werkzaam zijnde
betaaldienstagent, dient te beschikken over een door de
toezichthoudende instantie van die lidstaat daartoe verleende
vergunning.
2. Artikel 1:107, tweede lid, is
niet van toepassing.
Artikel 3:20b
Een entiteit voor risico-acceptatie,
herverzekeraar, bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met
zetel in een andere lidstaat die haar onderscheidenlijk zijn bedrijf
uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of diensten
verricht naar Nederland dient in die lidstaat bevoegd te zijn tot de
uitoefening van dat bedrijf.
§ 3.3.3.2. Financiële ondernemingen
met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:21
1. Ten minste twee natuurlijke
personen bepalen het dagelijks beleid van een in Nederland gelegen
bijkantoor van een bank met zetel in een staat die geen lidstaat
is.
2. De personen die het dagelijks
beleid van een bijkantoor als bedoeld in het eerste lid bepalen,
verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit Nederland.
Artikel 3:22
De artikelen 3:17, tweede lid, aanhef
en onderdeel c, derde lid, en 3:18, eerste en derde lid, aanhef en
onderdeel a, zijn van overeenkomstige toepassing op
beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is
die beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten
in Nederland.
Artikel 3:23
1. Deartikelen 3:17 en 3:18 zijn
van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren
van levensverzekeraars of schadeverzekeraars met zetel in een
staat die geen lidstaat is.
2. De artikelen 3:17 en 3:18 zijn
van overeenkomstige toepassing op banken met zetel in een staat
die geen lidstaat is.
Artikel 3:24
Een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die
zijn bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of
diensten verricht naar Nederland:
a. is naar het recht van de staat
van zijn zetel rechtspersoon;
b. is in de staat van zijn zetel
bevoegd tot de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar
onderscheidenlijk het bedrijf van schadeverzekeraar; en
c. oefent dit bedrijf
daadwerkelijk uit vanuit een vestiging in die staat.
§ 3.3.3.3. Financiële ondernemingen
met zetel in een niet-aangewezen staat
Artikel 3:24a
De artikelen 3:16 en 3:17 zijn van
overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van
entiteiten voor risico-acceptatie met zetel in een niet-aangewezen
staat.
Artikel 3:24b
De artikelen 3:15 tot en met 3:18
zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen
bijkantoren van herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen
staat.
Artikel 3:25
De artikelen 3:17, tweede lid, aanhef
en onderdeel c, derde en vierde lid, en 3:18, eerste en derde lid,
aanhef en onderdeel a, zijn van overeenkomstige toepassing op
beheerders van een beleggingsinstelling met zetel in een
niet-aangewezen staat die rechten van deelneming in Nederland
aanbiedt, beleggingsinstellingen met zetel in een niet-aangewezen
staat die rechten van deelneming in Nederland aanbieden en
bewaarders die zijn verbonden aan een beleggingsinstelling met zetel
in een niet-aangewezen staat die rechten van deelneming in Nederland
aanbiedt.
Artikel 3:26
De artikelen 3:17 en 3:18 zijn van
overeenkomstige toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel
in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in
Nederland gelegen bijkantoren.
Artikel 3:27
Deartikelen 3:17, 3:18, 3:20a en3:21
zijn van overeenkomstige toepassing op clearinginstellingen met
zetel in een niet-aangewezen staat.
Artikel 3:28
Artikel 3:24 is van overeenkomstige
toepassing op entiteiten voor risico-acceptatie, herverzekeraars met
zetel in een niet-aangewezen staat of natura-uitvaartverzekeraars
met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen
vanuit in Nederland gelegen bijkantoren of door middel van het
verrichten van diensten naar Nederland.
Afdeling 3.3.4. Overige bepalingen
§ 3.3.4.1. Financiële ondernemingen
met zetel in Nederland
Artikel 3:29
1. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, financiële instelling, bank of verzekeraar met
zetel in Nederland geeft kennis van wijzigingen met betrekking tot
onderwerpen waarover ingevolge artikel 2:3b, 2:5, tweede lid,
2:10b, tweede lid, 2:12, derde lid, 2:13, tweede lid, 2:26b, derde
lid, 2:31, derde lid,2:32, tweede lid, 2:33, tweede lid, 2:49,
tweede lid, 2:54b, derde lid,2:107, tweede lid, 2:108, tweede lid,
2:111, tweede lid, 2:112, tweede lid, 2:115, tweede lid, 2:117,
derde lid, 2:118, tweede lid, 2:120, tweede lid, 2:121, tweede
lid, verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de
Nederlandsche Bank.
2. Een clearinginstelling, entiteit
voor risico-acceptatie, financiële instelling, bank of
verzekeraar met zetel in Nederland geeft, onverminderd het eerste
lid, kennis van wijzigingen met betrekking tot onderwerpen
waarover ingevolge artikel 2:108, tweede lid, 2:112, tweede lid,
of 2:115, tweede lid, verstrekking van gegevens is voorgeschreven,
aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de
financiële onderneming haar bedrijf uitoefent vanuit een
bijkantoor.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen
procedures, bepaald van welke wijzigingen kennis wordt gegeven,
welke gegevens daarbij worden verstrekt en, indien van toepassing,
onder welke voorwaarden de wijzigingen ten uitvoer mogen worden
gelegd.
Artikel 3:29a
1. Een betaalinstelling of een
elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland stelt de
geldmiddelen die worden of zijn ontvangen van
betaaldienstgebruikers of andere betaalinstellingen of
elektronischgeldinstellingen op een bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur bepaalde wijze zeker.
2. Een elektronischgeldinstelling
met zetel in Nederland stelt de geldmiddelen die worden of zijn
ontvangen in ruil voor elektronisch geld op een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze zeker.
Artikel 3:29b
Indien een betaalinstelling of
elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland tevens
werkzaamheden verricht die geen verband houden met het verlenen van
betaaldiensten onderscheidenlijk het uitgeven van elektronisch geld,
kan de Nederlandsche Bank de betaalinstelling of
elektronischgeldinstelling verplichten die werkzaamheden te doen
verrichten door een aparte rechtspersoon indien het verrichten van
die werkzaamheden afbreuk doet of dreigt te doen aan:
a. de financiële soliditeit van
de betaalinstelling of de elektronischgeldinstelling, of
b. het toezicht op de naleving
van deze wet.
Artikel 3:29c
1. Een betaalinstelling of
elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland houdt alleen
betaalrekeningen aan die uitsluitend voor betalingstransacties
worden gebruikt.
2. Geldmiddelen die een
betaalinstelling of elektronischgeldinstelling met zetel in
Nederland in verband met het verlenen van betaaldiensten van
betaaldienstgebruikers ontvangt, zijn, in afwijking van artikel
1:1, geen opvorderbare gelden.
3. Geldmiddelen die door een
elektronischgeldinstelling zijn ontvangen in ruil voor
elektronisch geld, zijn, in afwijking van artikel 1:1, geen
opvorderbare gelden.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het
verlenen van de onder 4, 5 en 7 van de bijlage bij de richtlijn
betaaldiensten bedoelde kredieten door betaalinstellingen of
elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland.
Artikel 3:30
1. Een bank of verzekeraar met
zetel in Nederland die tot ontbinding dan wel algehele of
gedeeltelijke liquidatie van haar of zijn bedrijf heeft besloten,
raadpleegt de Nederlandsche Bank over de wijze waarop de
ontbinding onderscheidenlijk de liquidatie zal plaatsvinden ten
minste dertien weken voordat aan de beslissing uitvoering wordt
gegeven.
2. De Nederlandsche Bank kan de
termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten.
3. De Nederlandsche Bank wordt
aangemerkt als een belanghebbende in de zin van artikel 23, tweede
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4. Ingeval een financiële
onderneming als bedoeld in het eerste lid besluit tot ontbinding
en geen rechtspersoonlijkheid bezit, is het bepaalde in de
artikelen 19, vierde lid, 23, eerste en tweede lid, 23a, eerste
lid, en 23c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van
overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van de artikelen
23, eerste lid, en 23a, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek gelden de beherende vennoten als bestuurders en geldt de
vennootschapsovereenkomst als statuten.
Artikel 3:31
Een bank met zetel in Nederland die
een dochtermaatschappij is van een bank met zetel in een staat die
geen lidstaat is, staat in de staat waar de laatstbedoelde bank haar
zetel heeft onder voldoende geconsolideerd toezicht.
Artikel 3:32
Het is een bank met zetel in
Nederland die een vergunning heeft voor de uitoefening van het
bedrijf van bank toegestaan ten minste de werkzaamheden genoemd in
bijlage I van de herziene richtlijn banken te verrichten, tenzij in
de vergunning uitdrukkelijk anders is bepaald.
Artikel 3:33
Indien een financiële onderneming
een vergunning heeft voor het uitoefenen van het bedrijf van bank en
deze vergunning omvat niet het verlenen van beleggingsdiensten of
het verrichten van beleggingsactiviteiten, kan zij een uitbreiding
van de vergunning met deze activiteiten aanvragen, indien zij ervoor
zorgt en aantoont dat wordt voldaan aan het bepaalde ingevolge de
artikelen 4:91a, met betrekking tot de eisen die gelden voor het
handelsproces en de afhandeling van transacties in een multilaterale
handelsfaciliteit indien de aanvrager voornemens is een
multilaterale handelsfaciliteit te exploiteren, 4:14, tweede lid,
onderdeel c, onder 1° tot en met 6° en 4:87 en met betrekking tot
de aanvraag van de vergunning.
Artikel 3:34
Een elektronischgeldinstelling geeft
geen elektronisch geld uit via een agent.
Artikel 3:35 [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 3:35a
1. Een premiepensioeninstelling met
zetel in Nederland wordt op basis van kapitaaldekking
gefinancierd.
2. Een premiepensioeninstelling met
zetel in Nederland is onafhankelijk van enige bijdragende
onderneming of bedrijfstak waarvoor premieregelingen worden
uitgevoerd.
Artikel 3:36
1. Het is een financiële
onderneming met zetel in Nederland die een vergunning voor de
uitoefening van het bedrijf van herverzekeraar, levensverzekeraar,
natura-uitvaartverzekeraar, premiepensioeninstelling of
schadeverzekeraar heeft, verboden een ander bedrijf dan het
bedrijf waarvoor de vergunning is verleend, uit te oefenen.
2. In afwijking van het eerste lid
is het:
a. verzekeraars toegestaan
handelsactiviteiten te verrichten die voortvloeien uit hun
verzekeringsbedrijf en is het levensverzekeraars die een
vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van
levensverzekeraar hebben, toegestaan het bedrijf van
natura-uitvaartverzekeraar uit te oefenen zonder een
vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van
natura-uitvaartverzekeraar;
b. levensverzekeraars,
natura-uitvaartverzekeraars en schadeverzekeraars toegestaan
het bedrijf van herverzekeraar uit te oefenen in de activiteit
levensherverzekering, natura-uitvaartherverzekering
onderscheidenlijk schadeherverzekering zonder een vergunning
voor de uitoefening van het bedrijf van herverzekeraar in de
desbetreffende activiteit, met dien verstande dat
levensverzekeraars en schadeverzekeraars het bedrijf van
herverzekeraar alleen mogen uitoefenen met betrekking tot de
risico’s van de branches waarvoor zij een vergunning hebben;
c. premiepensioeninstellingen
die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:54g, eerste
lid, toegestaan te adviseren, bemiddelen of op te treden als
gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent in
verzekeringen in Nederland, voorzover het aan hen ingevolge
die vergunning is toegestaan te adviseren, bemiddelen of op te
treden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent
in verzekeringen.
3. Het is een levensverzekeraar of
een schadeverzekeraar die een vergunning voor de uitoefening van
het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk
schadeverzekeraar heeft, verboden dat bedrijf in een andere
branche uit te oefenen dan de branche of branches waarvoor de
vergunning is verleend.
4. Op een levensverzekeraar met
zetel in Nederland die een vergunning heeft voor de branche
Levensverzekering algemeen en die uitsluitend het bedrijf van
natura-uitvaartverzekeraar uitoefent, zijn de bepalingen inzake de
uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar van toepassing.
5. Op levensverzekeraars,
natura-uitvaartverzekeraars of schadeverzekeraars met zetel in
Nederland die tevens het bedrijf van herverzekeraar uitoefenen in
de activiteit levensherverzekering, natura-uitvaartherverzekering
onderscheidenlijk schadeherverzekering, zijn de bepalingen inzake
de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar,
natura-uitvaartverzekeraar onderscheidenlijk schadeherverzekeraar
van toepassing, voor zover niet anders is bepaald.
6. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur wordt, in afwijking van het derde lid,
bepaald welke risico’s die behoren tot een andere branche dan de
branche of branches waarvoor een vergunning voor de uitoefening
van het bedrijf van schadeverzekeraar is verleend als bijkomend
risico mogen worden verzekerd, alsmede welke risico’s niet als
bijkomende risico’s met andere branches mogen worden
gecombineerd.
Artikel 3:37
1.Een levensverzekeraar,
natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in
Nederland die voornemens is vanuit een buiten Nederland gelegen
bijkantoor zijn bedrijf uit te oefenen, stelt als zijn
vertegenwoordiger een persoon aan.
2.De vertegenwoordiger heeft ten
aanzien van de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar
of schadeverzekeraar vanuit de bijkantoren van rechtswege alle
bevoegdheden die een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid
heeft. Hij maakt daarvan in ieder geval gebruik indien de
Nederlandsche Bank zulks met het oog op de naleving van het
ingevolge dit deel bepaalde verlangt.
3.Indien de vertegenwoordiger
rechtspersoon is, wijst hij op zijn beurt een natuurlijke persoon
aan die hem bij uitsluiting van ieder ander vertegenwoordigt bij
de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de nakoming van zijn
verplichtingen.
4.De artikelen 3:8 en 3:9 zijn van
overeenkomstige toepassing op de persoon die als vertegenwoordiger
van een verzekeraar is aangesteld en op de natuurlijke persoon,
bedoeld in het derde lid.
Artikel 3:38
Het is een schadeverzekeraar met
zetel in Nederland verboden schaden te verzekeren veroorzaakt door
of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand,
binnenlandse onlusten, oproer of muiterij die zich in Nederland
voordoen. In zee-, transport-, luchtvaart- en reisverzekeringen is
het evenwel toegestaan risico’s van molest te verzekeren in de
algemeen gebruikelijke molestclausules zolang de Nederlandsche Bank
daartegen geen bedenkingen naar voren heeft gebracht.
Artikel 3:38a
Het is een entiteit voor
risico-acceptatie met zetel in Nederland die een vergunning heeft
voor het verrichten van haar werkzaamheden verboden andere
werkzaamheden uit te oefenen dan de werkzaamheden waarvoor de
vergunning is verleend. In afwijking daarvan is het entiteiten voor
risico-acceptatie met zetel in Nederland toegestaan
handelsactiviteiten te verrichten die voortvloeien uit hun bedrijf.
Artikel 3:38b
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot
voorwaarden die in door entiteiten voor risico-acceptatie gesloten
overeenkomsten worden opgenomen.
§ 3.3.4.2. Financiële ondernemingen
met zetel in een andere lidstaat
Artikel 3:39
1. Het is een bank met zetel in een
andere lidstaat die vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor
haar bedrijf uitoefent toegestaan ten minste de werkzaamheden,
genoemd in bijlage I van de herziene richtlijn banken, te
verrichten, tenzij in de in die lidstaat verleende vergunning
uitdrukkelijk anders is bepaald dan wel de mededeling, bedoeld in
artikel 2:14, eerste lid, het verrichten van die werkzaamheden
niet vermeldt.
2. Het is een bank met zetel in een
andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent door middel van het
verrichten van diensten naar Nederland, toegestaan ten minste de
werkzaamheden genoemd in bijlage I van de herziene richtlijn
banken te verrichten, tenzij in de in die lidstaat verleende
vergunning uitdrukkelijk anders is bepaald dan wel zij van de
werkzaamheden die zij voornemens is door middel van het verrichten
van diensten naar Nederland uit te oefenen geen kennis heeft
gegeven aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar zij
haar zetel heeft.
Artikel 3:39a
De artikelen 3:29a, 3:29b, 3:29c en
3:34 zijn van overeenkomstige toepassing op betaaldienstverleners
met zetel in een andere lidstaat en elektronischgeldinstellingen met
zetel in een andere lidstaat die vanuit een bijkantoor dan wel door
middel van het verrichten van diensten in Nederland hun bedrijf
uitoefenen.
Artikel 3:40
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het adres van
de door een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een
andere lidstaat aangestelde vertegenwoordiger waaraan rechtsgeldig
mededelingen kunnen worden gedaan, en wordt geregeld onder welke
omstandigheden de vertegenwoordiger ophoudt vertegenwoordiger te
zijn.
Artikel 3:41
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de voorwaarden,
waaronder wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover
krachtens de artikelen 2:17, tweede lid, 2:36, derde lid, of 2:37,
tweede lid, de Nederlandsche Bank gegevens heeft ontvangen, ten
uitvoer mogen worden gelegd.
Artikel 3:42
Een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat geeft kennis van
wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover krachtens
artikel 2:39, eerste lid, verstrekking van gegevens is
voorgeschreven, aan de Nederlandsche Bank. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen
procedures, bepaald welke gegevens daarbij worden verstrekt en,
indien van toepassing, onder welke voorwaarden de wijzigingen ten
uitvoer mogen worden gelegd.
§ 3.3.4.3. Financiële ondernemingen
met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:43
1. De artikelen 3:32, 3:36, 3:38
en3:108a zijn van overeenkomstige toepassing op een bank,
levensverzekeraar en schadeverzekeraar met zetel in een staat die
geen lidstaat is, die vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor
haar onderscheidenlijk zijn bedrijf uitoefent, voorzover deze
artikelen betrekking hebben op de desbetreffende financiële
ondernemingen.
2. Een bank of levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die
vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor haar onderscheidenlijk
zijn bedrijf uitoefent, geeft kennis van wijzigingen met
betrekking tot onderwerpen waarover krachtens artikel 2:21, tweede
lid, 2:41, tweede lid, 2:42, tweede lid, 2:43, tweede lid, of
2:46, tweede lid, verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan
de Nederlandsche Bank. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen procedures,
bepaald welke gegevens daarbij worden verstrekt en, indien van
toepassing, onder welke voorwaarden de wijzigingen ten uitvoer
mogen worden gelegd.
Artikel 3:44
1. Een bank, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die
tot ontbinding dan wel algehele of gedeeltelijke liquidatie van
haar of zijn in Nederland gelegen bijkantoor heeft besloten,
raadpleegt de Nederlandsche Bank over de wijze waarop de
ontbinding onderscheidenlijk de liquidatie zal plaatsvinden ten
minste dertien weken voordat aan de beslissing uitvoering wordt
gegeven.
2. Artikel 3:30, tweede tot en met
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:45
Indien een financiële onderneming
een vergunning heeft voor het uitoefenen van het bedrijf van bank en
deze vergunning omvat niet het verlenen van beleggingsdiensten of
het verrichten van beleggingsactiviteiten, kan zij een uitbreiding
van de vergunning met deze activiteiten aanvragen, indien zij ervoor
zorgt en aantoont dat wordt voldaan aan het bepaalde ingevolge de
artikelen 4:91a, met betrekking tot de eisen die gelden voor het
handelsproces en de afhandeling van transacties in een multilaterale
handelsfaciliteit indien de aanvrager voornemens is een
multilaterale handelsfaciliteit te exploiteren, 4:14, tweede lid,
onderdeel c, onder 1° tot en met 6° en 4:87 en met betrekking tot
de aanvraag van de vergunning.
Artikel 3:46
Een bank met zetel in een staat die
geen lidstaat is die vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor haar
bedrijf uitoefent en die een dochteronderneming is van een bank met
zetel in een staat die geen lidstaat is, staat in de staat waar de
laatstbedoelde bank haar zetel heeft onder voldoende geconsolideerd
toezicht.
Artikel 3:47
1.Een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, die
voornemens is vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor zijn
bedrijf uit te oefenen, stelt als zijn vertegenwoordiger een
persoon aan die zijn woonplaats in Nederland heeft.
2.De vertegenwoordiger van een
verzekeraar heeft ten aanzien van de uitoefening van het bedrijf
van levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar vanuit
de in Nederland gelegen bijkantoren van rechtswege alle
bevoegdheden die de levensverzekeraar onderscheidenlijk
schadeverzekeraar heeft. Hij maakt daarvan gebruik voorzover de
Nederlandsche Bank zulks met het oog op de naleving van het
ingevolge dit deel bepaalde verlangt.
3.De vertegenwoordiger van een
verzekeraar voldoet namens de verzekeraar aan de ingevolge deze
wet gestelde regels. Het ontbreken van de vertegenwoordiger of
zijn in gebreke zijn, ontslaat de schadeverzekeraar
onderscheidenlijk levensverzekeraar niet van de verplichting deze
regels na te leven.
4.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd,
ontheffing verlenen van het derde lid, eerste zin, indien de
aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden
voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken
anderszins worden bereikt.
5.Is de vertegenwoordiger van de
verzekeraar rechtspersoon, dan wijst hij op zijn beurt een
natuurlijke persoon aan die in Nederland zijn woonplaats heeft en
die hem bij uitsluiting van ieder ander vertegenwoordigt bij de
uitoefening van zijn bevoegdheden en van zijn uit deze wet
voortvloeiende verplichtingen.
6.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het
adres van de door een levensverzekeraar of een schadeverzekeraar
met zetel in een staat die geen lidstaat is aangestelde
vertegenwoordiger waaraan rechtsgeldig mededelingen kunnen worden
gedaan, en wordt geregeld onder welke omstandigheden de
vertegenwoordiger ophoudt vertegenwoordiger te zijn en wordt de
opvolging van de vertegenwoordiger geregeld.
7.Als woonplaats van de verzekeraar
in Nederland geldt de woonplaats van zijn vertegenwoordiger, met
dien verstande dat, indien de vertegenwoordiger een natuurlijke
persoon is die een kantoor houdt, dit kantoor als woonplaats van
de verzekeraar wordt aangemerkt.
8.De artikelen 3:8 en 3:9 zijn van
overeenkomstige toepassing op de persoon die als vertegenwoordiger
van een verzekeraar is aangesteld en natuurlijke persoon is en op
de natuurlijke persoon, bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 3:48
1. Een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die
door middel van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit
een vestiging in een staat die geen lidstaat is zijn bedrijf
uitoefent, geeft kennis van wijzigingen met betrekking tot
onderwerpen waarover ingevolge artikel 2:45, tweede lid,
verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de Nederlandsche
Bank.
2. Een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die
door middel van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit
een bijkantoor in een andere lidstaat zijn bedrijf uitoefent,
geeft kennis van wijzigingen met betrekking tot onderwerpen
waarover ingevolge artikel 2:46, tweede lid, verstrekking van
gegevens is voorgeschreven, aan de Nederlandsche Bank.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen
procedure, bepaald van welke wijzigingen kennis wordt gegeven,
welke gegevens daarbij worden verstrekt en, indien van toepassing,
onder welke voorwaarden de wijzigingen ten uitvoer mogen worden
gelegd.
§ 3.3.4.4. Financiële ondernemingen
met zetel buiten Nederland
Artikel 3:49
Artikel 3:29 is van overeenkomstige
toepassing op clearinginstellingen, entiteiten voor
risico-acceptatie, herverzekeraars en natura-uitvaartverzekeraars
die gegevens hebben verstrekt ingevolge de artikelen 2:7, tweede
lid, 2:9, eerste lid, 2:26f, tweede lid, 2:51, tweede lid, 2:53,
eerste lid, 2:54e, tweede lid, onderscheidenlijk 2:54f, tweede lid.
Artikel 3:50
1. Artikel 3:44 is van
overeenkomstige toepassing op natura-uitvaartverzekeraars,
entiteiten voor risico-acceptatie en herverzekeraars met zetel in
een niet-aangewezen staat.
2. Artikel 3:47 is van
overeenkomstige toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met
zetel buiten Nederland.
Artikel 3:51
Het is een natura-uitvaartverzekeraar
met zetel in een niet-aangewezen staat verboden vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor een ander bedrijf dan het bedrijf van
natura-uitvaartverzekeraar uit te oefenen.
Artikel 3:52
Een natura-uitvaartverzekeraar met
zetel in een niet-aangewezen staat die door middel van het
verrichten van diensten naar Nederland zijn bedrijf uitoefent, geeft
kennis van wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover
ingevolge artikel 2:53 verstrekking van gegevens is voorgeschreven,
aan de Nederlandsche Bank. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen procedures, bepaald
van welke wijzigingen kennis wordt gegeven, welke gegevens daarbij
worden verstrekt en, indien van toepassing, onder welke voorwaarden
de wijzigingen ten uitvoer mogen worden gelegd.
Afdeling 3.3.5. Minimum vermogen
§ 3.3.5.1. Financiële ondernemingen
met zetel in Nederland
Artikel 3:53
1. Een beheerder van een
beleggingsinstelling, niet zijnde een instelling voor collectieve
belegging in effecten, met zetel in Nederland die rechten van
deelneming in Nederland aanbiedt, een beheerder met zetel in
Nederland van een instelling voor collectieve belegging in
effecten, een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die
beleggingsdiensten verleent of beleggingsactiviteiten verricht in
Nederland, een betaalinstelling, een bewaarder die is verbonden
aan een beleggingsinstelling met zetel in Nederland waarvan
rechten van deelneming in Nederland worden aangeboden, een
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, een entiteit voor
risico-acceptatie, bank, pensioenbewaarder,
premiepensioeninstelling of verzekeraar met zetel in Nederland
beschikt over een minimumbedrag aan eigen vermogen.
2. Onverminderd het eerste lid
beschikt een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid over
financiële middelen tot dekking van de kosten voor de inrichting
van de administratie en van het productienet.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
omvang en de samenstelling van het minimumbedrag aan eigen
vermogen. Bij de vaststelling van het minimumbedrag aan eigen
vermogen wordt bepaald wat daarbij voor de onderscheiden
rechtsvormen onder eigen vermogen wordt verstaan.
4. Het minimumbedrag aan eigen
vermogen van een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid wordt
uitgedrukt in het minimumbedrag van het garantiefonds.
5. Indien een beheerder, niet
zijnde een beheerder van een instelling voor collectieve belegging
in effecten, pensioenbewaarder of bewaarder als bedoeld in het
eerste lid voorziet of redelijkerwijze kan voorzien dat zijn
minimumbedrag aan eigen vermogen niet voldoet of niet zal voldoen
aan de regels, bedoeld in het derde lid, geeft hij hiervan
onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank.
6. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd,
aan een beheerder, beleggingsonderneming, bewaarder,
clearinginstelling, bank of premiepensioeninstelling als bedoeld
in het eerste lid ontheffing verlenen van het eerste of derde lid,
indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan
worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te
bereiken anderszins worden bereikt.
§ 3.3.5.2. Financiële ondernemingen
met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:54
1. Artikel 3:53, eerste, derde,
vierde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op
beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat
is die beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten
verrichten in Nederland, en banken, levensverzekeraars en
schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is die
hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.
2. Artikel 3:53, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en
schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is die
hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het
minimumbedrag van het garantiefonds en de lokalisatie van de
waarden die de solvabiliteitsmarge van het bijkantoor van de
levensverzekeraar of schadeverzekeraar vertegenwoordigen. Hierbij
kan worden bepaald dat de levensverzekeraar of schadeverzekeraar
voor bepaalde handelingen toestemming van de Nederlandsche Bank
behoeft.
§ 3.3.5.3. Financiële ondernemingen
met zetel in een niet-aangewezen staat
Artikel 3:55
1. Artikel 3:53, eerste, derde,
vierde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op
beheerders van een beleggingsinstelling met zetel in een
niet-aangewezen staat die rechten van deelneming in Nederland
aanbiedt, bewaarders die zijn verbonden aan een
beleggingsinstelling met zetel in een niet-aangewezen staat
waarvan rechten van deelneming in Nederland worden aangeboden, en
clearinginstellingen en natura-uitvaartverzekeraars met zetel in
een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in
Nederland gelegen bijkantoren. Artikel 3:53, vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing op beheerders en bewaarders als bedoeld
in de vorige volzin.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het
minimumbedrag van het garantiefonds en de lokalisatie van de
waarden die de solvabiliteitsmarge van het bijkantoor van de
natura-uitvaartverzekeraar vertegenwoordigen. Hierbij kan worden
bepaald dat de natura-uitvaartverzekeraar voor bepaalde
handelingen toestemming van de Nederlandsche Bank behoeft.
Artikel 3:55a
1.Artikel 3:53, eerste tot en met
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op entiteiten voor
risico-acceptatie en herverzekeraars met zetel in een
niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in
Nederland gelegen bijkantoren.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het
minimumbedrag van het garantiefonds.
Artikel 3:56
Artikel 3:53, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel
in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in
Nederland gelegen bijkantoren.
Afdeling 3.3.6. Solvabiliteit
§ 3.3.6.1. Financiële ondernemingen
met zetel in Nederland
Artikel 3:57
1. Een beheerder met zetel in
Nederland van een instelling voor collectieve belegging in
effecten, een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die
beleggingsdiensten verleent of beleggingsactiviteiten verricht in
Nederland, een betaalinstelling, clearinginstelling,
elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank
of verzekeraar met zetel in Nederland beschikt over voldoende
solvabiliteit.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden voor beheerders,
beleggingsondernemingen, betaalinstellingen, clearinginstellingen,
elektronischgeldinstellingen, banken en verzekeraars, bedoeld in
het eerste lid, regels gesteld met betrekking tot de berekening
van de minimumomvang van de solvabiliteit, de samenstelling van de
solvabiliteit en de waardering van de vermogensbestanddelen die
tot de solvabiliteit kunnen worden gerekend. Tevens worden regels
gesteld met betrekking tot het in het vierde lid bedoelde
garantiefonds. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
kunnen voor een entiteit voor risico-acceptatie regels worden
gesteld met betrekking tot de in de eerste volzin genoemde
onderwerpen.
3. De aan te houden solvabiliteit
van een beheerder, beleggingsonderneming, betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling of bank als bedoeld
in het eerste lid, wordt uitgedrukt in een toetsingsvermogen. De
aan te houden solvabiliteit van een entiteit voor
risico-acceptatie of verzekeraar als bedoeld in het eerste lid,
wordt uitgedrukt in een solvabiliteitsmarge.
4. Een derde gedeelte van het
overeenkomstig het tweede lid berekende minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge van een entiteit voor risico-acceptatie of
verzekeraar als bedoeld in het eerste lid, is het garantiefonds.
5. Indien een financiële
onderneming als bedoeld in het eerste lid voorziet of
redelijkerwijze kan voorzien dat haar solvabiliteit niet voldoet
of niet zal voldoen aan de regels, bedoeld in het tweede lid,
geeft zij hiervan onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank.
6. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het
aanhouden van balansposten of posten buiten de balanstelling door
beheerders, beleggingsondernemingen, clearinginstellingen en
banken, bedoeld in het eerste lid, instellingen voor collectieve
belegging in effecten die een beleggingsmaatschappij zijn met
zetel in Nederland en bewaarders die zijn verbonden aan een
instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in
Nederland.
7. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd,
aan een beheerder, beleggingsonderneming, clearinginstelling, of
bank als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen van
ingevolge het eerste, tweede of zesde lid bepaalde, indien de
aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden
voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken
anderszins worden bereikt.
§ 3.3.6.2. Financiële ondernemingen
met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:58
1. Artikel 3:57 is van
overeenkomstige toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in
een staat die geen lidstaat is die beleggingsdiensten verlenen of
beleggingsactiviteiten verrichten in Nederland, en banken,
levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat
die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen vanuit in
Nederland gelegen bijkantoren.
2. Artikel 3:57 is van
overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en
schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is die
hun bedrijf uitoefenen door middel van het verrichten van diensten
naar Nederland vanuit een vestiging in een staat die geen lidstaat
is.
Artikel 3:59
1.Artikel 3:57 is van
overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van
levensverzekeraars of schadeverzekeraars met zetel in een staat
die geen lidstaat is.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het
garantiefonds en de lokalisatie van de waarden die de
solvabiliteitsmarge van het bijkantoor van een financiële
onderneming als bedoeld in het eerste lid vertegenwoordigen.
