Nadere regelgeving:
- Regeling geurhinder en veehouderij
WET van 5 oktober 2006, houdende regels
inzake geurhinder vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven (Wet
geurhinder en veehouderij)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is regels te stellen met betrekking tot beslissingen inzake
vergunningen krachtens de Wet milieubeheer voor veehouderijen, voorzover
het betreft geurhinder vanwege tot die veehouderijen behorende
dierenverblijven;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
concentratiegebied: concentratiegebied Zuid of concentratiegebied
Oost als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een als
zodanig bij gemeentelijke verordening aangewezen gebied;
dierenverblijf: al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren worden
gehouden;
geuremissiefactor: bij ministeriële regeling vastgestelde
geuremissie per dier, behorende bij een daartoe aangewezen diercategorie
en huisvestingssysteem;
geurgevoelig object: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling
en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of
menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee
vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, waarbij onder «gebouw,
bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf» wordt verstaan:
gebouw dat op grond van het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.1 van
de Wet ruimtelijke ordening, een inpassingsplan als bedoeld in artikel
3.26 of 3.28 van die wet daaronder mede begrepen, de beheersverordening,
bedoeld in artikel 3.38 van die wet, of, indien met toepassing van
artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de
omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van
laatstgenoemde wet mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk
verblijf;
geurhinder: gevolgen voor het milieu door de emissie van geur;
huisvestingssysteem: gedeelte van een dierenverblijf, waarin dieren
van één diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden;
omgevingsvergunning: omgevingsvergunning voor een activiteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht;
veehouderij: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid,
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen categorie
behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen,
verladen of wegen van dieren.
Artikel 2
1. Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het
oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag
de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen
behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij
of krachtens de artikelen 3 tot met 9.
2. Het eerste lid geldt niet voor het weigeren van de
omgevingsvergunning op de grond dat door verlening daarvan niet aan
artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 1°, van de Wet algemene
bepalingen omgevingrecht kan worden voldaan en voor voorschriften die
met toepassing van het bepaalde krachtens artikel 2.22, derde lid, van
die wet of artikel 1.3c of 8.40 van de Wet milieubeheer worden gesteld
om te bereiken dat in de veehouderij ten minste de voor de veehouderij
in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
3. In afwijking van het eerste lid is artikel 1.1a van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing op
het nemen van een beslissing als bedoeld in dat lid. De eerste volzin
is niet van toepassing op gevallen als bedoeld in artikel 3, tweede
lid, voor zover het betreft een geurgevoelig object dat op of na 19
maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere
veehouderij, en artikel 14, tweede lid.
Artikel 3
1. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt
geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een
geurgevoelig object, gelegen:
a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer
bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht;
b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer
bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;
c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer
bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht;
d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer
bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een
veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een
andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden
deel uit te maken van een andere veehouderij:
a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen
de bebouwde kom is gelegen, en
b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten
de bebouwde kom is gelegen.
3. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is
dan aangegeven in dat lid of de afstand, bedoeld in het tweede lid,
kleiner is dan aangegeven in dat lid, wordt een omgevingsvergunning,
in afwijking van het eerste en tweede lid, niet geweigerd indien de
geurbelasting niet toeneemt en het aantal dieren van één of meer
diercategorieën niet toeneemt.
4. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is
dan aangegeven in dat lid, het aantal dieren van één of meer
diercategorieën toeneemt, en een geurbelastingreducerende maatregel
zal worden toegepast, dan wordt een omgevingsvergunning verleend voor
zover het betreft de wijziging van het aantal dieren, voorzover de
toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging niet meer
bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het
gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel
bij het eerder vergunde veebestand.
Artikel 4
1. De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden
van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een
geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object bedraagt:
a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen
de bebouwde kom is gelegen, en
b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten
de bebouwde kom is gelegen.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de afstand of de
geuremissiefactor voor pelsdieren vastgesteld bij ministeriële
regeling.
3. Indien de afstand, bedoeld in het eerste of tweede lid, kleiner
is dan aangegeven in dat lid, wordt een omgevingsvergunning, in
afwijking van die leden, niet geweigerd indien de afstand tussen de
veehouderij en het geurgevoelig object dat binnen de in het eerste of
tweede lid bedoelde afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal
dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen
geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt.
Artikel 5
1. Onverminderd de artikelen 3 en 4 bedraagt de afstand van de
buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een
geurgevoelig object:
a. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object binnen
de bebouwde kom is gelegen, en
b. ten minste 25 meter indien het geurgevoelige object buiten
de bebouwde kom is gelegen.
2. Indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan
aangegeven in dat lid, wordt een omgevingsvergunning, in afwijking van
het eerste lid, niet geweigerd indien de afstand, bedoeld in het
eerste lid, niet afneemt en:
a. de geurbelasting op het geurgevoelige object dat binnen de
in het eerste lid genoemde afstand is gelegen, en het aantal
dieren van één of meer diercategorieën, niet toenemen, of
b. de in artikel 4bedoelde afstand tussen de veehouderij en het
geurgevoelig object dat binnen de in het eerste lid genoemde
afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal dieren van één of
meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is
vastgesteld niet toeneemt.