Artikel 3:60
1.Aan een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die
zijn bedrijf uitoefent of wil uitoefenen vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor en vanuit een in een andere lidstaat gelegen
bijkantoor kan op aanvraag ontheffing worden verleend van het bij
of krachtens deartikelen 3:54, eerste en derde lid, en 3:59
bepaalde, ertoe leidend dat:
a. de solvabiliteitsmarge wordt
berekend op basis van het gehele bedrijf van de
levensverzekeraar of schadeverzekeraar dat de
levensverzekeraar onderscheidenlijk de schadeverzekeraar
vanuit de in de lidstaten gelegen bijkantoren uitoefent;
b. de waarden die het
garantiefonds vertegenwoordigen in de lidstaat aanwezig zijn
van waaruit het toezicht op de solvabiliteitsmarge van het
bijkantoor wordt uitgeoefend; en
c. ten minste de helft van het
minimumbedrag van het garantiefonds wordt aangehouden in
waarden volgens de terzake geldende voorschriften in de
lidstaat van waaruit het toezicht op de solvabiliteitsmarge
van het bijkantoor wordt uitgeoefend.
2.De aanvraag voor de ontheffing
bevat een gemotiveerde keuze van de toezichthoudende instantie die
zich zal belasten met het toezicht op de solvabiliteitsmarge,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
§ 3.3.6.3. Financiële ondernemingen
met zetel in een niet-aangewezen staat
Artikel 3:61
1.Artikel 3:57 is van
overeenkomstige toepassing op clearinginstellingen, entiteiten
voor risico-acceptatie, herverzekeraars en
natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat
die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen
bijkantoren.
2.Artikel 3:57 is van
overeenkomstige toepassing op entiteiten voor risico-acceptatie,
herverzekeraars of natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een
niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen door middel van
het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in
een niet-aangewezen staat.
Artikel 3:62
1. Artikel 3:57 is van
overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van
entiteiten voor risico-acceptatie, herverzekeraars met zetel in
een niet-aangewezen staat en op bijkantoren van
natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen
staat.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
lokalisatie van de waarden die de solvabiliteitsmarge van het
bijkantoor van een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een
niet-aangewezen staat vertegenwoordigen.
Afdeling 3.3.7. Liquiditeit
§ 3.3.7.1. Financiële ondernemingen
met zetel in Nederland
Artikel 3:63
1. Een beleggingsinstelling met
zetel in Nederland waarvan in Nederland de rechten van deelneming
op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of
indirect worden ingekocht of terugbetaald, een clearinginstelling
of bank met zetel in Nederland beschikt over voldoende
liquiditeit.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
minimumomvang, de samenstelling en de berekening van de
liquiditeit van een financiële onderneming als bedoeld in het
eerste lid.
3. Indien een financiële
onderneming als bedoeld in het eerste lid voorziet of
redelijkerwijze kan voorzien dat haar liquiditeit niet voldoet of
niet zal voldoen aan de regels, bedoeld in het tweede lid, doet
zij hiervan onverwijld mededeling aan de Nederlandsche Bank.
4. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd,
ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid, indien de
aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden
voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken
anderszins worden bereikt.
§ 3.3.7.2. Financiële ondernemingen
met zetel in een andere lidstaat
Artikel 3:64
Artikel 3:63 is van overeenkomstige
toepassing op banken met zetel in een andere lidstaat die hun
bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.
§ 3.3.7.3. Financiële ondernemingen
met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:65
Artikel 3:63 is van overeenkomstige
toepassing op banken met zetel in een staat die geen lidstaat is die
hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.
§ 3.3.7.4. Financiële ondernemingen
met zetel in een niet-aangewezen staat
Artikel 3:66
Artikel 3:63 is van overeenkomstige
toepassing op beleggingsinstellingen met zetel in een
niet-aangewezen staat waarvan in Nederland de rechten van deelneming
op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of
indirect worden ingekocht of terugbetaald en clearinginstellingen
met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen
vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.
Afdeling 3.3.8. Technische
voorzieningen
§ 3.3.8.1. Verzekeraars met zetel in
Nederland
Artikel 3:67
1.Een entiteit voor
risico-acceptatie of verzekeraar met zetel in Nederland houdt
toereikende technische voorzieningen aan. De technische
voorzieningen worden volledig door waarden gedekt.
2.Een levensverzekeraar met zetel
in Nederland stelt, rekening houdend met alle financiële aspecten
van zijn onderneming, de premies voor te sluiten
levensverzekeringen op adequate wijze vast.
3.Een levensverzekeraar,
schadeverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar dekt de
verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen als bedoeld in
artikel 3:198, tweede lid, onderdelen b, c en d, derde lid,
onderdelen a, b en c, dan wel vierde lid, onderdelen a, b en c,
volledig door waarden.
4.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:
a. het bepaalde in het eerste
en derde lid; en
b. de lokalisatie van de
waarden, bedoeld in het eerste en derde lid, en de muntsoort
waarin die waarden luiden.
5.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd,
ontheffing verlenen van het op grond van het vierde lid, onderdeel
a, voor zover het regels betreft met betrekking tot de dekking
door waarden van de technische voorzieningen en de verplichtingen,
bedoeld in het derde lid, of onderdeel b, bepaalde, indien de
aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden
voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken
anderszins worden bereikt.
§ 3.3.8.2. Levensverzekeraars en
schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:68
1. Een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is,
houdt voor zijn vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor
aangegane verplichtingen uit levensverzekeringen onderscheidenlijk
schadeverzekeringen toereikende technische voorzieningen aan. De
technische voorzieningen worden volledig door waarden gedekt.
2. Artikel 3:67, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars als bedoeld in
het eerste lid.
3. De levensverzekeraar of
schadeverzekeraar dekt de verplichtingen die voortvloeien uit
vorderingen als bedoeld in artikel 3:198, tweede lid, onderdelen
b, c en d, dan wel derde lid, onderdelen a, b en c, volledig door
waarden.
4. Artikel 3:67, vierde en vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en
schadeverzekeraars.
§ 3.3.8.3. Herverzekeraars met zetel
in een niet-aangewezen staat en natura-uitvaartverzekeraars met
zetel in een niet-aangewezen staat
Artikel 3:68a
1.Een entiteit voor
risico-acceptatie of herverzekeraar met zetel in een
niet-aangewezen staat houdt voor zijn vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor aangegane verplichtingen uit herverzekeringen
toereikende technische voorzieningen aan. De technische
voorzieningen worden volledig door waarden gedekt.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot het eerste lid.
3.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd,
ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien de
aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden
voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken
anderszins worden bereikt.
Artikel 3:69
1.Een natura-uitvaartverzekeraar
met zetel in een niet-aangewezen staat houdt voor zijn vanuit een
in Nederland gelegen bijkantoor aangegane verplichtingen uit
natura-uitvaartverzekeringen toereikende technische voorzieningen
aan. De technische voorzieningen worden volledig door waarden
gedekt.
2.De natura-uitvaartverzekeraar
dekt de verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen als
bedoeld in artikel 3:198, vierde lid, onderdelen a, b en c,
volledig door waarden.
3.Artikel 3:67, vierde en vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing op
natura-uitvaartverzekeraars.
Afdeling 3.3.9. Boekhouding en
rapportage
§ 3.3.9.1. Financiële ondernemingen
met zetel in Nederland
Artikel 3:70
1. Een entiteit voor
risico-acceptatie of verzekeraar met zetel in Nederland doet het
boekjaar gelijk lopen met het kalenderjaar.
2. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van
het eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat daaraan
redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die
dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 3:71
1. Een betaalinstelling,
clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor
risico-acceptatie, bank, pensioenbewaarder,
premiepensioeninstelling of verzekeraar met zetel in Nederland
verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de
Nederlandsche Bank de jaarrekening, het jaarverslag en de overige
gegevens, bedoeld in de artikelen 361, eerste lid,
onderscheidenlijk 391, eerste lid, en 392, eerste lid, onderdelen
a tot en met h, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
wijze van de verstrekking van de jaarrekening, het jaarverslag en
de overige gegevens.
3. Onverminderd het bepaalde in
Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kan de Nederlandsche
Bank op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde
tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager
aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat
de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden
bereikt.
Artikel 3:72
1. Een beleggingsonderneming met
zetel in Nederland die beleggingsdiensten verleent of
beleggingsactiviteiten verricht in Nederland, een
betaalinstelling, een clearinginstelling,
elektronischgeldinstelling, bank of premiepensioeninstelling met
zetel in Nederland verstrekt periodiek binnen de daartoe
vastgestelde termijnen staten aan de Nederlandsche Bank, al dan
niet tevens op geconsolideerde basis, die deze nodig heeft voor
het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit deel
bepaalde.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op financiële ondernemingen als bedoeld in het eerste
lid, waaraan een ontheffing als bedoeld inartikel 3:57, zevende
lid, of 3:63, vierde lid, is verleend.
3. Een entiteit voor
risico-acceptatie of verzekeraar met zetel in Nederland verstrekt
periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen staten aan de
Nederlandsche Bank, die deze nodig heeft voor het toezicht op de
naleving van het bij of krachtens dit deel bepaalde.
4. Indien een levensverzekeraar of
natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland een nieuw type
levensverzekering of natura-uitvaartverzekering heeft gesloten,
voegt hij bij de staten een opgave van de technische grondslagen
voor de berekening van het desbetreffende tarief en van de
desbetreffende technische voorzieningen. De levensverzekeraar of
natura-uitvaartverzekeraar voegt bij de staten eveneens een opgave
van de wijzigingen in de technische grondslagen voor de berekening
van zijn tarieven en van de technische voorzieningen.
5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
inhoud en de modellen van de staten en de wijze, de periodiciteit
en de termijnen van de verstrekking, en wordt bepaald welke staten
worden verstrekt en welke staten openbaar worden gemaakt.
6. De Nederlandsche Bank kan,
indien zich een gebeurtenis voordoet of heeft voorgedaan die
ernstige gevolgen heeft of kan hebben voor de financiële positie
van een financiële onderneming als bedoeld in het eerste of derde
lid, voorschrijven dat een of meer staten tijdelijk worden
verstrekt met een hogere frequentie of op een kortere termijn dan
ingevolge het vijfde lid is bepaald. Deze staten worden niet
openbaar gemaakt.
7. Staten, verstrekt door een
clearinginstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank of
verzekeraar, zijn periodiek voorzien van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een accountant. De Nederlandsche Bank
kan bepalen dat staten, verstrekt door een beleggingsonderneming,
voorzien zijn van een verklaring als bedoeld in de eerste volzin.
De accountant waarmerkt de betrokken staten. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot het onderzoek en de waarmerking van de staten.
8. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd,
ontheffing verlenen van het eerste of derde lid indien de
aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden
voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken
anderszins worden bereikt.
9. Een entiteit voor
risico-acceptatie of verzekeraar legt de ingevolge het vijfde lid
openbaar te maken staten op al zijn kantoren in Nederland ter
inzage van een ieder tot achttien maanden na afloop van het
boekjaar. Tot zolang verstrekt hij een ieder op verzoek een
afschrift tegen ten hoogste de kostprijs.
10. De Nederlandsche Bank
publiceert periodiek de voornaamste geaggregeerde gegevens op
basis van de staten die ingevolge het eerste lid door banken met
zetel in Nederland aan haar zijn verstrekt.
Artikel 3:73
Een van de staten, bedoeld in artikel
3:72, derde lid, omvat het actuarieel verslag. Het actuarieel
verslag is voorzien van een verklaring van de actuaris dat hij zich
ervan heeft overtuigd dat de in het actuarieel verslag genoemde
voorzieningen adequaat zijn vastgesteld. De actuaris waarmerkt de
betrokken staten. Hij is bevoegd zijn verklaring nader toe te
lichten of op enig punt een voorbehoud te maken. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking
tot het onderzoek van het actuarieel verslag.
Artikel 3:74
1.Een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in Nederland verstrekt binnen zes
maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank een
opgave met betrekking tot de vanuit Nederland of andere lidstaten
gelegen vestigingen gesloten levensverzekeringen onderscheidenlijk
schadeverzekeringen, onder aparte vermelding van de uit hoofde van
het verrichten van diensten naar andere lidstaten gesloten
verzekeringen.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
inhoud en de modellen van de opgaven en de wijze van de
verstrekking.
3.Het eerste lid is niet van
toepassing op de vanuit de vestigingen in Nederland gesloten
levensverzekeringen of schadeverzekeringen waarbij geen sprake is
van het verrichten van diensten.
4.De Nederlandsche Bank verstrekt
de gegevens, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot een
lidstaat in geaggregeerde vorm aan de toezichthoudende instantie
van die lidstaat indien deze daarom verzoekt.
Artikel 3:74a
1.Een bank of beleggingsonderneming
met zetel in Nederland maakt ten minste een keer per jaar de
gegevens, bedoeld in bijlage XII, delen 2 en 3, van de herziene
richtlijn banken, die het oordeel of de beslissing van een ieder
die zich op die gegevens baseert voor het nemen van beslissingen
van financiële aard beïnvloeden of kunnen beïnvloeden,
openbaar. De financiële onderneming maakt die gegevens of een
deel van die gegevens met een hogere frequentie openbaar indien
dat met het oog op de aard van haar werkzaamheden noodzakelijk is.
2.De financiële onderneming kan de
openbaarmaking van gegevens achterwege laten indien de
openbaarmaking haar concurrentiepositie zou aantasten of de waarde
van haar investeringen zou verminderen dan wel indien de gegevens
betrekking hebben op verplichtingen jegens afnemers of relaties
met andere wederpartijen op grond waarvan zij aan geheimhouding is
gebonden. In dat geval verklaart de financiële onderneming in de
ingevolge het eerste lid openbaar gemaakte gegevens dat bepaalde
gegevens ontbreken en waarom zij ontbreken. In plaats van de
ontbrekende gegevens maakt zij geaggregeerde informatie over de
inhoud van de ontbrekende gegevens openbaar.
3.De financiële onderneming
beschrijft hoe zij de gegevens, bedoeld in het eerste lid,
openbaar zal maken en hoe en met welke frequentie zij de juistheid
van deze gegevens zal controleren. Deze beschrijving verstrekt zij
aan de Nederlandsche Bank voor het einde van het boekjaar waarop
de gegevens betrekking hebben. Indien de gegevens niet in de
stukken, bedoeld inartikel 3:71, eerste lid, of 4:85, eerste lid,
openbaar worden gemaakt, geeft de financiële onderneming in die
stukken aan op welke wijze de gegevens openbaar gemaakt worden.
4.Indien dat noodzakelijk is voor
de uitoefening van het prudentieel toezicht kan de Nederlandsche
Bank besluiten dat een financiële onderneming:
a. bepaalde gegevens als
bedoeld in het eerste lid openbaar maakt;
b. gegevens als bedoeld in het
eerste lid met een bepaalde frequentie of binnen een bepaalde
termijn openbaar maakt;
c. gegevens als bedoeld in het
eerste lid op een bepaalde wijze openbaar maakt; of
d. de juistheid van gegevens
als bedoeld in het eerste lid waarvoor geen wettelijke
controle is vereist op een bepaalde wijze controleert.
Artikel 3:74b
1. Een betaalinstelling of
elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland die naast het
verlenen van betaaldiensten tevens andere werkzaamheden verricht,
voert een afzonderlijke boekhouding voor de betaaldiensten.
2. Een elektronischgeldinstelling
met zetel in Nederland die naast de uitgifte van elektronisch geld
andere werkzaamheden verricht, voert een afzonderlijke boekhouding
voor de uitgifte van het elektronisch geld.
§ 3.3.9.2. Financiële ondernemingen
met zetel in een andere lidstaat
Artikel 3:75
Een bank met zetel in een andere
lidstaat die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor voert in Nederland ten minste een afzonderlijke
boekhouding met betrekking tot het in Nederland gelegen bijkantoor,
die zodanig is dat de Nederlandsche Bank het toezicht op de naleving
van het ingevolgeartikel 3:63 in samenhang met artikel 3:64 bepaalde
kan uitoefenen.
Artikel 3:76
1.Een bank met zetel in een andere
lidstaat die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor verstrekt binnen zes maanden na afloop van het
boekjaar aan de Nederlandsche Bank de jaarrekening, de
geconsolideerde jaarrekening en het jaarverslag.
2.De jaarrekening is voorzien van
een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een
accountant, dan wel door een deskundige die ingevolge het recht
van de lidstaat waar de bank haar zetel heeft, bevoegd is de
jaarrekening te onderzoeken.
Artikel 3:77
Indien de Nederlandsche Bank daarom
verzoekt, verstrekt een in Nederland gelegen bijkantoor van een bank
met zetel in een andere lidstaat al dan niet periodiek staten als
bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, aan de Nederlandsche Bank, die
deze nodig heeft voor het toezicht op de naleving van het ingevolge
artikel 3:63 in samenhang met artikel 3:64 bepaalde. Artikel 3:72,
vijfde tot en met achtste lid en tiende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 3:78
1.Een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die vanuit een
in een staat die geen lidstaat is gelegen bijkantoor zijn bedrijf
uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar
Nederland, verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar
aan de Nederlandsche Bank een opgave met betrekking tot de vanuit
de bijkantoren gesloten levensverzekeringen of schadeverzekeringen
uit hoofde van het verrichten van diensten naar Nederland.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
inhoud en de modellen van de opgaven en de wijze van de
verstrekking.
§ 3.3.9.3. Financiële ondernemingen
met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:79
Artikel 3:70 is van overeenkomstige
toepassing op levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in
een staat die geen lidstaat is, die hun bedrijf uitoefenen vanuit in
Nederland gelegen bijkantoren.
Artikel 3:80
Artikel 3:75 is van overeenkomstige
toepassing op banken, levensverzekeraars en schadeverzekeraars met
zetel in een staat die geen lidstaat is, die hun bedrijf uitoefenen
vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.
Artikel 3:81
1. Een bank, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, die
haar onderscheidenlijk zijn bedrijf uitoefent vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor, verstrekt binnen zes maanden na
afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank de jaarrekening,
de geconsolideerde jaarrekening en het jaarverslag.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
wijze van de verstrekking van de jaarrekening, de geconsolideerde
jaarrekening en het jaarverslag.
3. De jaarrekening is voorzien van
een verklaring omtrent de getrouwheid, dan wel een met de
verklaring omtrent de getrouwheid overeenkomende verklaring,
afgegeven door een accountant, dan wel door een deskundige die
ingevolge het recht van de staat waar de financiële onderneming,
bedoeld in het eerste lid, haar zetel heeft, bevoegd is de
jaarrekening te onderzoeken.
Artikel 3:82
1. Artikel 3:72, eerste lid en
vijfde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing
op beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen
lidstaat is die beleggingsdiensten verlenen of
beleggingsactiviteiten verrichten in Nederland en in Nederland
gelegen bijkantoren van banken met zetel in een staat die geen
lidstaat is, met dien verstande dat de staten zijn voorzien van
een verklaring omtrent de getrouwheid, dan wel een met de
verklaring omtrent de getrouwheid overeenkomende verklaring,
afgegeven door een accountant, dan wel door een deskundige die
ingevolge het recht van de staat waar de beleggingsonderneming of
bank haar zetel heeft, bevoegd is de staten te onderzoeken.
Artikel 3:72, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing op in
Nederland gelegen bijkantoren van banken met zetel in een staat
die geen lidstaat is.
2. De artikelen 3:72, derde lid en
vijfde tot en met negende lid, en 3:73 zijn van overeenkomstige
toepassing op bijkantoren in Nederland van levensverzekeraars of
schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is,
met dien verstande dat de staten zijn voorzien van een verklaring
omtrent de getrouwheid, dan wel een met de verklaring omtrent de
getrouwheid overeenkomende verklaring, afgegeven door een
accountant, dan wel door een deskundige die ingevolge het recht
van de staat waar de levensverzekeraar of schadeverzekeraar zijn
zetel heeft, bevoegd is de staten te onderzoeken. Artikel 3:72,
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op in Nederland
gelegen bijkantoren van levensverzekeraars met zetel in een staat
die geen lidstaat is.
Artikel 3:83
1.Een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is,
verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de
Nederlandsche Bank een opgave met betrekking tot de vanuit de in
Nederland gelegen bijkantoren gesloten levensverzekeringen
onderscheidenlijk schadeverzekeringen uit hoofde van het
verrichten van diensten naar andere lidstaten.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
inhoud en de modellen van de opgaven en de wijze van de
verstrekking.
3.Artikel 3:74, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4.Artikel 3:78 is van
overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en
schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is,
die diensten verrichten naar Nederland.
Artikel 3:83a
Artikel 3:74ais van overeenkomstige
toepassing op banken en beleggingsondernemingen met zetel in een
staat die geen lidstaat is, die hun bedrijf uitoefenen vanuit in
Nederland gelegen bijkantoren.
§ 3.3.9.4. Financiële ondernemingen
met zetel in een niet-aangewezen staat
Artikel 3:84
Artikel 3:70 is van overeenkomstige
toepassing op herverzekeraars en natura-uitvaartverzekeraars met
zetel in een niet-aangewezen staat, die hun bedrijf uitoefenen
vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.
Artikel 3:85
De artikelen 3:75 en 3:81 zijn van
overeenkomstige toepassing op clearinginstellingen, herverzekeraars
en natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen
staat, die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen
bijkantoren.
Artikel 3:86
1.Artikel 3:72, eerste lid en
vijfde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing
op in Nederland gelegen bijkantoren van clearinginstellingen met
zetel in een niet-aangewezen staat, met dien verstande dat de
staten zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid,
dan wel een met de verklaring omtrent de getrouwheid
overeenkomende verklaring, afgegeven door een accountant, dan wel
door een deskundige die ingevolge het recht van de staat waar de
clearinginstelling haar zetel heeft, bevoegd is de staten te
onderzoeken.
2.De artikelen 3:72, derde tot en
met negende lid, en 3:73, zijn van overeenkomstige toepassing op
in Nederland gelegen bijkantoren van herverzekeraars en
natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen
staat, met dien verstande dat de staten zijn voorzien van een
verklaring omtrent de getrouwheid, dan wel een met de verklaring
omtrent de getrouwheid overeenkomende verklaring, afgegeven door
een accountant, dan wel door een deskundige die ingevolge het
recht van de staat waar de natura-uitvaartverzekeraar zijn zetel
heeft, bevoegd is de staten te onderzoeken.
Artikel 3:87
1.Een natura-uitvaartverzekeraar
met zetel in een niet-aangewezen staat, die zijn bedrijf uitoefent
door middel van het verrichten van diensten naar Nederland,
verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de
Nederlandsche Bank een opgave met betrekking tot de gesloten
natura-uitvaartverzekeringen uit hoofde van het verrichten van
diensten naar Nederland.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
inhoud en de modellen van de opgaven, bedoeld in het eerste lid,
en de wijze van de verstrekking.
Afdeling 3.3.10. Meldingsplichten van
de accountant en de actuaris
§ 3.3.10.1. Financiële
ondernemingen met zetel in Nederland
Artikel 3:88
1. Een accountant die het onderzoek
uitvoert van de jaarrekening van een beheerder van een
beleggingsinstelling met zetel in Nederland waarvan rechten van
deelneming in Nederland worden aangeboden, een
beleggingsinstelling waarvan rechten van deelneming in Nederland
worden aangeboden, een beleggingsonderneming met zetel in
Nederland die beleggingsdiensten verleent of
beleggingsactiviteiten verricht in Nederland, een
betaalinstelling, een clearinginstelling,
elektronischgeldinstelling, bank of verzekeraar met zetel in
Nederland, dan wel van de staten van een financiële onderneming
met zetel in Nederland als bedoeld in artikel 3:72, eerste of
derde lid, geeft de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk kennis
van elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van het
onderzoek kennis heeft gekregen en die:
a. in strijd is met de
ingevolge dit deel opgelegde verplichtingen; of
b. het voortbestaan van de
financiële onderneming bedreigt.
2. Een accountant die het onderzoek
uitvoert van de jaarrekening van een clearinginstelling, bank of
verzekeraar met zetel in Nederland, dan wel van de staten van een
financiële onderneming met zetel in Nederland als bedoeld in
artikel 3:72, eerste of derde lid, geeft de Nederlandsche Bank zo
spoedig mogelijk kennis van elke omstandigheid waarvan hij bij de
uitvoering van het onderzoek kennis heeft gekregen en die leidt
tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de
getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
3. Het eerste en tweede lid zijn
van overeenkomstige toepassing op een accountant die naast het
onderzoek van de jaarrekening of de staten, bedoeld in het eerste
en tweede lid, ook het onderzoek uitvoert van de jaarrekening of
de staten van een persoon waarmee een financiële onderneming als
bedoeld in het eerste of tweede lid, in een formele of feitelijke
zeggenschapsstructuur is verbonden.
4. De accountant, bedoeld in het
tweede lid, verstrekt zo spoedig mogelijk bij algemene maatregel
van bestuur te bepalen inlichtingen aan de Nederlandsche Bank ten
behoeve van het toezicht op de financiële onderneming. Bij
algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de in acht te nemen procedures.
5. De Nederlandsche Bank stelt de
financiële onderneming in de gelegenheid aanwezig te zijn bij de
kennisgeving, bedoeld in het eerste of tweede lid, en bij het
verstrekken van inlichtingen, bedoeld in het vierde lid, door de
accountant.
6. De accountant die op grond van
het eerste, tweede of derde lid tot een melding of op grond van
het vierde lid tot het verstrekken van inlichtingen aan de
Nederlandsche Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor
schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk
wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in
redelijkheid niet tot kennisgeving of tot het verstrekken van
inlichtingen had mogen worden overgegaan.
Artikel 3:89
1.De actuaris die het onderzoek
uitvoert van het actuarieel verslag van een verzekeraar als
bedoeld in artikel 3:73verstrekt zo spoedig mogelijk bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen inlichtingen aan de Nederlandsche
Bank ten behoeve van het toezicht op de verzekeraar. Bij algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
in acht te nemen procedures.
2.De Nederlandsche Bank stelt de
verzekeraar in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken
van inlichtingen door de actuaris.
3.Artikel 3:88, zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing op actuarissen die ingevolge het eerste
lid zijn overgegaan tot het verstrekken van inlichtingen aan de
Nederlandsche Bank.
§ 3.3.10.2. Financiële
ondernemingen met zetel in een andere lidstaat
Artikel 3:90
Artikel 3:88 is van overeenkomstige
toepassing op accountants die het onderzoek, bedoeld in artikel 3:77
uitvoeren van de staten van een in Nederland gelegen bijkantoor van
een bank met zetel in een andere lidstaat.
§ 3.3.10.3. Financiële
ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:91
Artikel 3:88 is van overeenkomstige
toepassing op accountants of andere deskundigen die het onderzoek,
bedoeld in artikel 3:82, eerste of tweede lid, uitvoeren van de
staten van een in Nederland gelegen bijkantoor van een
beleggingsonderneming, bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar
met zetel in een staat die geen lidstaat is, of van een
beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is
die diensten verricht naar Nederland.
Artikel 3:92
Artikel 3:89 is van overeenkomstige
toepassing op actuarissen die het onderzoek, bedoeld in artikel
3:82, tweede lid, uitvoeren van het actuarieel verslag van een in
Nederland gelegen bijkantoor van een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is.
§ 3.3.10.4. Financiële
ondernemingen met zetel buiten Nederland
Artikel 3:93
Artikel 3:88 is van overeenkomstige
toepassing op accountants of andere deskundigen die het onderzoek,
bedoeld in artikel 3:86, eerste of tweede lid, uitvoeren van de
staten van een in Nederland gelegen bijkantoor van een
clearinginstelling met zetel in een niet-aangewezen staat,
herverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat of
natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat.
Artikel 3:94
Artikel 3:89 is van overeenkomstige
toepassing op actuarissen die het onderzoek, bedoeld in artikel
3:86, tweede lid, uitvoeren van het actuarieel verslag van een in
Nederland gelegen bijkantoor van een herverzekeraar of
natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat.
Afdeling 3.3.11. Gekwalificeerde
deelnemingen in en door financiële ondernemingen
§ 3.3.11.1. Financiële
ondernemingen met zetel in Nederland
Artikel 3:95
1. Het is verboden, anders dan na
verkregen verklaring van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank,
een gekwalificeerde deelneming te houden, te verwerven of zodanig
te vergroten dat een bovengrens als bedoeld inartikel 3:102,
eerste lid, wordt bereikt of overschreden, dan wel enige
zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming uit te
oefenen in een:
a. bank met zetel in Nederland;
b. beheerder van een instelling
voor collectieve belegging in effecten met zetel in Nederland;
c. beleggingsonderneming met
zetel in Nederland;
d. entiteit voor
risico-acceptatie; of
e. verzekeraar met zetel in
Nederland.
2. De aanvrager van een verklaring
van geen bezwaar dient de aanvraag in bij de Nederlandsche Bank
onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
te bepalen gegevens. De aanvraag van een verklaring van geen
bezwaar voor een gekwalificeerde deelneming in een financiële
onderneming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of c, kan
evenwel bij de Autoriteit Financiële Markten worden ingediend,
indien die financiële onderneming op het moment van de aanvraag
van de verklaring van geen bezwaar geen vergunning heeft.
Artikel 3:96
1. Het is een bank met zetel in
Nederland verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen
bezwaar van de Nederlandsche Bank:
a. haar eigen vermogen door
terugbetaling van kapitaal of uitkering van reserves te
verminderen dan wel een uitkering te doen uit de post
omvattende de dekking voor algemene bankrisico’s, bedoeld in
artikel 424 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
b. een gekwalificeerde
deelneming te verwerven of te vergroten in een bank,
beleggingsonderneming of verzekeraar met zetel in een staat
die geen lidstaat is of in een financiële instelling waaraan
geen verklaring van ondertoezichtstelling is verleend als
bedoeld in artikel 3:110, indien het balanstotaal van die
bank, beleggingsonderneming, verzekeraar of financiële
instelling ten tijde van de verwerving onderscheidenlijk de
vergroting, meer bedraagt dan een procent van het
geconsolideerde balanstotaal van de bank, bedoeld in de
aanhef;
c. een gekwalificeerde
deelneming in een onderneming, niet zijnde een bank,
beleggingsonderneming, financiële instelling of verzekeraar
met zetel in Nederland of in een andere lidstaat of in een
staat die geen lidstaat is, te verwerven of te vergroten,
indien het bedrag dat wordt betaald voor die verwerving,
onderscheidenlijk die vergroting, tezamen met de bedragen die
voor eerdere verwerving en vergroting van een deelneming in
die onderneming zijn betaald, meer bedraagt dan een procent
van het geconsolideerde aanwezige eigen vermogen van de bank,
bedoeld in de aanhef;
d. de activa en passiva van een
andere onderneming of instelling geheel of voor een belangrijk
deel al dan niet middellijk over te nemen indien het
totaalbedrag van de over te nemen activa of van de over te
nemen passiva meer bedraagt dan een procent van het
geconsolideerde balanstotaal van de bank, bedoeld in de
aanhef;
e. een fusie aan te gaan met
een andere onderneming of instelling indien het balanstotaal
van de onderneming of instelling waarmee de fusie wordt
aangegaan meer bedraagt dan een procent van het
geconsolideerde balanstotaal van de bank, bedoeld in de
aanhef;
f. over te gaan tot financiële
of vennootschappelijke reorganisatie;
g. een beherend vennoot tot de
bank te doen toetreden.
2. De aanvrager van een verklaring
van geen bezwaar dient de aanvraag in bij de Nederlandsche Bank
onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
te bepalen gegevens.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op gekwalificeerde deelnemingen in vennootschappen wier
activa op het moment van verwerving van de gekwalificeerde
deelneming door de bank voor meer dan negentig procent uit liquide
middelen bestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald welke middelen tot de liquide middelen mogen worden
gerekend.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking
tot het eerste lid, onderdeel c.
5. Onder gekwalificeerde deelneming
als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, worden niet
begrepen de stemrechten op aandelen die een bank kan uitoefenen op
grond van een verkregen pandrecht op de aandelen en de stemrechten
op aandelen die bewaarnemers van aandelen niet naar eigen
goeddunken kunnen uitbrengen.
Artikel 3:97 [Vervallen per
07-05-2011]
Artikel 3:98
1.Artikel 3:95, eerste lid, aanhef
en onderdeel c, is niet van toepassing op handelingen waarvoor
ingevolge artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel a, of
3:96, eerste lid, een verklaring van geen bezwaar is verleend.
2.Tevens is artikel 3:95, eerste
lid, aanhef en onderdeel c, niet van toepassing op handelingen
waarvoor ingevolgeartikel 3:96, eerste lid, aanhef en onderdeel b
of c, geen verklaring van geen bezwaar is vereist.
Artikel 3:99
1. De betrouwbaarheid van de houder
van een verklaring van geen bezwaar die op grond van zijn
gekwalificeerde deelneming het beleid van de betrokken onderneming
zal bepalen of mede bepalen of zal kunnen bepalen of mede bepalen
staat buiten twijfel.
2. De betrouwbaarheid staat buiten
twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de
toepassing van deze wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging
in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding
geeft tot een nieuwe beoordeling.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
wijze waarop wordt vastgesteld of de betrouwbaarheid van een
persoon als bedoeld in het eerste lid buiten twijfel staat en
welke feiten en omstandigheden daarbij in aanmerking worden
genomen.
Artikel 3:100
1. De Nederlandsche Bank verleent
een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95,
eerste lid, tenzij:
a. de betrouwbaarheid van de
aanvrager van de verklaring van geen bezwaar of van de
personen die op grond van de voorgenomen gekwalificeerde
deelneming het beleid van de financiële onderneming zullen
bepalen of mede bepalen of zullen kunnen bepalen of mede
bepalen niet buiten twijfel staat;
b. de personen die op grond van
de voorgenomen gekwalificeerde deelneming het dagelijks beleid
van de financiële onderneming zullen bepalen terzake niet
deskundig zijn;
c. de financiële soliditeit
van de aanvrager, rekening houdend met de bedrijfsactiviteiten
van de financiële onderneming, niet is gewaarborgd;
d. de financiële onderneming
als gevolg van de gekwalificeerde deelneming niet zal kunnen
blijven voldoen aan de prudentiële regels die ingevolge deze
wet zijn gesteld;
e. er goede redenen zijn om te
vermoeden dat in verband met de voorgenomen verwerving of
vergroting geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt
of werd gefinancierd of dat gepoogd wordt of werd geld wit te
wassen of terrorisme te financieren in de zin van de Wet
voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme of dat
de voorgenomen verwerving of vergroting het risico daarop zou
kunnen vergroten; of
f. onvolledige of onjuiste
informatie is verstrekt door de aanvrager.
2. Met betrekking tot de
betrouwbaarheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, zijn het
tweede en derde lid van artikel 3:99 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 3:101
De Nederlandsche Bank verleent een
verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in
artikel 3:96, eerste lid, tenzij:
a. de handeling in strijd zou
kunnen komen of zou zijn met hetgeen voor de betrokken bank
ingevolge artikel 3:57, eerste en tweede lid, is bepaald met
betrekking tot de solvabiliteit;
b. de handeling anderszins in
strijd zou kunnen komen of zou zijn met een gezonde en prudente
bedrijfsuitoefening; of
c. de handeling zou kunnen leiden
of zou leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële
sector.
Artikel 3:102
1.Indien een verklaring van geen
bezwaar wordt verleend kan op aanvraag de aanvrager tevens
toestemming worden verleend tot het vergroten van zijn
gekwalificeerde deelneming, waarbij als bovengrens 20, 33, 50 of
100 procent kan gelden. Voor de vergroting van een gekwalificeerde
deelneming in een entiteit voor risico-acceptatie is geen
toestemming vereist.
2.Indien een verklaring van geen
bezwaar wordt verleend voor een gekwalificeerde deelneming als
bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, kan, op aanvraag, worden
bepaald dat die verklaring van geen bezwaar geldt voor alle
groepsmaatschappijen gezamenlijk.
3.Indien een verklaring van geen
bezwaar als bedoeld in artikel 3:96, eerste lid, wordt verleend,
kan deze betrekking hebben op door de aanvrager:
a. via een dochtermaatschappij
verworven en nog te verwerven middellijke deelnemingen; of
b. verworven dan wel nog te
verwerven middellijke deelnemingen, niet zijnde deelnemingen
als bedoeld in onderdeel a, voorzover deze deelnemingen buiten
de invloedssfeer van de aanvrager zijn verworven dan wel
worden verworven.
Artikel 3:103
1. Een ieder geeft de Nederlandsche
Bank vooraf kennis van een wijziging van zijn gekwalificeerde
deelneming in een financiële onderneming, niet zijnde een
entiteit voor risico-acceptatie als bedoeld in artikel 3:95,
eerste lid:
a. waardoor de omvang van deze
deelneming boven de 20, 33 of 50 procent stijgt of waardoor de
financiële onderneming een dochtermaatschappij wordt; of
b. waardoor de omvang van deze
deelneming onder de 10, 20, 33 of 50 procent daalt of waardoor
de financiële onderneming ophoudt een dochtermaatschappij te
zijn.
2. Een financiële onderneming,
niet zijnde een entiteit voor risico-acceptatie, als bedoeld
inartikel 3:95, eerste lid, geeft, voorzover haar bekend, de
Nederlandsche Bank in de maand juli van elk jaar kennis van de
identiteit van iedere persoon die een gekwalificeerde deelneming
in deze financiële onderneming, niet zijnde een entiteit voor
risico-acceptatie, houdt. Tevens geeft de financiële onderneming,
niet zijnde een entiteit voor risico-acceptatie, zodra zulks haar
bekend wordt, de Nederlandsche Bank kennis van iedere verwerving,
afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in deze
financiële onderneming:
a. waardoor de omvang van deze
deelneming boven de 20, 33 of 50 procent stijgt of waardoor de
betrokken financiële onderneming een dochtermaatschappij
wordt; of
b. waardoor de omvang van deze
deelneming onder de 10, 20, 33 of 50 procent daalt of waardoor
de betrokken financiële onderneming ophoudt een
dochtermaatschappij te zijn.
3. Een entiteit voor
risico-acceptatie of herverzekeraar geeft, zodra zulks haar of hem
bekend wordt, de Nederlandsche Bank kennis van iedere afstoting of
wijziging van een gekwalificeerde deelneming in haar of hem
waardoor de omvang van deze deelneming onder de 10 procent daalt.
4. Indien de omvang van een
deelneming waarvoor een verklaring van geen bezwaar is afgegeven
onder de 10 procent daalt, vervalt de afgegeven verklaring van
geen bezwaar van rechtswege.
Artikel 3:104
1. Onverminderd de artikelen 1:102,
tweede lid, en 1:106a, kan de Nederlandsche Bank aan een
verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste
lid, of 3:96, eerste lid, beperkingen stellen dan wel
voorschriften verbinden met het oog op de belangen die artikel
3:100, onderscheidenlijk 3:101 beoogt te beschermen.
2. Indien enige zeggenschap,
verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een financiële
onderneming als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, is
uitgeoefend zonder dat een verklaring van geen bezwaar is
verkregen of dat de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde
beperkingen in acht zijn genomen, is een mede door de uitgeoefende
zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit
kan worden vernietigd op vordering van de Nederlandsche Bank. Het
besluit wordt in dat geval door de rechtbank binnen wier
rechtsgebied de financiële onderneming haar zetel heeft,
vernietigd indien het besluit zonder dat de desbetreffende
zeggenschap zou zijn uitgeoefend anders zou hebben geluid of niet
zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog
een verklaring van geen bezwaar wordt verleend of de niet in acht
genomen beperkingen worden ingetrokken. De rechtbank regelt
voorzover nodig de gevolgen van de vernietiging.
3. De Nederlandsche Bank kan degene
die niet voldoet aan artikel 3:95, eerste lid, door middel van het
geven van een aanwijzing verplichten om binnen een door de
Nederlandsche Bank te stellen termijn ten aanzien van in de
aanwijzingsbeschikking aan te geven punten een bepaalde
gedragslijn te volgen.
Artikel 3:105
1. Van de verleende verklaring van
geen bezwaar, bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, wordt door de
Nederlandsche Bank aan de financiële onderneming waarin de
gekwalificeerde deelneming wordt gehouden, verworven of vergroot
mededeling gedaan. Indien de aanvraag van een verklaring van geen
bezwaar overeenkomstigartikel 3:95, tweede lid, tweede volzin, is
ingediend bij de Autoriteit Financiële Markten, zendt de
Nederlandsche Bank de verleende verklaring van geen bezwaar aan de
Autoriteit Financiële Markten. De Autoriteit Financiële Markten
deelt de verleende verklaring van geen bezwaar mede aan de
betrokken financiële onderneming.
2. Van de afgifte van een
verklaring van geen bezwaar wordt door de Nederlandsche Bank
mededeling gedaan in de Staatscourant, tenzij de publicatie zou
leiden of zou kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of
benadeling van belanghebbenden.
3. Onverminderd de artikelen 1:104,
1:105, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en1:106a, kan de
Nederlandsche Bank de verklaring van geen bezwaar geheel of
gedeeltelijk intrekken:
a. indien aan de houder een
nieuwe verklaring van geen bezwaar wordt verleend die
betrekking heeft of mede betrekking heeft op handelingen
waarvoor de in te trekken verklaring van geen bezwaar was
verleend;
b. indien de houder van een
verklaring van geen bezwaar niet de gedragslijn volgt die de
Nederlandsche Bank op grond van artikel 1:75 aan die houder
heeft voorgeschreven; of
c. indien de aanvrager de
verwerving of vergroting niet binnen de termijn, bedoeld in
artikel 1:106e, heeft voltooid.
4. Onverminderd de artikelen 1:104,
1:105, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en1:106a, kan de
Nederlandsche Bank aan een verklaring van geen bezwaar nadere
beperkingen stellen dan wel daaraan nadere voorschriften verbinden
of de verklaring van geen bezwaar intrekken indien zich met
betrekking tot de handeling waarvoor de verklaring van geen
bezwaar is verleend omstandigheden voordoen of feiten bekend
worden die, indien zij zich ten tijde van de verlening van de
verklaring van geen bezwaar zouden hebben voorgedaan of bekend
zouden zijn geweest, aanleiding zouden hebben gegeven tot het
stellen van deze beperkingen, het verbinden van deze voorschriften
of het niet verlenen van de verklaring van geen bezwaar.
5. De Nederlandsche Bank deelt de
wijziging of de intrekking van een verklaring van geen bezwaar
mede aan de betrokken financiële onderneming.
6. Van de wijziging of de
intrekking van een verklaring van geen bezwaar wordt door de
Nederlandsche Bank mededeling gedaan in de Staatscourant, tenzij
de publicatie zou leiden of zou kunnen leiden tot onevenredige
bevoordeling of benadeling van belanghebbenden.
Artikel 3:106
1.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot houders van een verklaring van geen bezwaar waarvan ten minste
een dochtermaatschappij een beleggingsonderneming is die een
vergunning als bedoeld in artikel 2:96 heeft, om te voorkomen dat
de handeling waarvoor de verklaring van geen bezwaar is verleend,
zou kunnen leiden of zou leiden tot een invloed op de
beleggingsonderneming die in strijd is met de financiële
soliditeit van die beleggingsonderneming.
2.De regels, bedoeld in het eerste
lid, kunnen uitsluitend betrekking hebben op financiële
waarborgen, op te verstrekken gegevens en inlichtingen alsmede op
de vorm waarin die gegevens en inlichtingen worden verstrekt.
3.De Nederlandsche Bank verleent op
aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd,
ontheffing van het eerste lid indien de houder van de verklaring
van geen bezwaar aantoont dat aan die regels redelijkerwijs niet
kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze regels beogen te
bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 3:107
De Nederlandsche Bank deelt Onze
Minister eens per jaar de gegevens mede waarover zij ingevolge
artikel 3:103, eerste en tweede lid, beschikt.
Artikel 3:108
Deartikelen 3:95 en 3:103 zijn niet
van toepassing ten aanzien van gekwalificeerde deelnemingen die
beleggingsondernemingen of banken houden als gevolg van het verlenen
van een beleggingsdienst als bedoeld in onderdeel e en f van de
definitie van het verlenen van een beleggingsdienst, indien de
hieruit voortvloeiende stemrechten niet worden uitgeoefend of
anderszins gebruikt worden om zeggenschap uit te oefenen in de
uitgevende instelling en de betreffende gekwalificeerde deelneming
binnen een jaar na verwerving wordt overgedragen.
Artikel 3:108a
1. Degene die aan de Nederlandsche
Bank een kennisgeving verstrekt als bedoeld inartikel 3:103,
eerste lid, over een wijziging van zijn gekwalificeerde deelneming
in een elektronischgeldinstelling, verstrekt daarbij mede
informatie over de grootte van de voorgenomen deelneming alsmede
een opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen gegevens.
2. Indien de Nederlandsche Bank
gelet op de door de kandidaat-verwerver uitgeoefende invloed op de
bedrijfsvoering van de instelling, bezwaren heeft tegen de
verwerving als bedoeld in artikel 3:103, eerste lid, maakt de
Nederlandsche Bank deze bezwaren kenbaar uiterlijk binnen 8 weken
na ontvangst van de mededeling bedoeld in het eerste lid, kenbaar.
3. Indien op het moment dat de
Nederlandsche Bank haar bezwaren kenbaar maakt, de verwerving van
de deelneming al heeft plaatsgevonden, neemt de Nederlandsche Bank
passende maatregelen. Die maatregelen kunnen bindende
aanwijzingen, sancties tegen bestuurders of managers of de
schorsing van de uitoefening van de stemrechten die verbonden zijn
aan de aandelen welke door de betrokken aandeelhouders of vennoten
worden gehouden, omvatten.
4. Wanneer een deelneming wordt
verworven ondanks bezwaar van de Nederlandsche Bank, kan deze
bepalen, onverminderd andere te treffen sancties, dat de
uitoefening van de stemrechten van de verkrijger wordt geschorst
of dat de uitgebrachte stemmen nietig zijn.
§ 3.3.11.2. Banken met zetel in een
staat die geen lidstaat is
Artikel 3:109
De artikelen 3:96, 3:99, 3:101,
3:102, eerste en derde lid,3:104, eerste lid, 3:105, tweede, derde,
vierde lid en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op in
Nederland gelegen bijkantoren van banken met zetel in een staat die
geen lidstaat is die een vergunning als bedoeld inartikel
2:20hebben.
Hoofdstuk 3.4. Regels voor bepaalde
ondernemingen werkzaam op de financiële markten
Afdeling 3.4.1. Ondertoezichtstelling
financiële instellingen
§ 3.4.1.1. Financiële instellingen
met zetel in Nederland
Artikel 3:110
1. Een financiële instelling met
zetel in Nederland die dochtermaatschappij is van een of meer
banken die een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid,
hebben, en die voornemens is haar bedrijf dat zij in Nederland
uitoefent, uit te oefenen vanuit een in een andere lidstaat
gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten
naar een andere lidstaat, kan een verklaring van
ondertoezichtstelling verkrijgen van de Nederlandsche Bank.
2. De aanvraag geschiedt onder
opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen gegevens.
3. De Nederlandsche Bank verleent
op aanvraag de verklaring van ondertoezichtstelling, indien:
a. het de aanvrager is
toegestaan, voorzover op zijn werkzaamheden andere wettelijke
voorschriften van toepassing zijn, deze werkzaamheden te
verrichten;
b. ten minste 90 procent van de
stemrechten in de aanvrager worden gehouden door de bank of
banken, bedoeld in het eerste lid;
c. de verplichtingen van de
aanvrager worden gegarandeerd door de bank of banken, bedoeld
in het eerste lid, en de Nederlandsche Bank met deze garantie
heeft ingestemd;
d. de bank of banken, bedoeld
in het eerste lid, zorgdragen dat de financiële instelling de
bedrijfsvoering zodanig inricht dat deze een beheerste en
integere uitoefening van haar bedrijf waarborgt.
4. Onverminderd het derde lid
verleent de Nederlandsche Bank op aanvraag een verklaring van
ondertoezichtstelling als bedoeld in het eerste lid, indien de
aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde
ingevolge:
a. artikel 3:8met betrekking
tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;
b. artikel 3:9met betrekking
tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde
personen;
c. artikel 3:10, eerste en
tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot
de integere bedrijfsuitoefening;
d. artikel 3:15, eerste en
tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat
het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun
werkzaamheden verrichten;
e. artikel 3:16 met betrekking
tot de zeggenschapstructuur;
f. artikel 3:53, eerste en
derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen; en
g. artikel 3:57, eerste en
tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit.
5. Onverminderd het derde en vierde
lid verleent de Nederlandsche Bank op aanvraag een verklaring van
ondertoezichtstelling aan een financiële instelling die
voornemens is tevens beleggingsdiensten te verlenen of
beleggingsactiviteiten te verrichten, indien de aanvrager aantoont
dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:
a. artikel 4:14, tweede lid,
onderdeel c, onder 1° tot en met 6°, met betrekking tot de
inrichting van de bedrijfsvoering;
b. artikel 4:87 met betrekking
tot het treffen van adequate maatregelen ter bescherming van
de rechten van cliënten; en
c. artikel 4:91a met betrekking
tot de regels die gelden voor het handelsproces en de
afhandeling van transacties in een multilaterale
handelsfaciliteit indien de aanvrager voornemens is een
multilaterale handelsfaciliteit te exploiteren.
6. De artikelen 3:8, 3:9, 3:10,
3:15, 3:16, 3:17,3:18, 3:33, 3:53, 3:57, 3:95, eerste lid, aanhef
en onderdeel a, tweede lid, eerste volzin, 3:99, 3:100, 3:102,
eerste en tweede lid, 3:103 en 3:105, zijn van overeenkomstige
toepassing op financiële instellingen die een verklaring van
ondertoezichtstelling hebben.
7. Artikel 1:48 is van
overeenkomstige toepassing.
8. De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het derde
lid, aanhef en onderdeel d, of van het vierde lid, aanhef en
onderdelen c, f, of h, indien de aanvrager aantoont dat daaraan
redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die
die onderdelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Artikel 2:2 is van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3.4.2. Regime voor banken
aangesloten bij een centrale kredietinstelling
Artikel 3:111
1. Bij ministeriële regeling kan
een groep banken die blijvend is aangesloten bij een centrale
kredietinstelling die controle uitoefent op de bedrijfsvoering,
uitbesteding, solvabiliteit en liquiditeit van die banken, worden
vrijgesteld van het toezicht door de Nederlandsche Bank op de
naleving van het ingevolge de artikelen 3:10, 3:17, 3:18, 3:57
en3:63 bepaalde, indien:
a. de centrale
kredietinstelling en de aangesloten banken hoofdelijk instaan
voor elkaars verplichtingen dan wel de verplichtingen van de
aangesloten banken door de centrale kredietinstelling worden
gegarandeerd;
b. de centrale
kredietinstelling in voldoende mate bevoegd is voor de
naleving van deze wet noodzakelijke instructies te geven aan
de aangesloten banken; en
c. het ingevolge de artikelen
3:57 en 3:63 uitgeoefende toezicht op de centrale
kredietinstelling en de aangesloten banken op geconsolideerde
basis wordt uitgeoefend.
2. De Nederlandsche Bank kan ten
aanzien van een bank die behoort tot een groep die is vrijgesteld
ingevolge het eerste lid bepalen dat deartikelen 1:75, 1:104,
2:12, eerste lid, 2:13, eerste en tweede lid, 3:8, 3:9, 3:15,
3:16, 3:19, 3:29, 3:53, 3:71, 3:72, 3:88, 4:14, 4:87 en 4:88
geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven.
3. De centrale kredietinstelling
oefent controle uit op de aangesloten banken krachtens haar
statuten en de statuten van de aangesloten banken of krachtens een
overeenkomst met de bij haar aangesloten banken. Deze controle
behelst:
a. het geven van instructies
die naar inhoud en strekking overeenkomen met de regels die
ingevolge de artikelen 3:10,3:17, 3:18, 3:57 en 3:63 zijn
gesteld aan de aangesloten banken;
b. het toetsen of de
aangesloten banken voldoen aan de instructies, bedoeld in
onderdeel a;
c. het bepalen voor de
aangesloten banken van de vorm, waarin de staten, bedoeld in
artikel 3:72 worden opgemaakt, de benaming en omschrijving van
de posten die deze staten bevatten, de achtereenvolgende
tijdstippen waarop deze staten betrekking hebben, de termijnen
waarbinnen deze staten worden ingediend en de te hanteren
grondslagen van de waardering van de posten;
d. het indienen door de
aangesloten banken van de staten, bedoeld in artikel 3:72, bij
de centrale kredietinstelling; en
e. het inwinnen van
inlichtingen bij de aangesloten banken ten behoeve van de
controle op de naleving van de op grond van dit artikel door
de centrale kredietinstelling gegeven instructies.
Hoofdstuk 3.5. Bijzondere regels en
maatregelen ten aanzien van financiële ondernemingen werkzaam op de
financiële markten
Afdeling 3.5.1. Bijzondere
maatregelen ten aanzien van banken, beleggingsondernemingen,
betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen
Artikel 3:111a
1. De Nederlandsche Bank kan,
indien een bank of beleggingsonderneming niet voldoet aan de bij
of krachtens deze wet gestelde eisen met betrekking tot de
bedrijfsvoering, de liquiditeit of het toetsingsvermogen de
onderstaande maatregelen treffen ten aanzien van die bank of
beleggingsonderneming:
a. voorschrijven dat zij over
een hogere liquiditeit of een hoger toetsingsvermogen beschikt
dan ingevolge artikel 3:63 onderscheidenlijk artikel 3:57 is
voorgeschreven;
b. voorschrijven dat in verband
met de liquiditeitseisen of de solvabiliteitseisen een
specifiek voorzieningenbeleid wordt gevoerd of de
liquiditeitsposten of de activa op een specifieke wijze worden
behandeld;
c. voorschrijven dat de door de
bank of beleggingsonderneming gelopen risico’s worden
beperkt;
d. voorschrijven dat de met het
oog op de artikelen 3:17 en 3:18a ingevoerde strategieën,
maatregelen en procedures worden aangescherpt;
e. beperkingen opleggen aan
bedrijfsactiviteiten en transacties van of netwerkrelaties
tussen banken of beleggingsondernemingen;
f. voorschrijven dat de bank of
beleggingsonderneming de variabele beloning tot een bepaald
percentage van de totale netto inkomsten beperkt, indien deze
inkomsten niet met het in stand houden van een solide
toetsingsvermogen te verenigen zijn; of
g. voorschrijven dat de bank of
beleggingsonderneming haar nettowinsten gebruikt om het
toetsingsvermogen te versterken.
2. Indien de Nederlandsche Bank op
grond van de evaluatie, bedoeld in artikel 3:18a, van oordeel is
dat de strategieën, procedures en maatregelen ingevolge artikel
3:17, de liquiditeit of het toetsingsvermogen van die financiële
onderneming niet een beheerste en duurzame dekking van haar risico’s
waarborgen, schrijft de Nederlandsche Bank aan de bank of
beleggingsonderneming een hogere liquiditeit of een hoger
toetsingsvermogen voor indien andere maatregelen er redelijkerwijs
niet toe kunnen leiden dat binnen een redelijke termijn wordt
voldaan aan het ingevolge artikel 3:17 bepaalde.
3. De Nederlandsche Bank heft de
maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, op zodra de bank
of beleggingsonderneming weer voldoet aan de bij of krachtens deze
wet gestelde eisen met betrekking tot de bedrijfsvoering, de
liquiditeit of het toetsingsvermogen.
Artikel 3:111b
1. Een betaalinstelling die
voornemens is betaaldiensten te verlenen door tussenkomst van een
betaaldienstagent, stelt de Nederlandsche Bank hiervan in kennis
onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
te bepalen gegevens.
2. Indien de Nederlandsche Bank
overeenkomstig het eerste lid de gegevens heeft ontvangen en zij
er van overtuigd is dat de gegevens correct zijn, schrijft zij de
agent in in het register, bedoeld in artikel 1:107.
3. Het eerste en tweede lid zijn
van overeenkomstige toepassing op elektronischgeldinstellingen met
zetel in Nederland die door tussenkomst van een betaaldienstagent
betaaldiensten verlenen.
Afdeling 3.5.1a.
Portefeuilleoverdracht
§ 3.5.1a.1. Verzekeraars met zetel
in Nederland
Artikel 3:112
1.Een levensverzekeraar met zetel
in Nederland die rechten en verplichtingen uit levensverzekering
wenst over te dragen, behoeft daarvoor de instemming van de
Nederlandsche Bank indien het betreft:
a. de overdracht van rechten en
verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit een
vestiging in een lidstaat, aan een andere levensverzekeraar
met zetel in een lidstaat in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een lidstaat;
b. de overdracht van rechten en
verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit een
vestiging in Nederland, aan een andere levensverzekeraar met
zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor;
c. de overdracht van rechten en
verplichtingen uit een levensverzekering, gesloten vanuit een
in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, aan een andere
levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is
in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een
lidstaat gelegen bijkantoor.
2.In het geval, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, stemt de Nederlandsche Bank slechts met
de overdracht in indien de betrokken toezichthoudende instanties
daarmee eveneens op verzoek van de Nederlandsche Bank hebben
ingestemd.
3.In afwijking van het eerste lid
behoeven levensverzekeraars met zetel in Nederland niet de
instemming van de Nederlandsche Bank voor overdracht van hun
rechten en verplichtingen uit een individuele levensverzekering op
verzoek van de verzekeringnemer.
Artikel 3:113
1.Een natura-uitvaartverzekeraar
met zetel in Nederland die rechten en verplichtingen uit
natura-uitvaartverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor
de instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft:
a. de overdracht van rechten en
verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit
een vestiging in Nederland, aan een andere
natura-uitvaartverzekeraar of aan een levensverzekeraar met
vestiging in Nederland in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland;
b. de overdracht van rechten en
verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit
een buiten Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere
natura-uitvaartverzekeraar of aan een levensverzekeraar in het
kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in
Nederland.
2.Een levensverzekeraar met zetel
in Nederland die rechten en verplichtingen uit
natura-uitvaartverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor
de instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft:
a. de overdracht van rechten en
verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit
een vestiging in Nederland, aan een andere
natura-uitvaartverzekeraar met vestiging in Nederland in het
kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in
Nederland;
b. de overdracht van rechten en
verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit
een buiten Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere
natura-uitvaartverzekeraar in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland.
3.In het geval, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, stemt de
Nederlandsche Bank slechts met de overdracht in indien de
betrokken toezichthoudende instantie van die staat, voorzover
aanwezig, daarmee eveneens op verzoek van de Nederlandsche Bank
heeft ingestemd.
4.In afwijking van het eerste lid
kan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland zijn
rechten en verplichtingen uit een individuele
natura-uitvaartverzekering op verzoek van de verzekeringnemer
overdragen.
Artikel 3:114
1.Een schadeverzekeraar met zetel
in Nederland die rechten en verplichtingen krachtens
schadeverzekering wenst over te dragen, kan die overdracht met
instemming van de Nederlandsche Bank doen plaatsvinden zonder
medewerking of instemming van degenen die aan die
schadeverzekeringen rechten kunnen ontlenen indien het betreft:
a. de overdracht van rechten en
verplichtingen krachtens schadeverzekering, gesloten vanuit
een vestiging in een lidstaat, aan een andere
schadeverzekeraar met zetel in een lidstaat in het kader van
diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een
lidstaat;
b. de overdracht van rechten en
verplichtingen krachtens schadeverzekering, gesloten vanuit
een vestiging in Nederland, aan een andere schadeverzekeraar
met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van
diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor;
c. de overdracht van rechten en
verplichtingen krachtens schadeverzekering, gesloten vanuit
een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, aan een andere
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is
in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een
lidstaat gelegen bijkantoor.
2.In het geval, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, stemt de Nederlandsche Bank slechts met
de overdracht in indien de betrokken toezichthoudende instanties
daarmee eveneens op verzoek van de Nederlandsche Bank instemmen.
Artikel 3:114a
1.Een herverzekeraar met zetel in
Nederland die rechten en verplichtingen uit herverzekering wenst
over te dragen, kan die overdracht met instemming van de
Nederlandsche Bank doen plaatsvinden zonder medewerking of
instemming van degenen die aan die herverzekeringen rechten kunnen
ontlenen indien het betreft:
a. de overdracht van rechten en
verplichtingen uit herverzekering, gesloten vanuit een
vestiging in een lidstaat, aan een andere herverzekeraar met
zetel in een lidstaat in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een lidstaat;
b. de overdracht van rechten en
verplichtingen uit herverzekering, gesloten vanuit een
vestiging in Nederland, aan een andere herverzekeraar met
zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor;
c. de overdracht van rechten en
verplichtingen uit herverzekering, gesloten vanuit een in een
andere lidstaat gelegen bijkantoor, aan een andere
herverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in
het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een
lidstaat gelegen bijkantoor.
2.In het geval, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, stemt de Nederlandsche Bank slechts met
de voordracht in indien de betrokken toezichthoudende instanties
daarmee eveneens op verzoek van de Nederlandsche Bank instemmen.
Artikel 3:115
1.Met een overdracht van de rechten
en verplichtingen uit alle levensverzekeringen, uit alle
natura-uitvaartverzekeringen of krachtens alle schadeverzekeringen
door levensverzekeraars, natura-uitvaartverzekeraars
onderscheidenlijk schadeverzekeraars met zetel in Nederland, wordt
gelijkgesteld de overgang van deze rechten en verplichtingen bij
een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek of bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Op een overgang als bedoeld in
het eerste lid met betrekking tot een levensverzekeraar met zetel
in Nederland, zijn de artikelen 3:112, eerste lid, aanhef en
onderdeel a, en tweede lid, 3:113, tweede lid, aanhef en onderdeel
a, 3:116, 3:117, eerste lid, 3:118, eerste lid, onderdeel a,
vierde en vijfde lid, 3:119 en3:120, eerste tot en met vierde lid,
van overeenkomstige toepassing.
3.Op een overgang als bedoeld in
het eerste lid met betrekking tot een natura-uitvaartverzekeraar
met zetel in Nederland, zijn de artikelen 3:113, eerste lid,
aanhef en onderdeel a, 3:116, 3:118, zesde lid,3:119 en 3:120,
eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing.
4.Op een overgang als bedoeld in
het eerste lid met betrekking tot een schadeverzekeraar met zetel
in Nederland, zijn deartikelen 3:114, eerste lid, aanhef en
onderdeel a, 3:116, 3:117, tweede lid, 3:118, eerste tot en met
vijfde lid, en 3:120, eerste tot en met derde, vijfde, zevende en
negende lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:116
De aanvraag van instemming met een
overdracht als bedoeld in artikel 3:112, eerste lid, 3:113, eerste
en tweede lid, 3:114, eerste lid, of 3:114a, eerste lid, geschiedt
onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen gegevens.
Artikel 3:117
1.Indien een voorgenomen overdracht
als bedoeld in artikel 3:112, eerste lid, onderdeel a, betrekking
heeft op levensverzekeringen, gesloten vanuit een in een andere
lidstaat gelegen bijkantoor, en in geval van een overdracht als
bedoeld in artikel 3:112, eerste lid, onderdeel c, legt de
Nederlandsche Bank na ontvangst van de gegevens, bedoeld in
artikel 3:116 deze gegevens voor advies voor aan de
toezichthoudende instantie van elke betrokken lidstaat.
2.Indien een voorgenomen overdracht
als bedoeld in artikel 3:114, eerste lid, onderdeel a, betrekking
heeft op schadeverzekeringen, gesloten vanuit een in een andere
lidstaat gelegen bijkantoor, en in geval van een overdracht als
bedoeld in artikel 3:114, eerste lid, onderdeel c, legt de
Nederlandsche Bank na ontvangst van de gegevens, bedoeld in
artikel 3:116 deze gegevens voor advies voor aan de
toezichthoudende instantie van elke betrokken lidstaat.