Artikel 6
1.Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een
deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van
toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3,
eerste lid, met dien verstande dat deze andere waarde:
a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet
minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet
meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;
b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet
minder bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht en
niet meer dan 35,0 odour units per kubieke meter lucht;
c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet
minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet
meer dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht;
d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet
minder bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht en
niet meer dan 20,0 odour units per kubieke meter lucht.
2.Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat een bij die
verordening vast te stellen andere waarde of afstand als bedoeld
inartikel 3 of 4 van toepassing is voor geurgevoelige objecten die
onderdeel hebben uitgemaakt van een veehouderij.
3.Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een
deel van het grondgebied van de gemeente een andere afstand van
toepassing is dan de afstand, genoemd in artikel 4, eerste lid, met
dien verstande dat deze:
a. ten minste 50 meter bedraagt indien het geurgevoelige object
binnen de bebouwde kom is gelegen, en
b. ten minste 25 meter bedraagt indien het geurgevoelige object
buiten de bebouwde kom is gelegen.
4.Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een
deel van het grondgebied van de gemeente voor pelsdieren een andere
afstand van toepassing is met dien verstande dat deze ten minste de
helft bedraagt van de afstand, bedoeld in artikel 4, tweede lid.
Artikel 7
1. Om te voorkomen dat een gebied minder geschikt wordt voor het
behalen van de met de verordening, bedoeld inartikel 6, te
verwezenlijken doelstelling kan de gemeenteraad besluiten dat in
afwachting van die verordening een beslissing op een aanvraag voor het
oprichten of veranderen van een veehouderij wordt aangehouden.
2. Bij het aanhoudingsbesluit wordt bepaald voor welk gebied het
geldt en met ingang van welke dag het in werking treedt.
3. Een aanhoudingsbesluit vervalt op het tijdstip waarop de
verordening ter voorbereiding waarvan het besluit is genomen, in
werking treedt. Een aanhoudingsbesluit vervalt tevens indien niet
binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan het ontwerp
voor de verordening bij de raad aanhangig is gemaakt of niet binnen
twee jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan de verordening in
werking is getreden.
4. Een aanhoudingsbesluit wordt bekendgemaakt door terinzagelegging
van dit besluit. Artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing. Van het aanhoudingsbesluit wordt tevens mededeling gedaan
langs elektronische weg.
5. Het bevoegd gezag houdt, in afwijking van artikel 3:18 van de
Algemene wet bestuursrecht, de beslissing aan, indien voor het gebied
waarop de veehouderij zal worden opgericht of veranderd vóór de dag
van ontvangst van de aanvraag een aanhoudingsbesluit in werking is
getreden. De aanhouding duurt totdat het aanhoudingsbesluit
overeenkomstig het derde lid is vervallen.
Artikel 8
1.Bij het bepalen van de andere waarde of afstand, bedoeld in
artikel 6, betrekt de gemeenteraad in elk geval:
a. de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de
veehouderijen in het gebied;
b. het belang van een geïntegreerde aanpak van de
verontreiniging, en
c. de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van
het milieu.
2.Bij het bepalen van de andere waarde of afstand betrekt de
gemeenteraad tevens:
a. de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied, of
b. de afwijkende relatie tussen geurbelasting en geurhinder.
Artikel 9
Wanneer voor een gebied als bedoeld in artikel 6 een andere waarde of
andere afstand dan genoemd in de artikelen 3 of 4 wordt vastgesteld, en
het effect vanwege het vaststellen van die andere waarde of andere
afstand doorwerkt naar het grondgebied van een naburige gemeente, kan de
gemeenteraad daartoe slechts overgaan na overleg met die naburige
gemeente.
Artikel 10
Bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer worden, in overeenstemming met Onze Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, regels gesteld over de wijze
waarop:
a. de geurbelasting, bedoeld in artikel 3, wordt bepaald;
b. de afstand, bedoeld in deartikelen 3 en 4, eerste lid, wordt
gemeten.
Artikel 11
[Wijzigt de Interimwet stad-en-milieubenadering]
Artikel 12
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht]
Artikel 13
De Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en
verwevingsgebieden wordt ingetrokken.
Artikel 14
1. Indien een aanvraag om een vergunning is ingediend voor het
tijdstip waarop deze wet met betrekking tot zodanige aanvraag in
werking treedt, blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige
aanvraag geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de
beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden.
2. Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de
afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart
2000 is gebouwd:
a. op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als
veehouderij,
b. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking
stellen van de veehouderij, en
c. in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die
onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij,
ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is
gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom
is gelegen.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een
geurgevoelig object dat op de in dat lid bedoelde kavel aanwezig is.
Artikel 15
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 16
Deze wet wordt aangehaald als: Wet geurhinder en veehouderij.
Lasten en bevelen dat deze in
het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 5 oktober 2006
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel
Uitgegeven de zevende november 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|