Artikel 3:118
1. De Nederlandsche Bank stemt
slechts in met een overdracht als bedoeld in artikel 3:112, eerste
lid, of artikel 3:114, eerste lid, aan:
a. een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in Nederland, indien deze
levensverzekeraar of schadeverzekeraar, mede gelet op de
voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge en de Nederlandsche Bank geen herstelplan
ingevolge artikel 3:132 heeft verlangd van die
levensverzekeraar of schadeverzekeraar;
b. een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, indien de
toezichthoudende instantie van die lidstaat op verzoek van de
Nederlandsche Bank heeft verklaard dat deze levensverzekeraar
of schadeverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht,
beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge; of
c. een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is
in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor, indien het betrokken bijkantoor,
mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het
minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge en de Nederlandsche Bank
geen herstelplan ingevolgeartikel 3:132 heeft verlangd van die
levensverzekeraar of schadeverzekeraar.
2. Indien een toezichthoudende
instantie van een lidstaat belast is met het toezicht op de
solvabiliteitsmarge van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, stemt de Nederlandsche Bank slechts in nadat die
toezichthoudende instantie op verzoek van de Nederlandsche Bank
heeft medegedeeld dat het bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen
overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge en dat, indien van toepassing, van het
bijkantoor geen plan dat overeenkomt met een herstelplan als
bedoeld in artikel 3:132 is verlangd.
3. De Nederlandsche Bank stemt
slechts in met een overdracht als bedoeld in artikel 3:114, eerste
lid, aan een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen
lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een
in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, indien:
a. de toezichthoudende
instantie van die lidstaat dan wel, indien een andere
toezichthoudende instantie van een lidstaat belast is met het
toezicht op de solvabiliteitsmarge van het betrokken
bijkantoor, laatstbedoelde instantie op verzoek van de
Nederlandsche Bank heeft medegedeeld dat het bijkantoor, mede
gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het
minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge;
b. de toezichthoudende
instantie van die lidstaat geen plan dat overeenkomt met een
herstelplan als bedoeld in artikel 3:132 heeft verlangd van
het bijkantoor; en
c. de betrokken
toezichthoudende instantie op verzoek van de Nederlandsche
Bank instemt met de overdracht.
4. Voorzover een overdracht
betrekking heeft op schadeverzekeringen bij het sluiten waarvan in
een andere lidstaat gelegen risico’s zijn verzekerd dan wel op
door middel van het verrichten van diensten naar een andere
lidstaat gesloten levensverzekeringen, stemt de Nederlandsche Bank
slechts in nadat de toezichthoudende instantie van die lidstaat op
verzoek van de Nederlandsche Bank heeft verklaard met de
overdracht in te stemmen.
5. Indien de toezichthoudende
instantie, bedoeld in het vierde lid of in artikel 3:117 niet
binnen drie maanden na ontvangst van het daartoe strekkende
verzoek van de Nederlandsche Bank heeft gereageerd, wordt zulks
gelijkgesteld met een gunstig advies onderscheidenlijk een
instemming.
6. De Nederlandsche Bank stemt
slechts in met een overdracht als bedoeld in artikel 3:113, eerste
of tweede lid, aan:
a. een levensverzekeraar met
zetel in Nederland, met zetel in een andere lidstaat of met
zetel in een staat die geen lidstaat is, indien deze
levensverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht,
beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge en,
voorzover het betreft een levensverzekeraar met zetel in een
lidstaat, de Nederlandsche Bank of een toezichthoudende
instantie van een lidstaat geen herstelplan ingevolge artikel
3:132 onderscheidenlijk een herstelplan dat overeenkomt met
het herstelplan, bedoeld in artikel 3:132, heeft verlangd van
die levensverzekeraar;
b. een
natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland, indien deze
natura-uitvaartverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen
overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge en de Nederlandsche Bank geen herstelplan
ingevolge artikel 3:132 heeft verlangd van die
natura-uitvaartverzekeraar; en
c. een
natura-uitvaartverzekeraar met zetel buiten Nederland in het
kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor indien het betrokken bijkantoor, mede gelet
op de voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag
aan solvabiliteitsmarge en de Nederlandsche Bank geen
herstelplan ingevolgeartikel 3:132 heeft verlangd van die
natura-uitvaartverzekeraar.
Artikel 3:118a
1.De Nederlandsche Bank stemt
slechts in met een overdracht als bedoeld inartikel 3:114a, aan:
a. een herverzekeraar met zetel
in Nederland, indien deze herverzekeraar, mede gelet op de
voorgenomen overdracht, beschikt over een minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge en de Nederlandsche Bank geen herstelplan
ingevolgeartikel 3:132 heeft verlangd van die herverzekeraar;
b. een herverzekeraar met zetel
in een andere lidstaat of een aangewezen staat, indien de
toezichthoudende instantie van die staat op verzoek van de
Nederlandsche Bank heeft verklaard dat deze herverzekeraar,
mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het
minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge; of
c. een herverzekeraar met zetel
in een niet-aangewezen staat in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor, indien het betrokken bijkantoor, mede gelet op de
voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge en de Nederlandsche Bank geen herstelplan
ingevolge artikel 3:132 heeft verlangd van die herverzekeraar.
2.De Nederlandsche Bank stemt
slechts in met een overdracht als bedoeld inartikel 3:114a, eerste
lid, aan een herverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat
in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een
andere lidstaat gelegen bijkantoor, indien:
a. de toezichthoudende
instantie van die lidstaat op verzoek van de Nederlandsche
Bank heeft medegedeeld dat het bijkantoor, mede gelet op de
voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge;
b. de toezichthoudende
instantie van die lidstaat geen plan dat overeenkomt met een
herstelplan als bedoeld in artikel 3:132 heeft verlangd van
het bijkantoor; en
c. de betrokken
toezichthoudende instantie op verzoek van de Nederlandsche
Bank instemt met de overdracht.
Artikel 3:119
1.Indien de gegevens, bedoeld in
artikel 3:116 voldoende zijn voor de voorbereiding van de
beschikking, geeft de Nederlandsche Bank opdracht aan de
levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar om van zijn
voornemen tot overdracht van rechten en verplichtingen mededeling
te doen in de Staatscourant en op andere door de Nederlandsche
Bank te bepalen wijze. Daarbij doet de Nederlandsche Bank
mededeling van de termijn waarbinnen de betrokken polishouders
zich bij de Nederlandsche Bank schriftelijk tegen de overdracht
kunnen verzetten.
2.Indien een vierde of meer van de
polishouders zich binnen de door de Nederlandsche Bank gestelde
termijn, bedoeld in het eerste lid, tegen de voorgenomen
overdracht door een levensverzekeraar of
natura-uitvaartverzekeraar heeft verzet, verleent de Nederlandsche
Bank geen instemming.
3.Heeft de Nederlandsche Bank
bedenkingen tegen de overdracht, dan deelt zij deze bedenkingen na
afloop van de gestelde termijn mee aan de levensverzekeraar of
natura-uitvaartverzekeraar.
4.Indien zich niet binnen de door
de Nederlandsche Bank gestelde termijn, bedoeld in het eerste lid,
een vierde of meer van de polishouders tegen de voorgenomen
overdracht heeft verzet en tegen de overdracht ook bij de
Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan, verleent de
Nederlandsche Bank de levensverzekeraar of
natura-uitvaartverzekeraar instemming met de overdracht. De
overdracht kan dan plaatsvinden en is van kracht ten aanzien van
alle betrokkenen.
5.Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder polishouder verstaan de verzekeringnemer of
zijn rechtsopvolger, doch indien een uitkering uit de verzekering
opeisbaar is, de tot de uitkering gerechtigde. In het geval van
overdracht door een levensverzekeraar wordt, indien de
verzekeringnemer bij een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in
artikel 1 van de Pensioenwet met een verzekeraar ontbreekt, onder
polishouder verstaan degene die wegens het verbreken van de band
met de onderneming van zijn werkgever een premievrije aanspraak op
uitkeringen heeft verkregen. In afwijking van de eerste en tweede
volzin wordt ingeval van een collectieve levensverzekering voor de
toepassing van het tweede lid het aantal verzekerden in aanmerking
genomen.
Artikel 3:120
1.De verzekeraar die rechten en
verplichtingen met instemming van de Nederlandsche Bank heeft
overgedragen, doet van de overdracht mededeling in de
Staatscourant.
2.Een levensverzekeraar of
natura-uitvaartverzekeraar vermeldt bij de mededeling, bedoeld in
het eerste lid, de datum waarop de overdracht is geschied. Een
schadeverzekeraar doet tevens van de overdracht mededeling op
andere door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze.
3.De inhoud van de mededelingen,
bedoeld in het eerste en tweede lid, behoeft voorafgaande
instemming van de Nederlandsche Bank.
4.Indien in de overdracht
levensverzekeringen zijn betrokken die door middel van het
verrichten van diensten naar een andere lidstaat zijn gesloten,
doet de levensverzekeraar van de overdracht tevens mededeling in
die lidstaat. Het derde lid is in dat geval van overeenkomstige
toepassing.
5.Indien in de overdracht
schadeverzekeringen zijn betrokken, waarbij risico’s zijn
verzekerd, die in een andere lidstaat zijn gelegen, doet de
schadeverzekeraar van de overdracht tevens mededeling in die
lidstaat. Het derde lid is in dat geval van overeenkomstige
toepassing.
6.De overdracht door een
schadeverzekeraar wordt ten aanzien van alle andere betrokkenen
dan de betrokken schadeverzekeraars van kracht met ingang van de
tweede dag, volgend op die van de dagtekening van de Staatscourant
waarin de publicatie is geplaatst.
7.De bij de overdracht door een
schadeverzekeraar betrokken verzekeringnemers kunnen gedurende
drie maanden na de dagtekening van de Staatscourant waarin de
publicatie is geplaatst de schadeverzekering schriftelijk opzeggen
met ingang van de dag na afloop van deze termijn. De
schadeverzekeraar geeft alsdan de vooruitbetaalde premie alsmede
de voldane assurantiebelasting terug voor het gedeelte dat
evenredig is aan het op de hiervoor bedoelde dag nog niet
verstreken gedeelte van de termijn waarvoor de premie en de
assurantiebelasting werden betaald.
8.Indien een verzekeringnemer die
lid is van een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in
Nederland of van een onderneming op onderlinge grondslag met zetel
in een staat die geen lidstaat is ingevolge de overdracht geen
verzekering meer bij deze verzekeraar heeft lopen, eindigt zijn
lidmaatschap uit dien hoofde van rechtswege met ingang van de
tweede dag, volgend op die van de dagtekening van de Staatscourant
waarin de publicatie is geplaatst.
9.Indien bij de overdracht het
lidmaatschap van een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in
Nederland of van een onderneming op onderlinge grondslag met zetel
buiten Nederland is verkregen, eindigt in geval van opzegging
overeenkomstig het zevende lid dit lidmaatschap en de daaruit
voortvloeiende aansprakelijkheid voor een tekort van rechtswege
met ingang van de dag na afloop van de termijn, bedoeld in dat
lid.
Artikel 3:121 [Vervallen per
01-09-2008]
§ 3.5.1a.2. Levensverzekeraars en
schadeverzekeraars met zetel in een andere lidstaat
Artikel 3:122
1.Indien de wetgeving van een
andere lidstaat niet voorziet in een instemmingprocedure voor een
levensverzekeraar met zetel aldaar voor de overdracht van rechten
en verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere levensverzekeraar met
zetel in een staat die geen lidstaat is, in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor,
kan de overdracht plaatsvinden met instemming van de Nederlandsche
Bank.
2.Indien de wetgeving van een
andere lidstaat niet voorziet in een instemmingprocedure voor een
schadeverzekeraar met zetel aldaar voor de overdracht van rechten
en verplichtingen krachtens schadeverzekering, gesloten vanuit een
in Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere schadeverzekeraar
met zetel in een staat die geen lidstaat is, in het kader van
diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor, kan de overdracht plaatsvinden met instemming van de
Nederlandsche Bank en zonder medewerking of instemming van degenen
die aan die schadeverzekeringen rechten kunnen ontlenen.
3.De Nederlandsche Bank verleent
geen instemming alvorens de toezichthoudende instantie van de
lidstaat van de zetel van de overdragende verzekeraar op verzoek
van de Nederlandsche Bank aan haar heeft verklaard met die
overdracht in te stemmen.
Artikel 3:122a
1. Met een overdracht van de
rechten en verplichtingen uit alle levensverzekeringen of
krachtens alle schadeverzekeringen door levensverzekeraars
onderscheidenlijk schadeverzekeraars met zetel in een andere
lidstaat, wordt gelijkgesteld de overgang van deze rechten en
verplichtingen bij een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek of bij een splitsing als bedoeld in
artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Op een overgang als bedoeld in
het eerste lid met betrekking tot een levensverzekeraar zijn de
artikelen 3:112, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 3:113, tweede
lid, aanhef en onderdeel a, 3:116, 3:117, eerste lid, 3:118,
eerste, tweede en vijfde lid, 3:119 en 3:120, eerste tot en met
vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
3. Op een overgang als bedoeld in
het eerste lid met betrekking tot een schadeverzekeraar zijn de
artikelen 3:114, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 3:116, 3:117,
tweede lid, 3:118, eerste tot en met vijfde lid, en 3:120, eerste
tot en met derde, vijfde, zevende en negende lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:123
1.Indien een toezichthoudende
instantie van een andere lidstaat de Nederlandsche Bank vraagt om
haar advies over of instemming met een voorgenomen overdracht van
rechten en verplichtingen uit levensverzekering of krachtens
schadeverzekering, geeft zij haar advies of instemming binnen drie
maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek.
2.Indien de overdracht geschiedt
aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een
andere lidstaat in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit
een vestiging in een andere lidstaat stemt de Nederlandsche Bank
niet in met:
a. een overdracht door een
levensverzekeraar aan een levensverzekeraar met zetel in een
andere lidstaat, indien de overdracht betrekking heeft op een
vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor gesloten
levensverzekering waarbij geen sprake is van het verrichten
van diensten en de overdracht niet in het belang is van
degenen die aan die levensverzekering rechten kunnen ontlenen;
en
b. een overdracht door een
schadeverzekeraar aan een schadeverzekeraar met zetel in een
andere lidstaat, indien de overdracht betrekking heeft op een
vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor gesloten
schadeverzekering waarvan de risico’s in Nederland zijn
gelegen en de overdracht niet in het belang is van degenen die
aan die schadeverzekering rechten kunnen ontlenen.
3.Indien de overdracht geschiedt
aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een
staat die geen lidstaat is in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een andere lidstaat
stemt de Nederlandsche Bank niet in met:
a. een overdracht door een
levensverzekeraar aan een levensverzekeraar met zetel in een
staat die geen lidstaat is, indien de overdracht betrekking
heeft op een vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor
gesloten levensverzekering waarbij geen sprake is van het
verrichten van diensten, tenzij de overdracht in het belang is
van degenen die aan die levensverzekering rechten kunnen
ontlenen;
b. een overdracht door een
schadeverzekeraar aan een schadeverzekeraar met zetel in een
staat die geen lidstaat is, indien de overdracht betrekking
heeft op een vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor
gesloten schadeverzekering waarvan de risico’s in Nederland
zijn gelegen, tenzij de overdracht in het belang is van
degenen die aan die schadeverzekering rechten kunnen ontlenen.
Artikel 3:124
1.De instemming, verleend door een
toezichthoudende instantie van een andere lidstaat aan een
levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in die lidstaat
met overdracht van rechten en verplichtingen uit een
levensverzekering of krachtens een schadeverzekering in het kader
van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor dan wel in het kader van het verrichten van diensten
naar Nederland vanuit een vestiging in een lidstaat, treedt in de
plaats van de medewerking of de instemming van degenen die aan die
levensverzekeringen of schadeverzekeringen rechten kunnen
ontlenen.
2.De levensverzekeraar of
schadeverzekeraar die rechten en verplichtingen ingevolge het
eerste lid heeft overgedragen, doet van de overdracht mededeling
in de Staatscourant en op andere door de Nederlandsche Bank te
bepalen wijze. De inhoud van deze publicaties behoeft voorafgaande
instemming van de Nederlandsche Bank.
3.De overdracht wordt ten aanzien
van alle andere betrokkenen dan de betrokken levensverzekeraars of
schadeverzekeraars van kracht op het volgens het recht van de
betrokken lidstaat te bepalen tijdstip, dan wel, bij gebreke van
een regeling in die lidstaat, met ingang van de tweede dag,
volgend op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de
publicatie is geplaatst.
4.In geval van overdracht door een
schadeverzekeraar kunnen de bij een overdracht betrokken
verzekeringnemers de schadeverzekering volgens de door het recht
van de betrokken lidstaat bepaalde wijze opzeggen. Bij gebreke van
een regeling in die lidstaat is artikel 3:120, zevende lid, van
overeenkomstige toepassing.
5.Indien bij de overdracht door een
schadeverzekeraar het lidmaatschap van een onderlinge
waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming
op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland is verkregen,
eindigt in geval van opzegging ingevolge het vierde lid dit
lidmaatschap en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid voor
een tekort van rechtswege volgens de door het recht van de
betrokken lidstaat bepaalde wijze, dan wel, bij gebreke van een
regeling in die lidstaat, met ingang van de dag na afloop van de
termijn, bedoeld inartikel 3:120, zevende lid.
6.Indien een verzekeringnemer die
lid is van een onderneming op onderlinge grondslag ingevolge de
overdracht geen levensverzekeringen meer bij de levensverzekeraar
heeft lopen, eindigt zijn lidmaatschap van rechtswege volgens de
door het recht van de betrokken lidstaat bepaalde wijze, dan wel,
bij gebreke van een regeling in die lidstaat, met ingang van de
tweede dag, volgend op die van de dagtekening van de Staatscourant
waarin de publicatie is geplaatst.
Artikel 3:125
1.Indien een levensverzekeraar met
zetel in een andere lidstaat instemming vraagt aan de
toezichthoudende instantie van de lidstaat van zijn zetel om
rechten en verplichtingen uit een levensverzekering in het kader
van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor over te dragen aan een andere levensverzekeraar, doet
hij van de voorgenomen overdracht onverwijld mededeling in de
Staatscourant en op andere door de Nederlandsche Bank te bepalen
wijze. Daarbij wordt mededeling gedaan van een door de
Nederlandsche Bank vast te stellen termijn, waarbinnen de
betrokken polishouders zich bij de Nederlandsche Bank schriftelijk
tegen de overdracht kunnen verzetten.
2.Indien een vierde of meer van de
polishouders zich binnen de gestelde termijn tegen de overdracht
heeft verzet, verleent de Nederlandsche Bank geen instemming.
3.Artikel 3:119, vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
§ 3.5.1a.3. Levensverzekeraars en
schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:126
1.Een levensverzekeraar met zetel
in een staat die geen lidstaat is, die rechten en verplichtingen
uit levensverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor
instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft:
a. de overdracht van rechten en
verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere levensverzekeraar
met zetel in een lidstaat in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een lidstaat;
b. de overdracht van rechten en
verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere levensverzekeraar
met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van
diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor.
2.Voorzover levensverzekeringen als
bedoeld in het eerste lid door middel van het verrichten van
diensten naar een andere lidstaat zijn gesloten, kan de
levensverzekeraar rechten en verplichtingen onder de in de aanhef
van het eerste lid gestelde voorwaarde tevens overdragen aan een
andere levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat
is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in die
lidstaat gelegen bijkantoor.
3.In afwijking van het eerste en
tweede lid kunnen levensverzekeraars met zetel in een staat die
geen lidstaat is hun rechten en verplichtingen uit een individuele
levensverzekering op schriftelijk verzoek van de verzekeringnemer
overdragen.
4.Op een overdracht als bedoeld in
het eerste lid is het bepaalde ingevolge de artikelen 3:116, 3:119
en 3:120, eerste tot en met vierde lid en achtste lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:127
1.Een schadeverzekeraar met zetel
in een staat die geen lidstaat is, die rechten en verplichtingen
krachtens schadeverzekering wenst over te dragen, kan die
overdracht met instemming van de Nederlandsche Bank doen
plaatsvinden zonder medewerking of instemming van degenen die aan
die schadeverzekeringen rechten kunnen ontlenen indien het
betreft:
a. de overdracht aan een andere
schadeverzekeraar met zetel in een lidstaat in het kader van
diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een
lidstaat;
b. de overdracht aan een andere
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is
in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor.
2.Voorzover bij het sluiten van de
in het eerste lid bedoelde schadeverzekeringen in een andere
lidstaat gelegen risico’s zijn verzekerd, kan de
schadeverzekeraar rechten en verplichtingen onder de in de aanhef
van dat lid gestelde voorwaarde tevens overdragen aan een andere
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in
het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in
de lidstaat waar het risico is gelegen.
3.Op een overdracht als bedoeld in
het eerste lid is het bepaalde ingevolge deartikelen 3:116 en
3:120, eerste tot en met derde en vijfde tot en met negende lid,
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:127a
1. Met een overdracht van de
rechten en verplichtingen uit alle levensverzekeringen of
krachtens alle schadeverzekeringen door levensverzekeraars
onderscheidenlijk schadeverzekeraars met zetel in een staat die
geen lidstaat is, wordt gelijkgesteld de overgang van deze rechten
en verplichtingen bij een fusie als bedoeld in artikel 309 van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of bij een splitsing als bedoeld
in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Op een overgang als bedoeld in
het eerste lid met betrekking tot een levensverzekeraar zijn de
artikelen 3:112, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 3:113, tweede
lid, aanhef en onderdeel a, 3:116, 3:117, eerste lid, 3:118,
eerste, tweede en vijfde lid, 3:119 en 3:120, eerste tot en met
vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
3. Op een overgang als bedoeld in
het eerste lid met betrekking tot een schadeverzekeraar zijn de
artikelen 3:114, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 3:116, 3:117,
tweede lid, 3:118, eerste tot en met vijfde lid, en 3:120, eerste
tot en met derde, vijfde, zevende en negende lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:128
1.De Nederlandsche Bank stemt
slechts in met een overdracht als bedoeld in artikel 3:126, eerste
en tweede lid, of3:127, eerste lid, aan:
a. een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in Nederland indien deze
levensverzekeraar of schadeverzekeraar, mede gelet op de
voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge en de Nederlandsche Bank geen herstelplan
ingevolge artikel 3:132 heeft verlangd van de verzekeraar;
b. een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat indien de
toezichthoudende instantie van die lidstaat op verzoek van de
Nederlandsche Bank heeft verklaard dat deze levensverzekeraar
of schadeverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht,
beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge;
c. een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is
in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor, indien het betrokken bijkantoor,
mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het
minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge en de Nederlandsche Bank
geen herstelplan ingevolge artikel 3:132 heeft verlangd van
die levensverzekeraar of schadeverzekeraar.
2.Indien een andere
toezichthoudende instantie van een lidstaat belast is met het
toezicht op de solvabiliteitsmarge van het betrokken bijkantoor,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, stemt de Nederlandsche
Bank slechts in nadat die toezichthoudende instantie op verzoek
van de Nederlandsche Bank heeft verklaard dat het bijkantoor, mede
gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het
minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge en dat, indien van
toepassing, van het bijkantoor geen plan dat overeenkomt met een
herstelplan als bedoeld in artikel 3:132 is verlangd.
Artikel 3:129
1.Een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die
rechten en verplichtingen uit levensverzekering onderscheidenlijk
rechten of verplichtingen krachtens schadeverzekering, door hem
bij het verrichten van diensten naar Nederland gesloten, met
instemming van de bevoegde toezichthoudende instantie aan een
andere levensverzekeraar onderscheidenlijk een andere
schadeverzekeraar heeft overgedragen, doet van de overdracht in
Nederland mededeling op door de Nederlandsche Bank te bepalen
wijze.
2.De inhoud van de mededeling,
bedoeld in het eerste lid, behoeft voorafgaande instemming van de
Nederlandsche Bank.
Artikel 3:130 [Vervallen per
01-09-2008]
§ 3.5.1a.4.
Natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat
Artikel 3:131
1.Een natura-uitvaartverzekeraar
met zetel in een niet-aangewezen staat die rechten en
verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering wenst over te
dragen, behoeft daarvoor instemming van de Nederlandsche Bank
indien het betreft de overdracht van rechten en verplichtingen uit
natura-uitvaartverzekering gesloten vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor, aan een andere natura-uitvaartverzekeraar of
aan een levensverzekeraar in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland.
2.Indien de wetgeving van een
andere staat niet voorziet in een instemmingprocedure voor een
natura-uitvaartverzekeraar met zetel aldaar tot overdracht van
zijn rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering,
gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, aan een
andere natura-uitvaartverzekeraar of aan een levensverzekeraar in
het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor, kan de overdracht plaatsvinden met instemming
van de Nederlandsche Bank.
3.De Nederlandsche Bank stemt
slechts in met een overdracht als bedoeld in het eerste lid aan:
a. een
natura-uitvaartverzekeraar in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland indien
deze natura-uitvaartverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen
overdracht, beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge en
de Nederlandsche Bank geen herstelplan ingevolge artikel 3:132
of 3:134 heeft verlangd van de natura-uitvaartverzekeraar;
b. een levensverzekeraar in het
kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in
Nederland indien deze levensverzekeraar, mede gelet op de
voorgenomen overdracht, beschikt over de vereiste
solvabiliteitsmarge en, voorzover het betreft een
levensverzekeraar met zetel in een lidstaat, de Nederlandsche
Bank of een toezichthoudende instantie van een lidstaat geen
herstelplan ingevolge artikel 3:132 onderscheidenlijk een
herstelplan dat overeenkomt met het herstelplan, bedoeld in
artikel 3:132, heeft verlangd van die levensverzekeraar.
4.De Nederlandsche Bank stemt in
met een overdracht als bedoeld in het eerste lid nadat de
toezichthoudende instantie, voorzover aanwezig, in de staat van de
zetel van de overdragende natura-uitvaartverzekeraar heeft
verklaard met die overdracht in te stemmen.
5.In afwijking van het tweede en
vierde lid kan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een
niet-aangewezen staat zijn rechten en verplichtingen uit een
individuele natura-uitvaartverzekering op verzoek van de
verzekeringnemer overdragen.
6.Op een overdracht als bedoeld in
het eerste lid is het bepaalde ingevolge de artikelen 3:116, 3:119
en 3:120, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 3:131a
1. Met een overdracht van de
rechten en verplichtingen uit alle natura-uitvaartverzekeringen
door natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen
staat, wordt gelijkgesteld de overgang van deze rechten en
verplichtingen bij een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek of bij een splitsing als bedoeld in
artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Op een overgang als bedoeld in
het eerste lid zijn de artikelen 3:113, eerste lid, aanhef en
onderdeel a, 3:116, 3:117, eerste lid, 3:118, zesde lid,3:119 en
3:120, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 3.5.2. Herstelplan
§ 3.5.2.1. Verzekeraars met zetel in
Nederland
Artikel 3:132
1.Indien de rechten van degenen die
als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen
betrokken zijn bij verzekeringen, gesloten door een verzekeraar
met zetel in Nederland, in het gedrang komen, kan de Nederlandsche
Bank van de verzekeraar een herstelplan verlangen dat binnen acht
weken of zoveel eerder als de Nederlandsche Bank bepaalt, aan haar
instemming wordt onderworpen, tenzij artikel 3:136 van toepassing
is.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het
herstelplan.
3.Indien de Nederlandsche Bank een
herstelplan heeft verlangd en de financiële positie van de
verzekeraar verslechtert, kan de Nederlandsche Bank aan die
verzekeraar voorschrijven dat hij over een hoger minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge beschikt dan bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur is voorgeschreven, teneinde te waarborgen
dat die verzekeraar in staat is in de nabije toekomst te blijven
voldoen aan het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
voorgeschreven minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge. Bij de
vaststelling van het niveau van een hoger minimumbedrag aan
solvabiliteitsmarge wordt uitgegaan van het herstelplan, bedoeld
in het eerste lid, en kan de termijn worden bepaald waarbinnen het
hogere minimumbedrag dient te zijn bereikt.
§ 3.5.2.2. Levensverzekeraars en
schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:133
Artikel 3:132 is van overeenkomstige
toepassing op levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in
een staat die geen lidstaat is.
§ 3.5.2.3. Herverzekeraars met zetel
in een niet-aangewezen staat en natura-uitvaartverzekeraars met
zetel in een niet-aangewezen staat
Artikel 3:134
Artikel 3:132 is van overeenkomstige
toepassing op herverzekeraars en natura-uitvaartverzekeraars met
zetel in een niet-aangewezen staat.
Afdeling 3.5.3. Beperking van de
beschikkingsbevoegdheid, saneringsplan en financieringsplan
§ 3.5.3.1. Verzekeraars met zetel in
Nederland
Artikel 3:135
1.Indien een verzekeraar met zetel
in Nederland niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 3:67
bepaalde met betrekking tot de technische voorzieningen, kan de
Nederlandsche Bank de vrije beschikking door de verzekeraar over
zijn waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of hem
verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank
te beschikken over deze waarden.
2.Alvorens een besluit als bedoeld
in het eerste lid te nemen, stelt de Nederlandsche Bank de
toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar de
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar een
bijkantoor heeft of waarnaar hij vanuit zijn vestigingen in een
lidstaat diensten verricht, in kennis van haar voornemen.
3.De Nederlandsche Bank kan indien
zij een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen de
toezichthoudende instanties, bedoeld in het tweede lid, verzoeken
overeenkomstige maatregelen te treffen ten aanzien van de in de
betrokken lidstaten aanwezige waarden, onder opgave van die
waarden.
4.De verzekeraar kan de
ongeldigheid van een rechtshandeling, verricht in strijd met de
beperking of het verbod, inroepen indien de wederpartij de
maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
5.De Nederlandsche Bank heft de
beperking of het verbod op zodra de verzekeraar weer voldoet aan
het bij of krachtensartikel 3:67 bepaalde.
6.De Nederlandsche Bank stelt de
toezichthoudende instanties, bedoeld in het tweede lid, in kennis
van het besluit, bedoeld in het eerste en vijfde lid.
Artikel 3:136
1.Indien een verzekeraar met zetel
in Nederland niet meer voldoet aan het bij of krachtens artikel
3:57, eerste tot en met derde lid, bepaalde met betrekking tot het
minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge dient hij op verzoek van de
Nederlandsche Bank, tenzij het tweede lid van toepassing is,
binnen acht weken of zoveel eerder als de Nederlandsche Bank
bepaalt, bij de Nederlandsche Bank een saneringsplan ter
instemming in.
2.Indien de solvabiliteitsmarge
niet meer het garantiefonds, bedoeld in artikel 3:57, vierde lid,
bereikt, dient de verzekeraar, op verzoek van de Nederlandsche
Bank, binnen acht weken of zoveel eerder als de Nederlandsche Bank
bepaalt bij de Nederlandsche Bank een financieringsplan ter
instemming in.
3.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
inhoud van het saneringsplan en het financieringsplan, bedoeld in
het eerste onderscheidenlijk het tweede lid.
4.De Nederlandsche Bank kan op
aanvraag van de verzekeraar wijzigingen in een plan waarvoor
instemming is verleend toestaan. Eveneens kan de Nederlandsche
Bank bij gewijzigde omstandigheden, wijzigingen in het plan eisen
of de instemming intrekken.
5.Ingeval het eerste of tweede lid
wordt toegepast en de Nederlandsche Bank daartoe aanleiding ziet,
stelt zij de toezichthoudende instanties van andere lidstaten waar
de herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar een
bijkantoor heeft of waarnaar hij vanuit zijn vestigingen in een
lidstaat diensten verricht, hiervan in kennis.
Artikel 3:137
Een verzekeraar met zetel in
Nederland wiens solvabiliteitsmarge niet voldoet aan het bij of
krachtens artikel 3:57bepaalde, doet aan de Nederlandsche Bank
binnen een door haar te bepalen termijn en op een door haar te
bepalen wijze opgave van de inartikel 3:67 bedoelde waarden en van
de wijzigingen die daarin optreden.
Artikel 3:138
1.De Nederlandsche Bank kan indien
zich in het geval, bedoeld in artikel 3:136, eerste lid,
uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan te
verwachten is dat de financiële positie van de verzekeraar nog
verder zal verslechteren, evenals in het geval, bedoeld in artikel
3:136, tweede lid, de vrije beschikking door de verzekeraar over
zijn waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of hem
verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank
te beschikken over deze waarden.
2.Indien het een herverzekeraar,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar betreft, deelt de
Nederlandsche Bank haar besluit, zo mogelijk voordat dit van
kracht wordt, mee aan de toezichthoudende instantie van een andere
lidstaat waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of waarnaar hij
vanuit zijn vestigingen in een lidstaat diensten verricht. Zij kan
deze toezichthoudende instantie verzoeken overeenkomstige
maatregelen te treffen ten aanzien van de in de betrokken
lidstaten aanwezige waarden, onder opgave van die waarden.
3.Artikel 3:135, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4.De Nederlandsche Bank heft de
beperking of het verbod op zodra de verzekeraar weer voldoet aan
de bij of krachtens deze wet gestelde eisen met betrekking tot de
solvabiliteitsmarge. De Nederlandsche Bank stelt de
toezichthoudende instanties, bedoeld in het tweede lid, in kennis
van dit besluit.
Artikel 3:139
1.De Nederlandsche Bank kan, indien
aan een verzekeraar op grond van artikel 3:132, derde lid, een
hoger minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge is voorgeschreven en
die verzekeraar niet of niet meer beschikt over dit minimumbedrag
aan solvabiliteitsmarge, in uitzonderlijke omstandigheden op grond
waarvan te verwachten is dat de financiële positie van de
verzekeraar nog verder zal verslechteren, de vrije beschikking
door de verzekeraar over zijn waarden, waar zij zich ook bevinden,
beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de
Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.
2.Deartikelen 3:135, vierde lid, en
3:138, tweede en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 3.5.3.2. Levensverzekeraars en
schadeverzekeraars met zetel in een andere lidstaat
Artikel 3:140
1.De Nederlandsche Bank neemt een
besluit als bedoeld in artikel 3:135, eerste lid, of 3:138, eerste
lid, indien de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat
waar een levensverzekeraar of schadeverzekeraar zijn zetel heeft
hierom verzoekt.
2.De Nederlandsche Bank kan in
dringende gevallen de in het eerste lid bedoelde maatregelen
treffen zonder een daartoe strekkend verzoek van de in dat lid
bedoelde toezichthoudende instantie, indien de levensverzekeraar
of schadeverzekeraar inbreuk maakt op bij of krachtens deze wet
gestelde voorschriften.
3.De beperking of het verbod heeft
betrekking op de in Nederland aanwezige waarden. Indien de
maatregel wordt getroffen op verzoek van de toezichthoudende
instantie van de lidstaat waar de verzekeraar zijn zetel heeft en
die instantie opgave van deze waarden heeft gedaan, houdt de
Nederlandsche Bank daarmee rekening.
4.Artikel 3:135, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
5.De Nederlandsche Bank heft de
beperking of het verbod op zodra de toezichthoudende instantie,
bedoeld in het eerste lid, dat verzoekt of indien daartoe
aanleiding bestaat.
6.De Nederlandsche Bank stelt de
toezichthoudende instantie, bedoeld in het eerste lid, in kennis
van het besluit inzake de beperking of het verbod en van het
besluit, bedoeld in het vijfde lid.
7.Indien een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat een bijkantoor
heeft in Nederland of diensten verricht naar Nederland en de
toezichthoudende instantie van die lidstaat de Nederlandsche Bank
in kennis heeft gesteld van de intrekking van de aan die
verzekeraar verleende vergunning, doet de Nederlandsche Bank
daarvan mededeling in de Staatscourant. Bij deze publicatie wordt
tevens mededeling gedaan van de beperking of het verbod, opgelegd
ingevolge het eerste lid.
§ 3.5.3.3. Levensverzekeraars en
schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:141
1.Indien een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is niet
voldoet aan het ingevolge artikel 3:68 bepaalde met betrekking tot
de technische voorzieningen, kan de Nederlandsche Bank de vrije
beschikking door de levensverzekeraar of schadeverzekeraar over de
waarden, die betrekking hebben op zijn vanuit Nederland
uitgeoefende bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk
bedrijf van schadeverzekeraar, beperken of hem verbieden om anders
dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over
deze waarden.
2.Alvorens een besluit als bedoeld
in het eerste lid te nemen, stelt de Nederlandsche Bank de
toezichthoudende instantie van een andere lidstaat die belast is
met het toezicht op de solvabiliteitsmarge van de
levensverzekeraar of schadeverzekeraar, bedoeld in artikel 3:60,
tweede lid, op de hoogte van haar voornemen.
3.Artikel 3:135, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4.De Nederlandsche Bank heft de
beperking of het verbod op zodra de levensverzekeraar of
schadeverzekeraar, bedoeld in het eerste lid, weer voldoet aan de
in het eerste lid bedoelde eisen.
5.De Nederlandsche Bank stelt de
toezichthoudende instantie, bedoeld in het tweede lid, alsmede de
toezichthoudende instanties van de lidstaten waarnaar de
levensverzekeraar of schadeverzekeraar, bedoeld in het eerste lid,
vanuit Nederland diensten verricht in kennis van het besluit
betreffende de beperking of het verbod en de opheffing daarvan.
Artikel 3:142
Artikel 3:136 is van overeenkomstige
toepassing op levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in
een staat die geen lidstaat is.
Artikel 3:143
Een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is wiens
solvabiliteitsmarge niet voldoet aan het bij of krachtens deze wet
bepaalde dan wel aan de in een andere lidstaat gestelde eisen indien
een ontheffing is verleend overeenkomstig artikel 3:60, doet aan de
Nederlandsche Bank binnen een door haar te bepalen termijn en op een
door haar te bepalen wijze opgave van de in artikel 3:68 bedoelde
waarden en van de wijzigingen die daarin optreden.
Artikel 3:144
1.De Nederlandsche Bank kan indien
zich in het geval, bedoeld in artikel 3:136, eerste lid,
uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan te
verwachten is dat de financiële positie van de levensverzekeraar
of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is
nog verder zal verslechteren, evenals in het geval, bedoeld in
artikel 3:136, tweede lid, de vrije beschikking door de
levensverzekeraar of schadeverzekeraar over zijn waarden, die
betrekking hebben op zijn vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf
van levensverzekeraar of schadeverzekeraar beperken of hem
verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank
te beschikken over deze waarden.
2.De Nederlandsche Bank deelt haar
besluit, zo mogelijk voordat dit van kracht wordt, mee aan de
toezichthoudende instantie van een andere lidstaat waar de
levensverzekeraar of schadeverzekeraar een bijkantoor heeft of
waarnaar hij vanuit zijn bijkantoor in een lidstaat diensten
verricht. Zij kan deze toezichthoudende instantie verzoeken
overeenkomstige maatregelen te treffen ten aanzien van de in de
betrokken lidstaat aanwezige waarden.
3.Ten aanzien van een
levensverzekeraar of schadeverzekeraar, waarvan op de
solvabiliteitsmarge toezicht wordt gehouden door de
toezichthoudende instantie van een andere lidstaat op grond van
artikel 3:60, tweede lid, neemt de Nederlandsche Bank een besluit
als bedoeld in het eerste lid ten aanzien van de hier te lande
aanwezige waarden, indien die toezichthoudende instantie dit
verzoekt op grond van het feit dat de levensverzekeraar of
schadeverzekeraar in soortgelijke omstandigheden verkeert als
bedoeld in het eerste lid.
4.Artikel 3:135, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
5.De Nederlandsche Bank heft de
beperking of het verbod op zodra de levensverzekeraar of
schadeverzekeraar weer voldoet aan de bij of krachtens deze wet
gestelde eisen met betrekking tot de solvabiliteitsmarge, dan wel,
indien het besluit uitsluitend berust op het derde lid, zodra de
aldaar bedoelde toezichthoudende instantie hierom verzoekt. De
Nederlandsche Bank doet van het besluit tot opheffing van de
beperking of het verbod mededeling aan de toezichthoudende
instantie, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 3:145
1.De Nederlandsche Bank kan, indien
aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een
staat die geen lidstaat is op grond van artikel 3:132, derde lid,
een hoger minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge is voorgeschreven
en de levensverzekeraar of schadeverzekeraar niet of niet meer
beschikt over dit minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge, in
uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan de financiële
positie van de levensverzekeraar of schadeverzekeraar nog verder
zal verslechteren, de vrije beschikking door de levensverzekeraar
of schadeverzekeraar over zijn waarden, waar zij zich ook
bevinden, beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging
van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.
2.Artikel 3:144, tweede tot en met
vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 3.5.3.4. Herverzekeraars met zetel
in een niet-aangewezen staat en natura-uitvaartverzekeraars met
zetel in een niet-aangewezen staat
Artikel 3:146
1.Indien een herverzekeraar met
zetel in een niet-aangewezen staat of natura-uitvaartverzekeraar
met zetel in een niet-aangewezen staat niet voldoet aan het bij of
krachtens artikel 3:68a onderscheidenlijk 3:69 bepaalde met
betrekking tot de technische voorzieningen, kan de Nederlandsche
Bank de vrije beschikking door de natura-uitvaartverzekeraar over
de waarden, die betrekking hebben op zijn vanuit Nederland
uitgeoefende bedrijf, beperken of hem verbieden om anders dan met
machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze
waarden.
2.Artikel 3:135, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3.De Nederlandsche Bank heft de
beperking of het verbod op zodra de herverzekeraar of
natura-uitvaartverzekeraar weer voldoet aan het bij of krachtens
artikel 3:68a onderscheidenlijk 3:69 bepaalde.
Artikel 3:147
De artikelen 3:136, 3:137 en 3:138,
eerste en vierde lid, eerste volzin, zijn van overeenkomstige
toepassing op herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat
en op natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen
staat.
Artikel 3:148
1.De Nederlandsche Bank kan indien
zich in het geval, bedoeld in artikel 3:136, eerste lid,
uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan de
financiële positie van de herverzekeraar met zetel in een
niet-aangewezen staat of natura-uitvaartverzekeraar met zetel in
een niet-aangewezen staat nog verder zal verslechteren, alsook in
het geval, bedoeld inartikel 3:136, tweede lid, de vrije
beschikking door de herverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar
over zijn waarden, die betrekking hebben op zijn vanuit Nederland
uitgeoefende bedrijf, beperken of hem verbieden om anders dan met
machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze
waarden.
2.Artikel 3:135, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3.De Nederlandsche Bank heft de
beperking of het verbod op zodra de herverzekeraar of
natura-uitvaartverzekeraar weer voldoet aan de bij of krachtens
deze wet gestelde eisen met betrekking tot de solvabiliteitsmarge.
Afdeling 3.5.4. Opvangregeling voor
levensverzekeraars
§ 3.5.4.1. Levensverzekeraars met
zetel in Nederland
Artikel 3:149
1. Deze paragraaf is van toepassing
op levensverzekeraars met zetel in Nederland die een vergunning
als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, hebben.
2. Deze paragraaf en de artikelen
1:79 tot en met 1:81, 1:85, 3:8, 3:9, 3:15, 3:17, 3:18, 3:70,
3:71, 3:95 en 3:99, zijn van overeenkomstige toepassing op
opvanginstellingen die het bedrijf van levensverzekeraar
uitsluitend als herverzekeraar uitoefenen in de zin van artikel
3:152, tweede lid.
Artikel 3:150
1.Er is een vertrouwenscommissie
bestaande uit een voorzitter en ten minste twee en ten hoogste
vier overige leden, die tot taak heeft:
a. de Nederlandsche Bank te
adviseren in gevallen waarin dat in deze paragraaf is
voorgeschreven;
b. desgevraagd de Nederlandsche
Bank te adviseren bij de ingevolge deze paragraaf door haar te
nemen beslissingen; en
c. desgevraagd de Nederlandsche
Bank behulpzaam te zijn bij een onderzoek naar de
mogelijkheden van samenwerking tussen een levensverzekeraar
waarop de opvang kan worden toegepast en een andere
verzekeraar, dan wel overname door laatstbedoelde verzekeraar.
2.Onze Minister benoemt, schorst en
ontslaat de voorzitter en de overige leden van de
vertrouwenscommissie volgens een bij ministeriële regeling te
bepalen procedure die ten minste voorziet in een recht van
voordracht door de Nederlandsche Bank en de vertegenwoordigende
organisaties van levensverzekeraars gezamenlijk.
3.Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld over de werkwijze van de vertrouwenscommissie.
Artikel 3:151
1.De Nederlandsche Bank kan,
gehoord de vertrouwenscommissie, besluiten tot opvang indien:
a. artikel 3:136, tweede lid,
van toepassing is;
b. met betrekking tot het
opgestelde financieringsplan, bedoeld in 3:136, tweede lid,
van de levensverzekeraar, de instemming is geweigerd; en
c. de portefeuille van de
levensverzekeraar nog overlevingskans heeft.
2.Met het weigeren van instemming
voor het financieringsplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
b, wordt voor de toepassing van deze paragraaf gelijk gesteld het
intrekken van een verleende instemming voor een financieringsplan,
het niet binnen de door de Nederlandsche Bank bepaalde termijn
indienen van een financieringsplan, of het niet binnen de door de
Nederlandsche Bank bepaalde termijn aanbrengen van door haar
aangegeven wijzigingen in een financieringsplan waarvoor
instemming is verleend.
3.Opvang geschiedt aan de hand van
een door de Nederlandsche Bank, gehoord de vertrouwenscommissie,
op te stellen opvangplan. De levensverzekeraar en de
opvanginstelling handelen overeenkomstig het opvangplan.
4.De Nederlandsche Bank deelt de
inwerkingstelling van de opvang en het daarbij behorende
opvangplan mede aan de levensverzekeraar en de opvanginstelling.
5.De Nederlandsche Bank kan,
gehoord de vertrouwenscommissie, het opvangplan wijzigen.
Artikel 3:152
1.De in het opvangplan geregelde
opvang kan bestaan uit herverzekering door een opvanginstelling of
overdracht van de portefeuille aan een opvanginstelling.
2.In geval van herverzekering van
de portefeuille worden de verplichtingen van de levensverzekeraar
uit directe verzekering geheel of gedeeltelijk herverzekerd bij
een door de Nederlandsche Bank aan te wijzen opvanginstelling. De
voorwaarden waaronder herverzekering plaatsvindt, worden opgesteld
door de opvanginstelling en behoeven instemming van de
Nederlandsche Bank.
3.In geval van overdracht van de
portefeuille worden de rechten en verplichtingen van de
levensverzekeraar uit directe verzekering overgedragen aan een
door de Nederlandsche Bank aan te wijzen opvanginstelling. De
opvanginstelling brengt daarbij de solvabiliteitsmarge op de
ingevolge artikel 3:57vereiste omvang.
4.De statuten van de
opvanginstelling, met inbegrip van wijzigingen daarvan, behoeven
voorafgaande instemming van de Nederlandsche Bank.
Artikel 3:153
De Nederlandsche Bank kan de
levensverzekeraar en de opvanginstelling aanwijzingen geven in het
belang van de goede werking van de opvang. De levensverzekeraar en
de opvanginstelling volgen de aanwijzingen van de Nederlandsche Bank
op. De aanwijzingen hebben geen betrekking op de
herverzekeringsvoorwaarden, bedoeld in artikel 3:152, tweede lid,
laatste volzin.
Artikel 3:154
1. Overdracht van de portefeuille
van de levensverzekeraar ingevolge het opvangplan vindt slechts
plaats nadat de rechtbank Amsterdam op verzoek van de
Nederlandsche Bank daartoe een machtiging heeft verleend.
2. De Nederlandsche Bank kan een
verzoek tot het verlenen of tot het intrekken van een machtiging
bij de rechtbank indienen zonder tussenkomst van een advocaat.
3. De rechtbank verleent de
machtiging, tenzij de Nederlandsche Bank in redelijkheid niet tot
het oordeel heeft kunnen komen dat de portefeuille van de
levensverzekeraar nog overlevingskans heeft.
4. De Nederlandsche Bank zendt een
afschrift van haar verzoek tot machtiging aan de
levensverzekeraar.
5. De rechtbank behandelt het
verzoek van de Nederlandsche Bank tot machtiging met de meeste
spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de
rechtspleging in burgerlijke zaken, voorzover daarvan bij deze wet
niet is afgeweken. De uitspraak wordt niet in het openbaar gedaan.
6. De rechtbank kan inzage nemen of
doen nemen van de zakelijke gegevens en bescheiden van de
levensverzekeraar.
7. De rechtbank geeft geen
beschikking dan nadat de levensverzekeraar en de Nederlandsche
Bank zijn gehoord althans daartoe behoorlijk zijn opgeroepen.
8. De beschikking is uitvoerbaar
bij voorraad, terugwerkend tot aan het begin van de dag waarop zij
is uitgesproken, niettegenstaande enige daartegen gerichte
voorziening.
9. De rechtbank kan op verzoek van
de Nederlandsche Bank de machtiging intrekken.
10. De Nederlandsche Bank deelt de
verlening van de machtiging mede aan de betrokken
levensverzekeraar en de opvanginstelling.
11. Tegen de beschikking staat
uitsluitend beroep in cassatie open. Tot het instellen van beroep
in cassatie tegen de beschikking van de rechtbank uit hoofde van
deze paragraaf is, buiten de Nederlandsche Bank, de
levensverzekeraar bevoegd, ongeacht of deze bij de rechtbank is
verschenen.
12. Beroep in cassatie tegen de
beschikking wordt ingesteld binnen veertien dagen na de dag van de
uitspraak van de rechtbank. De behandeling heeft in raadkamer
plaats en geschiedt met de grootste spoed. De uitspraak wordt niet
in het openbaar gedaan.
Artikel 3:155
1.De levensverzekeraar draagt, ter
uitvoering van het opvangplan, aan de opvanginstelling de waarden
over die dienen tot dekking van de technische voorzieningen,
voorzover deze voorzieningen betrekking hebben op de
verplichtingen die worden herverzekerd, onderscheidenlijk worden
overgedragen.
2.De levensverzekeraar draagt niet
meer waarden over dan benodigd zijn voor de herverzekering,
onderscheidenlijk overdracht, van de portefeuille.
3.Indien voor de opvang meer
waarden benodigd zijn dan de in het eerste lid bedoelde, draagt de
levensverzekeraar aan de opvanginstelling tevens aanvullende
waarden over tot het benodigde bedrag.
4.Op de portefeuilleoverdracht door
de levensverzekeraar aan de opvanginstelling zijn de artikelen
3:112,3:117, eerste lid, 3:118, 3:119, 3:120, 3:126 en 3:128 niet
van toepassing.
Artikel 3:156
1. Voor uitvoering van opvang wordt
op enig moment ten hoogste € 213.610.176 [Red: voor het jaar
2011: € 246.102.372] ter beschikking gesteld, met dien verstande
dat:
a. per opvangsituatie maximaal€
106.805.088 [Red: voor het jaar 2011: € 123.051.186] ter
beschikking kan worden gesteld; en
b. het ter beschikking staande
bedrag ten aanzien waarvan naar het oordeel van de
Nederlandsche Bank bij het in werking stellen van de opvang,
gehoord de vertrouwenscommissie, het aanmerkelijke risico
bestaat dat het niet wordt terugbetaald, nooit hoger is dan
€ 106.805.088[Red: voor het jaar 2011: € 123.051.186] .
2. De bedragen, bedoeld in het
eerste lid, worden jaarlijks door Onze Minister aangepast aan de
procentuele ontwikkeling van het totaal van de minimumbedragen aan
solvabiliteitsmarge van de levensverzekeraars, bedoeld in de
artikelen 3:149, eerste lid, en3:159, zoals die blijkt uit de
meest recente jaarlijkse financiële verslaglegging van de
Nederlandsche Bank.
3. De bedragen, bedoeld in het
eerste lid, worden in januari van het jaar waarop zij betrekking
hebben door Onze Minister in de Staatscourant bekend gemaakt.
4. Indien als gevolg van toepassing
van de opvang voor een daarop volgende toepassing niet meer de
maximale bedragen, bedoeld in het eerste lid, ter beschikking
staan, bepaalt de Nederlandsche Bank de alsdan maximaal ter
beschikking staande bedragen.
5. De Nederlandsche Bank, gehoord
de vertrouwenscommissie, stelt het bedrag vast dat in een
voorkomend geval beschikbaar wordt gesteld voor de toepassing van
de opvang. De Nederlandsche Bank bepaalt per levensverzekeraar in
hoeverre dit bedrag in de vorm van aandelen in de opvanginstelling
wordt genomen en in hoeverre dit bedrag in de vorm van een
achtergestelde lening aan de opvanginstelling wordt verstrekt. De
levensverzekeraars waarop deze paragraaf van toepassing is, nemen
de aandelen en verstrekken de achtergestelde lening. Voor dit
nemen van de aandelen, het houden ervan en het uitoefenen van de
daarmee verbonden zeggenschap is geen verklaring van geen bezwaar
als bedoeld in artikel 3:95, aanhef en eerste lid, onderdeel d,
vereist. De Nederlandsche Bank bepaalt de voorwaarden van de
achtergestelde lening.
6. De levensverzekeraars waarop
deze paragraaf van toepassing is verschaffen het ingevolge het
vijfde lid vastgestelde bedrag. De Nederlandsche Bank legt daartoe
aan de levensverzekeraars een aanslag op.
7. Het zesde lid is niet van
toepassing op opvanginstellingen en op levensverzekeraars ten
aanzien waarvan opvang wordt toegepast of is toegepast en die uit
dien hoofde nog verplichtingen hebben.
8. De Nederlandsche Bank kan een
levensverzekeraar ontheffing verlenen van het zesde lid, eerste
volzin, indien de bijdrage tot gevolg zal hebben dat de
solvabiliteitsmarge van die levensverzekeraar niet meer zal
voldoen aan artikel 3:57 en de levensverzekeraar niet in staat
lijkt te zijn de solvabiliteitsmarge binnen een redelijke termijn
op de vereiste omvang te brengen.
9. Ingeval een levensverzekeraar
niet voldoet aan zijn verplichtingen, voortvloeiend uit het zesde
lid, kan de Nederlandsche Bank een dwangbevel uitvaardigen, dat
executoir kan worden verklaard door de voorzieningenrechter van de
rechtbank Amsterdam en dan een executoriale titel oplevert, die
met de toepassing van de voorschriften van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering door de Nederlandsche Bank ten uitvoer
gelegd kan worden.
10. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking
tot opvang op grond van deze paragraaf.
Artikel 3:157
1.Indien de opvanginstelling de
portefeuille overdraagt aan een andere levensverzekeraar, is
artikel 3:119, eerste tot en met vierde lid, eerste volzin, niet
van toepassing.
2.Indien de Nederlandsche Bank geen
bedenkingen heeft tegen de overdracht, verleent zij aan de
opvanginstelling instemming met de overdracht.
Artikel 3:158
1.De Nederlandsche Bank stelt,
gehoord de vertrouwenscommissie, het einde van de toepassing van
de opvang vast.
2.De Nederlandsche Bank deelt het
einde van de toepassing van de opvang mede aan de
levensverzekeraar en de opvanginstelling.
3.Indien na beëindiging van de
toepassing van de opvang, waarbij een portefeuilleoverdracht heeft
plaatsgevonden, bij de opvanginstelling een batig saldo resteert,
keert de opvanginstelling dit uit aan de levensverzekeraar ten
behoeve waarvan de opvang is toegepast.
4.De opvanginstelling trekt na
beëindiging van de toepassing van de opvang in elk geval de
aandelen in die niet het minimumkapitaal, bedoeld in artikel 67,
tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
vertegenwoordigen. De aandeelhouders werken hieraan mee.
§ 3.5.4.2. Levensverzekeraars met
zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:159
Paragraaf 3.5.4.1 is van
overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars met zetel in een
staat die geen lidstaat is, die vanuit in Nederland gelegen
bijkantoren het bedrijf van levensverzekeraar uitoefenen, voorzover
het betreft overeenkomsten uit directe verzekering gesloten vanuit
een bijkantoor in Nederland, tenzij met betrekking tot het
bijkantoor een ontheffing is verleend in de zin van artikel 3:60.
Afdeling 3.5.5. Noodregeling en
saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures naar buitenlands recht
§ 3.5.5.1. Financiële ondernemingen
met zetel in Nederland
Artikel 3:160
1. Ingeval de solvabiliteit of de
liquiditeit van een bank met zetel in Nederland die een vergunning
als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, heeft, tekenen van een
gevaarlijke ontwikkeling vertoont en redelijkerwijs in die
ontwikkeling geen verbetering te voorzien is, kan de rechtbank
Amsterdam op verzoek van de Nederlandsche Bank ten aanzien van de
bank in het belang van de gezamenlijke schuldeisers de
noodregeling uitspreken.
2. Ingeval de solvabiliteit of de
liquiditeit van een bank zodanig is dat redelijkerwijs te voorzien
is dat de bank haar verplichtingen ter zake van de door haar
verkregen gelden niet of slechts ten dele kan nakomen, kan de
rechtbank Amsterdam op verzoek van de Nederlandsche Bank ten
aanzien van de bank in het belang van de gezamenlijke schuldeisers
de noodregeling uitspreken.
Artikel 3:161
1. Indien het belang van de
gezamenlijke schuldeisers bij de afwikkeling van het bedrijf van
entiteit voor risico-acceptatie of verzekeraar met zetel in
Nederland een bijzondere voorziening behoeft, kan de rechtbank
Amsterdam op verzoek van de Nederlandsche Bank de noodregeling
uitspreken.
2. Voor de toepassing van deze
paragraaf wordt onder «verzekeraar» mede verstaan «entiteit
voor risico-acceptatie» en onder«verzekering» mede«risico-acceptatie».
Artikel 3:162
1. De Nederlandsche Bank zendt een
afschrift van het verzoekschrift aan de bank of verzekeraar met
zetel in Nederland en geeft kennis van de inhoud van het
verzoekschrift aan de toezichthoudende instanties van de andere
lidstaten waar het bijkantoor van de bank of verzekeraar is
gelegen of waarnaar zij of hij diensten verricht vanuit haar of
zijn vestigingen in een andere lidstaat.
2. De rechtbank behandelt het
verzoek van de Nederlandsche Bank tot het uitspreken van de
noodregeling met de meeste spoed op een niet openbare
terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke
zaken, voorzover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.
3. De rechtbank geeft geen
beschikking als bedoeld in artikel 3:160, eerste lid, of 3:161 dan
nadat de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, en de
Nederlandsche Bank zijn gehoord, althans daartoe behoorlijk zijn
opgeroepen.
4. Bij het uitspreken van de
noodregeling benoemt de rechtbank een van haar leden tot
rechter-commissaris en benoemt zij een of meer bewindvoerders. De
Nederlandsche Bank kan voor de benoeming van de bewindvoerder of
bewindvoerders voordrachten doen.
5. Indien het verzoek wordt
toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting
uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de
bewindvoerders bekendgemaakt in de Staatscourant, het
Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in ten minste twee
door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen en ten
minste twee door de rechtbank aan te wijzen landelijke dagbladen
van iedere lidstaat waar een bijkantoor van de desbetreffende
onderneming is gelegen of waarnaar zij diensten verricht. De
uittreksels vermelden naam en zetel van de financiële
onderneming, bedoeld in het eerste lid, de woonplaats of het
kantoor van de bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking.
De publicatie in de landelijke dagbladen geschiedt in de
officiële taal of talen van de betrokken lidstaat. In de
bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en de
landelijke dagbladen van iedere lidstaat waar de desbetreffende
onderneming een bijkantoor heeft of waarnaar zij diensten verricht
wordt daarenboven vermeld dat op de noodregeling, behoudens
uitzonderingen, Nederlands recht van toepassing is, de
rechtsgrondslag, dat de Nederlandsche Bank de bevoegde
toezichthouder is, alsmede de uiterste datum waarop tegen de
beslissing hoger beroep kan worden ingesteld met vermelding van
het volledige adres van het Gerechtshof, het onderwerp van de
beslissing en de rechtsgrondslag.
Artikel 3:163
1. Bij het uitspreken van de
noodregeling of daarna kan de rechtbank aan de bewindvoerders een
machtiging verlenen die strekt tot:
a. overdracht van het geheel of
een gedeelte van de verbintenissen van de bank, welke zij in
de uitoefening van het bedrijf van bank tot het ter
beschikking krijgen van gelden heeft aangegaan
onderscheidenlijk van het geheel of van een gedeelte van de
verbintenissen van de verzekeraar krachtens overeenkomsten van
verzekering;
b. gehele of gedeeltelijke
liquidatie van het bedrijf van de bank onderscheidenlijk van
de portefeuille van de verzekeraar; of
c. zowel overdracht als bedoeld
in onderdeel a als liquidatie als bedoeld in onderdeel b.
2. In geval van een machtiging met
betrekking tot een verzekeraar, strekt de machtiging, bedoeld in
de onderdelen b en c, mede tot vereffening van het vermogen van de
onderneming van de verzekeraar, zolang nog niet blijkt dat de
verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft.
3. De Nederlandsche Bank kan in het
verzoek, bedoeld in de artikelen 3:160, eerste of tweede lid, en
3:161, vermelden welke van de machtigingen, bedoeld in het eerste
lid, naar haar oordeel het meest passend is.
Artikel 3:164
1. Indien de machtiging strekt tot
overdracht als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en
onderdeel a, kan op voordracht van de rechter-commissaris of op
verzoek van de bewindvoerders de machtiging worden uitgebreid tot
een machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en
onderdeel c.
2. De griffier zendt een afschrift
van de voordracht of het verzoek aan de bank onderscheidenlijk de
verzekeraar met zetel in Nederland en, indien het een voordracht
betreft, tevens aan de Nederlandsche Bank.
3. Op een voordracht of verzoek als
bedoeld in het eerste lid wordt niet beslist dan nadat de rechter
de Nederlandsche Bank in de gelegenheid heeft gesteld haar mening
daaromtrent kenbaar te maken. De Nederlandsche Bank maakt met de
meeste spoed haar mening kenbaar.
4. Nadat de Nederlandsche Bank haar
mening ingevolge het derde lid kenbaar heeft gemaakt, of, indien
zij niet van de in het derde lid bedoelde gelegenheid gebruikt
heeft gemaakt, behandelt de rechtbank de voordracht of het
verzoek, bedoeld in het eerste lid, met de meeste spoed op een
niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in
burgerlijke zaken, voorzover daarvan bij deze wet niet is
afgeweken.
Artikel 3:165
1. De rechtbank is bevoegd inzage
te nemen of te doen nemen, door daartoe door haar aangewezen
deskundigen, van zakelijke gegevens en bescheiden van de betrokken
bank of verzekeraar.
2. Degene die de gegevens onder
zich heeft, verstrekt de gegevens of inlichtingen binnen een door
de rechtbank te stellen termijn.
Artikel 3:166
De Nederlandsche Bank zendt een
afschrift van de voordracht of het verzoek, bedoeld in artikel
3:164, eerste lid, aan de bank of verzekeraar met zetel in Nederland
en deelt de inhoud daarvan mede aan de toezichthoudende instanties
van de andere lidstaten waar een bijkantoor van de desbetreffende
financiële onderneming is gelegen of waarnaar zij diensten verricht
vanuit haar vestigingen in andere lidstaten.
Artikel 3:167
De beschikkingen, bedoeld in de
artikelen 3:160, eerste en tweede lid, 3:161 en 3:164, eerste lid,
worden met redenen omkleed.
Artikel 3:168
Indien de rechtbank een machtiging
als bedoeld inartikel 3:163, eerste lid, verleent, bepaalt de
rechtbank de duur van de machtiging op ten hoogste anderhalf jaar.
Indien een machtiging tot overdracht wordt uitgebreid tot een
machtiging tot zowel overdracht als liquidatie, bepaalt de rechtbank
de duur van de machtiging tot zowel overdracht als liquidatie op de
resterende duur van de machtiging tot overdracht. Voor het
verstrijken van de gestelde termijn kunnen de bewindvoerders eenmaal
of meermalen verlenging van de geldigheidsduur voor ten hoogste
anderhalf jaar verzoeken. Het verzoek wordt behandeld op dezelfde
wijze als een verzoek tot het uitspreken van de noodregeling. Zolang
bij de afloop van de geldigheidsduur van de machtiging op een
verzoek tot verlenging niet is beschikt, blijft de machtiging
gehandhaafd.
Artikel 3:169
1.De griffier van de rechtbank
stelt de Nederlandsche Bank onverwijld in kennis van een
beschikking als bedoeld in artikel 3:160, eerste of tweede lid,
3:161, of 3:164, eerste lid.
2.De Nederlandsche Bank deelt,
onverwijld nadat zij in kennis is gesteld van de beschikking, de
toezichthoudende instanties van alle andere lidstaten de
beschikking mede, alsmede de mogelijke gevolgen in het
desbetreffende geval. Tevens deelt de Nederlandsche Bank
onverwijld de door Onze Minister op grond van artikel 212d van de
Faillissementswet aangewezen systemen de beschikking mede.
Artikel 3:170
1.De bewindvoerders geven van een
machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en
onderdeel b of c, onmiddellijk schriftelijk kennis aan alle
bekende schuldeisers.
2.De kennisgeving aan schuldeisers
met een vordering uit hoofde van verzekering vermeldt tevens welke
de belangrijkste gevolgen van de machtiging voor de overeenkomsten
uit hoofde van verzekering zijn en de rechten en verplichtingen
van de schuldeiser met een vordering uit hoofde van verzekering.
3.Iedere schuldeiser kan zijn
vordering en schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering
indienen bij de bewindvoerders.
Artikel 3:171
1. De kennisgeving, bedoeld in
artikel 3:170, eerste lid, aan een bekende schuldeiser met gewone
verblijfplaats of woonplaats in een lidstaat, die een vordering
uit hoofde van verzekering heeft, geschiedt in de officiële taal
of talen van die lidstaat.
2. De kennisgeving, bedoeld in
artikel 3:170, eerste lid, aan een bekende schuldeiser met gewone
verblijfplaats of woonplaats in een lidstaat, die een andere
vordering heeft dan de vordering, bedoeld in het eerste lid,
geschiedt in het Nederlands met een formulier dat in alle
officiële talen van de lidstaten het opschrift draagt «Oproep
tot indiening van opmerkingen betreffende schuldvorderingen.
Termijnen».
3. Iedere schuldeiser met gewone
verblijfplaats of woonplaats in een lidstaat kan zijn vordering en
schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering indienen in
een officiële taal van die lidstaat met een verklaring met als
opschrift in de Nederlandse taal «Indiening van een vordering»,
onderscheidenlijk «Indiening van opmerkingen betreffende een
vordering».
4. In geval van een noodregeling
ten aanzien van een bank kunnen de bewindvoerders een vertaling in
het Nederlands van de indiening van de vordering en de opmerkingen
verlangen.
Artikel 3:172
Indien een machtiging is gegeven als
bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c:
a. stellen de bewindvoerders alle
bekende schuldeisers regelmatig op passende wijze in kennis van
in ieder geval het verloop van de noodregeling; en
b. deelt de Nederlandsche Bank de
toezichthoudende instanties van de andere lidstaten die zulks
verzoeken het verloop van de noodregeling mede.
Artikel 3:173
1.De rechter-commissaris houdt
toezicht op de overdracht onderscheidenlijk de liquidatie, bedoeld
in artikel 3:163, eerste lid, en op het beheer van de boedel.
2.Met betrekking tot de
beschikkingen van de rechter-commissaris, gegeven ter uitvoering
van het in het eerste lid bepaalde, zijn de artikelen 66 en 67,
eerste lid, van de Faillissementswet van overeenkomstige
toepassing. Artikel 67, tweede lid, van de Faillissementswet is
van overeenkomstige toepassing voorzover de daarin opgesomde
artikelen in artikel 3:180, tweede lid, van overeenkomstige
toepassing zijn verklaard. Hetgeen in de genoemde artikelen is
bepaald met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de
gefailleerde is van overeenkomstige toepassing op de
bewindvoerders onderscheidenlijk de verzekeraar.
Artikel 3:174
1. Een beschikking als bedoeld in
artikel 3:160, eerste of tweede lid, 3:161, 3:163, eerste lid, of
3:164, eerste lid, is uitvoerbaar bij voorraad. Een beschikking
als bedoeld in artikel 3:160, eerste of tweede lid, of 3:161 werkt
terug tot aan het begin van de dag waarop zij is uitgesproken. De
in dit lid bedoelde uitvoerbaarheid en terugwerkende kracht gelden
niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening.
2. In afwijking van het eerste lid
werkt een beschikking als bedoeld in het eerste lid niet terug ten
aanzien van een door een bank of verzekeraar met zetel in
Nederland:
a. gegeven overboekingsopdracht,
opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht
voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere
rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te
voeren in een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel
b, van de Faillissementswet of rechten en verplichtingen die
voor een bank of verzekeraar in verband met haar of zijn
deelname aan een systeem als bedoeld in dat artikel zijn
ontstaan; of
b. gesloten
financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of een overdracht of
vestiging van een pandrecht op grond daarvan, of enige uit een
dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering of
andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst
volledig uit te voeren,
ingeval deze overboekingsoverdracht
of financiëlezekerheidsovereenkomst is gegeven onderscheidenlijk
gesloten voor het tijdstip waarop de rechtbank de beschikking
heeft gegeven.
3. Het eerste lid en artikel 3:175,
eerste lid, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen ten
aanzien van een door een financiële onderneming als bedoeld in
het tweede lid:
a. gegeven overboekingsopdracht,
opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht
voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere
rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te
voeren, ingeval de overboekingsopdracht is gegeven na het
tijdstip waarop de rechtbank een beschikking als bedoeld in
het eerste lid heeft gegeven, indien de opdracht in een
systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de
Faillissementswet, wordt uitgevoerd op binnen een werkdag als
omschreven in de regels van het systeem, gedurende welke de
rechtbank de beschikking heeft gegeven en de systeemexploitant
bedoeld in artikel 212a van de Faillissementswet, kan aantonen
dat deze op het tijdstip waarop deze opdrachten onherroepelijk
worden niet op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn
van de door de rechtbank gegeven beschikking; of
b. gesloten
financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of enige uit een
dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering,
verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om die
overeenkomst volledig uit te voeren, ingeval de
financiëlezekerheidsovereenkomst is gesloten na het tijdstip
waarop de rechtbank een beschikking als bedoeld in het eerste
lid heeft gegeven, indien de zekerheidsnemer kan aantonen dat
deze ten tijde van het sluiten van die overeenkomst niet op de
hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn van de door de
rechtbank gegeven beschikking.
4. Het tweede en het derde lid zijn
van overeenkomstige toepassing op goederenrechtelijke
zekerheidsrechten die door financiële ondernemingen als bedoeld
in het tweede lid in verband met deelname aan een systeem als
bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de Faillissementswet,
zijn gevestigd ten behoeve van een centrale bank als bedoeld in
artikel 212a, onderdeel h, van de Faillissementswet of ten behoeve
van een financiële onderneming die deelneemt aan het systeem.
5. In afwijking van het eerste lid
werkt een in dat lid bedoelde beschikking niet terug ten aanzien
van een door financiële ondernemingen als bedoeld in het tweede
lid, voor het tijdstip waarop de rechtbank de beschikking heeft
gegeven, gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of een overdracht
of vestiging van een pandrecht op grond daarvan, of enige uit een
dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering,
verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om die
overeenkomst volledig uit te voeren.
6. Het eerste lid kan niet aan
derden worden tegengeworpen ten aanzien van een, door een
financiële onderneming als bedoeld in het tweede lid, na het
tijdstip waarop de rechtbank een beschikking als bedoeld in het
eerste lid heeft gegeven, gesloten
financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of enige uit een dergelijke
overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening of
andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst
volledig uit te voeren, indien de zekerheidsnemer kan aantonen dat
deze niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de door de
rechtbank gegeven beschikking.
7. De rechtbank vermeldt op een
beschikking als bedoeld in het eerste lid het tijdstip waarop de
beschikking is gegeven tot op de minuut nauwkeurig.
Artikel 3:175
1. De bewindvoerders oefenen bij
uitsluiting alle bevoegdheden van de bestuurders, commissarissen
van de bank of verzekeraar met zetel in Nederland of, in geval van
een verzekeraar met zetel in Nederland, vertegenwoordigers van de
verzekeraar uit.
2. De bewindvoerders waken voor de
belangen van de gezamenlijke schuldeisers.
3. De bestuurders en commissarissen
van de bank of verzekeraar of de vertegenwoordigers van de
verzekeraar verlenen alle door de bewindvoerders gevraagde
medewerking.
4. Indien meer dan een
bewindvoerder is benoemd, is voor de geldigheid van hun
handelingen toestemming van de meerderheid of bij staking van
stemmen een beslissing van de president van de rechtbank vereist.
De bewindvoerder aan wie bij een machtiging als bedoeld in artikel
3:163, eerste lid, een bepaalde werkkring is aangewezen, is binnen
de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd.
5. De rechtbank kan te allen tijde
een bewindvoerder, na hem en de Nederlandsche Bank gehoord, dan
wel behoorlijk opgeroepen te hebben, ontslaan en door een ander
vervangen, of aan hem een of meer bewindvoerders toevoegen, een en
ander op verzoek van de bewindvoerder zelf, de andere
bewindvoerders, de Nederlandsche Bank of een of meer schuldeisers
dan wel ambtshalve.
6. De bewindvoerders kunnen de
bestuurders van een bank of verzekeraar of de vertegenwoordiger
van de verzekeraar machtigen bepaalde handelingen te verrichten.
7. Een besluit van aandeelhouders
of leden van de financiële onderneming, bedoeld in het eerste
lid, behoeft, om van kracht te zijn, de toestemming van de
bewindvoerders.
8. Wordt een besluit van
aandeelhouders of leden dat ingevolge de statuten of reglement van
de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, voor een
handeling is vereist, niet genomen of verkrijgt dit besluit niet
de volgens de statuten of reglementen vereiste toestemming, dan
kunnen de bewindvoerders dit besluit nemen.
9. De bewindvoerders kunnen
personen machtigen alle of een deel van de bevoegdheden uit te
oefenen die zij ingevolge het eerste lid hebben. De bewindvoerders
kunnen de rechtbank verzoeken een beloning voor de gemachtigden
vast te stellen. De bewindvoerders doen van de naam en woonplaats
van een door hen gemachtigde alsook van de intrekking van een
machtiging mededeling in de Staatscourant.
10. Het loon van de personen,
aangewezen ingevolge artikel 3:165, eerste lid, het loon en de
verschotten van de bewindvoerders, alsmede de overige kosten van
de noodregeling worden bepaald door de rechtbank en vormen een
boedelschuld.
11. De bewindvoerders kunnen de
bestuurders, commissarissen en vertegenwoordigers namens de
financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, ontslaan. Bij
dit ontslag worden de overeengekomen of wettelijke termijnen in
acht genomen, met dien verstande echter dat een termijn van zes
weken in elk geval voldoende is.
12. De bewindvoerders kunnen
personen aanwijzen om hen te vertegenwoordigen of anderszins bij
te staan.
13. Artikel 69 van de
Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:176
1. Het uitspreken van de
noodregeling heeft tot gevolg dat de bank of verzekeraar met zetel
in Nederland niet kan worden genoodzaakt tot nakoming van haar
onderscheidenlijk zijn verplichtingen die voor het uitspreken van
de noodregeling zijn ontstaan.
2. Executies die zijn aangevangen
voor het uitspreken van de noodregeling worden geschorst.
3. Beslagen die zijn gelegd voor
het uitspreken van de noodregeling vervallen.
4. Artikel 36 van de
Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing op de in het
eerste lid bedoelde verplichtingen.
5. Het in het eerste lid bepaalde
geldt niet voor:
a. vorderingen die door pand of
hypotheek op goederen van de financiële onderneming, bedoeld
in het eerste lid, zijn gedekt;
b. termijnen van huurkoop; en
c. vorderingen tot nakoming van
financiëlezekerheidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 51
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
6. Voorzover vorderingen die door
pand of hypotheek zijn gedekt, niet op de daaraan onderworpen
goederen kunnen worden verhaald, werkt de uitspraak wel ten
aanzien van deze vorderingen.
Artikel 3:177
1. De artikelen 234 tot en met 241e
van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid,
bevrijdt voldoening na de bekendmaking van de vaststelling van de
noodregeling ten aanzien van een bank niet zijnde een natuurlijke
persoon tegenover de boedel indien degene die haar deed, bewijst
dat hij niet bekend was met de vaststelling van de noodregeling,
ingeval een machtiging is verleend als bedoeld in 3:163, eerste
lid, aanhef en onderdeel b, of, ingeval een machtiging is verleend
als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel c,
vanaf het moment waarop activa van de desbetreffende financiële
onderneming te gelde zijn gemaakt met het oogmerk de opbrengst te
verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden van de
desbetreffende financiële onderneming.
Artikel 3:178
1. De bewindvoerders kunnen
uitkeringen doen op vorderingen die niet voortvloeien uit
handelingen met de bank of verzekeraar met zetel in Nederland na
het uitspreken van de noodregeling verricht, voorzover dit gelet
op de liquiditeitspositie van de desbetreffende financiële
onderneming verantwoord is te achten en indien is voldaan aan het
tweede lid en deartikelen 3:179 tot en met 3:184.
2. Artikel 3:171 is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de
verwijzing naar de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:170, moet
worden gelezen: de kennisgeving, bedoeld inartikel 3:179, tweede
lid, tweede volzin.
Artikel 3:179
1. De bewindvoerders maken een
staat op waaruit blijken de aard en het bedrag van de baten en
schulden van de financiële onderneming, de namen en woonplaatsen
van de schuldeisers alsmede het bedrag der vorderingen van iedere
schuldeiser. Een door de bewindvoerders gewaarmerkt afschrift van
deze staat wordt ter kosteloze inzage van een ieder ter griffie
van de rechtbank neergelegd.
2. Op verzoek van de bewindvoerders
bepaalt de rechter-commissaris de dag waarop uiterlijk de
vorderingen moeten worden ingediend, en voorts dag, uur en plaats
waarop de verificatievergadering zal worden gehouden. Nadat de
rechter-commissaris op het verzoek, bedoeld in de eerste volzin,
heeft beslist, geven de bewindvoerders daarvan onmiddellijk aan
alle bekende schuldeisers schriftelijk kennis. Deze kennisgeving
betreft in elk geval tevens de gevolgen van het indienen van een
vordering na het verstrijken van de termijn, bedoeld in de eerste
volzin, de mededeling dat de vordering bij de bewindvoerders moet
worden ingediend, met, in het voorkomende geval, de opgave dat op
een voorrecht of goederenrechtelijk recht aanspraak wordt gemaakt.
Aan schuldeisers met een vordering uit hoofde van verzekering
vermeldt de kennisgeving voorts welke de belangrijkste gevolgen
van de noodregeling voor de overeenkomsten uit hoofde van
verzekering zijn, en de rechten en verplichtingen van de
verzekerde en anderen in verband met de overeenkomsten van
verzekering.
3. De bewindvoerders doen, ingeval
van een bank, schadeverzekeraar of levensverzekeraar met zetel in
Nederland, tevens mededeling van de beschikkingen in de
Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in
ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse
dagbladen en ten minste twee landelijke dagbladen van iedere
lidstaat waar de desbetreffende onderneming een bijkantoor heeft
of waarnaar zij diensten verricht en, ingeval van een
natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland, in de
Staatscourant en in ten minste twee door de rechtbank aan te
wijzen Nederlandse dagbladen.
4. De artikelen 110 tot en met 113
en 213l, onderdeel e, van de Faillissementswet zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:180
1.Een afschrift van de lijst van
voorlopig erkende schuldvorderingen en van de lijst van betwiste
vorderingen wordt door de bewindvoerders ter griffie van de
rechtbank neergelegd om aldaar gedurende veertien dagen
voorafgaande aan de verificatievergadering kosteloos voor een
ieder ter inzage te liggen. De bewindvoerders geven alle bekende
schuldeisers voor het begin van deze periode schriftelijk van de
nederlegging bericht waarbij zij een nadere oproeping tot de
verificatievergadering voegen. Voorts doen de bewindvoerders van
de nederlegging mededeling in een of meer door de
rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen.
2.Met betrekking tot verificaties
zijn de artikelen 59, 119 tot en met 122, 123 tot en met 127, 129,
132 tot en met 137, 260, eerste lid, 261 en 262, eerste en derde
lid, van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing.
Daarbij zijn de bepalingen met betrekking tot de curator
onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing op de
bewindvoerders onderscheidenlijk de financiële onderneming,
bedoeld in het eerste lid. In afwijking van de in artikel 127,
eerste lid, van de Faillissementswet genoemde termijn geldt de
termijn die ingevolge artikel 3:179, tweede lid, voor de indiening
van vorderingen is bepaald. De vorderingen welke opeisbaar worden
op of na de datum van de beschikking, bedoeld in de artikelen
3:160, eerste en tweede lid, en 3:161, worden geverifieerd voor de
waarde welke zij hebben op het tijdstip waarop deze vorderingen
opeisbaar worden, met dien verstande dat dit ten aanzien van
vorderingen welke vallen onder de werking van artikel 3:195,
eerste lid, slechts geldt voorzover deze bepaling niet reeds op
deze vorderingen is toegepast.
Artikel 3:181
1.De bestuurders van de financiële
onderneming, bedoeld in artikel 3:178, wonen de
verificatievergadering bij teneinde aldaar alle inlichtingen over
de oorzaken van de inartikel 3:160 of 3:161 bedoelde toestand en
de staat van de boedel te geven die aan hen door de
rechter-commissaris worden gevraagd. Ieder van de schuldeisers kan
de rechter-commissaris verzoeken omtrent bepaalde door hem op te
geven punten inlichtingen aan de bestuurders te vragen.
2.De vragen aan de bestuurders
gesteld en de door hen gegeven antwoorden worden in het
proces-verbaal opgetekend.
3.In afwijking van het bepaalde in
artikel 121, vierde lid, van de Faillissementswet levert het
proces-verbaal van de verificatievergadering ten aanzien van de
verbintenissen van de financiële onderneming, bedoeld in het
eerste lid, welke ingevolge artikel 3:194, eerste lid,
onderscheidenlijk 3:195, eerste lid, worden overgedragen slechts
kracht van gewijsde op voorzover de desbetreffende bedingen niet
worden gewijzigd.
Artikel 3:182
1.Na de verificatie van de
schuldvorderingen maken de bewindvoerders een uitdelingslijst op.
Zij onderwerpen die aan de goedkeuring van de rechter-commissaris.
De lijst houdt in een staat van ontvangsten en uitgaven, daaronder
begrepen het loon van de bewindvoerders, de namen van de
schuldeisers, en voorts het geverifieerde bedrag van ieders
vordering en de daarop te ontvangen uitkering. De artikelen 180,
tweede lid, 181 en 182, eerste lid, van de Faillissementswet zijn
van overeenkomstige toepassing. Onverminderdartikel 3:184 is
artikel 233 van die wet eveneens van overeenkomstige toepassing.
2.Bij het opmaken van de
uitdelingslijst wordt met betrekking tot de vorderingen die zijn
betwist of waarvan de voorrang is betwist of die voorwaardelijk
zijn toegelaten een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot
ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de
toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen
worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze
zeker gesteld.
Artikel 3:183
1. De door de rechter-commissaris
goedgekeurde uitdelingslijst wordt door de bewindvoerders ter
griffie van de rechtbank neergelegd om aldaar gedurende veertien
dagen kosteloos voor de schuldeisers ter inzage te liggen. De
bewindvoerders doen van de nederlegging mededeling in een of meer
door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen alsmede indien
het een bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar betreft met
zetel in Nederland in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Voorts geven de bewindvoerders aan ieder der erkende en
voorwaardelijk toegelaten schuldeisers schriftelijk van de
nederlegging kennis, onder vermelding van het voor hem
uitgetrokken bedrag.
2. De artikelen 184 tot en met 186,
187, eerste, tweede en derde lid, 189 en 191 van de
Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat hetgeen daarin is bepaald met betrekking tot de
curator van toepassing is op de bewindvoerders en dat in afwijking
van de in artikel 184 van de Faillissementswet bedoelde termijn de
in het eerste lid, eerste volzin van dit artikel genoemde termijn
geldt.
3. Indien ten gevolge van het
krachtens artikel 184 dan wel artikel 186 van de Faillissementswet
gedane verzet een verificatiegeschil ontstaat, is ten aanzien van
de vorderingen waarop dit verzet betrekking heeft artikel 3:182
van overeenkomstige toepassing, en kan vervolgens, nadat voorzover
nodig tevens dienovereenkomstig wijziging van de overige in de ter
inzage neergelegde lijst opgenomen uitkeringsbedragen heeft plaats
gehad, met inachtneming van het overigens in de artikelen 3:178
tot en met 3:184bepaalde, tot uitkering worden overgegaan. Indien
het gedane verzet niet tot een verificatiegeschil leidt, kan met
inachtneming van het bij de beschikking op het verzet bepaalde tot
uitkering worden overgegaan zodra die beschikking in kracht van
gewijsde is gegaan.
Artikel 3:184
In afwijking van artikel 3:182,
tweede lid, laatste volzin, kan op geverifieerde vorderingen welke
opeisbaar worden op of na de datum van de beschikking, bedoeld in de
artikelen 3:160, eerste en tweede lid, en 3:161, voorzover artikel
3:163, eerste lid, niet reeds op deze vorderingen werd toegepast,
een uitkering eerst worden gedaan zodra deze vorderingen opeisbaar
zijn geworden. Tot dat tijdstip wordt een bedrag aan liquide
middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de
bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen
zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op
andere wijze zeker gesteld.
Artikel 3:185
Ingevolge de hun verleende
machtiging, bedoeld inartikel 3:163, eerste lid, kunnen de
bewindvoerders, ongeacht hetgeen daaromtrent bij de statuten van de
betrokken bank of verzekeraar met zetel in Nederland is bepaald:
a. alle nog niet gedane
stortingen op de aandelen in het geplaatste kapitaal van de bank
of verzekeraar met zetel in Nederland onderscheidenlijk het
waarborgkapitaal van een verzekeraar met zetel in Nederland
uitschrijven en innen; en
b. naheffingen opleggen en innen
tot het in de statuten van een verzekeraar met zetel in
Nederland die een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in
Nederland is bepaalde maximum.
Artikel 3:186
De bewindvoerders brengen tijdens de
noodregeling telkens na verloop van drie maanden, alsmede na
beëindiging van de noodregeling, zo spoedig mogelijk verslag
omtrent hun werkzaamheden uit aan de rechtbank. Een afschrift van
dit verslag zenden de bewindvoerders aan Onze Minister en aan de
Nederlandsche Bank.
Artikel 3:187
Voor de toepassing van de artikelen
194, 342 en 343 van het Wetboek van Strafrecht wordt met
faillissement gelijkgesteld de rechtstoestand waarin een bank of
verzekeraar met zetel in Nederland verkeert zolang de noodregeling
ten aanzien van deze financiële onderneming van kracht is.
Artikel 3:188 [Vervallen per
01-01-2007]
Artikel 3:189
1. De rechtbank kan op verzoek van
de bewindvoerders of ambtshalve de noodregeling beëindigen.
2. De bewindvoerders kunnen een
verzoek tot beëindiging van de noodregeling bij de rechtbank
indienen zonder tussenkomst van een advocaat.
3. De rechtbank geeft geen
beschikking dan nadat de bank of verzekeraar met zetel in
Nederland en de Nederlandsche Bank zijn gehoord, althans
behoorlijk zijn opgeroepen.
4. De bewindvoerders maken het
beëindigen van de noodregeling bekend in de Staatscourant en,
indien het een bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met
zetel in Nederland betreft, in het Publicatieblad van de Europese
Unie en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen dagbladen.
5. De Nederlandsche Bank deelt het
beëindigen van de noodregeling mede aan de toezichthoudende
instanties van andere lidstaten waar een bijkantoor van de
financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, is gelegen of
waarnaar zij diensten verricht vanuit haar vestigingen in andere
lidstaten.
Artikel 3:190
Indien de bekendmaking, bedoeld in
artikel 3:189, vierde lid, 3:194, derde lid, of artikel 212o, eerste
lid, van de Faillissementswet betrekking heeft op alle
verbintenissen van de bank of verzekeraar met zetel in Nederland,
vervallen door deze bekendmaking van rechtswege de bevoegdheden,
welke de bewindvoerders ingevolge het uitspreken van de noodregeling
hadden verkregen.
Artikel 3:191
1. Tegen beschikkingen van de
rechtbank ingevolge de artikelen 3:160, eerste of tweede lid,
3:161, 3:163, eerste lid, en 3:194, heeft, indien het verzoek om
toepassing van de noodregeling wordt afgewezen, de Nederlandsche
Bank het recht van hoger beroep gedurende acht dagen na de dag van
de afwijzing.
2. Tegen beschikkingen van de
rechtbank ingevolge deartikelen 3:160, eerste of tweede lid,
3:161, 3:163, eerste lid, 3:194en 3:195, eerste lid, hebben,
indien het verzoek om toepassing van de noodregeling wordt
toegewezen, de bank of verzekeraar met zetel in Nederland, nadat
zij of hij op de aanvraag van de toepassing van de noodregeling is
gehoord gedurende acht dagen na de dag van toewijzing, het recht
van hoger beroep en, zo zij niet zijn gehoord, het recht van
verzet.
3. De behandeling heeft in
raadkamer plaats en geschiedt met de grootste spoed.
4. Indien het verzoek wordt
toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting
uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de
bewindvoerders bekendgemaakt in de Staatscourant, het
Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in ten minste twee
door het Gerechtshof aan te wijzen Nederlandse dagbladen en ten
minste twee door het Gerechtshof aan te wijzen landelijke
dagbladen van iedere lidstaat waar een bijkantoor van de
desbetreffende onderneming is gelegen of waarnaar zij diensten
verricht. De uittreksels vermelden de naam en zetel van de
desbetreffende financiële onderneming, de woonplaats of het
kantoor van de bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking.
De publicatie in de landelijke dagbladen geschiedt in de
officiële taal of talen van de betrokken lidstaat. In de
bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en de
landelijke dagbladen van iedere lidstaat waar een bijkantoor van
de desbetreffende onderneming is gelegen of waarnaar zij diensten
verricht wordt daarenboven vermeld dat op de noodregeling,
behoudens uitzonderingen, Nederlands recht van toepassing is, de
rechtsgrondslag, dat de Nederlandsche Bank de bevoegde
toezichthouder is, alsmede de uiterste datum waarop tegen de
beslissing beroep in cassatie bij de Hoge Raad kan worden
ingesteld met vermelding van het volledige adres van de Hoge Raad,
het onderwerp van de beslissing en de rechtsgrondslag.
5. Beroep in cassatie tegen deze
beschikking op het hoger beroep of het verzet moet worden
ingesteld binnen veertien dagen na de dag van uitspraak. Het derde
lid is van overeenkomstige toepassing.
6. Indien ten gevolge van verzet,
hoger beroep of cassatie de uitspraak tot toepassing van de
noodregeling wordt vernietigd, blijven niettemin geldig en
verbindend voor de bank of verzekeraar de handelingen, door de
bewindvoerders verricht vóór of op de dag waarop aan het
voorschrift tot aankondiging in de Staatscourant overeenkomstig
artikel 3:192, eerste lid, is voldaan.
Artikel 3:192
1.Zodra een beschikking waarbij de
noodregeling is toegepast ten gevolge van verzet, hoger beroep of
cassatie is vernietigd, en, in de eerste twee gevallen de termijn
om in hoger beroep of cassatie te komen is verstreken zonder dat
daarvan gebruik is gemaakt, wordt door de griffier van het
rechtscollege dat de vernietiging heeft uitgesproken, van die
uitspraak kennis gegeven aan de bewindvoerders. De bewindvoerders
doen daarvan aankondiging in de bladen, bedoeld in artikel 3:162,
vijfde lid.
2.Artikel 15, tweede en derde lid,
van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:193
1. Een vereniging waarvan ten
minste 35 procent van:
a. de schuldeisers met een
vordering op de bank met zetel in Nederland uit hoofde van een
overeenkomst die de bank heeft gesloten in de uitoefening van
haar bedrijf tot het ter beschikking krijgen van gelden heeft
aangegaan; of
b. de schuldeisers met een
vordering uit hoofde van verzekering;
lid is, kan zich melden bij de
bewindvoerders.
2. De bewindvoerders horen de
vereniging alvorens zij de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen
3:194 of 3:195, uitoefenen, indien deze op een door de
bewindvoerders te bepalen moment ten genoegen van de
bewindvoerders heeft aangetoond dat zij aan de in het eerste lid
gestelde vereisten voldoet.
Artikel 3:194
1. De rechtbank kan tegelijk met
een machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, of daarna
de bewindvoerders op hun verzoek een bijzondere machtiging
verlenen die strekt tot wijziging, bij de overdracht van rechten
en verplichtingen uit overeenkomsten die de bank met zetel in
Nederland in de uitoefening van haar bedrijf als bank tot het ter
beschikking verkrijgen van gelden heeft aangegaan, van die
overeenkomsten, met dien verstande dat de bedingen in de
overeenkomsten, waaruit vorderingen voortvloeien als bedoeld in
artikel 3:176, vijfde lid, vorderingen die door pand of hypotheek
op goederen van de bank worden gedekt of termijnen van huurkoop
daarbij niet kunnen worden gewijzigd.
2. Met betrekking tot bijzondere
machtigingen, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 3:162,
eerste tot en met derde lid en vijfde lid, eerste volzin, 3:165,
3:168, 3:169, eerste en tweede lid, eerste volzin, en 3:174,
eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
3. Zodra overdracht van
verbintenissen heeft plaatsgevonden, maken bewindvoerders de
overdracht en, ingeval de bedingen in de overeenkomsten zijn
gewijzigd, deze wijzigingen bekend door plaatsing in de
Staatscourant, in het Publicatieblad van de Europese Unie en in
ten minste drie door de rechtbank aan te wijzen dagbladen.
4. De overdracht en de wijziging
worden ten aanzien van alle andere belanghebbenden dan de
betrokken banken van kracht met ingang van de tweede dag, volgende
op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de
bekendmaking is geplaatst.
5. De Nederlandsche Bank deelt de
overdracht mede aan de toezichthoudende instanties van de andere
lidstaten waar een bijkantoor van de bank is gelegen of waarnaar
zij diensten verricht vanuit haar vestigingen in andere lidstaten.
6. Wijzigingen als bedoeld in het
eerste lid laten onverlet de uitkeringen die overeenkomstig
artikel 3:178 zijn gedaan voor de dag van de indiening van het
verzoek om de machtiging, bedoeld in het eerste lid.
7. Gedurende de liquidatie, bedoeld
in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, regelt
de rechtbank naar behoefte de bijzonderheden en gevolgen van de
liquidatie, waaronder begrepen verkorting van de geldingsduur van
lopende overeenkomsten, nadat zij daaromtrent het advies van de
bewindvoerders en de Nederlandsche Bank heeft ingewonnen.
Artikel 3:195
1.De rechtbank kan tegelijk met een
machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, of daarna de
bewindvoerders op hun verzoek een bijzondere machtiging verlenen
die strekt:
a. bij de overdracht van
rechten en verplichtingen krachtens verzekering die de
verzekeraar met zetel in Nederland heeft gesloten, tot
wijziging van die verzekering; of
b. tot verkorting van de duur
van verzekering.
2.Met betrekking tot de bijzondere
machtiging, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 3:162,
eerste tot en met derde lid en vijfde lid, eerste volzin, 3:165,
3:168, 3:169, eerste en tweede lid, eerste volzin, en 3:174,
eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
3.Zodra overdracht van rechten en
verplichtingen krachtens de in artikel 3:163, eerste lid, bedoelde
machtiging heeft plaatsgevonden, doen de bewindvoerders van deze
overdracht en, zo handelingen door hen zijn verricht krachtens de
in het eerste lid bedoelde bijzondere machtiging, van deze
handelingen mededeling in de Staatscourant, in ten minste twee
door de rechtbank aan te wijzen dagbladen en indien het een
levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland
betreft in het Publicatieblad van de Europese Unie. De
bewindvoerders kunnen, indien zij dit in het belang van
verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen
achten, de bedoelde overdracht en handelingen tevens op andere
wijze publiceren.
4.De overdracht en de wijziging,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden ten aanzien van
alle andere belanghebbenden dan de betrokken verzekeraar van
kracht met ingang van de tweede dag, volgende op die van de
dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is
geplaatst. Op overdrachten zijn de artikelen 3:112 tot en met
3:114,3:116 en 3:120 niet van toepassing.
5.De Nederlandsche Bank deelt de
overdracht en de handelingen indien het een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar betreft, mede aan de toezichthoudende instanties
van de andere lidstaten waar een bijkantoor van de desbetreffende
financiële onderneming is gelegen of waarnaar hij diensten
verricht vanuit zijn vestigingen in andere lidstaten.
6.Wijzigingen als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, laten onverlet de uitkeringen die
overeenkomstig artikel 3:178 zijn gedaan voor de dag van de
indiening van het verzoek om de machtiging, bedoeld in het eerste
lid.
7.Wijzigingen als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, die op een levensverzekering betrekking
hebben, kunnen niet tot gevolg hebben dat aan verzekeringnemers
meer verplichtingen worden opgelegd.
Artikel 3:196
In geval van overdracht van rechten
en verplichtingen ingevolge een machtiging als bedoeld in artikel
3:163, eerste lid, of een bijzondere machtiging als bedoeld in
artikel 3:195, eerste lid, draagt de verzekeraar met zetel in
Nederland de waarden over die dienen tot dekking van de technische
voorzieningen voorzover deze voorzieningen betrekking hebben op de
verplichtingen die worden overgedragen.
Artikel 3:197
Een overdracht van rechten en
verplichtingen ingevolge een machtiging als bedoeld in artikel
3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel a of c, mag geen nadeel
toebrengen aan de rechten van de overblijvende schuldeisers.
Artikel 3:198
1. In geval van toepassing van de
noodregeling op grond van dit hoofdstuk worden de boedelschulden,
overeenkomstig de bepalingen van de Faillissementswet, al naar
gelang de aard van de betrokken boedelschuld hetzij omgeslagen
over ieder deel van de boedel, hetzij uitsluitend van een bepaalde
bate van de boedel afgetrokken. Onder boedelschulden vallen in
ieder geval de kosten van inschrijving in een openbaar register in
een andere lidstaat.
2. Onverminderd het bepaalde in het
eerste lid en behoudens vorderingen door pand of hypotheek gedekt,
worden in geval van een noodregeling van een schadeverzekeraar met
zetel in Nederland de volgende vorderingen verhaald op de boedel
in de volgende volgorde:
a. de vorderingen uit hoofde
van verzekering betreffende periodieke uitkeringen ter zake
van ziekte, letsel of overlijden van natuurlijke personen,
ontstaan krachtens een schadeverzekering, en van uitkeringen
ter zake van pensioenen, toegezegd aan werknemers of gewezen
werknemers van de verzekeraar of aan hun nabestaanden;
b. de vorderingen van
werknemers en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van
hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen termijnen
van pensioen voorzover de vordering niet ouder is dan een
jaar;
c. de vorderingen van
werknemers, niet zijnde bestuurders van de verzekeraar bij wie
zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede de
vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de
toekomst tot uitkering komende termijnen van overeengekomen
pensioen;
d. de vorderingen van
werknemers met betrekking tot het loon over het voorafgaande
jaar en hetgeen over het lopende jaar is verschuldigd,
benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge
artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het
bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar
als werkgever gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan
de werknemer krachtens titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek in verband met de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst verschuldigd;
e. de vorderingen uit hoofde
van verzekering betreffende niet-periodieke uitkeringen ter
zake van ziekte, letsel of overlijden van natuurlijke
personen, ontstaan krachtens een schadeverzekering;
f. de vorderingen uit hoofde
van verzekering betreffende uitkeringen ter zake van andere
dan in de onderdelen a en e bedoelde schaden, ontstaan uit
overeenkomsten van schadeverzekering;
g. de vorderingen tot teruggave
van bedragen die zonder rechtsgrond zijn betaald of aan de
betaling waarvan de rechtsgrond is komen te ontvallen, welke
betaling heeft plaatsgevonden in de veronderstelling dat
daarmee premies zijn betaald.
3. Onverminderd het bepaalde in het
eerste lid en behoudens vorderingen door pand of hypotheek gedekt,
worden in geval van een noodregeling van een levensverzekeraar met
zetel in Nederland de volgende vorderingen verhaald op de boedel
in de volgende volgorde:
a. de vorderingen van
werknemers en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van
hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen termijnen
van pensioen, voorzover de vordering niet ouder is dan een
jaar;
b. de vorderingen van
werknemers, niet zijnde bestuurders van de verzekeraar waarbij
zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede de
vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de
toekomst tot uitkering komende termijnen van toegezegd
pensioen;
c. de vorderingen van
werknemers met betrekking tot het loon over het voorafgaande
jaar en hetgeen over het lopende jaar verschuldigd is,
benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge
artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het
bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar
gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan de werknemer
krachtens titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in
verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst
verschuldigd;
d. de vorderingen uit hoofde
van verzekering en rechten betreffende uitkeringen, die zijn
ontstaan of nog zullen ontstaan uit een levensverzekering;
e. de vorderingen tot teruggave
van bedragen die zonder rechtsgrond zijn betaald of aan de
betaling waarvan de rechtsgrond is komen te ontvallen, welke
betaling heeft plaatsgevonden in de veronderstelling dat
daarmee premies zijn betaald.
4. Onverminderd het bepaalde in het
eerste lid en behoudens vorderingen door pand of hypotheek gedekt,
worden in geval van een noodregeling van een
natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland de volgende
vorderingen verhaald op de boedel in de volgende volgorde:
a. de vorderingen van
werknemers en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van
hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen termijnen
van pensioen, voorzover de vordering niet ouder is dan een
jaar;
b. de vorderingen van
werknemers, niet zijnde bestuurders van de verzekeraar waarbij
zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede de
vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de
toekomst tot uitkering komende termijnen van overeengekomen
pensioen;
c. de vorderingen van
werknemers met betrekking tot het loon over het voorafgaande
jaar en hetgeen over het lopende jaar verschuldigd is,
benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge
artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het
bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar
als werkgever gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan
de werknemer krachtens titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek in verband met de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst verschuldigd;
d. de vorderingen en rechten
betreffende prestaties, die zijn ontstaan of nog zullen
ontstaan uit een natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit
een vestiging in Nederland.
5. Vorderingen die niet worden
genoemd in het tweede, derde en vierde lid, worden eerst dan
voldaan indien de vorderingen, bedoeld in het tweede, derde en
vierde lid zijn voldaan en, in geval van vorderingen, bedoeld in
het tweede en derde lid, indien vaststaat dat in de toekomst
zodanige vorderingen niet meer zullen ontstaan, naar evenredigheid
van elke vordering, behoudens de door de wet erkende redenen van
voorrang.
6. De in het vijfde lid bedoelde
redenen van voorrang gelden zowel voor vorderingen van
schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of statutaire
zetel in Nederland als voor soortgelijke vorderingen van
schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of statutaire
zetel in een andere lidstaat.
Artikel 3:199
1.Indien de opvang, bedoeld in
artikel 3:152, eerste lid, ten tijde van het uitspreken van de
noodregeling reeds in werking is gesteld, kan de toepassing ervan
door de Nederlandsche Bank worden voortgezet in de in artikel
3:152, derde lid, bedoelde vorm.
2.De bewindvoerders verlenen
hieraan hun medewerking.
Artikel 3:200
1.De Nederlandsche Bank kan,
gehoord de vertrouwenscommissie, de opvang, bedoeld in artikel
3:152, eerste lid, in werking stellen tijdens de noodregeling
indien de portefeuille van de levensverzekeraar overlevingskans
heeft.
2.De bewindvoerders verlenen
hieraan hun medewerking.
3.De opvang blijft in een in het
eerste lid bedoeld geval beperkt tot de in artikel 3:152, derde
lid, bedoelde verplichte overdracht van de portefeuille.
4.Artikel 3:151, eerste en tweede
lid, is niet van toepassing.
Artikel 3:201
1.Indien na de inwerkingstelling
van de opvang overeenkomstig artikel 3:151, tweede lid, of 3:200
verplichte overdracht van de portefeuille niet tot stand kan
worden gebracht, doet de Nederlandsche Bank hiervan mededeling aan
de bewindvoerders.
2.Zolang de Nederlandsche Bank deze
mededeling niet heeft gedaan, verleent de rechtbank de
bewindvoerders geen bijzondere machtiging als bedoeld inartikel
3:195, eerste lid.
3.De rechtbank verleent de
bijzondere machtiging evenmin zolang de Nederlandsche Bank de
opvang niet in werking heeft gesteld, tenzij de Nederlandsche Bank
aan de bewindvoerders mededeling heeft gedaan van de omstandigheid
dat er geen aanleiding is tot die inwerkingstelling.
§ 3.5.5.2. Financiële ondernemingen
met zetel in een andere lidstaat
Artikel 3:202
Ingeval de solvabiliteit of de
liquiditeit van een in Nederland gelegen bijkantoor van een bank met
zetel in een andere lidstaat die geen vergunning heeft, zodanig is
dat te voorzien is dat de bank dan wel het bijkantoor haar of zijn
verplichtingen ter zake van de door haar of hem verkregen gelden
niet of slechts ten dele kan nakomen, kan de rechtbank Amsterdam op
verzoek van de Nederlandsche Bank ten aanzien van de bank in het
belang van de gezamenlijke schuldeisers de noodregeling uitspreken.
Artikel 3:203
Indien het belang van de schuldeisers
met een vordering uit hoofde van verzekering bij de afwikkeling van
het bedrijf van een in Nederland gelegen bijkantoor van een
levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere
lidstaat die geen vergunning heeft, een bijzondere voorziening
behoeft, kan de rechtbank Amsterdam op verzoek van de Nederlandsche
Bank de noodregeling uitspreken.
Artikel 3:204
De artikelen 3:162 tot en met 3:201
zijn van overeenkomstige toepassing op banken als bedoeld inartikel
3:202 en verzekeraars als bedoeld in artikel 3:203 voorzover deze
artikelen betrekking hebben op de desbetreffende financiële
ondernemingen.
Artikel 3:205
1. Indien de rechtbank het
noodzakelijk acht dat in verband met een in Nederland gelegen
bijkantoor van een bank met zetel in een andere lidstaat die
krachtensartikel 2:15 in Nederland het bedrijf van bank mag
uitoefenen, een saneringsmaatregel wordt vastgesteld, stelt de
griffier van de rechtbank de Nederlandsche Bank hiervan in kennis.
2. De Nederlandsche Bank deelt
nadat zij overeenkomstig het eerste lid in kennis is gesteld de
toezichthoudende instanties van alle andere lidstaten dat mede.
§ 3.5.5.3. Financiële ondernemingen
met zetel in een staat die geen lidstaat is en met een in Nederland
gelegen bijkantoor
Artikel 3:206
1. Ingeval de solvabiliteit of de
liquiditeit van een bank met een in Nederland gelegen bijkantoor
en met zetel in een staat die geen lidstaat is die een vergunning
als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, heeft dan wel de
solvabiliteit of de liquiditeit van een in Nederland gelegen
bijkantoor van een bank met zetel in een staat die geen lidstaat
is en die een vergunning als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid,
heeft, tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling vertoont en
redelijkerwijs in die ontwikkeling geen verbetering te voorzien
is, kan de rechtbank Amsterdam op verzoek van de Nederlandsche
Bank ten aanzien van de bank in het belang van de gezamenlijke
schuldeisers de noodregeling uitspreken.
2. Ingeval de solvabiliteit of de
liquiditeit van een bank met een in Nederland gelegen bijkantoor
en met zetel in een staat die geen lidstaat is dan wel van een in
Nederland gelegen bijkantoor van een bank met zetel in een staat
die geen lidstaat is zodanig is dat te voorzien is dat de bank dan
wel het bijkantoor haar onderscheidenlijk zijn verplichtingen ter
zake van de door haar onderscheidenlijk hem verkregen gelden niet
of slechts ten dele kan nakomen, kan de rechtbank Amsterdam op
verzoek van de Nederlandsche Bank ten aanzien van de bank in het
belang van de gezamenlijke schuldeisers de noodregeling
uitspreken.
Artikel 3:207
Indien het belang van de gezamenlijke
schuldeisers bij de afwikkeling van het bedrijf van
levensverzekeraar of schadeverzekeraar op wie artikel 2:40 van
toepassing is of van de gezamenlijke schuldeisers wier vordering het
resultaat is van een uit de exploitatie van het in Nederland gelegen
bijkantoor van een dergelijke verzekeraar voortvloeiende
verplichting een bijzondere voorziening behoeft, kan de rechtbank
Amsterdam op verzoek van de Nederlandsche Bank de noodregeling
uitspreken.
Artikel 3:208
1. De Nederlandsche Bank zendt een
afschrift van het verzoekschrift aan de bank, bedoeld in artikel
3:206, eerste en tweede lid, levensverzekeraar en
schadeverzekeraar, bedoeld in artikel 3:207, en aan het bijkantoor
en deelt de inhoud van het verzoekschrift mede aan:
a. de toezichthoudende
instanties van de andere lidstaten waarnaar zij diensten
verricht vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor; en
b. indien het een
levensverzekeraar of schadeverzekeraar betreft en een
toezichthoudende instantie van een andere lidstaat is belast
met het toezicht op de solvabiliteitsmarge van de betrokken
verzekeraar, die toezichthoudende instantie.
2. Artikel 3:162, tweede tot en met
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De griffier van de rechtbank
zendt een afschrift van de oproeping, bedoeld in artikel 3:162,
derde lid, aan een financiële onderneming als bedoeld in het
eerste lid en het bijkantoor.
4. Indien het verzoek wordt
toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting
uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de
bewindvoerders bekendgemaakt in de Staatscourant, alsmede in ten
minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen.
Het uittreksel vermeldt de naam en zetel en het bijkantoor van de
financiële onderneming, de zetel en de woonplaats of het kantoor
van de bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking.
Artikel 3:209
Indien een machtiging is gegeven als
bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c,
stellen de bewindvoerders de bekende schuldeisers wier vordering het
resultaat is van een uit de exploitatie van een in Nederland gelegen
bijkantoor voortvloeiende verplichting, regelmatig op passende wijze
in kennis van in ieder geval het verloop van de noodregeling.
Artikel 3:210
1. Ten aanzien van een bank,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die
geen lidstaat is met een in Nederland gelegen bijkantoor hebben de
machtigingen betrekking op het vanuit de in Nederland gelegen
bijkantoren uitgeoefende bedrijf.
2. Ten behoeve van de toepassing
van het eerste lid kan bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden bepaald welke activa en passiva tot dat bedrijf
moeten worden gerekend.
Artikel 3:211
1.De artikelen 3:163 tot en met
3:168, 3:171, 3:173 en 3:174, 3:175, eerste tot en met zesde lid,
en negende tot en met dertiende lid, 3:176 tot en met 3:201, zijn
van overeenkomstige toepassing op noodregelingen die
overeenkomstig artikel 3:206 of 3:207zijn uitgesproken met dien
verstande dat voor«schuldeisers» moet worden gelezen
«schuldeisers wier vordering het resultaat is van een uit de
exploitatie van het in Nederland gelegen bijkantoor voortvloeiende
verplichting».
2.In afwijking van het eerste lid
behoeft van de beschikkingen, bedoeld in artikel 3:179, derde lid,
en de nederlegging, bedoeld in artikel 3:183, eerste lid, niet in
het Publicatieblad van de Europese Unie mededeling te worden
gedaan.
Artikel 3:212
1. Indien een machtiging als
bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel b, is
gegeven, stelt de griffier van de rechtbank de Nederlandsche Bank
onverwijld in kennis van de inhoud van de beschikking, alsmede van
de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De
Nederlandsche Bank deelt daarna onverwijld de toezichthoudende
instanties van de andere lidstaten waar een bijkantoor van de
bank, bedoeld in artikel 3:206, eerste of tweede lid, of van de
verzekeraar, als bedoeld in artikel 3:207 is gelegen de
beschikking mede, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het
desbetreffende geval. De Nederlandsche Bank deelt de
toezichthoudende instanties van de andere lidstaten de beschikking
mede.
2. Indien een machtiging is gegeven
als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel c,
en de bewindvoerder gaat over tot liquidatie, stelt de
bewindvoerder de Nederlandsche Bank onverwijld in kennis van de
inhoud van de beschikking, alsmede van de mogelijke gevolgen
daarvan in het desbetreffende geval. De Nederlandsche Bank deelt
daarna onverwijld de toezichthoudende instanties van de andere
lidstaten waar een bijkantoor van de bank, bedoeld in artikel
3:206, eerste of tweede lid, of van de verzekeraar, bedoeld in
artikel 3:207 is gelegen de beschikking mede, alsmede van de
mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De
Nederlandsche Bank deelt de toezichthoudende instanties van de
andere lidstaten de beschikking mede.
3. De rechtbank tracht de
gezamenlijke optredens met de rechterlijke of administratieve
instanties van de andere lidstaten te coördineren.
Artikel 3:213
1. Indien een bank,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die
geen lidstaat is een in Nederland gelegen bijkantoor heeft en een
of meer in andere lidstaten gelegen bijkantoren, trachten zowel de
rechtbank als de Nederlandsche Bank hun optreden te coördineren
met de administratieve of rechterlijke instanties die bevoegd zijn
ter zake van het treffen van saneringsmaatregelen
onderscheidenlijk de toezichthoudende instanties van die andere
lidstaten.
2. In het in het eerste lid
bedoelde geval trachten de in Nederland benoemde bewindvoerders
hun optreden te coördineren met de bewindvoerders in de andere
lidstaten waarin aan de bank een vergunning is verleend.
Artikel 3:214
Onverminderd artikel 3:166 zendt de
Nederlandsche Bank een afschrift als bedoeld in dat artikel tevens
aan het in Nederland gelegen bijkantoor.
Artikel 3:215
1.De bewindvoerders geven van een
machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en
onderdelen b en c, onmiddellijk schriftelijk kennis aan de
schuldeisers, bedoeld inartikel 3:209.
2.De kennisgeving aan schuldeisers
als bedoeld in artikel 3:209 met een vordering uit hoofde van
verzekering vermeldt tevens welke de belangrijkste gevolgen van de
machtiging voor de overeenkomsten uit hoofde van verzekering zijn
en de rechten en verplichtingen van de schuldeiser met een
vordering uit hoofde van verzekering.
3.Iedere schuldeiser als bedoeld in
artikel 3:209 kan zijn vordering en schriftelijke opmerkingen
betreffende zijn vordering indienen bij de bewindvoerders.
Artikel 3:216
Indien een machtiging is gegeven als
bedoeld in artikel 3:163, eerste lid,aanhef en onderdeel b of c,
stellen de bewindvoerders de schuldeisers, bedoeld in artikel 3:209,
regelmatig op passende wijze in kennis van in ieder geval het
verloop van de noodregeling, en deelt de Nederlandsche Bank de
toezichthoudende instanties van de andere lidstaten die zulks
verzoeken het verloop van de noodregeling mede.
Artikel 3:217
Ingevolge de hun verleende
machtiging, bedoeld inartikel 3:163, eerste lid, kunnen de
bewindvoerders, ongeacht hetgeen daaromtrent bij de statuten van de
bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat
die geen lidstaat is, is bepaald:
a. alle nog niet gedane
stortingen op de aandelen in het geplaatste kapitaal van de
bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar onderscheidenlijk
het waarborgkapitaal van een levensverzekeraar of
schadeverzekeraar uitschrijven en innen; en
b. naheffingen opleggen en innen
tot het in de statuten van de levensverzekeraar of
schadeverzekeraar die een onderlinge waarborgmaatschappij met
zetel in Nederland is bepaalde maximum.
Artikel 3:218
Bij de beoordeling van de omvang van
het eigen vermogen van een bank, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is,
worden uitsluitend de activa en passiva in aanmerking genomen die
moeten worden gerekend tot het vanuit haar of zijn in Nederland
gelegen bijkantoren uitgeoefende bedrijf.
Artikel 3:219
De Nederlandsche Bank deelt het
beëindigen van de noodregeling mede:
a. aan de toezichthoudende
instanties van de andere lidstaten waarnaar een bank,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat
die geen lidstaat is diensten verricht vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor; en
b. indien het een
levensverzekeraar of schadeverzekeraar betreft en een andere
toezichthoudende instantie van een andere lidstaat is belast met
het toezicht op de solvabiliteitsmarge van de desbetreffende
verzekeraar: aan die toezichthoudende instantie.
Artikel 3:220
1. De rechtbank kan tegelijk met
een machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, of daarna
de bewindvoerders op hun verzoek een bijzondere machtiging
verlenen die strekt tot wijziging, bij de overdracht van rechten
en verplichtingen uit overeenkomsten die de bank met zetel in een
staat die geen lidstaat is vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor in de uitoefening van haar bedrijf als bank tot het ter
beschikking verkrijgen van gelden heeft aangegaan, van die
overeenkomsten gesloten vanuit haar in Nederland gelegen
bijkantoor, met dien verstande dat de bedingen in de
overeenkomsten, waaruit vorderingen voortvloeien als bedoeld in
artikel 3:176, vijfde lid, vorderingen die door pand of hypotheek
op goederen van de bank worden gedekt of termijnen van huurkoop
daarbij niet kunnen worden gewijzigd.
2. Met betrekking tot bijzondere
machtigingen, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 3:162,
eerste tot en met derde lid, en vijfde lid, eerste volzin, 3:165,
3:168, 3:169, eerste en tweede lid, eerste volzin, en3:174, eerste
lid, van overeenkomstige toepassing.
3. Zodra overdracht van
verbintenissen heeft plaatsgevonden, maken bewindvoerders de
overdracht en, ingeval de bedingen in de overeenkomsten zijn
gewijzigd, deze wijzigingen bekend door plaatsing in de
Staatscourant, en in ten minste twee door de rechtbank aan te
wijzen dagbladen.
4. Artikel 3:194, vierde tot en met
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:221
1.De rechtbank kan tegelijk met een
machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, of daarna de
bewindvoerders op hun verzoek een bijzondere machtiging verlenen
die strekt:
a. bij de overdracht van
rechten en verplichtingen krachtens verzekering die de
verzekeraar met zetel in Nederland heeft gesloten, tot
wijziging van die verzekering; of
b. tot verkorting van de duur
van die verzekering.
2.Met betrekking tot bijzondere
machtigingen, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 3:162,
eerste tot en met derde lid en vijfde lid, eerste volzin, 3:165,
3:168, 3:169, eerste en tweede lid, eerste volzin, en3:174, eerste
lid, van overeenkomstige toepassing.
3.Zodra overdracht van rechten en
verplichtingen krachtens de in artikel 3:163, eerste lid, bedoelde
machtiging heeft plaatsgevonden, doen de bewindvoerders van deze
overdracht en, zo handelingen door hen zijn verricht krachtens de
in het eerste lid bedoelde bijzondere machtiging, van deze
handelingen mededeling in de Staatscourant, en in ten minste twee
door de rechtbank aan te wijzen dagbladen. De bewindvoerders
kunnen, indien zij dit in het belang van verzekeringnemers,
verzekerden of gerechtigden op uitkeringen achten, de bedoelde
overdracht en handelingen tevens op andere wijze publiceren.
4.Artikel 3:195, vierde tot en met
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 3.5.5.4. Entiteiten voor
risico-acceptatie, herverzekeraars en natura-uitvaartverzekeraars
met zetel buiten Nederland en met een in Nederland gelegen
bijkantoor
Artikel 3:222
1. Indien het belang van de
gezamenlijke schuldeisers bij de afwikkeling van het bedrijf van
herverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar of van de
gezamenlijke schuldeisers wier vordering het resultaat is van een
uit de exploitatie van het in Nederland gelegen bijkantoor van een
dergelijke verzekeraar voortvloeiende verplichting een bijzondere
voorziening behoeft, kan de rechtbank Amsterdam op verzoek van de
Nederlandsche Bank de noodregeling uitspreken.
2. Indien het verzoek wordt
toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting
uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de
bewindvoerders bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant,
alsmede in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen
Nederlandse dagbladen. Het uittreksel vermeldt naam en zetel van
de verzekeraar en het bijkantoor en de zetel en de woonplaats of
het kantoor van de bewindvoerders alsmede de datum van de
beschikking.
3. Voor de toepassing van deze
paragraaf wordt onder «herverzekeraar»mede verstaan «entiteit
voor risico-acceptatie».
Artikel 3:223
1.De Nederlandsche Bank zendt een
afschrift van het verzoekschrift aan de verzekeraar, bedoeld
inartikel 3:222, eerste lid, en aan het bijkantoor.
2.Artikel 3:162, tweede tot en met
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.De griffier van de rechtbank
zendt een afschrift van de oproeping, bedoeld in artikel 3:162,
derde lid, aan het bijkantoor.
4.Indien het verzoek wordt
toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting
uitgesproken en wordt een uittreksel onverwijld door de
bewindvoerders bekend gemaakt in de Staatscourant, alsmede in ten
minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen.
Het uittreksel vermeldt naam en zetel van de verzekeraar en het
bijkantoor en de zetel en de woonplaats of het kantoor van de
bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking.
Artikel 3:224
1.De artikelen 3:163 tot en met
3:168, 3:171, 3:173, 3:174, 3:175, eerste tot en met zesde lid en
negende tot en met elfde lid, en 3:176 tot en met 3:198, eerste
lid, zijn van overeenkomstige toepassing op noodregelingen die
ingevolge artikel 3:222 zijn uitgesproken met dien verstande dat
voor«schuldeisers» moet worden gelezen «schuldeisers wier
vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van het in
Nederland gelegen bijkantoor voortvloeiende verplichting».
2.In afwijking van het eerste lid
behoeft van de beschikkingen, bedoeld in artikel 3:179, derde lid,
en de nederlegging, bedoeld in artikel 3:183, eerste lid, niet in
het Publicatieblad van de Europese Unie mededeling te worden
gedaan.
Artikel 3:225
1.Ten aanzien van een
herverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar met zetel buiten
Nederland en met een in Nederland gelegen bijkantoor hebben de
machtigingen, bedoeld in deartikelen 3:163, eerste lid, en 3:194,
eerste lid, betrekking op het vanuit een in Nederland gelegen
bijkantoor uitgeoefende bedrijf.
2.Ten behoeve van de toepassing van
het eerste lid kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
worden bepaald welke activa en passiva tot dat bedrijf moeten
worden gerekend.
Artikel 3:226
Bij de beoordeling van de omvang van
het eigen vermogen van een herverzekeraar of
natura-uitvaartverzekeraar met zetel buiten Nederland en met een in
Nederland gelegen bijkantoor worden uitsluitend de activa en passiva
in aanmerking genomen die moeten worden gerekend tot het vanuit zijn
in Nederland gelegen bijkantoren uitgeoefende bedrijf.
Artikel 3:227
Onverminderd artikel 3:166 zendt de
Nederlandsche Bank een afschrift als bedoeld in dat artikel tevens
aan het in Nederland gelegen bijkantoor, en, indien bij de
Nederlandsche Bank bekend is dat herverzekeraar of
natura-uitvaartverzekeraar in de staat waar hij zijn zetel heeft
onder toezicht staat, deelt zij de inhoud van het verzoekschrift aan
de toezichthoudende instanties van die staat mede.
Artikel 3:228
1.De bewindvoerders geven van een
machtiging, bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en
onderdeel b of c, onverwijld schriftelijk kennis aan bekende
schuldeisers, wier vordering het resultaat is van een uit de
exploitatie van het in Nederland gelegen bijkantoor voortvloeiende
verplichting.
2.De kennisgeving aan schuldeisers
als bedoeld in het eerste lid met een vordering uit hoofde van
natura-uitvaartverzekering vermeldt tevens welke de belangrijkste
gevolgen van de machtiging voor de overeenkomsten uit hoofde van
natura-uitvaartverzekering zijn en de rechten en verplichtingen
van de schuldeiser met een vordering uit hoofde van
natura-uitvaartverzekering.
3.Iedere schuldeiser als bedoeld in
het eerste lid kan zijn vordering en schriftelijke opmerkingen
betreffende zijn vordering indienen bij de bewindvoerders.
Artikel 3:229
1.De bewindvoerders kunnen
uitkeringen doen op vorderingen die niet voortvloeien uit
handelingen met de herverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar
met zetel buiten Nederland na het uitspreken van de noodregeling
verricht, voorzover dit gelet op de liquiditeitspositie van de
verzekeraar verantwoord is te achten en mits is voldaan aan het
tweede lid en de artikelen 3:230 tot en met 3:235.
2.Artikel 3:171 is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de
verwijzing naar de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:170, moet
worden gelezen: de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:230, tweede
lid, tweede volzin.
Artikel 3:230
1.De bewindvoerders maken een staat
op waaruit blijken de aard en het bedrag van de baten en schulden
van de herverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar, de namen en
woonplaatsen van ieder van de schuldeisers bedoeld in artikel
3:228, alsmede het bedrag van de vorderingen van ieder van die
schuldeisers. Een door de bewindvoerders gewaarmerkt afschrift van
deze staat wordt ter kosteloze inzage van een ieder ter griffie
van de rechtbank neergelegd.
2.Op verzoek van de bewindvoerders
bepaalt de rechter-commissaris de dag waarop uiterlijk de
vorderingen moeten worden ingediend, en voorts dag, uur en plaats
waarop de verificatievergadering zal worden gehouden. Nadat de
rechter-commissaris op het verzoek, bedoeld in de eerste volzin,
heeft beslist, geven de bewindvoerders daarvan onmiddellijk aan
alle bekende schuldeisers, bedoeld in artikel 3:228, schriftelijk
kennis. Deze kennisgeving betreft in ieder geval tevens de
gevolgen van het indienen van een vordering na het verstrijken van
de termijn, bedoeld in de eerste volzin, de mededeling dat de
vordering bij de bewindvoerders moet worden ingediend, met, in het
voorkomende geval, de opgave dat op een voorrecht of
goederenrechtelijk recht aanspraak wordt gemaakt. Aan schuldeisers
als bedoeld in artikel 3:228 met een vordering uit hoofde van
natura-uitvaartverzekering vermeldt de kennisgeving voorts welke
de belangrijkste gevolgen van de noodregeling voor de
overeenkomsten uit hoofde van verzekering zijn, en de rechten en
de verplichtingen van de verzekerden en anderen in verband met de
overeenkomsten van verzekering.
3.De bewindvoerders doen tevens
mededeling van de beschikkingen in de Staatscourant alsmede in ten
minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen.
4.De artikelen 110 tot en met 113
van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat hetgeen is bepaald met betrekking tot de
curator onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing is op de
bewindvoerders onderscheidenlijk de verzekeraar. Artikel 213l,
eerste lid, onderdeel e, van de Faillissementswet is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:231
1.Een afschrift van de lijst van
voorlopig erkende schuldvorderingen en van de lijst van betwiste
vorderingen wordt door de bewindvoerders ter griffie van de
rechtbank neergelegd om aldaar gedurende veertien dagen
voorafgaande aan de verificatievergadering kosteloos voor een
ieder ter inzage te liggen. De bewindvoerders geven alle
schuldeisers, bedoeld in artikel 3:228, voor het begin van deze
periode schriftelijk van de nederlegging bericht waarbij zij een
nadere oproeping tot de verificatievergadering voegen. Voorts doen
de bewindvoerders van de nederlegging mededeling in een of meer
door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen.
2.Met betrekking tot de verificatie
zijn de artikelen 59, 119 tot en met 122, 123 tot en met 127, 129,
132 tot en met 137, 260, eerste lid, 261 en 262, eerste en derde
lid, van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing.
Daarbij zijn de bepalingen met betrekking tot de curator
onderscheidenlijk de gefailleerde van overeenkomstige toepassing
op de bewindvoerders onderscheidenlijk de herverzekeraar of
natura-uitvaartverzekeraar. In afwijking van de in artikel 127,
eerste lid, van de Faillissementswet genoemde termijn geldt de
termijn die ingevolge artikel 3:230, tweede lid, voor de indiening
van vorderingen is bepaald. De vorderingen welke opeisbaar worden
op of na de datum van de beschikking, bedoeld inartikel 3:222,
eerste lid, worden geverifieerd voor de waarde welke zij hebben op
het tijdstip waarop deze vorderingen opeisbaar worden, met dien
verstande dat dit ten aanzien van vorderingen welke vallen onder
de werking van artikel 3:194 slechts geldt voorzover deze bepaling
niet reeds op deze vorderingen is toegepast.
Artikel 3:232
1.De bestuurders van de
herverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar of de
feitelijk-leidinggevenden van het in Nederland gelegen bijkantoor
wonen de verificatievergadering bij teneinde aldaar alle
inlichtingen over de oorzaken van de in artikel 3:222, eerste lid,
bedoelde toestand en de staat van de boedel te geven die aan hen
door de rechter-commissaris worden gevraagd. Ieder van de
schuldeisers, bedoeld in artikel 3:228, kan de rechter-commissaris
verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven punten
inlichtingen aan de bestuurders of de feitelijk-leidinggevenden te
vragen.
2.De vragen aan de bestuurders of
de feitelijk-leidinggevenden gesteld en de door hen gegeven
antwoorden worden in het proces-verbaal opgetekend.
3.In afwijking van het bepaalde in
artikel 121, vierde lid, van de Faillissementswet levert het
proces-verbaal van de verificatievergadering ten aanzien van de
verbintenissen van de herverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar
welke ingevolgeartikel 3:195, eerste lid, worden overgedragen
slechts kracht van gewijsde op voorzover de desbetreffende
bedingen niet worden gewijzigd.
Artikel 3:233
1.Na de verificatie van de
schuldvorderingen maken de bewindvoerders een uitdelingslijst op.
Zij onderwerpen die aan de goedkeuring van de rechter-commissaris.
De lijst houdt in een staat van ontvangsten en uitgaven, daaronder
begrepen het loon van de bewindvoerders, de namen van de
schuldeisers, bedoeld in artikel 3:228, en voorts het
geverifieerde bedrag van ieders vordering en de daarop te
ontvangen uitkering. De artikelen 180, tweede lid, 181 en 182,
eerste lid, van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige
toepassing. Onverminderd artikel 3:235 is artikel 233 van die wet
eveneens van overeenkomstige toepassing.
2.Bij het opmaken van de
uitdelingslijst wordt met betrekking tot de vorderingen die zijn
betwist of waarvan de voorrang is betwist of die voorwaardelijk
zijn toegelaten een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot
ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de
toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen
worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze
zeker gesteld.
Artikel 3:234
1.De door de rechter-commissaris
goedgekeurde uitdelingslijst wordt door de bewindvoerders ter
griffie van de rechtbank neergelegd om aldaar gedurende veertien
dagen kosteloos voor de schuldeisers ter inzage te liggen. De
bewindvoerders doen van de nederlegging mededeling in een of meer
door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen. Voorts geven
de bewindvoerders aan ieder der erkende en voorwaardelijk
toegelaten schuldeisers schriftelijk van de nederlegging kennis,
onder vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag.
2.De artikelen 184 tot en met 186,
187, eerste, tweede en derde lid, 189 en 191 van de
Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat hetgeen daarin is bepaald met betrekking tot de
curator van toepassing is op de bewindvoerders en dat in afwijking
van de in artikel 184 van de Faillissementswet bedoelde termijn de
in het eerste lid, eerste volzin, genoemde termijn geldt.
3.Indien ten gevolge van het
krachtens artikel 184 dan wel artikel 186 van de Faillissementswet
gedane verzet een verificatiegeschil ontstaat, is ten aanzien van
de vorderingen waarop dit verzet betrekking heeft artikel 3:233
van overeenkomstige toepassing, en kan vervolgens, nadat voorzover
nodig tevens dienovereenkomstig wijziging van de overige in de ter
inzage neergelegde lijst opgenomen uitkeringsbedragen heeft plaats
gehad, met inachtneming van het overigens in de artikelen 3:229
tot en met 3:235bepaalde, tot uitkering worden overgegaan. Indien
het gedane verzet niet tot een verificatiegeschil leidt, kan met
inachtneming van het bij de beschikking op het verzet bepaalde tot
uitkering worden overgegaan zodra die beschikking in kracht van
gewijsde is gegaan.
Artikel 3:235
In afwijking van artikel 3:233,
tweede lid, laatste volzin, kan op geverifieerde vorderingen welke
opeisbaar worden op of na de datum van de beschikking, bedoeld in de
artikelen 3:206, eerste en tweede lid, en 3:207, voorzover artikel
3:194, eerste lid, niet reeds op deze vorderingen werd toegepast,
een uitkering eerst worden gedaan zodra deze vorderingen opeisbaar
zijn geworden. Tot dat tijdstip wordt een bedrag aan liquide
middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de
bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen
zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op
andere wijze zeker gesteld.
Artikel 3:236
Indien een machtiging is gegeven als
bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c,
stellen de bewindvoerders ieder van de schuldeisers, bedoeld in
artikel 3:228, regelmatig op passende wijze in kennis van in ieder
geval het verloop van de noodregeling.
Artikel 3:237
Zodra de noodregeling is beëindigd,
doen de bewindvoerders daarvan mededeling in de Staatscourant.
§ 3.5.5.5. Bepalingen van
internationaal privaatrecht
Artikel 3:238
De verwijzingen in deze paragraaf
naar een lidstaat waar een financiële onderneming haar zetel heeft,
worden tevens beschouwd als verwijzingen naar een lidstaat waar een
bijkantoor van een financiële onderneming met zetel in een staat
die geen lidstaat is, is gelegen.
Artikel 3:239
1. Een in een andere lidstaat dan
Nederland genomen beslissing tot opening van een
insolventieprocedure ten aanzien van een bank, levensverzekeraar
of schadeverzekeraar wordt van rechtswege erkend, indien de bank,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar in die lidstaat haar of
zijn zetel heeft.
2. De beslissing heeft
rechtsgevolgen binnen Nederland vanaf het tijdstip dat zij
rechtsgevolgen heeft in de lidstaat waar de bank,
levensverzekeraar of schadeverzekeraar haar of zijn zetel heeft.
Artikel 3:240
De beslissing tot vaststelling van
een saneringsmaatregel, de saneringsmaatregel zelf en de
rechtsgevolgen van de saneringsmaatregel worden beheerst door het
recht van de lidstaat waar de saneringsmaatregel is vastgesteld,
tenzij de wet anders bepaalt.
Artikel 3:241
1. De beslissing tot vaststelling
van een saneringsmaatregel laat onverlet het goederenrechtelijke
recht van een schuldeiser of een derde op een goed of goederen,
zowel bepaalde goederen als gehelen met een wisselende
samenstelling van onbepaalde goederen, die toebehoren aan de bank
of verzekeraar en die zich op het tijdstip waarop de beslissing
tot opening van de saneringsprocedure rechtsgevolgen heeft,
bevinden op het grondgebied van een andere lidstaat dan de
lidstaat waar de entiteit voor risico-acceptatie, bank of
verzekeraar haar of zijn zetel heeft.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt onder goederenrechtelijk recht in ieder geval
verstaan:
a. het recht een goed te gelde
te maken of te laten maken en te worden voldaan uit de
opbrengst van of de inkomsten uit het goed, in het bijzonder
op grond van een recht van pand of recht van hypotheek;
b. het uitsluitende recht een
vordering te innen, in het bijzonder op grond van een
pandrecht op de vordering of op grond van een cessie tot
zekerheid van de vordering;
c. het recht om een goed van
een ieder die het zonder recht houdt op te eisen, van dat goed
afgifte te verlangen of van dat goed een ongestoord genot te
verlangen;
d. het goederenrechtelijke
recht om van een goed de vruchten te trekken.
3. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt met een goederenrechtelijk recht gelijkgesteld
het in een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging
van een goederenrechtelijk recht als bedoeld in het eerste lid dat
aan derden kan worden tegengeworpen.
4. Voor de toepassing van dit
artikel is de lidstaat waar een goed zich bevindt:
a. met betrekking tot
registergoederen en rechten op registergoederen: de lidstaat
onder het gezag waarvan het desbetreffende register wordt
gehouden;
b. met betrekking tot zaken,
voorzover niet vallend onder onderdeel a: de lidstaat op het
grondgebied waarvan de zaak zich bevindt; en
c. met betrekking tot
schuldvorderingen: de lidstaat op het grondgebied waarvan de
statutaire zetel van de derde-schuldenaar zich bevindt.
Artikel 3:242
1. Ingeval een bank of verzekeraar
een zaak heeft gekocht, laat de beslissing tot vaststelling van
een saneringsmaatregel onverlet de op een eigendomsvoorbehoud
berustende rechten van de verkoper, indien de zaak waarop het
eigendomsvoorbehoud betrekking heeft zich op het tijdstip waarop
de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel
rechtsgevolgen heeft, bevindt op het grondgebied van een andere
lidstaat dan de lidstaat waar de entiteit voor risico-acceptatie,
bank of verzekeraar haar of zijn zetel heeft.
2. Ingeval de financiële
onderneming een zaak heeft verkocht, is de beslissing tot
vaststelling van een saneringsmaatregel geen grond voor ontbinding
of beëindiging van de overeenkomst tot verkoop, en belet de
saneringsmaatregel de koper niet de eigendom van de gekochte zaak
te verkrijgen, indien de zaak zich op het tijdstip waarop de
beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel gevolgen
heeft, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de
lidstaat waar de entiteit voor risico-acceptatie, bank of
verzekeraar haar of zijn zetel heeft.
3. Artikel 3:241, vierde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:243
Indien degene die zowel schuldeiser
als schuldenaar is van de bank of verzekeraar bevoegd is zijn schuld
te verrekenen met de vordering op de bank of verzekeraar op grond
van het recht dat van toepassing is op de vordering van de bank of
verzekeraar, laat de beslissing tot vaststelling van de
saneringsmaatregel de bedoelde bevoegdheid onverlet.
Artikel 3:244
De artikelen 3:241 tot en met 3:243
staan er niet aan in de weg dat een vordering wordt ingesteld tot
nietigheid, vernietiging of het niet kunnen worden tegengeworpen van
een rechtshandeling wegens de benadeling van het geheel van
schuldeisers welke van die rechtshandeling het gevolg is.
Artikel 3:245
In afwijking van artikel 3:240 worden
de gevolgen van een saneringsmaatregel voor arbeidsovereenkomsten en
andere rechtsverhoudingen ter zake van het verrichten van arbeid
uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat op die
overeenkomst of rechtsverhouding van toepassing is.
Artikel 3:246
In afwijking van artikel 3:240 worden
de gevolgen van een saneringsmaatregel voor een overeenkomst die het
recht geeft op het genot of de verkrijging van een onroerende zaak
uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat op het
grondgebied waarvan de onroerende zaak is gelegen.
Artikel 3:247
In afwijking van artikel 3:240 worden
de gevolgen van een saneringsmaatregel voor de rechten van de bank
of verzekeraar op een registergoed beheerst door het recht van de
lidstaat onder het gezag waarvan het register wordt gehouden.
Artikel 3:248
1.In afwijking van artikel 3:240
worden, onverminderd artikel 3:241, de gevolgen van een
saneringsmaatregel voor de rechten en verplichtingen van
deelnemers aan een gereglementeerde markt uitsluitend beheerst
door het recht dat op die markt van toepassing is.
2.Het eerste lid staat er niet aan
in de weg dat een vordering wordt ingesteld tot nietigheid,
vernietiging of het niet kunnen worden tegengeworpen van een
rechtshandeling wegens de benadeling van het geheel van
schuldeisers die van die rechtshandeling het gevolg is.
Artikel 3:249
In afwijking van artikel 3:240 wordt
de rechtsgeldigheid van een rechtshandeling, onder bezwarende titel
aangegaan door de bank of verzekeraar na het tijdstip tot
vaststelling van een saneringsmaatregel, waarmee deze beschikt over
een registergoed of effecten of andere waardepapieren waarvan het
bestaan of de overdracht inschrijving in een wettelijk
voorgeschreven register of op een wettelijk voorgeschreven rekening
veronderstelt, of die zijn geplaatst in een door het recht van een
lidstaat beheerst gecentraliseerd effectendepot, beheerst door het
recht van de lidstaat onder het gezag waarvan het register, de
rekening of het depot wordt gehouden dan wel, indien het een
onroerende zaak betreft, door het recht van de lidstaat waar de
onroerende zaak is gelegen.
Artikel 3:250
In afwijking van artikel 3:240 worden
de gevolgen van de saneringsmaatregel voor een aanhangige
rechtsvordering betreffende een goed waarover de bank of verzekeraar
het beheer en de beschikking heeft verloren, uitsluitend beheerst
door het recht van de lidstaat waar het rechtsgeding aanhangig is.
Artikel 3:251
Artikel 3:240 is niet van toepassing
op regels betreffende de nietigheid, de vernietigbaarheid van voor
het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen en evenmin op
de regels die bepalen of dergelijke rechtshandelingen kunnen worden
tegengeworpen, indien degene die voordeel heeft gehad bij die
rechtshandeling bewijst dat:
a. die rechtshandeling wordt
beheerst door het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat
waar de entiteit voor risico-acceptatie, bank of verzekeraar
haar of zijn zetel heeft; en
b. dat recht in het gegeven geval
niet voorziet in de mogelijkheid dat die rechtshandeling wordt
aangetast onderscheidenlijk niet kan worden tegengeworpen.
Artikel 3:252
In afwijking van artikel 3:240 worden
de gevolgen van een saneringsmaatregel, vastgesteld met betrekking
tot een bank, voor de gevolgen van een overeenkomst tot verrekening
als bedoeld in artikel 212a, onderdeel m, van de Faillissementswet
en novatie uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is
op die overeenkomst.
Artikel 3:253
In afwijking van artikel 3:240
worden, onverminderdartikel 3:254, de gevolgen van een
saneringsmaatregel, vastgesteld met betrekking tot een bank, voor
een overeenkomst waarbij de ene partij, de koper, zich verbindt tot
een latere overdracht van een gelijke hoeveelheid activa van
dezelfde soort aan de verkoper, uitsluitend beheerst door het recht
van de lidstaat dat van toepassing is op die overeenkomst.
Artikel 3:254
In afwijking van artikel 3:240 worden
de gevolgen van een saneringsmaatregel, vastgesteld met betrekking
tot een bank, voor het uitoefenen van rechten op financiële
instrumenten waarvan het bestaan of de overdracht inschrijving in
een register, op een rekening of in een in een lidstaat bijgehouden
of gesitueerd gecentraliseerd effectendepot veronderstelt,
uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het
register, de rekening of het gecentraliseerde effectendepot waar
deze rechten zijn ingeschreven, wordt gehouden of is gesitueerd.
Artikel 3:255
1. De bewindvoerder uit een andere
lidstaat dan Nederland waar de bank, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar haar of zijn zetel heeft, heeft in Nederland de
bevoegdheden die hij heeft in de lidstaat van de zetel van de
bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, behoudens de
bevoegdheid tot het aanwenden van een dwangmaatregel en de
bevoegdheid tot het doen van een uitspraak in een geding of een
geschil. De wijze van uitoefenen van deze bevoegdheden in
Nederland wordt beheerst door het Nederlandse recht.
2. Indien op grond van het recht
van de lidstaat waar de bank, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar haar of zijn zetel heeft personen zijn
aangewezen om de bewindvoerder te vertegenwoordigen of anderszins
bij te staan, kunnen zij de bevoegdheden die zij hebben op grond
van het recht van die lidstaat uitoefenen op het grondgebied van
Nederland.
Artikel 3:256
1.Voor het bewijs van aanwijzing
van de bewindvoerder uit een andere lidstaat volstaat een voor
eensluidend gewaarmerkt afschrift van het aanwijzingsbesluit of
van ieder ander door de bestuurlijke of rechtelijke instanties die
bevoegd zijn ter zake van saneringsmaatregelen van de lidstaat
gegeven schriftelijke verklaring.
2.De bewindvoerder uit een andere
lidstaat toont op verlangen van een ieder tegenover wie hij zijn
bevoegdheden wenst uit te oefenen een vertaling in de Nederlandse
taal van het afschrift.
Artikel 3:257
Op verzoek van een bewindvoerder uit
een andere lidstaat worden de gegevens met betrekking tot een
saneringsmaatregel, vastgesteld in een andere lidstaat, door de
griffier van de rechtbank te ’s-Gravenhage ingeschreven in het
register, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de
Faillissementswet.
Afdeling 3.5.6.
Beleggerscompensatiestelsel en depositogarantiestelsel
§ 3.5.6.1. Financiële ondernemingen
met zetel in Nederland
Artikel 3:258
1. Deze paragraaf is van toepassing
op:
a. banken die een vergunning
als bedoeld in artikel 2:11 hebben;
b. beheerders die een
vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:65, eerste lid,
aanhef en onderdeel a, voor zover het betreft het beheren van
individuele vermogens;
c. beleggingsondernemingen die
een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:96 voor het
verlenen van beleggingsdiensten; en
d. financiële instellingen die
een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in
artikel 3:110 hebben en die beleggingsdiensten mogen verlenen.
2. De intrekking van een vergunning
als bedoeld in het eerste lid laat onverlet de toepasselijkheid
van deze paragraaf op vorderingen van beleggers op de financiële
onderneming die verband houden met beleggingsverrichtingen die tot
het tijdstip van intrekking van de vergunning hebben
plaatsgevonden en laat onverlet de toepasselijkheid van deze
paragraaf op bestaande vorderingen van crediteuren op de
financiële onderneming op het tijdstip van de intrekking van de
vergunning.
3. In deze paragraaf en paragraaf
3.5.6.1A wordt verstaan onder belegger: persoon als bedoeld in
artikel 3:259, eerste lid, eerste volzin.
Artikel 3:259
1.Er is een
beleggerscompensatiestelsel dat tot doel heeft personen die op
grond van een beleggingsdienst als omschreven in artikel 1:1 of
een dienst als vermeld in bijlage I, deel B, punt 1, van de
richtlijn markten voor financiële instrumenten, geld of
financiële instrumenten aan een bank, beleggingsonderneming of
financiële instelling hebben toevertrouwd, te compenseren ingeval
de betreffende onderneming niet in staat is te voldoen aan haar
verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen die verband houden
met die beleggingsdienst of nevendienst. Banken waarop artikel
2:13 of 3:33 van toepassing is, beleggingsondernemingen en
financiële instellingen dragen de kosten van het
beleggerscompensatiestelsel.
2.Er is een depositogarantiestelsel
dat tot doel heeft depositohouders te compenseren in het geval een
bank niet in staat is te voldoen aan haar verplichtingen die
voortvloeien uit vorderingen uit deposito’s. Banken dragen de
kosten van het depositogarantiestelsel.
3.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:
a. categorieën van financiële
ondernemingen en personen die onder de reikwijdte van de
vangnetregeling vallen, dan wel hiervan worden uitgesloten;
b. categorieën van vorderingen
die onder de reikwijdte van een vangnetregeling vallen, de
wijze van indiening en vaststelling daarvan, de voorwaarden
voor vergoeding van deze vorderingen, de hoogte van de
vergoeding, het doen van uitkeringen aan beleggers of
crediteuren en de wijze van informatieverschaffing daarover
door financiële ondernemingen.
4.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking
tot:
a. de bekendmaking van een
vangnetregeling; en
b. de financiering, bekostiging
en verdeling van baten van een vangnetregeling.
Artikel 3:260
1.De Nederlandsche Bank besluit tot
toepassing van een vangnetregeling indien een financiële
onderneming als bedoeld in artikel 3:258, eerste lid,
betalingsonmachtig is. Dit besluit wordt genomen:
a. zo spoedig mogelijk en
uiterlijk binnen 21 dagen nadat de Nederlandsche Bank voor het
eerst heeft geconstateerd dat de financiële onderneming heeft
nagelaten een verschuldigd en betaalbaar deposito terug te
betalen of aan een verschuldigde en betaalbare verplichting te
voldoen die voortvloeit uit een vordering van een belegger,
verband houdende met een beleggingsdienst of dienst als
bedoeld in artikel 3:259, eerste lid; of
b. zo spoedig mogelijk nadat
een rechterlijke instantie in een lidstaat, om redenen die
rechtstreeks verband houden met de financiële positie van de
financiële onderneming, een beslissing heeft genomen die
leidt tot schorsing van de mogelijkheid voor beleggers of
depositohouders om hun vordering op de betreffende financiële
onderneming te verhalen.
2.Een financiële onderneming is
betalingsonmachtig indien de Nederlandsche Bank constateert dat
die financiële onderneming, om redenen die rechtstreeks verband
houden met haar financiële positie, niet in staat lijkt te zijn
deposito’s van depositohouders terug te betalen of aan
verplichtingen te voldoen die voortvloeien uit vorderingen van
beleggers die verband houden met een beleggingsdienst of dienst
als bedoeld in artikel 3:259, eerste lid, en die financiële
onderneming daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat lijkt
te zijn.
3.De Nederlandsche Bank doet van
het besluit mededeling in de Staatscourant.
Artikel 3:261
1. Bij de toepassing van een
vangnetregeling stelt de Nederlandsche Bank met inachtneming van
het ingevolge artikel 3:259, derde lid, onderdeel b, bepaalde de
omvang vast van de vorderingen die voor vergoeding in aanmerking
komen en de hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende
vorderingen van beleggers of depositohouders, alsmede de hoogte
van de vergoeding van de vorderingen.
2. De Nederlandsche Bank draagt
zorg voor betaling van de ingevolge het
beleggerscompensatiestelsel voor vergoeding in aanmerking komende
vorderingen van beleggers binnen een bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen termijn.
3. De Nederlandsche Bank is in
staat ingevolge het depositogarantiestelsel voor vergoeding in
aanmerking komende aanspraken te honoreren binnen een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen termijn.
4. De Nederlandsche Bank treedt in
de rechten die een belegger of depositohouder terzake van een
vordering op de betalingsonmachtige financiële onderneming heeft
voor zover zij een vergoeding als bedoeld in het eerste lid aan
die belegger of depositohouder heeft betaald.
Artikel 3:261a
1.De samenloop van vorderingen van
beleggers op een bank, beleggingsonderneming of financiële
instelling ten aanzien waarvan een vangnetregeling is toegepast,
met aanspraken op vergoeding van de ingevolge deze afdeling
daarvoor in aanmerking komende vorderingen, leidt er niet toe dat
de Nederlandsche Bank en de boedel, beleggingsonderneming of
financiële instelling hoofdelijk zijn verbonden.
2.De samenloop van vorderingen van
depositohouders op een bank ten aanzien waarvan een
vangnetregeling is toegepast, met aanspraken op vergoeding van de
ingevolge deze afdeling daarvoor in aanmerking komende
vorderingen, leidt er niet toe dat de Nederlandsche Bank en de
boedel of de bank hoofdelijk zijn verbonden.
Artikel 3:262
De Nederlandsche Bank stelt met
inachtneming van het ingevolge artikel 3:259, vierde lid, onderdeel
b, bepaalde de bijdragen vast van de financiële ondernemingen,
bedoeld in artikel 3:258, eerste lid, aan de vangnetregeling. De
bijdrageplichtige financiële ondernemingen voldoen deze bijdragen
binnen een door de Nederlandsche Bank vastgestelde termijn.
Artikel 3:263
1. Een financiële onderneming als
bedoeld in artikel 3:258, eerste lid, stelt op verzoek informatie
ter beschikking over de toepasselijke vangnetregeling. Voorzover
op een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor een met een
vangnetregeling vergelijkbare regeling toepasselijk is, stelt de
financiële onderneming op verzoek eveneens informatie ter
beschikking over die regeling.
2. De informatie moet zodanig zijn
dat al dan niet potentiële beleggers en depositohouders in staat
worden gesteld om na te gaan of een vordering valt onder de
dekking van de vangnetregeling dan wel onder een vergelijkbare
buitenlandse regeling.
3. De informatie over de
vangnetregeling wordt in de Nederlandse taal ter beschikking
gesteld of voorzover het een vergelijkbare regeling betreft die op
een bijkantoor toepasselijk is, in de officiële taal of een van
de officiële talen van de lidstaat waar het desbetreffende
bijkantoor is gelegen.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het
tweede lid.
Artikel 3:264
1.Het is een financiële
onderneming niet toegestaan informatie over een vangnetregeling
ten behoeve van reclamedoeleinden te gebruiken.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing op financiële ondernemingen die in een reclame-uiting
vermelden dat op hen een vangnetregeling van toepassing is.
Artikel 3:265
1.De Nederlandsche Bank verhaalt de
vorderingen op de betalingsonmachtige financiële onderneming die
ingevolgeartikel 3:261, derde lid, op haar zijn overgegaan, op die
financiële onderneming.
2.Ingeval bij de toepassing van een
vangnetregeling een batig saldo resteert, stelt de Nederlandsche
Bank met inachtneming van het ingevolge artikel 3:259, vierde lid,
onderdeel b, bepaalde dit ter beschikking aan de financiële
ondernemingen die een bijdrage als bedoeld in artikel 3:262 hebben
gedaan.
§ 3.5.6.1a. Uitvoering van de
vangnetregeling in de noodregeling
Artikel 3:265a
De bewindvoerders stellen de
Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk na het uitspreken van de
noodregeling, bedoeld inAfdeling 3.5.5, in kennis van aan hen
bekende
a. beleggers;
b. depositohouders;
c. vorderingen van de personen,
bedoeld in de onderdelen a en b, op de financiële onderneming;
en
d. vorderingen van de financiële
onderneming op de personen, bedoeld in de onderdelen a en b.
Artikel 3:265b
1.Zodra de Nederlandsche Bank de
hoogte van de vergoeding van een vordering overeenkomstig artikel
3:261, eerste lid, heeft vastgesteld, deelt zij die en de
berekening daarvan mee aan de bewindvoerders.
2.Indien de Nederlandsche Bank van
oordeel is dat de vordering niet voor vergoeding in aanmerking
komt, deelt zij dat mee aan de bewindvoerders.
3.De bewindvoerders brengen het aan
hen ingevolge het eerste lid medegedeelde bedrag in mindering op
het bedrag van de na verrekening geresteerde of te resteren
vordering van de belegger of depositohouder op de financiële
onderneming.
Artikel 3:265c
1.Indien de Nederlandsche Bank de
hoogte van de vergoeding van een vordering nog niet ingevolge
artikel 3:265b, eerste lid, aan de bewindvoerders heeft
medegedeeld op het tijdstip waarop de bewindvoerders tot uitkering
van vorderingen overgaan, keren de bewindvoerders het bedrag aan
de desbetreffende belegger of depositohouder uit dat zij zouden
hebben uitgekeerd in het geval waarin de Nederlandsche Bank de
hoogte van de vergoeding zou hebben vastgesteld op het bedrag
waarop de belegger of depositohouder aanspraak maakt.
2.De bewindvoerders doen geen
uitkering op het gedeelte van de na verrekening resterende
vordering dat resteert na de uitkering ingevolge het eerste lid
dan nadat de Nederlandsche Bank de overeenkomstigartikel 3:261,
eerste lid, vastgestelde hoogte van de voor vergoeding in
aanmerking komende vordering aan de bewindvoerders heeft
medegedeeld.
3.Indien de bewindvoerders tot een
tussentijdse uitkering overgaan, reserveren zij een bedrag met
betrekking tot elke na verrekening geresteerde of te resteren
vordering waarop ingevolge het tweede lid nog geen uitkering is
gedaan.
4.De hoogte van het bedrag, bedoeld
in het derde lid, wordt gevormd door een percentage van de na
verrekening geresteerde of te resteren vordering waarop ingevolge
het tweede lid nog geen uitkering is gedaan, welk percentage
gelijk is aan het percentage dat is uitgekeerd op de andere
vorderingen met dezelfde rang die wel zijn voldaan.
§ 3.5.6.2. Financiële ondernemingen
met zetel in een andere lidstaat
Artikel 3:266
1.De paragrafen 3.5.6.1 en 3.5.6.1A
zijn van overeenkomstige toepassing op:
a. beleggingsondernemingen met
zetel in een andere lidstaat die beleggingsdiensten verlenen
vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die ingevolge
het tweede lid hebben gekozen voor een aanvullende deelname
aan het beleggerscompensatiestelsel;
b. banken met zetel in een
andere lidstaat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor en die ingevolge het derde lid
hebben gekozen voor een aanvullende deelname aan het
depositogarantiestelsel; en
c. banken en financiële
instellingen met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf
uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die
ingevolge het vierde lid hebben gekozen voor een aanvullende
deelname aan het beleggerscompensatiestelsel.
2.Een beleggingsonderneming met
zetel in een andere lidstaat die beleggingsdiensten verleent
vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor kan, indien de dekking
van een in die lidstaat toepasselijk stelsel van
beleggerscompensatie beperkter is dan de dekking van het
beleggerscompensatiestelsel, kiezen voor deelname aan het
beleggerscompensatiestelsel, ter aanvulling van de dekking van het
stelsel in de lidstaat van de zetel.
3.Een bank met zetel in een andere
lidstaat die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland
gelegen bijkantoor kan, indien de dekking van een in die lidstaat
toepasselijk stelsel van depositogarantie beperkter is dan de
dekking van het depositogarantiestelsel, kiezen voor deelname aan
het depositogarantiestelsel, ter aanvulling van de dekking van het
stelsel in de lidstaat van de zetel.
4.Een bank of een financiële
instelling met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf
uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan het
ingevolge artikel 2:15, onderscheidenlijkartikel 2:112, is
toegestaan beleggingsdiensten te verlenen, kan indien de dekking
van een in die lidstaat toepasselijk stelsel van
beleggerscompensatie beperkter is dan de dekking van het
beleggerscompensatiestelsel, kiezen voor deelname aan het
beleggerscompensatiestelsel, ter aanvulling van de dekking van het
stelsel in de lidstaat waar de zetel zich bevindt.
5.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld betreffende de
deelname aan een vangnetregeling door een bank of
beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat die een in
Nederland gelegen bijkantoor heeft.
§ 3.5.6.3. Financiële ondernemingen
met zetel in een staat die geen lidstaat is
Artikel 3:267
1.De Nederlandsche Bank kan al dan
niet op aanvraag besluiten dat het ingevolge de paragrafen 3.5.6.1
en3.5.6.1A bepaalde betreffende het beleggerscompensatiestelsel
van overeenkomstige toepassing is op een beleggingsonderneming met
zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent
vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan een vergunning
als bedoeld in artikel 2:96is verleend, of op een bank met zetel
in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent
vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan het ingevolge
artikel 2:22 is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen en,
indien op de vorderingen van beleggers op die
beleggingsondernemingen in verband met beleggingsverrichtingen
geen stelsel van beleggerscompensatie van toepassing is waarvan de
dekking gelijkwaardig is aan de dekking bedoeld in artikel 11,
eerste lid, vanrichtlijn nr. 97/9/EG van het Europees Parlement en
de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de
beleggerscompensatiestelsels (PbEG L 84).
2.De Nederlandsche Bank kan al dan
niet op aanvraag besluiten dat het ingevolge de paragrafen 3.5.6.1
en3.5.6.1A bepaalde betreffende het depositogarantiestelsel van
overeenkomstige toepassing is op banken met zetel in een staat die
geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in
Nederland gelegen bijkantoor, indien op de vorderingen van
crediteuren op die banken geen stelsel van depositogarantie van
toepassing is, waarvan de dekking gelijkwaardig is aan de dekking
bedoeld in artikel 6, eerste lid, vanrichtlijn nr. 94/19/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei
1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L 135).
3.Een bank of beleggingsonderneming
met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf
uitoefent onderscheidenlijk beleggingsdiensten verleent vanuit een
in Nederland gelegen bijkantoor stelt op verzoek informatie ter
beschikking over de toepasselijke vangnetregeling.
4.De informatie, bedoeld in het
derde
|